dinsdag 18 augustus 2026

De zaak Jason Arday, e.a.


De zaak Jason Arday
     
Ik heb over de zaak Arday niets geschreven, maar ik heb wel aan iedereen in mijn onmiddellijke omgeving de volgende anekdote verteld, die ik veel grappiger vond dan de 30 marathons die hij zogezegd in 35 dagen gelopen had.
 
     Arday had, dat is bekend, een proefschrift ingediend dat naar het schijnt heel sterk op plagiaat berustte. Maar dan moet hij toch, zou je denken, moeite hebben gehad om dat proefschrift mondeling voor een academische jury te verdedigen. Dat was ook zo, alleen had Arday een uitleg klaar. Vlak voor de mondelinge verdediging had hij last gekregen, zei hij, van wazig zicht. Hij bleek een kleine hersentumor tumor te hebben die direct moest worden verwijderd. Daardoor had hij een mini-beroerte gekregen die zijn kortetermijngeheugen had aangetast en kon hij zich op de verdediging van zijn proefschrift amper nog herinneren wat hij zelf had geschreven. 
     Het verhaal is grappig zoals verhalen over oplichterij vaak grappig zijn. Het is leuk om door te vertellen. Maar erover schrijven? Erover argumenteren? Hád ik erover geschreven, dan had ik iets gezegd over de ‘pluralistische onwetendheid’ waar de academische autoriteiten het slachtoffer waren. Wie het begrip niet kent, kan het makkelijk opzoeken.
      Nu weet de lezer nog altijd niet waaróm ik niets over Arday geschreven heb. Mijn redenen daarvoor gelijken heel sterk op die die Maarten Boudry had om er géén uitgebreid stuk over te schrijven: 

Drie weken geleden werd ik door een tijdschrijft waarvoor ik al eerder heb geschreven gevraagd om een stuk te schrijven over het schandaal rond Jason Arday. Maar ik heb het geweigerd, en achteraf gezien ben ik daar blij om. Vooral omdat ik toen al medelijden met de man had en de hele zaak zielig vond. Zijn leugens waren zo bizar en kinderachtig dat hij duidelijk ernstige psychische problemen had. Bovendien dacht ik dat ik weinig toe te voegen had aan wat al gezegd was … Misschien later, als het stof is gaan liggen. 

     Medelijden … weinig toe te voegen hebben … wachten tot het stof is gaan liggen … dat zijn drie heel goede redenen om te zwijgen. Boudry schrijft verder dat hij naar een Youtube-filmpje gekeken heeft waarin Arday vertelt over Paul Simon’s Graceland. Ik heb dat filmpje ook bekeken toen het schandaal uitbrak, uit nieuwsgierigheid. 


Duchâtelet – Van Ranst
      Een interview met zo’n Duchâtelet moet je met een korrel zout nemen. Een verstandige kerel, maar vaak zegt hij zomaar wat, en hij verliest geen tijd met na te denken over tegenargumenten. Hij mist, geloof ik, een zekere beschaving. Ingenieur van opleiding. Hij geeft niet de indruk dat hij veel romans leest, of andere boeken die tot zijn ‘algemene ontwikkeling’ bij zouden kunnen dragen.
      Als gewezen leraar hoor ik hem graag vertellen over het onderwijs. Alles wat hij zegt is zwart-wit, zonder rekening te houden met ‘gevoeligheden’, maar hij praat ten minste de kranten niet na. Zo wil hij veel minder universiteitsstudenten en vindt hij een leerplicht tot 12 jaar voldoende.

 Omdat heel veel kinderen – ik denk: de meesten – zich dood vervelen op school. Ze verdoen hun tijd omdat het te traag gaat, of te snel. Daardoor ontwikkelen heel veel kinderen depressies. Die zitten daar en denken de hele tijd: waarom moet ik hier nu naar die idioot zitten luisteren? Terwijl ik evengoed met mijn vriendjes of vriendinnetjes zou kunnen praten.

     Behoudens de overdrijvingen – er is een groot verschil tussen zich vervelen en zich dood vervelen – geeft die schets wel een deel van de werkelijkheid weer. ‘Wie écht iets wil leren, heeft geen leerkracht nodig, maar een computer en internet,’ zegt Duchâtelet nog. Ook dat is waar, maar de meeste kinderen tussen laat ons zeggen 12 en 18 hebben een duwtje in de rug nodig. Geef hén een computer en internet, en ze gaan die voor alles gebruiken, maar niet om te léren.
     Ik begrijp wel waar Duchâtelet naartoe wil, maar ik ben het niet met hem eens. Ondanks alle problemen kan het middelbaar onderwijs ook de minder geïnteresseerden, of een deel ervan, helpen om wat extra beschaving te verwerven:  een wetenschappelijke visie op de werkelijkheid, respect voor kennis en cultuur – al is het niet je ding –, en wat zin voor nuance en dialoog – een eigenschap die Duchâtelet zelf ontbeert.
          Je hebt drie soorten mensen: de barbaren, de leken, de en de specialisten. Het middelbaar onderwijs moet ervoor zorgend dat er zoveel mogelijk leken en zo weinig mogelijk barbaren in de samenleving terecht komen. Leken kunnen best een modus vivendivinden met de specialisten; met te veel barbaren erbij wordt het moeilijk.     Wat moeten volgens Duchâtelet de kinderen doen die na hun twaalfde niet meer naar school willen? Wat ze gráág doen antwoordt hij, werken bijvoorbeeld, waarmee hij het taboe doorbreekt dat op kinderarbeid rust. En dat doe je niet ongestraft. Marc Van Ranst antwoordde met een hevige tweet op X. 

 Meneer Duchâtelet stelt voor om kinderarbeid vanaf twaalf jaar opnieuw in te voeren. Dat gaan we niet doen. Maar dat een miljardair dit voorstel anno 2026 überhaupt durft te doen, zou ons moeten waarschuwen.

      De tweede zin is ondeugend in zijn zelfverzekerde neerbuigendheid. ‘Dat gaan we niet doen,’ zei mijn pianolerares als ik voorstelde om een vereenvoudigde versie van een muziekstuk te kiezen om in te studeren. Maar de derde zin suggereert iets over Duchâtelet en over onze tijd dat naar mijn smaak uit de lucht gegrepen is. Het lijkt alsof er miljardairs klaar staan om zich te verrijken dankzij onderbetaalde kinderarbeid, en dat we daaruit een waarschuwing kunnen afleiden over waar de ‘sociale afbraak’ uiteindelijk toe zou kunnen leiden.
      Maar dat is de eigen fantasiewereld van Van Ranst. In de fantasiewereld van Duchâtelet gaat het om iets anders. Daarin speelt laagproductieve kinderarbeid geen economische rol. Van hem mogen twaalfjarigen geloof ik een universeel basisinkomen krijgen. En als ze graag nog wat bijverdienen door op te dienen in een restaurant, dan moeten ze dat maar doen. Hij is niet op zoek naar goedkope arbeidskrachten voor Melexis.  


Inflatie
     Voor inflatie worden verschillende verklaringen gegeven. Eén ervan is dat er teveel geld gecreëerd wordt vergeleken met het aantal goederen en diensten. Ik las laatst een andere verklaring in de vorm van een meme: ‘Inlfatie: oligopolies die in concurrentie zijn wie de hoogste prijs kan vragen.’ Het lijkt mij logisch dat oligopolies – met een beperkt aantal bedrijven – hogere prijzen kunnen vragen dan op een echt vrije markt. Maar als ze met elkaar in concurrentie gaan, dan is het om de láágste prijs te kunnen aanbieden. Dat ze die prijs graag zo hoog mogelijk hebben, heeft er niets mee te maken. Dat is ook zo op een vrije markt.


Zonsverduistering
     Iedereen heeft de zonsverduistering beleefd op zijn eigen manier ,en is dus een anekdote rijker om later aan kinderen en kleinkinderen te vertellen. Zelf stelde ik er mij niet veel van voor. Ik had de zonsverduistering van 1966 al meegemaakt. De meester had het verschijnsel in de klas grondig uitgelegd. We moesten een glasplaatje zwart maken met roet door het boven een brandende vetkaars te houden. En toen het grote moment was aangebroken mochten we op de speelplaats door het plaatje gaan kijken. Ik vond er niet veel aan.
     Desondanks wilde ik vorige week woensdag graag een eclipsbrilletje bemachtigen. Als iedereen eentje heeft, dan ik ook. Ik ging dus naar een plaatselijke supermarkt die op FB had aangekondigd dat ze een grote voorraad hadden die vanaf woensdag 13.00 u aan de kasse te koop zou worden aangeboden. Ik fiets dus naar die supermarkt, wil meteen doorlopen naar de kassa en merk dan pas dat er zich een lange rij van wachtenden door de rayons van de supermarkt slingert, misschien een halve kilometer lang. De rij schiet echter goed op en ik heb al enkele honderden meter afgelegd als wordt omgeroepen dat de voorraad brilletjes uitgeput is. Ook niet erg.
     ’s Avonds kunnen we genieten van ons uitzicht op het strand waar honderden mensen zijn samengetroept om naar de eclips te kijken die, daar ben ik zeker van, esthetisch in het niets verdwijnt vergeleken met een doordeweekse zonsondergang in zee. Ik besluit dan maar naar een film te kijken die een zonsondergang bevat: King Solomons Mines – de versie van 1937, met Paul Robeson die enkele keren in zingen uitbarst. De versie van 1950, zonder zonsverduistering, heb ik als kind gezien. Op Youtube staat een schreeuwerige trailer van die film met Stewart Granger en Deborah Kerr. Ik hoop dat de schat met juwelen te zien zal zijn en jawel, die is te zien. Mijn vrouw kijkt mee en zegt: ‘Het zijn precies snoepjes.’ Dat doet mij plezier, want dat was ook mijn reactie 60 jaar geleden. 

 

maandag 17 augustus 2026

Lucretius redeneert goed

    Als je zo’n oud boek als Lucretius’ De rerum naturae leest, dan zou je willen dat er naast de tekst telkens een uitleg staat over wat de huidige natuurwetenschap zegt over die atomen en moleculen. En dan zou je willen dat Lucretius naast je staat en dat je hem die uitleg kunt voorlezen.
     Lucretius in elk geval goed in het redeneren vanuit zijn premissen en waarnemingen. Zo heeft hij heel goed geraden dat de ongelijke snelheid waarmee zware en lichte voorwerpen vallen te maken heeft met de luchtweerstand. 

             ‘Dus moeten in de kalme leegte alle dingen
              ondanks hun ongelijk gewicht gelijk bewegen.’ (I, 238-239). 

     Of zie wat hij schrijft over het licht in (II, 388):

              Ook laat een hoornen lamp het licht door, maar de regen
              
wordt erdoor teruggespuugd. Waarom? De lichtpartikels
              zijn kleiner dan de deeltjes van het weldadige water 

    Dat heb ik moeten opzoeken, en jawel: Lucretius had gelijk. In de moderne termen van een AI-overzicht: ‘Licht bestaat uit deeltjes die fotonen heten … Fotonen vliegen ongehinderd door de lege ruimte tussen de atomen van het glas.’ Dat moet ongeveer de voorstelling zijn die Lucretius zich maakte, zonder evenwel de bijkomende uitleg over energie-niveaus en elektronensprongen. Verder schrijft hij dat er veel verschillende elementaire deeltjes zijn, maar dat dat aantal ook niet onbeperkt is. Hoeveel juist, dat weet hij natuurlijk niet. Misschien denkt hij aan een ordegrootte tussen de 118 verschillende atomen en de miljoenen verschillende moleculen.
     Filosofisch is hij ook modern in zijn vraagstelling. Hij begrijpt vaag dat zijn materialistisch systeem moeite had om de wilsvrijheid van de mens in te passen, en hij probeert zich uit te lullen in II, 255-293. En als hij om zich heen kijkt, voelt hij dat het universum zich van de mensheid niets aantrekt en dat de aarde voor ons geen zorgzame moeder is: te veel bergen, bossen, zee, woestijn en ijs (V, 195-234).
     De citaten hierboven komen uit de vertaling van Piet Schrijvers.

Levensstandaard en arbeidersstrijd

    Marc Vermeersch vertelt op zijn FB-pagina dat hij ooit Jean Kéhayan moest opvangen toen die kwam spreken op de Blandijn in Gent. Kéhayan was jarenlang correspondent in Rusland geweest voor het dagblad van de Franse communisten. Bij zijn terugkeer had hij een uitermate kritisch boek geschreven over het Russische communisme. Vermeersch van zijn kant was in die tijd lid van de PVDA, toen nog een kleine partij die gretig op zoek was naar kritiek op het Russische communisme. Er was maar één goed communisme, dat van China en Albanië. Vermeersch:  

Het moet 1977 of 1978 geweest zijn. Ik loop met Jean Kéhayan door de Gentse Donkersteeg.  Daar was toen  een traiteur. Jean bleef er voor staan en keek aandachtig. ‘Tu sais ...’ ging hij verder. Als ik zie wat de levensstandaard hier is... Men heeft ons (in Frankrijk) verteld dat de bestaande welvaart uitsluitend te danken is aan de strijd van de arbeiders. Ik zie hier dat de levensstandaard dezelfde is.

     Vermeersch antwoordde daarop dat er ook ‘bij ons’ veel arbeidersstrijd was geweest. Dat is waar, maar naast de kwestie. Jean Kéhayan had misschien ongelijk voor België, maar zijn mijmering voor het raam van de traiteur reikte verder. Er zijn nu eenmaal landen waar er heel veel arbeiderstrijd is geweest, en andere waar men het rustiger aan deed. Daar zijn allerlei ‘historische’ verklaringen voor. Maar het leuke is dat de levensstandaard in de landen met een rumoerig of met een rustig verleden niet zo erg van elkaar afwijken, en al zeker niet rechtevenredig. Hetzelfde geldt voor landen die vroeger wel of geen kolonies hadden.

 

Vurig spreken of schreeuwen

    Op zijn FB-pagina plaatst Frank D’hanis alweer een stuk tegen Zuhal Demir. Hij beschuldigt de minister ervan dat ze Britse onderwijsmethodes wil invoeren die leiden tot slechtere prestaties van ‘kinderen uit de witte (sic) arbeidersklasse.’ Hij komt terug op een bezoek van Demir aan de strenge Michaela-school.

 De minister bezocht deze en nog twee scholen in de VK in maart 2025 om “inspiratie” op te doen voor ons eigen onderwijs. De droom van Demir? De resultaten opkrikken van onze internationale rankings. En dat kan volgens haar door strenge discipline en een kennisgerichte aanpak. Wat verder in de reportage zit Demir in het kantoor van de directeur van de strenge uniformschool. “Natuurlijk geloof ik in bestraffen!”, schreeuwt die.

     Dat die directeur, Katharine Birbalsing – een directrice dus –, zou geschreeuwd hebben, valt mij van haar tegen. Mijn moeder vond dat je nooit mocht schreeuwen als je voor een klas stond. ‘Dat ondermijnt je gezag,’ zei ze. Zelf verhief ik als leraar wel eens mijn stem als geroezemoes iets te lang aanhield, uit ongeduld, maar nooit, of bijna nooit, uit boosheid.

     Het blijft mij bezighouden. Zou Birbalsing echt geschreeuwd hebben? D’hanis geeft geen bronvermelding van de reportage waar hij naar verwijst. Misschien is het die in De Standaard van 14 maart 2025. Daar wordt gezegd dat de directrice haar overtuiging ‘vurig’ had uitgesproken. Dat is niet helemaal hetzelfde, vind ik. Of heeft D’hanis een francofone achtergrond en gebruikt hij schreeuwen als vertaling van s’écrier? 

zaterdag 15 augustus 2026

Z.E.H. A. Bouckaert (1924-2026)

 


  Een schoolvriend lichtte mij in over het overlijden van onze klassenleraar van het derde middelbaar, de Z.E.H. Alfons Bouckaert. Hij was 102. Bouckaert is in veel opzichten de ideale leraar geweest voor jongens van 14 of 15 jaar. Had ik hem als 17-jarige voor de klas gehad, dan was mijn waanwijsheid volgroeid geweest en had ik mij tegen hem gekeerd. Als 14-jarige onderwierp ik mij nog gemakkelijk aan zijn gezag.
     Bouckaert straalde autoriteit uit en was veeleisend. ‘Bijna kennen, is niet kennen,’ zei hij*. Een leerling die de traag was met zijn antwoord, werd uitgenodigd om even naar de wasbak te gaan om zijn polsen onder koud water te houden. ‘Daar word je wakker van.’ Die zinnetjes vonden we grappig, vooral omdat hij die zinnen als running gag gebruikte en ze zo droog kon brengen. Naar verluid bleef hij dat soort telkens herhaalde one-liners tot op hoge leeftijd gebruiken. Vroeg men hem op het woonzorgcentrum waar hij zijn laatste jaren doorbracht hoe de soep smaakte, antwoordde hij: ‘Voorzichtig, goed’, en als men vroeg of het eten lekker was, antwoordde hij dat hij ‘soms die indruk had.’
    In zijn lessen, verveelde je je geen seconde. Hij schijnt alle vakken gedoceerd te hebben, behalve wiskunde. In ons jaar was zijn lessenpakket teruggebracht tot Latijn en Godsdienst. Het derde middelbaar – vierde Latijn-Grieks – was het jaar van Julius Caesar en van De bello gallico. Onze leraar acteerde de tekst. Hij las hem voor met een overvloed aan intonatie en gebaren. Als hij declameerde dat ‘horum omnium Belgae sunt fortissimi’, dan balde hij zijn vuist*. ‘De Belgen waren de strafste,’ vertaalde hij. En als hij het had over de afschrikwekkende gezichten en ogen van de Germanen – vultum atque aciem oculorum ferre ne potuisse – dan keek hij zelf ook afschrikwekkend, en maakt hij een energiek gebaar met twee vingers die vanaf zijn gebrilde ogen vertrokken en in de klas priemden. 
     Energiek was de beste manier om hem te beschrijven. Ik dacht dat hij zestig was – in werkelijkheid was hij veertig – en ik vroeg mij af waar hij die energie vandaan haalde. Hij stond kaarsrecht voor de klas – stofjas, licht gekleurde bril, zenuwtic om de ogen, haren strak achterover gekamd – en droeg met luide stem een lange Latijnse zin voor. Vervolgens schreef hij met dezelfde energie de structuur van de zin op het bord. En alsof dat nog niet genoeg was, liep hij daarna naar de andere kant van de klas, gaf bevel om ons om te draaien*, en hamerde de zin er nogmaals in, dit keer zonder de visuele ondersteuning van het bord. Elk moment gebeurde er iets, het spektakel hield nooit op. Hij trok met een breed gebaar het gordijn open, en zei: ‘Daar vliegt een olifant.’* En na een dramatische stilte, vroeg hij: ‘Realis of irrealis?’ Het juiste antwoord was: realis, want het ging er niet om of het waar was, maar of het als waar werd voorgesteld.
     Ook het vak Godsdienst gaf hij op dezelfde energieke en gestructureerde manier. Veel van wat hij doceerde heb ik onthouden. Zo leerden we over de temperamenten. Je had mensen die emotioneel waren ingesteld; anderen waren eerder koel. Dezelfde mensen onderscheiden zich in hoe ze reageerden: primair, snel en oppervlakkig, of juist secundair, traag en diepgaand. Als je die eigenschappen emotioneel/niet-emotioneel en primair/secundair op een assenstelsel invulde en combineerde, kreeg je de vier traditionele temperamenten: sanguinisch, melancholisch, cholerisch en flegmatisch.
      Bij elk van de temperamenten volgde een uiteenzetting over de voor- en nadelen ervan, plus nuttige wenken over hoe je met dat temperament moest omgaan. Het was bijzonder spannend, want je wilde graag weten tot welke mensensoort je zelf behoorde. Ik maakte toen voor het eerst kennis met het sterrenbeelden-effect. Elk van de vier beschrijvingen leek wonderwel bij mijn eigen karakter te passen. Ondertussen weet ik beter: ik ben sanguinisch pur sang. Tussen haakjes: mijn zoon kreeg in het derde middelbaar hetzelfde leerstofonderdeel over de temperamenten, maar dan ik de gesofistikeerde versie van het Heymans-model, met acht categorieën. Ik vraag mij af hoeveel hij dáár van onthouden heeft. En ik heb er geen idee van hoeveel combinaties men kan maken met de vijf onderscheidingen van het OCEAN-model. Ik kan zelfs de onderscheidingen niet onthouden.
     Een ander leerstofonderdeel betrof de wereldgodsdiensten: jodendom, hindoeïsme, boeddhisme, islam. Hier kregen we een gestructureerde uitleg over de voor- en nadelen van de leer en de praktijk, een benadering die mij nog altijd heel redelijk lijkt. We leerden ook dat we respect moesten hebben voor mensen van een andere godsdienst. Als je later ooit –  het was onwaarschijnlijk, maar het kon gebeuren – met een moslim op een trein kwam te zitten, een toerist bijvoorbeeld, dan gaf het geen pas om te roepen: ‘Mohamed, sliepuit.’ Bouckaert maakt daarbij het uitlachgebaar waarbij je met je ene wijsvinger over je andere wijsvinger wrijft.  Dat was dus wat je niét mocht doen.
     Bouckaert was ook begeleider van de KSA in Menen. Daar kreeg hij te maken met opgeschoten jongens die worstelden met hun ontluikende seksuele verlangens. Het was te vroeg om daaraan toe te geven, vond hij, en daar had hij wellicht gelijk in. Verder vertrok hij van de logische redenering dat als er geen énkel contact tussen jongens en meisjes was, er dan ook geen seksueel contact kon zijn. Wat moest zo’n jongen dan doen als hij aan het fietsen was, en hij zag een mooi meisje staan aan de kant van de weg? ‘Er is dan maar één oplossing,’ zei hij, ‘doorfietsen. Je benen, man, je benen!’ Overigens moet het ook in die tijd en daarvóór al moeilijk geweest zijn om katholieke jongens en meisjes zo mooi gescheiden te houden. Zelfs op de strenge kostschool waar mijn moeder school liep, was er, ondanks alle controle, in elke klas wel een meisje die het al met een jongen deed, of desnoods met een getrouwde man.
     Natuurlijk was Bouckaert in de eerste plaats de man van het leerlingen-banjo-orkest. Hij organiseerde, dirigeerde, componeerde, arrangeerde en rekruteerde. Ooit werd ik na de schooluren uitgenodigd op zijn kamer. Hij moet mijn grootvader gekend hebben die organist was in Wevelgem en vermoedde wellicht in mij een vergelijkbaar muzikaal talent. Ik moest hem teleurstellen. Toen bleek dat Bouckaert een eigenschap bezat die ik later bij veel Amada- en PVDA-militanten zou opmerken: creatieve vasthoudendheid. Als ik dan zelf geen muziek kon maken, zei hij, dan kon ik toch best een andere rol in het orkest vervullen. Er was altijd iemand nodig om alles klaar te zetten en om met de kabels te slepen. En zo iemand mocht evengoed mee op de buitenlandse tournees. Ook daar liep ik echter niet warm voor, en na nog een korte toetsing of ik geen tekenen van vroege roeping voor het priesterschap voelde, mocht ik naar huis.
     We hebben Bouckaert jammer genoeg maar één trimester als leraar gehad. Midden in het schooljaar werd hij door het bisdom weggeroepen om medepastoor in Knokke te worden. Ter vervanging kregen we voor Latijn een jonge snaak zonder aangeboren gezag of talent. Hopelijk is hij daarna in zijn vak gegroeid. Ook voor godsdienst kregen we een pas afgestudeerde voor de klas: hij had zopas de ‘maartrevolte’ in Gent meegemaakt, of kon er in elk geval over vertellen. Hij droeg toen nog een keurige jas en das, maar toen ik hem twee jaar later tegenkwam op linkse betogingen was de jas vervangen door een parka, en de das door een baard. In de klas konden we met hem fijn over politieke kwesties discussiëren, Palestina bijvoorbeeld. Dat was ook 56 jaar geleden een heet hangijzer, maar minder gedemocratiseerd dan nu. Het was meer iets voor de happy few: maoïsten, trotskisten, KP’ers en de socialisten van het weekblad Links. Van dié discussies in de klas herinner ik mij niet veel meer, niet van wat ik gezegd heb en niet van wat de leraar gezegd heeft – alleen dat die laatste soms klaagde dat het niet altijd over politiek moest gaan.

                                                            ***

     Gisteren ben ik dan naar de begrafenis geweest, in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk, waarvan Bouckaert de pastoor was geweest. De dienst werd opgeluisterd door het uit de doden opgestane banjo-orkest, zeventigers en tachtigers, die nog onder leiding van Bouckaert hadden gemusiceerd. Er waren zoveel liedjes – meestal tekst van G. Gezelle en muziek van A. Bouckaert – dat de dienst meer dan anderhalf uur duurde.
     Je komt op zo’n gelegenheid altijd oude bekenden tegen. Naast mij zat mijn vriend Dirk die op examens altijd precies 10 procent meer haalde dan ik. Een stoel verder zat onze leraar Frans van het vierde middelbaar, de man met de welluidende stem, die nog mooier klonk als hij bij hoge uitzondering iets in het Nederlands zei. In de klas deelde hij gestencilde teksten uit van Allain-Robbe Grillet (La grève, wat voor één keer niet ‘staking’ betekende), van André Gide (iets over ‘l’acte gratuit’), een fragment uit Votaires Candide (de tekst begon met ‘Rien n’était si beau, si leste, si brillant, si bien ordonné …), een fragment uit Les lettres persanes van Montesquieu (met het opmerkelijke zinnetje dat niemand van ons had opgemerkt: 
jamais homme na tant été vue que moi.’*En als Eddy Merckx een belangrijke wielerwedstrijd had gewonnen, kregen we een artikel uit Le Monde over die prestatie. Natuurlijk was onze leraar dat allemaal al lang vergeten.
      Een van de vier priesters die de dienst voorgingen – voor een van hén doet men een speciale inspanning – was hispanist Christian De Paepe. Achteraf gingen Dirk en ik nog even bij hem staan. ‘Dag professor.’ ‘Ah romanisten zeker?  Je moet mij verontschuldigen maar ik herken jullie niet meer.’ De Paepe is ondertussen 88 maar hij leek amper ouder dan toen ik 45 jaar geleden bij hem examen aflegde**.
     Ik herinnerde hem aan mijn mondelinge examen in de eerste kandidatuur. Ik was in het hele jaar geen enkele keer naar de les geweest en kende geen woord Spaans. De professor begon mij van alles te vertellen in een mij toen nog onbekende taal. Uit medelijden schakelde hij daarna over op het Nederlands. ‘Je bent de enige student ooit die op het schriftelijke examen -2 op 100 behaalde. Je hebt je naam op de verkeerde plaats ingevuld en je nummer verkeerdelijk ingevuld bij ‘nombre’; het spijt me maar ik moest streng zijn.’
     De professor had vandaag nog dezelfde guitige blik in de ogen als toen. Het gesprek ging even over een collega-romanist die niet zoals de meerderheid Spaans had gestudeerd, maar Italiaans. ‘Verkeerde mensen,’ zei De Paepe met lichte spot. Als ik hem indertijd in de gangen van faculteit tegenkwam, vroeg hij of ik eigenlijk niet ergens revolutionaire pamfletten moest uitdelen. Zag hij een Zuid-Amerikaanse collega voorbijlopen met een stapel papieren, dan vroeg hij of dát  este montón de papeles  weer een studie was over Derde Wereld-politiek, dan wel iets over oude literatuur.
     We hebben niet gevraagd hoe de professor onze oude leraar kende. Ze waren allebei priester natuurlijk. Allebei Zuid-West-Vlamingen, dat ook. En ze deelden dezelfde liefde voor muziek. Ik meen mij vaag te herinneren dat ik De Paepe nog een studentenkoor van romanisten heb zien dirigeren. Ze zongen Odi et amo van Catullus geloof ik. Van zulke mensen, zei Dirk, is muziek de eerste taal.

 

 

* Opdat men niet zou denken dat ik zon goed geheugen heb: de anekdotes met een asterisk zijn mij aangereikt door klasgenoten. Overigens heb ik zelf wel eens leerlingen uitgenodigd om hun polsen onder koud water te houden. Ik verplichtte hen niet, het was maar een voorstel om hen te helpen, maar sommigen deden het. 

** Zelf moet ik er gisteren, met mijn onverzorgde haar en baard, ongeveer 88 uit hebben gezien. Ik ben ondertussen naar de kapper-barbier geweest.

donderdag 13 augustus 2026

De stijl van een chatbot, e.a.


De stijl van een chatbot
     Omdat ik zelf dagelijks chatbots gebruik, is het ondankbaar van mij dat ik af en toe kwaad spreek over die heerlijke hulpmiddelen. Ik wijs dan op de fouten die ze maken als ik hen iets laat opzoeken, of over de saaie stijl van de AI-slop die ik op mijn schermen zie verschijnen. Maar wat ik schrijf, veroudert snel, omdat de chatbots snel verbeteren. Jurgen Ceder verwoordt het zo: de slechtste AI is deze die we nú gebruiken.
       Ik heb de chatbotstijl ooit vergeleken met het ideale antwoord op examenvragen. Ik gaf daar les over, en de chatbots passen al mijn richtlijnen nauwgezet toe, tot en met het gebruik van gedachtestrepen. Het resultaat is een stereotype stijl, met een soms opzettelijke vaagheid om toch maar fouten te vermijden.     Ondertussen is die stijl voldoende geëvolueerd zodat iemand als ik die nog moeilijk kan onderscheiden van schoolmeesterachtige schoonschrijverij door mensen. Maarten Boudry citeerde onlangs een stuk over de islamisering van Frankrijk. Hij vond het stuk inhoudelijk interessant en goed geschreven  vivid and fluent – en inhoudelijk interessant, maar hoe verder hij las, hoe achterdochtiger hij werd. En dan kwam hij bij de conclusie van het stuk:

 You cannot save a country that has decided to destroy itself — slowly, voluntarily, and with a clear conscience. You did not fall, France. You chose to kneel. Goodbye, France.

     Boudry wist zeker dat zoiets door een chatbot was geschreven, en werd in die mening bevestigd door het gespecialiseerde programma Pangram. Ikzelf zou nooit zo zeker zijn geweest. Ik heb de indruk dat ik   in Franse en Amerikaanse tijdschriften honderden stukken gelezen heb die zo eindigen. Meer zelfs, in mijn eigen lessen over het schrijven van verhandelingen’ noemde ik de pathetische slotzin als een van de mogelijke eindes van dat tekstgenre.
     Voorlopig schijnt Pangram nog altijd in staat om AI-teksten van menselijke teksten te onderscheiden, met behulp van heel ingewikkelde patroonherkenning. Maar de grove AI-kenmerken die een leek hanteert om het onderscheid te maken, zijn onvoldoende om het verschil te zien. Ik heb die kenmerken eens aan Grok gevraagd. Het zijn 

  1. Vage woorden zoals ‘wijzen op’, ‘in het kader van’, ‘essentieel’
  2. Retorische structuren zoals negatief parallelisme, triaden, gedachtestrepen, gelijkvormige opsommingen, veel verbindingswoorden, 
  3. Middellange zinnen onderbroken door af en toe een korte zin als opvulsel of als dramatisch of ritmisch stijlmiddel,
  4.  Rigide alineastructuur met aan het begin een samenvattende themazin.
  5. Lage informatie-dichtheid
  6. Voortdurende nuancering.  

   Dat zijn allemaal kenmerken die in mijn eigen stukjes terug te vinden zijn. Sommige van die stijlmiddelen heb ik op de schoolbanken geleerd. Het negatief parallellisme was een van de eerste uitdrukkingen die we leerden in de lessen Latijn: ‘non solo, sed etiam’. En natuurlijk moet een opsomming gelijkvormig zijn.
     Sommige van die kenmerken probeer ik bij herlezing te bestrijden, zoals vage woorden en overdreven nuancering, maar omgekeerd voeg ik andere kenmerken achteraf nog toe: een extra verbindingswoord voor alle zekerheid, een themazin die de betekenis explicieter weergeeft, een herhaling die de informatie wat minder opeenpakt, een meer parallelle zinsstructuur waardoor de alinea beter samenhangt … 
Het AI-kenmerk waar ik het verst van verwijderd ben, is de ‘perfecte grammatica en spelling’, maar ook dat kenmerk komt geleidelijk tot stand dankzij de correcties die mij door oplettende lezers worden aangereikt.
     En toch gelijken mijn teksten voorlopig niet op chatbot-teksten. Ook daarvoor heeft Grok een verklaring die ik hier, enigszins aangepast, overneem:

 AI-slop voelt aan alsof iemand net alle retorische trucs heeft geleerd en ze overal tegelijk toepast, terwijl de inhoud gemiddeld en veilig blijft. Het mist idiosyncrasie, risico en concrete details. Eén enkel kenmerk bewijst niets  het is de voortdurende herhaling ervan die typisch is*. 

      Grok is zelf een AI-model, maar wat de bot hier zegt, is de zuivere waarheid. Elk goed stijlhandboek begint of eindigt met de raad om zeker niet álle raadgevingen die in het boek vervat zijn, toe te passen. 


* De oorspronkelijke Grok-alinea bevatte drie triades; ik heb er een laten staan.


A Hidden Life (2019)
     Het was weer enige tijd geleden dat ik nog een film van Terence Malick had gezien en nu had mijn vrouw A Hidden Life ontdekt hij bij het aanbod van VRT-Max. Een diepgelovige Duitse boer tijdens de Tweede Wereldoorlog weigert om de eed van trouw af te leggen aan de Führer. Omdat het over een boer ging, wist ik dat we ons aan prachtige natuurbeelden mochten verwachten, en omdat het Terence Malick was, wist ik dat we ons aan een poëtische impressie mochten verwachten. Een gewone film bestaat uit een 50-tal scènes op één locatie en binnen één tijdsperiode. Mijn indruk na de film was dat we enkele honderden korte scènes hadden gezien. Maar mijn chatbot heeft mij uitgelegd waarom dat een slechte karakterisering is.

 Bij een conventionele publieksfilm heb je vaak: scène  scène  scène  volgende plotontwikkeling. Bij Malick is het eerder: moment  beeld  beweging  fragment van gesprek  natuurbeeld  voice-over  ander moment herinnering  terug naar de handeling. De grenzen tussen scènes worden daardoor veel minder duidelijk.

    Dat is inderdaad veel preciezer. Het resultaat van die werkwijze is eerder lyrisch dan dramatisch. De enige scène die bij mij dramatisch overkwam was een monoloog van Bruno Ganz die als rechter een laatste poging waagt om de gelovige boer tot een meer opportunistische houding te verleiden, een beetje zoals de duivel dat deed met Jezus in de woestijn. 
     De indruk dat de film uit honderden fragmenten bestaat houdt trouwens niet lang aan. Na enkele uren beginnen de fragmenten in je herinnering samen te klonteren tot scènes en sequenties. 


De harteloosheid van Knack
  
  
     In mijn postbus zie ik volgende kop van Knack verschijnen: ‘Geen eclipsbril in huis? Zo kijkt u veilig naar de zonsverduistering.’ Maar toen ik de kop aanklikte, bleek dat het artikel zich achter een betaalmuur bevond. Knack liet hier dus uit inhaligheid de kans liggen om duizenden, misschien zelfs tienduizenden, Vlamingen te behoeden voor permanente blindheid!

Mamdani’s gesubsidieerde supermarkten
     Men spreekt veel kwaad van Doorbraak, terwijl het toch erg goede stukken heeft. Dat over Mamdani die 5 gesubsidieerde supermarkten in New York wil invoeren, heb ik graag gelezen (zie hier). Ik weet niet of ik met een stuk over dat onderwerp even nuchter was gebleven. 



dinsdag 11 augustus 2026

Bart Eeckhout en Ceuta, e.a.


Bart Eeckhout en Ceuta
      Naar aanleiding van de Ceuta-crisis van vorige week, schrijft Bart Eeckhout: ‘Niet migratie, maar migratieobsessie is Europa’s grootste probleem.’ (De Morgen, 8 augustus). Het sjabloon is onbeperkt bruikbaar. ‘Niet klimaatopwarming, maar klimaatobsessie is het grootste probleem.’ ‘Niet verkeersveiligheid, maar veiligheidsobsessie is het grootste probleem.’ ‘Niet ongelijkheid, maar gelijkheidsobsessie is het grootste probleem. Enzovoort.
 
          Het argument van Eeckhout is tweevoudig. Hij wijst erop dat de crisis – 72.000 migranten op een dag tijd – heel snel bedwongen werd – 70.000 remigranten de dagen erna. Hij wijst er aan de andere kant op dat rechts en extreemrechts het tijdelijk karakter van de crisis niet hadden voorzien en voorbarig alarm hebben geslagen door woorden als ‘invasie’ te gebruiken. 

Uiteraard lieten ook de gebruikelijke, rechtse politici zich niet onbetuigd, van Europarlementslid Assita Kanko (N-VA) tot MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez, met oproepen om Spanje tijdelijk uit de Schengenzone uit te sluiten …Wie uiteraard niets terugtrok, was Europees radicaal-rechts … onder anderen Dries Van Langenhove. 

      Met enige kwade wil zou ik hierop kunnen antwoorden dat ‘niet rechts en radicaal-rechts het probleem zijn, maar Eeckhouts obsessie ermee.’ Ik zou ook kunnen antwoorden dat rechts terecht argwanend stond tegenover de regering-Sanchez; verder dat rechts door haar alarmkreten heeft bijgedragen tot het kordate Spaanse optreden; en ten slotte dat rechts vanuit zijn standpunt gelijk heeft als het elke gelegenheid aangrijpt om aan te sturen op een restrictiever asielbeleid. 
    Eeckhout is geen open-grenzen-radicaal. Hij wil een beleid ‘ergens tussen de veeleer rechtse Mette Frederiksen in Denemarken en Sánchez in Spanje in.’ Hij heeft zich neergelegd bij de nieuwe realiteit van het EU-migratiepact, maar zou niet graag zien dat het nóg strenger wordt.

 Er ligt nu een strenger, “rechtser” EU-migratiepact klaar om te worden uitgevoerd. Zal dat volstaan? Zullen de verantwoordelijke bewindslui dat pact durven verdedigen? Of zullen ze uiterst rechts blijven napraten? Zullen ze blijven denken dat het een slimme tactiek is om de zorgen bij een groot deel van de bevolking mee op te kloppen tot een migratie-obsessie, net zoals hun radicale concurrent wenst? 

        Hier zien we de radicaal-rechts-obsessie van Eeckhout weer opduiken. Niet zozeer de omvang van de migratie baart hem zorgen, maar de munt die radicaal-rechts eruit zou kunnen slaan. De onderliggende redenering is dat centrum-rechts door uiterst rechts ‘na te praten’ datzelfde uiterst rechts electoraal versterkt. Dat is een aanvaardbare hypothese, maar ze is op zijn minst eenzijdig.
     Zal het huidige EU-migratie-pact volstaan, vraagt Eeckhout zich af. Radicaal-rechts antwoordt zonder aarzelen: nee. En de ‘verantwoordelijke beleidslui’ van centrumrechts denken hetzelfde, zwijgen vaak, en beseffen dat een volledige ommekeer slechts geleidelijk, door steeds restrictievere compromissen, kan worden bereikt. En liefst binnen het kader van de EU.
     Dat laatste voeg ik eraan toe omdat het mijn overtuiging is, maar ook omdat ik er Eeckhout een plezier mee doe. Voor Eeckhout is de EU-solidariteit het allerbelangrijkste, en ligt daar de grootste bedreiging.

 De tegenstrever [Marokko] die wilde nagaan hoe sterk en verenigd Europa werkelijk is, kan tevreden terugblikken. Een enkele draai aan de migratieknop volstond om de Unie in 27 stukjes te laten uiteenvallen. 

    Eigenlijk vond ikzelf dat dat nogal meeviel, met die solidariteit. Die 27 stukjes zijn een felle overdrijving. De overrompeling van Ceuta gebeurde op 31 juli en op 1 augustus al hadden de leiders van 22 van de 27 EU-landen een eensgezinde brief naar de Europese Raad en de Europese Commissie gestuurd waarin de ‘hybride aanval’ op Spanje werd veroordeeld, en waarin tegelijk werd opgeroepen om in het vervolg op te passen voor ‘all policies that can serve as pull factors’. Het is alleen jammer dat vijf leden van de EU de Europese solidariteit doorbroken hebben door niet te ondertekenen: Spanje, Frankrijk, Portugal, Luxemburg en Ierland. Volgende keer moet dat beter. We willen in de EU geen nieuwe dwarsliggers zoals Hongarije indertijd.
     Eeckhout vindt dat rechts en het centrum zich ‘vergaloppeerd’ hebben in hun reactie op Ceuta. Oud-journalist Johan Op de Beeck had geschreven: ‘Invasie. Hoe kan je ’t anders noemen.’ Eeckhout vindt dat Op de Beeck zijn tweet had moeten ‘corrigeren’ omdat de invasie maar enkele dagen geduurd heeft. Maar waarom? Ook een kortstondige invasie is een invasie, zeker als ze gebeurt, zoals Eeckhout zelf schrijft, ‘in een gewelddadige wanorde’. Nou ja, met wat we nu weten heeft Italië zich misschien ‘vergaloppeerd’ door het Schengen-verkeer met Spanje voor een hele maand op te schorten. Dat was blijkbaar niet nodig. Maar dat is geloof ik ‘achterafklap’.
   Eeckhout is, ik zei het al, geen open-grenzen-radicaal. In zijn conclusie verdedigt hij zelfs het gebruik van pushbacks, maar dan alleen in buitengewone omstandigheden.

 Een van de interessantste Europese geluiden na Ceuta kwam van de Griekse conservatieve premier Mitsotakis. In een bijdrage op de nieuwssite Politico pleitte Mitsotakis ervoor om bij tijdelijke, extreme noodsituaties die door buitenlandse krachten worden opgewekt, zoals Ceuta dus, ook een noodprocedure in te voeren, waarbij het asielrecht tijdelijk wordt opgeschort. Dat luistert uiteraard nauw, want dat klinkt als een uitholling van dat asielrecht (wat het ook gedeeltelijk is). Toch is het een discussie waard of zo’n tijdelijke, welomschreven noodprocedure niet te verkiezen valt boven de aanhoudende druk op rechts om het asielrecht altijd en overal in te perken.

     Dat Eeckhout wil discussiëren over tijdelijke opschortingen van het asielrecht getuigt van realisme. Maar hij maakt zich illusies als hij denkt dat de ‘aanhoudende druk op rechts om het asielrecht altijd en overal in te perken’ daarmee zal ophouden. Er zijn in alle Europese landen meerderheden die vinden dat niet de migratieobsessie, maar de migratie zelf het grootste probleem vormt. Die meerderheden zien ook weinig verschil tussen een aangestuurde overrompeling en een constante toestroom omdat, zoals ik eergisteren schreef, het resultaat hetzelfde is. 


De ontkenningsbrigade
     Er bestaan allerlei soorten ontkenners. Lieden die ontkennen dat de aarde bolvormig is, dat mensen van apen afstammen (of eigenlijk apen zijn), dat het klimaat opwarmt vanwege door mensen geproduceerd CO2, dat massale migratie een samenleving kan ontwrichten, dat er twee geslachten zijn, dat er geld stroomt van Vlaanderen naar Wallonië, dat het coronavirus dodelijker was dan een griep, dat IQ in grote mate erfelijk is, enzovoort.
      Ik heb mijn voorbeelden wat tendentieus gekozen, maar in principe kunnen de ontkenners natuurlijk gelijk hebben. Zelf ben ik bijvoorbeeld, wat Israël betreft, een genocide-ontkenner. Het is ook bekend dat sommige ontkenningen samenvallen met algemene ideologische en politieke stellingnames. 
     Bij sommige ontkenners stellen we ons een bepaald type voor, al kunnen we dat type niet goed omschrijven. Ik weet niet hoe een flat-earther er precies uitziet. Draagt hij een houthakkershemd? Heeft hij zware, in elkaar overlopende wenkbrauwen? 
    Er is een soort ontkenner die ik wat minder kan uitstaan dan de andere varianten. Dat is degene die ontkent dat een genereus asielbeleid leidt tot een ‘aanzuigeffect’. Het is hetzelfde soort mensen dat vroeger ontkende dat een verslaving aan soft drugs kon leiden tot een verslaving aan hard drugs, die daarbij opmerkten dat de ‘stepping stone’ theorie al lang weerlegd was, en die daar nog aan toevoegden dat alcohol een hard drug is. De ontkenning als ‘opinion chic.’ 
   Hoe ziet zó’n ontkenner eruit? Een beetje zoals Bart Eeckhout geloof ik, maar niet helemaal. Eeckhout gebruikt liever het woord ‘aantrekkingskracht’ – pull factors vind ik nog mooier, en hij zal ook niet werktuigelijk ontkénnen dat het effect bestaat. Hij is eerder het type dat graag vaststelt dat het ‘geen grote rol speelt.’ 


Neocommunistisch kutland
     Bij een optreden in Genk riep de Nederlandse zangeres Sophie Straat vanop het podium: ‘Ik leef in een neofascistisch kutland, en jullie eigenlijk ook.’ Wat bedoelt ze hier precies met ‘eigenlijk’? Dat ons land eigenlijk nog altijd iets minder neofascistisch is dan Nederland.  Is dat iets alsof ik zou zeggen: ‘We leven hier eigenlijk in een neocommunistisch kutland.’ 



zondag 9 augustus 2026

De overrompeling van Ceuta

 


1. Exclave. 
Ceuta is een Spaanse stad op de Noord-Afrikaanse kust. De ‘exclave’ telt  84.000 inwoners en is omgeven door Marokkaans grondgebied.    

2. Overrompeling. 
Op 31 juli werd Ceuta overrompeld door tienduizenden Marokkaanse migranten.


3. Cijfers.
Het heeft enige tijd geduurd vooraleer er een algemeen beeld van de cijfers tot stand kwam. Volgens de beste schattingen zijn er in totaal ongeveer 72.000 migranten op anderhalve dag gearriveerd. Ongeveer 60 procent was binnengekomen al zwemmend, en ongeveer 90 van hen zijn daarbij verdronken.

 

4. Terugkeer. 
Tegen 3-4 augustus waren 70.000 van de 72.000 Marokkanen teruggekeerd naar hun land. Men schat dat ongeveer 70 procent van hen vrijwillig terugkeerde toen ze vaststelden dat er geen opvang was en dat ze geen kans maakten om door te reizen naar Spanje. Ongeveer 30 procent is teruggekeerd onder politiedwang. De Spaanse overheid probeert de omvang van de pushbacks zoveel mogelijk te minimaliseren.

 

5. Minderjarigen. 
De ongeveer 2000 migranten die achterbleven in Ceuta zijn vooral minderjarigen die speciale bescherming genieten tegen uitwijzing. 

 

6. Marokkaanse autoriteiten. 
De plotselinge instroom van migranten had twee oorzaken. Ten eerste hadden de Marokkaanse autoriteiten beslist om hun eigen grenscontrole te laten varen. Over de precieze reden van die beslissing kan worden gespeculeerd. Zeker is dat men de Spaanse regering in moeilijkheden wou brengen.

 

7. Regularisatie en arrest van het Tribunal Supremo. 
De tweede reden van de plotse instroom is de Spaanse regularisatie van migranten en de beslissing van het Tribunal Supremo dat migranten die het Spaanse grondgebied al zwemmend bereiken – dat wil zeggen door niét over hekken te klimmen – recht hebben om een asielaanvraag in te dienen. (Die specificatie over het zwemmen had te maken met een beslissing van het Europees Hof dat migranten hun recht op asielaanvraag kunnen kwijtspelen als ze over de grenshekken klimmen.) 

 

8. Misverstand en leugen. 
Die twee Spaanse beslissingen gaven aanleiding tot het misverstand – en de leugen – dat het volstond om Ceuta binnen te raken om recht te krijgen op asiel, op doorreis naar het Spaanse mainland en vervolgens op regularisatie. In werkelijkheid is het recht om van Ceuta naar Spanje door te reizen beperkt en zijn de regels voor regularisatie niet zo soepel als werd voorgesteld. 

 

9. Links-liberaal in het defensief. 
De eerste dagen van de Ceuta-crisis was links-liberaal  enigszins in het defensief. Het liet vooral sussende geluiden horen, vaak over secundaire kwesties. 

 

10. Invasie of constante toestroom. 
Rechts zag zijn ergste angsten werkelijkheid worden, enigszins ten onrechte omdat de migratie in het algemeen niet de vorm van een massale invasie zal aannemen, maar van een constante toestroom. Het eindresultaat is hetzelfde. 

 

11. De 22 EU-landen. 
Op 1 augustus stuurden de leiders van 22 EU-landen een open brief aan de EG-top waarin werd aangedrongen op een snelle oplossing voor de Ceuta-crisis en waarin kritiek werd geformuleerd op het aanzuigeffect van het Spaanse regularisatiebeleid en van het Tribunal Supremo-arrest. Die brief had een dubbele bedoeling. 

  1. Een symbolische intentieverklaring dat EG-landen elk aanzuig-effect moeten vermijden 
  2. Een concrete druk op de Spaanse regering om de crisis op te lossen met pushbacks

In theorie had de Spaanse regering er ook voor kunnen kiezen om Ceuta te ontlasten door een deel van de immigranten naar het Spaanse mainland over te brengen waardoor ze dus binnen de Schengen-zone terecht waren gekomen.Uiteindelijk heeft de Spaanse regering het probleem opgelost door middel van vrijwillige terugkeer én van pusbacks, tot tevredenheid van de 22 EU-landen.

 

11. Bevestiging. 
Niemand zal door de Ceuta-crisis zijn mening hebben bijgesteld over migratie. Frank D’hanis pleit nog altijd voor open grenzen omdat ‘geen mens zou moeten sterven omdat die liever in Europa wil zijn dan in het eigen land.’ Ik daarentegen meen bevestiging te zien van mijn geloof 

  1. dat de migratiedruk op de Europese grenzen enorm sterk is,
  2. dat aanzuigeffecten reëel zijn,
  3. dat het in laatste instantie niet aan rechtbanken toekomt om het asielbeleid te bepalen, 
  4. dat elk regularisatiebeleid gecompenseerd moet worden met krachtige signalen die immigratie ontmoedigen,
  5. dat pushbacks noodzakelijk en mogelijk zijn.

 

12. De wettelijke status van de pushbacks. 
Het is best mogelijk dat de pushbacks, toegepast door de linkse Spaanse regering, niet in overeenstemming zijn met bepaalde wettelijke regelingen. Bijna iedereen zal inzien dat zich hier een geval voordeed van ‘nood breekt wet.’ Anderzijds kunnen de pushbacks een precedent scheppen als eerste stap naar een noodzakelijke aanpassing van de wettelijke regelingen. 

 

13. Hot returns. 
Wie niet houdt van het harde woord pushback kan de Spaanse term devoluciones en caliente gebruiken die dan weer desgewenst kan worden vertaald als hot returns. Het komt op hetzelfde neer. Migranten worden aan de grens tegengehouden, teruggedreven of teruggestuurd zonder individuele administratief-juridische beoordeling van hun situatie

 

14. Humanitaire grensbewaking. 
In tegenstelling tot Frank D’hanis geloof ik dat het mogelijk is om de Europese grenzen te bewaken zonder kandidaat-migranten systematisch dood te schieten. Maar de Ceuta-crisis heeft wel aangetoond dat de grensbewaking ook moet gebeuren door de emigratie-landen zelf, zoals in dit geval Marokko. De kans is groot dat die emigratie-landen daarbij minder hoge humanitaire standaarden hanteren. Dat is een ongemakkelijke waarheid waar Europa zich zich bij neer moet leggen.

 

15. Migratiedruk. 
Wat de migratiedruk betreft. Volgens onderzoek van Gallup World Poll willen 200 miljoen mensen uit lage- en middeninkomenslanden emigreren naar Europa. Dat aantal zal in Afrika nog heel sterk toenemen door de verwachte bevolkingsexplosie. De Ceuta-crisis heeft die onweerlegbare waarheid niet bewezen maar geïllustreerd. Ceuta leverde plaatjes bij een werkelijkheid die normaal in statistieken te vinden is. 

 

16. Klimaatvluchtelingen als argument. 
Mochten sommige linksen de schaal van de migratiedruk willen ontkennen, dan kan men die kandidaat-migranten ook 
klimaatvluchtelingen noemen. Die linksen zullen dan graag toegeven dat we die in de honderden miljoenen moeten schatten. 

 

17. Asiel: recht of gunst. 
Asielrecht moet worden vervangen door asielgunst. Dat zal moeilijk zijn omdat asiel als recht redelijk diep verankerd is in de juridische traditie én omdat een belangrijke democratische minderheid dat asielrecht om humanitaire redenen verdedigt. 

 

18. Magische formule. 
In het hele Romeinse rijk kon je bepaalde rechten opeisen door de magische formule ‘civis romanus sum’ uit te spreken. Vandaag kun je bepaalde rechten – het recht op een individuele procedure – in het leven roepen door de Europese grens over te steken en de magische formule ‘ik vraag asiel aan’ uit te spreken.

 

19. Elchardus. 
Argumenten voor een ‘streng’ asielbeleid vindt men onder andere in de column van Mark Elchardus van 8 augustus. Zie bijvoorbeeld op de FB-pagina van Jan van Duppen. (hier)


20. Mijn redenen
Mijn eigen argumenten tegen asielrecht heb ik al herhaaldelijk uiteengezet. Ze gaan terug op vier vermoedens.

  1. 99 procent van de asielaanvragen hebben weinig of niets te maken met de oorspronkelijke betekenis van asiel. Ze zijn geheel of gedeeltelijk ingegeven door de begrijpelijke wens om zich in een rijker land te vestigen. Het hoge aantal afwijzingen is een aanwijzing voor deze realiteit maar geeft ze onvolledig weer.
  2. Het is makkelijker om oneigenlijke asielmigranten aan de grens tegen te houden dan ze achteraf weer uit te wijzen. 
  3. Asielmigranten zijn over het algemeen moeilijk cultureel te integreren. Die integratie is per definitie een langzaam proces en wordt bijna onmogelijk als de toestroom niet eerst wordt stilgelegd.
  4. Het stopzetten van de asielmigratie heeft politiek en economisch meer voor- en nadelen, maar de voordelen zijn groter dan de nadelen.
Als ik goed zoek, vind ik ongetwijfeld enkele studies die die vermoedens bevestigen en heel veel studies die ze tegenspreken of eromheen fietsen.