dinsdag 20 augustus 2019

De Vlaamse canon

     Vorige week zat ik op restaurant met mijn vader (96). Omdat ik juist het boek van Van Loo over de Bourgondiërs gelezen had, vroeg ik hem of hij wel wist dat Karel de Stoute in de kerk van Lier getrouwd was. Mijn vader keek even voor zich uit. ‘Was dat niet zijn kleinzoon, Filips de Schone,’ vroeg hij ten slotte.
     Hoe mijn vader zoiets weet? Dat komt zo. Zijn moeder, mijn grootmoeder die ik nooit gekend heb, had voor haar mooie studieresultaten in de lagere school twee prijsboeken gekregen. Een Atlas illustré – Géographie en images en een Geschiedenis van België in prenten – Histoire de la Belgique en images. Toen het gezin in 1917 door de Duitsers uit Menen werd gedeporteerd, moest huis, have en goed worden achterlaten, maar die twee boeken nam mijn grootmoeder mee. Later heeft mijn vader er als kind vaak in gebladerd.
      Die Geschiedenis staat nu nog altijd in de kast. En jawel: op prent 184 trouwt Filips de Schone met Johanna de Waanzinnige in de Sint-Gummaruskerk van Lier. De uitleg staat erbij in het Nederlands en het Frans. ‘Philippe le Beau accueille Jeanne d’Espagne à Lierre où le marriage est célébré le 21 octobre 1496.’ Zelf heb ik als kind ook vaak de prenten bekeken. Hoe een Frankische koning op een schild werd gezet en opgeheven. Hoe de lange haren werden afgeknipt van de onttroonde Childerik III. Hoe Brunhilde van Austrasië werd voortgesleurd door een paard waaraan één arm, één been en haar haren waren vastgebonden.
     Zo’n boek, zou je kunnen zeggen, bevatte de Belgische canon van omstreeks 1905.
     Bart De Wever heeft nu voorgesteld om zo’n canon op te stellen voor het Vlaanderen van nu, een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur en geschiedenis. Er kwam, niet geheel onverwacht, veel kritiek op het voorstel. Sommigen vonden het idee van een canon te ‘te romantisch’.  Anderen vreesden dat de opstelling ervan voor ‘controverse’ zou zorgen. En nog anderen wisten blijkbaar al wát er in die canon zou staan en tekenden met vooruitziende blik bezwaar aan tegen een lijst van namen, data en plaatsen ‘die het superioriteitsdenken zou bevorderen’ en die de ‘zwarte bladzijden van de geschiedenis zou weglaten’. Vooral een aantal historici maakten veel misbaar. Zoiets heet ‘territorial pissing’, geloof ik.
     Zelf voel ik mij in mijn territorium ook wel een beetje bedreigd. In het zesde jaar geef ik in de Nederlandse les uitleg over de literaire canon. Ik zeg dan dat dat een ‘denkbeeldige’ lijst is. En nu komt er, althans voor geschiedenis en cultuur, een échte lijst op papier, opgesteld door een of ander comité van geleerden. Wat is het nu? zullen mijn leerlingen vragen. Is het een denkbeeldige lijst of een echte lijst?
     Maar om de inhoud van de lijst maak ik mij vanuit mijn vak niet veel zorgen. De Nederlandse canon, die De Wever als voorbeeld neemt, bestaat uit een lijst van vijftig thema’s en telt maar twee of drie literaire auteurs: Erasmus, Multatuli en Annie M. G. Schmidt. Als die Vlaamse lijst ook maar drie auteurs telt, wil ik die in mijn lessen graag opnemen. Daarnaast kan ik blijven onderwijzen wat ík wil. Verplicht men mij om Hugo Claus als verplichte lectuur op te geven, vooruit dan maar. Ik heb nog ergens een mooi verhaal van Hugo klaar liggen.
     Die nieuwe Nederlandse canon is, dat moet ik toegeven, een modern en veelzijdig werkstuk. In Multatuli’s tijd bestond hij nog uit de Batavieren, de Bey van Tunis, de hertog van Alva ‘die een ondier was’ en de eb van 1672 waardoor Nederland de Frans-Engelse vloot kon verslaan. Dat was nog een heuse ‘histoire de batailles’ – en Droogstoppel, leren we uit het eerste hoofdstuk van de Havelaar, had een hekel aan al die heldhaftigheid. IJver, spaarzaamheid en godsvrucht, dáár ging het om en dan zou Nederland wel Nederland blijven. Vandaag zijn die heldhaftigheid en die godsvrucht allebei uit de mode. De nieuwe canon gaat meer over dingen als ‘het moderne volkenrecht’, ‘mensenhandel’, ‘rijk wonen buiten de stad’, ‘vrouwenemancipatie’ en het ‘veelkleurige Nederland.’
     Ik vind die Nederlandse Canon anders niet slecht. Wel is er naar mijn smaak te veel twintigste eeuw bij. Michel Berger schreef op zijn Facebookpagina een lang stuk waarin hij betoogde dat om een onpartijdige blik aan te leren oudere geschiedenis beter geschikt is dan de hedendaagse. Ik ben het zoals vaak met Michel eens.
     Ook is die Nederlandse canon zo verdomd leerzaam. De anekdote wijkt helemaal voor de instructie. Floris V staat erin, Jan van Schaffelaar, die van de toren sprong, niet. Als onverbeterlijke middlebrow vind ik dat niet fijn. Ik wil graag iets bijleren, maar het moet niet te moeilijk zijn en een verhaaltje heb ik nog het liefst. Ik lees liever een boek van Bart van Loo dan een van Jan Dumolyn.
     Als je de Nederlandse lijst bekijkt, begrijp je hoe men te werk is gegaan. Van Gogh, Annie Schmidt en Eise Eisinga (die heb ik moeten opzoeken) hebben er hun plaats; Vermeer, Nescio en Huizinga niet. Dat komt omdat de namen als ‘vensters’ moeten dienen om daardoor naar een groot verhaal te kijken. Door het venster van Van Gogh, Schmidt en Eisinga zien we in alle duidelijkheid ‘de moderne kunstenaar’, opdoemen, of ‘de tegendraadsheid in een burgerlijk land’, of ‘de Verlichting in Nederland’. Met Vermeer, Nescio en Huizinga is het moeilijker om de vinger op het grote verhaal te leggen. Ik ken het probleem. Als leraar ga ik ook zo te werk bij het opstellen van een literatuurlijst. Eigenlijk wil ik Zola en Hardy er liever buiten houden, maar tegelijk wil ik graag íets zeggen over het naturalisme, dus dan neem ik ze er maar bij.
       Misschien, bedenk ik nu, kan de tegenstelling tussen anekdote en instructie worden opgelost door de canonlijst wat langer te maken dan vijftig. De Nederlanders zijn hier krenten geweest. Het boek van mijn grootmoeder bevat geen vijftig maar 312 prenten! Dat is andere koek. ‘Mensen willen geen lijstje historische figuren of kunstwerken,’, schrijft Gie Goris in MO-Magazine. Dat kan. Wat ‘de mensen’ willen, weet ik niet zo goed; maar déze mens houdt in elk geval wél van zulke lijstjes, vooral als er mooie prenten bij staan. (Zie ook hier)
     Ik lees in de nota van Bart De Wever dat de Vlaamse canon het ‘identiteitsbesef’ moet bevorderen van de jongere generatie. Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Die identiteit een beetje vaag, maar ik heb uit het boekje van De Wever begrepen dat dat de aard van het beestje is. Professor van Oostrom, die de Nederlandse canon samenstelde, werd over de kwestie naar zijn mening gevraagd door een journalist van vrt nws. Van Oostrom zei  dat er niet zoiets bestaat als een ‘gebeitelde’ nationale identiteit. Er zijn wel ‘dominante kenmerken’. Ook vond hij dat die canon  ‘een rol kan spelen in wat ik noem “burgerschap”.’ En verder: ‘Ik vind het evident dat als mensen leven, werken en opgroeien in een bepaald land, dat ze dan iets weten van de geschiedenis en de cultuur van dat land.’ Dat is niet zó verschillend van wat De Wever zegt.
      De Wever wil dat de canon een onderdeel kan zijn van een inburgeringscursus voor nieuwkomers. In zo’n geval moeten thema’s als verlichting, secularisatie, vrouwenemancipatie een in het oog springende plaats in de canon krijgen, al is Vlaanderen op geen van die gebieden een echte voortrekker geweest. Dat moet dan maar.
Alweer voorrang aan de instructie, zul je zeggen. Tja, ik zal er mij neer bij moeten leggen. En zo erg is het niet. Een beetje leraar maakt van élk canonthema een leuk verhaaltje.

zondag 11 augustus 2019

Autocorrect en Mme de Pompidou

Deze dame heet volgens mijn Kindle ‘Madame de Pompidou’
     Jaren geleden werkte ik als nederige klerk bij het advocatenkantoor Loeff Claeys Verbeke. Toen ik daar begon te werken heette het kantoor anders, en toen ik er stopte met werken ook, maar ik herinner mij het kantoor toch vooral als Loeff Claeys Verbeke. Als ik brieven typte, moest ik altijd opletten met die namen. De spellingcorrectie verving, zonder dat even te vragen, de naam ‘Verbeke’ door ‘Voerbak’. Sommige industriëlen van dit land hebben ongetwijfeld wel eens een brief ontvangen van het kantoor Loeff Claeys Voerbak.
      Ik krijg de laatste tijd weer te maken met die automatische spellingcorrectie, maar dit keer bevind ik mij ‘at the receiving end’. Dat komt zo. Ik lees af en toe in de briefwisseling van Mme Du Deffand. Mijn Kindle-uitgave, waar ik € 7,95 voor heb betaald, is eigenlijk niets meer dan een gescande en omgezette versie van de uitgave van 1865. ‘Classée dans l’ordre chhonolouique’, staat er op het voorblad. Dat voorblad alleen al maakt duidelijk dat de tekst niet langs een echte corrector is gepasseerd en elke bladzijde bevat tientallen fouten. Na een twintigtal bladzijden begin je  enige systematiek in de fouten te ontdekken. Kleine ‘l’ apostrophe wordt meestal grote ‘Y’ en kleine ‘y’ wordt meestal ‘v’. Yan moet je dus lezen als l’an en il va moet je dus lezen als il y a, behalve als het hij gaat betekent. Je raakt eraan gewend.
      Bij eigennamen gaat de autocorrectie wilder tekeer. Als in een brief wordt gesproken over ziekte en genezing komt vaak een zekere ‘Gertrude’ ter sprake. Het heeft even geduurd voor ik erachter kwam dat hiermee dokter Antoine Mertrud bedoeld werd. Soms gaat het over een ‘princesse de Robe’. Je denkt even aan het fameuze onderscheid tussen de ‘noblesse de robe’ en de ‘noblesse d’épée’, maar dat heeft er niets mee te maken want wat later wordt de naam correct gespeld en blijkt het te gaan om ‘la princesse de Robecq’.
      Bekende namen kun je vaak raden. Menig lezer zal onmiddellijk weten wie bedoeld wordt met Madame de Pompidou. Soms helpt de context. Een zekere ‘Swing’ heeft een verhaal over een ton geschreven. Dat moet Swift zijn. De eerste drie keer dat je de naam ‘Malpolie’ tegenkomt, krab je in je haar, tot de voornaam Horace alles duidelijk maakt: Sir Horace Walpole. Over die ‘Malpolie’ heeft de ‘historien démocratique Macula’ een venijnig stuk geschreven. Dat stuk ken ik en het is van Macauley. Er wordt een anekdote verteld die ons door ‘Chambart’ is overgeleverd. Ook die anekdote herken ik; ze is van Chamfort. 
         Sommige verwarringen zijn vooral grappig als je ze uitspreekt. De minnaar en vriend van Madame Du Deffand heette Hénault, maar in mijn uitgave wordt dat ‘Hérault’, terwijl de man voor nogal laf doorging. Madame de Genlis wordt ‘Madame de Genepis’. Het loont de moeite om dat eens op zijn Nederlands uit te spreken.
     In alle vorige gevallen kun je je nog voorstellen hoe de spellingcorrectie te werk is gegaan. Maar soms zijn haar wegen ondoorgrondelijk. De brief van Deffand van 5 september 4760 bijvoorbeeld is gericht aan de ‘Marquis de Pavlov’. Dat 4760 moet 1760 zijn, dat is geen kunst, maar een ‘Marquis de Pavlov’? Het kan natuurlijk. Deffand interesseerde zich wel enigszins voor de Russische geschiedenis. Maar wacht. Die Pavlov zou ook de tragedie ‘Tancrède’ geschreven hebben. Wat zouden die Russen in 1760 tragedies schrijven die ‘Tancrède’ heetten? Zou die niet veeleer geschreven zijn door de beroemdste tragedieschrijver van die tijd, de  verlichtingsdenker François-Marie Arouet, wiens naam door hemzelf als ‘Voltaire’ gespeld werd, maar in mijn uitgave wel eens voorkomt als ‘Voiture’?
     Zo is dat. De grote schrijvers van de Franse verlichting zijn Rousseau, Diderot en Voiture. Die Pavlov heeft er niets mee te maken.

vrijdag 9 augustus 2019

19de-eeuwse toestanden

     Veel van wat we weten of menen te weten over ‘19de-eeuwse toestanden’ komt uit films. Sommige van die films heb ik gezien, vaak in meerdere versies : Daens, Les misérables, Oliver Twist …  Daar is nu Peterloo bijgekomen van Mike Leigh, de regisseur van het aangrijpende Naked en All Or Nothing.
     Peterloo gaat over de grote vreedzame demonstratie voor algemeen stemrecht die in Manchester gehouden werd op 16 augustus 1818. Ze werd op brute wijze uit elkaar gejaagd door de burgermilitie en soldaten te paard. Er vielen 18 doden.  Omdat de demonstratie plaats vond op het St-Peter’s Field en de krachtmeting van Waterloo nog vers in het geheugen lag, kreeg de slachtpartij de naam van ‘Peterloo’.
     Zoals het de gewoonte is in dat soort films maak je kennis met de verschillende betrokken milieus: armen, rijken, gematigde hervormers,  revolutionaire drijvers, conservatieve politici, het hof. Veel personages doen denken aan figuren uit de boeken van Charles Dickens of J.K. Rowling, wat een beetje vloekt in een film die sociaal realisme wil brengen.
     Wel erg realistisch zijn de toespraken. De helft van de film bestaat uit typisch 19de-eeuwse toespraken: in het parlement, in kroegen, in vergaderzalen, soms ook gewoon in de open velden van het mooie Lancashire. Je ziet bewogen sprekers die hoogdravende taal gebruiken, met veel gebaren, veel moeilijke woorden, uitgesponnen metaforen en ingewikkelde verwijzingen. Feitelijke inhoud is grotendeels afwezig. Het arbeiderspubliek herkent hier en daar een woord, wordt meegesleept door de emotie en begrijpt de algemene betekenis: zo kan het niet verder, we moeten iets dóen.
     Doordat de toespraken geen feitelijke inhoud bevatten, hebben ze geen waarde voor wat in toneel en film de ‘expositie’ wordt genoemd. Het moderne publiek leert er niets uit over de achtergrond van de gebeurtenissen. Leigh heeft dat proberen op te vangen met een bijzonder vals klinkend gesprek tussen een aantal leden van een arbeidersgezin.
 
       
-   Men zegt dat ze de lonen weer gaan verlagen volgende maand.
-  Verlagen tot hoeveel?
-   Tot drie keer niks.
-    Ja, en de broodtaks helpt ook al niet.
-    Het helpt wel iemand.
-    Wie?
-   De rijke smeerlappen.
-   Die boeren zijn klootzakken.
-   Het zijn niet alleen de boeren.
-   Wat bedoel je?
-   ’t Is de regering.
-    ’t Zijn de landeigenaars. De landeigenaars hebben het voor het zeggen in de regering. Het grootste deel van de regering zijn zelf landeigenaars. Ze mesten zich vet op het land dat ze van ons gestolen hebben. En ja. Dan heb je de prijs van het brood. Ze hebben een slechte oogst en dan er is graan te kort. Maar ze laten ons geen graan importeren uit Frankrijk of Amerika, en dan moeten wij sukkelaars vijf keer meer betalen voor een brood.
-   Komt dat niet door de graanwetten?
-   Ja, daardoor. Ze waren bedoeld om ons te helpen, maar ze maken juist alles erger.*

     Het is moeilijk om zo’n stuk te aanhoren zonder iets van plaatsvervangende schaamte te voelen. (Zie ook hier). Andere scènes zitten beter in elkaar, zoals de manifestatie zelf, met de arbeidersvrouwen in hun witte zondagse kleren, en het tegelijk onhandige en wrede optreden van de burgerwacht en de huzaren.
     Een vraag die ik mij bij zulke films stel, en bij de gebeurtenissen die er aanleiding toe geven, is deze. Wat heeft al dat straatprotest opgeleverd?
     Laten we beginnen met de armoede. De textielarbeiders aan het begin van de 19de-eeuw waren zo arm dat ze bijna geen brood, eieren of vlees konden kopen. Tweehonderd jaar later is dat helemaal anders en besteden ze minder dan 10 % van hun inkomen aan eten. Wat is er ondertussen gebeurd? Mijn verklaring is dat de productiviteit ondertussen vele keren groter is geworden. Maar ik ken heel wat mensen die met grote zekerheid weten dat die verandering er gekomen is door straatprotest en ‘sociale strijd’. Ik betwijfel dat.
     In een voetnoot van Piketty’s Le capital au XXI° siècle vond ik een verwijzing naar zekere Arthur Bowley. Die had, legt Piketty uit, berekend dat de verhouding tussen kapitalistische winsten enerzijds en arbeidersinkomsten anderzijds gedurende de 19de en 20ste eeuw nogal gelijk bleef: 37 % voor de kapitalisten tegen 63 % voor de arbeidersinkomens. Die kapitalisten nu vormen een beperkte club. Als ze  37 % onder elkaar moeten verdelen, blijft er zowel in 1818 of 2018 genoeg over voor een mooi huis en een mooie koets of auto. Maar voor de arbeiders is dat anders. Hun stuk moet onder velen worden verdeeld. 63 % van de productie van 1818, gedeeld door miljoenen arbeiders komt neer op bittere ellende, straatprotest of niet.**** 63 % van de huidige productie daarentegen betekent een aanvaardbaar leven.
     De Peterloo demonstratie, kun je tegenwerpen, ging niet om hogere lonen; ze ging om het onrechtvaardige verkiezingsstelsel*** en de onrechtvaardige graanwetten. Maar ook hier zien we niet meteen een gunstig gevolg. Het Britse verkiezingsstelsel is pas in 1832 voor de eerste keer hervormd en de graanwetten zijn pas afgeschaft in 1846. Dat is veel later dan 1818. Volgens veel geschiedkundigen heeft Peterloo de hervormingen trouwens eerder verlaat dan vervroegd. Dat kwam zo. Hervormingen in een democratie worden uiteindelijk beslist door het parlement. Daar hebben ze voor- en tegenstanders. Het is de krachtsverhouding tussen die twee die maakt of ze er vroeger dan wel later komen. En daar is het in het geval van Peterloo fout gelopen. Conservatieven die in eerste instantie een hervormingsbeweging wilden gedogen binnen het kader van de liberale wetgeving, werden opgeschrikt door hun eigen geweld en stemden een reeks repressieve wetten, ze verboden samenkomsten en publicaties en ze gooiden de leiders van de beweging in de gevangenis. Als je het zo bekijkt was Peterloo, om het met een modern woord te zeggen, ‘contraproductief’.
     Maar zijn de tastbare resultaten het enige, of zelfs maar het belangrijkste, waar we naar kijken als we massa-demonstraties tegen ongerechtigheid beoordelen? Is het de enige maatstaf waarmee we Tiananmen beoordelen, of de huidige straatprotesten in Hongkong? Dát weet ik niet.



* Het script van de film vind je hier

** Piketty betwijfelt die gelijke verhouding 37%-63%. Volgens neemt het gedeelte dat naar werknemersinkomens gaat juist áf. Dat zou, in marxistische termen, betekenen dat de ‘uitbuiting’ nu gróter is dan in de 19de eeuw. Als Piketty gelijk heeft, ondersteunt dat mijn redenering. Ik weet overigens niet in welke mate sociale zekerheid en fiscaliteit in die verhouding zijn opgenomen. Misschien zouden die vormen van ‘herverdeling’ enkele procenten kunnen opleveren ten voordele van de werknemersinkomens. Veel verschil kan het niet maken.

*** Het Engelse stelsel was naast onrechtvaardig ook archaïsch. Nieuwe arbeiderssteden zoals Manchester hadden geen recht op vertegenwoordigers, maar amper bewoonde gebieden waar een landheer de baas was, hadden wel een vertegenwoordiger. In zo’n gebied durfde niemand tégen de landheer stemmen, want stemmen moesten openbaar worden uitgebracht.

***** En dat gold zeker voor tijden van economische crisis. Als de inkomsten uit de textielproductie daalden, gingen niet alleen de winsten van de ondernemers, maar ook de lonen van de arbeiders omlaag. Een weekloon van 15 shilling in 1806 was in 1818 al gedaald tot 5 shilling. 

dinsdag 6 augustus 2019

De moeizame Vlaamse regeringsformatie

    In Het Nieuwsblad  vraagt Peter Mijlemans zich af waarom Bart De Wever treuzelt met de Vlaamse regeringsformatie. Is het omdat hij eerst ‘het eigen partijhuishouden op orde wil krijgen’? Of wil hij de andere partijen zenuwachtig maken om ze tot meer toegevingen over te halen?
     Mijlemans denkt dat het laatste het geval is. Hij waarschuwt De Wever ervoor om zo’n aanpak niet te ver te drijven, want partijen die bij het opstellen van het regeringsprogramma of bij de samenstelling van de regering te veel moeten toegeven, gaan achteraf uit wraak het regeringswerk ondermijnen. Mijlemans formuleert het met allerlei metaforen, maar daar komt het op neer, geloof ik. Misschien denkt Mijlemans aan het gedrag van Kris Peeters in de vorige regering.
     Het is in elk geval allemaal wáár wat Mijlemans schrijft.
     Maar laten we de zaak wat breder bekijken. Bart heeft de keuze tussen vijf mogelijke Vlaamse regeringen.*
       
              1.    N-VA + VB + ? (Vlaamse coalitie)
      2.     N-VA + CD&V + Open Vld (Zweedse coalitie)

      3.       N-VA + CD&V + SP.A (Slecht-weer coalitie)®** 
             4.       N-VA + Open Vld + SP.A (Bourgondische coalitie)
      5.       N-VA + CD&V + Open Vld + SP.A (Regenboog coalitie)

     Die eerste mogelijkheid is wat moeilijk vanwege dat vraagteken. Sommigen die VB goed gezind zijn, menen dat achter dat vraagteken een echte partij schuil gaat, maar wélke dat is weten zij niet. Er zal wel één partij ‘overstag gaan’, lees ik soms. Misschien. Misschien ook niet. En dan blijft de vraag welke invloed zo’n coalitie met VB zou hebben op de federale formatie.
Laten we de zaak alweer wat breder bekijken. Met welke coalitie kan Bart best zijn doelstellingen bereiken? Onder die doelstellingen treffen we wellicht zaken aan als:

1.       een stabiele meerderheid
2.       min of meer loyale regeringspartners
3.       een ernstige kans om in de federale regering te komen
4.       de realisatie van een gedeelte van zijn partijprogramma
5.       een publieke opinie die in de toekomst  zijn partij gunstig gezind is ***.

  Ik wil Bart, als hij dat op prijs stelt, best een aantal wenken meegeven. Een coalitie met één stem op overschot is voldoende, maar een ruime meerderheid is beter. CD&V is niet erg betrouwbaar, maar Open Vld en SP.A zijn dat ook niet. In de SP.A zitten veel ‘sossen’, maar in andere partijen vind je er ook. Voor Vlaanderen is een Zweedse coalitie iets te rechts, een Slecht-weer coalitie iets te links, een Bourgondische coalitie iets te vrijzinnig, een Regenboog coalitie iets te vermoeiend een een Vlaamse coalitie iets te Vlaams.
     En verder. Een federale regering met N-VA én PS is moeilijk, maar ze is niet onmogelijk. De partij mag haar liberale kiezers niet afstoten door onverantwoorde staatsuitgaven en belastingverhogingen, maar ze mag ook haar sociale kiezers niet verliezen door strikte besparingen. Ze moet elke coalitiegenoot laten scoren, maar het mag ook niet te veel geld kosten. Meer Vlaamse autonomie dwing je niet af met dreigementen, maar je moet de Walen ook niet te veel hun zin geven. Voor een strikt immigratiebeleid moet je niet op Europa wachten, maar helemaal zónder Europa zal het ook niet gaan. Het onderwijs moet worden hervormd, maar ook zinnige hervormingen zullen op weerstand stuiten van leraren en ouders.    
         Voilà. Dat alles op de weegschaal – zo moeilijk kan dat allemaal niet zijn. En nog eentje om het af te leren. Bart moet met de regeringsformatie niet te lang treuzelen. Maar hij moet zich ook weer niet overhaasten. En als hij nog meer goede raad nodig heeft, weet hij waar hij mij kan vinden. Ik sta aan wal.






* En dan heb ik Groen niet eens meegeteld. Björn Rzoska vindt dat toch ‘één van de winnaars’ van de laatste verkiezingen in de regering zou moeten komen. 

** Geïnspireerd op de weercodes. Geel: gevaarlijk. Oranje: extreem. Rood: alarm.  


*** En minder gunstig gezind tegenover zijn concurrenten binnen en buiten de regering.

maandag 5 augustus 2019

Leuke gedichtjes over Stalin


Toen ik twijfels kreeg over mijn communistische geloof, begon ik een aantal boeken te lezen die ik tot dan toe gemeden had. Twee daarvan waren Karel van het Reves Geloof der kameraden en Robert Conquests Great Terror. Een voordeel van die boeken was dat ze beter geschreven waren dan dan het soort dat ik daarvóór las. Ik heb zojuist nog eens gebladerd in dat Ludo Martensboek over Stalin. ‘De officiële woordvoerders van de Amerikaanse oorlogsmachine, Kissinger en Brzezinksi, hebben niets dan lof voor de werken van Solzjenitsijn en Conquest, die als bij toeval ook twee favoriete auteurs zijn van de sociaal-democraten, de trotskisten en de anarchisten.’ * Nou, nou. En zo gaat dat verder, zin, na zin, alinea na alinea, bladzijde na bladzijde, hoofdstuk na hoofdstuk.
    Wat Conquest en Reve schreven lag minder zwaar op de hand. En de twee schrijvers hadden nog meer gemeen. Het waren allebei grappenmakers. Reve schreef op de achterflap van zijn boeken lovende of kritische teksten die hij ondertekende met de naam van bestaande journalisten die hij  niet kon luchten. Conquest stuurde aan een vriend, de bekende dichter Philippe Larkin, een brief op briefpapier van de Zedenpolitie, waarin gemeld werd dat Larkins naam was aangetroffen op een adressenlijst van een in pornografie gespecialiseerde uitgeverij. Larkin, die net als Conquest een groot liefhebber was van pornografie, vreesde toen dat hij zijn baan zou verliezen als universiteitsbibliothecaris.
     Ook hebben Conquest en Reve allebei ooit hun mening over het communisme in dichtvorm gegoten.** Reve deed dat in 1948, in een sonnet dat hij opdroeg aan een fabriekseigenaar waarmee hij samen de Sovjet-Unie bereisde. De schrijver was toen zelf nog een halve communist, maar ironie had duidelijk al een eerste bresje geslagen. 

Gewend om links en rechts te commanderen 
En iedereen te zetten naar uw hand 
Waart gij te gast in ’t Rode Vaderland, 
Gij, Kind der Bourgeoisie, maar ’t kan verkeren
  
Gij zaagt met eigen ogen hoe de heren 
Van Stalins bent aan lieden van uw stand 
Schijt hebben tot en met. Tot aan de rand 
Vult u de weerzin tegen hun begeren
  
Om allen in het arm Moscovisch Rijk 
Te doen geloven dat het Koninkrijk 
Der Hemelen daar is. Zou dit hun wens 

Of ook de waarheid zijn? Wie zal het zeggen? 
Wij weten weinig. Is er soms één mens 
Die het Geheim der Schepping uit kan leggen?

       Conquest leverde zijn dichterlijke bijdrage in een limerick, een genre dat hij goed in de vingers had, vooral als het schunnige materie betrof. Die schunnige durf ik hier niet afdrukken, maar déze moet kunnen.  

“There was an old bastard named Lenin 
Who did two or three million men in. 
That’s a lot to have done in 
But where he did one in 
That old bastard Stalin did ten in.”

       Let erop dat niet alleen het metrum en het aabba-schema correct zijn, met dat ‘Lenin’ waar je moeilijk een rijmwoord op vindt, maar ook de aangehaalde cijfers, die Conquest zelf, als historicus, voor het eerst op een betrouwbare manier berekend heeft.


* Dat Ludo Martens hier de liberalen en conservatieven onvermeld laat, kan ik begrijpen. Hún gedachtegoed hield hem niet zo bezig. Maar waarom hij hier niets over de ‘fascisten’ zegt, dat vind ik vreemd. 

** Deze proeven van light verse staan natuurlijk niet op dezelfde hoogte als het beroemde gedicht van Mandelstam. (hier). Maar Reve en Conquest hebben dan weer niet, zoals Mandelstam, hun gedicht met hun leven moeten bekopen

zondag 4 augustus 2019

Een slecht klimaatargument

      Op mijn en andere facebookpagina’s lees ik soms hevige discussies tussen klimaatontkenners en klimaatalarmisten. De tussenkomsten in die discussies zijn niet altijd peer-reviewed en bevatten vaak erg informele argumenten. Zelf gebruik ik ook geen andere.
     Er is daarbij een argument dat aan de twee kanten opduikt: de waarschuwing voor overmoed of zelfoverschatting, de befaamde hubris van de Grieken – die in hun mythologie en hun toneelstukken zo’n grote rol speelde.
     Bij de klimaatalarmisten gaat dat argument zo. De mens moet zich bescheiden opstellen tegenover de Grote Natuur. Als de mens teveel activiteit ontwikkelt, zeeën drooglegt zoals Faust, grondstoffen wint, energie verbruikt, vissen vangt en opeet, dan zal hij moeder Aarde ‘uitputten’. Het verminderen van onze CO2-productie is in die zienswijze een manier om het natuurlijk evenwicht te herstellen.
     Sommige klimaatontkenners hoor je iets gelijkaardigs beweren. De mens moet zich, alweer, bescheiden opstellen tegenover de Grote Natuur. Die is zelf groot genoeg om de Aarde op te warmen als ze dat wil en ze weer af te koelen als ze van mening verandert. Kijk maar naar de Grote en de Kleine IJstijd en de warme zomer van 1833. De mens moet niet denken dat hij met zijn industriële CO2 – jaarlijks 0,0004 % van de atmosfeer – ook maar iets te betekenen heeft, vergeleken met de onvoorstelbaar grote bewegingen van de planeten en de gigantische activiteit van de zon.
     De lezer heeft gemerkt dat klimaatalarmisten en klimaatontkenners het hubris-argument op een verschillende manier gebruiken. De eersten beweren dat de mens overmoedig hándelt, de anderen dat de mens overmoedig dénkt. Maar de wortel van het kwaad is in de twee gevallen dezelfde.
     Ik vind het argument niet op zijn plaats in discussies met een grote wetenschappelijke of technische component. De waarschuwing voor hubris kan heilzaam zijn als we ons persoonlijk, spiritueel of beroepsleven inrichten, of als politieke veranderingen moeten worden doorgevoerd waarvan we de gevolgen niet goed kunnen overzien. Maar als Icarus of de gebroeders Wright willen vliegen, hebben ze niets aan een preek over zelfoverschatting.  Wat zij nodig hebben, zijn een goede cursus over aerodynamica en materiaalkunde. Daarin mag ook het smeltpunt van was niet onvermeld blijven.

donderdag 1 augustus 2019

Gevangenisstraf voor 'klimaatontkenners'?

De Nederlandse schrijver Ramsey Nasr – voormalig stadsdichter van Antwerpen ook – worstelt met de vraag of het wettelijk mogelijk zou moeten zijn klimaatontkenners ‘te berechten voor de moedwillig volgehouden leugens die onze planeet voor tienduizenden jaren zullen verzieken.’ Wildplassen is strafbaar, redeneert hij, waarom dit niet?
     Ik wil Nasr bij zijn worsteling graag bijstaan met enkele overwegingen. Mocht hij daar tijd voor vinden, raad ik hem aan het boekje van Stuart Mill ‘On Liberty’ te lezen, waar hij een aantal argumenten zal vinden voor onverkorte vrijheid van meningsuiting. Ik weet echter uit ondervinding dat de argumenten van Mill niet iedereen overtuigen.
     Daarom nodig ik Nasr uit om eens na te denken over hoe hij het begrip ‘klimaatontkenner’ precies wil omschrijven. In een facebookdiscussie komt het er zo niet op aan en gebruiken we allemaal wel eens een vaag begrip. Er is een hele tak van de filosofie die zich bezighoudt met ‘fuzzy logic’. Maar in wetteksten luistert dat nauw. Wat is dus, juridisch gesproken, een klimaatontkenner? Iemand die ontkent dat de aarder warmer wordt? Iemand die wel erkent dat de aarde warmer wordt, maar die tegelijk ontkent dat de opwarming vooral door CO2 wordt beïnvloed? Iemand die die CO2-invloed wel erkent, maar die anderzijds ontkent dat die invloed zich over ‘tienduizenden jaren’ strekt? En wat doe je met mensen die onmiddellijke CO2-reductie minder belangrijk vinden dan andere vormen van geo-engineering? Als die ook bij de klimaatontkenners horen, zal ik op mijn tellen moeten passen.
     In ons land hebben we een ‘negationismewet’. Wie de uitroeiing van de Joden door de nazis openbaar ontkent of minimaliseert wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot één jaar en een boete van 26 tot 5 000 euro. Siegfried Verbeke heeft op die manier al verschillende gevangenisstraffen uitgezeten. Ik roep Nasr hierbij op tot een kleine oefening in introspectie. Zou hij, na een debat met een klimaatontkenner, bereid zijn naar het politiekantoor te stappen om zijn opponent in het debat aan te brengen en hem op die manier een gevangenisstraf van een jaar te bezorgen?
     Ik kan niet uitsluiten dat Nasr dat inderdaad zou doen, zij het met de spreekwoordelijke pijn in het hart. Misschien gaat hij zijn opponent daarna opzoeken in de gevangenis om hem alsnog te overtuigen met mooie foto’s van de Noordpool? Maar ja, die klimaatontkenners zijn ‘moedwillig’ en het gaat om het algemeen belang, onze kleinkinderen en het welzijn van onze planeet voor ‘tienduizenden jaren’. Dan moet je hard zijn. Thomas Morus hoopte op een ideale maatschappij waarbij gerechtelijke straffen niet meer nodig zouden zijn, behalve dan voor opiniedelicten als ‘het ontkennen van het voortbestaan van de ziel’ en ‘het ontkennen van de Goddelijke voorzienigheid’. Zulke negationisten waren een gevaar voor de hele maatschappij, redeneerde sir Thomas. Dan was zware dwangarbeid en publieke terechtstelling wel verantwoord.
     Misschien kan ik Nasr overtuigen met een klassiek dilemma: twee tegenovergestelde veronderstellingen die dezelfde uitkomst opleveren. De redenering gaat dan als volgt. Het verschijnsel van klimaatontkenners moeten we niet benaderen met de Jambers-vraag: wie zijn ze, wat doen ze, wat drijft hen? De vraag die we ons moeten stellen is: met hoeveel zijn ze? Gaat het in een strikte definitie om een klein groepje koppige eenzaten die net niet het licht van de zon ontkennen maar wel wat er verder met dat licht in onze atmosfeer gebeurt? Dan kunnen wij die mensen beter met rust laten want veel kwaad doen ze niet. Gaat het echter in een ruime definitie om een belangrijk deel van de samenleving, zodanig belangrijk dat het staatsbeleid er zich op afstemt, al was het maar om electorale redenen? Dan zou het niet erg praktisch zijn mochten ál die mensen de bak indraaien*. In de twee gevallen is gevangenisstraf dus geen goede oplossing.

* Nasr zou hierop kunnen antwoorden dat hij alleen klimaatontkenners in 
politiek, wetenschap en bedrijfsleven wil laten vervolgen, maar dat voorbehoud kan, vrees ik, moeilijk in een wettekst worden opgenomen.

dinsdag 30 juli 2019

Mijn verlicht despotisme en dat van de bouwmeester

    Toen we laatst in Wenen rondliepen, werden we hier en daar door een standbeeld, straatnaam of foto herinnerd aan figuren uit het verleden: Mozart, Elisabeth Amalie Eugenie in Beieren (Sisi), haar gemaal de goede Franz-Jozef ... Een van die figuren ken ik nog van de geschiedenislessen van de lagere school: Jozef II. Die lessen wil ik altijd graag doorgeven aan mijn zoon. Ik legde hem bij onze wandelingen door Wenen dus uit dat Jozef II een verlicht despoot was. Dat hij de keizer-koster werd genoemd. Dat hij het goed meende met het volk. Dat hij tegelijk dacht dat hij als enige wist wát goed was voor dat volk. Dat hij daarom alles zelf tot in de details wou regelen. Dat hij bijvoorbeeld bepaalde hoe lang de kaarsen in de kerk moesten zijn – vandaar dat ‘keizer-koster’ – en hoeveel noten een muziekmaat mocht bevatten. 
     ‘Domme Jozef,’ zei Jan.
     Enige tijd geleden las ik een interessante polemiek tussen Koenraad Elst en Alicja Gescinska over dat verlicht despotisme. Alicja beweerde dat een teveel aan directe democratie, zoals met referenda, leidde tot ‘populisme’ en ‘tirannie van de massa’. Koenraad antwoordde dat zonder die referenda de verkozen vertegenwoordigers vervielen in ‘elitisme’ en, jawel, ‘verlicht despotisme’. ’t Is een moeilijk vraagstuk. Liefst heb ik dat mijn doen en laten niet te veel afhangt noch van de zogenaamde massa, noch van een of andere elite. Maar dat is helaas niet altijd mogelijk.
     Ik heb nu al enkele stukjes* geschreven over de Vlaamse bouwmeester die ons allemaal wil laten wonen op de manier die híj de beste vindt. Als ik in een boze bui ben, noem ik hem binnensmonds een ‘vuile communist’. Ben ik wat beter gezind, dan is hij een ‘verlicht despoot’. Veel verschil maakt het niet omdat die hele communisterij een grimmige versie was van het verlicht despotisme 
(zie ook hier). Maar despotisme hóeft niet altijd grimmig te zijn; het kan ook geraffineerd.
     Als leraar ben ik evengoed een verlicht despoot. Ik bepaal hoe de lessen verlopen en wat de inhoud ervan is. Ik moet daarbij rekening houden met met wat andere verlichte despoten in leerplannen schrijven.  Nou ja, zo verlicht zijn die laatste niet als je die leerplannen leest, maar daar gaat het nu niet om. Zeker is dat de leerlingen over het lesverloop en de lesonderwerpen weinig te zeggen hebben. (Zie ook hier) Toch vraag ik hen af en toe wat ze van bepaalde lessen vinden en hoe het beter zou kunnen. En met wat ze zeggen doe ik dan mijn zin. Sommige voorstellen verwerp ik (‘meer klasgesprekken’), en andere neem ik ter harte (‘minder taalgeschiedenis’).
     Bij nog andere voorstellen ligt het moeilijker. Veronderstel dat de leerlingen mij vertellen dat ze in de lessen over theater minder Shakespeare willen. Ik heb bijvoorbeeld in de klas Polanski’s verfilming laten zien van Macbeth. Dat vinden ze ouderwets en langdradig. Wat ze dan wel willen zien? ‘Romantische komedies,’ zegt een meisje. Goed, denk ik. Die Macbethfilm is van 1971 en Polanski is altijd wat langdradig. Het moet dus iets moderners zijn, en sneller. Ha, en het moet een romantische komedie zijn. Prima. Dan geef ik volgend jaar Much Ado About Nothing, ook van Shakespeare maar verfilmd in 1993. Maar natuurlijk is dat helemaal niet wat dat meisje wou. Dat meisje wou The Kissing Booth voor de zoveelste keer opnieuw zien, en helemaal géén Shakespeare.
    Dat brengt mij weer bij de bouwmeester. ‘De Vlaming heeft verschillende woondromen,’ zegt hij. ‘Sommigen willen een grote moestuin, anderen verkiezen een kleine stadstuin. Als we gaan verdichten in dorpen en steden moeten we de woondromen van de Vlaming dààr inlossen.’ En ter verduidelijking haalt hij de ‘gezinsvriendelijke woontoren’ aan die in Leuven wordt gebouwd naast het station: ‘Een verticaal dorp van 48 meter hoog met een dorpsplein … Op de zesde verdieping zit een straat vol duplexwoningen met voortuintjes. Op de achtste een park van 600 vierkante meter … Alle voordelen van de verkaveling – groen, privacy, uitzicht en ruimte – zijn geïntegreerd in dat project.’
     Ja, het heeft alle voordelen van de verkaveling, ongeveer zoals Much Ado About Nothing voor mij alle voordelen  heeft van The Kissing Booth en daar nog enkele andere bovenop. Veel van mijn leerlingen zien dat niet zo, maar, ach, die zijn pas zeventien. Dan mag ik wel wat paternalistisch of despotisch zijn, vind ik, en mijn eigen voorkeuren opleggen. De Vlaming daarentegen die zijn ‘woondroom’ wil waarmaken, is een volwassene en wel wat ouder dan zeventien. Moet een bouwmeester zich dan nog altijd bezighouden met duwen en trekken aan díens voorkeur? 



Zie hier,  hier en hier.

zondag 28 juli 2019

Het volgebouwde Vlaanderen van de bouwmeester

 ‘Vlaanderen raakt stilaan volgebouwd,’ zegt de bouwmeester*. ‘Er moet dringend meer open ruimte komen.’ Bij die eerste mededeling kun je de vraag stellen: is dat zo? En bij de tweede kun je je afvragen: waarom? Laat ik met dat tweede beginnen. Waarom moet er dringend meer open ruimte komen? 
     In het Verre Oosten wordt al eeuwen nagedacht over de vraag welk geluid een omvallende boom maakt in een verlaten bos. Sommige wijsgeren denken dat die géén geluid maakt omdat er niemand is om dat geluid te horen. Je kunt je hetzelfde afvragen van de open ruimte van de bouwmeester. Hoe zal die eruitzien als geen menselijk oog die nog kan bezichtigen. Het mensenras heeft zich in de utopie van de bouwmeester teruggetrokken in dorpskernen en steden en heeft de natuur overgelaten aan de vroeger bedreigde diersoorten. De mens heerst in stad en dorp en op het platteland heerst de wolf. Alleen in heel strenge winters komt die laatste wel eens de stad binnengeslopen om een kind op te eten dat op weg is naar school. Vooral kinderen van huizen met een lage mobiscore omdat ze ver van een school liggen, zullen daar het slachtoffer van zijn. 
     Of misschien krijgen we het platteland wél te zien, met name als we langs de fietsostrades van de ene dorpskern naar de andere, en van de ene stad naar de andere snorren. Met een goede speedelec haal je een snelheid van 45 kilometer per uur. Daarmee maak je een redelijke kans tegen een uitgehongerde wolf. En je kunt ten volle genieten van de schoonheid van de natuur, niet gehinderd door autoverkeer of door de aanblik van villa’s, landhuizen, fermettes en andere open bebouwing.
     Die schoonheid van de natuur is mij anders wel wat waard. De vraag daarbij is echter ook: hoe veel? Economen hebben geloof ik manieren ontwikkeld om zoiets te berekenen. Ik ken die manieren niet; ik doe het dus op mijn manier. Als ik naar school fiets en ik neem de kortste weg, dan doe ik daar een half uur over. Ik kom dan langs heel veel lintbebouwing en ik heb voortdurend te maken met lawaai en stank van auto’s en vrachtwagens. Ik zou ook een andere weg kunnen nemen. Dan rijd ik bijna uitsluitend door velden en zelfs bossen. Bij een stukje van die weg zing ik altijd: ‘Dit is klein Zwitserlá-ánd.’ Maar ik neem die weg haast nooit want ik zou er dan, schat ik, zeven minuten langer over doen. Dat heb ik er blijkbaar niet voor over.
     Je kan het meer algemeen benaderen. Als we een half uur rondrijden met de fiets of de auto, dan wordt het plezier dat we putten uit de aanschouwing van bossen en velden vergald door elk huis langs de weg. Maar in dat huis wonen mensen die vele uren per dag plezier putten uit dezelfde aanschouwing van bossen en velden. We zouden dat plezier van die fietsers, autobestuurders en bewoners kunnen optellen, vermenigvuldigen en delen en dan met elkaar vergelijken. In de lagere school kreeg ik les in een klaslokaal op de tweede verdieping. Vandaaruit had ik een mooi uitzicht op een nabij bos. Ik heb daar vaak met veel genoegen naar gekeken. Maar misschien was mijn school wel gebouwd op de plaats waar vroeger ook een bos lag. Wat weegt het zwaarste?
     Maar er móet meer open ruimte komen, zegt de bouwmeester, en hij haalt er de Verenigde Naties bij. Die hebben namelijk bepaald dat, omwille van de biodiversiteit, 25 procent van Vlaanderen uit natuur moet bestaan, terwijl het nu maar 6 procent is. Ik vind dat om twee redenen raar. Zouden de Verenigde Naties echt een quotum hebben opgelegd voor Vláánderen? Je zou denken dat die instelling werkt met lánden, en niet met regio’s, provincies, arrondissementen of kantons. Of neemt men daar in de VN al een voorschot op de Vlaamse onafhankelijkheid? En dan: die 6 procent natuur lijkt mij nogal weinig als ik het vergelijk met wat ik zag door vliegtuigraampje bij onze reis naar Wenen enkele weken geleden. Zo volgebouwd leek ons land toen niet. 
     Laten we daarom de cijfers van de overheid eens bekijken. Dan ziet het Vlaamse bodemgebruik er zo uit:  

- Wegen én industrie: 10 % 
- Woongebied: 15 %
- Bos: 15 % 
- Landbouwgebied: 60 % 

     Dat lijkt al beter op mijn vliegtuigraampjesindruk. Ik heb die cijfers hier wat afgerond**, zodat ik ze zelf kan onthouden, maar er blijkt in elk geval uit dat er in Vlaanderen heel wat meer ‘natuur’ aanwezig is dan de 6 procent van de bouwmeester laat vermoeden.
     De bouwmeester zegt in het interview met De Morgen (hier) dat er dringend 19 procent extra natuurgrond moet komen. 19 procent van de totale Vlaamse oppervlakte ... waar moet die vandaan komen? Met het innemen van de smalle strookjes lintbewoning en het afbreken van enkele oude hoeves zullen we vrees ik niet aan één procent komen. Dan valt toch al één reden weg om daar zo tekeer over te gaan. De bouwmeester wil tegelijk de industrieterreinen saneren. Daar kan misschien ook een procent gewonnen worden. Anderzijds kunnen er ook nieuwe industrieën bijkomen die juist meer terrein nodig hebben. Dan zijn we dat procent weer kwijt.
     Elk kind dat de cijfers ziet, begrijpt dat bijna alles van die 19 procent nieuw natuurgebied van de landbouw zal moeten komen. Ach ja, misschien is 60 % wel wat veel voor een sector die slechts 0,7 % van onze bbp voortbrengt. Misschien kunnen betere technieken, genetische manipulatie en een slimmere keuze van de gewassen wel meer halen uit een kleinere oppervlakte. Maar dat soort oplossing past niet goed bij het extremistische inborst van de bouwmeester. Hoe het dan wel moet? ‘Begin vorige eeuw,’ zegt hij in het interview, ‘ging de helft van het gezinsbudget naar eten, vandaag nog 5 procent. […] We moeten naar een lokale duurzame biolandbouw, met voedsel dat minstens drie keer duurder wordt.’ 
     Was dat geen mooie kop geweest voor het interview in De Morgen?  ‘Bouwmeester eist dat voedsel minstens drie keer duurder wordt.’ Of ‘Bouwmeester wil dat 15 % van gezinsbudget naar eten gaat.’ Of nog ‘Bouwmeester wil meer biolandbouw en daling van koopkracht met 10 %.’ 
     Mocht morgen de bouwmeester bij zijn dagelijkse wandeling van zijn appartement naar zijn werk overreden worden, dan zal ik in de eerste plaats aan een spijtig ongeluk denken. Maar mocht er toch boos opzet in het spel zijn, dan kijk ik meteen in de richting van Groen. Dat zijn geloof ik heel brave mensen, maar ook die hun geduld met zulke provocaties moet vroeg of laat uitgeput raken.



* Over de bouwmeester schreef ik ook al (hier) en (hier).

** Voor exactere cijfers verwijs ik naar de blog van Andreas Thirez en naar het Vlaamse Milieurapport. Uit dat laatste blijkt bijvoorbeeld dat de werkelijke oppervlakte die in 2017 werd ingenomen door woongebied slechts 12,31 % bedraagt. Dat is dan in tegenstelling met het geplande woongebied dat 16,7 % bedraagt.

       
    

zaterdag 27 juli 2019

De Vlaamse bouwmeester versus ons landhuis

     Als ik aan niets in het bijzonder aan het denken ben, komen mijn gedachten soms uit bij onze Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck (hier). Dat komt goed uit zul je zeggen, die man is ook niets bijzonders. Dat is mogelijk. Maar enige weken geleden moest ik mij geweld aandoen om geen sympathie voor hem te krijgen. Hij werd om zijn onvoorzichtige uitspraken aangevallen door lui als Joël De Ceulaer, Bart Eeckhout, Mark Van de Voorde en zelfs Bert Bultinck. Dat is een gezelschap waar ik mij niet erg thuis voel en van de weeromstuit vroeg ik mij af of de architect-ambtenaar misschien toch ergens iets verteld had dat de moeite waard was.  Ik heb toen een aantal stukken van hem gelezen (hier en hier),  en de aanzet tot sympathie was meteen al weer weg.
     De Vlaamse bouwmeester wil, dat is bekend, komaf maken met wat hij minachtend ‘Fermettegem’ noemt. Villa’s, landhuizen, open bebouwing in tuinwijken of langs de weg, dat moet allemaal op termijn verdwijnen. Wonen doe je voortaan in een rijtjeshuis of op een appartement, het eerste voor wie de dorpskern verkiest, het tweede voor wie voorkeur geeft aan de grote stad. Rijtjeshuizen en appartementen, dat is het ware.
     Zelf voel ik daar niet voor.
     Ik heb mijn jeugd in een rijhuis doorgebracht en mijn jonge volwassenheid in een appartement;  mijn rijpere jaren breng ik nu door in een landhuis aan de rand van een bos. Ik ben op alle drie de plaatsen gelukkig en ongelukkig geweest, maar aan dat landhuis heb ik mijn hart verpand, nog vóór de koop gesloten was.  ‘Als jij het niet koopt, koop ik het,’ zei ik tegen mijn vrouw. De eerste vijftien jaar dat ik er woonde, had ik elke dag het gevoel dat ik op vakantie was, vooral na die tien jaar in het drukke Brussel. Dat vakantiegevoel is nu wat minder, maar het is er nog altijd een beetje.  Als we soms een winterse boswandeling maken en bij de terugkeer zie ik van in de verte ons huis tussen de bomen, dan zeg ik luidop tegen wie naast mij loopt – meestal is dat mijn vrouw – : ‘De mensen die daar wonen, dat moeten de gelukkigste mensen ter wereld zijn.’
     Maar voor de bouwmeester is onze manier van wonen ‘crimineel’. Hij heeft zijn uitspraak later genuanceerd. Crimineel is niet het gedrag van de landhuisbewoners maar dat van de overheid die toelaat dat nieuwe landhuizen worden gebouwd. Aangezien wij een huis gekocht hebben dat er al stond, hebben mijn vrouw en ik dus geen criminele daad gepleegd. Maar we hebben wel voor verzwarende omstandigheden gezorgd: het aanleggen van een gazon en het planten van een haag. Die zaken noemt de bouwmeester een ‘toonbeeld van individualisme’. Je zegt daar immers mee: ‘Laat mij gerust achter mijn haag’. Nou ja, misschien heeft hij daar wel gelijk in. We worden graag gerust gelaten.

     Onze Vlaamse manier van wonen, beweert de bouwmeester, is door de grote verplaatsingen die ze meebrengt, slecht voor het milieu. Dat weet ik nog zo niet. Toen we op een appartement in Brussel woonden, reed mijn vrouw elke dag 51 kilometer naar haar werk in Antwerpen. Toen ze later van bij ons nieuwe huis in Keerbergen vertrok, moest ze maar 35 kilometer rijden. Ze had in Brussel natuurlijk ook de trein kunnen nemen, zoals het eerste jaar dat we daar woonden. Ons appartement lag op een kwartier lopen van het Noordstation. Maar mijn vrouw had een grote hekel aan die dagelijkse treinreis. Het had iets met de schommeling van de wagons te maken. We leefden dus zo zuinig mogelijk en met ons eerste geld kochten we een tweedehands Skoda (hier) waardoor die trein niet meer nodig was.
     Mijn geval was anders. Ik was in Brussel gewoon om naar het werk te gaan met tram en metro en dat kostte mij veertig minuten heen en veertig minuten terug.  Op die tram zat ik samen met VRT-mensen die onder elkaar een correct maar nogal onnatuurlijk Algemeen Nederlands praatten. Toen we echter naar Keerbergen verhuisden, kwam een einde aan die tram-metrogeschiedenis. Ik probeerde het eerst met de auto, maar dan kwam ik in een file terecht die mij gemakkelijk twee keer anderhalf uur per dag kostte. Ik probeerde het met het openbaar vervoer maar dan duurde het nóg langer. Ik wist toen nog niet wat ik nu dankzij de bouwmeester wel weet: dat zulke lange verplaatsingen de oorzaak zijn van echtscheidingen, stress, burn-outs en obesitas, en wellicht ook van hoofdschilfers, verweking van het ruggenmerg en harige handpalmen. Toch vond ik dat woon-werkverkeer vervelend genoeg om van werk en van beroep te veranderen. Nu ga ik elke dag met de fiets naar de school waar ik lesgeef.
      ’t Is waar, er zijn nog andere verplaatsingen. Waar we nu wonen hebben we onze dichtstbijzijnde winkel op 2,4 kilometer. In Brussel konden we op de hoek van de straat terecht in de winkel van Madame Mirkos, die tot ’s avonds laat open was. Daar staat tegenover dat de Colruyt nu dichterbij ligt. De bouwmeester pocht dat hij vanuit zijn Brussels appartement tweehonderd restaurants binnen wandelafstand heeft. Zoiets hebben wij niet. Maar in Brussel gingen we altijd naar hetzelfde Italiaanse restaurant dat weliswaar in het verlengde van onze straat lag, maar wel zo ver dat we toch de auto moesten nemen. Dat deden wij wekelijks, terwijl we nu amper nog op restaurant gaan.
      De bouwmeester beweert dat wonen op het platteland een enorme kost betekent voor de maatschappij. ‘De thuiszorg,’ zegt hij bijvoorbeeld, ‘rijdt op het platteland 600 000 kilometer per dag. Vijftien keer de planeet rond.’* En hoe kunnen we die misstand de wereld uit helpen? Eenvoudig genoeg. ‘Als je al die vereenzaamde bejaarden in hun verkavelingsvilla’s naar woonzorgcentra in het centrum verhuist, los je veel op.’ Zo staat het er.
     Hoe zal dat verhuizen in zijn werk gaan, vraag ik mij bezorgd af. Als mijn vrouw en ik binnen twintig jaar vereenzaamde, zorgbehoevende verkavelingsbejaarden zijn, hoe zal de bouwmeester ons dan naar het woonzorgcentrum krijgen? Komt hij ons persoonlijk overtuigen van de voordelen van dat centrum dat ongetwijfeld alle mogelijke collectieve voorzieningen zal bundelen? Met een wandelpark met bankjes, een zaaltje om te schaken en een zaaltje om naar muziek te luisteren terwijl we rustig de dood afwachten. Misschien kan de bouwmeester zijn licht opsteken bij de mooie televisiereeks Chernobyl. Daar zagen we Sovjetsoldaten van huis tot huis trekken om de mensen te evacueren. Een weerbarstige boerin bleef liever wonen waar ze woonde. Dat stralingsgevaar kon nooit zo erg zijn als wat ze al had meegemaakt: witte gardisten, rode gardisten, georganiseerde hongersnood door Stalin, nazibezetters. Ten einde raad nam de soldaat zijn pistool en … schoot haar koe dood.
     Maar wij, wij hebben geen koe, en wij zijn ook niet van plan er in de toekomst een te nemen. Díe oplossing is dus al uitgesloten. 


  * Dat vijftien keer de planeet rond maakt op mij weinig indruk. Als je alle rode bloedcellen van één mens naast elkaar legt, kom je ook al vijf keer de planeet rond. Liever weet ik bijvoorbeeld waar ik die cijfers kan controleren. Of wat de cijfers zijn voor de ons omringende landen. Of wat die 600 000 kilometer betekenen in het geheel van de dagelijkse autokilometers in Vlaanderen. (Dat zou 0,4 procent zijn als ik even nareken; dat is nogal veel.) Nóg liever zou ik weten om hoeveel kilometer het gaat per zorgbehoevende. En hoeveel nieuwe woonzorgcentra er dan moeten komen om de villa- en landhuisbewoners op te vangen.  En welke hoeveelheid CO2 er bij de bouw daarvan in de atmosfeer terecht zal komen.