Posts tonen met het label Nic Balthazar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nic Balthazar. Alle posts tonen

zaterdag 23 november 2019

Abortus, vrije meningsuiting en het 'hellend vlak'


    De drogreden van het hellend vlak kom je in zijn pure vorm niet vaak tegen. Bij de Simpons heb je de redenering van Fat Tony. Als je één brood mag stelen om je kind te eten te geven, dan mag je ook een vrachtwagen vol brood stelen om je hele familie, of je hele straat, te eten te geven; dan mag je ook een vrachtwagen vol sigaretten stelen als je familie, of de mensen in je straat, liever roken dan eten. En of je die broden of sigaretten nu weggeeft, dan wel verkoopt aan weggeefprijzen, dat is ook al ongeveer hetzelfde. ’t Is aardig gevonden, maar de rechter lacht je uit in je gezicht als je zo’n argument aandraagt.

   Er is echter een verwante drogreden die juist heel vaak voorkomt en die ik hier ‘de waarschuwing voor het hellend vlak’ noem. Je hoort die bijvoorbeeld bij tegenstanders van abortus. Als je abortus toelaat op 12 weken, zeggen die tegenstanders, ga je die uiteindelijk ook toelaten op 16 weken, op 18 weken, op 22 weken en op 39 weken. En dan kun je even goed infanticide gedogen zoals dat naar het schijnt in het oude Sparta en het oude China voorkwam als een kind niet volmaakt was van lijf en leden, of tot het vrouwelijk geslacht behoorde. Voorstanders van abortus kunnen hetzelfde doen. Als je geen zwangerschapsafbreking toelaat op 12 weken, zeggen die voorstanders, omdat je dan zogezegd een mensje in wording vermoordt, dan kun je dat ook zeggen van een zwangerschap van 10 weken, of van 8 weken, of van 2 weken, of van één dag. Dan moet je ook de morning-after pil verbieden, en in een moeite door de gewone pil, want een vruchtbare eicel moedwillig naar de verdommenis helpen is misschien geen hele, maar dan toch een halve moord.

    Ik voel een grote weerzin tegen dat soort ‘waarschuwingen’. Voor- en tegenstanders die met wilde gebaren wijzen op  de uitersten van het continuüm, werken op mijn zenuwen. Een volledig abortussverbod heeft in het verleden geleid tot de breinaalden van de engeltjesmaaksters. Wie wil daar naar terug? En omgekeerd is de kans dat infanticide in een moderne maatschappij ooit wordt gedoogd, erg, erg klein. Voor- en tegenstanders gaan dus beter op zoek naar een werkbare toetsteen en een duidelijke afbakening waar ze het min of meer  eens over raken. In het geval van een ongeboren baby kan gedacht worden aan afmetingen, ontwikkeling van organen en zenuwstelsel , pijnervaring, onafhankelijke levensfuncties, levensvatbaarheid buiten de baarmoeder … 
     En als men het er níet over eens raakt, moet maar een wat willekeurig compromis worden gezocht. In huidige discussie tussen 12 en 18 weken, hel ik over naar de 12 weken, of misschien naar de 14 weken, want ik ben eerder tegenstander, maar niet fanatiek. Met de 12-wekenregel worden in ons land nu al 20 000 abortussen per jaar gepleegd, tegenover 120 000 geboorten*. Dat is veel. Slechts een 500-tal vrouwen moet wegens overschrijding van de 12-wekenregel uitwijken naar Nederland of het Verenigd Koninkrijk. Dat is amper 2,5 %. Moet men daarom de wet veranderen? Maar zoiets zeg ik nú. Ik heb wel eens gehoord van héél christelijke huisvaders en huismoeders die als het om hún dochter ging héél snel hun mening over abortus herzagen.
     Kortom, in het algemeen, en in de abortuskwestie in het bijzonder, verwacht ik weinig heil van waarschuwingen voor een hellend vlak. 
     In één geval echter vind ik dat soort waarschuwingen wél terecht. Dat is met name als het gaat om de vrijheid van meningsuiting en om het gevaar van censuur. Het abortuswetsvoorstel van Open-Vld (hier) – van onder andere Goedele Liekens –  bevat een merkwaardig artikel 3. De huidige wet voorziet zware straffen voor ‘hij die probeert te verhinderen dat een vrouw vrije toegang heeft tot een zorginstelling die zwangerschapsafbrekingen uitvoert.’ Daar heb ik geen probleem mee. Open-Vld stelt nu voor om bij dat ‘verhinderen’ toe te voegen:  ‘fysiek of op enige andere manier’. In de toelichting wordt uitgelegd dat dat ‘bijvoorbeeld het verspreiden van valse informatie’  betreft. Dat gaat wel erg ver. Het wetsvoorstel van de MR (hier) stelt iets voor dat in dezelfde richting wijst. De MR-mensen eisen namelijk straffen ‘voor wie morele of psychologische druk uitoefent … jegens de zwangere vrouw dan wel tegen het … personeel van een zorginstelling.’

     Nu ben ik een verklaard tegenstander van valse informatie, en van morele of psychologische druk. Op de televisie zie je soms van die opgewonden Amerikanen die vlugschriften uitdelen in de buurt van een abortuskliniek. Ik denk dan altijd dat die mensen zich beter bezig zouden houden met hun eigen zaken. Maar ik vind het wel fijn dat die vlugschriften kúnnen worden uitgedeeld, ongecensureerd, ook al bevatten ze informatie die door voorstanders van abortus als ‘vals’ worden beschouwd. Ik ben dus, samengevat, een verklaard tegenstander van valse informatie, maar ik ben ook een verklaard vóórstander van de vrijheid om informatie te verspreiden die in mijn eigen ogen zo vals is als een vals gebit. Of die dat is in de ogen van Goedele Liekens. Of in die van een rechter van eerste aanleg.

     In de zeventiende eeuw ontstond de gedachte dat je bepaalde daden van burgers kon verbieden, maar niet hun meningen. In de achttiende eeuw begon men het aanvaardbaar te vinden dat die meningen ook werden verspreid. En in de negentiende en twintigste eeuw werd de vrije verspreiding van meningen, in gesproken of gedrukte vorm, de algemene regel in de meeste Westerse landen. Er waren uitzonderingen voor onzedelijke boeken, godslastering en belediging van buitenlandse staatshoofden. De erotische avonturen van Conny en Mellors las je in L’amant de Lady Chatterley omdat de oorspronkelijke uitgave in Engeland en Amerika verboden was. Ook mocht je God niet voorstellen als een ezeltje met een geheime opening en mocht je op straat niet roepen dat Johnson een moordenaar was. Die uitzonderingen zijn een voor een gesneuveld.
     Maar nu worden nieuwe uitzonderingen gemaakt. Als ik die bepalingen lees in de wetsvoorstellen van Open-VLD en MR , wil ik dus, voor één keer, waarschuwen voor een hellend vlak. Als díe bepalingen worden goedgekeurd, ben ik bang dat er ook bepalingen volgen die ‘valse informatie’ verbieden op anderen terreinen: over vaccinatie en geneesmiddelen, over snelheidsbeperkingen, over dierenrechten, over gezonde voeding en ongezonde leefgewoonten, over urbanisatie en lintbebouwing, over islam en jodendom. Zal de volgende klimaatwet een artikel bevatten over ‘valse klimaat-informatie’? En zal de ‘alarmist’ Nic Balthazar (hier) op grond van die wet kunnen worden vervolgd? Of zal de wet zo worden verwoord dat alleen de ‘negationist’ Jan Jacobs kan worden vervolgd? Of misschien ook de ‘optimist’ Maarten Boudry? Die zal dat niet fijn vinden, daar samen in de beklaagdenbank met Jacobs.
     Waarschuwen voor het hellend vlak moet in een beschaafd debat een uitzondering blijven. Maar als het de vrije meningsuiting betreft lijkt ze mij gewettigd vanwege twee redenen. Ten eerste is het gevaar van afglijden reëel. Met de huidige politiek correcte mode zijn oproepen tot censuur en erger geen uitzondering meer.
 (Zie hier en hier) Laatst riep Draulans nog op om voor het klimaatbeleid het hele democratische proces af te schaffen (hier). Aan veel Amerikaanse universiteiten wordt de ‘pensée unique’ boven de vrije discussie gesteld, tot groot verdriet van ouderwetse rationalisten als Steven Pinker (hier). Dat is één reden om voor het hellend vlak te waarschuwen. 
     De tweede reden is dat één van de uitersten van het continuüm, anders dan in het abortusdebat,  hier wél werkbaar is. Het is heel goed mogelijk om in bijna alle omstandigheden de volledige vrijheid van meningsuiting toe te laten.** De Amerikanen doen het al zo lang. Toen in de jaren vijftig en zestig het communisme een reële dreiging betekende, lieten de meeste democratische landen toe dat communistische partijen hun propaganda vrij verspreidden. Toen in de jaren zeventig en tachtig de Ierse en Baskische nationalisten de ene vreselijke bomaanslag na de andere pleegden, werd de propagánda voor dat nationalisme níet verboden. De bomaanslagen waren verboden; het dóel van de bomaanslagen mocht openlijk worden gepropageerd. IRA en ETA waren uitgesloten, Sinn Fein en Herri Batasuna mochten deelnemen aan verkiezingen. Het was het oude onderscheid tussen daad en mening.

     Het beste, lijkt mij, dat Goede Liekens en onze andere wetgevers zich houden aan dat oude onderscheid. De wet kan ziekenhuizen – maar geen artsen – verplichten om zwangerschapsafbreking aan te bieden, maar moet toelaten dat tegenstanders vlugschriften uitdelen waar ‘morele of psychologische druk’ van uit gaat. De wet kan inenting tegen polio, en morgen tegen mazelen, opleggen, maar moet dulden dat halve gare antivaxxers daartegen tekeergaan. De wet kan de toegelaten snelheid in de bebouwde kom verlagen tot 30 kilometer, maar mag niet beletten dat Rudy Berkvens daar op Facebook eens flink zijn mening over zegt. De wet kan eisen dat een moslima haar hoofddoek aflegt als ze achter een loket plaatsneemt, maar moet zwijgen als Othman El Hammouchi daar een verontwaardigd stuk op Doorbraak over publiceert.

    Ik beweer niet dat alle verplichtingen en verboden van hierboven moreel aanvaardbaar zijn. Misschien zijn sommige ervan wel een onaanvaardbare aanslag op onze vrijheid. Maar het onderscheid scherp houden tussen mening en daad blijft een van de beste garanties tegen een toekomst van verlicht, of barbaars, despotisme.

 

 

* Ik las met verbazing dat vrouwen die abortus laten uitvoeren gemiddeld 27 jaar zijn. Ik dacht bij abortus eigenlijk vooral aan tienerzwangerschappen.

 

** Laster, zakelijk bedrog en aanzetten tot gewelddaden vallen in die visie niet onder de beschermende koepel van vrije meningsuiting.

maandag 15 juli 2019

Wat gelooft de Vlaamse bouwmeester?

 In de televisieserie How I Met Your Mother is er een personage dat Garrison Cootes heet. Cootes is een advocaat die zijn hele loopbaan processen heeft gevoerd om de natuur te beschermen en het klimaat te redden. Op een bepaald moment raakt hij ervan overtuigd dat er niets meer aan te doen valt. ‘I’ve seen the research,’ zegt hij. Hij trekt daaruit de enige logische conclusie. In plaats verder te zwoegen op dossiers en wetboeken, geeft hij voor zijn medewerkers elke dag een feest met taart. En als de taart op is, bestelt hij een nieuwe, nog grotere taart.
     Zelf geloof ik dat het met het klimaat wel goed komt.  We zullen, een beetje laattijdig, overschakelen op kernenergie, wat de CO2-productie gevoelig zal verminderen. We zullen technieken ontwikkelen om als dat nodig is de aarde af te koelen, en die technieken zullen binnen twintig jaar goedkoper zijn dan de zonnepanelen en windmolens van nu, omdat binnen twintig jaar álles goedkoper zal zijn. Ik ben daar misschien te optimistisch in, maar dat is nu eenmaal wat ik geloof. Ik heb dus geen reden, of excuus, om elke dag taart te eten.
     Maar hoe zit dat met de klimaatalarmisten, de vijf-voor-twaalf-mensen? Wat geloven die? Zullen die op taart overschakelen als hun deadline overschreden is? Wat zal Nic Balthazar doen als de groene revolutie binnen 20 jaar niet heeft plaatsgevonden? Want daarna is het volgens hem te laat om nog iets te beginnen.
     Er zullen natuurlijk klimaatalarmisten bestaan die overdrijvingen gebruiken als strategie om ‘de mensen wakker te schudden’. Maar vele anderen geloven écht in hun sombere voorspellingen. Alleen, wat is écht geloven? Toen ik twintig was geloofde ik samen met mijn vrienden écht in de komende communistische revolutie. Onze deadline was vijftien-twintig jaar. Tegelijk moet toch ook, diep verborgen onder metersdikke ideologie, het besef geleefd hebben dat er misschien wel helemaal geen revolutie zou komen.
     Onze Vlaamse bouwmeester Leo van Broeck is, geloof ik, goed bevriend met Anuna Dewever en Nic Balthazar. En wat zei hij onlangs in Het Nieuwsblad: ‘
Het wederopbouwen van goed gelegen woningen is iets minder urgent, aangezien de creatie van natuur en open ruimte nog net iets dringender is dan het terugdringen van onze uitstoot.’ Ik moest het twee keer lezen. Het bestrijden van lelijke lintbebouwing en het creëren van leefruimte voor wilde dieren is dus ‘nog net iets dringender dan het terugdringen van onze uitstoot.’* Terwijl volgens zijn vriend Nic Balthazar niets minder dan het voortbestaan van de mensheid afhangt van die uitstoot. Wat maakt die bouwmeester zich toch druk om autostrada’s en verkavelingen als straks heel Vlaanderen toch door de zee wordt overspoeld?
     Of gelooft de bouwmeester die klimaatalarmisten toch maar half? 
 


* Ik ken overigens genoeg mensen die nu zouden aanhalen dat die lintbebouwing, autostrada’s en verkavelingen alles te maken hebben met onze uitstoot. Dat zo’n bewering, waar of onwaar, geheel buiten de discussie valt, lijken ze niet te begrijpen.

zaterdag 16 maart 2019

De moord op Trump en de zelfmoord van Peeters

     Met Liesbeth Van Impe ben ik het meestal half eens. Vandaag vergelijkt ze in Het Nieuwsblad een uitspraak van Nic Balthazar met één van Bart De Wever. Nic had zich afgevraagd of hij Trump zou doodschieten als hij de gelegenheid kreeg, en Bart De Wever had de degradatie van Kris Peeters tot Europees lijsttrekker vergeleken met een opgelegde zelfmoord in Romeinse stijl. Het is voorspelbaar, schrijft Liesbeth,  dat wie zich over de eerste uitspraak opwindt, weinig verkeerds zal zien in de tweede, en omgekeerd.  En wáár men zich over opwindt en wáár men niets verkeerds in ziet, zal worden beïnvloed door politieke berekening, ideologische voorkeur en emoties.
    Ik geloof dat ook. Hoewel ik mij zelf over geen van de twee uitspraken opwind, heeft Liesbeth in de grote lijnen gelijk. Ook volg ik haar als ze zegt dat we bij dergelijke debatten niet te veel mogen varen op ons gevoel. We zouden rationeel moeten blijven, want dat zijn we meestal niet. Ze verwijst naar het beroemde beeld* van de olifant (ons gevoel) dat de koers bepaalt en de ruiter (onze ratio) die de koers achteraf uitlegt.

     Alleen is het jammer dat Liesbeth de hogervermelde twee uitspraken zelf niet op hun rationele inhoud beoordeelt. Ze doet dat enigszins wel met de uitspraak van Nic – daarover straks meer – maar daarna heeft ze het vooral over de gevoelswaarde van de metaforen: ze zijn te scherp en te gratuit, en ze missen empathie, respect en tact. Daarmee gaat ze evenwel voorbij aan het inhoudelijke verschil. De uitspraak van Nic betreft een moreel dilemma, de uitspraak van Bart betreft een feitelijke stand van zaken. Nic vraag zich af wat een moreel wezen zou moeten doen als hij Trump kon neerschieten, Bart beschrijft, op hyperbolische wijze, wat er werkelijk gebeurt met politici die hun beste tijd achter de rug hebben. Ze worden afgevoerd. Vandaag overkomt het Kris Peeters, morgen is hij zelf aan de beurt. Hodie tibi, cras mihi, moet Bart gedacht hebben.
     Eigenlijk is Liesbeth onrechtvaardig als ze de twee uitspraken te scherp, te gratuit, te tactloos enzovoort noemt. Die kritiek geldt alleen voor de uitspraak van Bart. Nic is naar vorm en toon genuanceerd. ‘Ik ben er nog niet uit,’ zegt hij sussend. Ook is de kans klein dat Trump, of een familielid van hem, die scherpe uitspraak onder ogen krijgt en zich dus gekwetst moet voelen.
     Anders is het gesteld met de inhoud van Nics dilemma. Het gedachte-experiment waarbij je Trump tegenkomt in een donker steegje, gaat terug op een soortgelijk gedachte-experiment waarbij je in de jaren twintig, dertig of veertig Hitler tegenkwam in een donker steegje. Liesbeth noemt dat een ‘gratuite gedachte-oefening over hoe geoorloofd het is geweld te gebruiken tegen een politieke tegenstander.’ Ik dacht eerst dat bij een vredelievend man als Nic zo’n vraag nooit zo zou opkomen, maar nu ik het hele interview gelezen heb, weet ik beter. In zijn laatste antwoord somt Nic de redenen op waarom Trump mag worden ‘afgeknald met een blaffer’: hij zou een wereldoorlog kúnnen uitlokken, hij zou een narcist kúnnen zijn, er zou met hem niet te praten vallen,  en hij ontkent ‘climate change’. Voor de mogelijke executie van Trumps plaatsvervanger Mike Pence – ‘die is nóg erger’ –  komt er een vierde reden bij: hij ‘ontkent de evolutietheorie’. Drie veronderstellingen en twee ‘ontkenningen’ als grond voor een terdoodveroordeling vind ik wat zwak. **

    Is de vergelijking die Nic maakt tussen Trump en Hitler in enig opzicht aanvaardbaar? Er zijn tussen die twee allerlei verschillen wat haartooi, hoffelijkheid, smaak, culturele belangstelling en redenaarstalent betreft. De vergelijking valt niet altijd uit in het voordeel van Trump. Maar van Hitler kennen we een aantal drijvende ideeën die in een moderne context dicht bij het absolute kwaad komen: het heerservolk, de Untermenschen, oorlog als maatschappelijke hygiëne, de voorrang van de stam op het individu. Wie díe ideeën in gelijke mate bij Trump meent aan te treffen, kunnen we, om met de woorden van Liesbeth te spreken, ‘enkel veel beterschap toewensen en het beste hopen.’
     Maar Nic denkt wellicht noch aan de haartooi, noch aan de kenmerkende ideeën van Hitler en Trump, maar aan de gevólgen van hun beleid. Bij Hitler ging het om enkele miljoenen Joodse, Poolse, Russische en Oekraïense slachtoffers in het verleden; bij Trump gaat het – in de denktrant van Nic – om … enkele miljarden slachtoffers in de toekomst. Trumps klimaatsabotage kan – in de denktrant van Nic – bijdragen tot het einde van de menselijke beschaving. Ja, dán kan er al eens een kordaat besluit worden genomen. Een allesovertreffende inzet rechtvaardigt haast elk denkbaar middel. Thomas Morus liet protestantse ketters levend verbranden, want het eeuwige zielenheil van de Engelsen stond op het spel. Tolstojs brave held Pierre overwoog om Napoleon te vermoorden, om zo tienduizenden Russen én Fransen te redden.
     Tegen die redenering bestaan bezwaren die Nic ongetwijfeld kent. Trump is niet alléén verantwoordelijk voor het klimaatbeleid van de wereld. Als je hem doodschiet, wordt Mike Pence president en die is, zoals we al weten, ‘nog erger’. Bovendien kun je ook gewoon de Amerikanen overtuigen om de volgende keer niet voor Trump te stemmen, en dan is dat doodschieten niet nodig. Dat zijn allemaal praktische bezwaren. Er is daarnaast ook het bekende filosofische bezwaar van de Talmoed, overgenomen door de Koran : ‘Wie één mens doodt, doodt de hele mensheid.’ Dat klinkt een beetje mystiek, maar het is dat bezwaar waar het in het oorspronkelijke gedachte-experiment eigenlijk om draait.
     De grote schade die de aarde en de mensheid kunnen oplopen door de klimaatopwarming wordt door de economen van het IPCC nuchter uitgedrukt in procenten van het bruto wereld product. Voor die procenten zou Balthazar nooit overwegen om Trump dood te schieten. Hij zou er dan wél ‘uit zijn’.  Maar als de hele mensheid werkelijk van de totale ondergang moet worden gered, is het een andere zaak. Ik geloof dat niet, van die totale ondergang. Maarten Boudry gelooft het ook niet. En het IPCC gelooft het evenmin. Maar Nic dus wel heb ik uit zijn film begrepen.

* Liesbeth schijnt te denken dat dat olifantenbeeld bedacht werd door Jonathan Haidt. Dat is niet zo. ’t Is van David Hume. Maar het blijft een geruststelling dat onze hoofdredacteuren ten minste Haidt lezen.

** Zo’n tot bloeddorst verworden linkse onverdraagzaamheid vinden we nog sterker bij de muzikant Daan Stuyven en Stijn Meuris en bij presentator Chris Dusauchoit. De eerste dacht bij de aanslag op de WTC-torens ‘Eindelijk!’, de tweede wenste de lone shooter die Donald Trump te grazen wil nemen ‘een vaste hand’ toe, en de derde had ‘geen slecht gevoel’ toen Pim Fortuin werd vermoord.

zaterdag 9 maart 2019

Nic en het klimaat

      Nic Balthazar ken ik al heel lang van naam en van gezicht. Als de televisie indertijd een mooie film programmeerde kwam Nic ons eerst allerlei wetenswaardigheden over die film vertellen. Ik nam die films vaak op, en er moeten bij ons op zolder nog videocassettes liggen waarop ook die inleidingen bewaard zijn gebleven. Er was iets speciaals mee. De close-up was groter dan toen gebruikelijk was waardoor je de indruk kreeg dat Nic in je woonkamer kwam. Ook hield hij zijn kale hoofd minder frontaal naar de camera gedraaid dan andere presentatoren dat deden, terwijl hij je tóch recht in de ogen keek. En hij sprak heel enthousiast. Té enthousiast, vond mijn vrouw.
     Later kwam ik Nic nog enkele keren tegen, bij wijze van spreken dan. Mijn zoon was als kind een grote bewonderaar van de film Ben X. Die was geregisseerd door Nic. Collega V. ging met haar gezin soms kamperen op een plaats waar ook Nic met zijn gezin kampeerde. ‘Een hele lieve, zachte man,’ zei collega V. ‘Misschien wel,’ zei X, die af en toe met Nic samenwerkte, ‘maar ook een beetje een snoeshaan. Hij spreekt mij altijd aan met “Meester”. ’t Moet iets boeddhistisch zijn.’
     En nu kwam ik Nic weer tegen met zijn klimaatfilm, een soort gemonteerde conférence waarin we vernemen hoe erg het met het klimaat is gesteld en wat we eraan kunnen doen. Ik hou er niet van om informatie te verzamelen uit filmpjes vanwege het tijdverlies dat je erdoor lijdt. Je kijkt een uur naar iemand die iets uitlegt en iets toont, en al die informatie kon best op enkele velletjes papier, die je in vijf minuutjes leest, aanstreept en desnoods controleert. Maar een ecologistische collega overtuigde mij dat het echt wel de moeite loonde.
     De moeite … wat zal ik zeggen? De film bestaat uit een geestdriftige uiteenzetting van Nic. Die uiteenzetting wordt onderbroken door beelden van het grotendeels jonge publiek, door projectie van grafieken, door beelden uit het journaal, en door korte verklaringen van mensen die iets met het klimaat te maken hebben: gewezen IPCC-man Van Ypersele, weervrouw Jill Peeters, onderzoeker Tomas Wijns, journalist Rudi Vranckx …. Het ding zit goed in elkaar en werd ook uitgezonden op Canvas. Nic praat als een bevlogen leraar. Ik herken zelfs een aantal van mijn eigen maniertjes: met de armen zwaaien (‘Alarm, alarm’), gespeelde verbazing (‘Wij kunnen daar toch niets aan doen?!’), flauwe mopjes (‘Kent iemand hier een poolbeer?’), zelfrelativering (‘Ik ben ook een klimaatzondaar’), en af en toe – niet te vaak – een vraag stellen aan het publiek (‘Wie heeft ooit gehoord van het I-P-C-C?’).
     Ik zie dat de film wel eens op scholen vertoond wordt. Dat verbaast mij niet. Hij ligt helemaal in de stijl van de voorlichting die leerlingen ook over andere onderwerpen voorgeschoteld krijgen: onveiligheid in het verkeer bijvoorbeeld, en seksueel overdraagbare ziektes. Zo’n voorlichting steunt sterk op emotionele en choquerende beelden – van verhakkelde lichamen en etterende geslachtsdelen – om op die manier een gedragsverandering teweeg te brengen. Het is dán niet het moment om te vertellen dat je door seksueel contact met je vaste lief eigenlijk heel, heel weinig kans maakt om zo’n vieze ziekte te krijgen, of dat goeie chauffeurs – ik hoor daar niet bij – jarenlang tegen 180 op de autostrada kunnen rijden zonder ongelukken te veroorzaken. Maar de informatie is daardoor ook eenzijdig. Beleidsmensen die over die kwesties beslissingen nemen, kunnen best even kennis nemen van de choquerende beelden en zich daarna gaan verdiepen in de cijfertabellen, statistieken, oorzakelijke verbanden en kosten-batenanalyses. En als er onder mijn lezers jonge actievoerdertjes zijn, op zoek naar de redenen voor hun actie, dan zou ik hun aanraden eens een rustig artikel te lezen zoals dit hier. Ze zullen er alle feitelijke kennis vinden die Nic aanbiedt, maar zonder de overdrijvingen, de bangmakerij en het drama.

     Nic heeft goed begrepen dat één beeld meer overtuigingskracht heeft dan duizend woorden of cijfers: magere ijsberen, bosbranden, overstromingen, rokende fabrieksschouwen, dorre gronden met diepe scheuren. Op een bepaald moment zegt hij dat we in 1958 jaarlijks 6 miljard ton CO2 in de atmofeer brachten, en nu al 36 miljard. Dat is heel veel. Maar ik heb liever iemand die mij vertelt dat onze atmosfeer rond 1800 ongeveer 0,028 procent CO2 bevatte en nu 0,041 procent. Daarmee weten we nog niets van de gevolgen daarvan, maar we hebben een objectief beeld van de omvang. Nic daarentegen geeft die omvang visueel weer: een foto van een wereldkaart waar die CO2-uitstoot wordt weergegeven in felrode dampen. Wie niet beter weet, zou denken dat de atmosfeer boven het Noordelijk Halfrond bijna volledig uit CO2 bestaat.

     Of neem nu het blote feit dat de aarde sinds 1880 één graad warmer geworden is. Toen ik dat aan mijn leerlingen ooit eens vertelde, waren ze erg ontgoocheld. Ze hadden gedacht dat het veel meer was. Hoe maak je van zo’n gegeven nu een spektakelgrafiek? Je kunt heel weinig graden op de y-as plaatsen; dan krijg je een steile lijn. Maar ook dat is niet voldoende. En bovendien, wie raakt nu in paniek om een evolutie die zich over anderhalve eeuw uitspreidt? Beter is iets te tonen van de laatste jaren. Als je bijvoorbeeld de schommelingen van de twintigste eeuw weglaat, krijg je van 1970 tot 2018 een wereldwijd gemiddelde stijging van 0,9 °C. Dat betekent dat er heel weinig plaatsen zijn waar het nu kouder is maar veel plaatsen waar het nu een halve, één, anderhalve of hier en daar zelfs twee graden warmer is. Dat is precies de betekenis van ‘gemiddeld’. Als je nu de gebieden die een graad verliezen op een wereldkaart in het blauw aanduidt, de gebieden die een halve graad winnen in het geel, de gebieden die een hele graad winnen in het oranje en de gebieden die twee graden winnen in het rood, dan krijg je een wereld die eruitziet als een dikbuikige, brandende kaars, met de rode kleur heel passend aan de bovenkant. Wanneer Nic die kaart laat zien, met kleurverandering op het ritme van de voortschrijdende jaartallen, zie je enkele meisjes in de zaal elkaar bang aankijken. Maar eigenlijk gaat het nog altijd over dezelfde stijging van 0,9°.



          De volgende dia van Nic gaat over de natuurrampen die het gevolg zijn van de klimaatopwarming. Hij spreekt dan over orkanen, overstromingen en bosbranden. Hij toont een staafgrafiek van de herverzekeringsmaatschappij Munich Re en laat daarbij zien dat die natuurrampen sinds 1980 zijn toegenomen ‘met ongeveer een factor 3’. Voor de orkanen voegt hij eraan toe dat die niet noodzakelijk talrijker geworden zijn, maar wel ‘krachtiger’. Maar wát die staafgrafiek precies voorstelt, legt Nic niet uit. Aantal Beaufort? Vierkante kilometer overstroomd gebied? Aantal verbrande bomen? Dat zijn geloof ik niet de dingen die door verzekeraars worden gemeten. Verzekeraars meten de menselijke en materiële schade die door de rampen wordt veroorzaakt. Maar sinds 1980 is het aantal mensen op de wereld bijna verdubbeld in aantal en daarbovenop hebben die mensen ook meer dan twee keer zoveel bezittingen die kunnen worden vernietigd. Eenzelfde storm nu zal dus gemakkelijk drie keer meer schade berokkenen als in 1980, vooral omdat de bevolkingsaangroei het grootst was in de kwetsbare kustgebieden.*

        Na de natuurrampengrafiek stelt Nic een belangrijke vraag: ‘Is dat allemaal wel wetenschappelijk? En welke wetenschappers zeggen dat?’ Hij geeft zelf het antwoord: ‘Allemaal eigenlijk, 97 %.’ Nu geloof ik dat Nic het 97- %-argument hier ijdel gebruikt, zoals vroeger ook de Naam des Heren  soms ijdel werd gebruikt.  Die 97 % gaat over de klimaatwetenschappers die gepubliceerd hebben over het verband tussen klimaatopwarming en door de mens veroorzaakte CO2. 97 % van hen zijn het erover eens, zegt Cook (2013), dat er klimaatopwarming ís, en dat die voor meer dan de helft door menselijke CO2 is veroorzaakt. Maar die 97 % gaat bijvoorbeeld niet over een consensus die zou bestaan over krachtiger wordende orkanen. Ik zou het nog sterker zeggen, over ongeveer 97 % van wat Nic Balthazar vertelt, bestaat geen 97 % consensus wetenschappelijke consensus – alhoewel over elk punt dat hij naar voren brengt er wel bepaalde wetenschappers zijn, en soms zelfs heel veel, die hetzelfde beweren als Nic.
    Ons conférencier komt nu langzamerhand aan het midden van zijn uiteenzetting, en als filmregisseur kent hij het belang van een sterke ‘midpoint’ in de verhaallijn. Dat komt er met een dia waarbij niet alleen de voorbije, maar ook de toekomstige opwarming wordt weergegeven. Het is een grafiek met de temperatuur op de y-as en de jaartallen op de x-as. De graden klimmen geleidelijk van 1900 tot 2015 en waaieren dan plots in de hoogte uit als een grote rode vlam. Nic spreekt ergens met wat ironie over een ‘vuurtijd’ en een ‘magmatijd’ waar we naartoe gaan. Ook die rode vlam is weer een erg emotioneel en suggestief beeld, maar de cijfers waarop het steunt zijn wel degelijk wetenschappelijke prognoses van het IPCC. In droge encyclopedietaal betekent de grafiek het volgende: de gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak zal - met een scenario van hoge CO2-uitstoot - in de loop van de eenentwintigste eeuw stijgen van 15° tot minimum 16,6° en maximum 18,8°. Een stijging dus met minimum 1,6° en maximum 3,8° graden.** Die rode waaier is een grafische voorstelling van die minimum- en maximumprognose.

     Ook zonder de emotionele rode waaier is de grafiek slecht nieuws. Als we de gemiddelde prognose nemen van een temperatuurstijging van 2,7° tegen 2100, dan zou de temperatuur nog altijd drie keer sneller stijgen dan in de vorige eeuw.
    Nu is dat slechte nieuws voor Nic weer niet slecht genoeg en hij begint een verhaal van positieve feedbacks, tipping points en runaway global warming. Hier wordt het verhaal eenzijdig. Nic legt uit wat positieve feedbacks zijn: als het ijs smelt door de warmte, wordt er minder warmte teruggekaatst in de ruimte en komt er op bepaalde plaatsen methaangas vrij dat zelf een broeikaseffect veroorzaakt. Dat is elementaire fysica. Maar de negatieve feedbacks zijn dat ook. De opwarming zorgt voor grotere terugkaatsing van infrarode straling, en voor meer vegetatie die op haar beurt CO2 uit de lucht haalt. Over de precieze invloed van de feedbacks bestaat weinig zekerheid of eensgezindheid.*** Nic vreest dat die positieve feedbacks zodanig bepalend zullen zijn dat we binnen twintig of dertig jaar de zaken ‘niet meer in de hand hebben’ en dat er een ‘runaway global warming’ komt, een aarde die maar blijft opwarmen. Daarmee verwijdert hij zich wel erg ver van de wetenschappelijke consensus. Het IPCC zelf schrijft in een rapport van 2013 dat een ‘runaway greenhouse effect appears to have virtually no chance of being induced by anthropogenic activities.’ (hier) Het op een hoopje gooien van negatieve feedbacks, positieve feedbacks, tipping points en runaway effect is, vind ik, het zwakste punt van de uiteenzetting, of tenminste van het eerste deel ervan.

    Met zijn runaway effect is Nic aanbeland bij zijn einde-van-de-wereldscenario. Als de CO2-uitstoot niet onder controle is, gaat de bal aan het rollen. Nic laat ook letterlijk een wereldbolballon die hij heeft meegebracht eerst van een trede rollen (opwarming) waarna hij de hele trap afdondert (runaway effect). ‘Dan is het uit onze handen,’ zegt Nic. ‘Als we dan zeggen: we hebben het begrepen, we leggen elke auto stil, elke fabriek stil, dan is het te laat. Het maakt niet meer uit. De aarde warmt zichzelf op. Ik vind dat hard om aan mijn kinderen uit te leggen. Dan komen ze in een wereld waarin je niet wilt leven, want je kunt daar bijna niet meer leven.’ Jill Peeters valt Nic bij en spreekt ergens over een wereld waar ze haar kleinkinderen niet meer zal zien opgroeien. Jean-Pascal Van Ypersele spreekt van een ‘monde inhabitable’. Ik vind dat allemaal interessant als voorspelling, zolang het maar niet als een onderdeel van de wetenschappelijke consensus wordt voorgesteld.
     Na zijn heel sombere voorspellingen, komt Nic aan bij zijn tweede deel: de hoopvolle boodschap. ‘We kunnen er nog iets aan veranderen.’ Dat tweede deel is een verzameling van inspirerende uitspraken en anekdotes. We kunnen op korte tijd de hele wereld laten overschakelen op een andere economie, waarbij onze volledige energiebehoefte gedekt wordt door hernieuwbare energie van zon en wind. We horen van zonnespiegels in Marokko, van kosteloze isolatie in Nederlandse wijken, van energieverstrekkende dakpannen van Elon Musk en van een procédé om windenergie om te zetten in waterstof. Wij krijgen veel losse cijfers, waar we niet veel mee kunnen aanvangen. ‘Importeren van fossiele brandstof kost één miljard euro per dag,’ zegt een zekere Serge De Gheldere. Ik geloof het zo.
     In dat tweede deel komen veel onderwerpen aan bod die erg kort en tegelijk ook erg eenzijdig worden behandeld. Er wordt gesproken over hittegolven die levens kosten aan bejaarden, maar niet over de milde winters die levens redden. Het gaat over gebieden die aan vruchtbaarheid inboeten, maar niet over gebieden die aan vruchtbaarheid winnen. Vliegtuigtickets zijn zogezegd goedkoper dan treinticks omdat ze gesubidieerd worden - alsof die laatste niet gesubsidieerd worden (en hoe!) Investeringen in energietransitie zorgen voor jobs-jobs-jobs, alsof dat geld, anders geïnvesteerd, niet evengoed zou hebben gezorgd voor jobs-jobs-jobs. Voor kosten en bouwtijd van wind- en zonne-energie wordt uitgegaan van de meest optimistische voorspellingen, voor kernenergie wordt uitgegaan van de meest pessimistische****. Enzovoort.*****
     Een rode draad in het tweede stuk is deze. Er wordt ons verteld dat al de beste alternatieve energiebronnen en andere oplossingen al bestáán. Ze zijn ‘de tekentafel voorbij’. Bovendien zijn ze minstens even betaalbaar als de klassieke energiebronnen. ‘Dat geld geven we toch uit,’ zegt De Gheldere. ‘Ofwel geven we het aan Saoedi-Arabië en Rusland, ofwel aan mensen van hier die uw woning komen isoleren. Na zeven jaar is uw investering terugbetaald.***** En op veel plaatsen is zonne-energie nu al de goedkoopste energie geworden.’ Maar als die energie en energiebesparing inderdaad zo goedkoop is, vraag je je af, waarom wordt die markt dan zo verwaarloosd door de grote bedrijven en de multinationals? Het is uiteindelijk de goedkoopste leverancier die zijn concurrenten de baas zal zijn. Maar toch komt er weinig enthousiasme van die kant.
     Daar zijn drie verklaringen voor. Eén, die energie is helemáál niet zo goedkoop als álle kosten worden opgeteld. Twee, de technische problemen zijn nog lang niet allemaal opgelost en de beste oplossingen zijn nog lang niet allemaal gevonden. Dat zijn de verklaringen die bij mij spontaan opkomen. En dan is er de verklaring van de linkse econome Kate Raworth, die we enkele keren in de film zien optreden. Volgens Kate Raworth zijn het de lobbyisten van de fossiele sector die de vernieuwingen blokkeren. Ik geloof dat niet. Zeker, die lobbyisten bestaan. Maar dat ze een concurrent kunnen tegenhouden die winst geroken heeft in de vernieuwbare energie is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijker is dat de fossiele sector zelf zich snel op de vernieuwbare energie zou werpen, zodra die economisch echt rendabel werd (of voldoende subsidies kreeg).

     Nic heeft het in zijn tweede deel wat moeilijk met het kiezen tussen twee accenten. Enerzijds wil hij ons overtuigen dat we eigenlijk niets opgeven door een snelle en radicale energietransitie tegen 2040. We moeten niet terug naar het stenen tijdperk, zegt hij. We krijgen alleen bredere fietspaden, betere treinen, groenere steden, onverslijtbare computers, gezondere groenten uit eigen streek en een rustiger leven zonder burn-outs, in een maatschappij waar alles iets minder om geld draait. De enige zaken die ‘een beetje pijn’ zullen doen is het opgeven van vliegtuigvakanties, van koeienvlees, en van een privé-auto. Zou het echt niet meer zijn dan dat? Ik vraag het mij af. Maar Nic blijft vaag. Ik had eigenlijk liever gehad dat hij een mooie grafiek liet zien waarin, de kostprijs van de versnelde energietransitie – berekend door 97 procent van de wetenschappers – getoond werd in gekleurde staven.
     Ik zeg niet a priori nee tegen zo’n kostprijs, want ik geloof wel dat we iets moeten doen voor het klimaat. Maar ik wil dat toch allemaal eens becijferd zien: én de belastingen én de taksen én de prijsstijgingen én alles wat we moeten opgeven omdat het verboden wordt. Een beetje econoom kan zelfs in geld uitdrukken wat het derven van biefstuk, van vliegreizen en van een privéauto betekent, misschien niet voor een onthecht persoon als Nic, maar voor een gemiddelde burger. En dat komt dan allemaal in een mooie grafiek met correcte cijfers. Nic kan dan een visuele stijl gebruiken om die cijfers te minimaliseren zoals hij die andere gemaximaliseerd heeft; dat vind ik niet erg als ik die cijfers maar krijg. Ik neem graag aan dat een gezond milieu en een geschikt klimaat ook een onderdeel van onze ‘welvaart’ zijn, maar ik wel toch nog altijd eens zien hoeveel ándere welvaart ik daarvoor moet opgeven. Ik wil dat graag weten vóór ik ‘de politici onder druk zet om eindelijk iets te doen’. Gaat het om tien procent welvaartsverlies? Twintig procent? De helft? Nog meer? Als het té veel is, zou ik liever hebben dat er eerst meer – eigenlijk veel meer – wetenschappelijk en technologisch onderzoek gebeurde, ook op de tekentafel, zodat de energietransitie goedkoper en efficiënter kan gebeuren.

     Op het einde van zijn betoog zegt Nic dat we bij een heel radicaal klimaatbeleid niets te verliezen hebben, zelfs als de sombere prognoses uiteindelijk fout blijken. En als de prognoses juist zijn hebben we àlles te winnen, namelijk het voortbestaan van de mensheid. Dat lijkt sterk op de beroemde ‘weddenschap van Pascal’. Voor wie die weddenschap niet kent: met een eenvoudige zoekopdracht kom je te weten wat die weddenschap inhield en welke de redeneerfouten Pascal daarbij heeft begaan.

 
* Er is natuurlijk een verband tussen de opwarming enerzijds en de hittegolven die bosbranden veroorzaken anderzijds. Dat geldt ook voor ongewone neerslag en overstromingen. Maar het is belangrijk om te weten of de intensiteit van die rampen nu met 10, met 20 of met 300 procent zijn toegenomen.

** Op basis van de IPCC-gegevens zoals samengevat door nl.Wikipedia.

*** Die onzekerheid is de reden waarom de waaier zo breed is, met andere woorden, waarom de prognoses zo verschillend zijn. De hypotheses over de positieve feedback zijn dus al opgenomen in de becijferde prognoses van het IPCC.

**** Zonne- en windenergie wordt in de film vergeleken met het totale elektriciteitsverbruik, terwijl kernenergie wordt vergeleken met het totale energieverbruik. Dat laaste houdt véél meer inhoudt dan alleen elektriciteit. Door die ongelijke behandeling wordt het belang van zonne- en windenergie overschat en het belang van kernenergie onderschat.

***** Ik sta ook wantrouwig tegenover het ‘Afrikaanse argument’. Nadat eerst de hele wereld onleefbaar werd vanaf 2040, blijkt in het tweede deel dat vooral Afrika onleefbaar wordt: droogte, watertekort, hongersnood, conflicten, waardoor Europa binnenkort één miljard kandidaat-vluchtelingen voor de deur krijgt. Rudi Vranckx wordt er bijgehaald om een en ander te bevestigen. Nu geloof ik wel dat Afrika voor grote problemen staat, onder andere door de bevolkingsexplosie die eraan komt. We moeten hopen dat het met die explosie goed komt, zoals dat in Azië ook goed is gekomen, maar zeker weten we dat niet. Wat we wel zeker weten is dat, om de Afrikaanse noden te lenigen, andere hulp dringender is dan de beperking van de temperatuurstijging (zie hier).

****** Wij hebben laatst onze woning grondig laten isoleren. Wij kregen daar zelfs subsidie voor. Maar dat we die investering op zeven jaar terugwinnen geloof ik niet.