Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen

dinsdag 13 april 2021

Populisme en elitisme

 

     Er wordt al jaren gesproken en geschreven over populisme, maar veel minder over de noodzakelijke pendant ervan: het elitisme. Het zijn blijkbaar allebei vieze dingen. Slechts een moedige enkeling zoals Marc Ernst of Koenraad Elst durft het ene dan wel het andere onbeschroomd bepleiten.
     Ik heb weinig moeite met ‘welbegrepen’ populisme of elitisme. In het leger was ik lid van een regiment – hét regiment – dat zich trots tot de elite van het leger had uitgeroepen. Jan speelde in het jeugdvoetbal in de zogenaamde nationale ‘elite’-reeks. Doe je iets fout als je beter een pas opvangt of doorgeeft dan je vriendjes, of godbetert vaker scoort, of als je een speedmars en een hindernissenparcours in een heroïsche tijd aflegt terwijl je, in tegenstelling tot in die Amerikaanse films, je geweer en ‘stormgordel’ meesleurt?
     Tom Naegels verwondert er zich op zijn facebookpagina over dat gewezen Vlaams Blok-kopstuk Roeland Raes in 1973 zonder schroom opriep tot het vormen van een ‘elite’. ‘Men zou er maar eens mee moeten ophouden, schreef Raes toen,  om iedereen te willen overtuigen dat de massa gezag, wijsheid en collectieve wil bezit … Het tegendeel is waar: de massabeweging is verward, onzeker, manipuleerbaar.’ Mij verwondert het helemaal niet dat Raes dat schreef, want ’t was de zuivere waarheid, toen en nu. Akkoord, Tom van Grieken zou zoiets nu niet meer zeggen, maar de elite waar Raes over schreef was een andere dan die waar hedendaagse populisten tegen te keer gaan. 
     Wél fout is de conclusie die Raes, en met hem het Vlaams Blok van de begindagen, aan de stelling verbond: dat democratie, in die tijd door sommigen ook ‘domocratie’ genoemd, een slecht systeem was. Ik heb lang geleden Jurgen Ceder op een meeting nog rustig horen uitleggen dat je staatszaken niet aan de democratie moest overlaten, net zomin als je een medische diagnose overliet aan de schoonmaakploeg van het ziekenhuis. Ik heb toen heftig geprotesteerd vanuit de zaal, terwijl mijn eigen democratische overtuiging in die tijd vooral de ‘leidende rol van de voorhoedepartij’ behelsde, een extreem elitisme dat was uitgewerkt door Lenin in Que faire?
    Het is gewoon erg moeilijk om je een maatschappij voor te stellen met helemaal géén elites die een stempel zetten op de gehele samenleving. Zo’n maatschappij zou voortdurend de spontaan opduikende elites moeten onderdrukken, en dat onderdrukken zou ook weer door een elite moeten gebeuren. In zulke omstandigheden is het beste nog om het bestaan van elites te aanvaarden als een fact of life, en om de aandacht te verplaatsen naar de vraag hóe de elites tot stand komen en wát ze doen.
     Er zijn om te beginnen soorten elites: de financiële elite, de culturele elite, de artistieke elite, de onderwijzende elite, de intellectuele elite, de technologische elite, de sportieve elite, de politieke elite, de bureaucratische elite, en wie wil kan er nog veel meer bedenken. Er heeft wellicht nooit een samenleving bestaan waar de verschillende elites mooi samenvielen, en dat is vandaag evenmin het geval. Ik had bijna geschreven: vandaag, minder dan ooit, maar zoiets zou ik dan weer moeten gaan controleren en hoe begin je dááraan?
     Met dat alles verwant is de kwestie van de toetredingsvoorwaarden. Hoe word je lid van een elite? Is het je aristocratische afkomst die het hem doet? Moet je een staatsexamen afleggen zoals de Chinese mandarijnen? Kun je een entreekaartje kopen als je veel geld hebt? Hoe belangrijk zijn de netwerken van ons-kent-ons? Word je makkelijker notaris, apotheker of dokter als een van je ouders notaris, apotheker of dokter is? Jan studeert geneeskunde en de meeste van zijn vrienden zijn dokterskinderen. In Spanje, liet ik mij vertellen, gebeurde het wel eens dat een universitaire leerstoel overging van vader op zoon. Zelf hou ik nogal van het meritocratisch beginsel – ‘la carrière ouverte aux talents’ zoals Napoleon het verwoordde – maar ook dat heeft zijn nadelen: als je er niets van terecht brengt, kun je de schuld niet geven aan het milieu waarin je geboren werd, het kastesysteem waarin je opgesloten bent, het glazen plafond waar je tegenaan botst of de ‘structurele’ discriminatie die in het systeem zit ‘ingebakken’.
     Toen Roeland Raes in 1973 scheef over de noodzaak van een elite, dacht hij ongetwijfeld niet aan een sportieve, financiële of technologische elite, maar aan een morele elite, in de traditie van Plato en, zeg, Joris Van Seeveren, Dát is een heikel punt. Er bestaan ongetwijfeld mensen die hogere morele principes hebben dan andere, en er ook naar leven. Maar zoeken die mensen elkaar op? Vormen ze samen een club? En wat gebeurt er áls ze samen een club vormen? Zoals de Farizeeën waar Jezus tegen te keer ging, of de Brahmanen waar Boeddha zo kritisch over was. Bij zo’n club rijst al snel de vraag of het om ‘heiligen’ of ‘schijnheiligen’ gaat. De ‘Compagnie du Saint-Sacrement’ had Tartuffe als vooraanstaand lid. De puriteinen van Salem waren op hun manier erg deugdzaam, maar verdraagzaamheid stond op hun deugdenlijstje niet bovenaan.
     En wat gebeurt er verder als je moraal, elite en politieke macht in één discours probeert te vatten? Daar schrijf ik morgen misschien een stukje over.

 

maandag 23 december 2019

Ingetogen kerstmuziek


    Op de laatste dag van het eerste trimester brengt de klassenleraar een aantal uurtjes door met zijn leerlingen. Dat is voornamelijk om de rapporten uit te delen. Soms worden er kleine geschenkjes uitgewisseld of een stuk kerstcake genuttigd. Of een leerlinge kiest op de computer een playlist met kerstmuziek.
     Voor iemand van mijn generatie valt dat laatste nogal tegen. Die vrolijke dansliedjes van Sia, Katy Perry en Ariana Grande roepen voor mij geen kerstsfeer op. Zij zijn te Amerikaans, te veel Jingle Bells, te veel Santa Claus, te weinig kerststal-met-kindje-en-os-en-ezel. Mensen van mijn generatie willen Stille Nacht, of ingetogen middeleeuwse melodieën, of desnoods liedjes van Armand Preud’homme die we als kind op de blokfluit leerden spelen, liedjes met andere woorden die je vooral aantreft op knullige cd’s met kinderkoren, xylofoons, triangels en blokfluiten.
     We moeten de schuld voor die ongepaste vrolijkheid niet alleen bij de Amerikanen leggen. Onze eigen Europese barokcomponisten hebben hier eveneens veel kwaad gedaan. Bach met Jauchzet, Frolocket, Händel met Tochter Zion. Zelfs als je dat op een wollig-warme piano speelt, klinkt het alsof vier of vijf trompetten aan het schetteren zijn.
     Ik begrijp overigens de redenering van de barokkers. De geboorte van Jezus betekende dat de mensheid van het Kwaad werd verlost. Dat is uitermate goed nieuws want met het Kwaad valt niet te spotten. Er is dus reden tot blijdschap. Maar er zit in die kijk, naar mijn smaak, te weinig gevoel voor drama en melodrama.
     Het gaat mij in de eerste plaats om het melodrama. Jozef en de hoogzwangere Maria die geen onderdak vinden in Betlehem. Alle hotels en restaurants in Betlehem die volgeboekt zijn. Wij hebben dat eens meegemaakt in Praag op kerstavond 1990 : geen enkel restaurant dat ons wou binnenlaten. Gelukkig was mijn vrouw niet hoogzwanger en hadden we wel een warme kamer waar we naartoe konden. Een koude nacht in een stal bleef ons bespaard.
     Dan drama. De mensheid is, geloof ik, niet van het Kwaad verlost door de geboorte van Christus, maar door zijn lijden en dood. Dat lijden en die dood beginnen eigenlijk al bij de geboorte. Eigenlijk kun je al bij de geboorte zingen van ‘O hoofd vol bloed en wonden’ of ‘We zetten ons in tranen neer’. Maar dan overdrijven we weer in de andere richting.
     Het beste is om, zoals altijd, het gouden midden op te zoeken: vrolijk noch gekweld, maar sereen. Nu zijt wellekome, Adeste Fideles, en het wondermooie First Noel.  Dat laatste is ook heel geschikt als achtergrondmuziek terwijl je in je boekenkast op zoek gaat naar een kerstverhaal van Charles Dickens (hier).


woensdag 30 mei 2018

Dostojevski en het Stockholmsyndroom

     In het laatste jaar van zijn leven, toen hij al een poos aan maagkanker leed en wist dat hij een volgende operatie niet zou overleven (‘I think I don’t have the stomach for it,’ zei hij) heeft de Amerikaanse filosoof Nozick nog een jaar college gegeven over Dostojevski. Ik zou wel eens willen weten wat hij op die colleges vertelde, want Dostojevski had zonderlinge opvattingen over velerlei onderwerpen: over de Joden, over de noodzaak van het lijden, over de enige échte reden waarom je je medemens niet met een bijl mocht doodslaan, over de hoge zending van Rusland, dat aan het hoofd van de Slavische volkeren de wereld bevrijden moest van democratie en materialisme …
     Dostojevski was zijn carrière begonnen als een ‘linkse’ schrijver, een soort groen-linkse jongen, een adept van de volksverheffing, een aanhanger van het humanitair christelijk socialisme. Voor die opvattingen werd hij eerst ter dood veroordeeld, werd hem enkele minuten voor de terechtstelling gratie verleend, en verbleef hij vier jaar in een Siberisch strafkamp. Vier jaar droeg hij ketenen aan handen en voeten en was hij meestentijds met heel veel anderen opgesloten in een houten barak waarin je ’s zomers stikte en ’s winters bevroor. Slapen deed je er op een houten plank, gehuld in je overjas en zonder deken. De sadistische kampoverste had verordend dat de gevangenen op hun linkerzij moesten slapen, ‘zoals Jezus’. Wie bij het slapen betrapt werd op zijn rechterzij, werd gegeseld.
     Tot de euvelen van de strafkolonie, schrijft Schopenhauer, behoort ook het gezelschap dat men daar aantreft. Dat was ook zo bij Dostojevski. De nerveuze schrijver was omringd door ruwe moordenaars uit de boerenklasse. Ze bestalen elkaar, dronken zich laveloos, zongen obscene liederen, vochten met messen en sloegen in groep, als het zo uitkwam, één of andere medegevangene bewusteloos. Bovenal koesterden ze een diepe haat tegen de ‘politieken’ zoals Dostojevski, omdat die uit de bevoorrechte klasse kwamen en niemand vermoord of bestolen hadden. Die haat had de schrijver niet verwacht en hij leed er de erg onder.
     Bij de ‘politieken’ waren ook een aantal Poolse nationalisten die hun land wilden afscheiden van Rusland. Ze namen Dostojevski liefdevol op in hun midden en gedroegen zich verder beleefd maar afstandelijk tegen het geboefte. ‘Je hais ces brigands,’ zei een van hen tegen Dostojevski. Dat zette de schrijver aan het denken. Typisch Pools vond hij dat. Die mensen zagen niet dat onder de obsceniteiten, de dronkenschap, de dieverij en het geweld van het geboefte een Schone Russische Ziel stak, zoals je die alleen bij de Volksmens aantrof. Zeker, die Volksmens roofde, maar met het geroofde geld kocht hij, naast drank, ook kaarsjes om in de kerk te branden. Jawel, de Volksmens pleegde moorden, maar was Jezus niet gekruisigd naast een Goede Moordenaar?
     Dostojevski’s aanvankelijke afkeer van zijn medegevangenen was omgeslagen in bewondering. ’t Waren kranige kerels, vond hij nu, en hoe meer ze op zijn kop zaten, hoe kraniger hij ze vond. En als er soms een met Kerstmis of met Pasen wat vriendelijker tegen hem was dan anders, dan was het laatste bewijs geleverd dat de redding van Rusland en van de wereld van dat soort mensen afhing, en van het orthodoxe geloof natuurlijk. Dat ze hun geld niet opspaarden maar verdeden aan drank en dobbelspel bewees dat ze niet materialistisch waren. Hun rancune tegen de hogere klasse bewees hoezeer ze de deugd van nederigheid op prijs stelden. En hun kinderlijk geloof in de Tsaar bewees het bestaan van een mystieke eenheid tussen vorst en volk. Niet het volk moest worden verheven door de bollebozen van de stad; het waren de bollebozen van de stad die moesten worden verheven door het wijze volk.
     Die ideeën waren niet zo vreselijk rationeel. Maar met rationaliteit kwam je niet ver in een strafkamp, had Dostojevski ondervonden. Als je tot levenslang veroordeeld was, kon je maar beter geloven dat je ooit op wonderlijke wijze weer vrijkwam. En als je omringd was door een stelletje boeven kon je maar beter geloven dat die boeven geen boeven waren, maar edele lieden.
     Dostojevski was in gevangenschap gekomen door zijn ‘linkse’ ideeën. Maar door diezelfde gevangenschap  ontwikkelde hij zich tot een gezagsgetrouwe ‘rechtse’ schrijver. Het oude geloof moest worden hersteld. De waarheid ontsprong niet in het moderne westen, maar op het Russische platteland. Alle heil kwam van de Tsaar die als een vader voor zijn volk zou zorgen. En die Poolse nationalisten moest men op tijd en stond een lesje leren, ook al waren ze nog zo liefdevol of beleefd.

zaterdag 14 mei 2016

Het echtelijke geweld van professor Lernout

    Ik was van plan om eens een boek van professor Geert Lernout te lezen, want veel zaken in de Ulysses zijn mij niet duidelijk, maar ik zal die lectuur toch nog even uitstellen. Lernout schreef van de week een stuk voor DeRedactie.be, en dat moet eerst verteerd worden.
     ‘Toen mijn moeder jong was,’ schrijft Lernout, ‘sloegen mannen hun vrouw.’ Nou-nou-nou-nou-nou. Ik ben van ongeveer dezelfde leeftijd als de professor en ik heb inderdaad mannen gekend die hun vrouw sloegen. Toen ik nog bij mijn ouders woonde, in Wervik, hadden we gewelddadige overburen. Daar werd al eens een rake klap uitgedeeld, van de twee kanten. Toen ik in Kortrijk op kamers woonde, had ik een buur aan de overkant van de gang die zijn vrouw sloeg en zijn moeder. En toen ik op een flat in Brussel woonde, was er op de derde verdieping een medehuurder die, als hij gedronken had, om de beurt zijn vrouw en zijn minnares sloeg. Hij heeft daarbij een keer zo erg zijn hand bezeerd – hij had  een raam kapotgeslagen – dat een ambulance moest komen om hem te verzorgen … en een politiepatrouille om hem in bedwang te houden (1). Misschien heeft Lernout uit eigen ervaring, of langs zijn moeder, ook vele gevallen gekend van mannen die hun vrouw, hun moeder of hun minnares sloegen. Maar dat kunnen er nooit genoeg geweest zijn om zo’n grove veralgemening te billijken als ‘mannen sloegen hun vrouw’.

     Ik heb niets tegen veralgemening, als men er iets leuks mee doet, zoals in het mooie gedicht van Auguste Barbier (1805-1882) die schreef over

               ‘La fille de taverne ...
                Qui, dans son taudis, sur sa couche de paille,
                N’a d’amour chaud et libertin,
                Que pour l’homme hardi qui la bat et la fouialle
                Depuis le soir jusqu’au matin.


     Dat is mooi en waar. Toch zou ik nooit schrijven: in de tijd van Auguste Barbier werden volksmeisjes van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat afgeranseld door hun minnaar. Van een van onze buurmeisjes – ze heette Claudette – was bekend dat ze door haar vriend geslagen werd. ‘Een man die zijn vrouw niet slaat is geen echte man,’ zei ze. Weer zou ik nooit schrijven: meisjes die Claudette heetten vinden het normaal dat ze door hun vriend geslagen worden.
     Eigenlijk loopt het bij Lernout zijn betoog al fout in de eerste alinea. Daarin herneemt hij een verhaal dat hij ooit gelezen heeft in een Davidsfondsboek van zijn moeder. In dat verhaal krijgt een boer de wijze raad om zijn kwade vrouw met een stok te slaan, zoals je dat doet met een notenboom, om mooiere vruchten te krijgen. Zulke volksverhalen worden nu niet meer gepubliceerd en Lernout schijnt daaruit te besluiten dat men vroeger toleranter stond tegenover echtelijk geweld.
     Ik zou hier van een professor in de literatuurwetenschap een grotere voorzichtigheid hebben verwacht. Mijn vader haalde op familiefeestjes dikwijls een zegswijze aan waar hij veel succes mee oogstte: ‘Een vrouw zonder slaag is als soep zonder zout.’ Mijn vader zelf en de andere mannen rond de tafel – de vrouwen ook geloof ik – moesten smakelijk lachen om die puntige verwoording. Maar  noch mijn vader, noch een van die andere mannen zou er maar aan gedacht hebben zijn vrouw te slaan. Ze zouden het bij anderen ook niet goedgekeurd hebben. Zo’n volksverhaal in een Davidsfondsboek is een vorm van literatuur, zo’n bon mot aan de feesttafel ook. Daar kun je niet meteen conclusies uit trekken over het echte gedrag of de echte houding van de mensen. Zo veel herinner ik mij nog wel van de literatuurwetenschap.
     Nu krijg je misschien de indruk dat het stuk van Lernout vooral over mannen gaat die hun vrouw slaan. Dat is niet zo. Dat was enkel de aanloop naar een bredere kwestie. Professor Lernout beweert dat er in onze samenleving nu in het algemeen minder geweld is dan zeventig jaar geleden. Dat zou wel eens juist kunnen zijn. Een andere professor, Steven Pinker, heeft dat vrij overtuigend aangetoond. Verder zegt Lernout dat we de gewelddadige delen van de koran, de joodse tenach en de christelijke bijbel niet mogen verzwijgen en wegredeneren. Daar valt wat voor te zeggen. Eddy Daniëls van De Bron vindt dat ook. Maar Lernouts gelijkstelling van de koran, de tenach en de boodschap van Jezus is bedenkelijk.
        De koran bevat ontegenzeggelijk stukken die oproepen tot geweld. Die vind ik niet in het Nieuwe Testament. Lernout haalt het bloederige lijdensverhaal van Jezus aan. Maar in dat verhaal wordt het geweld beschreven, en niet geprezen  wel integendeel. De geweldprediking van Jezus zou blijken uit Matteus 10:34.  ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ Als je het vers in zijn samenhang leest, kun je met enige kwade wil besluiten dat Jezus een fanaticus en een ruziemaker was, die bovendien iets afwist van retoriek en dramatische effecten. Meer kun je daar echt niet van maken. Ten slotte windt Lernout zich geweldig op over Matteus 18:6 ‘Zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter dat een molensteen om zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.’ Lernout schijnt te geloven dat Jezus hier pleit voor een bepaald soort doodstraf voor pedofielen.

(1) Over het partnergeweld op de tweede verdieping heb ik hier al iets geschreven.

zaterdag 20 februari 2016

Mohammed heeft echt bestaan

     Mohammed heeft, net als Lenin en Karel van het Reve zelf, echt bestaan. Meer zelfs, we kennen hem redelijk goed. Mijn vriend P. beklaagt de moslims daarom. Mijn vriend P. geeft les in godsdienst en kan daarbij zijn Jezus als dat nodig is een duwtje in de goede richting geven. Maar van Mohammed weten we iets te veel om hem naar onze hand te zetten, en ook iets te weinig voor een echt diepgaand begrip van de man.
     Voor de moslims is Mohammed ‘de volmaakste onder de mensen’. Daar wil ik niet moeilijk over doen: iemand moet de volmaakste zijn. Renan noemt Mohammed in ‘Les origines de l’islamisme’ (1851): ‘zachtaardig, gevoelig, trouw, vergevingsgezind en in het algemeen welwillend, met een groot hart voor kinderen en zwakkeren’. Maar Renan laat zich soms meeslepen door zijn eigen ronkende zinnen.
     Als we in plaats van het dunne boekje van Renan, de twee dikke delen van Montgomery Watt opslaan (1953 en 1956), dan treedt Mohammed ons daar tegemoet als een buitengewoon veelzijdige persoonlijkheid. Zakenman, religieus bevlogene, leraar, minnaar, moralist, vrederechter, politicus. Ook was hij een voorzichtig maar moedig krijgsheer en een meester in spionage en contraspionage1.
     Veelzijdigheid is natuurlijk iets heel moois, maar het heeft ook een keerzijde. De eigenschappen die nodig zijn om een verheven moralist voort te brengen, zijn niet dezelfde als die welke van de staatsman of de krijger worden gevraagd. Maar in de Koran en in de Hadith krijgen we zowel de man van God als de man van de wereld.  En die man van de wereld kon behoorlijk hard zijn: vijanden uit de weg ruimen, een heel dorp uitroeien - niet uit persoonlijke wraakzucht, maar om redenen van Realpolitik. Mohammed won zo snel aanhangers als hij deed omdat hij mildheid en vergevingsgezindheid kon afwisselen met harde en meedogenloze uithalen.
     Misschien ligt in Mohammeds veelzijdigheid een kans voor de gematigde moslim. Zou het geen nuttige oefening zijn om in de leer en het leven van de profeet een onderscheid aan te brengen tussen de man van God en de man van de wereld, tussen de godsdiensthervormer en de politicus, tussen de moralist en de krijgsheer? Er is niets mis met politiek en krijgskunst, maar kunnen we die niet buiten de godsdienst houden2? Kunnen we van Mohammed niet vooral zijn afkeer van menselijke arrogantie, zijn deemoed tegenover de zwakkeren en zijn oproep tot samenhorigheid onthouden?
     Jezus was timmerman en zedenpreker. Maar de meeste christenen onthouden eigenlijk alleen dat laatste. Als we een kast in elkaar steken, halen we er het evangelie niet bij. We volgen gewoon de handleiding van Ikea.



1 Renan roemt Mohammed ook als groot prozaïst, maar dat gaat mij te ver. Velen die in de Koran gebladerd hebben zullen mij bijvallen, denk ik.
2 Of dat ooit mogelijk wordt, weet ik niet. Trouwens, de toekomst voorspellen is een zonde, want die is alleen gekend door Allah.