zaterdag 11 juli 2026

De leek, de kritikaster en Demir, e.a.

 


De leek, de criticaster en Demir
     
Voor wie zich op de sociale media begeeft om maatschappelijke commentaar te geven staan verschillende wegen open.  Een frisse scheldpartij kan deugd doen aan het hart. Een kreet van verontwaardiging kan de ziel tot rust brengen. Met fijne ironie kan men het gevoel van eigenwaarde een boost geven. Voor mezelf helpt het om wat scherper na te denken over zaken waar ik toch vanzelf al over nadenk. En dat nadenken doe ik uitdrukkelijk als de leek die ik ben. Ik wil wel iets lezen over een kwestie, een paar cijfers memoriseren, een paar drogredenen weerleggen, maar ik moet daarbij altijd oppassen dat ik niet te hoog van de toren blaas.
     Als je te hoog van de toren blaast, word je al snel, zoals onze hoofdartikelschrijvers, een criticaster of, wat ongeveer hetzelfde is, een pseudo-expert. Ik ben voor een republiek der letteren waarin de leek en de expert de degens kruisen, maar ieder in zijn rol, en met wederzijds respect. De leek moet kennis nemen van wat de expert te vertellen heeft, en de expert moet zich af en toe uitdrukken in de taal van de leek. Dat is wat vaak fout liep tijdens de corona-discussies. Leken gebruikten de experts als omgekeerd kompas, en experts drukten zich uit in de taal van de kleuterjuf.
     Voor de leek is het al veel als hij beseft hoe complex de problemen zijn. Ik las laatst op een FB-pagina een vrij redelijk stuk over de federale subsidies. Die waren te hoog, vond de leek van dienst. 66 miljard euro, dat kon gerust met 10 miljard minder. Ik denk dat die leek gelijk heeft. Hij wilde ook wel eens nadenken op welke posten er kon worden bespaard. Op onderzoek en ontwikkeling kon men beter niet besparen, maar onderwijs, dat moest toch goedkoper kunnen. Met enkele krantenknipsels in de hand had de leek vanuit zijn keukentafel, op de achterkant van een gebruikte enveloppe, uitgerekend dat 0,7 tot 1,5 miljard kon worden bespaard door onder andere een rationalisering van parallelle netten en administratie.
     Ik geloof dat de logica van dat commentaar juist zit, en de achterkant-van-de-enveloppe-cijfers lijken mij ook plausibel. Wellicht moeten we die richting uit. Wat me dan weer minder bevalt is dat ik bij dezelfde auteur, in een ander stukje, de volgende uitval tegen Zuhal Demir aantref:

Op onderwijs gedraagt Demir zich als een olifant in een porseleinenwinkel. In snel tempo volgen nieuwe hervormingen, ingrepen, schaalvergrotingen en besparingsoperaties elkaar op … Alles moet efficiënter, strakker en beter meetbaar.  … Achter termen als “flexibilisering” en “efficiëntere organisatie” ziet het onderwijsveld vooral harde besparingen. Grotere klasgroepen, graadklassen en schaalvergroting betekenen in de praktijk minder individuele aandacht voor leerlingen.  … Levensbeschouwelijke vakken zijn vaak één van de laatste plaatsen waar nog ruimte bestaat voor gesprekken over twijfel, geweten, verantwoordelijkheid, dood of zingeving. Dat net die ruimte wordt afgebouwd, is bijzonder zorgwekkend.

      Zo is het nooit goed. Zelfs een elementaire rationalisering van de levensbeschouwelijke vakken wordt van tafel geveegd met algemeenheden die naast de kwestie zijn aangezien niemand de vakken wou afschaffen. Maar hoe kun je langs je neus weg de afschaffing van de parallelle netten voorstellen en tegelijk vasthouden aan de absurde toestanden van klassen met één leerling die het vak Protestantse Godsdienst volgt. Ik heb ooit lesgegeven in een klein Atheneum waar ik voor Nederlands een klas van 36 leerlingen had, dat wil zeggen het volledige vierde jaar. Ik ben vergeten in hoeveel groepen die klas uiteenviel voor levensbeschouwing, maar het waren er veel.
     En dan: grotere klasgroepen is volgens onze leek ook al geen goed idee. Misschien heeft hij gelijk. Maar aangezien hij de hoge kostprijs van het Vlaamse onderwijs graag afzet tegen andere landen waar het zuiniger toegaat, mag er ook eens gewezen worden op de grotere klassen die in die andere landen gangbaar zijn.
     Ik zeg niet dat dat FB-stukje dat op Demir afgeeft onredelijk is, al valt het niet goed te rijmen met wat de auteur elders schrijft over efficiëntie, rationalisering en besparing. Op zich echter vat het stukje goed samen wat andere criticasters in het onderwijs en in de pers tegen Demir inbrengen. Alleen heb ik iets tegen stukjes waarvan je voelt dat de auteur op geen enkel moment de andere kant van het verhaal heeft overwogen en gewoon alles overneemt wat in zijn polemisch kraam past. Of in dit geval: nogal gemakkelijk aanneemt dat er geen andere kant bestaat omdat die in de pers niet aan bod komt.
      Zo schrijft de auteur ook: ‘Scholen, leerkrachten en directies krijgen almaar minder ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken.’ Dat geeft de zaak verkeerd weer, en ik spreek dit keer niet als leek en buitenstaander, maar als gewezen leerkracht. In werkelijkheid is de ‘ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken’ gedurende eerdere decennia afgebouwd, en werd éénzelfde nefaste pedagogische keuze opgelegd door ministerie, koepel, en inspectie, vaak met de medeplichtigheid van directies. Dat Demir nu ruimte creëert voor een ándere pedagogische keuze maakt haar voor mij de beste Onderwijsminister van de laatste 50 jaar.  


Israël: feiten en cognitieve dissonantie
     Raar is het wel dat er over Gaza zo bitter geruzied wordt terwijl de grote feiten door niemand worden ontkend. Op 7 oktober werden bij een raid ongeveer 1.200 Israeli’s gedood en ongeveer 250 Israëli’s gegijzeld. Op 8 oktober lanceerde Israël een oorlog waarbij 70.000 Palestijnen omkwamen, waarvan ongeveer 2/3 burgers, en waarvan 1/3 minderjarigen. Ik ken weinig Israël- of Palestina-mensen die déze feiten betwisten. Er wordt veel gespeculeerd over de motieven, bijvoorbeeld of het Israëlisch leger een speciaal beleid had om zoveel mogelijk kinderen te doden, maar dát er veel kinderen door kogels, granaatscherven en instortende gebouwen omgekomen zijn, wordt door iedereen aangenomen.
      Natuurlijk zijn er ook meningsverschillen over de feiten zelf. Zo geloof ik niet, in tegenstelling tot mijn vriend M.L., dat het Israëlisch leger waterputten vergiftigd heeft. Of, belangrijker, ik geloof niet dat er een massaal voedseltekort geweest is met duizenden hongerdoden tot gevolg. Maar dat zijn, vergeef mij de uitdrukking, details in het grote geheel. Wat de feiten betreft, geloof ik ongeveer hetzelfde als M.L., F.D., Y.D. en P.V.O.
     De grote feiten worden dus door niemand ontkend. Iets anders is echter de neiging om bepaalde feiten te negeren of onbewust te vergeten. Dat doet men om cognitieve dissonantie te voorkomen als die feiten het eigen verhaal zo flagrant tegenspreken dat je ze geen plaats kunt geven. Zelf krijg ik vaak het verwijt dat het anti-Palestijns geweld op de Westbank niet verenigbaar is met mijn geloof in Israël als liberale democratie. Ik zie echter geen tegenspraak. Een land kan best vrije verkiezingen hebben en de burgerlijke vrijheden respecteren en tegelijk optreden als een schurk buiten de eigen grenzen.
     Voor de cognitieve dissonantie in het Palestina-kamp kijken we eerst naar de slachtpartij van 7 oktober en de ideologie van Hamas. Dat zijn inderdaad zaken waar de Palestina-mensen niet graag over spreken en die ze liever zouden negeren. Maar ik veronderstel dat de meesten van hen die feiten zonder al te veel moeite in hun algemeen beeld kunnen integreren. Zij kunnen die feiten wel degelijk ‘erkennen’ als ze er maar niet te veel over moeten nadenken. Bijvoorbeeld: ‘Ja, Hamas is ook slecht, maar dat is geen verantwoording voor de veel grotere misdaden van het Israëlisch leger.’ Die redenering moet voor veel Palestina-mensen volstaan om er weer tegenaan te kunnen.
       Er is iets anders wat veel moeilijker integreerbaar is. Wat de Gaza-oorlog verder ook moge geweest zijn, het was óók een oorlog, dat wil zeggen een gewapend conflict tussen twee strijdmachten: het Israëlisch leger en de Hamas-milities.  Ik ken weinig Palestina-mensen die dat onder ogen willen zien. Ze beginnen onmiddellijk over iets anders, zonder het feit zelfs maar te erkennen. Ik heb één iemand gekend die het feit gewoon ontkende: hij had op televisie nog geen enkel beeld van gevechten gezien.
      Slechts heel af en toe kom je een flauwe poging tegen om de cognitieve dissonantie in dit verband weg te werken. Ik vond er een bij de Italiaanse historicus Enzo Traverso*:

Gezien de ongelijkheid tussen de IDF (het Israelische leger) en Hamas hebben we hier niet te maken met twee legers, maar met beulen en slachtoffers, een leger en een burgerbevolking – precies de omstandigheden die gepaard gaan met genocide. 

     Die redenering berust op een flagrante non sequitur:          

  1. Het leger van Hamas was militair zwakker dan dat van Israël
  2. Dus het leger van Hamas was geen leger
  3. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking 

    Dan levert het negeren van het militaire karakter van de oorlog een betere redenering op.

  1. (Er wás helemaal geen oorlog tegen Hamas-milities**)
  2. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking***. 

    Alleen kun je de eerste stap van de redenering niet uitspreken, niet neerschrijven, en liefst ook niet dénken. 

* Enzo Traverso’s boek Gaza Faces History wordt, samen met andere Palestina-propaganda, besproken door Matti Friedman, ‘Introduction tot Gazology’, gepubliceerd op 21 april 2026 op Thefp.com. Een vertaling vindt men op de FB-pagina van Geraard Goossens.

** Ook mooi is natuurlijk de kettle logic in dit verband. Er wordt niet gevochten tegen Hamas-milities en bovendien worden de Hamas-milities juist sterker als reactie op de Israëlische agressie. 

*** Ten overvloede: ik wil hier niet die conclusie – het IDF voerde oorlog tegen de burgerbevolking – weerleggen; ik wil alleen de redenering tegenspreken die tot die minstens eenzijdige conclusie leidt.

 


Subsidies voor naaktloperij
     Het is niet makkelijk om in de staatsuitgaven te bepalen wat subsidies, investeringen, structurele uitgaven enzovoort zijn. De federale overheid, zegt men, geeft 66 miljard euro aan subsidies. De Vlaamse overheid geeft 18 miljard. Met een iets andere definitie, krijg je grotere en kleinere bedragen. Voor een libertair als ik mogen de meeste van die subsidies eigenlijk verdwijnen. Maar ik kan er niet goed tegen dat men doet alsof zoiets slechts een kwestie is van vijf minuten politieke moed.
      Van de week zag ik op de sociale media voortdurend dat bedrag van 18 miljard Vlaamse subsidies voorbijkomen, gekoppeld aan een filmpje van twee naakte dansers op de dijk van Oostende. Het was geloof ik een culturele protestactie tegen koning Leopold II (1835-1909) en ze was georganiseerd door het kunstencentrum KAAP. Als je dat bedrag en die dansers naast elkaar ziet, denk je eerst dat dat dansoptreden 18 miljard gekost heeft, en daarna dat die 18 miljard wel allemaal naar vergelijkbare activiteiten is gegaan. Dat is geloof ik niet zo. KAAP ontvangt 2 miljoen subsidies per jaar. Hoeveel daarvan zou naar die naakte artiesten gegaan zijn? Een paar honderd euro?
     Ik ben best bereid een voorzichtig protest tegen deze vorm van openbare zedenschennis te laten horen, maar aan die paar honderd euro wil ik niet te zwaar tillen. Ofwel schrap je alle subsidies voor alle kunstencentra, en dan spaar je inderdaad vele miljoenen, maar haal je je de woede van allerhande kunstliefhebbers op de hals. Ofwel stel je extra controleurs aan om onzinnige, zedenschennende projecten te schrappen, en dan zal je vele miljoenen extra nodig hebben om die controleurs te betalen. 


Van Dalsum en Bette Davis 
   
 De beroemde Nederlandse acteur Albert van Dalsum (1889-1971) ken ik alleen omdat Karel van het Reve hem ergens ter sprake brengt. Karel schrijft dat hij een bepaalde vondst van Annie M.G. Schmidt nog nooit ergens in de wereldliteratuur is tegengekomen, namelijk dat een personage gespeeld door een acteur iets zegt … over die acteur. 

Dus laat ons zeggen een Nederlands stuk uit 1950, waarin als het doek opgaat Jansen, gespeeld door Albert van Dalsum, met zijn vrouw uit de Gijsbrecht thuiskomt en bij het uitrekken van zijn jas zegt: ‘Hoe vond jij die Van Dalsum nou? Ik vond dat hij het er wel erg dik op lei.

    Ik ken de hele wereldliteratuur niet, maar ik weet wel dat het in één geval niet veel gescheeld heeft of die vondst had zijn weg naar het repertoiretoneel gevonden. Sommige van mijn lezers herinneren zich misschien de eerste replieken uit Who’s Afraid of Virginia Woolf

  • Martha: What a dump. Hey, what’s that from? ‘What a dump!’
  • George: How would I know what …
  • Martha: Aw, come on! What’s it from? You know …
  • George: … Martha …
  • Martha: What’s it from, for Christ’s sake?
  • George: What’s what from?
  • Martha: I just told you; I just did it. ‘What a dump!’ Hunh? What’s that from?
  • George: I haven’t the faintest idea what …
  • Martha: Dumbell! It’s from some goddamn Bette Davis picture  … some goddamn Warner Brothers epic …
  • George: I can’t remember all the pictures that …
  • Martha: Nobody’s asking you to remember every single goddamn Warner Brothers epic … just one. Bette Davis gets peritonitis, and she’s married to Joseph Cotton or something …      

     De hilarische dialoog gaat nog even door, over Bette Davies die ‘comes home from a hard day at the grocery store’ en Bette Davis die ‘walks into the modest living room of the modest cottage modest Joseph Cotton has set her up in.’  De lezer heeft het ondertussen begrepen. Het heeft niet veel gescheeld of het was Bette Davis die de rol van Martha had gespeeld in de film en die dus zou blijven zeuren zijn over Bette Davis. De auteur van het stuk had het heel graag gewild, en Bette Davis zelf ook. Maar de regisseur besliste dat het Elizabeth Taylor moest zijn.


Derde Wereldoorlog
     Jo Komkommer vertelt in een autobiografisch stukje over een gesprek tussen zijn vader en garçon Vincent van restaurant De Linde.

Op een keer dwaalde, tijdens het opnemen van de bestelling, het gesprek af en kwam de oude vader van Vincent ter sprake. “Die man heeft toch veel meegemaakt. De Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog,…” Mijn vader – die hoopte dankzij de Russen alsnog het einde der tijden te mogen meemaken – voegde er triomfantelijk aan toe: “En binnenkort de Derde Wereldoorlog!” Vincent noteerde de bestelling van de avond en antwoordde bedachtzaam: “Als alles goed loopt natuurlijk, meneer Komkommer…”’     

Annie M.G. Schmidt maakt een vergelijkbaar grapje in háár autobiografie.

Toch vind ik het interessant om zo’n groot stuk eeuw te hebben meegemaakt. Twee wereldoorlogen en als ze een beetje opschieten nog een derde.

     Er bestaat geloof ik een beperkt areaal aan mogelijke grappen, die dan door verschillende mensen op verschillende tijdstippen zelfstandig ontdekt worden. Gelukkig is de taal zo soepel dat die grappen iedere keer weer een lichtjes anders ingekleed worden.


Fietsslot 
   Ook al staat mijn fiets in Oostende in een gesloten fietsstalling, toch doe ik hem voor de zekerheid op slot. Als ik mij voorover buig om het slot los te maken denk ik altijd heel even aan de film Barney’s Version (2010), meer bepaald aan een vroege scène met Barney en zijn vrienden op een caféterras in Italië. Ik geloof nochtans niet dat er in die scène een fiets, een fietsslot of een fietsstalling voorkomt. 

 


Oude films: Back Street (1932)

    

     Door de oude musicals die ik leerden kennen uit de compilatiefilm Thats Entertainment heb ik de vroege jaren 70 interesse opgevat voor oude films. Dat was alsof nu jongeren van net geen twintig zouden beginnen kijken naar films van de jaren 80 of 90. Stel je voor. Eén zon oude film is Back Street is een melodrama uit 1932. De film begint met een vertelstem:  ‘In the good old days, before the 18th amendment …’ Daardoor drong het voor het eerst tot mij door dat het alcoholverbod in de VS (1920-1932) was opgenomen in de Grondwet. Dat je niet zomaar álles in de Grondwet moet opnemen, was al eerder tot mij doorgedrongen.
     Maar Back Street dus, één van de favoriete films van mijn vader. De personages moeten in de loop van de film 30 jaar ouder worden gemaakt, wat men vooral doet door hun haar grijs te kleuren. Bij de vrouwelijke hoofdrol – Irene Dunne - komt daar nog iets bij. De film begint rond de eeuwwisseling toen de vrouwen een voor ons aanvaardbaar kapsel hadden. Maar dertig jaar later is de watergolvende bob in de mode geraakt, het soort kapsel dat Vlaamse nonnen kozen in de jaren 70, toen ze eindelijk hun hoofddoek mochten afdoen. Daardoor alleen al lijkt Dunne op een tante nonneke. Misschien was dat in 1932 minder het geval, toen ook jonge meisjes en masse voor die haarstijl vielen.
     De film gaat zo. Dunne is een vrijgevochten jonge vrouw. ’s Avonds gaat ze uit dansen met mannen, maar daar blijft het bij. Zij is immers een 10, en die mannen, meestal handelsreizigers, zijn hoogstens een 5 of een 6. De sympathieke dromer van het dorp is een 7, met de potentie om een 8 te worden. Maar dan ontmoet Dunne ene John Boles, een jonge zelfzekere bankier, eveneens een 10, zelfs als hij een bolhoed draagt. Het is een van de overtuigendste liefde-op-het-eerste-gezicht scènes die ik ken. De bankier staat op het punt om te trouwen, maar is bereid om zijn plannen om te gooien. Helaas gaat dat niet door vanwege een samenloop van omstandigheden, en de bankier trouwt met zijn verloofde. Vijf jaar later ontmoeten Dunne en Boles elkaar in New-York en beginnen ze een geheime relatie. Dunne wordt de other woman, een femme entretenue die op de achtergrond moet blijven, op een appartement in een achteraf straatje.
     Zo’n relatie heeft zijn nadelen, voor de twee partijen, maar vooral voor de vrouw. Zij heeft haar eer opgeofferd voor de liefde. Dat wordt in de film sereen en rechtlijnig uitgewerkt. Op zeker ogenblik overweegt Dunne te trouwen met de sympathieke dromer van haar geboortedorp die ondertussen een rijke industrieel geworden is. Het zou een rationele keuze zijn, maar het is de irrationele keuze die het haalt.
      Die laatste plotwending was niet naar de zin van de recensent in de New York Times. Hij vindt Dunne ‘exasperatingly silly’ is; ze had ‘some strength of character’ moeten tonen; ze had toen ze de kans kreeg de eerbare vrouw van de industrieel moeten worden; het is ‘implausible’ dat ze dat niet deed. Ik heb daar geen mening over. Mijn moeder heeft van ver en van dichtbij heel wat vrouwen gekend die in hun leven de irrationele keuze gemaakt hebben, zonder dat ze daarom gelukkig werden. Maar als ze door omstandigheden de irrationele keuze niet konden maken, waren ze voor de rest van hun leven even ongelukkig. Van een van hen vertelt ze: ‘Men heeft haar daarna nooit meer zien lachen.’
     Als de bedoeling van melodrama is dat de kijker vochtige ogen krijgt, dan is dat bij mij gelukt, terwijl mij dat meestal slechts overkomt bij overweldigende combinaties van beeld en muziek, of de scènes nu droevig zijn of niet. Bij films als Hamnet of Grave of the Fireflies houd ik het droog. Mijn zoon is daar anders in.



 


vrijdag 10 juli 2026

Vermogens- en erfbelasting


    
   Je kunt natuurlijk alles belasten: het dragen van een baard (Peter de Grote), het dragen van een hoed (George III), het niet dragen van een hoed (Elizabeth I) … Maar in onze verlichte tijden zijn er vooral vijf grote soorten belasting, te weten: belasting op arbeid, op ondernemen, op investeren, op consumeren en op overlijden. Belastingen, zo wordt ons door economen voorgehouden, ontmoedigen de activiteiten die onder de belasting vallen. Er wordt minder gearbeid, ondernomen, geïnvesteerd en geconsumeerd dan het geval zou zijn zonder die belastingen. Alleen bij de belastingen op overlijden – de erfbelasting – schijnt de ontmoediging niet helemaal te werken.
 
      Op enkele verstokte libertairen na, is iedereen voorstander van hogere belastingen voor grootverdieners, niet alleen in bedragen, maar ook in procenten. Daarvoor heeft men de progressieve belastingschalen uitgevonden. En die werken prima om de middenklassen te pluimen, maar de absolute top, de 1 of 2 procent rijksten, betaalt weer wat minder omdat een groot deel van het inkomen uit investeringen komt, een activiteit die minder zwaar belast wordt. Die absolute top betaalt nog altijd het meest, maar hij betaalt procentueel iets minder dan hoogste middenklasse. En bijna iedereen vindt dat onrechtvaardig.
     Wat ik rechtvaardig vind, wil ik voor één keer niet laten meespelen. Maar ik vind het geen goed idee om in een periode van lage productiviteit vooral de investerende klasse zwaarder te belasten. En als men dat toch wil doen, dan liefst niet door het vermogen zélf (nog meer) te belasten, zoals de PVDA, Paul De Grauwe, Conner Rousseau en Les Engagés willen. Het inkomen uit vermogen, vooruit, als het niet anders kan, maar het vermogen zélf, dat niet.
     En ik wil ook uitleggen waarom. Rechts waarschuwt dat een vermogensbelasting tot kapitaalvlucht zou leiden*. Links antwoordt dat dat niet zal gebeuren, en áls het zou gebeuren, dat het dan immoreel zou zijn. Beide kampen halen het voorbeeld aan van Fabien Pinckaers, de ceo van het Waalse softwarebedrijf Odoo, die zei dat hij naar het buitenland zou verhuizen als er een rijkentaks komt. Maar wat men vaak vergeet is de reden waaróm zo iemand zou verhuizen. Dat wordt mooi uitgelegd door Maarten Michielssens, ceo van EngergyVision in De Standaard (9/7): 

 Pinckaers zei dat hij 100.000 euro op zijn spaarrekening heeft, terwijl zijn bedrijf op papier 10 miljard waard is. Een jaarlijkse belasting van 30 miljoen euro kan hij dus niet betalen. Wel, ik [Michielssens] heb nog 30.000 euro minder op mijn spaarrekening. Als er een rijkentaks, een miljonairstaks, of een andere vermogensbelasting komt, waardoor ik enkele miljoenen moet betalen op mijn aandelen, ga ik persoonlijk failliet … Ik heb geen enkel probleem met een meerwaardebelasting op de verkoop van aandelen. Je mag die van mij zelfs verhogen, sterke schouders moeten in deze moeilijke tijden meer bijdragen. Maar een papieren vermogen belasten, dat is een stommiteit. 

     De interviewer suggereert dat Michielssens toch ook aandelen kan verkopen om de belasting te betalen.

Nog los van het feit dat dat niet verstandig zou zijn, mag ik dat niet. Bij de beursgang heb ik mij ertoe geëngageerd om drie jaar lang geen enkel aandeel te verkopen. Wat kan ik dan doen? We zijn een groeibedrijf, we keren geen dividend uit. Ik zou mijn huis kunnen verkopen, een lening aangaan, maar als die belasting nu zou bestaan, was ik in de kortste keren persoonlijk failliet. Ik heb Rousseau gemeld dat dit soort voorstellen me zou dwingen om naar het buitenland te vertrekken, terwijl ik dat helemaal niet wil. Ofwel moet ik EnergyVision van de beurs halen. 

         De argumentatie van Michielssens zal weinig linksen overtuigen van hun ongelijk. Als we discussiëren gaat moraal boven economisch resultaat. In het echte leven komt das Fressen misschien vóór die Moral, zoals Brecht schreef, maar aan de toog of achter het klavier is dat omgekeerd. Daar komt vóór alles de moraal, en daarachter verscholen, de emotie.  Die linksen worden niet overtuigd met economische argumenten; wat hen drijft is de ‘egalitaire passie’ zoals Tocqueville die analyseert in de laatste hoofdstukken van zijn Amerika-boek.
        We zien trouwens mutatis mutandis hetzelfde bij rechts: de morele principes, de emotie, de passie, zijn bepalend. Ik stel het vast bij mezelf, terwijl ik nochtans af en toe pogingen doe om rationeel te zijn. Maar bij het kijken naar Yellowstone supporterde ik voor Kevin Kostner. De man bezit uitgestrekte gronden die miljarden waard zijn, maar het hoeden van vee brengt amper iets op. Hij heeft nauwelijks geld om zijn cowboys te betalen. Die krijgen een schijntje voor hun harde werk: misschien de helft van wat een Belgische steuntrekker van het OCMW krijgt. Maar Kostner wordt niet op zijn schamel inkomen belast, maar op zijn formidabele vermogen, zijn grondbezit. Hij zou een deel van zijn grond moeten verkopen om de belastingen te kunnen betalen.
       
 Ik vond dat moreel en emotioneel moeilijk om te aanvaarden. En nochtans bestaan er goede economische redenen voor zo’n grondbelasting. Ze zou ervoor kunnen zorgen dat Kostner zijn gronden op een meer economische manier gaat benutten, of ze verkoopt aan iemand die ze op een meer economische manier benut. Maar ik blijf tegenspartelen. 

                                                                            ***

     Ik heb hetzelfde met de erfbelasting. Ik lees bijvoorbeeld de column van Jérémie Haberkorn, student handelsingenieur (DS 9/7): 

 Er is één vorm van vermogensbelasting waar economen al veel langer van houden: de erfbelasting. De meeste andere heffingen ontmoedigen iets nuttigs: een loonbelasting bestraft werken, een winstbelasting bestraft ondernemen … Een erfbelasting bestraft niets. Ze belast een meevaller die de erfgenaam per definitie niet verdiend heeft, op een moment waarop de gever geen prikkel meer kan verliezen. Daarom noemt de Oeso de erfbelasting een van de minst verstorende manieren om inkomsten te heffen.

     De Oeso zou wel eens gelijk kunnen hebben. Als alle belastingen slecht zijn, is erfbelasting misschien de minst slechte. Maar moreel en emotioneel kan ik het moeilijk verkroppen. Je hebt gewerkt, je hebt gespaard in plaats van je geld te verdoen aan drank en vrouwen, en aan het einde van je leven mag je dat geld niet nalaten aan wie je wil, zelfs niet aan degenen die je genen verder verspreiden.
     Lange tijd heb ik gedacht dat de egalitairen het aangaande erfbelasting moeilijk zouden hebben om de meerderheid met zich mee te krijgen. Die hogere erfbelasting leek mij meer iets voor zonderlingen als Karl Marx en Bert Anciaux. Ik geloof dat Annie M.G. Schmidt ooit gezegd heeft dat er in Nederland twee soorten mensen waren: zij die iets wilden nalaten en zij die iets wilden erven. Dat is een andere tweedeling dan links en rechts, dan egalitair en libertair. En als iederéén graag iets nalaat, en iederéén graag iets erft, dan zal iederéén wel begrijpen, dacht ik, dat anderen er ook zo over denken, zelfs als die anderen rijker zijn.
     Maar er zijn geen zekerheden meer. New York, ooit het symbool van vrijheid en kapitalisme, heeft een socialistische burgemeester verkozen. Uit een enquête van het Nederlandse Centraal Planbureau blijkt dat meer dan de helft van de bevolking vandaag vindt dat grotere erfenissen zwaarder belast mogen worden dan nu het geval is. Dat komt niet door de redeneringen – juist of verkeerd – van de economen en de handelsingenieurs, maar door de gelijkheidsgedachte die al twee eeuwen als een ideologische maaimachine over het veld van de geschiedenis voortdondert en alle concurrerende begrippen, overwegingen en instincten laag bij de grond afsnijdt.

                                                            *** 

    En de techmiljardairs dan? Zijn die superrijken van vandaag, ondanks de egalitaire maaimachine, niet rijker dan ze ooit waren in de geschiedenis? Zeker, maar ik heb het over een ideologische machine. Als ik iets over de techmiljardairs léés, is het altijd om hen aan te klagen. En die aanklacht komt van mensen die dagelijks gebruik maken van hun producten: computers, smartphones, pakjes aan huis bezorgd, sociale media, streamingsdiensten. Zelf ben ik blij met die producten. Van mij mogen de kinderen van Jeff Bezos en Bill Gates de aandelen van hun vader erven. Ik heb dat liever dan dat die bedrijven overgaan in handen van de staat. Maar ze mogen, als ze dat liever doen, hun fortuin ook wegschenken aan goede doelen. Daar zal ik niet tegen protesteren. 


* De kapitaalvluchters kunnen dan beter niet naar Frankrijk uitwijken, want volgens de tweede grafiek hierboven is de belasting op vermogen daar nog hoger dan in België. 

donderdag 9 juli 2026

Theaterrepertoire en algemene cultuur

      De toneelactrice Shirley Knight werd geboren op 5 juli 1936. In tijden van sociale media betekent dat ik een of twee berichten over haar zie verschijnen om die verjaardag te herdenken. Een ervan bevatte een citaat van Tennessee Williams:

There are no roles too big for her, no challenges at which she won’t laugh and wrestle and finish stronger, wiser, funnier: her Alma, her Amanda, her Princess, her Serafina. I wish for her a Gertrude, a Lady Macbeth, a Lady Wishfort, a Millament, a Martha in Edward’s play.

    Het behoort geloof ik tot de algemene cultuur om een aantal beroemde rollen uit de theatergeschiedenis te kennen. De eerste rij Alma-Amanda-Princess-Serafina moeten rollen zijn die Williams zelf heeft bedacht voor zijn stukken. ‘Princess’ ken ik van Sweet Bird of Youth en Serafina van The Rose Tattoo. Dan zullen Alma en Amanda ook wel zoiets zijn. Ik zoek het op en het klopt. Alma is een personage uit Summer and Smoke en Amanda uit The Glass Menagerie. Ik heb geen enkel stuk van Williams op de planken gezien, maar zeker meer dan tien films die op zijn stukken gebaseerd zijn. 
    Het tweede rijtje namen stelt mij voor een probleem: Gertrude-Lady Macbeth-Lady Wishfort-Millament-Martha. Gertrude en Lady Macbeth zijn natuurlijk van Shakespeare en Martha is dé Martha van
Who’s Afraid of Virginia Woolf, maar wie zijn Millamant en Lady Wishfort? Ik moet het opzoeken en dat blijken personages te zijn uit The Way of the World van William Congreve (1670-1729) die ik alleen ken van het vers ‘Hell has no fury like a woman scorned’. Millament, Lady Wishfort en Congreve vertegenwoordigen een gat in mijn cultuur.
     Welke vrouwenrollen zou een niet speciaal in theater geïnteresseerd persoon moeten kennen om geen cultuurbarbaar te zijn*? Ik laat opera en musicals even buiten beschouwing, en ik heb niet meer dan twee stukken per auteur opgenomen. Bij sommige rollen zie ik vanzelf de gezichten verschijnen van de actrices die meespeelden in de verfilming van de stukken. 

  • Clytemnestra           Oresteia
  • Antigone                  Antigone                                 – Irene Papas, Geneviève Bujold
  • Medea                      Medea
  • Lady Macbeth         Macbeth                                  – Francesca Annis
  • Rosalind                  As You Like It                         – Hellen Mirren
  • Chimène                  Le Cid
  • Dorine                     Tartuffe
  • Phèdre                    Phèdre
  • Bérénice                  Bérénice                                     – Anne Alvaro
  • Nora                         Een Poppenhuis**                    – Claire Bloom
  • Hedda                     Hedda Gabler                            – Glenda Jackson
  • Nina                         De meeuw
  • Masja                       Drie zusters
  • Julie                        Miss Julie                                    – Jessica Chastain
  • Eliza Doolittle        Pygmalion                                – Audrey Hepburn
  • Anna                        Mutter Courage.                      – Carmen-Maja Antoni***
  • Blanche DuBois     A Streetcar Named Desire     – Vivian Leigh, Jessica Lange
  • Maggie the Cat       A Cat on a Hot Tin Roof        – Elizabeth Taylor
  • Linda Loman           Death of a Salesman             – Kate Reid
  • Martha                     Who’s Afraid of Virginia W.  – Elizabeth Taylor
  • Corrie                        Barefoot in the Park              – Jane Fonda     

     Dat 'Mutter Courage’ eigenlijk Anna heet, heb ik moeten opzoeken. Van Kate Reid verschijnt wel het gezicht voor mijn geestesoog, maar de naam heb ik nooit gekend.
     Als ik aan Grok een lijst van grote vrouwenrollen vraag krijg ik nog drie extra personages aangeboden die ik achteraf gezien had willen opnemen, maar wier namen ik niet kan onthouden en die mij dus in een quiz of een culturele conversatie niet van nut kunnen zijn. 

  • Alison Porter               Look Back in Anger                       – Emma Thompson
  • Mary Tyrone                Long Day’s Journey Into Night  – Katherine Hepburn
  • Violet Weston             August: Osage County.                  – Meryl Streep.

      Als je nu die namen kent, hoe moet je ze ooit ter sprake brengen? Je kunt ze in een beschaafd gezelschap niet ongevraagd beginnen opsommen. Maar we moeten niet wanhopen: er kan zich altijd een gelegenheid voordoen. In een van de mooiste televisieseries die ik ken, The Marvelous Mrs. Maisel, krijgen twee sympathieke volkse gangsters de opdracht om een impresario onder druk te zetten naar aanleiding van een Broadway-productie. ‘Over welk stuk gaat het?’ vragen ze. ‘Miss Julie.’ Aha. ‘And who’s playing Jean?’ willen ze weten.

 

* Mijn leerlingen in het zesde jaar maakten kennis met Lady Macbeth, Bérénice, Nora, Blanche DuBois, Linda Loman, Martha en Corrie. Ik geloof dat de meesten van hen Martha zullen onthouden. In plaats van Medea en Antigone, kregen ze Clytemnestra (ook Irene Papas) en Iphigenia (Tatiana Papamoschou). In plaats van Nina en Masja kregen ze Yelena (Julianne Moore) en Sonja (Brooke Smith) uit Oom Vanja. In plaats van Mutter Courage kregen ze Jenny (Yvon Jansen), Polly (Sascha Icks), en mevrouw Peachum (Karin Neuhäuser). Daarnaast kregen zij ook Sister Aloysius (Meryl Streep), Sister James (Amy Adams) en Mrs. Mrs. Miller (Viola Davis) uit Doubt, maar ik geloof dat die rollen niet canoniek genoeg zijn voor mijn lijstje.

** Toevallig heb ik nog een stuk van mijn les over Een poppenhuis terugvonden. Voor de nieuwsgieringen, het filmje staat  hier.

*** Carmen-Maja Antoni heb ik op scène gezien. Haar gezicht ken ik omdat ik later de foto heb opgezocht. 

woensdag 8 juli 2026

Kortjes

 Drone-wappies
       Het woord ‘wappie’ is naar het schijnt ontstaan in de Amsterdamse gabberscene. ‘Helemaal wappie zijn’ betekende toen dat iemand heel erg onder invloed was van drank of drugs. Daarna kreeg het betekenis van ‘gek’, ‘gaga’, ‘mataglap’, etc. En nog later heeft het een polemische betekenis gekregen. Men is het gaan gebruiken voor iemand die een consensus van experten verwerpt.
     Wappies geloven niet dat het klimaat opwarmt of dat menselijke CO2 er iets mee te maken heeft. Andere wappies geloofden niet dat Covid een ernstige epidemie was waarvoor we ons beter konden laten vaccineren. De klimaatwappies kun je verwijzen naar de IPCC-rapporten. De Covid-wappies werden indertijd door Maarten Boudry, met minder goede redenen lijkt mij, verwezen naar het Imperial College London.
     Bij Poetin-verstehers, antimilitaristen en Theo Francken-haters heb je nog een ander soort wappies: de drone-negationisten. Ze kregen de wind in de zeilen met de Pano-reportage die aantoonde dat sommige drone-foto’s verkeerd waren geïnterpreteerd. In elk geval kunnen die wappies vandaag verwezen worden naar het nieuwste rapport van het International Institute for Strategic Studies(IISS) dat de Russische drone-campagne tussen augustus 2024 en februari 2026 analyseert.
     God, wat heb ik die IISS-rapporten gehaat toen we ze binnen de jonge PVDA moesten bestuderen om zo een beter zicht te krijgen op het Russische ‘sociaalimperialisme’. 


AI op school
     Wouter Duyck citeert op x.com een studie over het onderwijs in China en de invloed van AI-gebruik erop. Huiswerk werd ongeveer 20 % beter, en werd gemaakt in ongeveer 20 % minder tijd. Bij een examen achteraf zonder AI werden de resultaten ongeveer 20 % slechter. ’t Is droevig natuurlijk, maar dat die 20 % drie keer terugkeert, dat maakt het ook een beetje grappig.

  

Alternatief vs verburgerlijkt
     Beeld je een groep vrienden in die elkaar kennen van het middelbaar. Misschien heten ze Vincent, Paul, François en Jean. Aan de universiteit en ook later blijven ze contact onderhouden. Ze gaan wel eens samen op vakantie. En dan komen de vrouwen, de carrière, de eerste kinderen. Vincent, Paul en François kiezen voor het burgerleven. Ze stemmen N-VA. Jean kiest een alternatief lief, een alternatieve levensstijl en wordt een groen-linkse kiezer. Wat is nu het meest voor de hand liggende scenario: de verburgerlijkte groep wil de alternatieve Jean niet meer uitnodigen, of de alternatieve Jean wil op die uitnodigingen niet meer ingaan?
      Of neem het lied van Jacques Brel Les bourgeois. De bohémiens Pierre, Jo-Jo en Jacques kijken neer op de notarissen die uit het restaurant Les trois faisans komen, en de notarissen kijken neer op de ‘jeunes peigne-culs’ die in de kroeg van La Montalan zitten. Maar wie van hen kijkt op de ander neer vanop de hoogste ladder? 


Namen onthouden
      Met het klimmen der jaren wordt ons geheugen zwakker. Het onthouden van namen is het eerste dat moeilijkheden oplevert. Mijn vader oefende zijn geheugen door van oude films de namen van alle acteurs een voor een op te roepen. Ik zou dat beter ook kunnen doen, want het wordt dramatisch. Vroeger kon ik wel eens een naam vergeten, maar als ik toen na pijniging van de hersenen de eerste letter gevonden had, wist ik meteen de hele naam. Vandaag volstaat zelfs de voornaam niet om de familienaam te vinden. En daar is nu nog iets bijgekomen. Als ik naar een film kijk, kan ik de namen van de personages niet onthouden. Als de personages in beeld zijn is dat niet erg, maar als er in hun afwezigheid óver hen gesproken wordt, weet ik nooit over wie het gaat. Vroeger had ik dat alleen met Russische toneelstukken waar naar dezelfde persoon afwisselend met vier verschillende namen wordt verwezen: koosnaam, voornaam, patroniem en familienaam. 


Verjongen en verouderen
      Ik ben altijd geïntrigeerd door films waarin men make-up of andere trucjes toepast om acteurs te verjongen of te verouderen. In verhalen die zich over een langere periode uitstrekken, of die flashbacks gebruiken, is dat soms nodig. In oude films is het resultaat, vind ik, vaak beter geslaagd voor mannen dan voor vrouwen. Maar het blijft iets raars. Neem nu de film Kind Hearts and Coronets, een film van 1949, maar ik zou hem tien jaar ouder geschat hebben. Alec Guinness speelt acht verschillende rollen. De acteur was toen 35 jaar, en hij moet vooral rollen spelen van 50-, 60-, en 70-jarigen. Maar in geen enkele van die rollen lijkt hij op de Alec Guinness die hij echt zou worden als 50-, 60- of 70-jarige. Ethelred d’Ascoyne in Kind Hearts and Coronets lijkt in niets op Obi Wan Kenobi in Star Wars.


Fuga’s en partita’s
     In het muziek beluisteren hou ik van afwisseling. Als ik vier uur na elkaar naar fuga’s geluisterd heb, is het tijd voor enkele partita’s.


Schoen
     Meestal herinner ik mij mijn dromen niet, maar dit keer wel: een van mijn schoenen was stuk. 

Abortus

      In het huidige debat heb je amper voor- en tegenstanders van abortus. Er is alleen ruzie over de termijn waarbinnen abortus mag worden toegepast. De termijn is nu 12 weken na de conceptie. De verlengers willen de termijn op 18 weken brengen terwijl de beperkers, dat zijn vooral de christendemocraten, slechts een verlenging tot 14 weken willen.
      De verlengers willen onder andere rekening houden met de late beslissers. Ik begrijp dat, alhoewel er naar het schijnt weinig late beslissers zijn. Maar wat gaat er om in de geest van de beperkers? Zouden ze ze liever álle abortus verboden zien, en aanvaarden ze de 14 weken slechts als een noodzakelijk kwaad? Ik denk het niet. Zowel de verlengers als de beperkers zijn deep down gradualisten, die de foetus maand na maand meer als een mens zien, maar die buiten hun intuïtie, weinig argumenten hebben om een scherpe grens te trekken. En hun intuïtie kan beïnvloed zijn door godsdienst, traditie, feminisme, eigen ervaring, kennis van geschiedenis en antropologie, een sociologische analyses van kansarmoede, enzovoort.
      Soms krijgen we een inkijk in de intuïtie van de beperkers. Sammy Mahdi bijvoorbeeld heeft een bezwaar tegen late abortussen waarbij ‘de baby in stukken moet worden gebroken’. Reynebeau (DS 24/6) maakt korte metten met die uitspraak door ze met vier sterke woorden te omschrijven: (1) horror, (2) retoriek, (3) radicalisme, (4) demagogie. Maar dat neemt geloof ik niet weg dat de foetus bij een late abortus inderdaad in stukken wordt gebroken. En ik vind dat zoiets in het debat minstens even zwaar mag wegen als bijvoorbeeld de langere abortustermijn die in Nederland gangbaar is.

Het 'trolley'-probleem in 'Windows Bay'

    De horror komedie Windows Bay – een serie van Apple TV – is verre van slecht, maar ik had er na de veelbelovende eerste aflevering meer van verwacht.
      Naar het einde toe staan enkele personage voor een dilemma dat in de moraalfilosofie bekend staat als het trolley-probleem, het tramprobleem dus. Het ziet er zo uit. Een op hol geslagen tram zal vijf mensen verpletteren. Jij kunt de tram met een hendel van richting doen veranderen, maar dan zal hij één mens verpletteren. Moet je de hendel overhalen?
     Het utilitaristische Mr. Spock-antwoord kijkt naar de gevolgen: ja, je moet de hendel overhalen want the needs of the many outweigh the needs of the few. Dat is de gevolgenethiek. Het andere antwoord kijkt naar het principe: dat je het leven van één mens nooit, om geen enkele reden, mag opofferen. Dat is de gebods- en verbodsethiek. Zo bekeken is de gevolgenethiek rationeel, en de gebods- en verbodsethiek dogmatisch, intuïtief en emotioneel. Kant heeft, dat is bekend, een rationeel fundament uitgewerkt voor de gebods- en verbodsethiek, maar het is een uitleg die niet ‘blijft hangen’. Ik heb die uitleg nog uit het hoofd geleerd voor een examen van moraalfilosofie, maar ben die ondertussen vergeten en heb die trouwens niet vaak nodig gehad in mijn leven. 
     Ook de meeste mensen die nog nooit van Kant gehoord hebben, voelen de kracht van het simpele, dogmatische, emotionele, intuïtieve verbod. Ze kunnen de rationele afweging niet weerleggen, maar ze wantrouwen mensen die die afweging hanteren. Iemand die bereid is een leven op te offeren om vijf andere levens te redden, is misschien ook bereid om een leven op te offeren voor heel andere redenen. Aan mijn leerlingen legde ik uit dat Agamemnon besloot
zijn dochter Iphigenia op te offeren voor het welzijn van zijn leger, maar dat die rationele afweging niet zijn enige drijfveer was. Politieke ambitie en lafheid speelden een even grote rol. Zelfs áls zijn afweging rationeel was, bleef de Agamemnon van Euripides een schurk.
      Het trolley-probleem komt in een of andere vorm vaak voor in films en series, meestal met een tijdbom in de hoofdrol die duizenden slachtoffers zou kunnen maken  Tom Cruise moet kiezen tussen het redden van zijn geliefde of het ontmantelen van de bom. Wat moet Tom doen? Kiefer Sutherland moet een terrorist onder druk zetten om te weten te komen wáár de bom zich bevindt. Mag Kiefer daarvoor desnoods het onschuldige dochtertje van de terrorist verwonden of doodschieten? Typisch voor die films en series is dat de keuze – in tegenstelling tot in de Griekse tragedies – uiteindelijk vermeden wordt. Kiefer zal het dochtertje niet verwonden of doodschieten. En zelfs als Tom kiest voor zijn geliefde, zal de bom toch niet ontploffen.
      Het leuke in Windows Bay is dat het trolley-probleem ook echt ter sprake wordt gebracht. De burgemeester legt het uit aan zijn assistente om de situatie te verduidelijken. De assistente kiest onmiddellijk voor de gebods-en verbods-ethiek. Ze zal niemand opofferen: ‘The runaway trolley is life. The lever is me.’ Het is niet de redenering van Kant, maar het is mooi gezegd. Die voorthollende trein is het leven zoals het is, met alle onvermijdelijke rampen die erbij horen. Maar dat geeft mij niet het recht (of de plicht) om zelf een ramp te veroorzaken. En natuurlijk wordt ook in déze serie de ultieme keuze en de consequenties ervan vermeden. Zonder iets te verklappen: het trolley-dilemma wordt in extremis vervangen door een ander dilemma.

 

dinsdag 7 juli 2026

Danscènes in (oude) films

 


Dansscènes in (oude) films
    Een van de films die mijn persoonlijke ontwikkeling als filmkijker het meest ontwikkeld heeft, is That’s Entertainment (1974), een compilatie van oude musicalfragmenten aan elkaar gepraat door Gene Kelly en Fred Astaire. Maar ondertussen heb ik wat aan vermogen tot naïef enthousiasme ingeboet. De ‘Trolley Song’ uit Meet Me in St. Louis (1944), ‘Get Happy’ uit Summer Stock, ‘The Red Blues’ uit Silk Stockings (1957) en de ‘Barn Dance’ uit Seven Brides for Seven Brothers (1954) vind ik nu een beetje kinderachtig. En als Cyd Charisse en Ann Miller hoog uithalen met hun benen, word ik bang.
 
     Ach, 1974, That’s Entertainment … het was een periode in mijn leven dat ik een grote behoefte had aan escape, en die oude films met hun song and dance routines waren daar goed in. Later heb ik gemerkt dat met name dansscènes meestal snel mijn geheugen verlieten. Vraag ik aan Grok een lijstje van de 100 beroemdste dansscènes in films, dan staan daar erg veel films bij die ik gezien heb, maar weinig dansscènes die ik mij herinner.
      Soms blijft een scène hangen omdat ze speciaal is: Fred Astaire die danst met een bezemsteel of op het plafond, Gene Kelly die danst met Mickey Mouse, Mary Poppins die met schoorsteenvegers danst op de daken van London, vampiers die dansen op een bal, matrozen die aan sightseeing doen in New York, de shakers die tekeer gaan in The Testament of Ann Lee (2025). Dat betekent niet noodzakelijk dat ik die scènes heel goed vond, maar ik heb ze tenminste onthouden. Het omgekeerde gebeurt ook. Ik weet dat ik Strictly Ballroom (1992) erg goed vond, en de dansscènes zullen ook wel goed zijn, maar ik kan er mij geen enkele van herinneren, zonder ze op Youtube op te zoeken.
 
     Hieronder probeer ik een lijstje op te stellen van dansscènes en andere muzikale choreografieën die wél een blijvende indruk gemaakt hebben én die ik mooi vond. Mijn lijstje gelijkt slechts heel gedeeltelijk op dat van Grok, of op die typische compilaties die men op Youtube vindt. (Zoals hier hier en hier)

      Dus, memorabel én goed bevonden én mij toevallig via associatie te binnen geschoten, in chronologische volgorde: 

  1. Gold Diggers of 1933 (1933), ‘Shadow Walz’*
  2. The Gold Rush (1925) ‘Roll Dance’
  3. Top Hat (1934), Dancing cheek to cheek
  4. Red Shoes (1948), ‘The Ballet’ (te veel ballet voor mij, maar uit respect)
  5. Singing in the Rain (1952), ‘Singing in the Rain’
  6. West Side Story (1961),America’, ‘Dance at the Gym’
  7. Oliver! (1968) Who will buy my sweet roses
  8. Sweet Charity (1969), ‘Hey Big Spender,’ ‘Rich Mans Frug,’ ‘The Rhythm of Life’
  9. Cabaret (1972), ‘Mein Herr’
  10. The Turning Point (1977), ‘Het schimmenrijk’ uit La Bayadère
  11. All That Jazz (1979) ‘On Broadway’‘Bye Bye Life’‘Everything Old Is New Again’ **
  12. Back to the Future (1985) ‘Johnny B. Goode’, vanaf 3:11
  13. Moonlighting (1986, sz 3, afl. 6), ‘Big Man on Mulberry Street’.  
  14. The Simpsons (1989), Compilatie. A Streetcar Named Marge

  15. Billy Eliot (2000) , ‘Angry Dance’
  16. Moulin Rouge (2001), ‘Roxanne’
  17. Chicago (2002), ‘Cell Block Tango’
  18. Nine (2009), ‘Be Italian’
  19. How I Met Your Mother (2010, sz 5, afl. 12), Nothing Suits Me Like a Suit
  20. Les misérables (2012), Master of the House
  21. Hail, Caesar! (2016) ‘No Dames’
  22. La La Land (2016), Another Day of Sun, Someone in the Crowd, A Lovely Night, Planetarium Scene, City of Stars
  23. Babylon Berlin (2017),  ‘Zu Asche, zu Staub***
  24. Halstone (2021) ‘Liza with a Z’ ****
  25. Michael (2026), ‘Thriller’***


Onmiddellijk daarna volgt het onvergetelijke ‘My Forgotten Man’, waarvan ik het eerste gedeelte helaas niet als dansnummer in mijn lijst kon smokkelen (hier); het tweede deel is meer choregrafisch (hier)

** Van All That Jazz zou ik alle dansnummers in mijn lijst willen opnemen, behalve dat pretentieuze erotische ballet Take Off With Us dat vanaf de derde of vierde keer kijken begint te vervelen. 

***  Zu Asche, zu Staub is misschien geen echt dansnummer, maar de hele scène, met inbegrip van de montage is choreografisch, zoals heel veel scènes in de serie.

**** Van de scène in Halstone heb ik geen clip gevonden. Daarom geef ik een link naar de oorspronkelijke versie van Liza zelf. Hetzelfde geldt voor de Thriller scène in Michael. In beide gevallen verkies ik de filmversie boven de oorspronkelijke versie.



Gewone danscènes in gewone films
     Het lijstje hierboven bevat danscènes die als een ‘optreden’ zijn opgevat.  Ze komen vooral voor in musicals. Maar soms wordt er in een film ook ‘gewoon’ gedanst. Ook van deze meer ‘naturalistische’ dansen heb ik een lijstje van gemaakt. (Nu stop ik met aanhalingstekens.)

  1. The Gold Rush (1925), ‘The Tramp and the Dog’
  2. Lolita (1962), Beatnik Dance
  3. Bande à part (1964), Anna Karina en co
  4. Zorba the Greek (1964), Learn Me How to Dance
  5. Oorlog en vrede (1965), Natasja en Andrej, (vanaf 5:27)
  6. Who’s Afraid of Virginia Woolf  (1966), A familiar dance
  7. Romeo and Juliet (1968), La moresca
  8. The Godfather (1972), Vader en dochter
  9. Fame (1980), Op straat (had ook in de lijst hierboven gekund)
  10. Heaven’s Gate (1980), Het studentenbal, Ella’s Walz
  11. Dirty Dancing (1987), The Time of My Life
  12. Scent of a Woman (1992), Tango
  13. Pulp Fiction (1994), Mia, Mia en Vincent
  14. The Matrix Reloaded (2003), Zion Fiesta
  15. Before Sunset (2004), Eindscène
  16. Apocalypto (2006), In stamverband (vanaf 2:14)
  17. Anna Karenina (2012), Anna en Vronski
  18. Baby Driver (2017), The Sidewalk
  19. Cold War (2018), L’éclipse
  20. Babylon (2022), Het feest

     Uiteraard komen sommige van die scènes pas tot hun recht in de context. Als ik er een moest uitkiezen om mee te nemen naar het onbewoonde eiland, dan neem ik nummer 19, de scène in café Léclipse uit Cold War (Zimna wojna): existentiële wanhoop op de muziek van Rock Around The Clock. (Ik ga nu nog snel even op de link klikken om het af te leren).