Posts tonen met het label Mia Doornaert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mia Doornaert. Alle posts tonen

dinsdag 11 mei 2021

Geschiedenisonderwijs vroeger: feitjes, feitjes, feitjes.

 


     Leraar Benjamin Verdru stoort zich in De Standaard van 8 mei aan iets wat Mia Doornaert geschreven had, namelijk dat jongeren geen ‘behoorlijk’ geschiedenisonderwijs meer kregen. Hij vindt dat ‘populistisch’. Doornaert had zich beter moeten informeren vooraleer te schofferen.
     Nu kan het best waar zijn dat Doornaert onvoldoende geïnformeerd is over het geschiedenisonderwijs van nu. Maar misschien is Verdru ook onvoldoende geïnformeerd over het geschiedenisonderwijs van vroeger. Er staat een fotootje bij zijn artikel, en als dat recent genomen is, hebben we hier te maken met een jonge snaak die zich moeilijk een oordeel kan vormen van het geschiedenisonderwijs dat de generatie van Mia Doornaert en ikzelf genoten heeft Hij kent dat maar van horen zeggen. Of misschien heeft hij er iets over gelezen.
     Nu kennen mensen als Mia Doornaert en ikzelf het huidige geschiedenisonderwijs ook vooral van horen zeggen. Maar toch niet alléén van horen zeggen. De Syrische auteur Lukas schrijft in zijn beroemde biografie over Jezus van Nazareth: ‘Het is geen goede boom die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom die goede vrucht voortbrengt.’ (Luk 6:43) Dat was snedig opgemerkt. En dan vinden Doornaert en ik dat de vrucht van de hedendaagse geschiedenislesboom er nogal verpieterd uitziet. Ik hoorde ooit een hoofdredacteur zijn beklag doen over de historische kennis van kandidaat-journalisten die hij op sollicitatiegesprek kreeg. Zeker, de meesten kenden Napoleon van naam, maar of die nu voor of na de Franse Revolutie kwam, dat was een andere kwestie. Ik twijfel er niet aan dat ze dat op school geleerd hadden, maar ze waren het ondertussen vergeten. Dat vind ik een kwade vrucht, al kan die informatie nu worden opgezocht op Wikipedia onder de lemma’s ‘Napoleon’ en ‘Franse Revolutie’.
     Zelf heb ik een elementaire tijdlijn in mijn hoofd van de vaderlandse geschiedenis: de Oude Belgen, waarvan ik de meeste stammen zou kunnen opnoemen, de Romeinen, de Merovingen met hun vadsige koningen, de Karolingen met hun hofmeiers, Pepijn de Korte en Karel de Grote, de Noormannen, de Capetingen, de Kruistochten, het Graafschap Vlaanderen, het gildewezen, de Brugse Metten en de Guldensporenslag, de Bourgondiërs met Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute, het kompas, het buskruit, de val van Constantinopel, de boekdrukkunst met Gutenberg en Plantijn, de Spanjaarden met Keizer Karel in wiens rijk de zon nooit onderging, en dan zijn sombere zoon Filips de Tweede, de dikke Luther en de magere Calvijn*, de Beeldenstorm, de hertog van Alva die ongenadig was, Egmont en Hoorn, de Spaanse Furie, de Oostenrijkers met de goede Maria-Theresia en de bemoeizieke keizer-koster, Vonck en Vandernoot, de revolutionaire Fransen met Jemappes, Neerwinden** en Fleurus, de Boerenkrijg, Napoleon, Waterloo, het Hollands Bewind met ‘Wilde Willem Wijzer Worden’,  de Belgische koningen, de slag bij Risquons-Tout … en dan vergeet ik nog de culturele en wetenschappelijke component met de Vlaamse primitieven, Orlando di Lasso, Rubens, Van Dijck, Vesalius, Dodoens, Simon Stevin, Mercator met zijn lange en Peter Benoit met zijn korte baard ...
     Misschien vindt Verdru dat mijn lijstje niet erg evenwichtig in elkaar steekt en dat er weinig begrip voor de grote historische verbanden uit blijkt. Ik wil mij daar voor verontschuldigen. Maar om misverstanden te voorkomen voeg ik er gauw aan toe dat de kennis die ik zojuist citeerde die is van … de lagere school***. Het is wat er eerst komt bovendrijven van wat ik mij na 55 jaar herinner. Ik vrees dat er nogal wat onlangs afgestudeerde leerlingen van het middelbaar zijn die zo’n lijstje niet zouden kunnen opstellen, om te beginnen met mijn eigen zoon die nochtans altijd een flinke student is geweest met een normale interesse voor geschiedenis. Trouwens, als ik er mijn middelbare school bij betrek, zou mijn lijstje er wat systematischer uit zien, wat minder bekrompen zijn, en wat meer getuigen van inzicht in de grote verbanden.
     En dan spreek ik alleen over mijn generatie. In de tijd van mijn vader werd in de geschiedenisles nog heel wat dieper op de zaken ingegaan. Mijn vader weet ongeveer van elke Franse koning wie zijn tijdgenoot was op de Engelse troon, met wie ze getrouwd waren en welke van de twee echtgenotes het slechtste karakter had.  Hij weet ongeveer hoe het o zo ingewikkelde Heilig Roomse Rijk in elkaar stak. Hij weet welke gebieden van Duitsland zich tot het lutheranisme en welke zich tot het calvinisme bekeerd hebben.  Hij zal zich niet snel vergissen tussen de generatie van Mme De Staël en die van Georges Sand. Hij weet wat Maistre ongeveer te vertellen had over de monarchie en het pausdom. Als ik met mijn vader spreek, ben ik jaloers op al die dingen die hij weet, en ik niet. Als ik met mijn zoon spreek, ben ik bedroefd om al die dingen die hij niet weet, en ik wel.
     Dat betekent ondertussen niet dat de leraren van nu minder kennis zouden hebben dan die van vroeger. Mijn collega’s van geschiedenis deden mij telkens weer versteld staan. Ze konden mij van elk decennium van het Romeinse rijk vertellen hoe lang de militaire diensttijd duurde. Ze kenden de namen van alle acht kinderen van Hendrik II en Eleonora van Aquitanië. Als ik iets vroeg over Karel V wilden ze eerst weten of ik die van Gent, die van Napels, die van Vincennes of die van Madrid bedoelde?  Ook kenden ze in grote lijnen het liefdesleven van al die Karels. Alleen mochten ze daar in de les niet te veel over vertellen. Want het leerplan want het geschiedenisleerplan is, zoals dat heet, ‘van andere dingen doordrongen’.
     Ik vrees dat ik Verdru nu in zijn oordeel over het vroegere geschiedenisonderwijs heb bevestigd: een stroom van anekdotiek en feitjes, bij elkaar gehouden door romantische – daarom nog niet geromantiseerde – verhalen. Ik wou er hier alleen even op wijzen hoe krachtig die stroom geweest is, en hoezeer de ‘romantiek’ ertoe bijdroeg om die feiten in het geheugen te prenten. Morgen of overmorgen schrijf ik een nieuw stukje waarin ik mij afvraag of de geschiedkundige feitenstroom van vroeger door iets vervangen is dat veel beter is. Verdru denkt van wel. Ik van mijn kant … euh … we zien wel.

* Daarbij vertelde meester Bernard dat je het verschil in godsdienstige overtuiging van die twee kon afleiden uit hun portret en maakte hij een grapje over Calvé mayonaise. 

** Jemappes en Fleurus herinner ik mij van de lagere school. Neerwinden heb ik moeten opzoeken. Wat verder heb ik Simon Stevin en Mercator  toegevoegd nadat Hugo Maes die mij in herinnering bracht. 

*** Zie ook hier en hier.  Dat ondertussen niet iedereen even boeiend les gaf als meester Bernard en meester Dutoit geloof ik graag. 


maandag 23 juli 2018

Subsidies voor de letteren

     Hoewel ik over zulke zaken les geef, had ik tot voor kort nooit gehoord over het bestaan van een Vlaams Fonds voor de Letteren. Ik legde mijn leerlingen uit dat er literaire ‘werkbeurzen’ bestaan, en ‘commissies’ die die toekennen, en ‘criteria’ waar je aan moet voldoen om zo’n beurs te krijgen. Maar hoe die instelling heette die zich met die dingen bezighield, wist ik niet.
     Dat is nu veranderd. Eerst verscheen in Het Nieuwsblad van 16 juni een artikel over het Fonds en de bedragen van die beurzen. Daaruit bleek dat een beperkt clubje schrijvers en dichters - Leonard Nolens, Elvis Peeters, Paul Claes, Marita De Sterck, Paul Verrept, Luuk Gruwez, Klaas Verplancke – al sinds 1999 élk jaar een subsidie ontvangen van 10 000 tot 20 000 euro per jaar.* Leonard Nolens had de laatste achttien jaar 368 192 euro aan literaire subsidies ontvangen. Ik vond dat veel geld.
     En dan ontstond er vorige week enige herrie omdat Mia Doornaert door N-VA voorgedragen was als nieuwe voorzitter van het Fonds. Allerlei politiek correcte lieden maakten zich ongerust of boos. Ik begrijp dat. De vorige voorzitter, Jos Geysels (Groen), was één van hen geweest, en nu wordt die afgelost door iemand die niet één van hen is. Toch zou ik mij niet al te veel zorgen maken. De lezers van Doorbraak weten dat zowel tegenstanders van Mia Doornaert (Johan Sanctorum) als voorstanders (Marius Meremans) al overtuigend hebben betoogd dat er aan het beleid van het Fonds niet veel zal veranderen.
     Moet dat beleid dan veranderen? Sterker nog: zijn al die subsidies aan romans, verhalen en dichtbundels überhaupt wel nodig? Als de lezer zich over die kwestie een eigen mening wil vormen verwijs ik hem graag naar de mooie polemiek die de broers Van het Reve daarover met elkaar hebben gevoerd in 1962. De argumenten tegen subsidies vind je bij Karel van het Reve in ‘Het verweesde boekenbal’ en die vóór subsidies bij Gerard van het Reve in ‘Brief uit schrijversland’, respectievelijk verschenen in Marius wil niet in Joegoslavië* wonen en Op weg naar het einde. Klaarder dan de Van het Reves kan ik de argumenten niet uiteenzetten, en ik geloof niet dat er in Vlaanderen en Nederland veel rondlopen die dat wel kunnen.
     Een vraag in dit verband wil ik echter wel even aanraken: worden er nu te veel of te weinig boeken geschreven? Subsidies, lijkt het wel, worden vandaag vooral gebruikt om de literaire productie te vermeerderen. Maar er verschijnen jaarlijks al zoveel boeken. Ik volg dat niet nauwgezet, maar daar moeten toch dingen bij zijn die eigenlijk niet de moeite waard zijn om gedrukt of gelezen te worden. Heeft men er al eens over nagedacht hoe men subsidies zou kunnen gebruiken om die slechte boeken ván de markt te houden?**
     We kennen uit de oudheid allemaal het voorbeeld van Maecenas die zijn fortuin gebruikte om dichters als Vergilius, Propertius en Horatius te onderhouden. Minder bekend is het voorbeeld van de Romeinse dictator Sulla. Die Sulla was een verdorven man, die lange lijsten aanlegde van tegenstanders en rivalen die moesten worden vermoord en wier bezit hij dan binnenrijfde. Maar hij was ook een groot kenner van de literatuur (‘Graecis atque Latinis eruditis’) en een vriend van schrijvers (‘amans virorum litteratorum’). Hij reikte daarbij niet alleen geld uit aan de goede schrijver, maar ook aan de slechte schrijver (‘mali poetae’), op voorwaarde echter dat die daarna niets meer zou schrijven (‘ea tamen lege ne quid postea scriberet’). Kan Doornaert hier inspiratie halen om een subsidiebeleid te voeren op twee fronten tegelijk?
     Maar als Doornaert liever een bescheiden start neemt, heb ik nog een ander voorstel. Het Vlaams Fonds voor de Letteren heeft een website waar het zichzelf voorstelt in een taal die elke literatuurminnaar een gruwel zal zijn. Ik citeer uit de ‘missietekst’: ‘Het VFL draagt via een geïntegreerd letterenbeleid zorg voor een dynamisch en divers letterenveld, waarbij de auteur en de lezer centraal staan. Het wil een breed toegankelijk literair landschap mogelijk maken en …’ Ik ben zeker dat sommige van mijn lezers al hebben afgehaakt op die afschuwelijke clichés. Kan de nieuwe voorzitter dáár ten minste iets aan doen?


* Dat bedrag komt boven hun andere inkomsten uit auteursrechten en lezingen, als die tenminste niet hoger liggen dan 40 000 euro per jaar.

** Ook in Verzameld Werk 3.
***Gerard van het Reve was ervan overtuigd dat zijn eigen subsidievoorstel zou leiden tot een kieskeuriger uitgavenbeleid.


zaterdag 18 november 2017

Bart Eeckhout over de 'relletjes'

      Met het kopje hierboven heb ik u, beste lezer, bij de neus genomen. Bart Eeckhout heeft van de week in De Morgen twee stukjes (hier en hier) geschreven over het Brusselse straatgeweld en hij heeft daarbij niet, zoals De Standaard de week ervoor (hier), het vergoelijkende woord ‘relletjes’ gebruikt. Bart Eeckhout gebruikt net heel flinke taal: de gewelddadige jongeren zijn ‘idioten’, ‘asociale onruststokers’ en ‘crapuultjes’. Hij gebruikt nog net niet de ruwe term ‘kutmarokkanen’ die in de kolommen van Het Laatste Nieuws verscheen. Eeckhout heeft de gouden regel begrepen: als je slappe praatjes in de aanbieding hebt, kun je beter sterke woorden gebruiken.
     Eeckhout behandelt in zijn twee stukjes de vraag wat de overheid moet doen om het straatgeweld te bestrijden. Politieoptreden en gevangenisstraf zijn volgens hem niet voldoende. ‘Die overheid,’ schrijft Eeckhout ‘kan niet garanderen dat jongeren zich gedragen … Maar ze kan bijvoorbeeld wel het recht op degelijk onderwijs garanderen.’
     Ordehandhaving en onderwijs, ’t is een oude kwestie en ik kom er nog op terug. Maar zoals Eeckhout ze formuleert, haalt hij beleid en garantie op succes door elkaar. De overheid kan wel politie op straat sturen, maar ze kan niet garanderen dat de crapuultjes zich daardoor laten afschrikken, en de overheid kan ook wel onderwijs aanbieden, maar ze kan evenmin garanderen dat dat onderwijs degelijk is.
     Eeckhout schrijft dat in veel Brusselse scholen ‘deplorabele’ toestanden heersen. Kinderen worden naar een school gestuurd waar ‘het onderbemande en onderbetaalde onderwijspersoneel … dweilt met de kraan open’. Daar klopt niets van, behalve dat van de dweil en de kraan. Kinderen worden niet naar zo’n school ‘gestuurd’ want ons land heeft gelukkig vrije schoolkeuze.* Onderbetaald en onderbemand? Er zullen heus wel financieringsproblemen zijn maar het onderwijspersoneel wordt in die scholen geloof ik hetzelfde betaald als in andere scholen en er zullen ook wel evenveel leraren zijn per aantal leerlingen.
     U hebt mij niet horen zeggen dat die ‘deplorabele’  toestanden in de Brusselse scholen niet bestaan. Die bestaan juist wel. En de oorzaak ligt, vrees ik, bij dezelfde crapuultjes die de straat onveilig maken. Zelf zou ik in zo’n school geen les willen geven, al bood men mij een miljoen en al plaatste men, om ook het probleem van de onderbemanning op te lossen, een co-teacher naast mij. Mocht men in zo’n school een ijzeren tucht willen en kunnen afdwingen, dan wil ik het overwegen, maar daar zal meer voor nodig zijn dan extra financiële middelen.

     Eeckhout schrijft dat gepast repressief optreden tegenover de jonge geweldenaars het ‘gemakkelijke deel’ van de opdracht is. Waar haalt hij dat toch vandaan? De laatste weken hebben net laten zien dat dat ‘deel’ helemáál niet gemakkelijk is. Snel ter plaatse zijn met voldoende politiemensen, ter plaatse oppakken van minderjarige geweldplegers, snelle en efficiënte straffen uitspreken– het stelt allemaal ernstige problemen op het bestuurlijke, juridische en menselijke vlak. Wetgeving moet worden aangepast. Strafinstellingen moeten worden bijgebouwd of omgevormd en vernieuwd. En dan moet de PS-burgermeester mee willen werken en dient er ook nog eens een politieke consensus te worden gevonden met oppositiepartijen als CD&V.
     Ik wil Eeckhout zijn standpunt niet verkeerd voorstellen. De man pleit niet tégen politieoptreden en uitsluitend vóór meer geld naar de scholen. Politieoptreden en welvarende scholen zijn allebei belangrijk, schrijft hij. ‘Laten we niet in de luie redenering trappen dat de ene beleidskeuze de andere uitsluit.’ Maar ook hier is weer van alles fout. Je kunt ten eerste niet in een redenering ‘trappen’.** Er is ten tweede niemand die de redenering aanhangt. En ten slotte, mocht al iemand die redenering aanhangen: zij is zeker niet ‘lui’. Het is net ‘lui’ om géén keuzes te maken en géén rangorde vast te leggen.
     Ik weet niet of Eeckhout lui is. Hij heeft in elk geval op het vlak van geweldbestrijding zíjn rangorde uitgekiend. Bij die rangorde is  repressie noodzakelijk, maar krijgt onderwijs de voorrang. Degelijk onderwijs staat voor preventie, betekent winst op de lange termijn en is de kerntaak van de overheid. Dat zijn goede argumenten, maar onvoldoende om de vraag van de voorrang te beslechten. Tegen alle drie valt immers wel iets in te brengen. Misdaadpreventie door onderwijs –  akkoord, maar een streng strafbeleid heeft ook al menig aankomend straatboefje afgeschrikt. Onderwijs efficiënter op de lange termijn – misschien, maar die lange termijn is nogal speculatief nu blijkt dat integratieproblemen met allochtonen generatie na generatie erger worden. Onderwijs als kerntaak van de overheid – mja, maar er zijn lange periodes in de geschiedenis geweest dat onderwijs werd verstrekt door private of kerkelijke organisaties. Dat is voor repressieve ordehandhaving slechts uitzonderlijk het geval geweest.

     De twist over het beste middel tot misdaadbestrijding is al lang aan de gang. In 1834 bijvoorbeeld zei Victor Hugo dat Frankrijk de lonen van zijn tachtig  beulen beter zou gebruiken om zeshonderd leraren te betalen.*** Dat zou het beste middel zijn om misdaad en prostitutie te voorkomen. Wie weet? Ik ben zelf erg blij dat we in een land leven met meer leraren dan politiemannen. We besteden gelukkig veel meer middelen aan onderwijs dan aan ordehandhaving. Maar als het op ordehandhaving aankomt, geloof ik dat het zwaartepunt toch het beste ligt ... bij ordehandhaving.

 _____________
 
* Als bijna alle Franstalige scholen in Brussel ‘deplorabel’ zijn, en dat kan best, dan blijft er in de praktijk van die vrije schoolkeuze niets meer over. Dàt is natuurlijk wél waar.

** Ook elders gaat Eeckhout creatief om met de taal. ‘Natuurlijk treffen leerkrachten geen schuld,’ schrijft Eeckhout. Is de opiniërende hoofdredacteur van mening dat die leerkrachten het onderwerp van de zin uitmaken in plaats van het lijdend voorwerp? Of wil hij Mia Doornaert jennen die laatst voor die fout waarschuwde op de televisie en daarna nog eens in De Standaard? ’t Is mogelijk. Maar verder schrijft hij ook: ‘Natuurlijk treffen scholen daar geen verantwoordelijkheid.’ Welja: ik tref geen verantwoordelijkheid, jij treft geen verantwoordelijkheid, wij treffen geen verantwoordelijkheid ... Onze taal is in voortdurend in beweging. (Met dank overigens aan Herman Jacobs die mij wees op enkele taalfoutjes in míjn stukje.)


*** Tachtig … zeshonderd … dat is een behoorlijke loonkloof.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.