Posts tonen met het label Gaea Schoeters. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gaea Schoeters. Alle posts tonen

donderdag 24 november 2022

Trotski, K3 en andere kortjes


Trotski en de meisjes van K3.
 In zijn Great Companions vertelt de Amerikaanse schrijver Max Eastman onder andere over zijn gesprekken met filosoof Santayana en met politiek agitator Leon Trotsky. Van allebei merkt hij korzelig op dat hij veel vragen aan hén stelde, maar dat zij van hun kant nooit een vraag aan hém stelden. ‘Ik voelde mij gekwetst door Trotski’s volkomen gebrek aan belangstelling voor mij als persoon,’ schrijft hij. Dat doet mij denken aan die keer dat we met Jan – hij moet een jaar of zes zijn geweest – naar Antwerpen gingen om de intocht van Sinterklaas mee te maken. We stonden in de menigte te wachten op de boot die, toen hij eraan kwam, niet alleen de Sint maar ook de zanggroep K3 aan boord bleek te hebben.  De meisjes zongen en dansten alsof hun leven ervan hing. We hadden een uitstekend plaatsje van waar we alles goed konden zien. Maar Jan begon te wenen. ‘K3 ziet mij niet,’ snikte hij. 

Joël De Ceulaer. Sommige lezers vinden dat ik met mijn stukje laatst het hoofdoekenstandpunt van De Ceulaer ‘vernietigd’ had. Welnee, Joël kan altijd antwoorden: Die Clerick ... 1) springt van principiële argumentatie naar pragmatische argumentatie en omgekeerd; 2) past het argument van neutraliteit van ambtenaren toe op schoolkinderen; 3) geeft niet aan hoe hij zijn standpunt kan rijmen met zijn libertarisch wereldbeeld; 4) zegt dat men symbolen moet afleggen in sommige contexten, maar geeft geen criteria om die contexten af te bakenen; 5) geeft niet aan of hij zijn redenering voor leerlingen ook durft doortrekken tot het hoger onderwijs; 6) ziet een correlatie tussen hoofddoekdragen en fundamentalisme, maar correlatie is geen causatie; 7) enzovoort.

Joël De Ceulaer (2) Joel kan als het moet een gesprek modereren, een interview afnemen, een boek schrijven, en een boek van een ander bespreken. Maar als hij aan polemiek doet, gaat het mis. Hij grijpt dan naar primitieve drogredenen, krankzinnige vergelijkingen en extravagante overdrijvingen, zolang ze in zijn straatje passen. Wellicht denkt hij dat dat in orde is, als hij bovenaan zijn stuk het woord satire vermeldt.

Dialect. In de les Nederlands liet ik wel eens de dialectkaart voor het lemma ‘aardappel’ zien. De variatie is groot: je hebt de familie van eerappel, êrappel, iërappel, irappel, eppel, erpel, irpel en aan de andere kant de familie van petat, petaat, petijt, petoot, petoet, petèt. Ik hoor het liefst de Gentse varianten: petatse en petaoter. Ik ga nooit voorbij de groenteafdeling van de supermarkt, zonder dat ik tot mijzelf binnensmonds zeg: ‘Kijk, petaoters. Allemaal petaoters.’

Dialect (2).  Omdat mijn vrouw keek, heb ik af en toe een paar minuten meegekeken naar de VRT-serie Chantal. Ik vond het West-Vlaams erg goed, geen woord-voor-woord vertaling van het Nederlands overgoten met West-Vlaamse klanken, maar echt West-Vlaams, ook in woordkeus en zinsbouw. Ik kan het weten, want ’t is een taal die ik zelf goed beheers, beter eigenlijk dan enige andere taal. En Cafmeyer beheerst die ook, want ze acteerde beter dan als ze dat in Herman Teirlinck-Nederlands moet doen. Nu lees ik dat kijkers uit Antwerpen en omstreken verdeeld reageerden. De enen vonden het onbegrijpelijk dialect ergerlijk, de anderen waren een beetje jaloers en zuchtten: ‘’t Ies toch schoeën, zoeën dialect, spaatig da waai da nie emme.’ Ja, die Antwerpenaars.

Subsidiedossiers. Onlangs schreef Gaea Schoeters dat kunstenaars hard moeten werken om subsidies en beurzen te verkrijgen: ‘Want dat het schrijven van die aanvragen, schreef Schoeters, vreet happen tijd die we anders zouden kunnen gebruiken om ons eigenlijke beroep, dat van kunstenaar, uit te oefenen.’ Dat is inderdaad een erg droevige en vernederende toestand. De Amerikaanse dichteres Edna Sint-Vincent Millay heeft ooit, toen ze in geldnood zat, een beurs van 5000 dollar geweigerd omdat het reglement van de Academy of American Poets, die de beurzen uitreikte, een gemotiveerde aanvraag van de dichters vroeg. De Academy had die bepaling uiteindelijk, op vraag van Edna, geschrapt maar, dat was voor de dichteres onvoldoende. De infame regel, ook al werd hij ingetrokken, wierp in haar ogen voor eeuwig een smet op de Academy. Ja, behalve op seksueel vlak was Edna erg puriteins.

Homoseksueel. Dezelfde Edna leed gemakkelijk aan hoofdpijn. Ze ontmoette een psychiater die dacht dat daar een psychische oorzaak voor bestond. Na veel aarzelingen vroeg de psychiater of de mogelijkheid bestond … euh … of ze zich misschien ... euh ... al was het onbewust ... euh ... aangetrokken voelde tot personen … euh … van hetzelfde geslacht. ‘Oh, je bedoelt dat ik homoseksueel ben,’ zei Edna. Ja, natuurlijk ben ik dat, en heteroseksueel ook, maar wat heeft dat met mijn hoofdpijn te maken?’

Sunk cost fallacy. Ondernemers leren op de ondernemersschool dat ze zich moeten hoeden voor de sunk cost-reflex. Bij het nemen van beslissingen voor een project is het enige wat telt de toekomstige kosten en welke opbrengsten daar tegenover staan. Met kosten die al gemaakt zijn mag je geen rekening houden. Maar de sunk cost-reflex in het dagelijkse leven heeft ook zijn voordelen. Piano leren spelen op oudere leeftijd bijvoorbeeld is een kwelling. Je denkt wel eens aan opgeven. Maar dan denk je aan al het werk dat je er al in geïnvesteerd hebt, en je gaat verder. 

 

woensdag 26 juni 2019

Johan Leman en de wetten van Croughs

     Kent iemand de wetten van Croughs? De Nederlandse libertariër formuleerde in 1995 de ‘drie wetten van het progressief-intellectuele denken’:
  1.  De wet van het abjecte Westen: ‘Bij een conflict tussen westers en niet-westers kiest de progressieve intellectueel voor niet-westers.’
  2. De wet van de onderdrukte minderheid: ‘Bij een conflict tussen een minderheid en een meerderheid kiest de progressieve intellectueel voor de minderheid.’
  3. De wet van de botsing: ‘In gevallen waar de twee wetten met elkaar in botsing komen, wordt het ingewikkeld.’
     Van die laatste wet zagen we van de week een fraai voorbeeld. Pater Johan Leman, die aan pluralistisch bekeringswerk doet in Molenbeek, had in De Standaard verklaard dat je nu eenmaal moet ‘weten dat je hier als homokoppel misschien niet hand in hand over straat kan lopen’. Wat moet de progressieve intellectueel nu denken bij zo’n uitspraak? Die homo’s vormen een minderheid (wet 2)  maar de moslims die geen homokoppels hand in hand in hun buurt willen zien wandelen, komen uit een niet-westerse cultuur (wet 1). Wat nu?
   In de reacties op Leman zag je drie soorten linkse mensen opstaan. Gert Verwilt (Vlinks) bijvoorbeeld koos onverkort voor de homorechten. Zijn reactie telt in dit verband niet mee, want Gert is een secularist en een tegenstander van moslimobscurantisme. Als dusdanig volgt zijn denken niet de wet van het abjecte Westen.  Helemaal anders is dat bij Hilde Sabbe (One Brussels). Die volgde heel plichtsgetrouw wet 1 en nam het voor de moslims op: die moesten meer tijd krijgen om te wennen aan die homo’s. ‘We moeten niet in hun nek staan hijgen.’ En ze verwees naar het abjecte West-Vlaanderen waar een lesbische vriendin van haar haar partner niet kon meebrengen op een familiefeestje. Nog anders was de reactie van Gaea Schoeters (schrijfster). Op haar facebookpagina noteerde ze: ‘Met dank aan Johan Leman om weer een hoop holebi’s in de armen van rechts te duwen en rechtse demagogen als Maarten Boudry een open goal te bieden.’ Rechtse demagogen als  Maarten Boudry ...
     Wat moeten we denken van die groen-linkse activisten die zich, zoals Schoeters, ontzettend boos maken op Leman. Er kan bij hen, zoals bij Verwilt, een zeker secularisme meespelen. Dat is uiteindelijk een linkse traditie. Maar misschien is er ook iets anders aan de hand. In De Afspraak viel Leman uit tegen een ‘progressieve middenklasse’ die ‘een droombeeld heeft van het multiculturalisme’. Het minste dat je kunt zeggen is dat Leman dat droombeeld met zijn uitspraken heeft verstoord. ‘Ik verbloem dat niet,’ zegt hij in De Standaard, ‘je moet daar niet naïef in zijn.’
     Eigenlijk komt het hierop neer. Leman beschrijft de zaken zoals ze zijn. In Molenbeek ligt meer vuil op straat dan ergens anders. Vrouwen die er in een zomerse korte rok rondlopen, krijgen schunnige opmerkingen. Je kunt er als homokoppel niet hand in hand over straat lopen. En daar nog eens bovenop is Leman nogal pessimistisch voor de onmiddellijke toekomst en gelooft hij niet dat er voor die problemen eenvoudige oplossingen bestaan. Dat pessimisme verklaart zijn raad aan de middenklasse Vlaming die naar Molenbeek wil verhuizen: pas je wat aan, probeer aan te voelen wat mogelijk is, provoceer niet, lok niets uit, schrik niet van wat vuil, en als je dat niet kunt, kom dan hier niet wonen want het zal niet snel veranderen. Maar dat is een onduldbare toestand, vindt de boze progressieve intellectueel. Ja, dat is een onduldbare toestand, maar het is nu eenmaal zo, en niet anders.
     Is de raad van Leman een voorbeeld van ‘soumission’? Ik weet het niet. Het is in elk geval een voorbeeld van realisme. Als ik een zoon had die homo was, zou ik hem evenmin aanraden om hand in hand met zijn vriend in Molenbeek rond te lopen. Als ik een dochter had, zou ik haar evenmin aanraden om er in een korte, zomerse rok rond te lopen. En ik zou én mijn homo zoon, én mijn hetero dochter afraden om daar te gaan wonen, ook al zijn de huizen er goedkoop.
     Kan er iets aan de toestand worden gedaan? Leman weet in elk geval wat níet werkt: grote verklaringen, boze tweets, verontwaardigde lezersbrieven en ‘inburgeringscursussen’ waarop een toets volgt met meerkeuzevragen als : Wanneer is de vrouw gelijkwaardig aan de man? (A) Altijd – (B) Meestal – (C) Soms – (D) Nooit. Hij meent ook te weten wat je wél kunt doen: een ‘stevig’ immigratiebeleid en een ‘verstandig’ uitwijzingsbeleid voeren, de Saoedische invloed in moskeeën beperken, meer politiepatrouilles op straat sturen, en meer subsidies aan zijn ‘Foyer’ geven.
     Aan die subsidies twijfel ik een beetje. Ik geef niet graag veel geld aan een man die, toen hij zelf nog beleidsverantwoordelijkheid had, weinig deed om een ‘stevig’ immigratiebeleid uit te werken. Hij was toen vooral bezig geloof ik met ‘racismebestrijding’. Nu heeft hij het echter begrepen. ‘Denk vooral niet dat alle Marokkanen voor open grenzen zijn,’ zegt hij. Onlangs had hij er nog enkele horen discussiëren. ‘Je gaat toch geen vrouw zoeken in Marokko,’ had een van hen gezegd. Dat zijn wijze woorden die vanuit een strengere gezinsherenigingswet enige ondersteuning verdienen.

     Leman wil ook meer politiemensen in Molenbeek. Liefst meteen 200. Ik geef hem gelijk. En als er dan toch meer politiemensen zijn, mogen ze wat harder optreden ook. Ik herinner mij de rellen van vorig eindejaar waarbij van alles vernield werd en in brand gestoken terwijl de politie toekeek. Wie het filmpje niet gezien heeft waarin burgemeester Cathérine Moureaux die rellen in lachwekkend Nederlands minimaliseert, moet zeker hier eens kijken.
     Maar de homo-en-korte-rokken-vraag is daarmee niet opgelost. Als de instroom van nieuwe moslimmigranten in Molenbeek stopt, en de politie loopt wat meer rondjes op straat, en treedt wat strenger op, kun je dán als homokoppel hand in hand op straat lopen zonder gevaar voor verbale agressie of erger? Ik zal de raad van Leman volgen, niets verbloemen en niet naïef zijn. Het antwoord is neen. De droom van een nabij harmonieus multiculturalisme laat ik over aan degenen die Leman ‘bepaalde progressieve Vlamingen’ noemt.
     Vierde wet van het intellectueel-progressieve denken: ‘Wanneer de progressieve intellectueel gewekt wordt uit zijn droom, is hij boos.’