dinsdag 17 maart 2026

BDW en Oekraïne - 20 notities


1. Mocht ik het niet eens zijn met Bart De Wever over Oekraïne, dan zou ik nu in alle talen zwijgen. Maar ik denk – weten doe ik het niet – dat De Wever gelijk heeft. Omdat de discussie vaak gevoerd wordt over één woord (‘normalisering’) geef ik in bijlage een ruimhartiger selectie van De Wevers uitspraken.

2. De essentie van het standpunt is  

  1. De oorlog zal niet eindigen met een Russische militaire nederlaag maar met een ‘gelijkspel’
  2. Europa moet Oekraïne militair blijven steunen zolang de oorlog duurt; 
  3. Europa moet met Rusland de dialoog aangaan; 
  4. Europa moet mee onderhandelen over de vrede; 
  5. Die vrede moet duurzaam zijn, maar rechtvaardigheid is te hoog gegrepen;
  6. Bij die vrede hoort dat Oekraïne een deel van zijn grondgebied verliest; 
  7. Oekraïne moet politiek en militair onafhankelijk blijven;
  8. Oekraïne moet zich bij de Europese Unie kunnen voegen, weg van de Russische invloedssfeer; 
  9. Na het vredesbestand moet Europa de economische betrekkingen met Rusland opnieuw aanvatten; 
  10. Europa moet zich hoeden voor blijvende imperialistische ambities van Rusland.

3. Hoe lang denkt De Wever al op die manier over de controversiële punten (3) - (6) ? Ik vermoed: al vier jaar, aangezien ik er zelf al vier jaar zo over denk en dat ook zo heb geschreven.

4. Waarom heeft De Wever al die tijd over die controversiële punten gezwegen? Wie politiek verantwoordelijk is moet zijn moment afwachten. De Wever heeft de rare gewoonte om op vragen van journalisten een echt antwoord te geven, ook al zegt hij dan iets wat niet opportuun is. Maar hij doet dat ondertussen al zo lang, dat hij goed weet wannéér hij een uitspraak mag doen die niet opportuun is.  

5. De Wever heeft gezegd dat veel Europese collega’s in een gesprek onder vier ogen hetzelfde zeggen als hij. Dat brengt mij weer bij de theorie van Openbare Kennis waar Steven Pinker zijn nieuwste boek over schreef. Volgens die theorie is de wetenschap dat Rusland de oorlog niet zal verliezen – waar of niet – private kennis die circuleert in een bepaald milieu. Het wordt maar Openbare Kennis als die regeringsleiders van elkaar weten dat de anderen het ook weten, en dat ze weten dat de anderen weten dat zij het zelf weten enzovoort.
     Als dat zo is, heeft De Wever een uitspraak gedaan waardoor Openbare Kennis is ontstaan. Het was hetzelfde soort uitspraak dat De Wever deed tijdens de Grandes Conférences Catholiques: ‘Wie in deze zaal gelooft echt dat Rusland de oorlog zal verliezen?’ – ervan uitgaande dat niemand in de zaal dat geloofde. In de diplomatie moet je met zulke uitspraken voorzichtig zijn. Als je te vroeg roept dat de keizer geen kleren aan heeft, riskeer je dat de iedereen verontwaardigd protesteert dat de keizer wél kleren aan heeft.
 

6. Christophe Degreef besluit zijn stuk op Doorbraak met de woorden: ‘Buitenlandminister Maxime Prévot (Les Engagés) fluit de premier voor de bühne terug over diens uitspraken, maar the word is out. Precies: the word is out.

7. Als Zelenkist-aan-de-zijlijn heb ik vooral stukjes geschreven tegen Tom Sauer en co die de militaire steun aan Oekraïne wilden stopzetten zodat Europa een ‘neutrale bemiddelaar’ kon worden. Als Europa onderhandelt met Rusland, moet dat zijn als bondgenoot van Oekraïne.

8. Het stuk van Pieter Lagrou in De Standaard (17/3) bevat, op een paar polemische punten na, een degelijke argumentatie tegen De Wever. Lagrou denkt dat Oekraïne de oorlog zal winnen, misschien al in 2026 maar zeker vanaf 2027, en dat er dan in Rusland een regimewissel zal plaatsvinden. Lagrou somt alle sterke punten op van Oekraïne, en alle zwakke punten van Rusland. Ik lees zulke analyses veel liever dan de analyses waarin men, vaak met leedvermaak, alle zwakke punten van Oekraïne opsomt en alle sterke punten van Rusland. Maar wat ik graag lees, heeft weinig invloed op de werkelijkheid.

9. Tim Haesebrouck (DS 16/3) vat het in zijn opiniestuk goed samen: ‘Als we Rusland te zwak inschatten, riskeren we zelfgenoegzaamheid … Tegelijkertijd mogen we Rusland niet als te sterk inschatten, want dan riskeren we moedeloosheid.’ Ja, het beste is als we Rusland helemaal juist inschatten. Gelukkig moet ik dat niet doen.

10. De Oekraïense frontlijn is al bijna vier jaar geblokkeerd, en zonder doorgslaggevende argumenten, ga ik ervan uit dat dat binnen twee jaar nog zo zal zijn, zoals men in de meteorlogie, op kortere termijnen weliswaar, spreekt van de ‘persistentie van het weer’.

11. Het was misschien allemaal anders geweest als het Westen vanaf dag één een veel massaler militaire steun had gestuurd naar Oekraïne, of als het onmiddellijk in één keer een radicale economische boycot had toegepast. Maar ik kan mij allerlei redenen – ook goede – voorstellen waarom dat niet is gebeurd.

12. De situatie zou er voor Oekraïne een stuk rooskleuriger uitzien, mochten de VS zich met hun volle militaire gewicht achter Oekraïne blijven plaatsen. We weten ondertussen dat dat zo niet is. In de VS wordt de analyse gemaakt dat de belangen van Oekraïne slechts heel gedeeltelijk samenvallen met die van de VS.

13. De Europese leiders beseffen wel dat de belangen van Europa en die van Oekraïne grotendeels samenvallen. Dat zijn in de eerste plaats geopolitieke belangen. Oekraïne heeft Europese steun en garanties nodig tegen Rusland. Europa kan zich geen overwinning van Poetin veroorloven, want die zou een aanzet kunnen zijn voor verdere Russische avonturen. De toekomstige veiligheid van Europa zal mee bepaald worden door de kracht van het Oekraïense leger.

14. Er zijn ook verschillen in de belangen van Europa en die van Oekraïne. Voor Oekraïne is de territoriale integriteit van het land een halszaak, voor Europa niet. Voor Oekraïne kan de economische boycot van Rusland niet radicaal genoeg zijn, voor Europa ligt dat anders. Voor Oekraïne heeft de toetreding tot de EU onmiddellijke voordelen; voor Europa zal het in een eerste fase vooral veel geld kosten.

15. Europa moet de militaire en economische steun die het aan Oekraïne geeft niét gebruiken als chantagemiddel om Oekraïne tot een inschikkelijker houding te brengen. Maar Oekraïne moet er rekening mee houden dat die steun, bovenop het verlies dat Europa lijdt door de boycot die het zelf organiseert, niet onbeperkt is. Die steun kan misschien nog worden opgevoerd, maar kan realistisch gesproken kan die niet worden verdubbeld of verdriedubbeld.

16. De Europese leiders zijn begrijpelijkerwijze bang van directe onderhandelingen met Rusland. Het is makkelijker om in het Europees Parlement vastberaden taal te spreken tegen Poetin, dan om hem aan de onderhandeltafel tegen te komen. Iedereen weet op voorhand dat Poetin heel veel skin in the game heeft en dus tot de allergrootste koppigheid geneigd zal zijn. Je krijgt de indruk dat sommige Europese leiders bij de gedachte aan onderhandelingen even bang zijn van de koppigheid van Poetin als van hun eigen toegeeflijkheid als het erop aan komt. Maar angst is een slechte raadgever. 

17. Onderhandelingen moeten van twee kanten komen. Wat heeft Europa dat het Rusland kan aanbieden – in samenspraak met Oekraïne: 1) een uitweg uit een uitzichtloze situatie; 2) een gelijkspel dat kan worden verkocht als een overwinning; 3) herstel van economische betrekkingen van wederzijds voordeel.

18. Voor economisch herstel is goedkope energie nodig, en als we die, na een duurzame vrede, uit Rusland kunnen betrekken, moeten we dat niet nalaten. In Knack lees ik: ‘Wie beweert dat Russisch gas goedkoop is, is totaal misleid.’ Dat betwijfel ik, maar ik begeef mij niet in een welles-nietes   discussie over ecologie. We moeten natuurlijk geen duur Russisch gas meer kopen de dag dat we voldoende goedkope windenergie hebben om onze industrie en al de rest draaiende te houden, maar dat zal nog wel even duren.

19. Maakt Europa dezelfde fout als voor de oorlog als het zich zich opnieuw ‘afhankelijk’ maakt van Russisch gas? Daar moet inderdaad  over worden nagedacht. Het is beter om verschillende leveranciers en gediversifieerde energiebronnen te hebben dan maar één leverancier en één energiebron. Maar de kwestie van de afhankelijkheid speelde dubbel. Als Europa geen afnemer was geweest van Russisch gas, had het ook dat Russisch gas niet kunnen boycotten. Poetin kan met zijn gasvoorraad mogelijk chantage uitoefenen op Europa, maar bij de Oekraïne-oorlog is het Europa dat (terecht) chantage heeft uitgeoefend op Rusland. En mochten we bij een toekomstig conflict weer van goedkoop Russisch gas naar duurdere energie moeten overschakelen, dan is dat geen reden om ondertussen ook voor duurdere energie te kiezen.

20. In de Kamer heeft Magnette een toespraakje gehouden waarin hij de recente uitspraken van Bart De Wever over Oekraïne ‘hallucinant’ en ‘defaitistisch’ noemt omdat ze ‘perfect beantwoorden aan de wensen van Vladimir Poetin en omdat ze België helemaal achter Donald Trump laten aanlopen.’ Het is een mooi voorbeeld van Latijnse retoriek. Zie hier. Het antwoord van Bart De Wever is ook mooi, maar zakelijker, met een echt citaat. Zie hier.


Bijlage
De uitspraken van De Wever in L’Echo

‘Europa is de enige die Oekraïne nog steeds financieel steunt zonder aan de onderhandelingstafel te zitten. We kunnen wel blijven zeggen dat we deze oorlog zullen winnen maar militair gezien is dat niet waar: naar mijn mening zal er een bevriezing komen langs de frontlijn, zoals tussen Noord- en Zuid-Korea. Wat heeft het voor zin om deze oorlog te verlengen zonder een duidelijke en beslissende overwinning?’  

‘We mogen Oekraïne niet in de steek laten. Het moet een soeverein, democratisch land blijven dat zichzelf kan verdedigen, en we moeten het in de Europese familie onderbrengen. Daarover valt niet te onderhandelen. De vraag is wat we Rusland te bieden hebben opdat het dit zou accepteren. Want we kunnen ze niet dwingen, zelfs niet als men ons die illusie probeert te verkopen. Dat zou het geval zijn als het Westen verenigd was, maar dat is het niet, en Poetin weet dat.   

‘De Chinezen profiteren van de toegang tot goedkope fossiele brandstoffen, de Verenigde Staten verdienen geld door ons de wapens te verkopen die aan Oekraïne worden geleverd. We verliezen op alle fronten. Het conflict moet beëindigd worden in het belang van Europa. Zonder naïef te zijn over Poetin. Dat is een fout die we nooit mogen herhalen. We moeten ons herbewapenen en de grens bewapenen. En tegelijkertijd moeten we de betrekkingen met Rusland normaliseren en weer toegang krijgen tot goedkope energie. Dat is gezond verstand. Privé zeggen Europese leiders dat ik gelijk heb maar niemand durft het ook hardop te zeggen.’



maandag 16 maart 2026

De gehoorzame vrouw, e.a.


De gehoorzame vrouw
       Van de babyboomers, blijkt uit een ondezoek, vindt 13 % van de mannen dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is een kleine minderheid en dat kan kloppen. Ik ben zelf van de babyboomergeneratie en ik heb nooit gedacht dat mijn vrouw mij moet gehoorzamen. Ik heb een vooroordeel tegenover iedereen die zoiets denkt of zegt.
  
     Toen Charlie Kirk was doodgeschoten, heb ik een en ander over die rechtse propagandist opgezocht. Ik zag enkele filmpjes en las enkele van zijn uitspraken, en een ervan was dat een vrouw haar man moest gehoorzamen. Op slag had ik geen interesse meer voor de man. Ik veronderstelde niet eens dat zijn huwelijk ook werkelijk op zo’n eenzijdige gehoorzaamheid gebouwd was – dat kan ik niet weten, every marriage has its secrets   maar alleen het feit dat hij zoiets zéi, niet in 1850 of in 1950, maar in 2020 was voor mij genoeg. Ik heb er geen bezwaar tegen dat men bij een protestants huwelijk de formule preveld van het Book of Common Prayer (1549) met het voorschrift dat een vrouw haar man moet ‘love, cherish and obey’. Maar je kunt die woorden niet herhalen, vind ik, in politieke propaganda.
      Nu lees ik dat van de generatie Z – de generatie van mijn zoon – 31 procent van de mannen vinden dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is problematisch. Komt het door de ‘islamisering’? Is het de invloed van Andrew Tate? Zien we hier een reactie tegen de excessen van woke? Is er een opstand aan de gang van jonge mannen tegen de feminisering van de maatschappij en haar waarden? Dat is allemaal best mogelijk. Maar misschien ook gaat het meer om een leeftijdsverschil dan om een evolutie. De babyboom-antwoorden komen van bezadigde mannen op leeftijd, die van Gen Z van overmoedige jongens die nog niet getemd zijn door het leven en het huwelijk.
     En dan moeten we bij zo’n onderzoek ook nog proberen te raden hoe de respondenten de hun voorgelegde vragen hebben geïnterpreteerd.  Ik legde de vraag voor aan mijn moeder. ‘Een vrouw moet haar man altijd gehoorzamen, ja of nee?’ Ze wist ze niet goed wat ze moest zeggen.  Uiteindelijk zei ze: ‘Man en vrouw moeten samen beslissingen  nemen. Dat is al wat anders dan een antwoord met ‘ja’ of ‘nee’, alhoewel het vanuit de logica een ‘nee’ inhoudt als je doordenkt. Maar mogen we ervan uitgaan dat alle respondenten altijd logisch doordenken?
     Er is nog een andere kant aan de zaak. In het onderzoek werd ook een andere vraag voorgelegd: ‘Een echtgenoot zou het laatste woord moeten hebben bij belangrijke beslissingen in huis, ja of nee?’ Dat is een vraag van een heel andere soort, en toch is er amper een verschil tussen de antwoorden. Nu zegt 33 procent van de babyboomers ‘ja’ op die stelling in plaats van 31 procent. Het lijkt er wel op alsof ze die twee vragen door elkaar halen.
     De vraag over wie het laatste woord moet hebben is vrij moeilijk te beantwoorden. Het antwoord van mijn moeder – ‘samen’ – is hier niet bruikbaar omdat gevraagd wordt wat er moet gebeuren als men er samen niét uitraakt. Je kunt tussen man en vrouw geen democratische stemming organiseren, want ze bezitten elk de helft van de stemmen. Ik meen te weten hoe het er in veel gezinnen aan toe gaat: over sommige kwesties heeft de man het laatste woord, en over sommige kwesties heeft de vrouw het laatste woord.
      Er bestaat een oud cafémopje. Een man zegt: ‘Ik mag alles beslissen over de binnenlandse en buitenlandse politiek, en mijn vrouw over al de rest.’ Maar meestal is de toekenning van het laatste woord een veel ingewikkelder zaak, waarbij gewoontes, karakter, taakverdeling, kennis, humeur van het moment, en ‘skin in de game’ allemaal een rol spelen. Voor de renovatie van ons appartement hebben mijn vrouw en ik samen een hele reeks beslissingen moeten nemen. Vaak wisten we achteraf niet eens hoe we tot die beslissing gekomen waren. Sommige kwesties lieten we over aan de architecte. Maar er waren ook kwesties waarvan ik tegen mijn vrouw op voorhand zei: ‘Ik zal nu eerst zeggen wat ik ervan denk, maar wind je niet op want hierover heb jij het laatste woord.’ Ik kan toch moeilijk mijn mening over keuze van behangpapier even zwaar laten doorwegen als die van mijn vrouw die weken piekert over de verschillende tinten wit en groen in de slaapkamer.
     Ik heb van Steven Pinker geleerd dat een van de manieren om een speltheoretisch dilemma op te lossen erin bestaat om zonder veel nadenken te grijpen naar het meest in het oog springende antwoord. Dat weerspiegelt niet noodzakelijk het werkelijke gedrag van mannen en vrouwen; het is gewoon het gemakkelijkste, meest stereotiepe antwoord, zeker als de vraag theoretisch wordt gesteld en men er niet, zoals ik, een paar uur over nadenkt.
      Mijn veronderstelling is nu dat het traditionele antwoord – ‘de man beslist’ – als eerste opkomt bij alle ondervraagde generaties, als een soort referentiepunt. Maar de babyboomers zijn opgegroeid in een tijd dat vrouwenemancipatie een onbezoedeld ideaal was. Zij verwerpen het traditionele antwoord als gevolg van  een bewuste inspanning. De Gen Z’ers zijn opgegroeid in een tijd dat feminisme allerlei bijbetekenissen heeft gekregen. Sommigen van hen 
 31 tot 33 procent  verwerpen het antwoord van de babyboomers, en dat doen ze eveneens als gevolg van een bewuste inspanning. Maar noch de boomers noch de Z’ers gaan op het enquêteformulier een klein opstel schrijven over hoe het nu echt zit met die beslissingen tussen man en vrouw. 

 

Verkeersdeskundigen
     Van alle deskundigen heb ik het minste vertrouwen in verkeersdeskundigen. Dat komt misschien omdat ik alleen Kris Peeters ken die in die hoedanigheid een column heeft in De Standaard. Die man, heb ik de indruk, streeft niet naar optimaal openbaar vervoer, maar naar maximaal openbaar vervoer. Maar in De Standaard van 12 maart stond nu een column van twee economen dat meer waard was dan tien stukken van Peeters.
      In het begin van hun stuk schrijven de economen dat de politieke discussie zich niet mag beperken tot ‘individuele verhalen van mensen die aangewezen zijn op het openbaar vervoer.’ Welnu, ik heb zelf zo’n individueel verhaal. Indertijd legde ik het traject Menen – Grasheide verschillende keren per jaar af met het openbaar vervoer. Ik raakte tot in Mechelen met de trein, en vandaar was er elk uur een bus naar Grasheide. Ik had meestal 2 tot 3 medepassagiers. Die bus rijdt nu maar twee keer per dag meer, voor jongelui van het platteland die in Mechelen op school willen gaan, en voor jongelui van Mechelen die op het platteland op school willen gaan.  Zelf moet ik voor die verplaatsing een andere regeling zoeken, door bijvoorbeeld mijn agenda af te stemmen op die van mijn vrouw.
     En nu zeggen die professoren dat de politieke discussie niet mag worden beperkt tot mijn verhaal. Ze hebben natuurlijk gelijk. Ze leggen ook uit waar de oplossing ligt: economisch berekenen van optimale tarieven en frequenties, kostprijs afdekken door ticketverkoop, differentiatie tussen spits- en daluren, samenwerking met taxibedrijven en Uber, rekeningrijden voor auto’s. Het heeft geen zin, schrijven zij, om het  algemeen prijs- en frequentiebeleid af te stemmen op de groep van de zeer lage inkomens. Voor hen moet er een specifiek beleid zijn met bijvoorbeeld gerichte toelagen. 


zondag 15 maart 2026

VDB over Jambon, e.a.


Het chagrijn van Vandenbroucke
 
     Hier thuis ben ik het die moet sussen als Frank Vandenbroucke op het scherm komt. ‘Wat een stuk chagrijn,’ zegt mijn vrouw, waarop ik dan soms antwoord: ‘Misschien ziet hij er alleen zo uit.’ Maar nu heeft Vandenbroucke in Knack iets gezegd dat bij mij slecht gevallen is. ‘Als de boodschap van Jambon is dat vrouwen harder moeten werken, vind ik dat verwerpelijk.’ Kijk, zo spreek je niet over ‘de boodschap’ van een collega in de regering en in het kernkabinet, hoe graag je een politieke rivaal ook een voetje wil lichten.
       Ja, als het moet, kan ik ook keet schoppen over een ongelukkig zinnetje.
       Ik neem het iemand als Heleen Debruyne niet kwalijk als ze Jambon verkeerd citeert of begrijpt. Natuurlijk heeft die niet gezegd ‘dat vrouwen zich moeten aanpassen’. Maar hij heeft echt wel iets gezegd dat daarop leek. Hij werd in Terzake geconfronteerd met het vooruitzicht dat veel vrouwen vanwege hun loopbaan een pensioen-‘malus’ zouden krijgen. Zo’n vooruitzicht is speculatief, weet Jambon, omdat ze uitgaat van ongewijzigd gedrag. Dat gaat in tegen een basisinzicht van de economie. Dus had Jambon gelijk toen hij antwoordde: ‘Vrouwen zullen zich aanpassen aan de pensioenregels.’ Om helemaal correct te zijn had hij moeten zeggen: ‘Sommige vrouwen zullen zich aanpassen aan de pensioenregels,’ want er is ook nog zoiets als ‘verschillende elasticiteit’.
     Maar Debruyne mag dat gerust anders zien. Ze heeft met de regering niets te maken. Ze moet zich niet verdiepen in de technische kanten van het dossier. Ze moet geen rekening houden met de basisinzichten van de economie. Ze mag zich in een live debat met een politicus proberen staande te houden door wat kort door de bocht te gaan, en door een opponent – hoe zal ik het zeggen: af en toe? – te onderbreken. Iedereen roeit met de riemen die hij of zij heeft. En waarom zou een feministe als Debruyne niet wantrouwig mogen zijn tegenover de motieven van Jambon?
     Maar wat geldt voor Debruyne, geldt niet voor Frank Vandenbroucke. Die weet alles af van economie, en ook alles van het pensioendossier, waarvan hij met pijn in het hart moet zien dat het nu door iemand anders dan hemzelf wordt beheerd. Hij is lid van de regering. Hij heeft de hervorming mee goedgekeurd, en hij is prima op de hoogte van  ingecalculeerde gedragsverandering. En dan doet hij zo’n laffe hypotetische uitspraak. Als, als … zoiets kan ik ook. ‘Als het de bedoeling van Vandenbroucke was om een collega te belasteren, vind ik hem een stuk chagrijn.’ Maar alleen áls het zijn bedoeling was, nietwaar.

                                                                ***

    En ondertussen wordt met al die verontwaardiging vergeten over welke maatregel het nu eigenlijk gaat. Wouter Duyck vatte het goed samen op X. 

Dus. De pensioenhervorming voorziet dat 35 halftijds gewerkte jaren volstaan om vervroegd met pensioen te kunnen gaan zonder malus. En, zorgverlof, moederschapsrust, ziekte en tijdelijke werkloosheid tellen mee als gewerkte periodes. En dàt is in België een ‘sociaal drama’. Mocht u zich afvragen waarom belastingen hier nóóit genoeg zullen zijn.

        Helemáál juist is de samenvatting niet. Met 35 halftijds gewerkte jaren komt je er niet. Je zou gedurende die 35 jaar gemiddeld 65 procent moeten hebben gewerkt om vervroegd en zonder malus op pensioen te gaan. Maar met nu eens de helft en dan weer driekwart kom je er wel, als je het een beetje uitrekent.

                                                                *** 

    Het is overigens begrijpelijk dat er weerzin bestaat tegen het invoeren van een ‘malus’. Het klinkt als een straf omdat men niet genoeg gewerkt heeft. Toch zit er een eenvoudige logica en een elementaire rechtvaardigheid achter. Neem het voorbeeld van mijn moeder, dat ik hieronder sterk vereenvoudigd weergeef.
     Mijn moeder begon eind 1948 te werken als lerares en stopte ermee in 1954, om ‘zorgtaken in het gezin’ uit te voeren. Ze kon dus maar 6 volledige loopbaanjaren voorleggen. Dat was maar 1/5 van de vereiste loopbaan, dus had ze ook maar 1/5 van de sociale zekerheid betaald, en had ze, op haar zestigste, recht op maar 1/5 van haar pensioen. Als dat goed was uitgerekend voor de gemiddelde levensduur van een lerares, moesten haar bijdragen gemiddeld volstaan om dat kleine pensioen te betalen voor de rest van haar leven. Maar dat gaat niet als mijn moeder haar pensioen met alle geweld vijf jaar vroeger had willen beginnen ontvangen, op haar vijfenvijftigste?  Dan werd de pensioenperiode vijf jaar langer dan gepland en werd de totale som die moet worden uitgekeerd, groter. Op zo’n moment klopt de rekening niet meer.
      Men kan zoiets op twee manieren oplossen. De ene manier is het invoeren van een ijzeren regel: niemand krijgt zijn pensioen ook maar een dag vroeger dan de wettelijke pensioenleeftijd. Of: men laat de burger kiezen: wachten tot de pensioenleeftijd om het volledige bedrag te krijgen, dan wel een wat kleiner bedrag enkele jaren eerder ontvangen. Zonder dat verminderd bedrag profiteren de vervroegde pensioenmensen van degenen die de wettelijke pensioenleeftijd afwachten.
     ‘Profiteren’ … stel je voor dat Jambon dát woord zou hebben gebruikt.


Hoge hakken
     Omdat mijn moeder nogal klein is van gestalte, heeft ze altijd graag schoenen met hoge hakken gedragen. Zelfs nu ze 98 is, wil ze minstens 2 centimeter hak aan haar schoenen, tot wanhoop van twee van haar kleinkinderen die arts zijn. Die hoge hakken-schoenen stelden haar voor een probleem toen ze nog les gaf in Snit & Naad. Ze vond het toen haar plicht om zo elegant mogelijk gekleed te gaan, als voorbeeld voor de leerlingen die moesten leren hoe men mooie kleren ontwerpt en maakt. Ook de accessoires moesten mooi zijn. En als ze een modieuze nieuwe handtas kocht, moest daar een paar passende schoenen bij.
     Zoiets was natuurlijk onbetaalbaar, maar gelukkig had mijn grootvader als jongen het vak van schoenmaker geleerd van zijn vader, voor hij naar het conservatorium ging.  Hij kon een damesschoentje maken met heel hoge hakken, waar mijn moeder even comfortabel in liep als waren het pantoffels. Voor elk schoenenpaar dat hij maakte, kocht hij een andere leest, zodat de hoek van de schoen perfect was. ‘Als de schoen niet helemáál juist zit,’ zegt mijn moeder, ‘ga je wiebelen bij het lopen, zoals prinses Elisabeth.’


Lange Walter
     Van de 16 paracommando’s van Peleton B die in juni 1976 hun rode of groene muts behaalden, zijn er ondertussen al drie overleden. Eerst ontviel ons Jan, de meester van de koordenpiste. Hij was niet helemaal representatief voor het regiment, want hij had een baard en rookte. Dan ontviel ons René. René was op geen enkel vlak representatief. En nu is ook Walter ons ontvallen. Hoewel we maar met 16 waren, hadden we twee Walters:  hij was Lange Walter. Met Walter kon ik over films praten. Als ik zei: The Wild Bunch, antwoordde hij: Sam Peckinpah.
 
    Jammer genoeg hebben we het overlijden van Walter pas een maand later vernomen. Daardoor konden we niet aanwezig zijn op de begrafenis, met onze muts discreet in de jaszak. Makkers, vind ik, moeten naar elkaars begrafenis gaan. 


Galbraith
     Twee keer heb ik proberen iets te lezen van de Amerikaanse econoom Kenneth Galbraith. Toen ik zestien was probeerde ik Kapitalisme en welvaart te lezen. Dat was toen veel te moeilijk. Vijfentwintig jaar later ben ik begonnen in The Culture of Contentment, in de wachtzaal bij de kinesist. Toen waren mijn overtuigingen al zo gevormd, dat de denkwereld van Galbraith mij niet meer kon boeien. Wel herinner ik mij dat hij schreef over het begrip ‘arbeid’ dat volgens hem iets totaal anders betekende voor een arts en een leraar dan voor iemand die op het land of in een fabriek werkt. Die laatste arbeid was voor de meeste mensen onaangenaam.
      Een van die mensen was Walter, onze makker in peloton B. Hij was onmiddellijk na zijn legerdienst gaan werken in een chemiefabriek. Als we later samenkwamen, zei hij vaak: 
 Ik kom er eerlijk voor uit: ik werk niet graag. Ken jij iemand die wel graag werkt?’ Als ik aan mijn fabriekjaren dacht, moest ik hem bijvallen. Zou het dat zijn wat Marx bedoelde met arbeid die ons vervreemdt’ van onszelf? En had Marx daar een oplossing voor?
      Zeker is dat de afkeer voor zware, repetitieve handenarbeid niet bij iedereen even diep zit. Mijn grootvader werkte graag, mijn schoonvader werkte graag, mijn vader werkte niet graag. Maar ik ken geloof ik niemand die minder graag ‘werkt’ dan mijn zoon, al is hij in zijn vak een halve workaholic.

 

Logica-grapjes van Tom Wouters
     Ik smokkel in mijn teksten kleine grapjes over de invloed van Kant op Hegel ‘en omgekeerd’, of over makkers die naar ‘elkaars’ begrafenis gaan. En ondertussen schrijft Tom Wouters tekstjes waarin hij betreurt dat er zo weinig ‘boeken op ware grootte
 bestaan. Als je wat liefhebbert, is het makkelijker om een grootmeester te erkennen. En van de grootmeester verschijnt binnenkort een boek, In mijn hoofd zwemmen vissen, dat op 19 mei wordt voorgesteld in De Groene Waterman.


Hergé en Vandersteen
     De striptekenaars Hergé en Williy Vandersteen hebben van 1948 tot 1958 samengewerkt aan het tijdschrift Tintin/Kuifje. Zoals Hitler grote bewondering had voor Mussolini, en niet omgekeerd, zo had Vandersteen grote bewondering voor Hergé en niet omgekeerd. Toen een van de zonen van Vandersteen midden de jaren 70 de grote Hergé tegenkwam, vroeg die laatste minzaam: ‘Et votre père, est-ce qu’il dessine toujours?’ Ik hoop dat die anekdote is opgenomen in het boek dat Marcel Wilmet aan de samenwerking tussen de striptekenaars heeft gewijd: De reuzen van Beersel, 88 blz. 25 euro. 

zaterdag 14 maart 2026

Niet-productieve arbeid, e.a.


Productieve en niet-productieve arbeid
     Er is naar aanleiding van de pensioenhervorming veel gedebatteerd over de ‘zorgtaken’ in en rond het gezin die vaak door vrouwen worden opgenomen. Een praktische vraag daarbij is of die zorgtaken financieel zouden moeten worden vergoed, met een soort premie voor ‘moeder aan de haard’. Een meer theoretische vraag is of die ‘zorgtaken bijdragen tot de economie.’ Dat hangt er er onder andere van af wat je verstaat onder ‘bijdragen’ en onder ‘economie.’
       Economen als Karl Marx en Friedrich Engels hebben daar diep over nagedacht. Zij maakten een onderscheid tussen ‘productieve’ en ‘niet-productieve arbeid.’ De finesses ben ik vergeten, maar ik herinner mij wel een brochure die ik daar 50 jaar geleden over gelezen heb. Die brochure bevatte, naar ik mij herinner, vooral teksten van Engels. Nu was daar een treffende redenering bij. Engels – als hij het was – argumenteerde dat men het masturberen van een bankbediende niét als productieve arbeid kon beschouwen, ook al zorgde dat ervoor dat hij de volgende dag met een fris hoofd op kantoor verscheen. Ik ben niet zeker van de details. Ik meen mij te herinneren dat die bankbediende – als het een bankbediende was – een ‘blockhead’ werd genoemd.
     Ondertussen is die borchure, Sunschrift nr 26, niet meer in mijn bezit. Ik zal ze ook niet op het internet gaan zoeken. Maar ik wilde wel eens weten of mijn chatbots mij aan het oorspronkelijke citaat konden helpen. Dat konden ze zeker. In één twee drie kreeg ik drie verschillende citaten, in onberispelijk Duits, waarin het over ‘Onanie’ of over ‘selbstbefriedigende Tätigkeit’ ging, met bronvermelding erbij. De ene chatbot had het citaat gevonden in een brief van Engels, een andere in een brief van Marx, en nog een andere in Theorien über den Mehrwert, Teil 1. Wanneer ik dan die brief of die Theorien consulteerde, was dat citaat natuurlijk niet te vinden. Toen ik de chatbots daarop wees, gaven ze deemoedig hun fout toe en begonnen te ouwehoeren over studentenorganisaties in de jaren 70 die allerlei apocriefe Marx-citaten in omloop hebben gebracht.
       Ik heb de kwestie ondertussen al lang onder de rubriek valse herinneringen ondergebracht. Maar wat er precies vals is aan de herinnering weet ik niet. Ik kan niet álles verzonnen hebben. Het waarschijnlijkste scenario is dat de tekst ergens een voetnoot bevatte die niet van Marx of Engels was, maar van iemand anders. Misschien geef ik de redenering zelf niet juist weer. Misschien kwam die ‘blockhead’ in een andere context ter sprake. Maar ik meen mij wel de jongensachtige toon van de tekst te herinneren die Marx en Engels tot op hoge leeftijd bleven gebruiken in hun briefwisseling, ook als ze over geleerde onderwerpen bespraken.

Toprestaurant Noma
     Wij hebben vorig jaar enkele dagen rondgefietst in Kopenhagen. Wij zijn daarbij ook een kijkje gaan nemen bij het toprestaurant Noma. We kozen een dag uit dat het restaurant gesloten was, zodat we ongestoord wat in de buurt konden rondlopen en door de ramen het interieur konden bespieden. Nu verneem ik uit de pers dat de chef van het restaurant zijn personeel terroriseerde, vernederde en sloeg. Daar hebben wij dus niets van gezien. We kunnen dus naar waarheid zeggen: ‘Wir haben es nicht gewusst.’

De PVDA en Stalin
     Ik sprak er laatst mijn tevredenheid over uit dat PVDA-leider Raoul Hedebouw eindelijk zo ver was dat hij in een interview Stalin en Mao totalitaire massamoordenaars noemde. Hedebouw zei ook nog dat ze wel niet in dezelfde hellekring als Hitler verkeerden, maar dat is een theologisch detail dat mij niet bezighoud.  Een nadeel van die nuance is echter dat men nu de PVDA kan blijven lastig vallen over het onderscheid tussen de massamoordenaars. Joel De Ceulaer bijvoorbeeld vindt dat de PVDA ‘ook de laatste stap moet zetten en het verschil met Hitler moet opheffen.’ De vraag is nu: waarom schrijft Joël dat? Mijn uitleg is dat De Ceulaer dat meent, en bovendien een pestkop is. Trotskist Ludo De Witte heeft een andere verklaring:

De strategie van mainstream commentatoren en journalisten zoals De Ceulaer om de PVDA als achterbaks en verdacht te marginaliseren verwondert niet: daar worden ze voor betaald. [Mijn cursivering]

     Ik vind mijn uitleg beter.

China-pater
     Als we binnenkort verhuizen naar ons appartement, zullen we de meeste van onze boeken niet mee kunnen nemen. Ik heb drie  plankjes China-boeken, en daar zullen er heel wat van sneuvelen. De deeltjes Simon Leys neem ik mee, maar wat doe ik bijvoorbeeld met Jung Chang? Neem ik Han Suyin mee uit nostalgie? Of Fanshen van William Hilton?
     Een van de boeken die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zal meenemen is dat van de franciscaanse pater Gabriel Boutsen. Mijn vader kreeg het cadeau van een bevriende abt van die orde. Het boek is van 1963, maar ik moet het gelezen hebben rond 1990. Het heet De vier China’s, waarmee Boutsen Honkong, Macao, Taiwan en Rood China bedoelt. Ik herinner mij nog veel van wat in het boek staat. De pater heeft rondgereisd in het Oosten en met veel mensen gesproken, zelfs met de legendarische Chiang Kai-shek.
      Een van de obsessies van de pater is de ontucht in de wereld. Hij moet op zijn reizen nogal wat straatprostitutie gezien hebben. Hij wordt niet moe van te herhalen dat de andere godsdiensten – Islam, Hindoeïsme, Boeddhisme – wel mooie praatjes hebben over goede zeden, maar dat alleen de christenen en de Kerk echt iets dóen om de ontucht te bestrijden.
     Het voornaamste doel van de pater was om de opkomende sympathie voor communistisch China in het Westen te bestrijden. Het was de tijd dat onze Koningin Elisabeth naar China reisde en bij haar terugkeer verklaarde dat de Chinese bevolking ‘bijna’ zo goed leefde als de Belgische. De pater kon in tegenstelling tot Elisabeth het grootste van de vier China’s niet bereizen, en moest daarom op zoek gaan naar experten. Hij vertelt hoe hij in Hongkong in het gezelschap komt van een groep Westerlingen en de volgende vraag stelt.

 ‘Mijne heren, vrienden in Chicago en de Mid-West hebben me gevraagd om naar Amerika terug te keren met een juist beeld over de toestanden van het eigenlijke China … Mensen in Amerika zien alles, horen alles, lezen alles, maar ze zeggen als besluit: “Nu weten we niets meer. Ga jij maar eens kijken” … Daarom, mijne heren, ik zoek een man, hij moge zijn een atheïst, een vrijmetselaar, een jood, een gestampte heiden. Ik zoek een man die (1) vroeger in China geweest is, (2) perfect Chinees spreekt en verstaat, (3) Chinees leest en schrijft, en (4) die zich uitsluitend met de studie en de wetenschap van het Chinese communisme bezighoudt.’ Ik dacht Zo’n man hebben ze toch niet,maar ze antwoorden met drieën tegelijk: We hebben zo’n man voor jou, met de schaar geknipt.’ Ik vroeg: Is het een atheïst, een francmaçon, een ongelovige? Wel, zeiden ze, het is een jezuïet. Ik was totaal uit mijn lood geslagen. Je verwacht je aan een francmaçon en ze je gooien je daar een jezuïet voor de voeten.

     En dan vertelt de pater over de ontmoeting met de expert.

 ‘Het schijnt, eerwaarde,’ zie ik bescheiden, dat u een en ander weet over het communisme op het Chinese vasteland. De de man sloot zijn ogen, opende heel wijd de armen en zei: ‘Daar weten we alles van.’ Ik antwoordde flitsvlug: ‘You are a true Jesuit’.

     Mooi toch, die milde naijver tussen de verschillende religieuze ordes.
     Ik heb dat allemaal 35 jaar geleden gelezen, maar herinnerde mij die woorden bijna letterlijk. Ik wist ook dat die jezuïet, van wie de naam niet wordt vermeld, Laszlo Ladany moet zijn, van wie ik rond dezelfde tijd het boek over The communist Party of China and Marxism had gelezen. Maar, nu komt het, ik kon die passages die ik mij zo goed herinnerde niet terugvinden in het boek van mijn franciscaan. Ik heb het boek de laatste vijf jaar zeker tien keer uit de kast gehaald, en bladzijde per bladzijde bekeken, en niet gevonden wat ik zocht.
     Maar, en nu komt het opnieuw, gisteren neem ik het boek nogmaals ter hand, en op de titelbladzijde zie ik een aantal notities in potlood, waaronder: p.136-147: Ladany. Hoe is dat nu mogelijk? De waarschijnlijkste verklaring is dat ik het boek niet al te lang geleden – vorig jaar bijvoorbeeld – opnieuw doorbladerd heb, toen het citaat wél gevonden heb, de vondst meteen genoteerd heb, en daarna alles weer vergeten ben.  Maar waterdicht is die verklaring niet. De titelbladzijde bevat nog andere notities en die zijn maar al te duidelijk van 1990, toen ik nog veel wist, en niet van 2025, toen ik al veel vergeten was. Dat Ladany-notitie staat daar waarschijnlijk al van 1990.
     Is het mogelijk dat ik bij het doorbladeren van het boek iedere keer opnieuw de titelbladzijde heb overgeslagen? Dat kan, maar dat verklaart niet dat ik geen enkele keer de passage zelf gevonden heb, aangezien die toch waarlijk niet verstopt is, meer dan tien bladzijden telt, en in de inhoudstafel vermeld staat als 
‘Grote Hongkong-dialogen. Misschien heb ik al die keren veel minder nauwkeurig gezocht dan ik mij herinner. Of misschien heb ik al die keren een ánder boek doorbladerd. Maar welk boek?
     In elk geval, nu heb ik gevonden wat ik zocht, en de woorden die ik citeer kon ik letterlijk overtypen, zonder mij te moeten verlaten op mijn onbetrouwbare geheugen.

Gsm-wijsheid
      Een expert wiens naam ik vergeten ben beweerde dat een gsm-verbod op school het probleem niet 
fundamenteel aanpakt. Waar het op aankwam was dat de leerlingen ‘gsm-wijsheid’ werd bijgebracht. Welnu, die wijsheid kan, geloof ik, in een twee woorden samengevat: beware doomscrolling. Daar is geen volledig vak voor nodig, en ook geen volledig lesuur. De grootste fout die ikzelf maak bij mijn gsm-gebruik komt overigens door mijn falend geheugen. Ik moet iets opzoeken, klik op het schermpje, en ben ondertussen niet alleen vergeten wát ik moest opzoeken, maar ook dát ik iets moest opzoeken. En dan druk ik op de F van Facebook en ben voor enkele minuten vertrokken. Het zou wellicht van wijsheid getuigen om die F te verstoppen op het derde of het vierde schermpje van mijn gsm. 

Speedboten, helicopters en treinen
     Toen mijn ouders  in 1954 een bioscoop openden in mijn geboortedorp waren er geloof ik nog drie concurrerende zalen, maar na enkele jaren bleven er maar twee zalen meer over, allebei met een naam die verwees naar de antieke oudheid: de Forum van mijn ouders, en de Olympia van de concurrent. De productiehuizen, en dus de films, werden bij gentlemens’s agreement onder elkaar verdeeld: wij kregen Metro Goldwyn Mayer en Universal, de concurrent kreeg Gaumont en 20th Centrury Fox. Als gevolg daarvan zag je bij de concurrent The Sound of Music en James Bond, terwijl wij Mary Poppins en de Man From U.N.C.L.E. 
hadden, met Napoleon Solo en de enigszins androgyne Illya Kuryakin*. Die laatste films waren eigenlijk niet meer dan uitgesponnen afleveringen van een televisiefeuilleton.
     Guy Ritchie heeft 50 jaar later van de Man From U.N.C.L.E.  een echte speelfilm gemaakt. Ik wist dat die zou tegenvallen, maar heb toch gekeken. Het ergste was de scène met speedboten. In zo’n film woont de geniale slechterik – dit keer een vrouw – op een eiland, en men begeeft zich naar dat eiland met behulp van een speedboot. Ik gooi dan geen schoen naar de televisie, maar roep heel luid: ‘Saai!’ De regel is eenvoudig: scènes met speedboten zijn saai, scènes met helikopters zijn fraai, vooral als die helicopters vanuit de diepte op lijken te stijgen. Ik denk aan Blue Thunder, We Were Soldiers, en een derde film met helikopters waarvan de naam mij nu niet te binnenschiet.
      Pas op, die helikopters kunnen ook saai zijn. Managers met aktetassen bijvoorbeeld die naar een wachtende helikopter lopen en hun hoofd intrekken uit irrationele angst voor de draaiende schroeven. Het ergste is als er iemand aan een vliegende helikopter hangt met de bedoeling om naar binnen te klimmen en daar amok te maken. Dat is gruwelijk, even gruwelijk als scènes waarin de protagonist en de antagonist vechten op het dak van een trein. In de laatste Indiana Jones-film The Dial of Destiny wordt eindeloos rondgerend op het dak van een trein, terwijl de charme van de eerste Indiana-Jones film juist was dat die obligate scènes zo snel mogelijk werden afgewerkt. 

* Zie ook mijn stukje hier.

 

Meer bedenkingen over de Iran-oorlog

Naïviteit over Iran
     Wat je misschien nog het vaakst leest in opiniestukken over de oorlog tegen het Iraanse regime, is dat we niet in het ‘naïeve geloof’ moeten vervallen dat Trump en Netanyahu oorlog voeren met de ‘nobele bedoeling’ om de protestbeweging van de Iraanse burgers te helpen. Dat naïeve geloof zelf, ben ik echter nog niet vaak tegengekomen. Zoals ik ook nog niet veel linksen ben tegengekomen die de Ayatollahsteunen. Ja, De Witte in zekere zin ...

 

De argumentatie van Frans Timmermans
     In De Standaard (DS 10 maart) draagt Frans Timmermans een aantal goede argumenten aan tegen de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen het Iraans regime. Ook legt hij krachtig de voordelen uit van het internationaal recht. Hij schrijft de lauwe houding van de Europese Unie terecht toe aan ‘de angst door de VS geheel in de steek te worden gelaten.’ Maar in zijn conclusies is zijn argumentatie minder stevig. De Europese Unie, schrijft hij, had een gezamenlijke verklaring moeten afleggen om het Amerikaanse optreden te veroordelen. 
     Zou dat helpen? Timmermans beweert van wel. Als de Europeanen ‘een gezamenlijke lijn weten te vinden, kunnen ze veel meer invloed uitoefenen dan elk voor zich.’ Zelf betwijfel ik of verklaringen zoals die van de Spaanse premier Sánchez veel indruk maken op Trump en Netanyahu, en ik betwijfel verder of het veel verschil zou maken als ze afgelegd werden door Ursula von der Leyen.
      Ik zou hier als Europeaan het sereniteitsgebed van de Anonieme Alcoholisten toepassen, en aanvaarden wat ik niet kan veranderen (Iran) terwijl ik probeer te veranderen wat ik – misschien – kan veranderen (Oekraïne). Wie dat te hoog gegrepen vindt, kan ook terugvallen op de regel: pick your battles, een regel die zeker voor een zwakke partij van levensbelang is. 


De analyse van Joren Vermeersch
     Ik probeer mij voor te stellen dat ik nog altijd radicaal-links ben en dat ik het achtergrondstuk van Joren Vermeersch over Iran (DS 9/3) onder ogen krijg. Dat is niet zo gemakkelijk. Ik moet mijn ogen sluiten en denken aan de stukken in Le Monde diplomatique die ik als 18-jarige probeerde te lezen. Dat stond vol met ‘analyses’, maar dat was niet wat ik wou. Ik wou vurige 
veroordelingen van het imperialisme lezen.’Wat had je aan analyses waarin niets veroordeeld werd? 
     Ik veronderstel dat ik het vandaag zo zou aanpakken. Ik zou mijn aandacht niet verspillen aan de analyse van Vermeersch, maar wijzen op de kleine lettertjes onder het stuk: ‘Joren Vermeersch is adviseur op het kabinet van Defensie Theo Francken.’ Het stuk, zou ik mijzelf voorhouden, is ‘koren op de molen’ van Theo Francken die dit, of dat, of nog iets anders over Iran heeft gezegd.
 


Ludo De Witte 
     Wie als radicaal-linkse vandaag  op zoek is naar vurige veroordelingen kan altijd terecht op de FB-pagina van Ludo De Witte. Veel van wat De Witte schrijft, wordt beschermd door een theoretisch pantser waar polemische spelden of kleine messen – mijn wapens –  niet doorheen kunnen. Maar soms schrijft hij, zoals in zijn bericht van 8 maart, ook zinnen die om een polemisch antwoord smeken. Zoals: 

De Zio-Amerikaanse agressie-oorlog heeft de strijd van brede Iraanse volkslagen voor democratische hervormingen en de val van de theocratie platgeslagen.

     Ik wil dan graag, een beetje demagogisch, antwoorden: die strijd was al eens ‘platgeslagen’ een maand geleden en wel door krachten die u enkele weken geleden ‘nog enige anti-imperialistische en revolutionaire legitimiteit’ toeschreef.
     De Wittes FP-bericht van 8 maart was door meer dan honderd mensen geliket. Voor een keer heb ik de namen eens snel doorgenomen en daar waren wel wat FB-vrienden bij die ik ken als redelijk-links. Als ikzelf een bericht like, betekent dat lang niet altijd dat ik met alles akkoord ga wat in dat bericht staat. Dat moet met die redelijk-linkse likers ook het geval zijn. Want de post van De Witte bevat zinnen als  

 Iran is een natie die vandaag de facto staat voor een wereldorde gebaseerd op internationale afspraken, diplomatie en respect voor soevereiniteit … Iran vecht vandaag voor ons allemaal – voor Gaza, voor Libanon, voor Europa en voor de wereld, want een nederlaag van de Zio-Amerikaanse moloch kan de wanhopige, onrealistische mars van Washington naar imperiale wereldhegemonie en een Derde Wereldoorlog stoppen. 

    ‘Iran vecht vandaag voor ons allemaal … ‘ dat is, hoop ik, binnen het linkse kamp, een minderheidsstandpunt. Je zou kunnen zeggen dat De Witte niets anders doet dan de algemeen-linkse anti-Amerikaanse lijn ‘consequent door te trekken.’ Dat is waar. Maar redelijkheid van links en van rechts bestaat er vaak in om een lijn niét al te consequent door te trekken. 


Links-liberale bombardementen
      Ondanks alle - vaak terechte - kritiek op Trumps oorlog, citeert De Standaard opvallend veel opinies van Iraanse seculieren die - misschien naïef - hopen dat de bombardementen zullen helpen om de Ayatollahs omver te werpen. Die seculieren zijn geloof ik de bevolkingsgroep die het beste overeenkomt met de links-liberale Standaard-lezers en -journalisten.


Metaforen over de olie-kwestie
     Mocht Iran niet over grote olievoorraden beschikken, dan zou de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten er anders uitzien, dat weet iedereen. Zonder die olie was er nu wellicht geen oorlog tegen het Iraanse regime. Maar het verband tussen de olie en de oorlog is er een met verschillende tussenschakels – waarvan China de belangrijkste is.
      In de radicaal-linkse agitatie heet het dat de imperialisten ‘beslag willen leggen’ op de Iraanse olie. Dat is een metafoor uit de juridische sfeer, met een deurwaarder die aanklopt. Door de metafoor vermijdt men om precies te zeggen wat er met die olie zou kunnen gebeuren. Tijdens de oorlog tegen het Iraakse regime werd de metafoor ook gebruikt. Het was zogezegd een oorlog van de Amerikaanse multinationals die ‘beslag wilden leggen’ op de olievoorraden. Achteraf is er in Irak weinig olie in beslag genomen. Er zijn wel veel olieconcessies toegewezen, maar vooral aan multinationals die niet Amerikaans waren.
     De beeldspraak van de inbeslagname is mij ondertussen zo gaan tegenstaan, dat ik blij ben met elke andere metafoor die ik in de olie-context tegenkom. Die van Inge Ghijs bijvoorbeeld in De Standaard van 9/3. Zij heeft het weliswaar over olievoorraad van Venezuela, maar het komt op hetzelfde neer. Trump wilde zich verzekerd zien van ‘een dikke vinger in de pap’. Met die vage metafoor geeft Ghijs aan dat ze wel weet dat de kwestie complexer is dan een 
inbeslagname. 

* Een simplistisch verband tussen geopolitiek en olie noemt mijn geestige FB-vriend Michel Berger een ‘reductio ad oleum’


Pinkers academische vrijheid en consensus

Pinker en de wetenschappelijke consensus
     Ik hou in polemieken niet erg van de ‘zelfs X geeft toe’-truc. Ik kreeg laatst zo’n reactie onder een van mijn stukjes. ‘Zelfs Bart De Wever geeft toe dat Trump geen betrouwbare bondgenoot is.’ Het is en blijft een autoriteitsargument, met de nadelen daaraan verbonden, en het suggereert van alles over De Wever, en over mij, zonder het te staven.
      Maar nu zou ik de formule zelf willen gebruiken: ‘Zelfs Steven Pinker geeft toe dat …’ Pinker is een geleerde die zich buiten zijn onderzoeksgebied op de wetenschappelijke consensus oriënteert als was het de poolster, en afwijkingen van die koers omstandig beargumenteert. Maar in zijn nieuwste boek, Common Knowledge, vond ik deze treffende passage:

 Zelfs wanneer de academische consensus vrijwel zeker juist is, zoals bij vaccins en klimaatverandering, kunnen sceptici nog altijd vragen: “Waarom zouden we die consensus vertrouwen als ze komt van een kliek die geen tegenspraak duldt?” Neem een recent voorbeeld: in 2024 was duidelijk geworden dat veel van de vroege maatregelen om de Covid‑19‑pandemie te bestrijden — sociale afstand, stoffen mondmaskers, het ontsmetten van oppervlakken, plexiglas schermen, strenge lockdowns, het sluiten van stranden, parken en scholen — op geen enkel wetenschappelijk bewijs waren gebaseerd, en waren opgelegd door het demoniseren of onderdrukken van wat uiteindelijk redelijke kritiek bleek te zijn. De kosten voor de economie, de mentale gezondheid, en het onderwijs van kinderen waren aanzienlijk, en de klap voor het vertrouwen in wetenschap en volksgezondheid was catastrofaal.

    Ik heb de polarisatie rond Covid-19 destijds als pijnlijk ervaren. Ik heb redelijke mensen voorgoed zien radicaliseren. Dat kwam omdat de wetenschap als instrument werd ingezet om ‘awareness’ te creëren. Het officiële discours van politici, media en telegenieke wetenschappers liet zo weinig ruimte voor discussie dat veel dissidenten op een onvoorzichtige manier voor ‘wappies’ werden uitgescholden. Het resultaat is dat ze het ook werden. Je kreeg twee kampen waarin de radicaalsten zich voorgoed schikten in hun rol: die van boze wappie of die van hautaine inquisiteur. En nog voor Covid was afgelopen was men in die rol vastgeroest, ongetwijfeld ook omdat men er aanleg voor had.
     Een aantal wetenschappers hadden de communicatie gemonopoliseerd en zich gedragen als propagandisten. Sommige gewone burgers gingen daardoor de wetenschap zien als een dogma dat blindelings moest worden gevolgd, of als een samenzwering die nodig moest worden bekampt. En de gevolgen voor het vertrouwen in de wetenschap waren catastrofaal. ‘Zelfs Steven Pinker moet dat toegeven.’


De grenzen aan de vrije meningsuiting
     Hoe helder een schrijver zich uitdrukt, kun je vaststellen als hij iets uitlegt wat je zelf ook al hebt proberen uit te leggen. Ik heb al verschillende keren geschreven over de kwestie van het vrije woord, en over de grenzen die daaraan kunnen worden gesteld. De formulering van Pinker in Common Knowledge vond ik bijzonder helder. Hij herhaalt dat het vrije woord ook geldt voor ‘crude, offensive and hateful speech’ en somt drie soorten van uitzonderingen op, terwijl ik er zelf maar twee zag. Ik heb de uitzonderingen van Pinker genummerd: 

  1. misdrijven die door hun aard zelf met woorden worden gepleegd, zoals afpersing, omkoping, laster, fraude en bedreigingen
  2. onmiddellijke aanstichting tot onwettig handelen 
  3. beperkingen op het tijdstip, de plaats en de wijze van uiting (Het Eerste Amendement geeft je niet het recht om om 3 uur ’s nachts je manifest door een luidsprekerwagen in een woonwijk te schallen, of om je zeepkist midden op een drukke snelweg neer te zetten.)
     Pinkers eerste punt verraadt dat hier een getrainde linguïst aan het woord is die weet heeft van de ‘performatieve taaldaden’-theorie.


De argumenten voor vrije mening
     Wie argumenten zoekt voor de vrije mening, komt onvermijdelijk terecht bij J.S. Mill, met zijn boekje On Liberty. Ik heb daar in mijn boekenkast een exemplaar van dat toebehoord heeft aan een Labour-politicus A.W.F. Haycock. De uitgave dateert van 1905 maar Haycock heeft het verworven op 3 juli 1913, en hij heeft allerlei aantekeningen in de marge gemaakt. Bij Pinker vond ik een heel elegante samenvatting van de argumentatie.

There are three reasons why an unwelcome opinion should not be suppressed. For all we know, it might be true; even if it’s false, it may contain a grain of truth; and even it’s completely false, showing why it’s false gives us a sounder understanding of what is true.

     Zo'n mooie samenvatting  zou ik het nooit kunnen schrijven dacht ik. Maar ik heb eens in mijn oude stukjes gekeken, en daar vind ik er eentje van 11 oktober 2015 die op die van Pinker gelijkt.  

Dissidenten konden bijvoorbeeld gelijk hebben, zegt Mill, – of half gelijk – je wist maar nooit. En discussie was altijd verrijkend. 




 

Reynebeau over het internationaal recht

    Marc Reynebeau (DS 11/3) noemt realisme in de internationale politiek een ‘mager excuus’. Matthias Diependaele bijvoorbeeld had gezegd dat initiatieven om Amerika te laten veroordelen door de VN toch zouden stuiten op een veto in de Veiligheidsraad. Waarop Reynebeau antwoordt:

 Dat gebeurt inderdaad geregeld, maar daarmee ga je dan wel voorbij aan alle diplomatie die aan een stemming in de Veiligheidsraad voorafgaat.

     Je vraagt je af of hiermee de uitspraak van Diependaele op enigerlei wijze is weerlegd. Al die diplomatie waar Reynebeau over spreekt, zal niets veranderen aan het feit dat de VS in de Veiligheidsraad niet kan worden veroordeeld voor de Iran-oorlog, net zoals Rusland niet kan worden veroordeeld voor de Oekraïne-oorlog, en China niet zal kunnen worden veroordeeld als het een Taiwan-oorlog begint.
     Reynebeau brengt tegen het realisme ook de Belgische Nobelprijzen voor de Vrede in stelling. Bart De Wever had gezegd dat hij een ‘historicus, geen hystericus’ was. Reynebeau antwoordt dat De Wever in zijn kijk op het verleden wel vaker eenzijdig is, en wat meer aandacht zou moeten besteden aan de geschiedenis van de drie Belgische Nobelprijswinnaars van ruim een eeuw geleden. Zo schrijft hij:

Nog eens vier jaar later, in 1913 ging de Nobelprijs naar een derde Belg, de sociaaldemocraat en vrijmetselaar Henri La Fontaine, een activist voor pacifisme en internationalisme … En zie, een jaar nadat La Fontaine de Nobelprijs voor de Vrede had gekregen, rommelden de grootmachten iedereen de Eerste Wereldoorlog in.

     Die naam van Henri La Fontaine roept bij mij herinneringen op. Die Brusselse advocaat was rond de jaren 1900 betrokken bij het Mundaneum-project waarmee men alle druksels ter wereld wilde verzamelen in één kenniscentrum. Toen ik nog in Brussel woonde, ben ik ooit op zoek gegaan naar wat er van dat archief overbleef. Een restant vond ik een naar kattenpis ruikende hangaar in de Rogierlaan, op honderd meter van waar ik woonde.
     Die La Fontaine was inderdaad een van de vele vurige pacifisten die aan het begin van de vorige eeuw congressen organiseerden voor de wereldvrede. Het is merkwaardig dat Reynebeau, meegesleept door zijn écriture automatique, niet merkt dat zijn verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog juist de krachteloosheid van dat pacifisme onderstreept. Karel van het Reve dacht zelfs dat er meer aan de hand was dan alleen krachteloosheid. Hij maakt ergens de veronderstelling dat de Eerste Wereldoorlog onder andere voortkwam uit ‘het wegvallen van het midden.’ Het getouwtrek en geschipper van de oude realistische diplomatie, balancerend tussen machtsverdeling en hegemoniestreven, werd vervangen door aan de ene kant hysterische oorlogszucht en aan de andere kant hysterisch pacifisme. ‘En zie …’


donderdag 12 maart 2026

45 filosofen willen censuur


     Het woord ‘censuur’ in mijn titel is misschien niet helemaal juist.  Maar de lezer zal wel begrijpen wat ik bedoel. Hij of zij weze gerustgesteld: mijn stukje is niet zo lang als het lijkt. Zo snel schrijf ik ook weer niet. Het tweede stuk bestaat uit enkele lange citaten van Steven Pinker.
     Ook mag ik mijn inleiding weggooien. Boudry heeft ondertussen, ondanks mijn raad, de academische vrijheid van Cofnas tóch verdedigd. Wat een roekeloze jongen.

*** 

       Als ik Maarten Boudry was zou ik nu in alle talen zwijgen over de rel rond de Amerikaanse filosoof Nathan Cofnas. De U Gent zou die Cofnas aannemen als postdoctoraal onderzoeker terwijl hij, volgens een open brief van 45 Gentse filosofen (DS 12/3) ‘je reinste racisme verkondigt.’ Mocht Boudry nu het aannemen van die filosoof verdedigen in naam van de academische vrijheid, dan riskeert hij om zelf van racisme te worden beschuldigd. Wie anders dan een heks zou het in zijn hoofd halen om een andere heks te verdedigen? Ik zal er dus zelf maar iets over schrijven.
      De brief van de 45 filosofen klaagt aan dat Cofnas onderzoek doet naar ‘natuurlijke verschillen tussen rassen – niet alleen biologische verschillen, maar ook verschillen in intellectuele vermogens.’ Hij heeft op een blog geschreven: 

‘In een meritocratie zou Harvard-personeel uit de beste van de beste studenten gerekruteerd worden, wat betekent dat het aantal zwarte professoren 0 procent zou benaderen.’ 

     Ik weet niet of die stelling van Cofnas waar is. Zelfs als zwarte mensen gemiddeld minder intelligent zouden zijn, dan zijn er nog andere kwaliteiten die de academische vaardigheid bepalen. Maar áls de veronderstelling over het IQ-verschil waar is, zou ze misschien wel opgaan voor de harde wetenschappen. De vraag is trouwens of in die faculteiten binnen afzienbare tijd nog blanken overblijven. Ik heb ergens gelezen dat men allerlei trucjes moet toepassen om het overwicht van de Aziaten niet te groot te laten worden.
      Maar goed, ik heb die kwestie natuurlijk niet onderzocht, en van de 45 filosofen zou ik ze dus ook niet mógen onderzoeken. Hun stelling over Cofnas is dubbel: zijn standpunten zijn ‘moreel beneden alle peil’ en ze zijn gebaseerd op de 
pseudowetenschap van mensen als ‘Emil Kirkegaard en Edward Dutton, die beiden geen achtergrond hebben in de psychologie of erfelijkheidsleer.’ Daarbij vergeten de 45 filosofen gemakshalve – ik overtreed hier mijn eigen stijlregel – dat ze als filosofen zelf ook geen achtergrond hebben in de psychologie of erfelijkheidsleer. Ik ben beschaamd om de polemische uitschuiver in de vorige zin, maar laat die toch staan als getuige van mijn slecht karakter.
     Enkele maanden geleden raakte ik op FB in een discussie verwikkeld met een geleerde vrouw, mét PhD, over die eigenaardige koppeling van ‘morele minderwaardigheid’ en ‘pseudowetenschap’. Omdat ik mij nogal warrig uitdrukte, werd mijn FB-correspondente ongeduldig. Ik ben daarom blij dat ik hieronder uitgebreid Steven Pinker kan citeren, iemand die zich wel helder uitdrukt. De 45 filosofen gebruiken onder andere als argument dat ‘de wetenschappelijke gemeenschap unaniem’ is in het oordeel dat het onderzoek  in kwestie ‘rommel’ is. Het antwoord van Pinker op dát argument heb ik eergisteren al aangehaald. Hieronder geef ik fragmenten uit zijn redenering over het verband tussen de moraliteit en de wetenschappelijkheid van academisch onderzoek.
      Vooraf nog enkele bemerkingen. Pinker ontwikkelt zijn redenering in het kader van een theorie over ‘gemeenschappelijke kennis.’ Gemeenschappelijke kennis is niet iets wat iedereen weet, maar iets wat iedereen weet én waarvan iedereen weet dat iedereen het weet dat iedereen het weet dat iedereen het weet … enzovoort. Emails en privé-gesprekken (als ze tenminste niet worden opgenomen door een microfoon van de Universiteit van Antwerpen) dragen niet bij tot gemeenschappelijke kennis, publicaties en posts op de sociale media doen dat wel. Pinker gelooft dat gemeenschappelijke kennis o.a. wegens haar expliciet en onomkoombaar karakter een veel grotere invloed heeft op ons gedrag in de samenleving dan andere kennis.
     Overigens is het niet zo dat Pinker a priori vindt dat raciale IQ-verschillen wél moeten worden onderzocht. Hij is tegen het soort censuur en schandpaal-politiek waar de 45 filosofen toe oproepen, maar somt zowel de voor- als tegenargumenten op inzake dat soort onderzoek. De ironie wil nu, geloof ik, dat de geviseerde Cofnas als filosoof juist die kwestie onder de loepe neemt: hoe zwaar wegen de voor- en nadelen van dat soort onderzoek. Als ik het goed begrepen heb wordt Cofnas niet gewraakt niet alleen omdat hij een debat wil openen over kwestie X, maar omdat hij een debat wil openen over de wenselijkheid van zo’n debat. En hopelijk word ikzelf niet gewraakt omdat ik de toelaatbaarheid van een debat over de wenselijkheid van zo’n debat wil bepleiten.
     Pinker begint zijn redenering met te verwijzen naar een studie over de doodstraf, en meer bepaald naar hoe men daarover argumenteert. De twee belangrijkste vragen zijn: 1) Is de doodstraf moreel gerechtvaardigd? en 2) heeft de doodstraf een afschrikwekkend effect? De ene vraag is van morele aard, en de andere is van feitelijke aard. Maar uit het onderzoek blijkt dat zeker tegenstanders van de doodstraf voortdurend de twee niveaus door elkaar gooien. Er is natuurlijk geen enkele reden waarom de twee niveaus niet in dezelfde richting zouden kunnen wijzen, maar iemand met wat zin voor zelfkritiek zou toch even mogen stilstaan bij wat Pinker noemt die ‘amazing coincidence’.
     Ik ken die kwestie vanuit een andere context. Bastiat verwonderde er zich expliciet over dat de liberale economie zowel de vrijheid als de welvaart bevorderde. Hij vond het geloof ik een kwestie van Goddelijke Voorzienigheid. Marx was implicieter, maar leek toch ook een verklaring te zoeken waarom zijn economische analyses zo goed overeenkwamen met de morele aspiraties van het proletariaat. Zijn verklaring zocht hij in de Geschiedenis die ‘de mensheid slechts voor taken stelt die waarvan ze de materiële voorwaarden geschapen heeft.’
      Nog een laatste bemerking. Pinker wijst erop dat tot taboe verklaarde onderwerpen voor nieuwsgierige mensen een extra uitdaging vormen om ze te onderzoeken. Wat moet zo’n nieuwsgierige mens dan doen als hij bang is om academische aanstellingen mis te lopen door boze brieven van 45 filosofen. Hij zou het voorbeeld kunnen volgen van oom Eberhard uit de roman Gösta Berling. Overdag wijdt de nieuwsgierige onderzoeker zich aan een ongevaarlijk onderwerp: de invloed van Kant op Hegel, of omgekeerd, en ’s nachts werkt hij onverdroten aan zijn manuscript waar de waarheid over raciale IQ-verschillen eens en voor altijd onweerlegbaar wordt uiteengezet. Maar om zijn tijdgenoten niet te kwetsen, verbergt hij dat manuscript in een kist, in een grote kast, onder de trap van een kerkgalerij. En in zijn testament bepaalt de onderzoeker dat die kist slechts mag worden geopend aan het eind van de eeuw. Dan zijn de 45 filosofen allemaal overleden.

* Zie mijn stukje hier.’

                                                    ***

     Maar nu Pinker:

      Universiteiten streven ernaar om objectieve kennis te ontwikkelen over grote vragen. Maar academici zijn ook maar mensen, en ondanks hun training in het maken van conceptuele onderscheidingen zijn ze geneigd om net die feitelijke claims te onderschrijven die hun morele geloofspunten sterker maken. Seksuele discriminatie en intimidatie zijn verkeerd, en ‘overigens zijn mannen en vrouwen precies hetzelfde.’ Verkrachting is een laf misdrijf, en ‘bovendien hebben mannen geen natuurlijke neiging om zoiets te doen.’ Oorlog is verschrikkelijk, en niet alleen dat, maar onze evolutionaire voorouders hebben zoiets nooit gedaan.’ 
     Zulke empirische overtuigingen kunnen gemeenschappelijke overtuigingen worden, van het soort dat een gemeenschap of stam bindt, en ze zijn bijzonder kostbaar in een tijdperk van groeiende politieke polarisatie … Het is dus gemakkelijk om de zoektocht naar objectieve kennis te vermengen met het handhaven van morele normen, zelfs in de academische wereld, en vooral in die sectoren van de academische wereld die zich nooit hebben aangesloten bij het ideaal van objectieve kennis.
    En dit brengt ons bij de rol van gemeenschappelijke kennis in de academische cancelcultuur. Volgens een eindeloos herhaald verhaal riep een vrouw (in verschillende versies een maagd, een oude vrijster of de vrouw van een bisschop) bij het horen van Darwins theorie uit: ‘Lieve hemel, afstammen van apen! Laten we hopen dat het niet waar is, maar als het waar is, laten we dan bidden dat het niet algemeen bekend wordt.’ 
     Hoewel de geschokte vrouw bijna zeker nooit heeft bestaan, vat haar reactie de houding van veel mensen ten opzichte van verontrustende ideeën samen. Ze hopen dat de ideeën niet waar zijn, maar of ze waar zijn of niet, ze willen niet dat ze algemeen bekend worden – of, preciezer, gemeenschappelijk bekend worden. Verschillende onderzoeken wijzen uit dat wetenschappers maar al te graag gemeenschappelijke kennis willen controleren. In 2022 kondigden de redacteuren van een groot tijdschrift, Nature Human Behaviour aan dat ze vanaf dat moment elk artikel zouden afwijzen of intrekken waarvan zij dachten dat het een menselijke groep in een ongunstig daglicht zou stellen, zelfs als het artikel wetenschappelijk solide was. Veel tijdschriften hebben zulke beleidslijnen ingevoerd, waarbij peer-gereviewede artikels van hun websites werden gehaald en in de vergeetput werden gegooid omdat sommige lezers aanstoot namen aan de conclusies die eruit konden worden getrokken. Hoewel een meerderheid van de ondervraagde academici zegt gekant te zijn tegen harde censuur of ontslagen wegens het ventileren van controversiële meningen, vindt ongeveer een kwart dat prima, en, als een onheilspellend teken voor de toekomst van de universiteiten: hoe jonger de wetenschapper, hoe sterker de drang tot censuur. Een meerderheid van het faculteitspersoneel onder de 35 jaar zegt voorstander te zijn van het het zwijgen opleggen van sprekers met wie ze het oneens zijn over een bepaald onderwerp, en een vijfde steunt studenten die geweld zouden gebruiken om te voorkomen dat een spreker opvattingen ventileert die zij aanstootgevend vinden …. Laten we dat eens concreet maken. Stel dat mensen een mening koesteren over verschillen tussen seksen, rassen of etnische groepen, en die voor zichzelf houden. Er verandert misschien weinig. Maar stel nu dat dezelfde mening in het openbaar wordt geuit. Mensen kunnen zich gesterkt voelen om op basis van die overtuiging vooroordelen te koesteren tegen individuen en ze naar die vooroordelen te behandelen, niet alleen omdat de mening publiekelijk is bekend is, maar omdat men verwacht dat iedereen anders ook op basis van die informatie zal handelen. Sommige mensen zouden zelfs leden van een etnische groep kunnen discrimineren alhoewel ze zelf geen negatieve mening over hen hebben, maar omdat ze verwachten dat hun klanten of collega's zulke meningen wél hebben ….   Dat is waarom gemeenschappelijke kennis zo gevreesd wordt als het om gevaarlijke ideeën gaat. Het verklaart waarom een ketter die een idee in het openbaar uit, vervolgens in het openbaar gestraft moet worden. Schandpalen zijn passé, dus aan de universiteiten neemt dit de vorm aan van gepubliceerde manifesten en online petities met honderden ondertekenaars (makkelijk te verzamelen via sociale media) ...
Telkens wanneer het uiten van een mening wordt afgestraft, worden mensen ertoe aangezet om valse verklaringen af te leggen over wat ze geloven … Wanneer mensen in publiek hun ware mening verbergen, kan dat op zijn beurt een “spiraal van stilte” creëren die resulteert in pluralistische onwetendheid: … waarbij iedereen denkt dat iedereen een bepaalde mening is toegedaan, terwijl eigenlijk niemand die mening echt is toegedaan. Een voorbeeld dat onderzocht is, betreft het beleid van positieve discriminatie bij de inschrijving aan universiteiten. Aan de huidige universiteiten is verzet tegen die beleidslijnen een halsmisdaad, maar elke peiling toont aan dat ze niet populair zijn bij de meerderheid van de Amerikanen (inclusief de Afro-Amerikanen). Studenten overschatten hoeveel van hun medestudenten het beleid steunen en onderschatten hoeveel ertegen zijn…      Aangezien het argument ten voordele van academische vrijheid berust op de waarde van het overwegen van tegengestelde ideeën, is het passend dat ik ook de beste argumenten presenteer die ik kan bedenken voor het beperken van academische vrijheid. Dat zou in de geest zijn van een gemeenschap die rationaliteit betracht, en die aanbeveelt om een standpunt dat men bestrijdt zo sterk mogelijk voor te stellen – ‘steelmanning’, het tegenovergestelde van een stro-pop argument.
Hoewel ik geen redenen kan vinden ten voordele van censuur of straf, kan ik me wel een argumentatie voorstellen voor een ander beleid dan volledige academische vrijheid. Dat zou er zo uitzien: er bestaan onderwerpen waarbij je zegt: don’t go there. Onderdruk niet één kant van een controverse … maar laat de controverse bewust ononderzocht, houd het idee buiten de gemeenschappelijke kennis. Het model zou het alledaagse sociale leven zijn, waar we sommige observaties onuitgesproken laten, brute openhartigheid opofferend voor basisbeleefdheid. Elk beleid van bewust agnosticisme zou zich wel moeten beperken tot alleen de allergevaarlijkste ideeën, zodat we niet tot wijdverbreide onwetendheid veroordeeld worden. Neem het onderwerp dat Cory Clark en haar medewerkers bestempelden als het explosiefste van de tien onderwerpen die ze onderzocht hadden in hun onderzoek naar censuur in de wetenschap: de mogelijkheid dat gemiddelde raciale verschillen in gemeten intelligentie zowel genetische als omgevingsoorzaken hebben in plaats van alleen omgevingsoorzaken. Dat onderwerp heeft de intellectuele wereld al meer dan een halve eeuw in vuur en vlam gezet telkens wanneer het werd opgeworpen. Het don’t-go-there argument werd voor het eerst gebruikt in 1973 door Noam Chomsky, wiens geloofsbrieven als progressief en als kampioen van vrije meningsuiting onberispelijk zijn. Chomsky beriep zich op een afweging tussen wetenschappelijke betekenis en maatschappelijke schade:

Gezien de vrijwel zekere kans dat alleen al het doen van dit onderzoek enkele van de meest verwerpelijke kenmerken van onze samenleving zal versterken, hangt de ernst van het veronderstelde morele dilemma cruciaal af van de wetenschappelijke b etekenis van het onderwerp dat de onderzoeker kiest om te onderzoeken … Een mogelijke correlatie tussen gemiddeld IQ en huidskleur is van geen grotere wetenschappelijke interesse dan een correlatie tussen twee willekeurig gekozen andere eigenschappen, zeg gemiddelde lengte en oogkleur…. Het zou… dwaas zijn om te beweren dat ‘de samenleving niet in onwetendheid mag blijven.’ De samenleving verkeert gelukkig in onwetendheid over onbeduidende zaken van allerlei soort.  

We hebben al de belangrijkste mogelijkheid tot schade gezien. Als verschillen in gemiddelde intelligentie gemeenschappelijk bekend werden, vooral als ze genetisch bleken te zijn, zouden mensen verleid kunnen worden om ze als Bayesiaanse priors te gebruiken in hun behandeling van individuele Afro-Amerikanen, wat tot onrechtvaardige toestanden zou leiden. Het zou racisten kunnen aanmoedigen, het zou het gemakkelijk maken om systemisch racisme over het hoofd te zien, het zou het zelfvertrouwen van individuele Afro-Amerikanen ondermijnen, en het zou het land verder verdelen langs raciale lijnen … Maar eist de rationaliteit niet dat we altijd de volledige waarheid opzoeken? Zoals Chomsky al zei: niet noodzakelijkerwijs … Alleen moeten de in quarantaine geplaatste onderwerpen zeer beperkt zijn in aantal, en de voordelen van het beperkte agnostcisme moeten worden afgewogen tegen de kosten van onwetendheid. …      De don’t-go-there aanpak heeft zeker ook veel nadelen. Hij is bijna onmogelijk af te dwingen. Hij plaatst ons voor de bekende paradox: mensen vertellen niet aan een ijsbeer te denken dwingt hen om aan een ijsbeer te denken. Het kan moeilijk zijn om de precieze lijn rond de no-go-zone te trekken zodat die de omliggende gebieden niet opslokt, zoals het bestuderen van intelligentie op zich, of het bestuderen van de continentale afkomst van mensen. Het sluit de mogelijkheid af om doorslaggevend bewijs te verkrijgen dat raciale verschillen wél volledig door de omgeving bepaald zijn en dus kunnen verdwijnen, met alle maatschappelijke voordelen die dat zou meebrengen.
     En het kan te laat zijn. Ons tijdperk is geobsedeerd door raciale verschillen, die werktuigelijk worden toegeschreven aan racisme, wat nieuwsgierige mensen alleen maar uitnodigt zich af te vragen of die verschillen niet aan andere oorzaken toegeschreven kunnen worden, wat dan weer zorgt voor een criminalisering van die nieuwsgierigheid.