Posts tonen met het label Jozef Mertens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jozef Mertens. Alle posts tonen

woensdag 23 november 2022

In memoriam professor Jozef Mertens

Prof. Mertens links - Ikzelf draag onder de bomber jacket waarschijnlijk een bruine das

 
     Professor Jozef Mertens heeft als lesgever een verpletterende indruk op mij gemaakt. Hij heeft mijn eigen manier van lesgeven meer beïnvloed dan gelijk welke andere leraar of professor die ik heb gehad. Hij behandelde de saaiste onderwerpen die je je kon voorstellen: grammaticaregels en spelling. Daar moest hij iets van maken. En hij maakte er iets van. Ik ben nooit in een les aandachtiger geweest dan in de zijne.
          Vandaag hoor je vaak dat onderwijs met ‘passie’ moet worden gegeven. Dat woord bevalt mij niet. Wat is dat, gepassioneerd lesgeven? Waaraan merk je die passie? Een preciezer woord is ‘enthousiasme’, of misschien nog preciezer ‘energie’ en dat had professor Mertens in overvloed. Hij stond voor de klas – hij ging nooit zitten – deed zijn jas uit, hield zijn vest aan, en begon in hemdsmouwen, zijn uitleg te geven. Hij praatte aan een stuk door, stelde nooit een vraag, wat maar tot tijdsverlies zou leiden, zwaaide met zijn armen, schreef twee woorden op het bord, en werkte zich in het zweet.
     Hij had lesblaadjes die hij uitdeelde, waar bijna alles opstond wat je moest kennen, maar ook weer niet álles, zodat je er toch af en toe iets bij moest noteren. Zijn mnemotechnische zinnetjes bijvoorbeeld. Op het blaadje stond genoteerd dat Franse woorden een dubbele ‘r’ hebben in de groupe initial ‘-ir’, behalve Irak, Iran, ire (irascible …), iris, iridacée, irone, iriser (irisable …) irisation, iridium, ironie, Iroquois, irénisme. Dan noteerde je daar het zinnetje bij: ‘L’iris de l’ironiste Iriquois s’irisait chaque fois enzovoort…’.
     Het ontging niemand dat hij geweldig zijn best had gedaan om iets wat moeilijk was, zo gemakkelijk mogelijk te voor te stellen. Sommige leraren vinden dat je de leerlingen niet te veel moet ‘voorkauwen’, dat je het hen niet té gemakkelijk moet maken, dat ze het zelf moeten ontdekken. Dat was niet de opvatting van professor Mertens. Hoe gemakkelijker je de leerstof voorstelde, hoe sneller je vooruitging en hoe méér leerstof je kon geven. Het kwam erop aan om lang na te denken over de structuur, de ondubbelzinnnige verwoording, en de duidelijkheid van de voorbeelden. En alles jaar na jaar bijschaven natuurlijk. Er bestaat overigens, laat daar geen misverstand over zijn, een heel groot verschil tussen ‘eenvoudig voorstellen’ en ‘vereenvoudigen’. De uitleg van professor Mertens over l’accord du participe passé bevatte weinig ‘vereenvoudiging’; hij besloeg geloof ik meer dan vijftig bladzijden. Slechts af en toe vermeldde hij in de les dat een bepaalde nuance onbelangrijk was ‘pour nous, le commun des mortels’.
     Je hebt leraren die zich heel strikt aan hun leerstof houden, en anderen die heel uitgebreid vertellen over hun kinderen, hun tuin, hun lening en de operatie aan hun linkerbeen. Mertens had een tussenweg gevonden. 97 procent van zijn tijd ging naar de leerstof, en 3 procent, strategisch verdeeld over de les, gebruikte hij voor een kleine anecdote. Zo vertelde hij dat hij als voorzitter van de afdeling Romanistiek ooit een telefoontje kreeg, in het Frans, van een vader die beweerde ‘que ce professeur Mertens ne savait pas un traître mot de français’. Hij kon de brave man geruststellen dat hij er met ‘le professeur Mertens’ over zou spreken en zo nodig de gepaste maatregelen zou nemen. De vader had intussen kunnen vaststellen dat althans de voorzitter van de afdeling Romanistiek uitstekend Frans sprak, zij het met een licht-Vlaamse tongval.
    Professor Mertens gebruikte ook het trucje om veel voorbeeldzinnen zelf te verzinnen. Dan kon hij daar allusies in verstoppen en er desgewenst even op voortborduren. Of hij koos voorbeeldzinnen uit romans, wat hem de gelegenheid bood gauw-gauw iets te vertellen over de context van die zin. Of hij gaf terloops een raad voor het leven. ’t Zijn trucjes die ik ook vaak heb gebruikt.
     Je zag aan alles dat Professor Mertens trots was op zijn lessen. Het was een van zijn aantrekkelijke eigenschappen, die bijna naïeve maar gerechtvaardigde trots van de harde werker, van de vakman die ‘zag dat het goed was.’ En misschien was hij nog het meeste trots op zijn dictees. Hij maakte er elk jaar enkele nieuwe, en altijd naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Dan stond hij ’s morgens vroeg op – wat hij altijd deed – scheerde zich, en nam de ochtendkranten door. Daarna begon hij zijn stuk te schrijven waarin hij zorgvuldig alle grammaticale moeilijkheden in verstopte die hij in zijn les behandelde, met één of twee exotische woorden als schiftingsvraag. In het examendictee van mijn jaar was dat het woord randonnée. Ik moest raden of het randonnée of rendonnée was, of misschien zelfs, gezien mijn gebrekkige ‘crible phonétique’, rondonnée. 
     Professor Mertens was nooit zo geconcentreerd als bij de eerste voorleesronde van het examendictee, want door fout voor te lezen, bijvoorbeeld door rondonnée te zeggen, kon hij ons ongewild fouten doen maken. Wijzelf genoten. Zijn dictees waren grappig doordat elk dictee, wat ook het onderwerp was, de stijl van alle vorige pasticheerde. Je hoorde de vertrouwde wendingen al van ver komen, de wendingen die ervoor moesten zorgen dat elke regel van de participe passé minstens een keer van toepassing was. Bij een bijzonder geslaagd stukje keken we elkaar aan met een blik van verstandhouding. Daarna begon de tweede voorleesronde, en het gezwoeg.
     ‘Mes dictées, ça s’apprend’, zei professor Mertens. En inderdaad. Je maakte elke week een van de oude dictées en je begon met een cijfer van -36/20. Het kwam er dus op aan tegen het einde van het jaar, op een ander dictee met exact dezelfde moeilijkheidsgraad, minstens 46 punten vooruitgang te maken, waarbij Mertens een heel strikt quoteersysteem hanteerde: elk soort fout had een eigen gewicht had en alles verliep volgens de maxime van de onsterfelijke Andrew Crocker-Harris: geen punt te weinig maar zeker ook geen punt te veel. En voor veel studenten werkte de aanpak. Het was voor hen een succeservaring die een rechtevenredig verband vertoonde met hun inspanning.
    Dezelfde filosofie als die achter de dictees werd ook aangehouden voor de mondelinge examens. Het was geen examen waar je geluk of ongeluk kon hebben met de vragen. Je wist precies wat je kon verwachten: twee onregelmatige werkwoorden, waarvan je de belangrijkste tijden moest opdreunen in de eerste persoon enkelvoud en meervoud, één zin verbeteren met een aantal spelfouten, één stel regels uitleggen in verband met de subjonctif, enzovoort. Je moest je grammatica leren, punt uit. En je had niet veel tijd voor aarzelingen, want het moest snel gaan. Professor Mertens hield van efficiëntie.
    Tegelijk besefte de professor dat je met die grammatica niet meer dan de basis van de taalbeheersing kon leggen. Je moet inderdaad niet proberen om echte taalvaardigheid op de schoolbanken aan te leren met artificiële spreekoefeningen. Die vaardigheid moet je buiten de muren van de school of de universiteit verwerven. Je moest daarvoor volgens professor Mertens ten eerste zoveel mogelijk Frans praten. Als hij met zijn vriend, de hispanist Chris De Paepe, op vakantie ging naar Spanje, dan spraken ze, vanaf de eerste seconde dat ze in de auto zaten, geen woord Nederlands meer. ‘Pas un mot de Néerlandais,’ herhaalde hij voor de zekerheid. En goed Frans schrijven moest je ook leren. Elke dag een kleine tekst van een aantal zinnen schrijven, en die dan voorleggen aan iemand die goed Frans kende. Het vroeg niet meer dan een kwartiertje. Had ik die raad gevolgd, dan kende ik nog altijd goed Frans. Anderzijds, er zijn zoveel dingen die we goed zouden kunnen en kennen als we er elke dag een kwartiertje voor over hadden.
     We hadden geloof ik twee uren grammaticales, het hele jaar door, en we waren het eerste jaar met ongeveer 130 studenten. Voor een professor die een beetje zijn best deed, was het dus mogelijk om tegen het einde van het academiejaar alle namen van zijn studenten te kennen. Bij professor Mertens was dat anders. Hij kende die namen al na de eerste les, en hij bewees dat door die dictees één voor één te gaan uitdelen aan de studenten die ze hadden neergepend. Had hij daarvoor foto’s gebruikt? Ik weet het niet. Maar hij kénde de namen. En hij onthield ze. Vijftien jaar nadat ik les van hem had gehad, kwam ik nogmaals in zijn bureau voor een administratieve kwestie in verband met mijn diploma. ‘Ha, Philippe,’ zei hij, ‘un revenant.’ Ik was onder de indruk. ‘Dat u nog alle namen kent, professor! Wat een geheugen!’ ‘Niet allemaal, maar de meeste wel,’ lachte hij trots. ‘En de uwe zeker. Maar ik heb daarop moeten oefenen.’
    Ik kan mij vergissen maar Professor Mertens leek mij iemand met heel sterke en onwrikbare overtuigingen, maar tegelijk iemand die heel terughoudend was om die overtuigingen op te dringen. Die indruk had ik althans die enkele keren dat ik bij vergaderingen aanzat waar hij aanwezig was. Hij was ook priester, maar daar viel hij zijn studenten niet lastig mee. Hijzelf had zijn wijding ontvangen tijdens zijn eerste jaar universiteit. Daar hing een anekdote aan vast die hij in een interview in Romaneske vertelde*. Hij had een van zijn professoren ervan op de hoogte gebracht dat hij een week afwezig zou zijn vanwege de wijding. ‘Dat neem niet aan,’ snauwde de professor, ‘schriftelijk verwittigen!’ Maar op de priesterwijding lag wel een gelukwenstelegram van dezelfde professor. 
     Dat professor Mertens hield van de ironische kantjes in het menselijk gedrag en de menselijke lotgevallen, blijkt ook uit andere anekdotes die hij in het interview prijsgaf. Hij was eigenlijk toevallig in de Romanistiek terechtgekomen. Hij wou eerst, zoals veel priesters, klassieke talen studeren. De directeur van het seminarie greep in: ‘Jef, ge gaat toch geen klassieke doen? Laat dat voor mensen die niets anders kunnen. Ge moogt kiezen tussen Germaanse en Romaanse.’ Ook vertelt hij smakelijk over het begin van zijn carrière toen hij in Kortrijk, omstreeks het legendarische jaar 1968, een volledig nieuwe afdeling Romanistiek van de grond moest krijgen, en waar hij ongeveer alle taalkundige vakken moest doceren, en tegelijk ook nog eens zijn doctoraat moest behalen. Gelukkig, zei hij, verstuikte hij toen zwaar zijn voet, waardoor hij in het gips moest en zes weken ononderbroken aan zijn thesis kon werken. Zijn begeleider, professor Hanse, zei hem toen: ‘Avouez, Monsieur l’abbé, que la providence arrange bien les choses.’
     Iets soortgelijks gebeurde toen hij op emeritaat ging. Voor de workaholic die hij was, viel het zwaar om te stoppen met lesgeven. Het vooruitzicht maakte hem depressief. Gelukkig, alweer, moest hij in in zijn laatste jaar lesgeven een hartoperatie ondergaan waardoor zijn aandacht werd afgeleid van het ‘zwarte gat’ dat hem te wachten stond. Weer had de voorzienigheid het goed aangepakt. De overgang naar het emeritaat was in zekere zin ongemerkt verlopen.
     Dezelfde voorzienigheid heeft nu gewild dat de professor op 13 november in zijn slaap is overleden. Ook deze overgang is dus in zekere zin ongemerkt verlopen.

 

* Dat interview in Romaneske vind je hier. 

vrijdag 23 april 2021

Kristien Hemmerechts en de dt-regel


   Als leraar zijnde – om meteen met een leuke taalfout te beginnen – kan ik niet zwijgen over de recente dt-uitspraak van Kristien Hemmerechts. ‘Voor veel jonge mensen,’ zei Hemmerechts op de televisie, ‘is die dt-regel geen punt meer … In mijn lessen zie ik dat creatief schrijven niet over spellen gaat; als je er de nadruk op legt, verlam je ook mensen.’
     Dat veel jonge mensen de dt-regel ‘geen punt’ meer vinden, zou voor mij juist een reden zijn om als leraar strenger te zijn. Ik heb nooit veel punten afgetrokken voor dt-fouten, omdat de ‘jonge mensen’ in mijn klassen die regel gelukkig wel belangrijk vonden. Hadden ze dat niet gedaan, dan was ik harder geweest, om het belang van de regel aan hun verstand te brengen.
     Dat Hemmerechts in haar lessen over creatief schrijven aan het Herman Teirlinck Instituut niet te veel over spelling sprak, mag ik hopen. De dt-regels zijn meer iets voor het tweede en derde leerjaar, niet voor het hoger onderwijs. Zelf heb ik voor een publiek van 15-, 16-, en 17-jarigen de regels elk jaar nog eens kort samengevat, omdat ik de uitleg van de lagere school veel te verwarrend vind*. De meeste van mijn leerlingen pasten de regels goed toe, maar een overzicht ontbrak. Ik vroeg dan bij het begin van de les aan een leerling om voor het bord de regels eens uit te leggen en dan volgde een verwarde uitleg over ‘smurfen’ en ‘inversie’ en ‘’t kofschip’ en ‘gij drinkt altijd thee’. Ik heb één keer een leerling gehad die een foutloos schema improviseerde dat als twee druppels water op mijn standaard uitleg geleek. ‘Die jongen zal het nog ver brengen,’ dacht ik. Hij slaagde in elk geval voor het ingangsexamen geneeskunde, vanuit een richting die daar niet goed op voorbereidt.
     Ik geef toe dat de dt-regels niet zo eenvoudig zijn. Je moet weten wat een ‘infinitief’ is, je moet de begrippen ‘onvoltooid tegenwoordige tijd’ en ‘onvoltooid verleden tijd’ kunnen plaatsen, je moet de ‘stam’ van een werkwoord kunnen construeren, je moet het onderscheid kunnen maken tussen een ‘persoonsvorm’ en een ‘voltooid deelwoord’, je moet de LAT-relatie tussen onderwerp en persoonsvorm ontdekken in een bijzin, je moet ‘inversie’ herkennen, en je moet het verschil begrijpen tussen ‘stemhebbende’ en ‘stemloze’ medeklinkers, en het is best dat je ook weet wat ‘medeklinkers’ zijn. Maar die regels zijn bijlange na niet zo ingewikkeld als de regels voor de participe passé in het Frans. Ik herinner mij de 50 bladzijden regels die professor Jozef Mertens daarover had verzameld.
     Hemmerechts verwijst instemmend naar Hull University, waar men aandacht voor spelling gaat inperken. Ik heb het even opgezocht en die universiteit doet dat omdat aandacht voor spelling ‘Noord-Europees, blank, mannelijk en elitair’ is. Op dat ‘Noord-Europees, blank en mannelijk’ kon ik niet zo snel een antwoord verzinnen, omdat mijn verstand even stilstond, maar dat ‘elitair’, wist ik onmiddellijk, was niet juist. Als je de dt-kwestie een  beetje handig aanpakt, kun je de regels flink vereenvoudigen met trucjes en elementaire taalintuïtie. Ik heb leerlingen gehad met een gemeten IQ van 80 die nooit een dt-fout maakten. Ze moesten wel bij elke werkwoordsvorm lang nadenken, iets wat ikzelf helaas niet altijd doe, en zo komt het dat ik wel eens ‘wordt je’ schrijf.
     Ook zie ik niet goed hoe nadruk op correcte spelling mensen die schrijven kan ‘verlammen’, zoals Hemmerechts beweert. Ik ben nu zelf aan het schrijven en word helemaal niet verlamd omdat ik enkele woorden geleden ‘wordt’ in ‘word’ heb moeten veranderen. Natuurlijk gaat mijn voornaamste aandacht niet uit naar spelling. Ik ben bezig met argumentatie, tekstsamenhang, woordkeuze, ritme, overgangen, de strijd tegen ‘maar’, ‘ook’ en ‘als’ – die ik telkens weer verlies, en de wanhopige zoektocht naar iets grappigs om ertussen te gooien. Maar niets belet mij om bij het nalezen van een zin, een alinea of een hele bladzijde ook even de spelling te bekijken**. Wie verlamd wordt door de gedachte aan nalezen, stopt beter met schrijven, ook als hij dat onder leiding van Hemmerechts ‘creatief’ probeert te doen.
     Je zou desnoods kunnen zeggen dat de vereiste van correcte táál verlammend kan werken. Dat kan ik billijken. Louis-Paul Boon probeerde een roman te schrijven waarin hij ‘alles holderdebolder uitkeert, kwak, gelijk een kuip mortel die van een stelling valt, + ernaast en erbij zijn aarzelingen en twijfels omtrent het doel en nut van de roman …’ Het is mogelijk dat Louis-Paul Boon zo schreef, daar op zijn zolderkamer met uitzicht op het niemandbos, maar achteraf heeft hij zijn tekst, daar ben ik zeker van, ook nagelezen, ‘tweifels’ in ‘twijfels’ veranderd, en na enige aarzeling beslist om het plusteken, het tautologische ‘erbij’ en het anakoloetische ‘kwak’ te laten staan, ‘holderdebolder’ níet te vervangen door ‘halsoverkop’, en het woordenboek niet open te slaan om een correcter woord voor ‘uitkeren’ te zoeken. Misschien heeft hij een deel van die taalrebellie zelfs achteraf in zijn tekst binnengesmokkeld. Hij had, in zijn anarchistische betrachting, ook ‘uitkeerdt’ kunnen schrijven, maar zelfs dan had hij eerst de regel moeten kennen om hem daarna bewust te kunnen overtreden.
     ‘Ons onderwijs heeft een enorme focus op die spelling,’ zei Hemmerechts nog, ‘het is meetbaar en daar houden we van.’ Dat eerste is onzin, en iedereen die met hedendaags onderwijs te maken heeft, weet dat, maar dat tweede is waar. ‘Meetbaar’ heeft zijn voordelen. De ene leerling schrijft verzorgd, helder en samenhangend en de andere slordig, duister en van de hak op de tak. Dat is iets waar je als leraar moeilijk iets aan kunt veranderen. Gelukkig komt er vanzelf enige verbetering, als de leerling veel moet schrijven en wat ouder wordt. Het enige trucje dat ik kende om een leerling daarbij te helpen, bestond erin om hem een bijzonder kreupele zin half luidop te laten zeggen. Dan vonden ze vaak zelf een betere versie. Voor de rest heb ik heel mijn carrière gezocht naar het ideale lijstje ‘meetbare’ vuistregels waarop een leerling terug kon vallen om zijn tekst wat te verbeteren. Controleer de spelling van de werkwoorden was er een. Gebruik nooit het woord ‘enorm’ was een andere. Geef de voorkeur aan Nederlandse woorden als ‘nadruk’ boven vreemd klinkende woorden als ‘focus’ was een derde. En ten slotte: schrijf niet ‘we’ als je over anderen spreekt. 
     ‘Als je voorbeelden geeft,’ zei professor Jozef Mertens, ‘moet je niet te ver zoeken. Neem iets uit de onmiddellijke omgeving.’ Goed dan. ‘Ons onderwijs heeft een enorme focus op spelling; het is meetbaar en daar houden we van.’

* De grootste verwarring wordt gesticht door de dt-regels in één schema onder te brengen als de dd/tt-regels.

** Wel kan ik bij het nalezen de aandacht blijven richten op andere taalaspecten en daardoor de spelling verwaarlozen. Na enkele keren nalezen wordt het dan bijna onmogelijk om een spelfout nog op te merken, behalve als je de tekst enkele dagen later naleest. Zo moesten andere lezers mij wijzen op de fout in 
‘wie verlamt wordt’. Maar dat is het omgekeerde van wat Hemmerechts beschrijft. Niet de aandacht voor de spelling verlamt de aandacht voor de andere taalaspecten, maar de aandacht voor de andere taalaspecten verlamt de aandacht voor de spelling. 

zaterdag 5 augustus 2017

Collega Brinckman over feiten en meningen

     In Knack van vorige week interviewt Walter Pauli zijn collega Bart Brinckman van De Standaard. Men moet daar geen gewoonte van maken vind ik, een journalist die een journalist interviewt, maar voor één keertje is het fijn. De geïnterviewde journalist wordt dan een mens van vlees en bloed die ‘zucht’ (eerste woord) en ‘lacht’ (laatste woord). Brinckman, leren we, voelt zich verwant met de kleine jongen uit Road to Perdition die als enige tegen de stroom van vertrekkende fabrieksarbeiders in fietst. Dat is mooi, zo’n zelfbeeld.
      Ook vertelt Brinckman veel wetenswaardigheden. Omdat hij het wat moeilijk heeft om feiten van meningen te onderscheiden, heb ik dat hier zelf gedaan. Feiten:
  •  Brinckman heeft als kind nog op de knie gereden van vader De Wever;
  • sommige anonieme hooggeplaatste N-VA’ers raken zoon De Wever stilletjes aan beu;
  • de redactie van De Standaard heeft in 2010 beslist om de regering Di Rupo te steunen.*
Misschien is dat niet allemaal waar en is er ook wat fantasie bij – wie weet? – maar laten we voor het gemak de fantasieën dan maar onder de feiten rekenen.
     Dan Brinckmans meningen:
  • Bart De Wever heeft het recht om in het openbaar te zeggen wat hij van Brinckman vindt;
  • een burgemeester van Antwerpen moet zijn taak niet combineren met partijvoorzitterschap en marathonlopen;
  • het is onvermijdelijk dat de grens tussen berichtgeving en opinievorming in kranten versmalt.
Dat eerste vind ik ook, over dat tweede heb ik geen mening en over dat derde wil hier iets zeggen.
     Brinckman gelooft dat het door de opkomst van het internet is dat de gedrukte media meer naar opinievorming neigen. De ‘feitelijke berichten, zegt hij, belanden op onze websites, waar ze gratis worden gelezen door iedereen die constant op zijn smartphone checkt of er nog nieuws is’. Dat is juist. Ik doe dat en mijn vrouw doet het nog veel meer. We bevinden ons met deze uitspraak in het rijk van de onweerlegbare feiten. Maar dan voegt Brinckman er een mening aan toe: ‘Een modern krantenbericht moet ‘meerwaarde’ hebben. En dus moet je, als journalist, het nieuws duiden, er extra uitleg bij verschaffen en achtergronden aandragen … Natuurlijk versmalt de grens tussen berichtgeving en opinie dan.’
    Hélà, hola! En wat is duiden? Wat is extra uitleg? Wat zijn achtergronden? Mij lijkt het dat voor duiding, uitleg en achtergrond een journalist juist méér feiten moet opdiepen dan die die je ook in een Belga-bericht vindt. Daarvoor moet je telefoneren, archieven raadplegen, erop uit trekken, getuigen en specialisten spreken, enfin, Brinckman weet dat zelf ook wel. Natuurlijk is het moeilijk om bij die tweede feitenronde even objectief te blijven als bij het korte bericht. De achtergrondfeiten moeten worden gekozen uit een schier eindeloze voorraad. Het ene feit moet als belangrijk worden weerhouden en het andere als niet ter zake doend aan de kant geschoven. En wie bepaalt wat belangrijk is en wat niet ter zake doet? Vanzelfsprekend de journalist, met zijn onvermijdelijke vooroordelen, voorkeuren en overtuigingen. Dat is allemaal waar, maar ik hoop dat Brinckman zelf ook wel inziet dat de ‘meerwaarde’ van zo’n achtergrondsjournalistiek juist niet ligt in die vooroordelen en voorkeuren, maar daarentegen afhangt van de mate waarin de journalist die ter zijde schuift en ze bewaart voor een écht opiniestuk.
     Er is een tweede reden waarom Brinckmans uitleg over het internet niet bevredigt. Het is zeker waar dat we op onze schermen en schermpjes overstelpt worden met feiten; we worden evenwel nog veel meer overstelpt met meningen. Je zou het argument van Brinckman dus heel gemakkelijk kunnen omdraaien: in een tijd waarin we digitaal bedolven worden onder meningen en opinies, moeten kranten zich op hun core business terugtrekken: het aanleveren van harde, betrouwbare data.
     De verklaring van Brinckman mist dus plausibiliteit. Maar daarmee zijn de feiten die hij aangeeft nog niet van de baan. We kunnen allemaal zelf ook wel zien dat de kranten wel degelijk opschuiven van berichtgeving naar opinieverstrekking. Hoe kunnen we dat verschijnsel dan wél verklaren?
     Zoals bij meer ongewenste ontwikkelingen, ligt de verklaring ervan ten dele bij consument. Er loopt ergens wel een enkeling rond die ‘alle theorieën ter wereld zou opgeven voor één feit’, maar de meesten van ons – ‘le commun des mortels’ zoals professor Jozef Mertens altijd zei – zijn dol op meningen. Ik heb zopas een dik boek over Thomas Jefferson gelezen. Dat boek stond vol feiten: over Jefferson als landbouwkundige, als ruiter, als vioolspeler, als architect, als uitvinder, als diplomaat, als president. Maar wat ik eigenlijk wou weten was dit: was die Jefferson nu een fidele kerel of eerder een berekende klootzak zoals we die leren kennen in de roman Burr van Gore Vidal? Ik ben nu weer een dik boek aan het lezen over de Russische revolutie. Ik wil al die feiten er graag bij nemen: die die ik al kende, die die ik vergeten was, en die die ik nooit geweten heb. Maar ik wil ook graag dat de auteur af en toe zegt of suggereert dat die revolutie een ramp was voor de mensheid, want dat is wat ik ervan vind. Als hij zegt dat die revolutie geen ramp was voor de mensheid, maar een zegen: ook goed, want dan kan ik mij over dat standpunt opwinden en dat is voor mijn gezondheid even bevorderlijk.**
     Dat De Standaard de laatste tijd meer opinie brengt, moet ons dus niet verwonderen.*** De klant is koning en de klant wil meningen. Evenmin verwonderlijk is het dat de krant daarvoor beloond wordt met een licht stijgend lezersaantal in een nochtans krimpende markt. Meer opiniëring voldoet aan een vraag.
     Maar naast de vraag, is er ook de kwestie van het aanbod, en meer bepaald de kostprijs om dat aanbod tot stand te brengen. Ik doel hiermee niet zozeer op de geldelijke kostprijs maar op de kostprijs berekend in menselijke inspanning. Feiten verzamelen, ziften, ordenen en zo uitleggen dat de gemiddelde lezer ze begrijpt, is moeilijk. In bijna elk krantenbericht dat ik lees, staan dingen die ik niet begrijp, vooral als het over ‘regeringsmaatregelen’ gaat. Dat heeft twee redenen: mijn trage hersenen én de gebrekkige uitleg van de journalist: te snelle overgangen, lacunes, onduidelijke verbanden, schijnbare tegenstrijdigheden, gebrekkige achtergrondinformatie. Nee, iets goed uitleggen is niet gemakkelijk, ook al omdat je het eerst zelf begrijpen moet. Hoeveel gemakkelijker is het niet voor een journalist om, in plaats van een goed gestructureerd informatief stuk, gauw-gauw een mening neer te schrijven, of om een stelletje magere feiten met enkele pikante meningen op te sieren?
     Erasmus vatte het mooi samen in hoofdstuk XLV van zijn Lof der Zotheid: ‘De zaken zelf moet men zich vaak met grote moeite eigen maken … Maar een mening kan men gemakkelijk opvatten’.**** Dat heeft die oude humanist goed gezien. Meningen zijn inderdaad gemakkelijk. Als dat niet zo was, lieve lezer, zou deze blog niet bestaan.

* Letterlijk formuleerde Brinckman het als volgt: ‘Bij de federale verkiezingen (in 2010) had Bart De Wever de N-VA dat jaar naar een landslide geleid. U kent het vervolg: de N-VA probeerde samen met de PS een regering te vormen en dat mislukte. In die periode heeft De Standaard de kant gekozen van de partijen die hun nek uitstaken om een nieuwe regeringsvorming te laten slagen. Op de redactie leefde het gevoel: ‘Het is goed geweest.’ We vonden ook dat De Wever een historische kans had gemist. Dat is nog altijd onze overtuiging. Dus kwam er in de kolommen al meer kritiek op de N-VA dan zij gewend waren.’
  
** Vroeger was mijn hang naar opinie nog veel heviger. Als zestienjarige was ik verzot op het opinieblad De Nieuwe van de onlangs overleden Mark Grammens. Ik was er trots op dat ik zo’n ‘moeilijk’ blad las. In mijn grootheidswaanzin besloot ik dan ook maar meteen Le Monde Diplomatique te gaan lezen. Dat viel tegen. Het blad was niet alleen in het Frans, het stond ook vol feiten. En die feiten waren niet eens in zo’n slagorde opgesteld dat je zag wie de goeien en wie de slechten waren. Wat kon het mij interesseren wat het hooggerechtshof in Chili beslist had, of hoe de economische situatie in dat land was. Ik wou lezen dat Pinochet een moordenaar was en Allende een verrader. Feiten die die stellingen ondersteunden waren welkom.

***De opiniërende strategie van De Standaard is evenwel niet perfect. De krant zou geloof ik nog meer gelezen worden als de opiniëring wat minder eenzijdig was, wat evenwichtiger gespreid over politiek correct en politiek recalcitrant dus, en als de kwaliteit van die opiniëring wat hoger was … en die van de berichtgeving ook, want de klant is lastig en wil alles tegelijk.

*** Quandoquidem res ipsas aliquoties magno negotio pares oportet … At opinio facillime sumitur.

Dit stukje verscheen ook op https://doorbraak.be/

maandag 19 december 2016

Het grote dictee

     Ik heb ook deze keer niet meegedaan aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Ja, één keer heb ik mij laten verleiden. Ik ben toen met mijn leerlingen naar een cultureel centrum getrokken waar een voorronde plaatsvond. ’t Was op een zaterdagmorgen. De eerste zin begon, geloof ik, aldus: ‘In Middeleeuwse hospitia inktten monniken hun ganzenveren …’ Van die woorden had ik alleen ‘in’ en ‘hun’ correct. En ook met het woord ‘annalen’ dat verder in de zin kwam, had ik moeite. Mijn reputatie lag op straat.
     Voor Frans dictee was dat hetzelfde. Op mijn eerste proefdictee bij professor Jozef Mertens haalde ik -73 op 20 terwijl mijn medestudenten vlot -50 en zelfs -40 scoorden. De goede professor troostte ons: ‘Mes dictées, ça s’apprend.’ En dat was waar. Tegen het examen van juni spelde ik al zo goed dat ik positieve punten overhield, maar helaas nog niet genoeg om ook geslaagd te zijn. Ik heb toen, om mij op het examen van september voor te bereiden, een boekje gekocht met allemaal moeilijke Franse dictees. Eerst liet ik mij die voorlezen door mijn grootmoeder. Die sprak uitstekend Frans, maar bij dictees had ze de neiging om het mij te gemakkelijk te maken. In een zin als ‘La chanson qu’elle a chantée’ sprak ze het laatste woord uit als ‘chanté-eu’. Dan was het ook niet moeilijk meer. Ik heb de dictees dan maar opgenomen op een bandje en zo de hele verdere vakantie lang vlijtig geoefend.
     Een van die moeilijke dictees uit het boekje was geschreven door Prosper Mérimée, de auteur van Carmen en Colomba en een goede vriend van Toergenjev. Dat dictee is een pittige tekst van 177 woorden die Mérimée* geschreven had als gezelschapsspel voor Napoleon III en zijn vrienden. De keizer maakte naar verluid wordt 75 fouten, de keizerin 62, de schrijver Alexandre Dumas fils 24 en zijn collega Octave Feuillet 19. De zoon van Metternich ten slotte, die ook Metternich heette, en een Oostenrijker was, maakte maar 3 fouten.
     Ik heb het dictee van Mérimée ooit afgenomen van mijn vader. Hij maakte 25 fouten, drie keer minder dan Napoleon III en maar één foutje meer dan de auteur van La dame aux camélias*. Mijn vader brengt dat wapenfeit soms ter sprake op familiefeestjes.

*Dumas’ boek werd in 1937 verfilmd als Camille, met Greta Garbo in de hoofdrol. Mijn vader spreekt altijd van Le roman de Marguerite Gautier.

 

zaterdag 6 februari 2016

ô liberté, que de crimes …

Madame Roland op weg naar het schavot.
Zij kijkt naar het Vrijheidsbeeld
en spreekt de beroemde woorden uit.
  In mijn jonge jaren had ik vaak woordenstrijd met mijn goede vader over de Franse Revolutie. Het duurde dan meestal niet lang of mijn vader riep uit: ô liberté*, que de crimes on commet en ton nom!
     Vele jaren later las ik bij Edmund Burke veel ongunstigs over die revolutie. ‘The age of chivalry is gone,’ schreef Burke. ‘That of sophisters, economists, and calculators, has succeeded.’
     Nu weet ik niet of het zo verstandig is om zonder voorafgaande inlichtingen te hebben ingewonnen, zomaar zonder nadenken de voorkeur te geven aan een ridder boven een economist of een rekenaar. Maar laatst las ik iets in het Napoleonboek van Bart van Loo dat mij aan het denken zette.
     Van Loo beschrijft in zijn eerste hoofdstuk die gedenkwaardige 14de juli – de dag waarop Lodewijk in zijn dagboek noteert: ‘Rien’. De revolutionairen bestormen eerst het Hôtel des Invalides** en leggen de hand op meer dan dertigduizend geweren en enkele kanonnen. Dan hebben ze nog buskruit en kogels nodig en die zijn opgeslagen in de gevangenis, de Bastille, waar zich overigens maar zeven gevangenen bevinden: twee krankzinnigen, vier valsemunters en een excentrieke aristocraat.
     De vesting, die onder leiding staat van markies de Launay, wordt ‘bestormd’. Na een reeks hoffelijke onderhandelingen en kleine schermutselingen, opent de markies de poorten als hij de kanonnen ziet verschijnen. Hij weigert echter zich over te geven en geeft een van de revolutionairen, de banketbakker Desnot, een trap tegen zijn kruis ... waarop hij onmiddellijk wordt doodgeschoten.
     Een goede revolutionair is altijd bedacht op mogelijkheden tot propaganda. Men besluit de markies te onthoofden, zijn hoofd op een paal te spietsen en het rond te dragen door Parijs, tot lering en vermaak van tonnenmakers en visverkoopsters. Banketbakker Desnot krijgt de eer om de onthoofding te voltrekken en men reikt hem een zwaard aan. Dat is echter niet de manier waarop een klassenbewust lid van de derde stand te werk gaat. De bakker weigert het zwaard, knipt zijn zakmes open en, zo schrijft Van Loo, ‘scheidt het hoofd van de romp alsof hij een slager was’.
     Markies De Launay was natuurlijk toch al dood, dus veel verschil maakt het niet, maar als ik, vóór of na mijn dood, moet worden onthoofd, dan sluit ik mij aan bij het koningskind uit Heer Halewijn:

                Wel als ik dan hier kiezen zal
                Zoo kieze ik het zwaard voor al.



* ’t Is dom van mij, ik weet het, maar ik vind dat de pathos van madame Roland een beetje verloren gaat als men het accent circonflexe van de ‘o’ weglaat. De vrouw was tenslotte op weg naar het schavot. Maar daar denken die spellingshervormers niet aan natuurlijk! Neen, die hervorming van 1990 moet nu, na 26 jaar, plots écht worden doorgevoerd.

** Hôtel … nóg een accent circonflexe dat sneuvelt. De geschiedenis van het woord hôtel (‘ostel’, 11de eeuw – het accent circonflexe vervangt de ‘s’) wordt op die manier onzichtbaar gemaakt. Professor F.J. Mertens van de KU Leuven heeft, geloof ik, zijn erg leerzame ‘Orthographe usage’ nooit als boek willen uitbrengen om enerzijds verwarring en anderzijds medeplichtigheid aan de spellingshervorming van 1990 te vermijden. 


Het hoofd van de Launay (en de Flesselles)
wordt rondgedragen door Parijs