Posts tonen met het label Napoleon III. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Napoleon III. Alle posts tonen

woensdag 28 juni 2017

Hugo, Dumas en Zoonvan

     Victor Hugo (1802-1885) was goed bevriend met Alexandre Dumas (1802-1870). De twee hadden heel wat met elkaar gemeen: wegbereiders van de romantische beweging, onverzettelijke werkkracht, veel vrouwen. Hugo was gierig als de pest en Dumas gooide het geld door ramen en deuren, maar dat was een detail. Dat deed niet ter zake. Soms hadden ze ook ruzie als hun minnaressen belust waren op dezelfde theaterrol, maar die ruzie werd dan bijgelegd want Hugo was de kwaadste niet en Dumas al zeker niet. ‘L’excellent Dumas’, noemt Alain Decaux hem.
     Als schrijver hadden ze allebei veel succes. Toch werd Hugo meer au sérieux genomen. Hij nam zichzelf ook heel erg au sérieux en dat helpt. Uiteindelijk werd hij in 1841 verkozen tot lid van de Académie française. Hij kreeg een groen uniform en een degen, en mocht plaats nemen te midden van de veertig ‘onsterfelijken’ om mee de belangen van de Franse taal en literatuur te  behartigen over de hele wereld. Alexandre Dumas daarentegen  geraakte nooit binnen in dat voorname clubje en moest ook na zijn dood wachten tot 2002 voor hij werd begraven in het Panthéon – waar Hugo al onmiddellijk na zijn verscheiden was bijgezet.
     Lid worden van de Académie was niet gemakkelijk geweest, zelfs niet voor een groot man als Hugo. Hij moest wachten tot een ander academielid stierf en zich dan kandidaat stellen, naar mondaine feestjes gaan, zoete broodjes bakken met de andere leden, of, als die vis niet wilde braden, met hun vrienden, hun verloofdes, hun vrouwen of hun minnaressen. Omgekeerd kon je het eens verworven lidmaatschap ook niet meer kwijtraken. Hugo leefde twintig jaar in ballingsschap omdat hij ruzie had met Napoleon III en al die tijd bleef zijn stoel – nr. 14 – onbezet. Toen Napoleon III verdreven was, keerde Victor Hugo terug en kon hij zijn plaats weer innemen. Dat was in 1870, het jaar ook van de dood van Alexandre Dumas.
     Welnu, die Alexandre Dumas had een zoon en die heette ook Alexandre Dumas. Omdat hij net als zijn vader toneelstukken en boeken schreef, was het noodzakelijk dat de namen van elkaar onderscheiden werden. De ouwe, dikke Dumas werd Dumas père genoemd, en zijn zoon Dumas fils. Maar dan ontstond zoetjes aan de gewoonte om dat ‘Dumas fils’ uit te spreken zonder pauze tussen de twee woorden en met een klemtoon op de laatste lettergreep. Je moet het eens proberen – Dumasfils - en je zult het lichte misprijzen voelen van zo’n uitspraakwijze die verder ook haar eigen schrijfwijze meebracht: Dumafice. Les voilà: Dumas et Dumafice. Dat is zoiets als: kijk, daar heb je ze, Dumas en Zoonvan.
     Tussen de jonge Dumas en Hugo vlotte het niet zo goed. Hugo was een man van links, de jonge Dumas was een man van rechts, ‘un homme de l’ordre’*. Hugo was geschokt toen de arbeidersopstand van 1871 op gruwelijke wijze werd onderdrukt, met veel executies, lange gevangenisstraffen, dwangarbeid en verbanning naar onherbergzame eilanden aan de andere kant van de wereld. De jonge Dumas van zijn kant juichte de onderdrukking toe. Hugo zag een blinde wraakoefening, de jonge Dumas een noodzakelijke maatregel om de beschaving veilig te stellen.
     Welnu, in 1874 wou de jonge Dumas zich laten verkiezen voor de Académie. Elke stem was van belang. Langs tussenpersonen probeerde hij te vernemen of hij de stem van Hugo kon krijgen, maar de grote man zweeg grimmig. Op de dag van de verkiezing nam de jonge Dumas plaats op een bankje in de buurt van de Académie en wachtte angstig af. Zou hij voldoende stemmen behalen? Zou Victor Hugo een kruisje plaatsen naast de naam Dumas? Toen kwam Hugo naar buiten, zag de nerveuze kandidaat-académicien en stapte naar hem toe. Zonder hem de hand te schudden, zei hij: ‘J’ai voté pour votre père,’ en ging weg. 
      Zoonvan was verkozen. Stoel nr. 40.

*Un homme de l’ordre - mooie uitdrukking. Advocaat de Callatay zei mij ooit: ‘Philippe, vous ne comprenez pas cela. Vous n’êtes pas un homme de l’ordre.’

maandag 19 december 2016

Het grote dictee

     Ik heb ook deze keer niet meegedaan aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Ja, één keer heb ik mij laten verleiden. Ik ben toen met mijn leerlingen naar een cultureel centrum getrokken waar een voorronde plaatsvond. ’t Was op een zaterdagmorgen. De eerste zin begon, geloof ik, aldus: ‘In Middeleeuwse hospitia inktten monniken hun ganzenveren …’ Van die woorden had ik alleen ‘in’ en ‘hun’ correct. En ook met het woord ‘annalen’ dat verder in de zin kwam, had ik moeite. Mijn reputatie lag op straat.
     Voor Frans dictee was dat hetzelfde. Op mijn eerste proefdictee bij professor Jozef Mertens haalde ik -73 op 20 terwijl mijn medestudenten vlot -50 en zelfs -40 scoorden. De goede professor troostte ons: ‘Mes dictées, ça s’apprend.’ En dat was waar. Tegen het examen van juni spelde ik al zo goed dat ik positieve punten overhield, maar helaas nog niet genoeg om ook geslaagd te zijn. Ik heb toen, om mij op het examen van september voor te bereiden, een boekje gekocht met allemaal moeilijke Franse dictees. Eerst liet ik mij die voorlezen door mijn grootmoeder. Die sprak uitstekend Frans, maar bij dictees had ze de neiging om het mij te gemakkelijk te maken. In een zin als ‘La chanson qu’elle a chantée’ sprak ze het laatste woord uit als ‘chanté-eu’. Dan was het ook niet moeilijk meer. Ik heb de dictees dan maar opgenomen op een bandje en zo de hele verdere vakantie lang vlijtig geoefend.
     Een van die moeilijke dictees uit het boekje was geschreven door Prosper Mérimée, de auteur van Carmen en Colomba en een goede vriend van Toergenjev. Dat dictee is een pittige tekst van 177 woorden die Mérimée* geschreven had als gezelschapsspel voor Napoleon III en zijn vrienden. De keizer maakte naar verluid wordt 75 fouten, de keizerin 62, de schrijver Alexandre Dumas fils 24 en zijn collega Octave Feuillet 19. De zoon van Metternich ten slotte, die ook Metternich heette, en een Oostenrijker was, maakte maar 3 fouten.
     Ik heb het dictee van Mérimée ooit afgenomen van mijn vader. Hij maakte 25 fouten, drie keer minder dan Napoleon III en maar één foutje meer dan de auteur van La dame aux camélias*. Mijn vader brengt dat wapenfeit soms ter sprake op familiefeestjes.

*Dumas’ boek werd in 1937 verfilmd als Camille, met Greta Garbo in de hoofdrol. Mijn vader spreekt altijd van Le roman de Marguerite Gautier.