dinsdag 22 september 2026

Ed Sheeran, e.a.



Ed Sheeran
     Ik kan niet zeggen dat ik de carrière van Ed Sheeran op de voet gevolgd heb. Toen ik met pianolessen begon, wou ik graag Perfect leren spelen, maar ik vond toen geen geschikte partituur die ik aankon. Wat later leerde ik de artiest kennen in de charmante komedie Yesterday waar hij zichzelf speelt. Hij en Jack Malick worden uitgedaagd tot een wedstrijd om in tien minuten het beste lied te schrijven. Dat gebeurt in een fantasie-wereld waarin iedereen, behalve Jack, de liedjes van de Beatles vergeten is. Jack zingt The Long and Winding Road, waarop Sheeran ruiterlijk toegeeft dat hij daar niet tegenop kan. Hij geeft de strijd op. 

     En vorige week kreeg ik dankzij de klassieke en sociale media weer met Sheeran te maken. In zijn nieuwe tournee trad de Amerikaanse rapper Macklemore op in het voorprogramma en die had al een paar keer ‘Free Palestine’ vanop het podium geroepen. De concertorganisator had daarop Macklemore van de affiche geschrapt, waarop de begeleidingsband van Sheeran, uit solidariteit met de rapper, ook uit de tour stapte. Dat was een erg vervelende situatie. De fans hadden een ticket gekocht voor de whole shebang, mét Macklemore en mét de begeleidingsband.

     Sheeran heeft dan op 15 september uitgebreid zijn versie van de feiten toegelicht om zich tegenover zijn publiek te verontschuldigen. Eerst legt hij uit dat niet hij, maar de concertorganisatoren het contract met Macklemore hebben opgezegd, niet om wat hij zei, maar om de manier waarop. Hij legt ook uit dat hij – tevergeefs – geprobeerd heeft te bemiddelen in het conflict, en – eveneens tevergeefs – met ‘activisten van beide kanten’ heeft gesproken. Maar de zanger wil er zich ook niet te gemakkelijk van afmaken. Tenslotte had ook hij de tournee kunnen afbreken uit solidariteit met de rapper. Hij heeft dat niet gedaan, en wel om deze reden: 

 

Ik heb mijn persoonlijke standpunten over dit verwoestende conflict. Dat ik ervoor kies er niet publiekelijk over te spreken, betekent niet dat ik ze niet heb, en het betekent niet dat het me niet kan schelen … Er is een reden waarom ik mijn professionele platform niet voor politiek gebruik: mijn publiek bestaat uit jonge mensen, vaak kinderen, van alle achtergronden. Wie naar mijn shows komt, verwacht geen politiek forum. Ik respecteer Macklemore’s vastberadenheid om op te staan en uit te schreeuwen wat hij gelooft. Maar er is ruimte voor meerdere wegen naar hetzelfde doel: vrede. Ik kies ervoor mijn bekendheid en mijn platform te gebruiken als een plek van veiligheid en toevlucht, om diplomatie te bewaren en gesprekken open te houden, niet dicht te gooien. Als we alleen maar focussen op wie het hardst schreeuwt, verandert er nooit iets. Er zijn verschillende manieren om een voorvechter van verandering te zijn.

 

      Tom Naegels (DS 19/9) heeft enige sympathie voor Sheeran. Ik heb op mijn beurt enige sympathie voor twee standpunten van Naegels. Hij vindt dat niet iedereen altijd een standpunt moet innemen over élk onrecht in de wereld. ‘Ook de geëngageerdste activisten, schrijft Naegels, kiezen één zaak, en zijn stil over alle andere.’ En het tweede standpunt dat ik goed kan pruimen is dat er ruimte moet zijn voor mensen die zich op elegante manier afzijdig houden. En hij citeert Metallica, Mariah Calley, Britney Spears en Marco Borsato, van wie niemand zich afvraagt waar zij nu precies in de Gaza-kwestie staan. ‘Dát is wat neutraliteit hoort te zijn. Geurloos, smaakloos, onopvallend.’

     Minder eens ben ik het met zijn standpunt over de ‘verplichte neutraliteit’. 

 

Een organisatie kan ook kiezen voor een gespierdere vorm van neutraliteit, waarbij ze zegt: jouw keuzes stralen af op ons, dus als je voor ons werkt, dan zwijg je over zaken die polariserend werken voor ons publiek. Dat was de keuze van het Oost-Vlaamse provinciebestuur, met betrekking tot de hoofddoek. Het was de keuze van het Eurosongfestival met betrekking tot Israël. Maar daarmee bots je op een ander probleem. Als je neutraliteit moet verplichten, dan is het geen neutraliteit meer. Dan wordt het het machtswoord van één partij. Neutraal zijn in Oost-Vlaanderen betekent: vinden wat de N-VA vindt. Neutraal bij Eurosong is: het Israëlische regime naar de mond praten. Zoals Ed Sheeran nu alleen neutraal kan zijn als hij kant kiest voor wie kant kiest voor Israël.

 

     De drie voorbeelden die Naegels geeft overtuigen mij niet dat de ‘verplichte neutraliteit’ per se iets kwalijks is. De hoofddoeken op school is een kwestie sui generis. Hoofddoeken verbieden is niet helemaal neutraal, maar hoofddoeken toelaten is dat ook niet, een geen van de twee maatregelen houden in dat men kiest voor of tegen de islam. Je kunt heel goed de deelname van Israël – of van Rusland voor mijn part – aan het Eurosongfestival verdedigen zonder het eens te zijn met wat die landen uitspoken. En niemand verbiedt Macklemore om ‘Free Palestine’ te roepen, alleen niet in het voorprogramma van Ed Sheeran. 

     Maar Naegels heeft gelijk dat er een ‘neutraliteitsparadox’ bestaat al is die, wat mij betreft, schijnbaar. Aan de Gentse universiteit duikt een wat Naegels noemt een ‘vlaggenzwaaiende eugeneticus’ op. Als Petra De Sutter zich neutraal opstelt, krijgt ze van activisten het verwijt dat ze biologische racisten beschermt en dus niet neutraal is. Maar of dat zo is, moeten we niet van die activisten laten afhangen. Naegels en ik verschillen van mening over De Sutters neutraliteit, maar we zouden wel, los van dat concrete geschil, kunnen afspreken wat we onder neutraal verstaan, met criteria die zowel voor een vlaggenzwaaiende rassenrealist als voor een vlaggenzwaaiende Israël-hater.

    Het is natuurlijk waar dat de neutraliteit veel organisaties voor een dilemma plaatst: de neutraliteit volhouden, of toch een standpunt innemen. Uiteindelijk heeft Ed Sheeran dan toch voor het laatste gekozen. Op zijn concert van 19 september gaf hij kort zijn mening over Israël en Palestina , die ik alweer sterk inkort:

 

Wat er in Israël en op het Nova Music Festival op 7 oktober is gebeurd, was afschuwelijk en kwam bovenop  eeuwen van Joodse pijn. Wat er in Gaza gebeurt, is catastrofaal, onrechtvaardig en disproportioneel. Mijn hart is gebroken door de omvang van de verwoesting en het verlies van burgerslevens, van kinderlevens. En het systemische onrecht dat we op de Westelijke Jordaanoever zien ontvouwen, kan niet over het hoofd worden gezien. 

 

     Ik heb er geen moeite mee om te geloven dat dat ook Sheerans echte mening is: het is immers ook de mijne. En zijn nuances brengen mij op een ander punt. Naegels heeft net als ik een hekel aan de slogan: Silence in the face of injustice is complicity with the oppressor. Maar zijn redenen zijn niet helemaal dezelfde als de mijne. Hij schrijft: 

 

Ook de geëngageerdste activisten kiezen één zaak, en zijn stil over alle andere. Dat kan ook niet anders. Je zou kierewiet worden en al je vrienden van je wegjagen als je je permanent zou opwinden over én de genocide in Soedan, én de oorlog in Oost-Congo, én de lakse bestraffing van seksueel geweld, én het gevaar van AI, én de opkomst van extreemrechts in Duitsland, én de vernietiging van Gaza, én de dictatuur in Wit-Rusland, én de milieueffecten van fracking, én de ontvoering van kinderen door Al-Shabaab, én het tot slaaf maken van mensen in scam-kampen in Cambodja, én de overbevolking in de Belgische gevangenissen ... Je afzijdig houden, ergens geen mening over hebben is de norm. Dat wil niet zeggen dat je het onrecht goedkeurt. 

 

     Dat zijn goede redenen. We willen niet kierewiet worden, al onze vrienden wegjagen en in een permanente staat van opwinding verkeren. Maar mijn bezwaar tegen activisten is niet dat ze alle problemen ter wereld, dan wel slechts één ervan willen behartigen. Mijn bezwaar is dat ze alle kwesties die ze onder handen krijgen meteen herleiden tot een vorm van onrecht waarvan de onderdrukker maar al te goed bekend is. In Vietnam waren het de Amerikanen, in Israël/Palestina zijn het de zionisten, en in Oekraïne zijn het de Russen. Dat is, wat mij betreft, een schema dat soms opgaat, en soms niet. 

 


 

Francesca Albanese over Oekraïne

     Toen drie Vlaamse universiteiten een eredoctoraat toekenden aan de pro-Palestijnse activiste Francesca Albanese was dat een mooie illustratie van de linksliberale tolerantie tegenover extreemlinks. Maar zoiets leidt tot een wankel bondgenootschap, want extreemlinks munt niet uit door dankbaarheid. Op de plechtigheid zelf beschuldigde Albanese de universiteiten van laksheid. En nu verschijnt ze blijkbaar op Russia Today, en legt ze verklaringen af als: ‘Ik ga akkoord met hen die vinden dat we geen wapens meer mogen leveren aan Oekraïne.’ Daarmee gaat ze in tegen de heel brede consensus van conservatieven en sociaal-liberalen om Oekraïne te steunen tot er een werkbaar compromis gevonden wordt.

 

 


Vrije meningsuiting met excuses

     Zowat iedereen die de academische vrijheid van Cofnas heeft verdedigd, haast zich eraan toe te voegen dat hij diens meningen niet deelt. Dat kan overkomen als, een soort captatio benevolentiae tegenover een publiek dat die figuur hartsgrondig haat. Maar het schept wel klaarheid. Zelf verdedig ik wel eens de vrije meningsuiting van mensen als Van Langenhove, Hasan Piker of, welja, Cofnas, maar dan doe ik wel mijn best om aan te geven waar ik het wel, en waar ik het niet met die mensen eens ben. En als ik het nérgens met hen eens ben, probeer ik ook daarvoor enkele redenen op te geven.  

 

 

 

 

De PVDA en Iran

     Op het PVDA-feest Manifiesta was er ook plaats voor een grote boekenmarkt dat redelijk pluralistisch was opgezet. Je vond er algemeen-progressieve boeken naast meer orthodox-communistische boeken. Er was ook een stalletje van het Iraanse regime waar in eenvoudige druksels werd uitgelegd hoe het er aan toeging in het land van de ayatollah’s en de Republikeinse Garde. 
     Kijk, ik zal nooit zeggen dat de PVDA de ayatollahs ‘verdedigt’. Het zit ingewikkelder in elkaar. Ook zal ik de PVDA niet de ‘nuttige idioten’ van het regime noemen. Ik wil vulgaire polemiek als die van Karel Verhoeven vermijden*. Maar ik zou als Raoul Hedebouw toch niet graag voor de televisie uitleg moeten geven over dat pamflet over het Iraanse nucleaire programma dat op mijn feest werd uitgedeeld. Ik twijfel niet aan het talent van Raoul om er zich uit te praten, maar het zou toch een vervelend moment zijn.  






Het 'postfascisme' van Bart De Wever

Postfascisme
     Eric Corijn, die ik in mijn jeugd kende als een ‘vuile trotskist’, heeft op x.com een bericht geplaats naar aanleiding van de ontmoeting tussen De Wever en Meloni: 

‘Zowel Meloni als De Wever zijn postfascisten. Ze begrijpen hoe gelijkaardige principes in de huidige context moeten worden geformuleerd.’ 

Daaruit blijkt dat Corijn een posttrotskist is, want orthodoxe trotskisten hadden indertijd een veel striktere definitie van het begrip ‘fascisme’ dan wij, maoïsten, die nogal snel alles wat ons niet aanstond ‘fascistisch’ noemden. Wij waren toen de enigen.
     Mooi is dat Corijn mij hier met zijn ‘postfascisme’ op elegante manier op het verkeerde been zet. Hij had zijn tegenstanders evengoed ‘neofascisten’ kunnen noemen, en dan had ik met een grijnslach gezegd: ‘Kalm, Eric, kalm.’ Dat heb ik ook bij Frank D’hanis. Die schrijft wel eens dat N-VA ‘protofascistisch’ is. Bij dat woord moet ik denken aan Gabriele D’Annunzio en Charles Maurras, en weer begin ik onwillekeurig te grijnslachen. Maar bij een woord als ‘postfascist’ sta ik even met mijn mond vol tanden. 
   
 Het was nochtans niet de eerste keer dat ik het woord ‘postfascist’ tegenkwam. Ik las het al in Eddy Daniëls’ boek De open samenleving en haar nieuwe vijanden. Daniëls noemde het Vlaams Belang ‘postfascistisch’, zoals hij elders, geloof ik, de PVDA ‘postcommunistisch’ noemt. Daniëls bedoelde daar echter iets anders mee dan Corijn. Hij redeneerde dat het Vlaams Blok in zijn begindagen misschien een fascistische partij was, maar ondertussen van die ideologie zo ver was afgeweken dat het verwijt van ‘fascisme’ onredelijk was geworden. Dat was voor mij een nieuw inzicht.
      Bij Corijn is de zaak omgekeerd. Hij schijnt ter geloven dat De Wever en Meloni wel degelijk hetzelfde soort regime nastreven als Mussolini en Hitler destijds, maar dat ze hun methodes aanpassen aan de huidige context. Zo sluw zijn ze wel.



 

Drie maal over AI

 De anti-AI advocatentruc
     AI en  datacenters lijken vandaag heel wat tegenstanders te kennen. Wat mij daarbij tegenvalt is dat die zo véél argumenten hebben. Ik hoorde op de radio een specialist die bang was dat AI zou leiden tot machines die de mensheid uitmoorden, tot banenverlies, tot intelligentieverlies,  tot geopolitieke spanningen en tot superwinsten voor de techbro’s. Maar waarom zouden we ons zorgen maken over dat banenverlies en al de rest als toch uitgemoord worden. Dat is de oude advocatentruc. ‘AI zal de mensheid uitroeien. En in subsidiaire orde: als AI de mensheid niet zou uitroeien, quod non, dan zal ze zorgen banenverlies.’ Het is eigenlijk een soort vermomde kettle logic. Mijn cliënt heeft het slachtoffer niet doodgeschoten, edelachtbare, en bovendien handelde hij uit zelfverdediging. De moslims leveren een belangrijke culturele en economische bijdrage aan Europa en gelukkig zijn ze met veel minder dan extreem-rechts beweert. 


Regulering van AI
      Ook al is de kans dat AI de mensheid uitroeit klein, heel klein of heel heel klein, de mogelijke katastrofe is zo enorm dat iedereen akkoord kan gaan met het principe van regulering. Anderzijds is die regulering vanuit economisch standpunt een verderfelijk streven naar monopolie. De Standaard (15/9) haalt meerdere analisten aan die tot dezelfde conclusie komen, o.a. Aidan Gomez (ceo van het Canadese AI-bedrijf Cohere):

Gomez vreest dat die regels zo zullen worden geschreven dat de huidige koplopers hun voorsprong behouden, bijvoorbeeld door van iedereen veiligheidsmaatregelen te eisen die Anthropic en OpenAI al doorgevoerd hebben.

     Maar, met alle terechte afkeer van monoplies, wat zou men eigenlijk kunnen inbrengen tegen veiligheidsmaatregelen die grote techbedrijven op eigen initiatief al genomen hebben? 
    En wat moeten we denken van de fameuze ‘pauze’ waar zowel AI-sceptici, AI-tegenstanders als AI-bedrijven voorstander van zijn? Ook dat wordt mooi uitgelegd in De Standaard, dit keer door Siddy Jobe, de technologie-expert van Econopolis. 

Van minder snelle AI-innovaie kunnen Anthoropic en OpenAI volgens Jobe ook profiteren. Nu hebben ze te weinig tijd om hun modellen goed te rentabilseren, doordat ze snel worden ingehaald door nog betere modellen. Beide bedrijven hebben onlangs nieuwe krachtige modellen op de markt gebracht en willen naar de beurs. Het innovatietempo wat afremmen en meer nadruk op winst leggen, zou hen goed uitkomen.

      Het zou voor de AI-bedrijven leuk zijn als ze een tijdje geen nieuwe peperdure chips moeten kopen en even verder kunnen met het materiaal dat ze al hebben. Dat zal dan weer minder goed zijn voor de winst van Nvida. In elk geval: die immense innovatie voltrekt zich niet in een economisch vacuüm. Ze is het werk van zakenlui, niet van idealisten die vrijblijvend met belastinginkomsten experimenteren. 


A4 en Asimov
     Wie de zaak politiek bekijkt, zal snel uitkomen op de vraag: wie moet de regulering opstellen? Mijn vraag is  : hoe zou zo’n regulering er moeten uitzien. Sam Altman van Open AI is optimistisch: ‘Die regels kunnen zelfs op één A4-tje.’ Zou het? Sciencefictionschrijver Asimov had in 1942 zelfs geen kwart van een A4-tje nodig om zijn wetten van de robotica te formuleren:

  1. Een robot mag een mens geen schade toebrengen, of, door niets te doen, toestaan dat een mens schade lijdt. 
  2. Een robot moet bevelen van mensen gehoorzamen, behalve wanneer dat in strijd komt met de eerste wet. 
  3. Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, zolang dat niet in strijd komt met de eerste twee wetten.

      Ik heb aan AI gevraagd of die drie wetten voldoende zijn om AI veilig te programmeren en zichzelf te laten programmeren. Het antwoord was heel wat langer dan een A4-tje, maar in één woord samengevat: nee. 


zondag 20 september 2026

Magnette of Hedebouw, e.a.


Magnette en Hedebouw
     Soms vind ik het moeilijk om te kiezen tussen Paul Magnette en Raoul Hedebouw. Magnette heeft maanden geleden een campagne opgezet waarin hij beloofde dat hij, als hij in de regering kwam, elke loontrekkende vier jaar lang één procent extra zou geven, dus samen een loonsverhoging van 4 procent bovenop de index. Maar als een journalist van De Standaard (17/9) hem vraagt of de bedrijven zo’n loonsverhoging kunnen dragen, antwoordt hij:

 Natuurlijk kan niet elk bedrijf zijn werknemers meer loon geven, de PS is niet blind. Maar bedrijven die dat wel kunnen, moeten de kans hebben te onderhandelen over een loonsverhoging … We geven massaal veel subsidies aan bedrijven. De PS is voor bedrijven en wil bedrijven helpen … en ja, subsidies zijn vaak nuttig.

     Daar zit iets schaamteloos in. De meeste partijen doen beloften en trekken die daarna in als ze in de regering komen. Maar Magnette trekt de beloofde loonsverhogingen al in als hij een vraag krijgt van De Standaard, en hij belooft meteen subsidies voor bedrijven in de plaats. Dan denk je even dat Raoul toch eerlijker is. 
   
  Maar waaruit zou die eerlijkheid van Raoul bestaan? Ten eerste denkt hij nog lang niet aan een regeringsdeelname, dus moet hij geen enkele belofte nakomen. Ten tweede, mocht hij ooit aan een regering deelnemen, dan zou hij zich in tegenstelling tot Magnette inderdaad niet schamen om heel onrealistische maatregelen op te leggen. Als dat zou leiden, ten derde, tot een ineenstorting van de kapitalistische economie, zoveel te beter. Dan komt er eindelijk plaats voor het communisme-twee-punt-nul.


De genetica van Lewontin en co
    Door de heisa rond Cofnas voelde ik mij half verplicht om wat kennis over genetica op te frissen of op te doen. Ik haalde onder andere het boek van Lewontin, Rose en Kamin uit de kast. Not in Our Genes (1984) werd in 1987 in het Nederlands uitgebracht door EPO als Genetica, erfelijkheid en ideologie. Ik heb het onmiddellijk na het verschijnen gelezen, en volgens de notities in de marge moet ik toen nog een brave marxist geweest zijn. Op bladzijde 73 heb ik de volgende passage aangestreept, die past binnen de kritiek op het ‘mechanisch materialisme’ en op het ‘vulgair marxisme’, die moeten vervangen worden door het ‘dialectisch materialisme’ en het ‘echte marxisme’:

Dit soort reductionisme … kun je vinden in sociale en politieke werken die gaan van Kautsky tot sommigen onder onze huidige trotskistische theoretici (bijvoorbeeld Ernest Mandel). Tegenover dit economisch reductionisme als een verklarend principe voor alle menselijke gedragingen, stellen wij het inzicht van marxistische filosofen als Georg Lukacs en Agnes Heller en van revolutionaire theoretici en practici zoals Mao Tse-Tung.

     Het mooiste in dat citaat is het revolutionaire ‘wij’. Het revolutionair collectief is aan het woord. En dat Mao een complimentje en die vuile trotskisten een veeg uit de pan krijgen was mooi meegenomen. Maar ik meen mij te herinneren dat ik het hoofdstuk over IQ eigenlijk niet zo overtuigend vond. De auteurs maakten er zich nogal gemakkelijk van af. Ik zal niet zeggen dat ik de vinger kon leggen op de fameuze Lewontin fallacy, maar ik had wel de indruk dat de bewijsvoering iets te gretig was en de aanval op collega Cyril Burt iets te enthousiast. 


Overtuigend spreken
     Overtuigend spreken is in de eerste plaats een kwestie van charisma. Wat ook helpt is je direct en. ongenuanceerd uitdrukken. In de film Nouvelle vague (2025) zien we een kort toespraakje van Roberto Rosselini, gespeeld door Laurent Mothe, die zich richt tot de redactie en de sympathisanten van Les cahiers du cinéma. De jonge Franse cinefielen hangen aan zijn lippen. Rosselini spreekt met overtuiging en gezag. Dit is wat hij zegt.

 Merci, les amis, merci cercle de cinémaniaques, bande d’insurgés. J’essaie toujours de créer un mouvement. Mais je n’y suis pas encore parvenu, parce que j’ai bien compris que, pour créer un mouvement, il faut se cristalliser dans une position. Et dès lors qu’on se cristallise, on se castre. Le cinéma est affaire de morale. Il n’y a pas de technique pour capturer la réalité. Seule une rigueur morale peut y parvenir. La caméra est un stylo mais un imbécile qui ne vaut rien si vous n’avez rien à dire. La meilleure manière de filmer est la plus simple. L’art, le vrai, se méfie des effets artistiques comme de la peste. La vraie liberté est logique, n’a que faire des  règles et des habitudes. Il ne faudrait filmer que dans un état d’urgence et de nécessité. Ne considérez pas le cinéma comme quelque chose de mystique.

      Je vraagt je af of Rosselini niet met evenveel succes het tegenovergestelde had kunnen zeggen:-

  •  Je n’ai jamais essayé de créer un mouvement.
  • Pour créer un mouvement, il ne faut jamais se cristalliser dans une position.
  • Se cristalliser, ce n’est pas se castrer.
  • Le cinéma n’est pas affaire de morale.
  • Pour capturer la réalité, il faut avant tout de la technique.
  • La caméra n’est pas un stylo imbécile.
  • La meilleure manière de filmer n’est jamais la plus simple. 
  • L’art, le vrai, ne peut se passer des effets artistiques.
  • La vrai liberté est illogique.
  • Pour filmer, il faut se libérer de cet état d’urgence et de nécessité.
  • Considérez toujours le cinéma comme quelque chose de mystique.


Out of Africa
   
     Vandaag kan ik alles vragen aan ChatGPT en Grok, en krijg ik brave, middle-of-the-road antwoorden. Maar surf nog altijd op Quora op zoek naar extravagante vragen en extravagante antwoorden. Een mooie vraag die soms terugkeert is: Welke film won een Oscar voor beste film en was eigenlijk niet goed. Iemand had een aantal criteria verzameld: (A) bevat een plotgat; (B) gaat nergens over; (C)  is flauw over de hele lijn.  De toepassing van de criteria leidde tot: The Deer Hunter (A), Chariots of Fire (B) , Out of Africa (A-B-C) , Argo (A-C).
       
 Alleen Out of Africa beantwoordde aan de drie criteria. Dat zou best kunnen, maar zeker weet ik het niet, want ik slaag er nooit in om meer dan een kwartier naar die film te kijken.


Dix pour cent, le film (2026).
    Om toe te voegen aan mijn lijstje van films over het maken van films. Franse komedie in de beste zin van het woord. Dankzij de film heb ik nu ook de serie ontdekt die eraan voorafgaat.


La règle du jeu (1939)
    Op Youtube kun je de mooie en historisch belangrijke film La règle du jeu zien (1939), van Jean Renoir. De klank is slecht en, als iemand die half-doof is, begreep ik weinig van de dialogen. Ik moet hem nog eens opnieuw zien in een betere versie. Maar één dialoog heb ik wel begrepen. Octave zegt :  ‘Ce quil y a de terrible dans la vie, c'est que tout le monde a ses raisons.’ Waarop André of Robert antwoordt : Bien sûr, et moi, je suis pour que chacun les expose librement.’

Furious (2026) 
   
 Televisiereeks over een seriemoordenares en een politie-agente. De plot is ongeloofwaardig en bevat alle clichés van het genre. Maar de uitwerking van de personages is hoogst origineel. 


Drops of God (2023)
     Serie over een jonge vrouw Camille Léger die zich vanwege een testament moet vervolmaken in de wijnproeverij. Veel over ‘premier nez’ en ‘deuxième nez’ en dat soort zaken. In de tweede aflevering ziet Camille haar jeugdvriend Thomas terug. Maar Thomas heeft een relatie met Juliette die knap is, zeven talen spreekt en van de regisseur opdracht gekregen heeft om haar vriend voortdurend aan te raken.  ‘Ik begrijp het,’ zei mijn vrouw, ‘wij moeten Juliette niét leuk vinden.’ Dat was ongeveer het moment dat we besloten om het bij twee afleveringen te laten. 

zaterdag 19 september 2026

Professor Mortier uitgejouwd

 


     Op woensdagmorgen 16 september vond aan de U Gent de plechtige proclamatie plaats van de niet-taalgerichte opleidingen binnen Wijsbegeerte en Letteren: Geschiedenis, Archeologie, Kunstwetenschappen, Wijsbegeerte, Moraalwetenschappen, en Gender en Diversiteit. Sommige van die opleidingen zijn recenter dan andere.
   
     Zo’n plechtigheid wordt normaal opgeluisterd met nogal saaie toespraken. De studenten worden gefeliciteerd. Ze worden uitgenodigd om met hun opleiding iets terug te doen voor de maatschappij. Misschien moeten ze de Verlichtingsidealen – sapere aude – gaan verspreiden op het platteland en in de grootsteden. Misschien moeten ze naar het Wilde Westen trekken – go west, young man – om daar aan beschavingswerk te doen en rijk te worden. De truc bij die toespraken 
is om niet té saai te zijn, maar anderzijds niet te concreet te worden, zodat je op geen zere tenen trapt.
     Een van de sprekers heeft op die bewuste woensdag dat juiste evenwicht niet gevonden: erevicerector Freddy Mortier. Ik beschik helaas niet over zijn volledige toespraak, noch over de toespraken van de sprekers die hem voorafgingen. Ook had ik tot eergisteren nog nooit van professor Mortier gehoord. Ik kan de draagwijdte van de faux pas dus niet precies beoordelen. Maar ik heb wel een filmpje gezien van de passage die een rel heeft uitgelokt. De professor keek weliswaar af en toe op het papier voor hem, maar zijn stijl van spreken maakte duidelijk dat hij aan het improviseren was. Dit is wat hij zei.

 En Cofnas is toevallig niet van het type van de Flat Earth society. Dus hij geloof niet dat de aarde plat is. Als hij dat zegt, dan kan je gemakkelijk zeggen: dat is pseudowetenschap. Maar zo is het niet. De stelling bijvoorbeeld dat er erfelijke genetische verschillen zijn tussen groepen huidskleuren wat betreft intelligentie … Ik heb helemaal geen sympathie voor die stelling, bij lange niet, maar ze is perfect begrijpelijk en ze is zinvol. Dat die uitspraak vals is (gejoel) … dat die uitspraak vals is, is nooit aangetoond. En het tegendeel, dat ze waar is, ook niet. (Een klein deel van het publiek verlaat de zaal) … Het is ook feest vandaag hé … (Flauw gelach. Decaan Deneckere gaat naar Mortier en spreekt hem aan, waarop die zijn toespraak afsluit.Dus, voor de duidelijkheid, proficiat aan de afgestudeerden. Dankuwel. (Flauw applaus).

      Voor zover ik weet heeft Mortier hier gelijk over de erfelijke genetische verschillen. Die kwestie is inderdaad niet definitief beslist (al denkt bijvoorbeeld Cofnas van wel). Professor Duyck citeert op x.com een bevraging onder psychologieprofessoren waarvan 29 % aangeeft te geloven dat ‘genetic differences explain non-trivial variance in race differences in IQ-scores.’ En hij citeert ook een andere bevraging onder intelligentie-onderzoekers waaruit blijkt dat die de ‘heritability of the US Black-White difference in IQ’ in ongeveer gelijke mate toeschrijven aan ‘genetic en ‘environmental’ factoren*. Wat ik in elk geval altijd grappig vind is het argument dat de genetische hypothese ‘reeds geruime tijd’ weerlegd is. De lezer zal immers begrijpen dat juist de argumenten van ‘geruime tijd’ geleden vandaag achterhaald zijn door een wetenschap die nog in volle ontwikkeling is en die, wat de biologische kant betreft, in haar kinderschoenen staat**. 
    Maar we mogen aannemen dat veel van de joelende studenten van Gent het wetenschappelijk onderzoek terzake niet op de voet volgen. Het is ook erg moeilijk. Als ik daar zelf over lees moet ik telkens weer opzoeken wat een ‘allele’ is, of een SNP en een SNV, en wat het verschil daartussen is. En hoe men nu precies onderzoekt of er selectiedruk meespeelt in de ‘standing variation’ binnen de menselijke populaties.
     Nee, de studenten joelden niet vanwege een meningsverschil over een status quaestionis, maar om heel andere redenen. Sommige van hen zijn activisten, andere zijn conformisten en nog anderen hebben verkeerd begrepen wat Mortier precies heeft gezegd. Het gaat ook over moeilijke zaken. Veel mensen zullen nooit het verschil begrijpen enerzijds tussen het verdedigen van een bepaalde mening, en anderzijds het verdedigen van de vrijheid om een bepaalde mening te uiten, vooral als die bepaalde mening te ver afwijkt van wat hun eigen overtuiging.
      Mortier maakte het nóg moeilijker door er de discussie over ‘pseudowetenschap’ en over ‘zinvolle uitspraken’ bij te betrekken. Veel studenten zullen gedacht hebben dat een ‘zinvolle’ uitspraak ongeveer hetzelfde is als een ‘goede’ uitspraak. Dat is wat ‘zinvol’ betekent in dagelijks taalgebruik. Maar Mortier gebruikt het woord in de Popperiaanse betekenis. Een betekenis is ‘zinvol’ omdat er over kan worden gediscussieerd en omdat ze zo is geformuleerd dat ze in principe kan worden weerlegd.
     Natuurlijk hadden de studenten het ‘recht’ om te joelen en om de zaal te verlaten. Zo had ook professor Deneckere, als decaan, het recht had om haar collega het woord af te nemen.  Maar ik moet daar niet blij mee zijn, en ook niet met haar excuses aan de studenten. Ze zei:

 Maar er zijn grenzen, zoals ik, denk ik, daarnet ook heb proberen te zeggen. Grenzen aan de tolerantie, maar ook aan wat er gezegd wordt op een plechtigheid als deze. Persoonlijk vond ik het volkomen ongepast dat onze erevicerector (luid en langdurig applaus) die ik heel erg apprecieer en waardeer, daarover gaat het niet, dit moment eigenlijk gebruikt heeft om een punt te maken dat hier totaal ongepast is. Dus nogmaals: sorry. (Applaus)

     Die ‘sorry’ van Deneckere vind ik evengoed een faux pas. Je zegt toch geen ‘sorry’ in naam van iemand anders? Dat is een publieke vernedering. En ik zie niet goed wat ze zelf, in haar eigen logica, fout had gedaan. Moest ze zich soms excuseren dat ze een onbetrouwbaar sujet als Mortier had uitgenodigd om te spreken? Of dat ze hem niet snel genoeg het woord had afgenomen?
     En dan is er nog iets. Volgens de journalist van PAL – een rechts medium – had Deneckere in haar toespraak zelf de naam van Cofnas kort vermeld. Ik weet niet of dat waar is. Maar zeker is dat ze erop heeft gealludeerd, want in haar hierboven aangehaalde reprimande verwijst ze naar wat ze eerder gezegd had over de ‘grenzen aan de tolerantie’. Ze had daarbij, verneem ik, ook de zogenaamde tolerantieparadox van Popper aangehaald. Dan ben ik altijd op mijn hoede, want in mijn ervaring wordt die paradox vooral aangehaald om intolerantie te goed te praten, wat op zich ook, c’est bien le cas de le dire, paradoxaal is***. En die ‘grenzen aan de tolerantie’-uitspraak van Deneckere kan ik alleen maar opvatten als een nauw verholen verwijzing naar 
 en een standpunt over – de Cofnas-zaak.
     Eigenlijk hebben zowel Deneckere als Mortier de proclamatie gebruikt om een punt te maken. Deneckere is begonnen – she drew first blood – maar ze deed het discreet en in algemene termen. Dat is meer in overeenstemming met de geplogenheden op een officiële plechtigheid. Mortier daarentegen was direct en concreet en had, zei hij in De Morgen, achteraf spijt van zijn optreden.
     Wat is de reden dat Deneckere haar collega zo openbaar vernederde? Ik zie twee redenen. Aan de ene kant wilde ze Mortiers inbreuk op het decorum rechtzetten. Aan de andere kant moet ze zich gestoord hebben aan de strekking van zijn woorden. Ik kan mij in elk geval niet inbeelden dat ze hem ook het woord had afgenomen als hij Cofnas als ‘pseudo-wetenschapper’ had aangeklaagd en had gezegd dat ‘heel de Cofnas-kwestie aantoont hoe cruciaal ons diversiteits- en inclusiebeleid is voor het welzijn van de academische gemeenschap.’ Dan zou hij immers niet meer gedaan hebben dan de woorden herhalen die zij zelf bij een andere gelegenheid gebruikt had. En dan weegt een inbreuk op het decorum toch wat lichter.

                                                                        *** 

    Ik heb zelf in mijn links verleden meer dan eens sprekers uitgejouwd. De libertair in mij vindt nog altijd dat zoiets moet kunnen, maar de conservatief in mij vindt het tegelijk onfatsoenlijk. In een schitterend antwoord op de studenten noemde Zuhal Demir zo’n gedrag ‘onbeschoft, laf en dom.’ Ik zou het anders formuleren. Zo’n gedrag is in de eerste plaats ‘verkrampt’ en dat is wat Demir in de rest van haar tekst zo goed uitlegt. Het gejouw verraadt een angst om na te denken over een mening die frontaal botst met waar je zelf in gelooft. Als kind had Demir ook angst, onder andere voor de ideeën van het Vlaams Blok. Pas aan de universiteit begreep ze dat je voor ideeën geen angst moest hebben. Als je ze verkeerd vond, moest je ze weerleggen. Dat was voor haar een bevrijdend inzicht. 

Luister, denk, praat.

Ik herinner me de interviews van Filip Dewinter op televisie als meisje. De man die luidop droomde van een Vlaams Vlaanderen en meisjes als ik op een school voor moslims wilde steken voor hij mijn hele familie kon deporteren. Ik was daar bang van als kind. Ik liep weg.

De Vlaams Belang-propaganda was overal. Ze was voortdurend. Debatten op televisie tussen Vlaamse mannen gaven me als jong meisje het gevoel alsof ik op de beklaagdenbank zat en gewoon moest zitten en zwijgen tot de heren beslisten hoe het verder moest met mijn ‘soort’. Ik was daar bang van als jong meisje. Ik liep weg.

Die vluchtgevoelens heb ik pas echt van me af kunnen schudden in de studententijd. De angst voor meningen, voor wat gezegd wordt en hoe het gezegd wordt?

Het gleed van me af. Ik legde mijn mening ernaast en motiveerde ze. Dat is een zeer bevrijdend gevoel.

Ik durfde ook voor het eerst luisteren naar wat die mannen zeiden. Ik wachtte niet meer angstig op de bedreiging van Dewinter, maar volgde de redenering die hem deed dromen van een blank Europa waarin ons gezin gedeporteerd moest worden.

Vanaf dat moment waren Vlaams Blok-folders in de brievenbus wat ze waren. Een mening. Een mening doorspekt met haat en simplisme, vol tegenstrijdigheden.

Dewinter ging van boeman naar schertsfiguur.

Vandaag is hij een politiek tegenstander in het parlement. Een vriendelijke, beleefde man met nog steeds ideeën die ik vreselijk vind. Ik blijf staan.

Een lang verhaal voor een korte boodschap aan de studenten die bang en onbeschoft van een professor vluchten die hen een oncomfortabele boodschap bracht. Het is niet alleen onbeschoft, het is laf en dom.

Luister, denk, praat. 


    Zowel professor Ignaas Devisch als journalist Bart Eeckhout hadden kritiek op dat antwoord****. Het commentaar van Bart Eeckhout is mij van toon en strekking veel liever dan dat van Devisch, maar ook hij focust eenzijdig op drie woorden van Demirs oproep: daar waar ze de joelende studenten onbeschoft, laf en dom noemt. Het is jammer dat daarmee het thema van de tekst wordt vergeten:  Het zijn drie andere woorden die bij Demir centraal staan, en waarmee ze haar tekst begint en eindigt: luister, denk, praat. Die oproep vat de boodschap veel beter samen: hoe angst voor ‘vreselijke meningen’ leidt tot verkrampte reacties, en dat zowel die angst als die verkramping moet worden overwonnen.



 

                                                                ***


     Ignaas Devisch 
le prof avec nous! – meent dat de joelende studenten bewezen dat ze ‘weerstand kunnen bieden.’ Ik ben daar nog zeker niet van. Het uitjouwen van de spreker was in dit geval volgens mij ook een bewijs van conformisme. De joelende studenten wisten dat ze de meerderheid én de academische overheid achter zich hadden. Dan is het gemakkelijk om de rebel uit te hangen. Met hun joelen bewezen de studenten niet, zoals Ignaas Devisch meent, dat ze ‘weerstand kunnen bieden’. Ze bewezen juist hoe braaf ze onder, het mom van opstandigheid, de autoriteiten volgen*****. 
   Overigens blijft zo’n gejoel tegen een spreker, hoe je het ook draait of keert, pestgedrag van een groep tegen een individu. Iemand pesten is erg, maar in groep iemand pesten vind ik onnoemelijk veel erger. Zelfs Devisch voelt aan dat het met dat joelen niet helemáál in de haak is. Hij spreekt daarom vergoelijkend over ‘een beetje lawaai maken.’ Karel Verhoeven doet het in zijn commentaar (DS 19/9) nog slimmer. Hij verzwijgt het joelen en spreekt alleen van ‘rechtstaan in protest’. Dat is inderdaad een waardiger manier om je ongenoegen te laten blijken.
     Ik zou dat 
rechtstaan en weggaan in protest kunnen overwegen als een spreker zaken zei die ik écht te gortig vind. Maar daarbij zou ik de lat heel hoog leggen. Devisch en Verhoeven mogen gerust zijn. Als ze hun discours vanop een podium verkondigden, zou ik hoogstens bevestigend knikken, ten teken dat ik hun boodschap begrepen heb. Ik zou niet joelen of rechtstaan of weggaan, hoezeer ik het ook met hen oneens ben.

                                                                        ***

     Het commentaar van Verhoeven gaat trouwens veel verder dan het recht op protest. Hij gaat ook in op de grond van de zaak en vertrekt daarbij van een correcte vaststelling: dat Cofnas niet zelf onderzoek doet naar IQ-verschillen tussen ancestrale populaties, dat hij er daarentegen vanuit gaat dat die ondertussen bewezen zijn, en dat hij ten slotte als ethicus voortborduurt op de sociale en politieke implicaties van die premisse. En verder schrijft Verhoeven nog dat theorieën van rassuperioriteit in de geschiedenis van de mensheid tot vreselijk misbruik en lijden hebben geleid.
 
     Die twee beweringen zijn juist en, van waar ik sta, zijn het ook de enige in het commentaar die juist zijn. Verdere stellingen, die ik hieronder genummerd heb, zijn 

  1. Cofnas stelt ‘dat ongelijkheid genetisch is en beter niet wordt gecorrigeerd’
  2. Cofnas ‘streeft een wereld na waarin zwarte mensen niet meer in aanmerking komen voor belangrijke maatschappelijke functies’
  3. Mensen die ‘gemakzuchtig beweren de ideeën van Cofnas niet te delen maar die wel zijn academische vrijheid steunen, dreigen de nuttige idioten te worden van een extreemrechtse infiltratie’
  4. De ‘enthousiaste steunclub van Cofnas’ geeft aan ‘hoever de slinger dreigt door te slaan als correctie op woke’
  5. Tegen mensen als Cofnas moet het strafwetboek worden ingeschakeld. 


     Over (4) en (5) heb ik elders al uitgebreid geschreven. Bij (3) stel ik mij de vraag wie 
die ‘gemakzuchtige nuttige idioten’ van extreemrechts nu eigenlijk zijn. Verhoeven geeft geen namen, alleen die van Freddy Mortier. Aan wie denkt hij nog? Lode Cossaer? Mark Elchardus? Ive Marx? Andreas De Block? Dirk Van Damme? Rik Torfs? Wellicht maakt hij zich het meeste zorgen over de vrije-meninguiters in zijn eigen links-liberale kamp: Bart Eeckhout, Joël De Ceulaer en Patrick Loobuyck.
     Wat Verhoeven schrijft onder (1) – ongelijkheid beter niet corrigeren – berust op een misverstand, want het zou moeten zijn: ‘niet corrigeren met positieve discriminatie.’ Dat is iets helemaal anders. Positieve discriminatie is niet de enige manier om ongelijkheid te corrigeren.
     En stelling (2) – nastreven van een wereld zonder zwarte mensen op belangrijke functies – is Verhoevens persoonlijke interpretatie van een veel geciteerde stelling van Cofnas: 

‘In a meritocracy, [...] Blacks would disappear from almost all high-profile positions outside of sports and entertainment.’ 

     Iedereen kan zelf proberen na te gaan of Verhoevens weergave van die stelling correct is. Als men er niet uit raakt, kan men het aan ChatGPT vragen. Omdat ik ook tot de gemakzuchtige nuttige idioten behoor, wil ik eraan toevoegen dat ik Cofnas’ mening, ook zonder de kwaadwillige interpretatie van Verhoeven, niet deel. 

                                                                            ***

     Dat had allemaal niet zo hoeven te gebeuren. In mijn ideale wereld zou Cofnas zich iets voorzichtiger uitdrukken en geen revolutie tegen woke prediken******, zou er aan de U Gent beleefd gediscussieerd worden over de IQ-kwestie, zouden er tegen Cofnas geen klachten worden ingediend ‘omdat men zich in zijn welzijn bedreigd voelt,’ zou professor Mortier op een proclamatie een ruime interpretatie van academische vrijheid kunnen geven, zou professor Deneckere even haar wenkbrauwen fronsen en daarna een flauwe glimlach laten zien, en zouden er na afloop twee of drie studenten naar Mortier toestappen en hem uitleggen waarom ze het niet met hem eens zijn. 


* De bevragingen die Duyck citeert: hier en hier.

** Het is het biologisch-genetisch onderzoek naar IQ en ancestrale populaties dat nog in zijn kinderschoenen staat. Er bestaat wel al geruime tijd breed statistisch onderzoek naar de kwestie, data en interpretaties die nog altijd bruikbaar is, met alle discussies die erbij horen.

*** De stelling van Popper wordt meestal heel onvolledig samengevat. Ik geef hieronder de volledige passage, en ik cursiveer de nuances die men wel eens vergeet.

Less well known is the paradox of tolerance: Unlimited tolerance must lead to the disappearance of tolerance. If we extend unlimited tolerance even to those who are intolerant, if we are not prepared to defend a tolerant society against the onslaught of the intolerant, then the tolerant will be destroyed, and tolerance with them. — In this formulation, I do not imply, for instance, that we should always suppress the utterance of intolerant philosophies; as long as we can counter them by rational argument and keep them in check by public opinion, suppression would certainly be unwise. But we should claim the right to suppress them if necessary even by force; for it may easily turn out that they are not prepared to meet us on the level of rational argument, but begin by denouncing all argument; they may forbid their followers to listen to rational argument, because it is deceptive, and teach them to answer arguments by the use of their fists or pistols. We should therefore claim, in the name of tolerance, the right not to tolerate the intolerant. We should claim that any movement preaching intolerance places itself outside the law, and we should consider incitement to intolerance and persecution as criminal, in the same way as we should consider incitement to murder, or to kidnapping, or to the revival of the slave trade, as criminal.

**** De reacties van Devisch en Eeckhout vindt men hier en hier.

***** Een combinatie van conformisme en en opstandigheid is heel gevaarlijk, zoals gebleken is tijdens de Culturele Revolutie in China. De studenten gehoorzaamden de revolutionaire oproep van de Grote Leider en vierden tegelijk hun opstandigheid bot op hun professoren als gemakkelijke slachtoffers. In de Gentse aula overheerste echter het conformisme. Slechts een kleine minderheid van de studenten begon te joelen en liep weg. De meesten bleven zitten. Maar ze maakten dat goed door extra hard te applaudisseren voor de tussenkomst van deken Deneckere. 

****** Argumenten tegen Cofnas’ anti-woke revolutie heb ik in dit stukje samengevat: hier.




donderdag 17 september 2026

Belastingen of besparingen


Besparingen of belastingen
     Heel in het algemeen wil rechts de begroting saneren door te besparen, en links door meer belastingen te heffen, met name op de middenklasse en op de rijken. De denktank Minerva – door de vakbond gesubsidieerd maar onafhankelijk – gelooft dat belastingen goed en besparingen slecht zijn voor de economische groei. Hielke van Doorslaer ontwikkelt de volgende redenering in De Standaard (16/9):

 Als de overheid geld uitgeeft, in de vorm van investeringen of consumptieve uitgaven, blijft dat geld circuleren in de Belgische economie. Als je de bedrijven of gezinnen een belastingverlaging toekent, is het niet zeker dat de extra koopkracht in de Belgische economie wordt gepompt. Het kan goed zijn dat gezinnen meer gaan sparen, of dat ze er geïmporteerde producten mee kopen, zodat het geld weglekt naar het buitenland. Ook bedrijven kunnen extra buffers aanleggen.

     De subsidiërende vakbondsleden zullen het niet graag horen, dat Minerva hen geen belastingverlaging of loonsverhoging gunt omdat ze dat geld zouden kunnen sparen, of er buitenlandse producten mee zouden kunnen kopen. Maar ik wil een ernstige economische redenering niet alleen beantwoorden met een grapje-ad-hominem. Ik wil ook niet onderzoeken of de Minerva-redenering tot de hedendaagse consensus binnen de economische wetenschap behoort. Ik wil er alleen op wijzen dat de redenering niet de enig mogelijke is.

  1. ‘Als de overheid geld uitgeeft in de vorm van investeringen …’ Jawel, dan blijft dat geld verplicht circuleren in de Belgische economie, wat 1) een vorm van protectionisme is en 2) geen absolute garanties biedt dat investeringen even productief en efficiënt zijn als die van privé-ondernemingen.
  2. ‘Als de overheid geld uitgeeft in de vorm van consumptieve uitgaven …’ Jawel, ook dat geld blijft dan verplicht circuleren in de Belgische economie, en meer bepaald in de dienstensector waar het minste productiviteitswinst kan worden verwacht.
  3. ‘Dat gezinnen meer gaan sparen …’ Keynsianen vinden dat erg, maar er zijn ook economen die extra spaargeld toejuichen omdat daardoor de rente op natuurlijke wijze daalt, het aanbod aan leenbare middelen toeneemt, en er extra kan worden geïnvesteerd in machines, gebouwen en technologie. 
  4. ‘Bedrijven kunnen extra buffers aanleggen …’ En misschien is dat op langere termijn wel zo voorzichtig van die bedrijven.





dinsdag 15 september 2026

Nogmaals het hoofddoekendebat


De traditionele en de nieuwe hoofddoek
     Over het ontslag van Hadija Amajoud kan ik kort zijn. Ik wens mijn medestanders in het hoofddoekendebat veel moed en succes toe, maar aan deze ronde zal ik niet deelnemen. Mijn eigen mening ken ik ondertussen en die zal niet veel meer veranderen: ik ben voor de eerstkomende 50 jaar tegen die hoofddoek op school. Daarna, als de islam zich inhoudelijk gemoderniseerd heeft, zal het mij niet zoveel meer kunnen schelen. Misschien ben ik dan al dood of heeft AI de mensheid uitgemoord.
 
     Ondertussen lees ik hier en daar een nieuwe formulering of een nieuw argument. Een journaliste van De Standaard (15/9) stelt de vraag: ‘Maar misschien hoeft een leerkracht met een hoofddoek in een goed geïntegreerde samenleving geen discussiepunt te zijn?’ De mogelijke antwoorden op die vraag liggen wel erg voor de hand. Verder las ik een tekst van Kamel Daoud (Le Point, 9/9) die de traditie van de sluier onderscheidt van de heropleving ervan. Die heropleving, schrijft Daoud, was een een uiting van anti-Westers verzet of van een anti-Westerse ideologie, gepredikt door bijvoorbeeld een seculier als Frantz Fanon, en later overgeslagen naar Iran.
     Een laatste vraag: kunnen we het hele debat niet ontdoen van al het drama dat errond gemaakt wordt? Dat is moeilijk. Een ‘pragmatische’ oplossing voor wat aan beide kanten als een symbolenstrijd wordt opgevat, is niet realistisch. Vroeg of laat moet zelfs iemand als ik erkennen dat symbolen ertoe doen.

De 13 Gazaanse studenten en de hoofddoek
    Als ik de opiniepagina’s van De Standaard doorblader, zal ik geen auteurs discrimineren omdat ze een hoofddoek dragen. Het stuk over ‘islamofobie’ van Arthemis Snijders heb ik dan ook helemaal gelezen, ook al draagt ze een hoofddoek op het fotootje ernaast.  Ik heb wel even geaarzeld toen ik las dat ze ‘doctoraatsonderzoeker rond gegenderde islamofobie’ was.
     Haar eerste zin ontlokt mij meteen een bedenking. 

België laat nog altijd dertien studenten aan hun lot over in de levensgevaarlijke openluchtgevangenis die Gaza is.’

      Men bekritiseert van alle kanten minister Anneleen Van Bossuyt die in het toelaten van de Gazaanse studenten een ‘precedent’ ziet, dat tot een ‘domino-effect’ kan leiden. Maar Snijders treedt ongewild de visie van de minister bij, want als de ‘gevaarlijke openluchtgevangenis’ een argument in de discussie is, dan geldt dat niet alleen voor de 13 studenten, maar ook voor de 2,2 miljoen andere Gazanen.
     Snijders gebruikt ook de uitdrukking ‘hondenfluitje’ als ze het over een sociale-mediapost van Theo Francken heeft. Die had na zijn vakantie in Albanië geschreven: 

‘Een moslimland zonder hoofddoeken of islamitische dominantie.’ 

     Ja, dat vind ik zelf ook beter dan een moslimland mét hoofddoeken en mét islamitische dominantie. Het is goed dat Francken erop wijst dat niet alle moslimlanden ten prooi zijn aan fundamentalisme en fanatisme.
     Ik lees bij Snijders voor de zoveelste keer dat het hoofddoekenverbod geen ‘neutrale neutraliteit’ is. Dat is mooi gezegd en het klopt. Als er één bepaalde groep is die het moeilijker met de opgelegde neutraliteit, dan zal de regel door die groep anders ervaren dan door de groepen die daar minder zwaar aan tillen. Daar is niets aan te doen.


De hoofddoek: achterliggende motieven
     Thomas Goorden verwerpt in een lang stuk op FB de argumentatie van de hoofddoekverbieders. Wat ze zeggen is ‘bullshit’. Hun echte reden is de volgende: 

‘Bepaalde mensen willen gewoon hun (culturele) macht demonstreren door te kunnen bepalen wat vrouwen wél of niet mogen dragen.’ 

     Zelf neem ik aan dat die echte redenen van allerlei aard zijn en niet tot één enkele kunnen worden herleid.
      In bevragingen, bijvoorbeeld in Duitsland, heeft men gepeild naar de redenen waarom moslima’s een hoofddoek dragen. Die vrouwen gaven aan aan, in volgorde van belang: religieuze plicht, gevoel van veiligheid, herkenbaarheid als moslim, traditie, bescherming tegen lastige mannen, mode-overwegingen, vraag van de partner, sociale verwachtingen, vraag van familie. Ik weet niet of ik zulke antwoorden durf vertrouwen, want ‘sociale verwachtingen’ en ‘vraag van familie’ scoorden wel erg laag.
 


   
 Op dezelfde manier zou men de hoofddoekverbieders kunnen bevragen naar hún motieven. Ook daar zullen wel verschillende redenen meespelen, en ook die antwoorden zou ik niet helemaal vertrouwen. Zou ikzelf bijvoorbeeld gedreven worden door de wil ‘om mijn culturele macht te demonstreren door te bepalen wat vrouwen wél of niet mogen dragen.’ Ik denk het niet. Maar zelfs als die wil zou meespelen, dan zou het toch zeker mijn énige reden niet zijn.
     En dan is er nog een groep die men zou kunnen bevragen: de hoofddoektoleranten. Mensen zoals Thomas Goorden bijvoorbeerd, of zoals Lode Cossaer. Die leggen trouwens ook zonder bevraging uitgebreid hun redenen uit op FB of op hun substack. De redenen van Goorden vind ik redelijk slecht, en die van Cossaer vind ik redelijk goed*. Maar tegen het weerleggen van beiden ‘zie ik op als tegen de Himalaya.’ Ik zou er mij het liefst van afmaken met verwijzing naar mijn vorige stukjes, en er dan aan toegeven ‘dat ik al gegeven heb.’ Of ik zou een zinnetje kunnen gebruiken zoals Johan Leman er eentje had: 

‘Mijn niet dogmatische voorkeur gaat naar het niet etaleren van levensbeschouwelijke kenmerken in het onderwijs, zonder er een absoluut breekpunt van te maken.’

      Over dat breekpunt verschil ik van mening met Leman, maar het was het antwoord van Goorden aan Leman dat mij het meest trof: 

‘Dat is toch totaal een zwaktebod. Wat een lui denken is me dat.’ 

     Lui denken ... dat is precies wat mij overkomt. Bij het lezen van die pleidooien voor hoofddoekvrijheid verdrinkt mijn denken in een poel van lamlendige vermoeidheid. Ik zoek dan verlichting bij stukjes van linksrepublikeinen als Jan De Zutter met wie ik het dan voor één keer eens kan zijn.  

* De x.com-berichten van Cossaer over de kwestie vind ik dan weer zwakker: ‘Waarom mag een moslima met een hoofddoek gebruikmaken van de trein en mag een moslima (leerlinge) met een hoofddoek geen gebruikmaken van het publiek onderwijs? Waarom speelt 'neutraliteit' bij het ene wel en bij het andere niet?’ Nou ja, openbaar onderwijs, openbaar vervoer, ik zie wel een verschil. En nu het toch daar over gaat. Ik zit soms als enige man op de bus van Kortrijk naar Menen met als medepassagiers tien of vijftien moslima’s met hoofddoek: oudere dames die telefoneren in een taal die ik niet begrijp, en jonge meisjes die kwetteren in het West-Vlaams. Dat laatste vind ik leuk.