dinsdag 15 september 2026

Het hoofddoekendebat, e.a.


Het hoofddoekendebat
     Over het ontslag van Hadija Amajoud kan ik kort zijn. Ik wens mijn medestanders in het hoofddoekendebat veel moed en succes toe, maar aan deze ronde zal ik niet deelnemen. Mijn eigen mening ken ik ondertussen en die zal niet veel meer veranderen: ik ben voor de eerstkomende 50 jaar tegen die hoofddoek op school. Daarna, als de islam zich inhoudelijk gemoderniseerd heeft, zal het mij niet zoveel meer kunnen schelen. Misschien ben ik dan al dood of heeft AI de mensheid uitgemoord.
 
     Ondertussen lees ik hier en daar een nieuwe formulering of een nieuw argument. Een journaliste van De Standaard (15/9) stelt de vraag: ‘Maar misschien hoeft een leerkracht met een hoofddoek in een goed geïntegreerde samenleving geen discussiepunt te zijn?’ De mogelijke antwoorden op die vraag liggen wel erg voor de hand. Verder las ik een tekst van Kamel Daoud (Le Point, 9/9) die de traditie van de sluier onderscheidt van de heropleving ervan. Die heropleving, schrijft Daoud, was een een uiting van anti-Westers verzet of van een anti-Westerse ideologie, gepredikt door bijvoorbeeld een seculier als Frantz Fanon, en later overgeslagen naar Iran.
     Een laatste vraag: kunnen we het hele debat niet ontdoen van al het drama dat errond gemaakt wordt? Dat is moeilijk. Een ‘pragmatische’ oplossing voor wat aan beide kanten als een symbolenstrijd wordt opgevat, is niet realistisch. Vroeg of laat moet zelfs iemand als ik erkennen dat symbolen ertoe doen.


De anti-AI advocatentruc
     AI en  datacenters lijken vandaag heel wat tegenstanders te kennen. Wat mij daarbij tegenvalt is dat die zo véél argumenten hebben. Ik hoorde op de radio een specialist die bang was dat AI zou leiden tot machines die de mensheid uitmoorden, tot banenverlies, tot intelligentieverlies,  tot geopolitieke spanningen en tot superwinsten voor de techbro’s. Maar waarom zouden we ons zorgen maken over dat banenverlies en al de rest als toch uitgemoord worden. Dat is de oude advocatentruc. ‘AI zal de mensheid uitroeien. En in subsidiaire orde: als AI de mensheid niet zou uitroeien, quod non, dan zal ze zorgen banenverlies.’ Het is eigenlijk een soort vermomde kettle logic. Mijn cliënt heeft het slachtoffer niet doodgeschoten, edelachtbare, en bovendien handelde hij uit zelfverdediging. De moslims leveren een belangrijke culturele en economische bijdrage aan Europa en gelukkig zijn ze met veel minder dan extreem-rechts beweert. 


Regulering van AI
      Ook al is de kans dat AI de mensheid uitroeit klein, heel klein of heel heel klein, de mogelijke katastrofe is zo enorm dat iedereen akkoord kan gaan met het principe van regulering. Anderzijds is die regulering vanuit economisch standpunt een verderfelijk streven naar monopolie. De Standaard (15/9) haalt meerdere analisten aan die tot dezelfde conclusie komen, o.a. Aidan Gomez (ceo van het Canadese AI-bedrijf Cohere):

Gomez vreest dat die regels zo zullen worden geschreven dat de huidige koplopers hun voorsprong behouden, bijvoorbeeld door van iedereen veiligheidsmaatregelen te eisen die Anthropic en OpenAI al doorgevoerd hebben.

     Maar, met alle terechte afkeer van monoplies, wat zou men eigenlijk kunnen inbrengen tegen veiligheidsmaatregelen die grote techbedrijven op eigen initiatief al genomen hebben? 
    En wat moeten we denken van de fameuze ‘pauze’ waar zowel AI-sceptici, AI-tegenstanders als AI-bedrijven voorstander van zijn? Ook dat wordt mooi uitgelegd in De Standaard, dit keer door Siddy Jobe, de technologie-expert van Econopolis. 

Van minder snelle AI-innovaie kunnen Anthoropic en OpenAI volgens Jobe ook profiteren. Nu hebben ze te weinig tijd om hun modellen goed te rentabilseren, doordat ze snel worden ingehaald door nog betere modellen. Beide bedrijven hebben onlangs nieuwe krachtige modellen op de markt gebracht en willen naar de beurs. Het innovatietempo wat afremmen en meer nadruk op winst leggen, zou hen goed uitkomen.

      Het zou voor de AI-bedrijven leuk zijn als ze een tijdje geen nieuwe peperdure chips moeten kopen en even verder kunnen met het materiaal dat ze al hebben. Dat zal dan weer minder goed zijn voor de winst van Nvida. In elk geval: die immense innovatie voltrekt zich niet in een economisch vacuüm. Ze is het werk van zakenlui, niet van idealisten die vrijblijvend met belastinginkomsten experimenteren. 


A4 en Asimov
     Wie de zaak politiek bekijkt, zal snel uitkomen op de vraag: wie moet de regulering opstellen? Mijn vraag is  : hoe zou zo’n regulering er moeten uitzien. Sam Altman van Open AI is optimistisch: ‘Die regels kunnen zelfs op één A4-tje.’ Zou het? Sciencefictionschrijver Asimov had in 1942 zelfs geen kwart van een A4-tje nodig om zijn wetten van de robotica te formuleren:

  1. Een robot mag een mens geen schade toebrengen, of, door niets te doen, toestaan dat een mens schade lijdt. 
  2. Een robot moet bevelen van mensen gehoorzamen, behalve wanneer dat in strijd komt met de eerste wet. 
  3. Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, zolang dat niet in strijd komt met de eerste twee wetten.

      Ik heb aan AI gevraagd of die drie wetten voldoende zijn om AI veilig te programmeren en zichzelf te laten programmeren. Het antwoord was heel wat langer dan een A4-tje, maar in één woord samengevat: nee. 


De OESO-resultaten
     De dalende OESO-resultaten kunnen niet aan één oorzaak worden toegeschreven. Twee citaten uit De Standaard (9/9) kunnen dat verduidelijken:

De grootste scoredaling vindt plaats bij de bevoordeelde studenten die minder goed presteren dan je zou verwachten gegeven hun thuissituatie. De gemiddelde kloof tussen de meest kansrijke en de meest kansarme jongeren … daalt in Vlaanderen met achttien punten.

    En: 

75 procent van de leerlingen uit het bso haalt het basisniveau voor lezen niet … Bij de vorige meting in 2022, haalde 65 procent van de leerlingen de lat niet. In 2003 was dat 34 procent.

      Het laatste - van 34 procent naar 75  procent semi-analfabetisme in iets meer dan twintig jaar - dat moet worden toegeschreven aan het stijgende aantal Nederlandsonkundige migranten. Het eerste - de achteruitgang van de bevoordeelde leerlingen - schrijf ik toe aan de erfenis van pedagogisch egalitarisme en wellicht ook aan de opkomende digitale en visuele cultuur.

 

De salariswagen
     Marc Reynebeau (DS 9/9) is voor de volle belasting van salariswagens. Ik eigenlijk ook, al zwijg ik daarover tot het einde van het jaar, wanneer mijn vrouw de hare zal moeten inleveren. Maar of Reynebeau het allemaal juist uitgerekend heeft, betwijfel ik.

De salariswagen kost de schatkist jaarlijks 5,2 miljard euro. Als de regering die fiscale anomalie afschaft, is ze al halfweg in haar opdracht om in de begroting 10 miljard euro te vinden.

     Vandaag kun je zo’n zinnetje aan ChatGPT voorleggen en vragen wat er allemaal fout is aan de redenering. Het antwoord zal een sectie bevatten: ‘Mensen en bedrijven gaan na zo’n maatregel hun gedrag aanpassen.’
     Waardoor die 5,2 miljard heel hypothetisch worden.
 


Het extreemrechtse AfD
     Ik heb het vier of vijf keer gehoord op het VTM-Nieuws: met de verkiezingen in Saksen-Anhalt kan 
voor het eerst sinds 1933 weer een extreemrechtse partij aan de macht komen. Ik heb mij daaraan geërgerd. De gelijkstelling tussen hedendaags extreemrechts en de nazi-partij is zeker op zijn plaats in een opiniestuk of een polemisch boek, maar niet op het Nieuws. Dat moet neutraler. Al te vaak hoor ik Stef Wauters besluiten met: ‘Zo is dat.’ of  ‘Gelukkig maar.’ 

La Patate en de planeconomie

     De Standaard heeft een schrijfwedstrijd georganiseerd om jong talent aan te trekken, en de laureaten mogen nu dagelijks, om de beurt, in de krant hun mening schrijven over iets waar ze een mening over hebben. Er zijn wel eens wat schoolopstellen bij, maar ik werp er toch altijd een snelle blik op.
     Het stuk van gisteren, van Nona De Dier – eerst rechten gestudeerd en nu taal- en letterkunde aan het studeren – hield wat langer mijn aandacht gaande omdat het over La Patate ging. Mijn vrouw heeft mij onlangs nog uitgelegd wie Average Rob was en hoe zijn frituur in Antwerpen eruit zag. Hij vraagt nu aan het brede publiek om hem geld te lenen, maar ik zal nog eerst even de kat uit de boom kijken.
     Voor Nona De Dier steekt La Patate ongunstig af tegen de middenstandseconomie die ze als kind heeft leren kennen in haar geboortestad Aalst. ‘Het kapitaal achter de onderneming komt van bevriende miljonairs.’ ‘40 procent van de aandelen is in handen van een investeervennootschap.’ ‘Geen middenstander in zicht, wel heel veel private equity.’ Dat zal allemaal wel zo zijn. Maar dan komt het: 

Zulke modellen hebben meer weg van een planeconomie dan van een vrijemarktmeritocratie die ons wordt voorgehouden.

      Hier zijn twee misverstanden. De vrije markt is géén meritocratie, al kan ze er wel eens voor zorgen dat mensen met pit het verder brengen dan onpraktische mijmeraars zoals ik*. En ten tweede: bedrijfsplanning – hoezeer die ook kan lijken op een staatsbureaucratie – is géén planeconomie. Op mijn allereerste marxistische scholing vatte B.D. de stelling van Friedrich Engels in de Anti-Dühring helder samen: het kapitalisme brengt orde en planning binnen de ondernemingen, maar wanorde en chaos tussen de ondernemingen. Die wanorde en chaos – weliswaar binnen een wettelijk kader – dát is de vrije markt. La Patate kan in die chaos best failliet gaan. Nu ik erover nagedacht heb, weet ik wel zeker dat ik Average Bob geen geld zal lenen. 
     Een planeconomie daarentegen gaat niet failliet, of toch niet op die manier.

* Ik ben geneigd om te denken dat meritocratie binnen kapitalistische bedrijven een grotere, en zeker een bewustere, rol speelt dan in de kapitalistische economie in zijn geheel. Een bedrijf heeft er alle voordeel bij om de bekwaamste werknemers te rekruteren en te promoveren. Maar begrippen als het Peter Principle wijzen op mechanismen die ook die meritocratische logica ondermijnen. Als die ondermijning te ver gaat, wordt dat weer door de ‘chaotische vrije markt’ afgestraft.


  

De nieuwe VN-wereldkaart

     ‘De VN stemt voor wereldkaart met eerlijke verhoudigen,’ lees ik op vrt.nws. Dat is rijkelijk laat van de VN. Toen wij pas getrouwd waren, 43 jaar geleden, hebben we een wereldkaart opgehangen in onze slaapkamer, en dat was toen al die van de ‘eerlijke’ Gall-Peeters projectie, met een groot Afrika en een plat Rusland. Ik heb die kaart altijd lelijk gevonden vooral Rusland.  De oppervlakten waren misschien juist berekend, maar de vormen geleken niet op de harmonieuze compositie van de wereldbol.
     Die kaart in de slaapkamer heeft overigens niet geholpen om mijn aardrijkskundige kennis te verbeteren. De provincies van België weet ik ongeveer liggen, alsook de landen van Europa voor de val van het Ijzeren Gordijn. Die stonden in de lagere school op het bord geschilderd, met duidelijke witte strepen. We moesten dat kennen voor het examen. Nu zou je denken dat we in het middelbaar nog méér landen zouden leren plaatsen. Misschien zouden we die zelfs leren tekenen, zoals toen mijn vader naar school ging. Maar het liep anders. We leerden over de verschillende klimaattypes en dat soort dingen. Op het examen kreeg je een neerslagdiagram en dan moest je raden over welk deel van de wereld het ging. Het gevolg is dat ik van alle Afrikaanse landen onder de Sahara eigelijk alleen Congo en Zuid-Afrika met zekerheid kan aanduiden.
     Dat de Gall-Peeters projectie een kwestie van ‘eerlijkheid’ is weet ik ook al lang – sinds 2001 om precies te zijn. We keken toen iedere week naar de televisieserie The West Wing, over de dagelijkse beslommeringen in het Witte Huis. Van Trump was nog geen sprake. Amerika werd geregeerd door Martin Sheen, een soort blanke Obama. En hij vond dat zijn staf jaarlijks een dag een pedagogische studiedag moest volgen, met progressieve activisten als lesgevers. Voor de links-liberale medewerkers van de president was het hun eerste kennismaking met woke. Ze kregen onder andere te maken  met de Organization of Cartographers for Social Equality. Als je naar het filmpje kijkt (zie hier) zul je zien dat de VN-kaart slechts een eerste stap is naar een volledig eerlijke kaart. 


zondag 13 september 2026

Hasan Piker en de vrije mening


    Nu Het Nieuwsblad zonder mijn toestemming te vragen er een foto van heeft afgedrukt, kan ik het niet langer ontkennen: ik was erbij in die Manifiesta-tent waar Hasan Piker kwam spreken. Samen met Piker was ik de enige met een das. Piker draagt die das, geloof ik, en rijdt met een Porsche, om zijn vijanden in de war te brengen, en om aan zijn vrienden duidelijk te maken dat het integrale socialisme geen armoede maar luxe zal brengen, maar dan voor iedereen.
  
     Ik geef toe dat ik graag eens luister naar die rad-van-de-tongriem-gesneden Amerikaanse stofzuigerverkopers, van extreemlinks en van extreemrechts, al krijg ik ook snel genoeg van hun oppervlakkige praatjes. En wat Piker vertelde was voor mij héél oud nieuws. Als je de ‘massa’s’ – the masses – voor het socialisme wilde winnen – en dat was nog iets anders dan de sociaal-democratie – dan moest je bereid zijn om het gesprek aan te gaan met liberals, conservatives and even fascists, behalve als ze onverbeterlijk waren. Je moest daarbij vriendelijk en joviaal blijven. Je moest niet meteen over politiek beginnen. Beter was het om eerst over sport te praten, of over films, of over computerspelletjes, en dan geleidelijk het gesprek te brengen op de groeiende ongelijkheid en de misdaden van het zionisme. Iedere keer als hij het woord ‘zionisme’ uitsprak, kreeg hij applaus van de zaal.
     Piker had extra reclame gekregen door een tweet van minister Theo Francken: 

 Vanaf 1 september is het nieuwe strafwetboek van kracht. Terrorisme verheerlijken is nu strafbaar. Goed zo, kunnen we dat eindelijk toepassen op het commie-festival van de jodenhaat Manifiesta waar dit jaar Hasan Piker 7/10 komt verheerlijken en de Franse rapper Medine de quenelle komt uitvoeren, tot groot jolijt van Raoul, Peter en Jos.

      Dat ‘verheerlijken van het terrorisme’ verwijst naar enkele uitspraken van Piker. Dat Amerika de aanval van 9/11 ‘verdiend had’ en dat ‘Hamas duizend keer beter is dan de fascistische koloniale apartheid die Israël in de praktijk brengt.’ Die eerste uitspraak heeft hij op Manifiesta nog eens al lachend herhaald: dat hij lang geleden ooit gezegd had dat ‘America deserved certain things.’
     Is dat een strafbare ‘verheerlijking van terrorisme’ in de betekenis van de (nieuwe) wet: ‘het openbaar ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van terroristische misdrijven?’ Dat zou een rechter moeten beoordelen. Piker zou dan ongetwijfeld de bredere context citeren: dat hij ook wel eens zaken gezegd heeft als: ‘Are there atrocities that have taken place at the hands of Hamas? Absolutely. Are there war crimes? Certainly.’
     Peter Mertens, algemeen secretaris van de partij die Manifiesta organiseert, heeft de tweet van de minister wat aangedikt:

Francken wil festival verbieden omdat hij de ideeën niet leuk vindt … De enige kracht die de marxistische stem heeft verboden was de nazi-bezetter in 1940. Vandaag wil Theo Francken dat opnieuw doen.  

     In een polemiek kan ik zoiets billijken. Een kritiek noemt men ‘intimidatie’ en intimidatie noemt men een ‘poging tot verbieden.’ 
     Op dezelfde manier kan ik ook het antwoord van Francken billijken:

Pure leugens. Ik wil dat commie feestje helemaal niet verbieden. Maar als Peter en Jos met de hulp van Hasan Hamas ophemelen en hun kameraden opzwepen tegen joden dan hebben ze een dik probleem.’ 

    Francken spreekt hier als een tuchtprefect: ‘Als jullie zo verder doen, dan zwaait er wat,’ terwijl hij weet dat hij niets heeft om mee te zwaaien. Ja, de regering had Piker – ook zonder de nieuwe wet – een visum kunnen weigeren, en ik ben blij dat ze dat niet gedaan heeft, want je moet toch een beetje de proporties in acht nemen.
    Er is iets anders wat mij aan die affaire niet bevalt. Dat Francken en Mertens ruzie maken vind ik niet erg. Dat hoort bij de politiek. En dat ze daarbij overdrijven en elkaars woorden ‘framen’ kan ik betreuren, maar ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is om te polemiseren zonder overdrijving en ‘framing’ als je je publiek niet al te zeer te wil vervelen. Maar uiteindelijk blijven het words, words, words. Wat ik daarentegen verneem over het nieuwe strafwetboek, dat is une autre paire de manches. Ik wist al dat men alles ingewikkelder had gemaakt, met 8 strafniveaus, maar het opnemen van zo’n rekbaar begrip als ‘verheerlijking van het terrorisme’ was aan mijn aandacht ontsnapt. Ik had aandachtiger moeten zijn. Bart Eeckhout schrijft (DM 12/9):

 Zeg niet dat u niet gewaarschuwd was. Toen de regering, in de vorige Vivaldi-regeerperiode zelfs nog, het plan opvatte om ‘verheerlijking van terrorisme’ strafbaar te stellen in het nieuwe strafwetboek, heb ik, en anderen met mij, de vrees uitgesproken dat dit een aanslag kon worden op onze gekoesterde vrije meningsuiting. Het gevaar bestond, zo luidde het toen, dat machthebbers de wet zouden misbruiken om storende of extreme standpunten van politieke tegenstanders te criminaliseren.

     Hier geef ik Eeckhout helemaal gelijk*. Hij heeft in die materie ook recht van spreken, want hij heeft bij andere gelegenheden de vrije mening van radicaalrechtse stemmen verdedigd. Dan is het begrijpelijk dat hij zich nu boos maakt op rechts, dat wel de eigen vrije mening, maar niet die van de tegenstrever wil veilig stellen.
      Daarna ontspoort Eeckhout enigszins als hij de tweets van Francken al te enthousiast gaat framen in de stijl van Peter Mertens, maar ook dat enthousiasme is begrijpelijk. Hij heeft zo vaak de vrije mening van Vlaams Belang, Dries Van Langenhove en Cofnas in bescherming moeten nemen, dat hij maar wat blij is dat hij nu op rechts kan inhakken en zo zijn geloofwaardigheid bij links wat kan herstellen.
     Maar over de kern van de zaak heeft Eeckhout gelijk, net als bijvoorbeeld Patrick Loobuyck op x.com:            

Reminder - onder meer voor politici: het rechtvaardigen van geweld in een bepaalde context is niet hetzelfde als het direct oproepen tot geweld. Dat is een belangrijk onderscheid in de discussie over de vrijheid van meningsuiting.

     Joren Vermeersch heeft daarop geantwoord met een voorbeeld:

Stel dat een anti-immigratie-activist in België op een VB-manifestatie openlijk zou verklaren dat het bloedbad van Breivik op Utoya “welverdiend” en “gerechtvaardigd” was: hoe lang zou het duren alvorens hij een proces aan zijn been had?

     Vermeersch vindt dat een weerbare democratie zulke uitspraken moet bestraffen omdat een democratie weerbaar moet zijn en omdat geweld als middel tot politieke actie daarin ongemogelijk kan worden getolereerd noch goedgekeurd. Maar de Breivik-uitspraak is geen erg realistisch voorbeeld. Een extreem-rechte activist zal dat allemaal veel sluwer verwoorden. Hij zal bijvoorbeeld zeggen dat aanslagen zoals die van Brevik in de toekomst nog zullen plaatsvinden en dat links door het open-grenzen-beleid zulke acties uitlokt. Dat is een schandelijke uitspraak, en we moeten die niet tolereren of goedkeuren, maar ze moet voor mij ook niet strafbaar zijn. 
   
   Vermeersch probeert een grens te trekken tussen toelaatbaar en ontoelaatbaar:

 Anders dan de gevaarlijke (wegens vage) strafbaarstelling van ‘aanzetten tot haat’, die dringend uit de wet moet, is ‘aanzetten tot geweld’ nu eenmaal een harde grens aan vrije meningsuiting. Welnu: zeggen dat terroristisch geweld ‘gerechtvaardigd is’ en de slachtoffers daarvan ‘het verdiend hebben’, staat gelijk aan het publiek goedkeuren daarvan en dus ook aan het aanzetten tot zulk geweld. Dat is de logica zelve.

      Ik ben bereid een verschil in rekbaarheid te aanvaarden tussen ‘haat’ en ‘geweld’, maar de rekbaarheid van de formulering zit evenzeer in het begrip ‘aanzetten tot’.  Nemen we de voorbeelden van de zangers Daan Stuyven en Stijn Meuris, en van presentator Chris Dusauchoit. De eerste dacht bij de aanslag op de WTC-torens ‘Eindelijk!’, de tweede wenste de lone shooter die Donald Trump te grazen wil nemen ‘een vaste hand’ toe, en de derde had ‘geen slecht gevoel’ toen Pim Fortuin werd vermoord. Allemaal afschuwelijke uitspraken maar die voor mij geen gerechtelijke vervolging  rechtvaardigen, terwijl men ze nochtans, met enige slechte wil, kan begrijpen als ‘aanzetten tot’ geweld. 
   
 Het onderscheid dat  Loobuyck maakt is helemaal terecht. Het ‘rechtvaardigen van geweld in een bepaalde context’ zou op zich geen misdrijf mogen zijn – waarbij we nog kunnen opmerken dat die ‘bepaalde context’ vaak het buitenland betreft: nu Gaza, en vroeger: de Koerden, de Ieren, de Basken, de Algerijnen, de Zuid-Amerikaanse guerrillero’s, enzovoort. Wat hun sympathisanten daarover schrijven en schreven is geen kwestie voor een rechter. Lode Cossaer verwoordde het zo: ‘Pas bij een concrete oproep – val deze mensen nu of in de nabije toekomst aan – komt het strafrecht in beeld.’  Of zou in beeld mógen komen.
       Ondertussen – om met een positieve boodschap te eindigen – heeft het strafwetboek het ‘verheerlijken van terrorisme’ wel redelijk strikt omschreven. Dat verheerlijken is slechts strafbaar als het een ‘ernstig en reëel gevaar oplevert’ dat het ook werkelijk leidt tot terrorisme en als het ‘met dat oogmerk’ gebeurde. Ik denk niet dat de passage van Piker in België een ‘ernstig en reëel gevaar oplevert’ dat we ons nu een terrorismegolf over ons krijgen. Ik heb in de tent eens goed rondgekeken. Ik kan niet uitsluiten dat sommige van die meisjes die applaudisseerden telkens als de naam van Zohran Mamdani viel later bomaanslagen zullen plegen, maar de verantwoordelijkheid van Piker daarin zal vrij klein zijn.

* Zie bijvoorbeeld mijn longread over de vrije meningsuiting naar aanleiding van het geval Dries van Langenhove: hier.



vrijdag 11 september 2026

Leesvaardigheid: Verhoeven, D'hanis


Karel Verhoeven 
     Bij een van mijn jongste blogstukjes kreeg ik een interessante vraag. Een lezer had opgemerkt dat ik mij vaak kritisch over De Standaard uitlaat. Hij vroeg zich af of ik in staat zou zijn een goed stuk in De Standaard te prijzen zonder mitsen of maren. Ik denk dat ik dat in het verleden wel eens gedaan heb, maar bij de commentaren blijft het moeilijk. In De Standaard worden die geschreven vanuit een welbepaalde ideologie. Zelfs als ik het eens ben met de algemene strekking, is er altijd wel minstens één linksliberale slak waar ik graag wat conservatief-liberaal zout over strooi.
   
     Met het laatste stuk van Karel Verhoeven (DS 10/9) ligt het enigszins anders. Daar slaat de hoofdredacteur zelfs een conservatieve toon aan en hij heeft zelfs zuinige lof over voor Zuhal Demir, terwijl die overal elders in de pers vooral kritiek te slikken krijgt.

                                                    ***

     Die Demir-kritiek kan overigens gemakkelijk met uitlatingen van ontevreden leraren worden geïllustreerd. Leraren zijn altijd ontevreden over hun minister en over ‘Brussel’ in het algemeen. Ik heb één leraar gekend die iets positiefs zei over een directeur van de Guimardstraat. Dat was toen Mieke van Hecke. Zij zag eruit, vond hij, als een katholiek van de oude stempel. Zelf heb ik tweemaal iets positief geschreven over Hilde Crevits omdat die althans in haar uitspraken voorzichtig tegen de centraal opgelegde nivellering van de jaren ervoor. En Weyts, vond ik, probéérde ten minste om de scholen open te houden tijdens Covid. Maar wie zegt iets positiefs over Demir behalve haar ex-leraar Grieks, mijn FB-vriend ‘Mel Bergbewoner’?
      Een mooi voorbeeld van negatieve commentaar was de lezersbrief van lerares en zij-instroomster Annelies Pandelaers (DS 3/9). Zij heeft recht van klagen want ze ze vindt geen vaste baan. Vorig schooljaar fladderde ze van de ene vervangingsopdracht naar de andere. Nu heeft ze, begin september, ondanks talloze sollicitaties weer geen werk. Op veel scholen werd ze niet eens uitgenodigd, en op andere scholen moest ze het afleggen tegen kandidaten met meer anciënniteit. Ik prijs mij gelukkig dat ik dat niet heb moeten meemaken, 35 jaar geleden.
      De lerares neemt dan drie maatregelen van Demir op de korrel. Ik heb ze in onderstaand citaat genummerd:

(1) Door de hogere inschrijvingskosten voor ‘hobby-opleidingen’ in het volwassenenonderwijs  vloeiden vastbenoemde leerkrachten terug naar het middelbaar. (2) De besparingen op werkingsmiddelen voor scholen noopten directies ertoe grotere klassen te vormen – weer minder leerkrachten nodig. (3) Met allerlei ‘leerkrachten terug voor de klas’-initiatieven werden mensen uit verlofstelsels en terbeschikkingstellingen gehaald. En de jonge, frisse krachten in het onderwijs? Wij vallen uit de boot.

      De conclusie van de briefschrijfster is dan ook letterlijk: ‘Hou nu eens op over dat lerarentekort.’ En verder: ‘Met een aantal besparingen heeft … Zuhal Demir het lerarentekort in het onderwijs opgelost.’ Het is als kritiek bedoeld, maar ondertussen weet ik het nu ook, zonder dat het ooit het hoofditem op Het Nieuws geweest is. Ik had er zelf nooit aan gedacht dat het snoeiwerk in de hobby-opleidingen – ik volg er zelf een – en de besparingen op werkingsmiddelen het zo vaak bejammerde lerarentekort zou verminderen.
      Een ander voorbeeld van de negatieve commentaar vond ik op FB-pagina Wims opinie over binnenlandse en buitenlandse politiek. Wim is net als ik een conservatief-liberaal, maar met een groter schipper-aan-wal gehalte. Zijn stuk van 30 augustus – volgens Pangram 24 % Wim en 76 % chatbot – heeft de veelzeggende titel: ‘Zuhal Demir, de grootste brokkenpiloot van de N-VA.’ 

                                                                  ***    

     Maar terug nu naar Karel Verhoeven. De lerares en Wim en de de chatbot sommen allerlei Demir-maatregelen op maar besteden weinig aandacht aan de context en de algemene lijn. En dat is nu precies wat Verhoeven wel doet: hij plaatst de maatregelen in de context van de digitale media en van de verminderde leesvaardigheid die er het gevolg van is. Hij gelooft terecht dat niet alleen de aandachtsspanne, maar ook de cognitieve mogelijkheden en culturele attitudes in het geding zijn*. 
      De conclusie van Verhoeven kan ik in elk geval zonder mitsen en maren bijtreden: 

 Defaitisme is geen optie. Dat is het wervende aan de tegenbeweging waarmee minister van Onderwijs Zuhal Demir het hele onderwijsveld op sleeptouw neemt. De remedie is om het onderwijs van veertig jaar geleden terug te brengen. Meer orde, structuur, discipline, tucht, kennis en prestatiedruk. Het ‘kennisrijk curriculum’ is nu onbetwist het doel. Als dat het beste idee is, vooruit dan. Misschien wordt dat wel de houding die we op veel plekken in onze cultuur moeten stimuleren. Hard werken om een autonomie van denken te ontwikkelen als antidotum tegen algoritmes en AI.

     We kunnen even schrikken als een progressieve hoofdredacteur met zoveel woorden durft zeggen dat we de klok veertig jaar moeten terugdraaien. Ik hoorde mijn directie altijd beweren dat de klok niét kon worden teruggedraaid. Maar Verhoeven heeft gelijk. Conservatisme dient niet alleen om al te snelle vooruitgang af te remmen, zodat het wat draaglijk wordt voor de mensen, het kan ook dienen als, zoals hij dat noemt, een antidotum. Een antidotum is niet hetzelfde als een rem. Het is een compensatie, een antwoord op een nieuw probleem waarvoor men  enigszins paradoxaal  naar een oude remedie teruggrijpt. Een oude traditie krijgt een nieuwe betekenis en wint aan belang door de veranderde context. Als we alleen nog tikken op klavieren, zou het bijvoorbeeld interessant kunnen zijn om op school weer meer aandacht te besteden aan schoonschrift. Ik zeg maar iets. En als AI alles makkelijker maakt, moeten we het onszelf en onze kinderen moeilijk durven maken. 
     Er is nog iets anders dat verwonderlijk aan de woorden van Verhoeven. Hier hebben we vooraanstaand lid van de links-liberale elite ouderwetse deugden als ‘orde, structuur, discipline, tucht, kennis en prestatiedruk’ aanprijst. Maar zó verwonderlijk is het ook weer niet. Die mensen hebben altijd die deugden zelf beoefend, want zonder discipline, tucht en kennis hadden ze het nooit tot vooraanstaand lid van de elite gebracht. Mensen als Verhoeven geloven van nature dat je hard moet werken om in het leven te slagen. Alleen hebben ze dat lange tijd niet durven zeggen of te denken omdat het haaks stond op hun egalitarisme. Ze waren bang – misschien niet helemaal ten onrechte – dat ‘harteloos rechts’ de redenering zou omdraaien en iedereen die niét slaagde in het leven zou verwijten niet hard genoeg gewerkt te hebben. Ze waren bang om elitèèèr*** over te komen. Ze waren bang om van victim blaming beschuldigd te worden.
      Maken we een nu een kentering mee? Zal de elite weer durven de deugden te propageren waar ze zelf naar leeft? Dat de krant waarin Guy Tegenbos gedurende zoveel jaren de onderwijsnivellering predikte het vandaag opneemt voor het kennisrijk curriculum en de prestatiedruk, vind ik hoopvol. De school kan niet zo verschrikkelijk veel doen aan het algemeen ‘welbevinden’ van de leerlingen, nog aan de kloof tussen slim en dom en tussen arm en rijk***. Maar kennis doorgeven kan ze wel. Ze heeft dat in het verleden bewezen. 

Op de FB-pagina van Geraard Goossens vindt men bijvoorbeeld een grondige tekst van filosoof Martin Lenz over sociale media-teksten die volgens hem meer met de orale dan met de schrift-cultuur te maken hebben. En wat Pinker over lees- en beeldcultuur vertelt, heb ik eerder al geciteerd: zie hier.

** Uiteraard heeft de ‘democratisering’ van het onderwijs één soort kloof gedicht tussen arm en rijk. Maar dié kloof kan maar één keer gedicht worden. 

*** De schrijfwijze leen ik van FB-vriend Herman Jacobs. 


Frank D’hanis en de leesvaardigheid
     Ook D’hanis zou graag hebben dat de jonge mensen meer lezen. Hij stimuleert zijn zoon om te lezen en zal hem daarom tot aan zijn puberteit geen gsm geven. Hij heeft de directrice van de lagere school van zijn zoon een ‘gsm-pact’ proberen aan te praten: een oproep aan alle ouders om hun kind geen ontlezing veroorzakende gsm te geven. Als het op lezen aankomt, is Frank dus ook een soort conservatief. Maar hij kijkt verder.

De conservatieve onderwijsomwenteling zal het lezen niet redden. Wat wel zou helpen is een sterke overheid, één die zich richt op het wegwerken van grote sociale ongelijkheid en durft om grote bedrijven die met schadelijke technologie veel geld verdienen ook echt aan te pakken.

     Dat aanpakken bevalt mij niet. Wat moet er precies gebeuren? Moeten de grote bedrijven zwaarder belast worden zodat ze minder geld verdienen? Of moeten ze meteen onteigend worden? Moet de schadelijke technologie vervangen worden door een onschadelijke technologie? Wat is hier een schadelijke en onschadelijke technologie? Is het algoritme waardoor ik elke dag stukjes van D’hanis te lezen krijg schadelijk? Of gaat hij uit van de redelijke veronderstelling dat alle sociale media voor jonge kinderen schadelijk zijn?
     Ergens begrijp ik de wanhoop van D’hanis: als de ouders en de directie niet vrijwillig meegaan in zijn gsm-pact, kunnen we maar beter een sterke overheid inschakelen? Ik heb indertijd zelf voor een sociale media-verbod voor kinderen gepleit, maar ik ben ondertussen gaan twijfelen*. Is het niet beter als het initiatief van onderuit komt, zoals van bezorgde vaders die een gsm-pact voorstellen aan schooldirectrices en dan geduldig de andere ouders van de school proberen te overtuigen?
     Maar het waren niet die gsm’s en dat aanpakken dat mij in D’hanis
 tirade het meest was opgevallen. Het was veeleer het stukje over de B-stroom in het onderwijs. Eerst ontkent D’hanis dat de leerplannen minder zwaar zijn dan vroeger en minder kennis bevatten. 

Dat is totale onzin. Het grootste probleem is ook hier ons sterk sociaal gesegregeerd onderwijs. Kort gezegd: er zijn de scholen met vooral kinderen uit middenklassemilieus en er zijn de scholen met kinderen uit worstelende sociale milieus. Zuhal Demir wil ook kinderen “met gouden handen” maar ze vertelt er bijna nooit bij dat kinderen op hun twaalf jaar in de B-stroom worden geduwd. Kiezen voor een beroep zou een positieve keuze moeten zijn, geen beslissing die wordt opgedrongen. 

     De kinderen worden in de B-stroom … geduwd. D’hanis had nog sterkere woorden kunnen gebruiken: kieperen, smijten, dumpen, afvoeren … Of : die kinderen worden in de B-stroom getrapt, en de beslissing wordt hun door de strot geramd. Hij heeft zich, we moeten het toegeven, ingehouden. Maar los van de woordkeuze blijft de vraag: wie is hier degene die duwt, of die opdringt? Vroeger wees men wel eens de PMS-centra – het huidige CLB – als boosdoeners aan. Kinderen die goed presteerden in het lager onderwijs werden, zo wordt verteld, vanwege hun afkomst naar het beroepsonderwijs gestuurd*.
     De laatste tijd hoor ik die beschuldiging minder. Ze staat ook zo ver af van de realiteit zoals die mij door collega’s uit de B-stroom werden verteld, of door mijn schoonzus die al twintig jaar lesgeeft in 1B. Of neem het getuigenis van Kenneth Lammers, leraar mechanica in het beroepsonderwijs in Antwerpen (DS 10/9) 

Een kind mag in Vlaanderen naar 1B zodra het twaalf is. Ook als het maar tot het vierde leerjaar is geraakt is, ook al leest het op het niveau van het tweede leerjaar. Bijna een kwart van de kinderen in 1B omt daar zo binnen, ‘op leeftijd’ zoals dat heet. Dan zit dat kind twee jaar in de B-stroom, en daar kun je in de praktijk niet blijven zitten, want wie veertien is, mag naar 2B, wat er ook op het rapport staat. En wie daarna vijftien is, mag door naar het derde jaar, naar mij … 

     Die kinderen zijn niet naar de B-stroom geduwd, ze zijn cognitief niet bekwaam en niet gemotiveerd om in een andere richting mee te kunnen, meer zelfs, ze zijn ook niet in staat om aan de normen van het beroepsonderwijs te voldoen en worden dan maar ‘op leeftijd’ toegelaten tot een hoger jaar.
     Er zijn veel slachtoffers van dat systeem: de leraar, die cognitief zwakke leerlingen zelf, én de leerlingen die, zoals D’hanis dat formuleert, ‘een positieve keuze voor een beroep maken. Ik citeer nogmaals Lammers:

 En dan is er die andere jongen in mijn klas. De jongen die bewust voor mechanica gekozen heeft, die op zijn twaalfde al aan brommers prutste en die naar school komt omdat hij iets wil kunnen. Hij merkt dat de les trager gaat, dat ik na het voorbeeld stop, dat hij zit te wachten op klasgenoten die de opgave niet kunnen lezen. Al na een paar weken zie ik hem denken: waarom zou ik mijn best doen, als die naast mij niets doet en toch mee overgaat?

     Als ik dat lees ben ik, contra D’hanis, geneigd om te pleiten voor méér segregatie. Zodat de jongen die een positieve keuze maakt voor mechanica in een andere klas terechtkomt dan degene die op zijn vijftiende amper kan lezen. Ik begrijp dat D’hanis het een ‘onrecht’ vindt dat een jongen van vijftien niet kan lezen. Ik vind dat eigenlijk ook.  Mocht die jongen, met dezelfde cognitieve capaciteiten, geboren zijn in een gezin van hersenchirurgen zou hij ongetwijfeld wél kunnen lezen. Ook heb ik begrip voor D’hanis’ linkse oplossingen  al zijn het de mijne niet –, namelijk meer sociale gelijkheid en meer financiële middelen voor het onderwijs, zodat veel meer hulp op maat mogelijk wordt. De middenklasse betaalt.
      Maar dat zou allemaal minder soelaas brengen dan een utopist als D’hanis zich voorstelt. Er zullen leerlingen blijven binnenstromen met IQ’s van 75 en andere van 125. Het verschil in motivatie zal niet verdwijnen. Kinderen zullen nog altijd andere basisvaardigheden en rolmodellen meekrijgen van thuis. Sommigen zullen beter met stress om kunnen dan anderen. Er zullen nog altijd ouders zijn die noodgedwongen of vanuit hun temperament meer of minder tijd investeren in hun kinderen. En het kan nog generaties duren voor sommige migrantenmilieus definitief overschakelen naar Nederlands als thuistaal.
     En dan rijst de vraag hoe men, met beperkte of met ruime middelen, het beste kan maken van die ongelijkheid. Daarop antwoord ik dat de piste van Demir – meer orde, structuur, discipline, tucht, kennis en prestatiedruk – iets ten goede kan veranderen. Wellicht had Bourdieu gelijk toen hij zei dat die waarden beter aansluiten bij de welvarende middenklassegezinnen. Maar het zijn de kinderen uit de arbeidersgezinnen, die waar D’hanis zich zorgen over maakt, die er het meeste nood aan hebben.  


*Over sociale media-verbod voor jongeren, zie mijn longread hier. 
** In plaats van kinderen die in de B-stroom worden geduwd, had D
hanis kunnen schrijven dat ze door het systeem in de steek worden gelaten. 

dinsdag 8 september 2026

Saksen-Anhalt

 


Saksen-Anhalt
     Mijn vader werd tijdens de oorlog gedeporteerd naar Plauen in Saksen. Hij vond het daar vreselijk. ‘Norse mensen,’ zei hij. Het was een van de redenen waarom hij naar Zwitserland heeft proberen te vluchten, waar hij helaas in de buurt van de grens werd opgepakt. Die ongelukkige wending kreeg een gelukkig staartje, want na zijn gevangenisstraf, mocht hij in Zuid-Duitsland blijven. Daar vond hij het wel fijn. ‘Vriendelijke mensen,’ zei hij.
     Nu ik op de kaart van Duitsland gekeken heb, weet ik dat Saksen en Saksen-Anhalt twee verschillende deelstaten zijn. Of de mensen in Saksen-Anhalt ook zo nors zijn als hun buren weet ik niet. Wel weet ik dat een groot deel van hen op de radicaal-rechtse AfD gestemd hebben, en een niet onbelangrijk deel op de radicaal-linkse partijen Die Linke en BSW.
      AfD, ook dat weet ik, is een partij die zich tegen immigratie uitspreekt, terwijl men daar in Saksen-Anhalt minder mee te maken heeft dan in andere deelstaten. Het probleem lijkt er veeleer de emigratie te zijn, maar dan van jong, geschoold en dynamisch talent. Maar ook een minder grote immigratie kan ook voor ongenoegen zorgen, en nog meer voor ongerustheid dat het ‘zo erg’ zou worden als elders.
      Die ongerustheid en dat ongenoegen worden niet altijd goed gemeten door sociologisch onderzoek. De Hochshule Magdeburg-Stendal heeft vorig jaar aan 1.101 inwoners van Saksen-Anhalt gevraagd wat zij spontaan als de grootste problemen zagen. Ze mochten er maximaal drie opgeven. Dit is het resultaat. 

  • 38,5% noemde economie, werk en lonen
  • 30,0% noemde infrastructuur, personeelstekort, gemeenten of winkelmogelijkheden
  • 22,7% noemde asiel of immigratie 
  • 21,7% noemde onderwijs, school, kinderopvang, kinderen/jongeren    
    77,3 procent noemde dus asiel of immigratie niét, of niet spontaan. En toch stemde 44 procent op AfD. Ik kan daar allerlei redenen voor bedenken. Een ervan is dat kiezers wellicht geloven dat het probleem van de migratie redelijk makkelijk kan worden opgelost als de politici dat willen. Economie, werk en lonen zijn ‘belangrijker’ maar ik geef de kiezers geen ongelijk als ze geloven dat ‘de politiek’ daar niet zo heel veel aan kan doen.
   
     Politici denken over de haalbaarheid van een anti-migratiebeleid helemaal anders. Tijdens de regeringsonderhandelingen hebben Bart De Wever en Theo Francken naar het schijnt enkele voorstellen tot migratiebeperking op tafel gelegd. Die werden haast onmiddellijk verworpen als ‘juridische sciencefiction’.




zondag 6 september 2026

Van Doesburg over het moederschap


D’hanis en  Olyslaegers contra Van Doesburg

     In een interview zei de Antwerpse burgemeester Els Van Doesburg een en ander over het moederschap. Het begon met de Humo-journalist die vroeg hoe het ging met haar zoontje Marcel dat nu 15 maanden is.

 Onlangs zijn we met hem naar zee geweest, zegt Van Doesburg, en het was alsof ook ik de zee opnieuw voor het eerst zag. Ik zie de wereld mee door zijn verwonderde oogjes. Dat is het mooiste wat er is. Ik ben echt heel blij. Tegenwoordig eindig ik mijn speeches, zeker voor een overwegend vrouwelijk publiek, steevast met dezelfde oproep: Niet twijfelen, mensen: maak babys! Zoveel als je kunt! (lacht)

      Van Doesburg vindt dat er veel te vaak gesproken wordt over de lasten van het ouderschap, te beginnen met de slapeloze nachten, en te weinig over het geluk van kinderen te zien opgroeien. Daarop is veel reactie gekomen. Frank D’hanis schreef:

 Als je geld genoeg hebt om een nanny, kinderopvang, pedagogische begeleiding, vakanties, hobbys en dure scholen te betalen, zelf je werktijd mag invullen, een gigantisch huis en een rijke partner hebt, af en toe door een BV in Saint-Tropez wordt uitgenodigd, feminisme niet eens stiekem belachelijk vindt en gelooft in bloed, bodem en de Vlaamsche plicht tot voortplanting.

     Wie het hele interview gelezen heeft, zal wellicht vinden dat Van Doesburgs standpunt over het feminisme niet helemaal rechtvaardig wordt weergegeven. Zelf ben ik vooral geïntrigeerd door het niet aflatende miserabilisme van de auteur. Alsof moeders zonder nanny, kinderopvang, pedagogische begeleiding, vakanties, hobby’s, enzovoort niet gelukkig kunnen zijn door hun kinderen te zien opgroeien.
      Onze buurvrouw 
 haar man werkte als timmerman in een fabriek  had 11 kinderen, waarvan de jongste drie ongeveer van mijn leeftijd waren. Als kind gingen mijn broertjes en ik er graag spelen: ze hadden een clubhuis op zolder, een echte café-biljart, een muziekinstallatie, en een mooie collectie boeken van de christelijke coöperatieve uitgeverij D.A.P. Reinaert. Op woensdagen konden we naar Kapitein Zeppos kijken, want zij hadden wél een tv, en daarna zaten we aan de heel lange tafel, kregen pannenkoeken met een borrel, en zongen liedjes. We kregen er ook, en dat was minder, een lepel levertraan. Pas later leerde ik bij Louis-Paul Boon hoe miserabel dat bestaan was.
     Ik neem aan dat reactie van D’hanis dan nog gunstig afsteekt tegen andere reacties die veel onbeschofter waren, en die ik goddank zelf niet gezien heb. Maar Joël De Ceulaer wond er zich over op, en ook Jeroen Olyslaegers was er niet helemaal gelukkig mee, al heeft hij ook kritiek op Van Doesburg:

 Wat een burgermoeder niet hoeft te doen is haar moederschap te moraliseren en politiseren. Dat is het ambetante aan politiek; het maakt van alles politiek … Dus ook uw moederschap en uw geluk, mevrouw Van Doesburg. Tenminste: wanneer u dat geluk uit en het gebruikt om een punt te maken over deze samenleving. Vind ik sommige boze reacties op uw geluk er nogal over? Zeker. Soms zijn ze gewoon onbeschoft. Maar ze zijn wel politiek.

     Hier maakt Olyslaegers onvoldoende onderscheid tussen twee betekenissen van het woord politiek*. De ene betekenis bestaat uit ‘beleid’: het nemen van maatregelen, die meestal op verplichtingen of verbodsbepalingen neerkomen, of op subsidies die met verplichte belastingen worden betaald. De bierproducent moét op zijn flesjes bier de boodschap afdrukken: ‘Alcohol schaadt de gezondheid’, de roker mág geen sigaret of sigaar opsteken op een terras, en de burger betaalt verplicht mee voor de talencursus die ik en mijn vrouw volgen.
     Voor conservatieven zoals Van Doesburg heeft ‘politiek’ echter nog een andere betekenis. Socialisten zijn voor gelijkheid, liberalen zijn voor vrijheid, en conservatieven zijn voor een zinvol leven – iets wat maar half politiek is, en dat je beter niet afdwingt met verplichtingen, verboden en subsidies. Zo zijn conservatieven ervan overtuigd dat stabiele gezinnen voor de meeste mensen een redelijke garantie zijn op geluk, en dat het opvoeden van kinderen van hen meestal betere mensen maakt. Toen ik, op mijn 40ste, een zoon kreeg, zei mijn vader: ‘Nu zul je weten waarom je leeft.’ Van Doesburg zegt het zo:


 De hoeksteen van de samenleving is het gezin … Ik werd moeder op mijn 36ste en dat was een bevrijding. Ik was lang genoeg het absolute centrum van mijn eigen universum geweest. Het is een heel gezonde evolutie dat er iemand is om wie je onvoorwaardelijk meer geeft dan om jezelf. Dat begint bij je partner, en met een kind breid je die cirkel verder uit.

      Dat is, als je wil, een ‘politieke’ opvatting, maar het is geen partijpolitiek, het is geen middel om stemmen te winnen, en het is evenmin een veroordeling van mensen die, binnen de wet, een ander soort leven kiezen. Het is hoogstens een poging om de soft customs in bepaalde richting te sturen. Literatuur en film laten graag disfunctionele gezinnen zien omdat die, om Tolstoj te parafraseren, allemaal zo verduiveld origineel zijn in hun disfunctionaliteit. Dat is al zo sinds de Oude Grieken. Maar conservatieven als Van Doesburg willen ook wel eens praten over de gelukkige gezinnen die ‘allemaal op elkaar gelijken’.
      De klassieke conservatieven van de katholieke partij en van de latere christendemocratie geloofden ook heel sterk in de gezinswaarden. Maar ze streefden die na met een socialistisch middel: het kindergeld. Moderne conservatieven als Van Doesburg beseffen dat zulke socialistische middelen niet zonder nadelen zijn. Ik lees hier en daar dat N-VA een etatistische partij is. Ik zal dat, als libertair, niet tegenspreken. Maar Van Doesburgs enthousiaste getuigenis over haar geluk als moeder is daar géén voorbeeld van.
 

* Zoals ook het woord ‘moraliseren’ twee verschillende betekenissen heeft: het propageren van een bepaald soort gedrag en het propageren van een bepaald soort opvattingen.


 ‘Stigmatiseren’ en ‘minimale politiek’

     In een lezersbrief (DS 8/9) over het vaderschap, komt onderzoeker in de Publieke Gezondheid Arno van Hootegem nogmaals terug op Van Doesburgs uitspraken over het moederschap: 

Critici wezen er terecht op dat haar ervaring niet voor alle moeders geldt, en dat haar opmerkingen stigmatiserend kunnen zijn. 

     Die opmerking over stigmatiseren sluit mooi aan bij wat ik over conservatieve politici schreef in mijn vorig stukje. Conservatieve politici gebruiken wel eens hun politieke functie om een bepaalde levensstijl of -houding te propageren die niet voor iedereen haalbaar of wenselijk is. En wie A propageert, stigmatiseert B – al is dat maar impliciet. Als je burgers aanmaant om voor hun gezondheid op hun gewicht te letten, stigmatiseer je degenen die ongezond blijven eten en drinken. Als je kinderen op school prijst omdat ze hun best doen, stigmatiseer je de kinderen die hun best niét doen. En als je iedereen oproept om met de fiets te gaan winkelen, stigmatiseer je degenen die daarvoor de auto nemen.
      Het belangrijkste is dat dat men daarbij de mensen niet te nadrukkelijk schoffeert, en niet van alles verplicht of verbiedt wat tot de privés-feer behoort. Tom Naegels legt het mooi uit:

 Els Van Doesburg is een conservatieve politica. Conservatieve politici hebben conservatieve meningen. Wat had je verwacht? … een oproep doen tijdens een lezing of in een interview is een zeer minimale vorm van “aan politiek doen”. Ze heeft geen wetsvoorstel ingediend, geen beleidsplan geschreven, ze deelt geen subsidies uit aan vrouwen met veel kinderen of neemt er geen af van vrouwen zonder… Het is gewoon maar dat, een oproep, zoals er iedere dag zoveel oproepen in de ether worden geslingerd: we zouden wat meer / minder dit of dat moeten doen. Sporten. Gezond eten. Lief zijn voor elkaar. Kinderen maken. Trots zijn op de eigen cultuur. Stoppen met de mensen te betuttelen. Je privileges onder ogen zien. Naar je eigen lichaam luisteren. Oké. Bedankt voor uw oproep, ik zal er eens over denken.

     Als er maar meer wat meer aan ‘minimale politiek’ werd gedaan in plaats van met wetsvoorstellen, beleidsplannen en subsidies te zwaaien! En als er maar wat meer mensen bij een onwelgevallige boodschap zwegen over ‘stigmatiseren’ en stoïcijns antwoordden dat ze ‘er eens over zouden nadenken.’