Posts tonen met het label Multatuli. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Multatuli. Alle posts tonen

donderdag 29 april 2021

Oude blanke mannen en de spelling


      Er is vorige week een nieuwe versoepelingsbrigade opgestaan, dit keer niet rond de coronaregels, maar rond de dt-regels. Leden van de brigade: Kristien Hemmerechts, Kris Van den Branden, Dominiek Sandra, Ruud Hendrickx, Rik Vostert, en nog enkele anderen*. Eigenlijk zijn de meeste leden van de brigade oud-strijders, maar dat doet niets af van hun heilige vuur.
    Opvallend is dat de brigade vooral ‘oude blanke mannen’ tot vijand heeft uitgeroepen. De universiteit van Hull, waar Hemmerechts zich op beroept spreekt van ‘white’ en ‘male’. Een professor op Radio 1 vertelde dat hij bij lezingen vooral weerwerk kreeg van ‘oudere mannen’.  Het kan natuurlijk dat zijn publiek uit dat volkje bestaat, terwijl jongeren en vrouwen wel wat beters te doen hebben. Het duidelijkst is Rik Vostert die ‘hatemail krijgt, van vooral oudere, Vlaamse mannen’ ... ‘Elke taalkundige,’ schrijft Vostert, ‘die zich in het publieke debat mengt, kent het fenomeen.’**
     Ik zal de brigade maar niet tegenspreken, want dan zaag ik de tak af waarop ik zit. Ik ben namelijk zelf oud, blank en Vlaams. Misschien ben ik ook elitair, homogeen***, etnocentrisch en kolonialistisch. Ik zou het eens aan een specialist kunnen vragen. Anderzijds: wat heeft het voor zin? Er is waarschijnlijk niets aan te doen, en dood ga je toch.
     Toch wil ik de brigade ook tegemoet komen en mij bezinnen over de vraag waarom een oude blanke man zich stoort aan voorstellen om aan de taal te sleutelen. Is de oude blanke man jaloers op de jeugd en misgunt hij hen een spellingsvereenvoudiging waar hij zelf niet van heeft kunnen genieten. ‘Als die ‘dt’ goed genoeg was voor mij, moet ze ook goed genoeg zijn voor hen.’ Zoiets? Ik weet het niet. Zelf heb ik niet vaak last van zulke jaloezie.
     Wat mij wél stoort is het gebrek aan logica in de argumentatie van de brigade. Men wijst op de neurologische redenen van werkwoordsfouten, en concludeert daaruit dat de spellingsregels moeten vereenvoudigen. Dat lijkt mij een non sequitur. Men zegt dat taal in voortdurende verandering is en verwijst naar de tijd van Herman Gorter toen ook over ‘groter als’ en ‘groter dan’ werd gediscussieerd. Ik trek hieruit de tegenovergestelde conclusie: zelfs de taalkwesties waarover men discussieert zijn al meer dan honderd jaar dezelfde.
     Spelling, lees ik, heeft niets met taal en met de echte ‘taalgebruiksregels’ te maken. Het gaat slechts om ‘opgelegde regels’. Dat is zeker waar. Taal is in de eerste plaats gesproken taal. Daar is een gestileerde, genormeerde taal van afgeleid, zoals we die schrijven, en de eloquenten onder ons misschien ook spreken. En ten slotte moet die gestileerde taal ook nog eens op een uniforme manier worden gespeld. Spelling is een afgeleide van een afgeleide. Het standaard model van Chomsky voorziet geen spellingsmodule. Allemaal waar. Taalkunde 101. Maar betekent dat ook dat spelling ‘onbenullig’ is? Dat ze naar ‘spruitjeslucht’ ruikt. Spruitjeslucht, really? Vostert vermeldt verder nog dat opgelegde spellingsregels met ‘schoolbanken’ worden geassocieerd. Welja. Waarom niet meteen met ‘muffe klaslokalen’?**** En is er een andere plaats waar die regels moeten worden aangeleerd?
     Men zegt dat taalverandering onvermijdelijk is. Dat kan best, en als ze onvermijdelijk is, wil ik mij daar in navolging van  Epictetus en Reinhold Niebuhr sereen bij neerleggen. Maar tegelijk blijf ik geïnteresseerd in de wenselijkheid van die veranderingen. De twee grote taalveranderingen die het Nederlands heeft gekend, die bij het begin van de verstedelijking en die bij het begin van de Nieuwe Tijd, waren wenselijke taalveranderingen die leidden tot een betere communicatie van Ieper tot Amsterdam. De opmars van het ABN in het Vlaanderen van de jaren 60 was een hefboom tot sociale emancipatie. Maar de huidige ontwikkeling van soap-Vlaams en soap-Hollands en het ontstaan van gecreoliseerde randtalen betreur ik omdat ze een tegenovergesteld effect hebben. Heeft dat iets met mijn leeftijd of mijn huidskleur te maken?
     Bovendien: als voortdurende taalverandering onvermijdelijk is, zijn voortdurende spellingswijzigingen dan ook onvermijdelijk? En wenselijk? Zeker. Het is een voordeel als spelling gemakkelijk is, dat wil zeggen relatief dicht aansluit bij de uitspraak, geen beroep doet op speciale kennis van abstracte grammatica en etymologie, en regels gebruikt zonder veel uitzonderingen. De aansluiting bij de uitspraak lijkt mij daarbij nog het minste probleem. Ik heb de Engelse spelling nooit moeilijk gevonden. Als ik een keer wist dat ‘thru’ als ‘through’ geschreven wordt, vergat ik dat niet snel. Maar ‘aparté’ in het Frans met één ‘p’ en ‘apparition’ met twee, probeer dat maar eens te onthouden.
     Maar niet álles moet altíjd gemakkelijk zijn. In de lagere school kregen we vaak dictee. Een van de zinnen is mij altijd bijgebleven:  ‘Het Zoniënwoud is een verkwikkend rustoord voor de bewoners van de Brusselse agglomeratie.’ Dat was behoorlijk moeilijk en ik had dat laatste woord zojuist alweer fout. Anderzijds was zo’n dictee een oefening in spelling en woordenschat in één, met daarbovenop nog eens een in luister-, noteer-, schoonschrift- en concentratievaardigheid.
     Spelling moet vooral uniform en stabiel zijn. Als oude blanke man herinner ik mij de tijd van de ‘voorkeurspelling’ en  de ‘toegelaten spelling’. In het Groene Boekje stond naast ‘actie’ ook ‘aktie’ en naast ‘akkoord’ ook ‘accoord’. Dat zorgde voor verwarring. Ik heb een uitgeverij gekend die systematisch de tweede, toegelaten vorm koos, en op dus op een erg onlogische manier de ‘progressieve’ en ‘archaïsche’ spelling combineerde. Mijn eigen spellingsvaardigheid is door die ‘toegelaten spelling’ grondig verstoord. Net als door de opeenvolgende spellingswijzingen van 1995 en 2006. Mijn ouders hebben daarnaast nog die van 1946 en 1954 moeten verwerken. Mijn moeder, die een oude blanke vrouw is, kan die van 1946 nog uitleggen.
     Wat ik in de hele kwestie nog het belangrijkst vind, is het esthetisch aspect. Dat wordt bij spelling nogal sterk door de gewoonte bepaald. ‘Odeklonje’ en ‘vurrukkulluk’ zijn grappig voor één keer, maar ‘hij wort’, hij ‘speeld’ en ‘hij heeft gespeelt’ vinden wij, oude blanke mannen, lelijk. Maar ik denk dat je bij mijn zoon (23) ook niet moet komen aandragen met die vormen.
      Als de lieve lezer belooft om het niet verder te vertellen, wil ik hier, zoals Multatuli in Saïdjah en Adinda, een bekentenis doen: ik vind de ‘dt’ op het einde van een woord ook lelijk. Voor mij zou een ‘d’ al genoeg zijn. ‘Ik antwoord, jij antwoord, hij antwoord, ik heb geantwoord, het antwoord.’ Die ‘t’ in de derde persoon is ook niet nodig. Je voegt ook geen extra ‘t’ toe aan ‘hij zit’. Maar dat lost het veel grotere probleem van ‘hij speeld’ en ‘hij heeft gespeelt’ niet op. Ik vrees dus dat het niet zou stoppen bij ‘hij antwoord’. En ik vrees vooral dat een commissie bestaande uit Hemmerechts, Van den Branden, Sandra, Hendrickx en Vostert zich over de kwestie zou buigen en dat zich dan een meerderheid zou aftekenen voor de allerlelijkste vormen. Dan heeft déze oude blanke man liever dat alles blijft zoals het is.

* Er zijn overigens aanzienlijke verschillen tussen de brigadisten. Hemmerechts wil de dt-regel geloof ik niet afschaffen. Sandra wil bij een nieuwe regel vooral aandacht schenken aan het woordbeeld en Hendrickx aan de uitspraak. Over de dt-kwestie heb ik de vorige dagen al enkele stukjes gepubliceerd: hier, hier en hier

** Een intelligent en snedig antwoord op de onzin die Vostert in zijn stuk schrijft, vind je op de facebookpagina van Herman Jacobs: hier.

*** ‘Homogeen was ook een van de ongunstige kwalificaties van Hull University. Naast Noord-Europees. Qué? Waarom Noord? Wordt hier een nieuwe polarisatie opgestart?

*** Zie ook hier.

donderdag 1 oktober 2020

Max Havelaar en de gymnasiumstudent

 

     Van het beroemde boek Max Havelaar weet ik nooit met zekerheid of ik het – behoudens de vier eerste hoofdstukken en het Saidjah en Adinda-verhaal – helemaal gelezen heb. Het moet wel. Ik heb er twee keer examen over afgelegd; ik bezit de door W.F. Hermans becommentarieerde uitgave, en op bijna alle bladzijden, ook die van de voetnoten, staan in potlood streepjes, kruisjes en notities in de marge. Het is mijn geschrift. En toch. Ik weet dat er in het boek een Verbrugge meedoet, een Duclari, een Slijmering en een mevrouw Slotering, maar wat die zeggen en doen, dat vergeet ik altijd.  
     Laatst kreeg ik van een oud-leerling de vraag bij welke ‘literaire stroming’ Max Havelaar eigenlijk hoorde. Hij moest daarover binnenkort examen afleggen. Ik wist wel ongeveer het antwoord, maar ik vond het veilig om het boek nog snel eens opnieuw te lezen. De W.F. Hermans-uitgave heeft een onhandig formaat. Je kunt het boek wel vóór je op tafel leggen, maar je kunt het niet vasthouden als je in bed of op de sofa ligt. Ik heb het boek dus half in die uitgave, en half in de handzame ‘hertaalde en bewerkte’ versie van Gijsbert van Es gelezen. Ik weet ondertussen weer wat Verbruggen en Duclari en Slijmering en mevrouw Slotering zeggen en doen in het boek: niet veel. Dat zal de reden zijn dat ik het altijd vergeet.
     Zo’n hertaling of bewerking is normaal gesproken tegen mijn principes (zie hier), maar  Van Es kreeg lof toegezwaaid van Multatuli-biograaf Van der Meulen, en van de conservator van het Multatuli-museum. ‘Zó zou Multatuli hebben geschreven als hij nu had geleefd,’ schrijft de biograaf. Ik besloot het erop te wagen. Ook wou ik het boek snel uit hebben, zodat ik verder kon lezen in Hilary Mantel (zie hier). En als ik mij zou ergeren aan de ‘hertaling’, ach, dan kon ik er misschien een stukje over schrijven.
     Wat zal ik zeggen? Ook in een bewerking is Multatuli onderhoudend en geestig, twee woorden, geloof ik, die Van Es zou ‘hertalen’. Max wordt in het boek door Stern te hoog de hemel in geprezen, vooral omdat je weet dat die Stern eigenlijk Eduard D.D. is, en die Max is ook Eduard D.D., zodat het dus Eduard D.D. die zichzelf de hemel in prijst. Toch blijft het boeien, de strijd van de voortvarende  medisch gezien wellicht manische  rebel tegen het corrupte baasje in Lebak dat zijn onderdanen uitzuigt om meer moskeeën te kunnen bouwen, en dat beschermd wordt door gemakzuchtige Hollandse bureaucraten.
     En natuurlijk héb ik mij geërgerd aan de hertaling. Ik heb vroeger zelf wel eens ‘eindredactie’ gedaan. Je wordt dan per bladzijde betaald om een tekst te corrigeren, maar je krijgt bij jezelf de misvatting moelijk weg dat je per ingreep betaald wordt. Staat er ‘platbranden’, dan wil je er ‘afbranden’ van maken en staat er ‘afbranden’, dan wil je er ‘platbranden’ van maken, zodat je toch íets gedaan hebt voor je geld. En als je zulke dingen doet bij een auteur als Multatuli, dan zal dat niet vaak een betere tekst opleveren.
     Neem het toneelstukje waar het boek mee opent (zie hier).  Lothario wordt ervan beschuldigd dat hij Barbertje heeft vermoord. ‘Die man moet hangen,’ zegt de rechter. ‘Hoe heeft hij dat aangelegd?’ Dat laatste wordt bij Van Es: ‘Hoe heeft hij het gedaan?’ Dat is geen verbetering, lijkt mij. Ik hou nogal van dat ‘aangelegd’. Multatuli noemt de Mekka-bedevaarders ‘gebedzingende leeglopers’. In de hertaling wordt dat ‘biddende nietsnutten’. ‘Nietsnutten’, tot daar aan toe, maar ‘zingend’ maken ze mij toch bozer dan gewoon ‘biddend’. Dat laatste kan ook in stilte. Als de Havelaars visite krijgen, maar ze hebben geen nagerecht voor hun gasten, stelt Max voor om ‘wat te vertellen, in plaats van gebak.’ Van Es schrijft: ‘in plaats van iets zoets’. In welke wereld is ‘iets zoets’ beter dan ‘gebak’?
      Toen Van Es zijn vertaling intikte, naar het schijnt op een pendeltrein, stond hem ongetwijfeld een weinig ontwikkelde gymnasiumstudent voor ogen die het boek moet lezen ‘vanwege de lijst’. Zo’n student mag niet aan het schrikken worden gebracht. In een van de Droogstoppel-hoofdstukken zingt Marie een Frans liedje ‘van Béranger’. Oei. Daar heeft die student nog nooit van gehoord. Moet hij dat kennen voor het examen? Van Es grijpt in. Weg, Béranger*. Helaas, de ingreep helpt niet, want wat later wordt de bibliotheek van Max beschreven, met boeken van Say, Bastiat en … Béranger.
     Het ergste vind ik de weglatingen in de Droogstoppel-hoofdstukken, omdat ik die het beste ken. De makelaar in koffie bespreekt de vaderlandse geschiedenis: de Romeinen en de Batavieren, de hertog van Alva ‘die een ondier’ was, de eb van 1672 die ‘expres’ wat langer duurde om Nederland te beschermen en de ‘bey van Tunis die een koliek kreeg als hij het wapperen hoorde van de Nederlandse vlag’. De Romeinen, de Batavieren en de eb blijven staan, maar de hertog en de bey zijn eruit. Nochtans vind ik de zin over de bey nogal briljant, en prima geschikt om in de klas te illustreren met een stukje visueel theater. Ik deed dat graag.
         In een bekend stuk geeft Droogstoppel commentaar op Heines gedicht Auf Flügeln des Gesanges, dat Stern heeft voorgedragen aan Marie, Droogstoppels dochter.  In dat gedicht wordt het water van de Ganges ‘heilig’ genoemd. Je begrijpt de ergernis van Droogstoppel die recht in de leer is. Hij schrijft een boze brief aan Stern met de vraag: ‘Mag je haar geloof aan het wankelen brengen door te zeggen dat er geen ander heilig water is dan dat van de doop?’ Dat moet ongeveer het omgekeerde zijn.
      Veel tijd heb ik uiteindelijk niet gewonnen door de hertaling te lezen in plaats van het échte boek. Al te vaak moest ik, bij een onbegrijpelijke passage, toch het origineel erbij nemen. In het veertiende hoofdstuk wordt Max ervan beschuldigd dat hij weliswaar goedhartig is, maar dat hij ermee koketteert. Stern haalt daarbij aan dat Max in een oceaan vol haaien sprong om een hondje te redden. En wat is de conclusie van Stern, volgens Van Es? ‘Ik vind zo’n uiting van overdreven goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.**’ Dat is wel erg duister, hoe vaak je de zin ook herleest. De arme gymnasiumstudent zal er niets van begrijpen. Ik ook niet.

  

* Béranger komt met geen enkel lied in mijn bloemlezing voor van Poèmes francais. In mijn tweedelige Histoire de la litérature française krijgt hij één zinnetje. Daar staat tegenover dat Goethe hem in aanwezigheid van Eckermann veel vaker vermeldt dan Victor Hugo.

 ** In het origineel staat er : ‘Ik vind zulk koketteren met goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.’ Aha, dát wordt er bedoeld.


17,5 x 23,5 cm (opengeslagen dus 35 cm breed)


zondag 27 september 2020

Lezen is moeilijk

   

     Mijn schoonmoeder hield in boeken niet van de ik-vertelling*. Ze vond dat pretentieus: ik, ik, ik … Zelf heb ik er nogal een voorkeur voor, zoals in David Copperfield bijvoorbeeld, waarvan de eerste zin luidt: ‘I am born’. Op een of andere manier heeft dat voor mij een grotere geloofwaardigheid. Batavus Droogstoppel die als ‘ik’ tot de lezer spreekt, bestaat voor mij échter dan Max Havelaar over wie in de derde persoon gesproken wordt, hoewel dat eerste personage verzonnen is, en het tweede een wat geïdealiseerd portret is van de echt bestaand hebbende Eduard Douwes Dekker.

     En dan heb ik nóg een probleem met die hij-vertelling. Wie is ‘hij’? In een normale tekst verwijst ‘hij’ naar het laatstgenoemde mannelijke onderwerp. In de hij-roman kan die ‘hij’ echter ook onaangekondigd verwijzen naar het hoofdpersonage. Neem nu die trilogie van Hilary Mantel over Thomas Cromwell. Als er in dat boek ‘hij’ staat gaat het vaak over Cromwell. Maar je weet het nooit zeker. Het kan ook kardinaal Wolsey zijn, of koning Henry, of de Thomas More, of de hertog van Norfolk, of nog iemand anders.
    Het volgende stukje gaat over kardinaal Wolsey die in ongenade is gevallen en intriges spint om weer in de gunst van de koning te komen.

 ‘De strijd is nu om de koning alleen te spreken, om zijn intenties te achterhalen, als hij ze zelf al kent, en tot een overeenkomst te komen. De kardinaal heeft dringend vlottende middelen nodig. Dag in, dag uit wacht hij op een onderhoud. De koning steekt een hand uit en neemt met een blik op het zegel van de kardinaal de brieven aan die hij hem voorhoudt. Hij kijkt hem niet aan, en mompelt enkel een afwezig ‘Bedankt’. 

     Ik geloof dat met de eerste ‘hij’ de koning bedoeld wordt, met de tweede en de derde ‘hij’ Cromwell, met de vierde ‘hij’ weer de koning. Dat is toch allemaal niet zo gemakkelijk.
     Er komen overigens wel meer moeilijke stukjes in het boek. Het volgende stukje gaat over de band tussen Thomas Cromwell en zijn zuster Kat. 

‘En Kat … ach, de laatste tijd had ze haar broer ongeveer even goed begrepen als ze de bewegingen van de sterren begreep: ‘Ik misreken mij voortdurend aan je, Thomas, zei ze vaak, wat zijn eigen schuld was, want wie had haar tenslotte op haar vingers leren rekenen en de facturen van een koopman leren ontcijferen?’ 

     Hoe zit het nu? Begrijpt Kat haar eigen broer nu goed of niet goed? ‘Even goed als ze de bewegingen van de sterren begreep.’ Maar hoe goed begreep ze die bewegingen? Ze ‘misrekent’ zich voortdurend. Dat zou kunnen wijzen op onbegrip. Maar ze heeft veel van haar broer geleerd. Dat zou kunnen wijzen op juist wel een goed begrip. Misschien bestaat dat begrip hieruit dat ze zich snel van haar misrekeningen bewust wordt.
     Als je wat langer bij die passages blijft mijmeren, kom je allicht tot een lezing waar je mee kunt leven, maar erg lang mijmeren zou ik niet aanraden, aangezien de trilogie 2570 bladzijden telt. Het is overigens meeslepende lectuur, maar niet, geloof ik, door ingebouwde vaagheid. Duidelijkheid is minstens even meeslepend, zolang ze niet vervalt in wijdlopigheid of uitleggerij. (Zie ook hier). 


* Tot de minst boeiende dingen die je over literatuur kunt uitleggen is het verschil tussen een ik-vertelling en een hij-vertelling, het ‘vertelperspectief’, de ‘ruimte’, de ‘verteltijd’ en de ‘vertelde tijd’, zaken die in de handboeken soms ‘verhaalaspecten’ worden genoemd. Ik heb daar als leraar zo weinig mogelijk over gesproken, en ik raadde mijn leerlingen aan om er ook in hun presentaties niet te veel over te vertellen. Of het moest zijn dat ze er iets interessants bij konden opmerken.

“Keep on with your sewing, ladies,” zegt Melanie, “and I’ll read aloud. ‘The Personal History and Experience of David Copperfield. Chapter one. I am born. To begin my life with the beginning of my life, I record that I was born...’”

dinsdag 8 september 2020

Denkfouten

 


  Het moet niet altijd Peter Mijlemans zijn. In Het Nieuwsblad van 7 september is het Matthias Vanderaspoilden die in een hoofdartikel N-VA en Bart De Wever de les spelt. Tegen de ‘hoofdstrekking’ van het stuk – zoals Multatuli dat noemt – heb ik niet onmiddellijk veel in te brengen. Daar zou ik eens over moeten nadenken. Over drie kleinigheden val ik wel.
     Vanderaspoilden – ik zal moeten oefenen op die naam – beschrijft de ‘passage van Bart De Wever in de tv-studio’s.’ Ik heb die ‘passage’ niet gezien, maar uit Matthias zijn stuk – dat is gemakkelijker, gewoon Matthias – heeft De Wever gezegd dat de paars-gele regering mislukt is door sabotage en gebrek aan loyaliteit. Dat kan. Misschien heeft De Wever daarvoor ook argumenten gegeven. Matthias weerlegt De Wever door het het tegenovergestelde te beweren: dat het eveneens de fout van De Wever zelf is dat hij ‘niet mee aan de knoppen zit’. Dat kan ook. Maar Matthias geeft er in elk geval géén argumenten voor. Dat vind ik wat gemakkelijk. Of bedoelt hij met die fout dat de N-VA onvoldoende stemmen behaald heeft in 2019? Ja, dat is waar. Ik heb uit het politiek spel van de laatste 15 maanden begrepen dat N-VA, hoeveel stemmen ze ook haalt, niet in een regering komt als ze niet incontournable is.
     Matthias schrijft ook over de boosheid van De Wever. ‘Gespeelde’ boosheid, voegt hij eraan toe. Maar hoe weet Matthias dat die boosheid gespeeld was? Ik weet wel dat politiek voor een flink stuk uit theater bestaat, maar zou het niet af en toe gebeuren dat een politicus ook echt boos is? Of dat nu het geval is, weet ik niet. Maar Matthias weet dat geloof ik ook niet.
     Verder had De Wever gezegd dat de Vlaamse regering nu een majeur probleem heeft omdat de federale regering en een andere samenstelling heeft dan zijzelf. Dat noemt Matthias een ‘denkfout’. Denkfout, denkfout ... Ik lees het woord de laatste tijd vaker in commentaren, en het wordt meestal verkeerd gebruikt. Dat is ook hier het geval.  De Wever zijn opmerking over het majeur probleem is misschien wel een fout, maar daarom nog geen dénkfout. ‘Een denkfout,’ schrijft Wikipedia, ‘is een foutieve gedachtegang waarbij er een fout in de logica van de redenering zit.’ Waar is hier de fout in de logica?
     Matthias veronderstelt dat een deelregering krachtig kan optreden, onafhankelijk van de federale regering. Dat is een feitelijke analyse, juist of fout.* De N-VA van haar kant schat de toestand anders in: veel bevoegdheden zijn niet voldoende gesplitst, zodat een deelregering op belangrijke gebieden niet krachtig kan optreden, en al zeker als ze niet op dezelfde golflengte zit als de federale. Ook dat is een feitelijke analyse, juist of fout. Het is echter geen dénkfout zolang De Wever consequent redeneert vanuit de analyse van zijn eigen partij, ook al kan die analyse zelf natuurlijk denkfouten bevatten.
     Matthias mag gerust het tegenovergestelde beweren van wat N-VA beweert: dat de huidige bevoegdheidsverdeling tussen deelregeringen en federale regering ideaal is, zodat er ook bij ongelijke samenstelling geen problemen rijzen. Ook die bewering is geen dénkfout, alhoewel ze, geloof ik, wel fout is. Natuurlijk kan een deelregering in bepaalde materies, waar de bevoegdheden wél duidelijk gesplitst zijn, zoals Onderwijs, beter of slechter functioneren. En natuurlijk kan een deelregering ook in ongunstige omstandigheden er het beste van proberen te maken. Maar wijzen op die ongunstige omstandigheden en ze een majeur probleem noemen is ondertussen geen dénkfout.
     Als toemaatje. Matthias schrijft: ‘Welke partijen federaal de lijnen uitzetten, zou voor een partij die dweept met Vlaamse onafhankelijkheid geen rol mogen spelen.’* Dat is een rare kronkel. Een partij die Vlaamse onafhankelijkheid nastreeft, zou zich volgens Matthias moeten gedragen alsof die onafhankelijkheid nu al een feit is. Is dát eigenlijk geen denkfout?

* Post scriptum. In Het Nieuwsblad van 14 september, schrijft Pieter Lesaffer in een hoofdartikel iets helemaal anders dan wat Mathias een week voordien beweerde: ons federalisme is kaduuk en onafgewerktDe bevoegdheden lopen zodanig door elkaar dat de verschillende regeringen geen andere keuze hebben dan op elkaar te leunen. 




Denkfouten van Bart en Matthias

  


   
Het moet niet altijd Peter Mijlemans zijn. In Het Nieuwsblad van 7 september is het Matthias Vanderaspoilden die in een hoofdartikel N-VA en Bart De Wever de les spelt. Tegen de ‘hoofdstrekking’ van het stuk – zoals Multatuli dat noemt – heb ik niet onmiddellijk veel in te brengen. Daar zou ik eens over moeten nadenken. Aan drie kleinigheden stoor ik mij wel.
     Vanderaspoilden – ik zal moeten oefenen op die naam – beschrijft de ‘passage van Bart De Wever in de tv-studio’s.’ Ik heb die ‘passage’ niet gezien, maar volgens Matthias – dat is makkelijker, gewoon Matthias – heeft De Wever gezegd dat de paars-gele regering mislukt is door sabotage en gebrek aan loyaliteit. Dat kan. Misschien heeft De Wever daarvoor ook argumenten gegeven. Matthias weerlegt De Wever door het het tegenovergestelde te beweren: dat het eveneens de fout van De Wever zelf is dat hij ‘niet mee aan de knoppen zit’. Dat kan ook. Maar Matthias geeft er in elk geval géén argumenten voor. Dat vind ik wat gemakkelijk. Of bedoelt hij met die fout dat de N-VA onvoldoende stemmen behaald heeft in 2019? Ja, dat is waar. Ik heb uit het politiek spel van de laatste 15 maanden begrepen dat N-VA, hoeveel stemmen ze ook haalt, niet in een regering komt als ze niet incontournable is.
     Matthias schrijft ook over de boosheid van De Wever. ‘Gespeelde’ boosheid, voegt hij eraan toe. Maar hoe weet Matthias dat die boosheid gespeeld was? Ik weet wel dat politiek voor een flink stuk uit theater bestaat, maar zou het niet af en toe gebeuren dat een politicus ook echt boos is? Of dat nú het geval is, weet ik niet. Maar Matthias weet dat geloof ik ook niet.
     Verder had De Wever gezegd dat er nu een majeur probleem ontstaat omdat de federale regering een andere samenstelling heeft dan de Vlaamse. Dat noemt Matthias een ‘denkfout’. Denkfout, denkfout ... Ik lees het woord de laatste tijd vaker in commentaren, en het wordt meestal verkeerd gebruikt. Dat is ook hier het geval.  De Wever zijn opmerking over het majeur probleem is misschien wel een fout, maar daarom nog geen dénkfout. ‘Een denkfout,’ schrijft Wikipedia, ‘is een foutieve gedachtegang waarbij er een fout in de logica van de redenering zit.’ Waar is hier de fout in de logica?
     Matthias veronderstelt dat een deelregering krachtig kan optreden, onafhankelijk van de federale regering. Dat is een feitelijke analyse, juist of fout. De N-VA van haar kant schat de toestand anders in: veel bevoegdheden zijn niet voldoende gesplitst*, zodat een deelregering op belangrijke gebieden niet krachtig kan optreden, en al zeker niet als ze op een andere golflengte uitzendt en ontvangt dan de federale. Ook dat is een feitelijke analyse, juist of fout. Het is echter geen dénkfout zolang De Wever consequent redeneert vanuit de analyse van zijn eigen partij, ook al kan die analyse zelf natuurlijk denkfouten bevatten.
     Matthias mag gerust het tegenovergestelde beweren van wat N-VA beweert: dat de huidige bevoegdheidsverdeling tussen deelregeringen en federale regering optimaal is bijvoorbeeld, zodat er ook bij ongelijke samenstelling geen problemen rijzen. Ook die bewering is geen dénkfout, alhoewel ze, geloof ik, toch fout is. Natuurlijk kan een deelregering in bepaalde materies, waar de bevoegdheden wél duidelijk gesplitst zijn, zoals Onderwijs, beter of slechter functioneren. En natuurlijk kan een deelregering ook in ongunstige omstandigheden er het beste van proberen te maken. Maar wijzen op die ongunstige omstandigheden en ze een majeur probleem noemen is ondertussen geen dénkfout.
     Als toemaatje. Matthias schrijft: ‘Welke partijen federaal de lijnen uitzetten, zou voor een partij die dweept met Vlaamse onafhankelijkheid geen rol mogen spelen.’ Dat is een rare kronkel. Een partij die Vlaamse onafhankelijkheid nastreeft, zou zich volgens Matthias moeten gedragen alsof die onafhankelijkheid nu al een feit is. Is dát eigenlijk geen denkfout?

* Post scriptum. In Het Nieuwsblad van 14 september, schrijft Pieter Lesaffer in een hoofdartikel iets helemaal anders dan wat Mathias een week voordien beweerde: ons federalisme is kaduuk en onafgewerktDe bevoegdheden lopen zodanig door elkaar dat de verschillende regeringen geen andere keuze hebben dan op elkaar te leunen. 


dinsdag 3 september 2019

Een eenvoudige stijlfiguur


    Wie schrijft kan zijn ‘stijl’ verbeteren door af een toe een zogenaamde stijlfiguur te gebruiken. Je gooit er eens een epanadiplosis tussen,  of een epanalepsis, of desnoods een epanofoor, een epanodos, een epanopthosis. Als je het echt niet meer weet, doe je maar een epifoor of een epizeuxis. De lezer kan die moeilijke termen gemakkelijk zelf opzoeken; ik heb het daarnet ook gedaan. Het komt er vaak op neer dat je een woord, of iets anders, op een beetje een speciale manier herhaalt.
     Karel van het Reve heeft mij de ogen geopend voor de charme van de eenvoudigste aller stijlfiguren: de opsomming. Karel gebruikt die zelf vaak, en als hij er een mooie ziet bij andere schrijvers, citeert hij ze. Maar eigenlijk hebben we Karel en die andere schrijvers niet nodig. Zelf zo’n opsomming neerschrijven is erg gemakkelijk. Een kind kan het. Er een hele móóie te verzinnen, dat is wat anders; dan moet je wat in huis hebben. De Engelse filosoof Hobbes beschrijft ergens hoe ons leven er zou uitzien zonder beschaafd gezelschap om ons heen: ‘solitary, poor, nasty, brutish, and short’. Dat kan moeilijk verbeterd worden, geloof ik. Eén adjectief meer of minder, en het zou verknoeid zijn. Woordkeus, ritme, volgorde, alles is goed zoals het is.
    Waar je opsommingen ook vaak tegenkomt, is in poëzie. ‘Marc groet ’s morgens de dingen’, bijvoorbeeld, is niets anders dan lijstje van wat Marc ’s morgens ziet. Mijn broer las dat gedicht in het tweede leerjaar – zo eenvoudig is het. Toch is Van Ostaijen een echte dichter.
     Wat is het geheim van een móóie opsomming? Dat weet niemand, anders nam die er een patent op en mochten alleen nog betalende schrijvers ze gebruiken.  Dat zou jammer zijn. C. Buddingh gelooft dat het helpt als er in de opsomming géén verbindingswoorden voorkomen. Misschien. Maar Multatuli heeft er een hele mooie in zijn beschrijving van de zon die opgaat terwijl Saïdjah op Adinda wacht, en daar komen er nu net heel veel verbindingswoorden in voor. Professor Van Gorp gelooft dat de verschillende leden van de opsomming verbonden moeten zijn door een algemene gedachte. 
t Is mogelijk. Zelf heb ik graag dat de opsomming een beetje bont is, en voor kleine verrassingen  zorgt. 
     Of dat ze begint of eindigt met het woordje ‘zon’. De voorbeelden liggen voor het grijpen.

     Die Rose, die Lilje, die Taube, die Sonne,
     Die liebt’ ich einst alle in Liebeswonne.
                                               H. Heine

     Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
     Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.
                                                         J.A. dèr Mouw


     Zo zult gij maken aan ‘t schreien de bron,
     De bomen, de bloemen, de zuivere zon.
                                                        P.C. Hooft

Als ‘zon’ in het midden van de opsomming komt, is het ook goed:

     Gij witte wandelende pater
     Gij paard, gij zon, gij wolk, gij water.
                                                      R. Minne

maandag 5 oktober 2015

Barbertje

   'Barbertje moet hangen’ heb ik altijd een prachtig toneelstuk gevonden. Ik zag het ooit opgevoerd door de Chiromeisjes van Wervik. Het stuk is maar één bladzijde lang en is van de hand van de Nederlandse auteur Multatuli. Je vindt het aan het begin van de Havelaar. Een zekere Lothario wordt ervan beschuldigd dat hij Barbertje vermoord, in stukken gesneden en ingezouten heeft. Hij houdt vol dat hij onschuldig is en kan dat ook bewijzen, maar de rechter veroordeelt hem toch ter dood … omdat hij zo arrogant is. (Eigenlijk is het dus Lothario die moet hangen, en niet Barbertje, maar dat zou een minder goede titel geweest zijn.)
   Nu las ik deze week in een krant een leuke verwijzing naar ‘Barbertje’.  Bart De Wever had ergens verklaard dat Marokkaanse Berbers zich in ons land minder goed integreren dan Aziaten en juist daardoor meer met racisme te maken hebben. Niet met die woorden maar zoiets ongeveer. Allerlei opiniemakers vonden dat de burgemeester dat niet had moeten zeggen. Politieke concurrenten spraken van ‘stigmatiseren’ en ‘etiketten plakken’. Abou Jahjah vond dat Bart zijn excuses moest aanbieden. En iemand sneerde, heel geestig, ‘Berbertje moet hangen’.
   Dat protest is allemaal volkomen begrijpelijk. Maar ik heb nog niemand, ook Abou Jahjah niet,  horen verkondigen dat de Marokkaanse Berbers zich wel even goed integreren als de Aziaten. Dat komt, denk ik, omdat Bart hier gelijk had. Anderzijds is Bart op tv soms heel erg zelfzeker en uitgesproken. Misschien zelfs een tikje arrogant? De weerbots is dan onvermijdelijk: Bartje moet hangen!

Oorspronkelijk geplaatst op 27 maart 2015