Posts tonen met het label Johan Van de Lanotte. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Johan Van de Lanotte. Alle posts tonen

vrijdag 2 december 2022

ABN - enkele slotnotities (deel 1)


Politici.
 Vlaamse politici zullen hun populair imago niet verknoeien door keurig Nederlands te praten. Wilfried Martens probeerde dat nog, maar zijn opvolger Jean-Luc De Haene ging meteen de andere kant uit. De laatste politicus die nog bewuste pogingen deed in de richting van keurig Nederlands was Johan Vande Lanotte, met zijn pijnlijke ‘ch’ waarmee hij zijn West-Vlaamse tongval trachtte te camoufleren. Ook bij mij klinkt de ‘g’ vaak als een ‘ch’ – als ik mijn best doe.

Bekakt. In mijn eerdere stukje over bekakt praten, heb ik vooral aandacht besteed aan de onnatuurlijke krampachtigheid van onervaren ABN-sprekers die daardoor een bekakte indruk maken. Maar er zijn wel meer oorzaken waarom wij Vlamingen iets bekakt vinden klinken: een hekel aan Hollanders, een hekel aan Stefan Hermans, een hekel aan chique dames en heren die denken dat ze beter zijn dan wij. Mijn Facebookvriend Jan-Paul van Spaendonck vindt de taal van de vroege Boudewijn de Groot, met die eind-n aan leven en geven, ‘bekakt’ omdat diens Haarlems deed denken aan dat van ‘hoogwaardigheidsbekleders’. Van hén kon je niet zeggen dat ze bekakt overkwamen. Ze wáren het. Maar een Vlaamse ABN-minnaar zal de taal van Boudewijn de Groot nooit in dat verband zien. Bekaktheid, als ik het zo mag zeggen, is in the ear of the beholder.

Sturen. Taalsociologen beweren dat je taal niet kunt sturen.  Ze hebben gelijk. De mensen zullen uiteindelijk praten zoals ze willen. Maar je kunt wel een beetje sturen. De vraag is: in welke richting?

Schakelen. Mijn bezwaar tegen tussentaal náást ABN is dat taalgebruikers dan moeten schakelen tussen de twee, en dat het ABN-register daardoor onnatuurlijk gaat klinken en door fouten wordt ontsierd. Dat geldt wellicht niet voor iemand ‘met aanleg voor talen’. Mijn ex-collega Martine V. werd eerst opgevoed in het ABN, thuis en op school, en maakte zich later tussentaal eigen. Ze kan vlot schakelen tussen de twee. Maar mijn ex-collega heeft dan ook veel aanleg voor talen.

Formeel / informeel. Elke taalgebruiker heeft nood aan een formele en informele variant. In sommige gebieden fungeert dialect of tussentaal als informele variant en ABN als formele variant. Maar dat is geen noodzakelijke rolverdeling. Inwoners van Haarlem of van Tours hebben evengoed een informele variant van Nederlands of Frans zonder dat ze daarvoor de standaardtaal moeten verlaten.

Taalexpert. Als je op Facebook een stukje plaatst over taal, mag je een groot aantal reacties verwachten. Iedereen heeft een mening, en iedereen is expert. En in zekere zin is iedereen ook werkelijk expert. Volgens de 10.000-urenregel van Malcolm Gladwell bereik je expertise in om het even wat -programmeren, muzikale optredens, enzovoort - na 10.000 uren oefening. Het werkte voor Bill Gates en het werkte voor The Beatles. Met spreken, luisteren, lezen en schrijven kom je gemakkelijk aan je 10.000 uren vóór je tiende levensjaar. 

Klasseloze taal. Het oude ideaal van een ‘algemeen beschaafde’ taal was het onhoorbaar maken van het  de regionale afkomst van de spreker kon raden. Dat was onrealistisch. Zelfs Paardekooper gaf toe dat kleine regionale uitspraakverschillen onvermijdelijk waren. Belangrijker echter is dat men de sociale afkomst van de spreker onhoorbaar zou kunnen maken. Ik heb ooit twee maanden les gevolgd aan een school in Salamanca. Ik was aangenaam verrast dat de professoren in de aula en en het bedieningspersoneel in de kantine dezelfde taal spraken. Kleine verschillen zal ik als andertstalige ongetwijfeld niet hebben opgemerkt, maar klein waren die verschillen zeker.

Taalvariatie en taalrijkdom. Het verdwijnen van dialecten betekent ontegenzeggelijk een verlies, maar eerder voor de taalliefhebber dan voor de taalgebruiker. Veel dialectsprekers merkten niets van de rijkdom van hun taal. Wat heb je aan honderd dialecten als je er maar één hoort en spreekt? Slechts uitzonderlijk kon de dialectspreker van zijn eigen dialect genieten, als het om recente producten van eigen bodem ging. Van iets wat snel vooruitging zei men in Wevelgem dat het ‘ging als Buysses sjeeze’.  Dat was leuk om te zeggen als je je die buitengewoon snelle kar van de familie Buysse dagelijks voorbij zag flitsen.

De beste auteurs. De klassieke taalkundigen leidden de norm niet af uit de logica, maar uit het taalgebruik van de beste auteurs. De Zwitserse grammaticus Grevisse noemde dat Le bon usage en dat werd ook de titel van zijn standaardwerk. Mijn professor Spaans Josse De Kock – was hij niet getrouwd met de kleindochter van Unamuno? – vond dat je die taal moest zoeken in essays. Dat is geen slechte methode. Je kunt de zeven dikke delen essays van Karel van het Reve lezen en daar misschien hoogstens tien woorden in aantreffen die ‘Hollands’ zijn. Bij romans moet je oppassen met de ‘platte’ auteurs als Jan Cremer, want bij die struikel je op elke bladzijde meerdere keren over kiene gozers en klerelijers die goed in de slappe was zitten en beter kennen opsodemieteren.

vrijdag 31 mei 2019

Verkiezingen - Losse gedachten bij de

* Bij het avondeten vroeg ik wie aan tafel een oplossing had voor de politieke impasse. Vrouw en kind zwegen en zelf wist ik ook niets te verzinnen. Van de Lanotte, Reynders, De Wever en Di Rupo zullen de knoop dus zelf moeten ontwarren.

 * De stemtest van vrt en rtbf werd meer dan drie miljoen keer ingevuld. Ik heb dat zelf niet gedaan, maar ik ken mensen die tot hun grote verbazing uitkwamen bij PVDA of Vlaams Belang, terwijl dat juist de partijen waren waar ze helemaal niet op wilden stemmen en waar ze ook niet op hébben gestemd. Zelfs goed gemaakte stemtesten bevoordelen blijkbaar de partijen die de meest onrealistische zaken beloven.

* Ik heb in een stukje vóór de verkiezingen vijf redenen gegeven waarom kiezers van N-VA naar Vlaams Belang overstapten. Daar komt nu nog een reden bij: mensen stemmen graag voor een underdog maar toch vooral als die groot en sterk is.

* Een VRT-reporter vroeg aan Theo Francken of hij met zijn ‘terminologie’ niet mee verantwoordelijk was voor het succes van Vlaams Belang. Dat was een domme vraag. Wie naar de resultaten kijkt van N-VA en het Belang in Vlaams Brabant ziet dat daar het omgekeerde is gebeurd.

* Je kunt met hetzelfde gemak zeggen dat een bepaald soort linkse propaganda verantwoordelijk is voor het VB-succes. Als je voortdurend beweert dat N-VA niets meer is dan een light versie van Vlaams Belang, dan moet je niet schrikken als mensen uiteindelijk het ándere product kiezen. 

* Heeft trouwens ooit al een VRT-reporter aan een SP.a-kopstuk gevraagd of hun linkse kiesbeloften mee verantwoordelijk zijn voor het succes van PVDA?

* N-VA heeft in de campagne goed ingespeeld op de thema’s die zich aandienden: klimaat, onderwijs en zelfs verkeer, al was dat in de vorm van een koerswijziging. Je kunt niet decreteren waar een campagne over moet gaan. Maar de naam Marrakesh had wellicht wat vaker mogen vallen.
* De PVDA-kiezer wil zaken die niet samengaan op korte termijn: hoger loon, hoger pensioen, minder werkuren, lagere pensioenleeftijd. Maar op lange termijn kunnen die doelen wel degelijk samengaan door een stijging van de productiviteit.

* De Vlaams Belang-kiezer wil iets wat onmogelijk is op korte én op lange termijn: minder vreemdelingen op straat. Het is wél mogelijk om de grenzen voor ongewenste migratie min of meer te sluiten, maar de vreemdelingen die hier al zijn, blijven op straat rondlopen en blijven kinderen hebben. En hun geslaagde inburgering zal niet voor morgen zijn.
* Ik kreeg op mijn Facebookpagina herhaaldelijk een filmpje te zien van Vlaams Belang waarin minister Homans over de hekel werd gehaald. Homans had ‘met plezier’ gratis inburgeringscursussen aangeboden aan vreemdelingen. 4300 euro per persoon! En ik die dacht dat Vlaams Belang juist verplichte inburgeringscursussen (hier) wilde. Of zouden de vreemdelingen die verplichte cursussen zelf moeten betalen, zoals de Mexicanen zelf voor Trumps muur zouden betalen?

* Ik heb verschillende commentaren gelezen over de fout die Bart De Wever gemaakt had in het debat met Crombez over de pensioenen. Maar niemand legde uit wat die fout nu juist was. Bij Jambers hoorde ik eindelijk de uitleg van De Wever zelf : ‘Ik wist dat dat van die levensverwachting in ons programma stond, ik kon dat dus niet ontkennen, maar, eerlijk gezegd, ik was vergeten dat daar duidelijk bij stond: “tegen 2070”.’
* In zijn boek ‘Identiteit’ geeft De Wever interessante oplossingen aan om de migratie te beperken en de integratie te bevorderen. Maar dan schrijft hij, op bladzijde 89: ‘Als gevolg daarvan [een goede inschakeling van de migranten in onze economie] zou ook het draagvlak en de tolerantie tegenover migratie opnieuw versterken.’ De Wever spreekt hier de zuivere waarheid. Maar ik zou zoiets nooit schrijven, uit angst dat niet Crombez maar mijn vijanden ter rechterzijde de zin uit zijn context zouden citeren en misbruiken.

* Vlaams Belang heeft haar racistisch verleden min of meer afgezworen, en PVDA heeft haar leninistisch-stalinistisch verleden min of meer afgezworen. Prima. Maar het doet mij ook denken aan die Rus met plasproblemen. Na een sondage van de blaas vroeg men hem hoe hij zich voelde. ‘Opgelucht,’ zei hij, ‘maar je weet wat men over laster zegt. Il en reste toujours quelque chose.’
* Het cordon lijkt terug te gaan op de gedachte dat racisme – of wat daarnaar zweemt – in de politiek een doodzonde is, terwijl korte-termijndenken, verspilling, corruptie, onrechtvaardige belastingen, maar dagelijkse zonden zijn.

* Je leest soms dat Vlaams Belang ‘racisme aanwakkert’ of ‘verdeeldheid zaait’ of ‘vijandbeelden creëert’. Dat racisme, die verdeeldheid en die vijandbeelden zouden dus niet bestaan zonder het Vlaams Belang. En dat is dan weer strijdig met de theorie dat dat racisme enzovoort in het Vlaamse DNA zijn ingebakken.
* N-VA zei tijdens de campagne dat Vlaams Belang de positie van links zou versterken door stemmen af te snoepen van regeringsbereid centrumrechts. Vlaams Belang antwoordde dat N-VA, als het erop aankomt, bereid is om in een coalitie te stappen met links. De twee beweringen zijn waar.

* Zou links blij zijn met een grotere versnippering van rechtse stemmen ook als dat een groter Vlaams Belang betekent? Dat weet ik niet. Ik ben rechts en ik ben niet blij met een grote versnippering van linkse stemmen als dat een groter PVDA betekent. Maar ik moet ook geen regering vormen.

dinsdag 16 april 2019

Onze nieuwe eerste minister

     Als je weet hoe oud ik ben – ik ben bijna 64 – dan begrijp je dat mijn ouders wel van een héél respectabele leeftijd moeten zijn. Maar ze kijken nog elke dag stipt om zeven uur naar het Nieuws op de televisie, voornamelijk, geloof ik, om zich te ergeren. Ze leveren dan scherpe commentaar op iedereen die in beeld komt. De ene is te dik (De Block), de andere te mager (Bourgeois), nog een andere te lelijk (Vande Lanotte), en bijna allemaal zijn het idioten. Mijn moeder kan er al niet tegen als een minister een zin begint met ‘Ik denk dat …’ Een minister moet niet dénken, zegt ze dan, een minister moet wéten.
     Dat talent voor ergernis heb ik niet overgeërfd. Over het uiterlijk van mensen durf ik zelfs in intieme kring bijna nooit iets zeggen, en als men op de televisie iets vertelt, gaat het meestal over iets waar ik niet goed van op de hoogte ben. Dan moet ik niet te veel kritiek geven vind ik op anderen die ook niet goed op de hoogte zijn. Verder heb ik het altijd moeilijk gevonden om veel affectie of weerzin te voelen voor mensen die ik niet persoonlijk ken.
    Maar nu ik wat ouder word, lijkt mijn talent voor ergernis zich toch een beetje te ontwikkelen. Ik las vandaag in Het Nieuwsblad wie er binnenkort allemaal eerste minister kan worden en hoeveel kans ze maken. Volgens de krant ging het om Gwendolyn Rutten (35 %) , Jan Jambon (20 %), Charles Michel (15 %) , Wouter Beke (15 %) en Kristof Calvo (10 %). Ik begon mij meteen af te vragen aan wie ik mij het meeste zou ergeren als eerste minister, of beter, aan wie ik mij het mínste zou ergeren, want ik ben een groot aanhanger van het minimax-beginsel waarbij het minimaliseren van het verlies belangrijker is dan het maximaliseren van de winst.
     Het beste is om Kristof Calvo meteen uit te sluiten van de competitie. Met zijn 10 % maakt hij weinig kans, en, omgekeerd, wat de ergernis betreft die hij kan genereren, speelt hij de concurrentie op een hoopje. Als hij mag meespelen in een ergerniswedstrijd is dat oneerlijk tegenover de anderen.
     Blijven over Gwendolyn, Jan, Charles en Wouter. Dat wordt moeilijk. Gwendolyn zou dus volgens Het Nieuwsblad 35 % kans maken. ’t Is mogelijk hoor. Maar als ík Gwendolyn bezig zie, denk ik altijd dat ze dom is. Misschien is dat helemaal niet zo, maar ik dénk dat, en als ik dat dénk, ergert het mij als zo iemand al te vaak op de televisie verschijnt en dan doet alsof zij het zwarte naaigaren heeft uitgevonden.
     Dan Jan. Mocht ik in de provincie Antwerpen wonen, dan stemde ik voor hem, maar wij wonen aan de verkeerde kant van de Grensstraat en horen bij Vlaams Brabant. Ik draag Jan een warm hart toe sinds ik hem in 2007 op een Onderwijsconferentie* verstandige dingen hoorde zeggen. Maar als hij eerste minister wordt, en hij komt op de televisie, zal hij af en toe ook iets zeggen wat onhandig is of wat mij niet bevalt, en dan snijdt dat door mijn ziel, zoals dat ook gebeurt als mijn zoon bij het voetballen een slechte pas geeft of een verdedigingsfout maakt. Ik kijk daarom zo weinig mogelijk naar programma’s waar ‘mijn’ kandidaten aan meedoen.
     Als voorlaatste: Charles. Die had ik redelijk graag. Zijn ‘jobs-jobs-jobs’ was mij uit het hart gegrepen. Helaas heeft hij het bij mij verkorven met zijn Marrakesh-uitspraak over de ‘juiste kant van de geschiedenis’. Ik heb zelf ooit aan de juiste kant van de geschiedenis gestaan, en daar wil ik voor geen geld naar terug. Als Charles bij de komende regeringsonderhandelingen een Marrakesh-bocht neemt, en belooft dat hij de geschiedenis erbuiten laat, mag hij van mij terugkomen, maar eerder niet.
     Blijft over Wouter, die nu burgemeester is van Leopoldsburg. Ik zag hem gisteren nog op Terzake. Wat hij zei ben ik al lang vergeten, maar dat is een deel van zijn charme. Je zag duidelijk dat hij zijn best deed om serieus te worden genomen. Dat vind ik ontroerend. Ik weet niet of CD&V er de volgende keer weer bij is, en ik weet niet of Wouter in dat geval veel kans maakt, noch of hij een góede premier zou zijn. Maar zelf zie ik mij dan vaak glimlachen als hij op het scherm iets komt vertellen dat ik na een minuut weer vergeten ben.


* Van O-ZON en Onderwijskrant

woensdag 28 september 2016

De tranen van De Wever

     Ik ben nooit een radiomens geweest. Ik was ook geen radiokind. Thuis hadden we wel een radio, maar die stond in de nette eetkamer, waar we niet vaak kwamen, en bovendien was hij kapot. Misschien ligt het daaraan. Voor ik mijn vrouw leerde kennen, had ik nog nooit van Lutgart Simoens gehoord. Ondertussen luister ik af en toe wel naar iets als ik mij met de auto verplaats, maar meestal zit Jan dan naast mij en die bepaalt dan wel even wat er op staat.
     Toch moeten op die radio mooie programma’s te beluisteren zijn. Ik hoorde ooit in de auto, op een zaterdagvoormiddag, een stukje interview met Frieda Van Wijck die haar leven vertelde aan de hand van plaatjes. Tracktocht heette dat programma. Frieda vertelde hoe ze in de jaren zestig opgroeide als braaf Limburgs meisje, braver nog dan de andere Limburgse meisjes, want op zondagnamiddag gingen die uit,  terwijl Frieda eenzaam op haar kamertje achterbleef en plaatjes draaide van Judy Collins. (hier) O die zondagnamiddagen in de zestiger jaren! En wat was ik daar graag bij geweest, op dat kamertje, om Frieda te troosten …
     Ook zo’n mooi programma moet dat van Friedl’ Lesage zijn, waarin ze op zondagvoormiddag belangrijke mensen interviewt, onderbroken door live gezongen nummers. Vorige week had ze Bart De Wever te gast en die heeft toen even geschreid toen hij over de dood van zijn vader vertelde. Daar is veel commentaar op gekomen.
     Dat schreien van De Wever vind ik eigenlijk niet zo verwonderlijk. Ik hoorde hem ooit op de autoradio tijdens de moeilijke regeringsformatie van 2010-2011. De moeder van bemiddelaar Johan Van de Lanotte was net overleden en De Wever zei daar iets over. Hij leek er zelf door aangeslagen. Bovendien wist ik al langer dat partijvoorzitters, net als schooldirecteurs, vakbondsleiders, fabriekseigenaars en bestuurders van banken, ook mensen zijn die houden van hun vaders en moeders, hun zonen en dochters, hun echtgenoten en echtgenotes, hun minnaars en minnaressen. Mijn wereldbeeld is door het schreien van De Wever dus niet ingrijpend veranderd. Het heeft mij niet aan het denken gezet.
     Maar nu ik toch de regeringsformatie van 2010-2011 ter sprake heb gebracht – er was toen een voorvalletje dat mij wel aan het denken heeft gezet. In die tijd kenden Bart De Wever en Elio di Rupo elkaar slecht. Als je dan als leiders van de twee grootste partijen moet onderhandelen is dat moeilijk. De twee gingen daarom een weekend met elkaar doorbrengen als kennismaking. Op zeker ogenblik vroeg Di Rupo toen wat dat nationalisme precies was waar Bart zo hoog mee opliep. Bart gaf hem als antwoord een dvd van de film Michael Collins.
     Met die film legde De Wever een stukje van zijn ziel bloot, want hij moet zichzelf een beetje als een hedendaagse Michael Collins gezien hebben. De Ierse nationalist Collins had in 1920 een nieuwe strategie ontwikkeld om de Britten te bestrijden. In plaats van hen in open straatgevechten te bekampen, wat altijd slecht afliep voor de Ieren, besloot hij vanuit het verborgene toe te slaan en agenten te laten vermoorden op onbewaakte ogenblikken. Dat was niet erg fraai, maar het werkte wel. De Britse regering wilde plots toch onderhandelen. Op die onderhandelingen liet Collins zich dan van een andere kant zien, en toonde hij zich bereid tot compromis. Als hij het grootste deel van Ierland kon krijgen, dan was hij bereid om wat minder aan te dringen op de nationalistische symbolen. Dat het bevrijde land ‘Ierse Vrijstaat’ zou heten in plaats van ‘Ierse Republiek’, was betreurenswaardig, maar ‘what’s in a name’. Dat de protestantse gebieden bij Engeland konden blijven als ze dat wilden – misschien zou dat maar tijdelijk zijn. Collins begreep dat hij niet alles in één keer kon hebben. Di Rupo kreeg met de film dus de boodschap mee dat zijn gesprekspartner, net als Michael Collins, bereid was om tot een vergelijk te komen. Eerst radicale acties voeren tegen de ‘verstrikking van Vlaanderen’ en dan een gesprek onder grote mensen om de zaken te regelen.

     De volgende dag had Di Rupo de film gezien. ‘Dis Bart,’ zei hij met een charmant glimlachje, ‘ces nationalistes … ils tuent quand même pas mal de gens, hein.’ (hier)  ‘Het was hilarisch,’ zei De Wever achteraf. ‘Een heel mooi moment.’ Maar toen ik over dat grapje las in de krant, dacht ik meteen dat niet De Wever maar di Rupo de volgende eerste minister van België zou worden. Di Rupo was nog een maatje te groot voor Bart. En Bart was dat in die tijd op zijn manier ook.

vrijdag 19 augustus 2016

Mary Poppins en de boerkini*

   In de krant lees ik graag af en toe een stuk dat geruststelt. Een stuk dat bedaart, sust en kalmeert. Een stuk dat onomwonden stelt dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen en dat alles goed komt. Een stuk dat olie op de golven gooit in plaats van op het vuur. Ik ben daar vorige week goed van bediend geworden met de affaire van de zogeheten boerkini. Commentaarschrijvers in de pers en elders vonden die nieuwe badkledij weliswaar een ongelukkige keuze van onze moslima’s, en hier en daar werd ook in twijfel getrokken of het echt wel hún keuze was, maar voor de rest bracht de krant geluidjes voort als van een spinnende kat.
     De hele rel, las ik ergens, was maar een afleidingsmaneuver van de n-va die de aandacht wou afleiden van het begrotingstekort. De boerkini was eigenlijk best een sexy, zij het wat dubbelzinnig kledingstuk, een patent bewijs van integratie, en betekende van geen kanten een gevaar voor de zwemveiligheid. Ook moesten we van óns tweedelige en toch wel erg minuscule vrouwenbadpak geen vrijheidssymbool maken, nietwaar?  En je zag zo dat een  boerkinidraagster veel pret beleefde aan haar kostuum. En dan: aan onze kust waren die boerkini’s zo goed als afwezig;  in Oostende en Knokke  had men er nog nooit één gezien – alleen in Blankenberge zou er ooit een zijn opgedoken. Trouwens, hoe zag je nu het verschil tussen een boerkini en een surfpak?  En was het niet allemaal een kwestie van persoonlijke smaak? Vergelijk het met een oudere man die in pak en met opgerolde broekspijpen gaat pootjebaden. Ten slotte kon je hier en daar ook vernemen dat onze overgrootmoeders precies dezelfde badkledij hadden gedragen en kijk, wij waren toch goed terechtgekomen.**
Mevrouw Remona Aly
    Wie nog meer geruststelling wou, kon in de politieke sfeer zijn gading vinden. De boerkini ‘is een non-issue’ verklaarde Johan Vande Lanotte (sp.a). En Peter Poulussen (cd&v) deelde die mening: ‘In de praktijk is er geen probleem.’ En als er dan toch een probleem was, dan werd het door Jong Groen tot zijn ware verhoudingen teruggebracht. Op een grappige affiche vergeleken ze namelijk de dracht van de boerkini met die van witte sokken in sandalen. Wat dus eigenlijk neerkomt op een belediging van de boerkinidraagsters. Maar wellicht bedoelden de jongens en meisjes van Groen het niet zo.
     Dat was dus allemaal heel geruststellend.
     Maar – regel nummer één – als het over moslims gaat, moet je niet alleen óver hen praten, je moet ook mét hen praten, je moet henzélf ook eens aan het woord laten. Dat hebben de kranten gedaan, en voor mijn gemoedsrust ware het beter geweest als ze het niet hadden gedaan. Dan gaat het plots niet meer om een kleine minderheid binnen de moslimgemeenschap die alleen in Blankenberge actief is. ‘De boerkini-draagster kan iedere doorsnee hoofddoekdragende moslima zijn,’ schrijft Hasna El Maroudi (hier).  En op het gemoed werkend, voegt ze eraan toe: ‘Het enige dat een verbod op een boerkini doet, is ervoor zorgen dat deze meisjes niet meer in zee zullen zwemmen.’ Ja, dat zou harteloos zijn. Daar kunnen we het allemaal mee eens zijn. Maar mocht die sentimentele kunstgreep zijn doel missen, dan kan pittiger spijs worden opgediend. Jamilla:  ‘Voer dat verbod in, en ik garandeer je dat er méér radicalisering optreedt en [meer] mannen naar Syrië vertrekken.’ (hier)  De duidelijkste taal wordt gesproken door ene Remona Aly, die een overigens kluchtig stuk in De Standaard besluit met de woorden: ‘Ze kunnen ons van het leven beroven, maar niet van onze boerkini.’ (hier), (hier) of (hier)
     De boerkini of de dood. Dát is wat men in het Engels noemt –  met een uitdrukking die mooi kleurt bij ons vraagstuk – : to have skin in the game. Het deed me denken aan een essay van Nassim Nicholas Taleb waar Luc Van Braekel mijn aandacht op vestigde (hier). De schrijver van de Black Swan beweert in dat essay dat maatschappelijke controverses niet beslecht worden door meerderheden tegenover minderheden. Wat telt is hoe fanatiek een bepaalde groep een bepaalde opvatting aanhangt. Als een minderheid van, zeg, tien procent iets héél belangrijk vindt (koosjer vlees, halalvlees, biologische groeten, zedige strandkledij), dan is de kans niet gering dat de negentig procent die niet in dat vlees, die groenten of die strandkledij gelooft, op den duur schouderophalend volgt.
100 jaar geleden - Good for the goose, good for the gander
     Daar zit iets in. Zelf zou ik het, geloof ik,  niet zo héél erg vinden als mijn vrouw morgen, bij politieverordening, alleen nog in een Edwardiaans badpakje mocht gaan zwemmen. Daar zaten heel elegante dingetjes bij. Mijn vrouw zelf zou wat heftiger reageren, dat wel, maar ze zou, in tegenstelling tot haar vrome zusters van moslimse gezindte, het zwemmen niet laten als de voorgeschreven badkledij haar niet beviel. Zeker niet op warme dagen, als de hitte ondraaglijk is en de natte kleren snel droog worden. Mijn vrouw en ik missen de verbetenheid van óns-zwempak-of-de-dood, de verbetenheid die mevrouw Aly wél bezit. En volgens Taleb moeten we dus niet verwonderd zijn als binnen afzienbare tijd de boerkini ook voor ons de norm wordt.
     Zelf geloof ik niet dat zoiets ons binnenkort staat te gebeuren, al kan ik niet meteen een fout ontdekken in Talebs redenering.  Maar toch ben ik er niet helemaal gerust in. Als ik nu eens zeker wist dat die boerkini-godsdienst – waarmee ik hopelijk maar een deel van de Islam omschrijf – onze halfnaakte westerse badmode gadesloeg met niets meer dan tolerante of meewarige onverschilligheid. Dan was alles goed. En als ik nu ook eens zeker wist dat het alleen om die boerkini ging.

     * Tegen deze vergelijking tussen de boerkini en onze eigen badpakken van honderd jaar geleden moet ik formeel protest aantekenen. De Victoriaanse, Edwardiaanse en post-Edwardiaanse strandmode gold voor iedereen – vrouwen én mannen. What was good for the goose, was good for the gander. Als Mary Poppins een badpak aantrok tot aan de enkels, dan moest Bert ook zijn kuiten, en minstens zijn dijen, bedekt houden.

** De tot controle geneigde lezer vindt hieronder de oorspronkelijke bewoordingen en context van de sussende boodschappen: afleidingsmaneuver (Marc van Ranst); sexy (Arjen van Veelen) ; bewijs van integratie, geen gevaar voor zwemveiligheid (Jan de Zutter) ; geen vrijheidssymbool (Liesbeth Van Impe);  veel pret beleven (Arjen van Veelen) ; zo goed als afwezig (Bart Eeckhout) ; nooit in Oostende en Knokke (Farid el Mabrouk en Dany Van Loo) ; vergelijkbaar met surfpak (Karel Verhoeven) ; opgerolde broekspijpen (Mark Van de Voorde) ; overgrootmoeders (Aleid Truijens).