Posts tonen met het label Boudewijn Bouckaert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boudewijn Bouckaert. Alle posts tonen

maandag 28 februari 2022

Poetin, de PVDA en de de-escalatie*

 

     De PVDA heeft, zoals bekend, geweigerd om in het Vlaamse Parlement een resolutie over Oekraïne goed te keuren. De resolutie stelde voor om (1) de Russische agressie te veroordelen, (2) solidariteit te betuigen aan Oekraïne, (3) extra Europese sancties door te voeren, en (4) humanitaire en andere hulp aan Oekraïne te verlenen. De PVDA ging blijkbaar alleen akkoord met het eerste punt en vond de rest van de resolutie eenzijdig omdat ze de verantwoordelijkheid van de Navo niet belichtte. Die had zich immers uitgebreid met nieuwe lidstaten waardoor ‘Rusland zich bedreigd voelde’. Verder had Oekraïense regering zelf ook boter op het hoofd omdat ze geen autonomie had verleend aan de oostelijke gebieden.
     In de tijd dat PVDA nog een kleine sekte was zag je in de huizen van partijleden vaak een slagzin van Mao aan de muur hangen die luidde: ‘Tegen de stroom inroeien is een marxistisch principe.’ Dat principe hebben de PVDA’ers  in het Vlaamse parlement dus toegepast. Ze hadden kunnen doen zoals Vlaams Belang, waar nogal wat sympathie voor Poetin bestaat: ze hadden kunnen zwijgen. Maar die kans hebben ze gemist. Ze hadden ook een lange toespraak kunnen houden tegen de Navo en het Amerikaanse imperialisme om dan als slot de resolutie tóch goed te keuren. Maar ook dat hebben ze niet gedaan. Ze hebben zich stoutmoedig in de strijd geworpen: één tegen allen. 
     De politieke vijanden van de PVDA – alle partijen dus – grepen de politieke flater aan om de partij scherp te veroordelen. Ze stelden het voor alsof de PVDA de invasie goedkeurde. Dat was niet helemaal waar. Maar het PVDA-standpunt deed me wel denken aan wat gebeurde toen Hitler in 1939 Polen binnenviel. De Franse communisten voelden zich gebonden door het recente verdrag tussen Duitsland en de Sovjetunie. Ze keurden de nazi-inval weliswaar niet goed, maar ze wezen erop dat die het gevolg was van het ‘Engelse en Franse imperialisme’ en dat ‘het wereldproletariaat onmogelijk het fascistische Poolse regime kon verdedigen.’ 
     De Franse communisten van 1939  en de Vlaamse communisten van 2022 hebben de inval in respectievelijk Polen en Oekraïne niet ‘goedgekeurd’, maar hun standpunt zat zo vol nuances – helaas op een moment dat die nuances niet helemaal op hun plaats waren, en bovendien, op de keeper beschouwd, berustten op de bedenkelijke analyse van ‘fouten aan de twee kanten’. Een buitenstaander die niet doorkneed is in de marxistische dialectiek kan weinig met die nuances aanvangen op een ogenblik dat een zwak onafhankelijk land wordt binnengevallen door een sterke agressieve buur, en dàt onder het absurde voorwendsel dat die agressie nodig was om de regering van dat land te zuiveren van ‘neo-nazis’ en ‘druggebruikers.’
     De PVDA is geen klein sekte meer, maar een partij die rekening moet houden met buitenstaanders die niet in de marxistische dialectiek doorkneed zijn. Op het VRT-journaal van gisteren kreeg Raoul Hedelbouw uitgebreid de kans om een elegante pirouette uit te voeren. Bart Verhulst stelde hem de vraag waarom PVDA zoveel moeite had om Poetins inval te te veroordelen. Raoul stak van wal met een reeks scheldwoorden aan het adres van Poetin: autocraat, oligarch, man van de big business, crimineel. Hij was tegen de Russische ‘agressie’ en ‘voor de erkenning van de Oekraïense staat’ en gaf verder een lange uitleg over de Helsinki-akkoorden van 1975, de ontwapening, de vredesbeweging, het belang van de-escalatie, het gevaar voor een wereldoorlog, en de noodzaak voor België om als klein land een diplomatieke rol te spelen.
     Ik vond dat Bart Verhulst aan het einde van de tirade had moeten vragen of dat nu allemaal een reden was om de resolutie in het Vlaams Parlement niet te onderschrijven. In plaats daarvan besloot Verhulst: ‘Dank u, meneer Hedebouw. Ja, dat is wel een duidelijke boodschap nadat PVDA-PTB toch wat geïsoleerd stond in de politiek en het leek alsof ze die inval niet meteen veroordeelde; die veroordeling is er nu toch wel heel duidelijk gekomen.’ Ik vond dat een erg mooi cadeautje van de journalist aan de politicus.
    De pirouette van Raoul Hedebouw bestond trouwens niet in de veroordeling van Poetins agressie – die had de PVDA inderdaad al eerder uitgesproken – maar in de verschuiving van de stugge anti-Navo retoriek naar het aantrekkelijker vredesdiscours. Communisten kunnen inspiratie putten uit een rijk verleden waarin ze op verschillende momenten verschillende deuntjes zongen: in 1939 was het dat van het anti-imperialisme, van 1941 tot 1945 werd het dat van het patriottisme, en in de jaren 50 werd het dat van het pacifisme, met de vredesduif van Picasso als symbool.
     Nu we het toch over pirouettes hebben. Ik vond de herhaalde verwijzing, vijf of zes keer, van Raoul naar de de Helsinki-akkoorden bijzonder vermakelijk. De vader van Raoul, Berten Hedebouw, moet als oude Amadees en PVDA-er, aan tientallen betogingen hebben deelgenomen tégen de Helsinki-akkoorden. Die akkoorden brachten immers, volgens de Chinese communisten en Ludo Martens, niet de vrede maar de oorlog dichterbij. Amada-PVDA beschouwde indertijd de Sovjet-Unie als verraders van het echte communisme, en bovendien als de belangrijkste ‘oorlogsstoker’ in de wereld.  De argumentatie voor die laatste stelling sneed enig hout. De Sovjet-Unie, zo hield kameraad Ludo ons voor, raakte economisch achterop. De enig mogelijkheid om haar positie op het wereldtoneel te versterken, bestond erin de militaire kaart te spelen. 
    Vandaag is Rusland economisch nog meer achterop geraakt. Daardoor kon het Westen één na één de vorige vazalstaten van Rusland aan zich binden. Poetin kan daar weinig tegenover stellen behalve militair geweld. Wellicht is Rusland ondertussen dermate achterop geraakt, dat zelfs dat militaire geweld op een zwakkere basis berust dan in de tijd van Brezjnev. Wat zou betekenen dat het oorlogsgevaar vandaag heel wat minder is dan in 1975.
    Dit alles echter is speculatie, en op grond van zulke speculaties moeten beter onderlegde mensen dan ik beslissingen nemen en geostrategische keuzes maken. Escaleren of de-escaleren? Churchill of Chamberlain? Achteraf is het makkelijk praten. De diplomatieke voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog laat zien hoe de tragedie vermeden had kunnen worden door inbinden, wederzijdse toegevingen, begraven van ultimatums, verminderde achterdocht, en bereidheid om de ‘eer van de natie’ op de tweede plaats te stellen. De-escalatie had een wereldbrand kunnen voorkomen. Dat weten we we nù.
     Maar de voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog biedt, ook achteraf gezien, het tegenovergestelde beeld. Toen had men juist wel moeten grijpen naar hoge principes van moed en eer en naar een no passaràn-mentaliteit; men had Hitler kunnen stoppen – met dreigende ultimatums en desnoods met een oorlog – toen het nog kon, dat wil zeggen toen de opbouw van zijn leger nog niet voltooid was. Churchill bleek, achteraf, gelijk te hebben: men had veel vroeger moeten escaleren. Dat weten we nù. Maar wat we nu niet weten, althans niet met zekerheid, dat is wat we nù moeten doen. Aan mij moet je het niet vragen, want ik heb geen antwoorden. En aan Raoul Hedebouw moet je het zeker niet vragen, want die heeft àlle antwoorden.

* Zie ook het artikel van Boudewijn Bouckaert op Doorbraak of op de Facebookpagina van de professor.

dinsdag 8 december 2020

Het nationalisme, de profiterende kosmopoliet en de plumpudding


      Ik heb mij af en toe negatief uitgelaten over de Belgisch-nationalistische retoriek van Open-Vld. Dat is niet erg moeilijk, want tegen élke nationalistische retoriek is wel iets in te brengen, zeker ook tegen de Vlaamse. Die bezwaren worden voor mij goed samengevat door Boudewijn Bouckaert: ‘Als Vlaamsgezinde liberale politicus zag ik Vlaanderen … als een Gesellschaft, een civiele politieke entiteit verbonden door een rechten- en plichtenstructuur, maar niet als een Gemeinschaft verbonden door wederzijdse diepe affecties. Gemeinschaften zijn voor mij families, vriendschappelijke verbanden en verenigingen waarin de leden elkaar kennen ...* Wie een Geselschaft zoals Vlaanderen behandelt alsof het een Gemeinschaft zou zijn, komt terecht in gevaarlijk collectivistisch en zelfs totalitair vaarwater. Op de veronderstelde solidariteitsgevoelens … worden dan beleidslijnen geënt en wie die niet volgt is een slechte Vlaming die zijn gemeenschap verraadt.’**
     De waarschuwing van Bouckaert is terecht. Naties en nationalisme kun je niet wegtoveren, maar ze kunnen verstikkend zijn en aanleiding geven tot uitsluiting, discriminatie, xenofobie en racisme tegenover wie niet als lid van de natie wordt bekeken. Als er dan toch nationalisme moet zijn, dan hoort het inclusief te zijn. Tot daar ga ik akkoord. Maar is de strikte tweedeling Geselschaft-Gemeinschaft ook terecht?
     Ik geloof het niet. Het boek van Paul Collier*** heeft mij overtuigd dat veel zaken best geregeld worden binnen het kader van de natiestaat. Stamverbanden zoals in Afrika bieden niet de juiste schaalgrootte, en supranationale instellingen zoals de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties zijn politiek te heterogeen.
     Nu kun je in principe die natiestaten bij elkaar houden met redelijke argumenten en democratisch gestemde wetten, een ‘rechten- en plichtenstructuur’. ‘Diepe affecties’ lijken daarbij niet noodzakelijk. Burgers die solidair belastingen betalen, ambtenaren die hun best doen ook al staat daar geen loonsverhoging tegenover, jongeren die gehoorzamen aan politiebevelen, parkbezoekers die geen vuilnis laten slingeren – het kan allemaal rationeel worden verantwoord en in wetten en reglementen worden gegoten. 
     Maar zo werkt het niet, zegt Collier. Zo autistisch zijn de mensen niet. Gevoelens zet je niet tussen haakjes. Nochtans, als het om zijn gevoelens gaat, is Collier allesbehalve een nationalist. Hij voelt zich een wereldburger. In zijn gezin hebben ze paspoorten met drie verschillende nationaliteiten. Hij werkt meer in het buitenland dan thuis. Hij kent Afrika wellicht even goed als zijn eigen land. Kortom, zijn levensstijl is die van een kosmopoliet.
     Maar, en dat is het leuke, Collier beseft dat hij tot de uitzonderingen behoort. Hij voelt zich een beetje een profiteur, een parasiet.**** Hij denkt dat zijn levensstijl maar mogelijk is omdat zijn uitvalsbasis Engeland wordt samengehouden door het nationaal gevoel van de gewone burgers die geen kosmopolieten zijn, mensen die zich in een nationale identiteit herkennen, die emotioneel gehecht zijn aan gewoonten en tradities: the queen, plumpudding, cricket, snooker, ingewikkelde inhoudsmaten, een gecentraliseerd gezondheidssysteem, alsook de rationele waarden van democratie, rechtsstatelijkheid, tolerantie en wetenschap.
     Wie, zoals Collier en ik, die rationele waarden als de kern van onze westerse beschaving beschouwt, moet niet spuwen op de verdedigingsmuur errond. Die muur staat daar goed. De stenen ervan moeten niet te gelijkvormig zijn. En de muur mag natuurlijk af en toe worden opgekalefaterd. In Vlaanderen heeft men het vendelzwaaien achter zich gelaten. In Engeland mag het gezondheidssysteem wel wat vrijer. En als ik in London kom, eet ik liever een Indische rijsttafel dan een pudding met – bah – pruimen.

 

* De constante van Dunbar stelt dat het aantal personen met wie we een zinvolle relatie kunnen onderhouden, ongeveer 150 is.

** Professorale belevenissen van Boudewijn Bouckaert (2017), Acco, Leuven.

*** Zie ook hier, hier en hier.

**** ‘Levensstijlen zoals die van mijn gezin,’ schrijft Collier, ‘zijn afhankelijk van – en parasiteren mogelijk op – de mensen van wie de identiteit wél vast ligt en die ons daardoor de levensvatbare samenlevingen bieden waaruit wij kunnen kiezen.’

zaterdag 7 juli 2018

Monica De Coninck over het getwitter van Theo Francken

     Op vrt.be zag ik een ruzie in de Kamer tussen SP.A-parlementslid Monica De Coninck en staatssecretaris Zuhal Demir van N-VA. Het ging geloof ik over de jonge moslima die van de week in de buurt van Charleroi was aangevallen en op de grond was gegooid, waarbij haar hoofddoek was afgerukt en in haar armen, borst en buik was gekerfd met een scherp voorwerp. De Coninck bracht in een parlementaire vraag die aanval in verband met de tweets van Theo Francken (‘een aantal mensen in uw fractie’). Daarop werd Demir boos en onderbrak ze het betoog van De Coninck. Dat mag Demir niet doen. Ook al is ze boos, ze moet een vragensteller laten uitspreken. De Coninck protesteerde dan ook terecht tegen die onderbreking en deed dat met enig theatraal talent. ‘We staan hier niet op de markt, ja?’ zei ze, en ze maakte daarbij een triomfantelijk gebaar als een – ja als wat eigenlijk? Als een marktverkoopster die de voordelen van een bepaald soort kookpan demonstreert?
     De Coninck gaf verder in één zin drie verklaringen voor de tweets van Francken: ‘als het potje overkookt’, ‘sommige partijen worden er rijk van’ en ‘uiteindelijk is het windowdressing’. Die verklaringen sluiten aan bij wat je je ook ergens anders kunt lezen: Francken gebruikt harde emotionele tweets om zich populair te maken, om kiezers af te houden van Vlaams belang, om te verbergen dat hij in zijn beleid braaf de Europese en juridische regels volgt, en ten slotte, om een draagvlak te creëren voor een migratiebeleid dat restrictiever is dan wat hij nu uitvoert.
     Die verklaringen zijn allemaal juist, geloof ik, maar ik zie nog een andere. Een regeringspartij heeft enerzijds een algemeen programma, waarin ze stoutmoedig haar idealen op middellange termijn uiteenzet, en anderzijds heeft ze een beleid waarmee ze een klein deeltje van dat programma probeert te verwezenlijken, rekening houdend met allerlei compromissen en techniciteiten en andere bezwaren die tussen droom en daad komen te staan. Voor niet-politici is dat laatste maar een saaie boel.
     Ik herinner mij de tijd toen Lijst De Decker begon door te breken. Die partij had een nogal opwindend programma waarmee ze allerlei moderne vormen van onvrijheid terug wou dringen. Maar die partij had de naam ‘te radicaal’ te zijn. Ze zou nooit een inbreng hebben in het beleid. En De Decker was niet sociaal aanvaardbaar. Je wou hem niet in je salon. Hij was een ‘straatvechter’. Hij was een ‘brulboei’.
     De ‘brulboei’ begon daarom te sleutelen aan zijn imago en aan dat van zijn partij. Zijn nieuw verkozen vertegenwoordigers – sommige toch – werden specialisten in technische materies. Lode Vereeck werd een gezaghebbende stem in het Vlaams Parlement. Boudewijn Bouckaert werd voorzitter van de Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen. Ik ging ‘s avonds wel eens kijken op de LDD-site en vond daar bewijzen van degelijk dossierwerk, goed uitgewerkte parlementaire vragen en opbouwende beleidsvoorstellen. Dat was allemaal best aardig, maar tegelijk ook weinig inspirerend voor een half-geïnteresseerde leek als ik. Het was allemaal te technisch en … te braaf.
     En nu kan je van de tweets van Francken veel zeggen – dat ze mijn stijl niet zijn, dat ze flirten met vulgariteit*, dat ze veralgemeningen bevatten, dat ze ondoordacht geformuleerd zijn, dat ze kwaadwillig geïnterpreteerd worden, dat ze géén ‘onmenselijke uitspraken’ bevatten zoals vaak wordt beweerd. Maar één ding is zeker: erg braaf zijn ze niet.



* Ik denk aan de door Francken geretweete foto van een zeker Brussels standbeeldje dat naar aanleiding van een zekere voetbalwedstrijd samen gemonteerd werd met een zekere op de grond liggende Braziliaanse speler. Dat zou ik nooit doen, zoals ik hier al schreef.

woensdag 24 januari 2018

Professorale belevenissen van Boudewijn Bouckaert

     Het gedenkschrift van Boudewijn Bouckaert, Professorale belevenissen, is maar een dun boekje geworden. Niet meer dan 250 bladzijden. Dat is niet zo’n groot nadeel als de lezer misschien zou denken. Bouckaert bezit de gave om iets kort en duidelijk onder woorden te brengen. Hij vat ergens Hayeks Law, Legislation and Liberty samen op een halve bladzijde, en ’t is een verdomd goede samenvatting. Hij besteedt enkele bladzijden aan het jaar dat hij aan Harvard les heeft gegeven. ’t Is vooral zijn persoonlijk verhaal, maar toen ik die bladzijden gelezen had, wist ik over die Amerikaanse law schools ongeveer alles wat ik wilde weten. Eerder in het boek wijdt hij enkele zinnen aan de overleden maoïstenleider Ludo Martens. Door die zinnen lijkt het alsof ik Ludo nu heel wat beter ken, terwijl ik hem vaker gezien en gesproken moet hebben dan Bouckaert. Als mijn zoon iets zou willen weten over de studenterevoltes van de jaren zestig – die nieuwsgierigheid zou hem sieren – zou ik hem de eerste vijftig bladzijden van Bouckaert aanraden. Alles wat ik er zelf van weet – alles wat de moeite is bedoel ik – staat erin. Dat de trotskisten bijvoorbeeld hippe vestjes droegen, en leninbaardjes en trotskibrilletjes, of er in ieder geval speciaal uitzagen. Ja, daarvoor waren het ook trotskisten!
     Bouckaert is onmiddellijk na zijn afstuderen en zijn legerdienst terwerkgesteld geweest aan de Rijksuniversiteit van Gent: tijdelijk assistent, eerst aanwezend assistent, docent, hoogleraar en gewoon hoogleraar. De laatste stap is ‘dóód gewoon hoogleraar’ voegt Bouckaert eraan toe en hij hoopt dat die laatste benoeming nog even op zich laat wachten. De weg van assistent naar hoogleraar is er een bezaaid met voetangels en wolfksklemmen, en benoemingen hangen evenzeer af van kantoorgekonkel als van academische verwezenlijkingen. De hoofdstukken daarover lezen als een vermakelijke campus novel.
     Inzake politieke overtuiging dan is Bouckaert meer dan één keer van kamp veranderd. Begonnen als rechts-katholiek werd hij aan de universiteit links-katholiek, dan radicaalsocialist, dan sociaaldemocraat om ten slotte rust te vinden bij het libertarisme – ook klassiek liberalisme genoemd. Die laatste overtuiging is hij trouw gebleven, al was hij achtereenvolgens lid van VLD, N-VA, LDD en dan weer N-VA. Wel stelde hij zich pragmatisch op en begreep hij dat in de politiek de beste én de tweedebeste keuze meestal ‘niet haalbaar’ zijn. Vaak gaat het erom de vierdebeste keuze te laten zegevieren over de vijfdebeste, en als dat gelukt is, kun je met recht en reden verzuchten: autant de gagné sur l’ennemi.
     Een van de aantrekkelijke eigenschappen van Bouckaert is zijn eerlijkheid. Hij komt er rond voor uit dat hij met grote tegenzin examens afneemt, trucjes verzint om het aantal mondelinge examens te beperken en dat hij op het einde van een examendag humeurig kan uitvallen tegen studenten. Als hij dan ziet dat ze schrikken, schrikt hijzelf ook en biedt zijn excuses aan. Toen hij assistent was van professor Calewaert, een hevige socialist, en bij hem doctoreerde, zorgde hij ervoor dat zijn eigen libertarische overtuiging wat onderbelicht bleef. Ook dat erkent hij achteraf. En die keer dat hij in De Morgen werd aangevallen door Yves Desmet antwoordde hij met een nogal onhandig satirisch stuk. In zijn boek geeft hij toe dat hij toen uit verbittering handelde. Dat is het soort toegeving dat je niet elke dag in gedenkschriften tegenkomt.
     Vooral in het eerste deel van het boek, verwerkt Bouckaert enkele aardige anekdotes. Zo moest hij tijdens zijn legerdienst het militair reglement uit het hoofd leren. Een van de regels luidde: ‘De soldaat heeft recht op zijn brood.’ Daar hoorde dan de examenvraag bij: ‘Wat heeft de soldaat op zijn brood?’ Het juiste antwoord was: ‘Recht.’
     In zijn studententijd werd Bouckaert ooit gearresteerd bij een betoging aangaande Vietnam. Hij werd ervan beschuldigd dat hij een politieagent met een ‘pancarte’ had bedreigd. Zo’n ‘pancarte’ waar een slogan op geschilderd is, kan inderdaad een gevaarlijk wapen zijn, afhankelijk van het materiaal waaruit het is gemaakt. Een stuk karton is vrij onschuldig, maar een bord uit stevig betonplex van dertig op vijftig centimer, vastgemaakt aan een stevige stok, dat is een andere zaak, vooral als je dat bord met de scherpe kant laat neerkomen op het hoofd van je slachtoffer. Bouckaert verscheen dus voor de rechtbank en een politieman kwam getuigen dat de student hem had bedreigd met een … met een … pamflet. Bij die verspreking, schrijft Bouckaert nogal droog, veerde advocaat Piet van Eeckhaut recht en wees erop hoe gevaarlijk zo’n papieren ding wel kon zijn.
     Misschien was meester Van Eeckhaut die dag ook kort en droog. Maar wie hem ooit aan het werk geeft gezien, op televisie of in het echt, stelt zich de scène anders voor. ‘Een pamflet! Edelachtbare, een pamflet! Ziedaar het wapen van de crimineel. Ziedaar het wapen van de terrorist! Ziedaar het moordwapen … (grist een blad uit zijn boekentas). Een onschuldig blad papier, edelachtbare, een onschuldig blad papier waarmee je geen geen mus in de tuin, waarmee je geen vlieg op het raam kunt verwonden, laat staan doden! Een blad papier dat een boodschap bevat van vrede en hoop en solidariteit met dat moedige volk in dat verre deel van Azië, dat volk dat alleen in alle rust en vrede zijn rijst wil verbouwen op zijn vruchtbare akkers. En nu wil men ons doen geloven, edelachtbare, dat deze zwaarbewapende agent, opgeleid en gedrild om gangsters en criminelen te bestrijden, dat deze zwaarbewapende agent, zeg ik u, zich bedreigd voelde door dit … (dramatische stilte, toont weer zijn papier) … pamflet? Ik vraag de vrijspraak voor mijn cliënt!’
     Meester Van Eeckhaut is rood aangelopen. Het is niet helemaal duidelijk of hij zo geboren is, teveel gedronken heeft in zijn leven, zo hard zijn best moet doen om niet in de lach te schieten, of dat hij het dramatische talent bezit om naar believen rood te kleuren als hij verontwaardiging wil veinzen.

zaterdag 10 december 2016

Theo Francken of de rechtstaat?

      In april of mei 1973 kwam mijn klassenleraar bij ons thuis op bezoek om eens met mijn ouders en mij over mijn studiekeuze te praten. Dat was een pijnlijk moment want ik wou toen helemaal niet studeren. Ik wou in een grote fabriek gaan werken om communistische cellen op te richten. Mijn ouders waren razend. De klassenleraar suste: ‘Maar Philippe, je zou toch minstens eens Rechten kunnen proberen.’  Had ik dat toen maar gedaan. Dan kon ik nu dat hele gedoe rond de visumkwestie beter volgen. Dan kon ik nu mijn mannetje staan in facebookdiscussies tussen mijn vrienden van #Ik steun Theo en die van #Ik steun de rechtstaat. Nu ben ik een armzalige leek die amper het verschil kent tussen een vonnis en een arrest, en als iemand mij uitlegt wat derdenverzet is, of dubbele cassatie, of precedenten als secundaire rechtsbron, ben ik die uitleg zo weer vergeten.
     Wat ik ondertussen begrepen heb is dat er in Aleppo een gezin leeft dat graag een visum zou krijgen om naar ons land te komen. Dat visum werd geweigerd door Theo Francken die staatssecretaris is van Asiel en Migratie. De advocaat van het Syrische gezin trok daarop naar de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen (RVV) die besliste dat de Francken dat visum wél moest uitreiken. Francken weigerde met als argument dat het visum geen recht was maar een gunst waar hij alleen over beslist – en ik geloof niet dat iemand hem op dat punt tegenspreekt. De advocaat ging dan naar een ‘gewone’ rechtbank of twee en werd daar al twee keer door de rechters in het gelijk gesteld. Francken moest doen wat de RVV beslist had, anders werd hij gestraft met een boete van 4 000 euro per dag, uit te betalen aan het Syrische gezin. De staatssecretaris weigerde dat en probeert nu via hoger beroep toch nog gelijk te krijgen. Een goed overzichtsartikel verscheen op DeMorgen.be.
     Op het laatste arrest tegen Francken kwam er een NVA-reactie in de vorm van een tweet die nogal sterke woorden bevatte: ‘GEEN dwangsommen en GEEN wereldvreemde rechters’. Geen dwangsommen – daar kan de veroordeelde staatssecretaris niet over beslissen, en ook zijn partij en zijn regering niet. Dat komt de rechter toe. Dat is de scheiding der machten. En dan – Geen wereldvreemde rechters … dat riep bij mij onaangename herinneringen op, meer bepaald aan de zaak van Dutroux en het spaghetti-arrest.
     We schrijven, zoals dat heet, 1996. Dutroux is zopas gearresteerd, zijn twee laatste slachtoffers Sabine Dardenne en Laetitia Delhez zijn zopas gered van een zekere dood. De zaak is in handen van de gedreven onderzoeksrechter Connerotte. Maar dan neemt Connerotte op een onzalige dag deel aan een spaghettimaaltijd ter ere van de overlevende slachtoffers, waarop de advocaat van Dutroux klacht indient. Een onderzoeksrechter moest zich onpartijdig opstellen tussen vermoedelijke daders en slachtoffers, vindt hij. Het Hof van Cassatie keurt de klacht goed, met een argumentatie opgesteld door de eminente juriste Eliane Liekendael.
    Er stak, zoals dat heet, een storm van protest op. Liekendael had de wet te letterlijk geïnterpreteerd, zonder rekening te houden met de goede bedoelingen van Connerotte. Eerste minister Dehaene vroeg Cassatie om de wet ‘inventief’ toe te passen. Louis Tobback en Marc van Peel vonden dat de wet ‘creatief’ moest worden geïnterpreteerd. Maar de ‘wereldvreemde’ Liekendael wou niet wijken. Nu was de juriste niet alleen wereldvreemd, ze zag er ook niet uit, met haar veel te grote bril met een veel te zware montuur. Televisiecamera’s volgden de vluchtende Liekendael tot ze wenend ineenzakte tegen een liftdeur. De straf voor haar wereldvreemdheid. Ik vond dat optreden van Dehaene en van Tobback en van die televisiemensen toen schandelijk en, zoals dat heet, een rechtstaat onwaardig. Liekendael had haar plicht gedaan en de wet toegepast. Aan een email-vriend schreef ik toen: fiat justitia, pereat mundus. Mijn facebookvriend Marc Ernst die met mij een maoïstisch verleden deelt, heeft het anders verwoord: legalist tot in de kist.
     En dan nu die NVA-tweet. Ging de Alliantie misschien net als de Dehaene, Tobback en Van Peel zelf wel eens gaan uitmaken welke vonnissen en arresten de rechtbanken en hoven moesten uitspreken?* Ik kon vooral dat ‘wereldvreemde rechters’ van de tweet maar moeilijk verteren. Als het over de toepassing van de wet gaat, kunnen de rechters voor mij niet wereldvreemd genoeg zijn. Ze hebben liefst zoveel mogelijk mensenkennis, gezond verstand en een rijk gevoelsleven, maar wanneer de wet A zegt, moeten ze niet op basis van dat gemoedsleven B zeggen.
     Maar maak ik de kwestie even los van de agressieve NVA-tweet, dan laat zich wel iets zeggen voor het verwijt van wereldvreemdheid. Ten gronde berust de hele zaak van het Syrische gezin op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (ERVM). Dat artikel luidt: ‘Verbod op foltering. Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijk of vernederende behandelingen of bestraffingen.’ Dat lijkt mij een goeie wet want ik ben tegen foltering. België is ondertekenaar van het Verdrag en onze ordediensten mogen dus onder geen enkel voorwendsel foltering toepassen. Ik zou het niet anders willen. Verder neem ik aan dat rechters soms diep zullen moeten nadenken over wat nu juist foltering is, en wanneer een gedrag vernederend is en wat vandaag de dag een onmenselijke bestraffing is. Je kunt interpretatie nu eenmaal niet uitsluiten en daar dienen rechters voor. Maar hoe kan deze wet – verbod op foltering – nu zo geïnterpreteerd worden dat de Belgische regering erdoor verplicht wordt een gezin binnen te laten dat in Syrië woont en dat in Libanon een visum aanvraagt? Om tot dat resultaat te komen moeten rechters wel erg vergezochte redeneringen op de wet loslaten. Misschien is het zelfs niet overdreven om zulke redeneringen wereldvreemd te noemen.***  
     Liekendael werd wereldvreemdheid aangewreven – ten onrechte volgens mij – omdat ze teveel rekening hield met de wet en te weinig met de realiteit. Rond artikel 3 lijkt het omgekeerde aan de hand: rechters die te weinig rekening houden met de wet en te veel met de realiteit, en vooral met hoe die realiteit er volgens hen uit zou moeten zien. En dan ontwikkelen ze ingewikkelde redeneringen om de wet om te buigen tot hij past bij een asielbeleid dat zij voldoende humanitair vinden. Maar uitmaken welk beleid humanitair genoeg is, en realistisch, dat komt niet de rechters toe. Dat komt de politici toe. Ook dat is scheiding der machten.
 

* Een dag later verscheen een beargumenteerd stuk van Bart De Wever over het ‘gouvernement des juges’ waar het woord ‘wereldvreemd’ niet meer in voorkwam. In plaats daarvan schreef De Wever over ‘activistische rechters’. Dat begrip was ik al eerder tegengekomen bij Roger Scruton en bij ‘Thomas Sowell. De Wever deed zijn uitleg nog eens dunnetjes over op TerzakeEn een paar dagen later las ik een heel helder stuk van Boudewijn Bouckaert over gerechtelijk activisme.

 **De Amerikaanse president Roosevelt ging hierin veel verder. Toen het Supreme Court herhaaldelijk zijn wetsvoorstellen ongrondwettelijk verklaarde, deed hij een poging om de samenstelling van het Hof te veranderen. Die poging mislukte, maar sommige leden begonnen wel voorzichtiger te stemmen.
 
*** Een voorbeeld van dergelijke vergezochte redeneringen is de manier waarop in de Verenigde Staten de ‘Commerce Clause’ gebruikt werd en wordt om allerlei federale wetgeving door te drukken die niets met die ‘commerce’ te maken heeft.