De triomf van Rousseau?
Vorige week zat ik met iets in mijn maag, maar ik wist niet wat het was. Ik voelde een vage onrust, en dat was inderdaad ter hoogte van dat belangrijke onderdeel van ons spijsverteringskanaal. Ondertussen weet ik wat het was: ik had het ontslag van Bart De Wever voelen aankomen. Het voorgestelde en weer afgevoerde noodplan, Frank Vanden Broucke met zijn ‘gebroddel’, Conner Rousseau met zijn media-offensief dat door Siegfried Bracke geprezen werd vanwege het tentoon gespreide vakmanschap. Het werd stillaan duidelijk wat er gebeurd was. Bouchez had de onderhandelingen gerekt tot aan de deadline, en had daarmee de kansen gecreëerd voor Rousseau om in de krappe tijdspanne die restte de onderhandelingen te doen mislukken. Slecht gespeeld van Bouchez, goed gespeeld van Rousseau.
En De Wever? Die heeft geloof ik nog altijd een beetje last van het idealisme van de Volksunie. Hij had de analyse gemaakt dat een drastische sanering mogelijk was, waarbij de pijnlijke maatregelen min of meer gelijk over de electoraten van de regeringspartijen werden gespreid. Terecht redeneerde hij dat de regeringspartijen voor zo’n beleid niet, of niet al te hard zouden worden afgestraft, als ze tenminste min of meer eensgezind konden blijven. Ook moet hij gegokt hebben dat geen enkele partij de regering zou willen doen vallen, uit vrees om daar bij nieuwe verkiezingen voor afgerekend te worden.
Maar de ene val van de regering is de andere niet. Mocht de regering vallen en er komen nieuwe verkiezingen, dan zou Rousseau best wel eens kunnen beloond worden. Misschien onthouden de Vlamingen vooral Bouchez als saboteur en Rousseau als degene die de lasten op andermans schouder wil leggen. Als hij zijn kaarten goed speelt, kan hij zelfs een deel van de Groen- en PVDA-kiezers binnenhalen. N-VA kan stemmen verliezen, want wat heb je aan een realistische partij als zelfs De Wever geen regering bij elkaar kan houden. Nationaal komt dan een linkse regering in zicht, ook al omdat het voor Wallonië tegennatuurlijke succes van MR niet kan aanhouden.
Beseft Rousseau dan niet dat de sanering nodig is, met verdere besparingen op de uitgaven? Natuurlijk beseft hij dat. Alleen zou hij nog liever hebben dat een Europese trojka een drastische besparing komt opleggen, waar hij niet verantwoordelijk voor is, dan dat hij zelf een geleidelijke, gematigde en draagbare besparing moet doorvoeren. En misschien kan hij later zelfs de ontevredenheid over de trojka-maatregelen electoraal verzilveren.
De conclusie dringt zich op. Rousseau is een knap politicus. De manier waarop hij Sammy Mahdi, voorzitter van de partij waarmee hij in de regering zit, voor de camera een ‘leugenaar’ noemde, bewijst zijn zelfvertrouwen. Maar is hij ook een verantwoordelijk politicus? Dat is iets anders. Een verantwoordelijk politicus moet drie belangen afwegen: het belang van het land (en de toekomst), de belangen van het eigen electoraat, en het pure electorale belang voor zijn partij. Voor zover ik kan zien telt voor Rousseau slechts het laatste en voor Bouchez vooral het tweede.
Of het allemaal echt zo in elkaar zit, weet ik natuurlijk niet. Ik ben bij geen enkele van de besprekingen betrokken geweest. Maar binnen een jaar zal er wel een boek over de periode verschijnen. En ondertussen moeten we zien wat er volgende vrijdag gebeurt.
Ontwikkelingshulp en fondsenwerving
Enige tijd geleden werd ik aangesproken door een fondsenwerver die zich voorstelde als ‘Palestinian refugee’. Ik heb mijn naam en bankrekening nummer toen niet opgegeven. Nochtans heb ik geen probleem tegen professionele fondsenwerving. Naar het schijnt gaat de donatie de eerste paar maanden naar de vergoeding van de fondsenwerver, maar als de doorlopende opdracht daarna blijft doorlopen, is er een batig saldo voor de hulpbehoevende. Het is een kwestie van efficiëntie.
Ik las ooit een opiniestuk (DS 26/9) waarin iemand de fondsenwerving gebruikte als argument voor meer ontwikkelingshulp door de staat. De schrijfster vroeg zich af of ze niet moest
Luider protesteren tegen de besparingen op ontwikkelingssamenwerking, zodat ngo’s wat minder geld moeten pompen in fondsenwerving. Of ben ik dan te naïef?
Welnee, de schrijfster zondigde niet door naïeviteit maar door gebrek aan logica. Ook als de staat meer geld besteedt aan ontwikkelingshulp, moet een efficiënte ngo evenveel blijven investeren in fondsenwerving, zolang het saldo batig blijft, en de gevers niet te erg worden afgeschrikt door de gedachte dat een deel van hun geld niet bij de arme mensen terecht komt.
Oekraïne-polemiek onder professoren
Twee professoren van de KULeuven hebben in De Standaard (21 en 22/10) de degens gekruist: Jan De Volder, historicus verbonden aan de faculteit Theologie, en Steven Van Hecke, hoogleraar Europese politiek. De historicus voerde de eerste attaque uit. Hij verweet Europa dat het alle onderhandelingen met Rusland weigerde en daardoor leek op een trein die maar op één spoor kan rijden: dat van ‘financiële en militaire steun aan Oekraïne, zonder rechtstreeks met Rusland in oorlog te treden.’ Hij prijst daarentegen het beleid van het Vaticaan dat ‘zijn sympathie voor het geteisterde Oekraïne, maar toch in gesprek bleef met Rusland.’
Vooral de kwestie van historische vergelijkingen viel mij op in het stuk. De Volder schrijft:
Soms krijg je de indruk dat Europese leiders en waarnemers niet meer historische kennnis hebben dan die over de Tweede Wereldoorlog: de Russische president Vladimir Poetin is dan Hitler, Rusland is nazi-Duitsland, vooral te vermijden is een deal à la Chamberlain, en na vier of vijf jaar oorlog winnen de goeden (wij dus). Het is een simplistische visie. Evengoed kun je de huidige situatie vergelijken met de Balkanoorlogen en de slaapwandeldiplomatie die aan de Eerste Wereldoorlog voorafging.
Dat is een goede waarschuwing. Als ik speculeer over de afloop van de oorlog in Oekraïne, geloof ik niet dat die zal eindeigen zoals de oorlogen die mijn historisch geheugen uitmaken geëindigd zijn. De buitenlandse mogendheid zal zich niét terugtrekken zoals uit Vietnam (1973) en Afghanistan (1989, 2021), de plaatselijke oorlog zal niét eindigen in een wereldbrand zoals Balkanoorlogen waar De Volder naar verwijst, er zal géén vernederende capitulatie plaatsvinden zoals in het Bois de Compiègne in 1918, en de overwinnende legers zullen niét de hoofdstad van het vijandelijke rijk innemen zoals met Berlijn 1945. Hoe zal de oorlog wel ooit eindigen? Hoogstwaarschijnlijk door een ‘paix impure’ waarvan de kern bestaat uit het bevriezen van de frontlijn. De Volder geeft hoog op over geduld, out of the box denken, realisme en creativiteit, maar dat zal niet veel veranderen aan de zaak: de frontlijn wordt bevroren.
De riposte van Van Hecke is heftig. Het Vaticaan wordt ‘door Poetin gebruikt om een schijn van bereidwilligheid hoog te houden’, er is in het verleden, na 2014, al zo vaak onderhandeld met Poetin, diplomatieke toegevingen worden door Moskou geïnterpreteerd als zwakte, en men kan niet onderhandelen met iemand die maximale eisen stelt. Dat laatste is een zwak argument, want Van Hecke geeft zelf toe dat het stellen van maximale eisen behoort tot het diplomatieke spel.
Iedereen weet dat Oekraïne bereid is om in de praktijk bereid is om in de praktijk afstand te doen van dat deel van het territorium dat momenteel door Rusland wordt bezet … Wie Oekraïne verwijt dat niet openlijk toe te geven, kent weinig van diplomatie. Alsof onderhandelen betekent dat meteen alle kaarten op tafel moeten liggen.
Je kunt Poetin veel verwijten, maar niet dat hij maximale eisen vooropstelt. Oekraïne en Europa doen dat ook – en terecht. Alleen Trump leek de creatieve strategie te volgen om vooraf de eisen van de tegenpartij als basis voor de onderhandelingen over te nemen. Maar achteraf bleek dat hij in het Oekraïense conflict Rusland niet eens als de tegenpartij beschouwt.
Van Hecke gebruikt in de discussie een eigenaardig gezagsargument.
Volgens de redenering van De Volder vergist [behalve radicaal-rechts en radicaal-links] de rest van het politieke spectrum in Europa zich al bijna vijf jaar schromelijk. Stel je eens voor dat die politici wel grondig hebben nagedacht over hun houding in het conflict ten aanzien van Rusland.
Maar het is op zich zeer wel mogelijk dat het politieke spectrum zich al vijf jaar vergist. Bovendien is het een overbodige veronderstelling. De weerzin om met Rusland te onderhandelen kan evengoed voorkomen uit onzekerheid en onenigheid in eigen rangen.
Het belangrijkste verwijt van Van Hecke is het volgende:
Jan De Volder schrijft binnen dat denkkader: door halstarrig Oekraïne te steunen en en niet te willen onderhandelen met Rusland is Europa mee verantwoordelijk voor het aanhoudende oorlogsleed.
Ik vond dat eerst onrechtvaardig. Nergens in zijn stuk had De Volder opgeroepen om de steun aan Oekraïne stop te zetten. Ik heb het stuk nog eens nagelezen, om dat te controleren. Tegelijk is mij iets anders opgevallen: nergens in zijn stuk roept De Volder op om de steun aan Oekraïne verder te zetten. Dat kan niet. Wie met goede argumenten pleit voor onderhandelingen moet minstens één of twee zinnetjes toevoegen over onverminderde financiële en militaire steun voor Oekraïne. Anders lijk je zelf op ‘een trein die maar op één spoor kan rijden.’ En dan helpt het niet om, zoals het Vaticaan doet ‘sympathie te betuigen voor het geteisterde Oekraïne.’
Rijkswacht of burgerpolitie
Tegen Theo Franckens idee om de rijkswacht herop te richten als instrument tegen straatrellen beroept columnist Raf Njotea zich op de Conservatieve Britse politicus Robert Peel (1788-1850). Het was Peel die op het idee kwam om de orde in Groot-Londen te laten handhaven door politiemannen zonder geweren of pistolen, maar slechts bewapend met houten matrakken. Ook Peels principles of policing worden erbij gehaald. Njotea citeert het zesde beginsel: ‘fysiek geweld kan alleen als laatste redmiddel, wanneer dialoog en de-escalatie falen.’
Dat is een mooi beginsel, en Njotea zal het met mij eens zijn dat bij het straatgeweld van de black blocks, de casseurs en de pilleurs, het laatste redmiddel best mag worden ingezet. Welk soort politiekorps daarvoor het beste geschikt is, kan nog altijd een onderwerp van discussie zijn.



