Posts tonen met het label Henry James. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Henry James. Alle posts tonen

zaterdag 29 december 2018

Mijn behoefte aan liefde en erkenning

     Vrees niet, lieve lezer, dat ik hier mijn dromen zal vertellen. Tell a dream, lose a reader, zei Henry James, die trouwens in zijn late periode wel andere middelen had om lezers af te schrikken. Maar James had gelijk. Als ik De Avonden herlees, sla ik de droomscènes over.
     Heel in het algemeen wil ik over mijn dromen wel iets kwijt, zaken die de lieve lezer misschien zal herkennen, zoals dat ik in mijn dromen vaak tegelijk toeschouwer als hoofdrolspeler ben, of dat ik diep ontroerd kan worden door locaties als zalen, gangen en trappenhuizen die me in het werkelijke leven amper beroeren. Ook lijkt het of ik in een droom over een aparte voorraad herinneringen beschik die voortkomen uit vroegere dromen. Maar dat zal dus maar een indruk zijn.
     Wat mij vooral verbaast is dat ik in mijn dromen iemand anders ben, met andere kenmerken en andere mogelijkheden, dan in wakende toestand, een minder fraai mens lijkt mij, maar misschien is ook dat maar een indruk*. Ik kan vlotter Frans praten maar kan geen tekst lezen. Ik ben tot allerlei slechte daden in staat, zoals iemand het hoofd inslaan, maar na een slechte daad voel ik een eindeloos schuldgevoeld. Mijn inzichtelijke vermogens zijn die van een erg jong kind – of van een erg seniele grijsaard. Ik geloof niet dat ik een eenvoudige rekensom zou kunnen oplossen. En toch ben ik er in mijn dromen soms van overtuigd dat ik de sleutel tot enig wereldraadsel heb gevonden. En vóór alles word ik bezeten door een kinderlijke behoefte aan liefde en bewondering. Ik wil dat de mensen naar wie ik opkijk, mij zouden erkennen en naar míj zouden opkijken. Ik wil dat mijn vijanden aan mijn voeten liggen en uitroepen dat ze spijt hebben van wat ze mij hebben aangedaan.
     In the televisieserie House M.D. komt een droomscène** die op mij een diepe indruk maakte. De cynische ziekenhuisarts House – ruwe bolster, blanke pit – vecht over vele afleveringen een bittere ruzie uit met de voorzitter van de raad van bestuur Edward Vogler. Vogler is de gewetenloze eigenaar van een farmaceutisch bedrijf. Hij haat House vanwege zijn opstandigheid en nog meer vanwege zijn nietsontziende eerlijkheid en wil hem uit het ziekenhuis laten ontslaan. En dan droomt House dat hij Vogler op consultatie krijgt. Vogler heeft leverkanker en House, die begrip en medeleven uitstraalt, zal er alles aan doen om hem te reden. ‘Thank you doctor,’ zegt Vogler. ‘You’ve been so good te me. When I think about how I treated you …’ House geniet zienderogen van het geslijm.
     Een droom zoals hier beschreven heb ik bij mijn weten nog niet gehad, maar mijn onirische ik gelijkt donders goed op de onirische dokter House.
    


* Eigenaardig genoeg ben ik ook in de dromen van mijn vrienden een ander en minder fraai mens.
** Aflevering 1/18 ‘Babies and Bathwater’. Hier vind je het fragment.

zaterdag 5 november 2016

De moeder, de dochter en de vier mannen

Links: Fanny - Rechts: Belle
     Fanny Osborne (1840-1919), de gescheiden Amerikaanse waar Louis Stevenson mee trouwde, viel niet bij iedereen in de smaak. Zijn vrienden konden haar niet uitstaan. Dat kwam misschien omdat hun blik vertroebeld werd door jaloezie. Die vrienden waren meestal zelf een beetje verliefd op de meisjesachtige schrijver en het is moeilijk om objectief te blijven als zich een rivale aandient.
     Fanny had een donkere huidskleur, zag er zelfs een beetje Mexicaans uit, droeg ongewone kleren, kon als het moest overleven in het Wilde Westen, rolde zelf haar sigaretten en had overal een mening over. Boven alles verzorgde ze met toewijding haar man die veel last had van zijn gezondheid. Stevenson hoestte voortdurend bloed op waardoor hij dacht dat hij aan longtering leed – tot een dokter hem ervan overtuigde dat dat niet zo was, en vanaf dan hield het bloedhoesten op.  Zijn laatste jaren bracht hij door op een van de Somoa-eilanden en zijn gezondheid was er voortreffelijk. Toen bekoelde de liefde van Fanny.
     Belle Osborne, Fanny’s dochter, leek goed op haar moeder. Toen ze zeventien was, zag Belle er ouder uit dan haar leeftijd en Fanny jonger, waardoor ze voor zussen konden doorgaan. De moeder adviseerde haar dochter over mannen. Je kon hun aandacht trekken, zei ze, door ze intens aan te kijken, of door je hulpeloos voor te doen. Omdat ze zo goed op elkaar leken, was het niet verwonderlijk dat sommige mannen belangstelling hadden voor zowel de moeder als de dochter. Tegelijk hadden ook de twee Osbournevrouwen belangstelling voor dezelfde soort mannen. Dat leidde tot ingewikkelde toestanden in minstens vier gevallen.
     Het begon toen Fanny en Belle naar Antwerpen reisden om daar aan de kunstacademie te studeren. Dat was geen succes, want de academie liet geen vrouwen toe. In Parijs vonden ze wel een academie die vrouwen toeliet, in de dubbele rol van leerling en model, en zo kwamen ze in contact met de wereld van kunstenaars en bohémiens, die ook Stevensons wereld was. Fanny flirtte - of had een verhouding - met de neef van de schrijver, Bob Stevenson, en met een van zijn vrienden, Frank O’Meara. Maar de twee mannen hadden evengoed aandacht voor Belle. Bob heeft nog met de idee gespeeld om met haar te trouwen en O’Meara heeft om haar een duel uitgevochten.

     Toen Belle eindelijk trouwde met een ongetalenteerde en berooide schilder, wilde Fanny een hele tijd niets meer met haar dochter te maken hebben. Later woonden ze weer allemaal samen in het grote huis dat Stevenson had laten bouwen op Somoa. Belle werd de secretaresse van Stevenson en hun relatie werd behoorlijk innig. Dat kwam de schrijver gelegen aangezien Fanny nogal humeurig was, zo zonder zieke echtgenoot om voor te zorgen. Er is echter geen reden om te geloven dat Stevenson en zijn stiefdochter een verhouding hadden. Dat nu ook weer niet.
     Na de dood van Stevenson werd Fanny een rijke weduwe die mannelijke ‘protegés’ om zich heen had. Een ervan was Gilbert Burgess. Er zijn van hem hartstochtelijke brieven bewaard waarvan lang werd aangenomen dat ze aan Fanny gericht waren, maar later onderzoek wees uit dat ze voor Belle bedoeld waren. De belangrijkste protegé was de journalist Ned Salisbury, die achtendertig jaar jonger was dan Fanny. Toen Fanny stierf, trouwde hij met Belle. Vergeleken met haar* was hij maar twintig jaar jonger, wat een heel verschil  is.  Ze werden schatrijk want een stuk grond dat Ned gekocht had, bleek boven een grote petroleumlaag te liggen.
     Over hoe Fanny was in haar laatste jaren, zijn de meningen verdeeld. Ned Salisbury noemde haar ‘the only woman in the world worth dying for.’ De beroemde schrijver Henry James beschreef haar als ‘old, changed, barbaric, weary and queer.’ Maar dat laatste was James zelf ook, dat weten we ondertussen.

 
* Ik had hier eerst ‘dan haar’ in plaats van ‘vergeleken met haar’ geschreven, maar dat leek me toch verdacht en de zin bleef me dwarszitten. Ik vroeg raad aan de Taalprof die onmiddellijk antwoordde: ‘Ik weet niet of er een officieel taaladvies over is, maar in de taalkundige literatuur geldt dit soort “extractie uit een adjectivale woordgroep” als ongrammaticaal. Het gaat namelijk om de woordgroep [jonger dan haar], waaruit je [dan haar] “extraheert” om het vooraan de zin te zetten. Ook in mijn taalgevoel is dat ongrammaticaal.’

vrijdag 11 september 2015

Tante Jane

Hierboven ... ikzelf als - laten
we zeggen: Mr. Bennet
   Professor Latré van de afdeling Germanistiek wou dat ik voor zijn vak vooral 19de-eeuwse romans las. Daar kwam je later niet meer aan toe, zei hij. Ik begon vol goede moed. George Eliot, Thomas Hardy, Henry James … Het leek op wat ik al kende van de romanistiek: Stendhal, Flaubert, Zola – diep, degelijk en een beetje deprimerend. Jane Austen stond ook op de lijst. ‘It is a truth universally acknowledged,’ zo begon Pride and Prejudice, ‘that a single man in possession of a good fortune, must be in want of a good wife.’ Mijn mond viel open.   
   Later ontdekte ik overal medebewonderaars van tante Jane. Haar tijdgenoot en concurrent Walter Scott, Tennyson en Colleridge, Nabokov en Guus Luijters, de secretaressen en vrouwelijke advocaten van het advocatenkantoor waar ik werkte. Ook onder historici bleek ze populair. Macaulay plaatste haar op gelijke hoogte met Shakespeare. Pieter Geyl roemde haar ‘wijze en menselijke visie op het leven.’ Ik begrijp wat hij bedoelt.
     Jane moraliseert, maar ze blijft sympathiek. Ze heeft de normen en de waarden van de burgermaatschappij zonder de zelfgenoegzaamheid van een paar decennia later. ‘Geef mij maar het gezelschap van brave mensen,’ schrijft ze, ‘dan ben ikzelf lekker de slechtste.’ De slechtste, ja, maar nooit de domste. ‘J.A. doesn’t suffer fools gladly,’ schrijft Geyl. Voor charmante schurken als Willougby en Wickham heeft ze enig begrip, maar pompeuze dommeriken en dwaze ganzen krijgen de volle laag, vooral als ze ook nog eens de ouders zijn van de heldin. Maar dom of slecht, Janes personages zijn nooit saai, zelfs niet als ze van zichzelf saai zijn. Ook dragen ze mooie kleren, als ze in een film meespelen.

   Een andere Austen-bewonderaar was Roger Ebert (†2013). Vroeger las ik altijd zijn recensies op IMDB voor ik naar een nieuwe film ging kijken. Nu lees ik ze vóór ik naar een oude film kijk. Ebert onderging in 2006 zijn zoveelste operatie voor schildklierkanker. Bij elke operatie werd een nog groter stuk van zijn kaakbeen weggesneden. Hij kon al jaren niet meer spreken. Enkele maanden na de operatie van 2006 schrijf hij: ‘When I was very sick last year there was a time when I lost all interest in reading. When I began to feel a little better, perhaps strong enough to pick up a book, it was Austen’s Persuasion.
What else?’ – Persuasion is ook mijn lievelingsboek.

Oorspronkelijk geplaatst op 23 januari 2015