dinsdag 21 juni 2022

CD&V en de eindtermen: de hypocrisie voorbij


     Herman van Rompuy zei ooit iets ondeugends. Hij sprak over de ‘christelijke deugd van de hypocrisie’. ’t Was een uitspraak waar ik mee kon leven want ze was in meerdere betekenissen ‘waar’.  La Rochefoucauld wist al dat er een bijzondere relatie bestaat tussen ‘deugd’ en ‘hypocrisie’. 
‘L’hypocrisie est un hommage que le vice rend à la vertu,’ schreef hij in zijn MaximesZo is het maar net. Hypocrisie bestaat bij gratie van de deugd. ‘Heilig’ en ‘schijnheilig’ zijn geen antoniemen. Men dwaalt als men de hypocrisie van de Victorianen ontkent, maar men dwaalt evenzeer als men hun deugdzaamheid niet wil zien.
    Herman van Rompuy heeft nog meer gelijk als zijn woorden worden toegepast op de politiek. ‘Politiek is geen stiel voor blozende maagden,’ zei een ander bekend lid van de christendemocratische familie. Een schijnheilig gezicht opzetten, met dubbele tong spreken, een deloyaal manoeuvre uitvoeren, een gegeven woord breken, een coalitiepartner in verlegenheid brengen, alle politici doen het wel eens, sommigen uit noodzaak, anderen van nature, nog anderen – en dan denk ik weer aan de christendemocraten – uit respect voor de eigen rijke traditie. Het is niet netjes maar het hoort erbij. 
     Je zult mij dus niet horen klagen over de deloyale houding van CD&V inzake de stikstofkwestie. Eerst een akkoord – met tegenzin – goedkeuren en daarna zeggen dat ‘er geen akkoord is’, ’t is vervelend voor de Vlaamse regering en voor Jambon, maar die moet dat maar als een grote jongen oplossen. Het CD&V heeft nu eenmaal nogal wat boeren onder haar kiezers, en die liggen niet allemaal wakker van het leefmilieu. De partij mag zich gerust wat profileren en laten zien dat haar prioriteiten bij die boeren liggen en niet bij het leefmilieu. Je kan trouwens geen enkel compromis sluiten zonder wat hypocrisie in de ene of andere richting. Ofwel verdedig je een  compromis waarbij je toegevingen deed, ofwel kraak je het af. In beide gevallen ben je deloyaal, in het ene geval tegenover je eigen programma, in het andere geval tegenover je regeringspartner.
     Met de eindtermen voor het onderwijs is gedeeltelijk hetzelfde aan de hand. Sammy Mahdi van CD&V vindt in een twitterbericht hun vernietiging door het Grondwettelijk Hof een ‘goede zaak’*. Daarmee steunt hij de katholieke onderwijskoepel die de eindtermen niet wou aanvaarden – ook al heeft CD&V diezelfde eindtermen binnen de Vlaamse regering mee goedgekeurd. Ik begrijp Mahdi. De ministerpost van Onderwijs zit bij de politieke concurrentie en de katholieke onderwijskoepel behoort tot zijn eigen stal. Tot hier behoort het twitterbericht van Mahdi tot de ‘gewone’ politieke hypocrisie. Maar het gaat verder. Het initiatief en het concept van de eindtermen werden niet op gang gebracht door huidig N-VA-minister Ben Weyts, maar door vorige CD&V-minister Hilde Crevits. Dat maakt het al tot een heel andere zaak.
     En er is, zoals men zegt, meer. Mahdi formuleert zijn steun aan de katholieke onderwijskoepel als volgt: ‘Te veel regelneverij en overheidsbetutteling maakt het onderwijs kapot. Laat leerkrachten lesgeven en focus op kerntaken.’ Ik neem even de tijd om stilletjes te applaudisseren voor de uitspraak an sich, maar wil daarna toch vermelden dat die ‘regelneverij’ in de eerste plaats uitgaat van de katholieke onderwijskoepel zelf – althans in het katholiek onderwijs**.
     Ik had als leerkracht Nederlands af te rekenen met zowel de eindtermen van de overheid als met de leerplannen van de katholiek onderwijs. Die eindtermen stonden vol onzin. Had ik dat document als leidraad genomen, dan waren mijn lessen pijnlijk onbenullig geweest, en ondraaglijk saai, voor de leerlingen en voor mezelf. Ik heb geprobeerd om dat te vermijden door zoveel mogelijk de letter en zo weinig mogelijk de geest van die eindtermen te volgen. Maar de leerplannen van de katholieke koepel waren minstens even onzinnig en helaas veel dikker en gedetailleerder. Bovendien vertelden ze mij niet alleen wélke onzin ik in de klas aan de man moest brengen maar ook hóe ik dat moest doen. Ik zou uit die katholieke leerplannen kunnen citeren, maar mijn maag draait om als ik er nog maar aan denk om die teksten weer op te zoeken. Als ik het wat karikaturaal mag samenvatten: de belangrijkste vaardigheid die ik volgens die leerplannen aan mijn leerlingen moest bijbrengen was hoe ze een ‘portfolio’ voor het vak moesten samenstellen. 
     Verder werden de katholieke leerplannen ondersteund door periodiek verschijnende pedagogische richtlijnen, pedagogische studiedagen, pedagogische bijscholingen, pedagogische begeleiders, pedagogische directeurs, en ‘opdrachten voor de vakgroepen’. Als een doorlichtingsteam van de overheid een katholieke school bezocht, werd nagegaan of de katholieke leerplannen werden gevolgd. En die leerplannen bevatten – ik heb het ergste voor laatst gehouden – ook een reeks verbodsbepalingen. Ze gaven niet alleen aan wat onderwezen moest worden, maar ook wat niet onderwezen mocht worden, zoals systematische grammatica, woordenlijsten, literatuurgeschiedenis, en nog veel meer. In mijn herinnering gebrand is de ervaring van die lerares in het lager onderwijs die de begrippen ‘lijdend voorwerp’ en ‘meewerkend voorwerp’ had gebruikt en daarvoor werd berispt omdat ze het leerplan ‘overtrad’. Die verbodsbepalingen in de katholieke leerplannen waren een garantie. Als het om de kwaliteitsdaling van het onderwijs nam men liever geen risico’s.
      Ben Weyts, en Crevits vóór hem, wilden graag iets ondernemen tegen die kwaliteitsdaling. Ze grepen daarvoor naar het middel van de eindtermen. Ik vind dat verkeerd. Met veranderde eindtermen bereik je alleen dat er nieuwe handboeken worden gedrukt, dat er oneindig veel vergaderd wordt in vakgroepen en dat leraren hele vakanties en weekends bezig zijn met nieuw materiaal uit te werken. Je kunt met nieuwe eindtermen hoogstens ervoor zorgen dat er over ándere dingen les wordt gegeven. Maar je kunt niet bereiken dat er béter les wordt gegeven. Wat dáár voor nodig is, is eenvoudig: betere leraars en betere directeurs – maar hoe men die moet vinden weet ik niet. Ondertussen kan men de vele goede die er zijn het beste hun gang laten gaan zodat de onderwijskwaliteit ten minste in hún klassen of scholen op peil blijft.
     Akkoord dus, beste Sammy Mahdi, dat de regelneverij moet verminderen, maar dan in de eerste plaats die van de katholieke onderwijskoepel. Als je dáár iets over zegt, dan trek ik mijn beschuldiging van grensoverschrijdende hypocrisie weer in. Ik zal dan spijt hebben van het cliché in de titel van dit stuk. 

 

* Het is géén goede zaak. De beslissing van het Grondwettelijk Hof zal juridisch wel correct zijn en zelf  ben ik voorstander van de vrijheid van onderwijs. Het Hof móest die uitspraak doen. Maar de katholieke koepel móest geen procedure opstarten die het Grondwettelijk Hof tot die uitspraak verplichtte. De nieuwe eindtermen waren er nu toch. De vergaderingen waren achter de rug, de handboeken waren gedrukt, de scholen hadden zich voorbereid. Nu moet dat alles opnieuw gebeuren. (Over de vrijheid van onderwijs: zie mijn stukje zie  hier)

** Het Gemeenschapsonderwijs laat ik hier buiten beschouwing omdat ik het slecht ken.  

zondag 19 juni 2022

Fiets gestolen

      Ik heb vroeger al eens beschreven hoe moeilijk het mij valt om aan meer dan twee dingen tegelijk te denken*. Als ik een kopje koffie wil zetten, moet ik nadenken welke capsule ik neem – échte koffie ’s morgens, anders caféinevrij – daarna moet ik  het waterreservoir controleren, dan mijn kopje onder het kraantje van de automaat plaatsen, dan op de ‘on’-knop drukken en ten slotte , als dàt lichtje niet meer flikkert, op de knop die de gewenste hoeveelheid en sterkte aangeeft. Het kost mij heel wat geestelijke inspanning; toch doe ik het meestal foutloos. Maar als er complicatie optreedt, loopt het fout. Als ik bijvoorbeeld eerst het waterreservoir moet bijvullen, dan vergeet ik daarna de capsule te vervangen of de kop onder het kraantje te plaatsen. De gevolgen van zo’n vergetelheid zijn te overzien.
     Ook als ik boodschappen wil doen met de fiets, heb ik veel tegelijk aan mijn hoofd. Thuis heb ik die problemen onder controle, maar op het appartement in Oostende, waar mijn vouwfiets staat, is het ingewikkelder. Vaak sta ik voor de fiets en merk ik dat ik de fietstassen of de batterij boven vergeten ben. Goed – terug naar de zevende verdieping. Daarna kan het niet echt fout meer gaan. Ik plaats de batterij, haak de fietstassen vast, krijg de ketting los tussen de fiets en reling en wind die rond de zadelpen. Voor dat laatste moet ik eerst de sleutelbos uit mijn binnenzak halen waar ik hem vijf seconden daarvoor al te voortvarend in had gestopt.
     Die hele routine behelst het vertrek met de fiets. Bij aankomst is de volgorde van de handelingen lichtjes anders: fietstassen afhaken, batterij uithalen, ketting afwikkelen van de zadelpen, sleuteltje uit binnenzak opdiepen en ten slotte: fiets vastmaken met ketting aan reling. Dat laatste is belangrijk, want in Oostende, zegt mijn vrouw, steelt men als raven. Als je het één keer vergeet, is de fiets weg, je ziet hem nooit meer terug. Een arme werkloze neemt hem mee want zonder fiets kan hij geen baan krijgen als plakker van posters of zoiets.
     En vorige week ben ik het dus één keer vergeten, blijkbaar, dat vastmaken met de ketting aan de reling. Misschien was ik afgeleid door een probleem met de fietstassen of met de batterij, of met de sleutelbos, dat weet ik niet meer. Maar treurig is het zeker. Nu heb ik een batterij en twee sleuteltjes waar ik niets mee kan beginnen terwijl die voor een zekere plakker van posters erg handig kunnen zijn. Hij kan zich bij mij melden via de sociale media.De fietstassen hou ik, want die kan ik nog gebruiken.

 

Zie hier.

donderdag 2 juni 2022

Haute couture film


   Door de week kijk ik op Netflix zoals iedereen naar films over zombies, superhelden en spionnen, of over verliefde maar kibbelende stelletjes. Af en toe echter laat een behoefte aan het Hogere zich voelen. Een kleine aanleiding kan voldoende zijn. Zo zag ik onlangs Rifkin’s Festival van Woody Allen. Allen vertelt daarin over een ‘filmkenner’ die zijn meisje meeneemt naar drie ‘films met ondertitels’: L’année dernière à Marienbad, Il deserto roso en Le genou de Claire. Na die drie films, vertelt Allen verder, beslist het meisje om de filmkenner te laten zitten en het met zijn broer aan te leggen. 
     Nu ken ik de drie genoemde films al mijn hele leven, maar had er geen enkele van gezien. Dat kon zo niet blijven duren. Er moest worden aangepakt. Op Youtube vond ik alvast de eerste van het rijtje.
     Dat Marienbad, een film van Alain Resnais uit 1961, zou tegenvallen, wist ik al vanaf de eerste beelden. De camera beweegt langs de muren van een barok kasteel dat tot hotel is omgebouwd. Nu heb ik zo al de pest aan barok interieurs, en als ze in zwart-wit gefilmd of gefotografeerd zijn, wordt het er niet beter op. Bladgoud is erg, maar bladgoud in grijstinten is nog erger. En daar kwam nog een onaangename muzikale begeleiding bij –  van een orgel! Gedurende de hele film hoor je niets dan een orgel! 
     Een van de redenen dat ik naar de film uitkeek, was dat Delphine Seyrig erin meespeelt. En jawel, Delphine was de moeite waard om naar te kijken, af en toe acterend zoals in een stomme film, gekleed in mooie pakjes, met een opvallend kapsel en een ‘intrigerende uitstraling’.  Zo’n ‘intrigerende uitstraling’ oproepen was trouwens overduidelijk het oogmerk van de hele film: beelden van lege gangen, lege kamers, lege parken en af en toe een shot van een standbeeld. Als er mensen in de gangen, kamers of parken voorkwamen, stonden ze stil of liepen ze rond zoals een standbeeld zou doen als het kon rondlopen.
     Het geheel riep het beeld op van een Sartriaanse hel, waar de bewoners niet gekweld worden door scherpe nijptangen, kokend lood of bijtend zuur, maar door een sombere, tomeloze verveling. Zelfs pijn of zielensmart, die wat afwisseling zou kunnen brengen, is hun ontzegd. Voor de kijker is het dan moeilijk om zelf aan die tomeloze verveling te ontsnappen. Pauline Kael beschreef Marienbad als een ‘no-fun party for no-fun people’.
     Over de film is indertijd veel te doen geweest. Hij werd geweigerd in Cannes omdat Resnais een manifest had ondertekend tegen de oorlog in Algerije. Hij werd in Venetië bekroond met de Gouden Leeuw. Allerlei mensen van wie je het niet zou verwachten gingen de film bekijken. Karel van het Reve vertelt ergens dat hij bij een bioscoopbezoek twijfelde tussen Marienbad en een cowboyfilm. ‘Had ik die laatste maar gekozen!’ verzucht hij. 
    Zijn verkeerde keuze moet Karel hoog hebben gezeten, want in een ander stuk komt hij er nog eens op terug. Hij betoogt dat er boeken zijn die we lezen, muziek die we beluisteren en toneelstukken en films die we bekijken uit een soort zelfopgelegde dwang, niet om er plezier aan te beleven. ‘Er zijn zelfs films,’ schrijft hij, die niemand met plezier ziet en die nochtans beroemd zijn, zoals L’année dernière à Marienbad.’
    Men begrijpt wat Karel bedoelt, ook al overdrijft hij een beetje. Ik bijvoorbeeld heb door het bekijken van Marienbad het plezier beleefd om de film achteraf te kunnen schrappen van mijn denkbeeldige filmkijktakenlijstje - ook zelfopgelegde dwang komt met een klein genotsmoment. En dan heb je nog de mensen van het vak. Die kijken geloof ik op een andere manier naar zulke films. Die willen er iets van leren en dat kan ook plezierig zijn. Als je Stanley Kubricks travelings ziet door de hotelgangen in The Shining of de droomlogica in Mulholland Drive van David Lynch*, dan vermoed je wel dat die regisseurs een deel van hun mosterd bij Marienbad hebben gehaald. 
`.   Maar die twee laatste films zie ik toch liever dan het model, een beetje zoals ik de prêt-à-porter mode ook beter kan smaken dan de buitenissige haute couture waaruit ze voortkomt.


* Er is een beroemd beeld in Marienbad waarin de schaduwen van de heesters anders vallen dan die van de mensen. Zoiets lijkt mij echt iets voor Lynch.

vrijdag 13 mei 2022

De trui van Beke


     Mijn vrouw kwam gisteren laat thuis. ‘De schuld van Wouter Beke,’ zei ze. 
    ‘Ah ja,’ zei ik, ‘dat ontslag. Ik heb wel een beetje medelijden met hem. Hij kon daar ook niets aan doen, aan dat kind dat dood is.’ Ik heb vaak medelijden met ministers die onder vuur liggen. Ik had het ook met Joke Schauvlieghe.
     ‘Medelijden!’ zei mijn vrouw. ‘Dat komt omdat je de persconferentie niet gezien hebt.’ Mijn vrouw weet dat ik niet naar Het Nieuws kijk als ze niet thuis is. ‘’t Was beschamend,’ zei ze. ‘Hij gaf een hele reeks cijfers om te laten zien goed zijn beleid was geweest. En dan excuseerde hij zich nog tegenover de mensen die liever wilden dat hij aanbleef. Maar excuses tegenover de ouders van het dode kind, ho maar. En dan die trui!’
     ‘Wat was er met die trui?’ vroeg ik.
     ‘Dat had je moeten zien. Hij drapeerde de trui om zijn dochter die voor hem stond. En dan slipte de mouw naar beneden, en dan moest hij die weer optrekken. Zo stuntelig. Je hebt zoiets van je leven nog niet gezien.Echt eng.’
     Ik probeerde te weten te komen wat Beke als reden had gegeven voor zijn ontslag, maar mijn vrouw kwam altijd terug op die trui. Ze demonstreerde hoe Beke die trui vasthield, hoe de mouw wegslipte, hoe hij die optrok. ‘Je had het moeten zien,’ herhaalde ze nog een paar keer. Ik kon er mij zoetjes aan iets bij voorstellen.
     En dan stak vandaag de krant in de bus, met op de eerste pagina een foto van Beke met zijn dochter en de trui. De trui had een opschrift! 
     Nu begreep ik het. 

donderdag 12 mei 2022

Jeroen Brouwers, Karel van het Reve en Elsschot

      Door Jeroen Brouwens is mijn leven een stuk lastiger dan het anders geweest zou zijn. Ergens heeft hij gezegd of geschreven dat een schrijver die meer dan twee keer het woord ‘maar’ gebruikt op één bladzijde bewijst dat hij zijn vak niet kent. Als ik een argumenterend stukje schrijf, heb ik vijftien keer ‘maar’ gebruikt voor ik het weet. Daar probeer ik er dan enkele van te schrappen. Een enkele keer kun je ‘echter’ of ‘evenwel’ of ‘daarentegen’ schrijven, maar in de meeste gevallen moet je hele zinnen herschrijven om de noodzaak van een voegwoord weg te nemen. ‘t Is een heel karwei*.
     In de talrijke officiële en officieuze necrologieën en necrologietjes die ik voorbij heb zien komen, wordt Brouwers geprezen voor zijn stilistische virtuositeit. Je moet een hond zijn om die virtuositeit te ontkennen. Ik geef meteen toe dat ik zijn romans niet ken want ik lees weinig en traag. Ik ben nu al weer drie weken in Illusions perdues bezig en ben amper halverwege. Maar Brouwers zijn polemische stukken in Vlaamse leeuwen heb ik toen ze uitkwamen zonder tegenzin gelezen, de stukken over Elsschot en Karel van het Reve zelfs twee keer, omdat het onderwerp mij interesseerde.
    Als polemist heeft Brouwers zowel goede als flauwe vondsten. Als hij Gerard Walschap aanvalt noemt hij hem ‘baron Sjeraar’ wat ik flauw vind, maar zijn typering van Ward Ruyslinck als ‘literaire luxe-coiffeur’ vind ik dan weer briljant. Je mag gelijk welke foto van Ruyslinck van het net halen: altijd staat hij erop als coiffeur. Vaak ook zijn de vondsten noch flauw, noch briljant. Over Johan Anthierens schrijft Brouwers dat hij ‘een stijl bezigt die nog het meest doet denken aan ballet, uitgevoerd door reumapatiënten’. Mja … Anthierens … ballet … reumapatiënten – ik zie het niet**.
     Ik heb ergens anders al iets geschreven over mijn voorkeur voor korte polemieken***. Die van Brouwers vind ik meestal te lang. Ik begrijp niet waar hij zich over opwindt. Hij heeft jarenlang als medewerker van Manteau boeken van Vlaamse auteurs gecorrigeerd op het Nederlands. Dat was een heel verdienstelijk werk. Wat ik dan niet begrijp is dat hij daar zo razend van werd. ‘Ik protesteerde niet tegen het feit dat ik dat moest doen, ik protesteerde tegen het feit dat het moest gedaan worden, dat zó literatuur tot stand komt.’
     Zelf zie ik dat bezwaar niet. Een Vlaamse auteur schrijft een – hopelijk – mooi boek, en gebruikt daarbij helaas, zonder dat hij dat zelf weet, allerlei woorden die wel in Vlaanderen maar niet in Nederland gebruikt worden. Hij schrijft zinnen als ‘Hij noemt François maar ze heten hem Sus’. Dan is het een prachtige regeling dat een eindredacteur die tekst leest en ‘noemen’ door ‘heten’ en ‘heten’ door ‘noemen’ vervangt. De zin verandert daardoor niet fundamenteel van esthetisch gehalte, maar juist is juist. Regionalisme in uitspraak en woordkeus krijgt iets ‘lelijks’ als je een keer weet dat het om een fout gaat, ook al is het alleen een fout tegen conventies****. Als ik een spatie zie voor een kommapunt of een vraagteken, vind ik dat nu ook lelijk. De Fransen vinden het, geloof ik, mooi.
    Wat had Brouwers toch tegen die regeling? Dat de correctie in het geniep gebeurde, ja, dat stoot tegen de borst. Maar verder kan een auteur toch een uitstekend boek schrijven, met rake observaties, pittige dialogen, meeslepende scènes, beeldende beschrijvingen en originele vergelijkingen terwijl hij er met de beste wil van de wereld niet in slaagt de ABN-Gids van Paardekooper of Hoe zeg en schrijf ik het van Heidbuchel uit het hoofd te leren. Sinds Adam Smith kennen we het ‘absoluut voordeel’ van de arbeidsdeling. Waarom zou dat niet gelden in de literatuur? De schrijver schrijft en de redacteur redigeert. Overigens vind ik wel dat een begaafd auteur als Brouwers, die zelf best observaties, dialogen, scènes, beschrijvingen en vergelijkingen kon neerschrijven gerust mocht protesteren dat hij zich bezig moest houden met een werkje als het schrappen van honderden Vlaamse woorden in een boek, zonder dat dat veel bijdroeg aan of afdeed van de literaire kwaliteit. Als hij tegelijk ook de stijl moest verbeteren, is het weer een andere zaak.
     Ik schreef hierboven al dat ik Brouwers zijn stukken over Elsschot en Karel van het Reve twee keer gelezen had. Ik heb het zonet opnieuw gedaan. Vooral het stuk over Karel van het Reve lees ik graag. Ik ben het ongeveer met niets eens van wat Brouwers schrijft, maar het leuke is dat in deze polemiek de stijl van Karel voortdurend gepasticheerd wordt. Dat levert mooie zinnen en alinea’s op. ‘De psalmist’, schrijft Brouwers, ‘formuleert niet als Karel van het Reve, anders zou hij hebben geschreven: “Een van de dingen die de hemelen toen vertelden en die ze nog steeds vertellen, een vertelling die toen in hen opkwam en waarover ze nog steeds niet uitverteld zijn” … ’t Is bedoeld om Karel belachelijk te maken, maar ik vind het mooi.
    Brouwers valt over de thesis van Karel dat je niet te veel synoniemen moet gebruiken, niet te veel mag 
variëren. Tja. Karel overdrijft graag, maar sinds Fowler’s The Kings English weten we dat er zowel een probleem is met ‘awkward repetition’ als ‘awkward variation’. Sinds Pinkers Elements of Style weten we zelfs waaróm ‘variation’ een gevaarlijk stilistisch instrument is, dat met de nodige omzichtigheid moet worden gebruikt. Ik zie Karels opmerking als een aanzet om over die vragen na te denken, maar Brouwers denkt dat hij de discussie kan beslechten door talrijke voorbeelden aan te halen waarin Elsschot succesvol de ‘elegant variation’ toepast. Hetzelfde geldt voor Karels opmerking dat vergelijkingen niet als eerste doel hebben om te verduidelijken. Bouwers besluit daaruit dat Karel vergelijkingen ‘idioot’ vindt en citeert alweer tientallen voorbeelden van goede vergelijkingen bij Elsschot. Zo’n opsomming is naast de kwestie.
    Als ervaren stilist zou Brouwers moeten weten dat er voor het schrijven eigenlijk weinig regels bestaan – ook niet die dat je het stopwoord ‘eigenlijk’ moet vermijden. Brouwers hekelt Karels gewoonte om in zijn Geschiedenis van de Russische letterkunde bladzijden lang over ‘hij’ te spreken zonder te verduidelijken over wie het gaat: de auteur, zijn vader, zijn grootvader, zijn broer, zijn uitgever, zijn liefdesrivaal ... Ik zie dat anders. Er is niemand die vaker in zijn lectuur blijft haperen omdat hij niet weet wie of wat ‘hij’, ‘zij’, ‘het’ of ‘er’ is. Het straffe voor mij is dan dat Karel bladzijden lang ‘hij’ kan schrijven zónder dat ik blijf haperen.
     Brouwers was overigens geen liefhebber van Elsschot. “De Vlaamse literatuur,” schrijft Brouwers, “heeft grotere schrijvers voortgebracht dan de brave Willem Elsschot.” Ikzelf ken die grotere schrijvers niet, ik vind niet dat Elsschot ‘braaf’ is, en ik zie niet goed wat ‘braafheid’ met literaire kwaliteit te maken heeft. Maar smaken verschillen. Even goede vrienden. Dat Elsschot af en toe uit onkunde gallicismen gebruikte, zal ik niet in twijfel trekken. Brouwers merkt op dat sacoche in hoofdstuk X van Tsjip eigenlijk handtas moet zijn, dat sacoche een Frans woord is, en dat men het woord ‘in de Statenbijbel vergeefs zal zoeken.’ Die verwijzing naar de Statenbijbel is een sneer aan het adres van Karel van het Reve die Elsschots taal met die van de Statenbijbel vergeleken had, maar zelf dacht ik meteen dat het woord handtas misschien evenmin in die bijbel staat. Wat verder schrijft Brouwers: ‘Zo ook heeft hij [Elsschot] het over een tailleur, in de betekenis die men in de Statenbijbel zou zien vernederlandst tot mantelpakje.’ Ik ben, net als Karel van het Reve nogal ‘lui’ aangelegd – het ultieme verwijt van Brouwers aan Karels adres , en zal het dus niet opzoeken, maar zou de Statenbijbel echt het woord ‘mantelpakje’ bevatten?*****
     Boven alles zit ik met volgende alinea in mijn maag. Brouwers schrijft: “Geloof mij, het doet mij pijn, zo te zitten vitten op het taalgebruik van Elsschot, wiens meesterwerken ook ik bewonder (zij het dat ik niet van mening ben dat àl Elsschots werken meesterwerken zouden zijn, integendeel: het merendeel van Elsschots oeuvre is middelmatig).” Ik weet niet hoe dat bij u, lezer, overkomt, maar die tussenzin “wiens meesterwerken ook ik bewonder” klinkt in mijn oren als een valse noot. Je hoort de dame protesteren, met schrille stem.

     

* In dit stukje heb ik de achttien maars laten staan. Als illustratie zeg maar.

** Een reactie van Facebookvriend Pieter Laleman doet mij twijfelen. Hij schrijft: . ‘De zenuwachtige bewegingen van Anthierens, de soms lijzige stem die plots onderbroken werd door een staccatolachje of een zenuwachtige trek aan de sigaret; lijzig en soms vals traag als een kunstschaatster seconden voor een pirouette , met stemgeluid dat kraste als ijzer op ijs. De wat krampachtig aandoende zithouding met het ene been over het andere geslagen, en dan toch een helder geformuleerde kaarsrechte verbale lijn: ja, dat reumaballet zag ik plots helemaal.’

*** Zie hier.

*** Ik ben het volkomen eens met Brouwers zijn pleidooi voor correct Nederlands – zoals in Een kluchtige samenspraak die begint met de zin ‘Meneer, de broek die u daar aan heeft, past u niet.’ Hij schrijft ook ‘Van de broek die u aan heeft, is met weinig moeite een nette, een behoorlijke broek te maken, zelfs een mooie broek, zelfs een chique broek.’ Dat ‘weinig moeite’ vind ik overdreven. 

**** Ik stoor mij hier aan de formulering, niet aan de gedachte zelf. De redacteurs van de Statenbijbel waren inderdaad succesvol in het weren van gallicismen.

dinsdag 10 mei 2022

Poetins dekentje


      Op de 9-meiparade liet Poetin zich fotograferen met een dekentje over zijn benen om zich tegen de kou te beschermen. Een aantal bejaarde generaals die naast hem zaten hadden van zo’n dekentje afgezien. Je denkt meteen aan de mantel die over de schouders van Franklin D. Roosevelt hing in Yalta. Of aan de zware overjas die Gorbatsjov droeg in Reykjavik, anders dan Reagan die alleen een colbertje aan had. Roosevelt en Gorbatsjov zagen er bij die gelegenheden wat zwakjes uit. Was dat de indruk die Poetin wou geven, hij, die zich anders graag laat fotograferen terwijl hij met ontblote borst op een paard zit? Ik dacht meteen aan Charles De Gaulle die zich in 1958 klaarmaakte om, na twaalf jaar in ‘de politieke wildernis’, weer aan de macht te komen. Als hij bezoekers had deed hij alsof hij ziek was, verscheen in kamerjas, en kuchte voortdurend. Zodra zijn bezoeker weg was, veerde hij recht en begon weer energiek zijn politieke ‘comeback’ voor te bereiden.
     De wat slappe verschijning van Poetin was min of meer in eenklank met zijn ‘gematigde’ Calimero toespraak over het stoute westen dat hem tot oorlog gedwongen had? Wou Poetin dan sympathie en medelijden opwekken? Bij mij is dat in elk geval een héél, héél klein beetje gelukt. Ik weet namelijk wat het betekent om kouwe benen te hebben. Ik heb jarenlang op voetbaltribunes gezeten om vanaf de zijlijn mijn zoon op het veld aan te moedigen. Wat heb ik toen in de herfst, winter en vroege lente kou geleden! Nochtans zaten naast mij tachtigjarigen die geen krimp gaven. Zelf beschermde ik mijn romp met een flanelletje, een overhemd, twee truien, een jas en een overjas. Maar mijn benen! Als ik rechtstond was het al erg, maar als ik zat was het nog veel erger, omdat de broek dan nauw aansluit op de huid en het isolerende luchtlaagje afwezig was. Ik heb enige tijd geprobeerd het ongemak te verhelpen door een lange onderbroek aan te doen, maar dat maakte nauwelijks verschil. Uiteindelijk heb ik een goede oplossing gevonden. Ik trok boven mijn broek een waterdichte regenbroek aan. Dat hielp. 
     Over de ‘gematigde’ toespraak van Poetin nog dit. De autocraat beweerde dat Oekraïne op het punt stond om Rusland aan te vallen, met hulp van het westen. Dat is een buitennissige uitspraak die het op de Russische staatszender misschien goed doet, maar ergens anders op ongeloof wordt onthaald. Misschien bedoelde hij wel dat Oekraïne plannen had om de Krim terug te veroveren. Ook dat is niet erg geloofwaardig, en het is in elk geval ver verwijderd van de ‘existentiële’ bedreiging, waar hij enige tijd geleden over sprak, een bedreiging die dus het voortbestaan zelf van zijn land in gevaar bracht.
     Laat ik echter niet moeilijk doen, de toespraak was, naar Poetins doen, inderdaad gematigd. Nu kun je de vraag stellen of het westen dat gematigd discours niet moet beantwoorden met een even gematigde versie. ’t Is in elk geval wat Peter Mijlemans voorstelt in Het Nieuwsblad. ‘Pas als de oorlogstaal stokt, kan er echt gepraat worden.’ Ik kan dat billijken. In een conflict waar het niet de bedoeling is om Moskou in te nemen – Napoleon heeft daar slechte ervaringen mee gehad – moet er vroeg of laat onderhandeld worden, en dan kan het goed zijn om, met het oog op het psychologische steekspel dat daarbij hoort, de ene keer ferme taal te spreken en de andere keer verzoenende woorden in de mond te nemen. De verzoenende taal biedt dan ten minste de schijn van een eerbare oplossing voor beide partijen.
     Ik weet niet of Mijlemans een uitgebreide strategische en diplomatieke achtergrond heeft. Ik heb die in elk geval niet. Ik weet dus niet wannéér het tijd is voor ferme, en wannéér voor verzoenende taal. Maar het principe van afwisseling lijkt mij gezond. Varietas delectat. Alleen, net zoals je je door je eigen oorlogstaal niet mag laten meeslepen, mag je evenmin de dupe worden van je verzoenende taal. Als Poetin wil dat het westen haar wapenleveringen vermindert, zal zijn gematigde taal niet volstaan, maar zal hij troepen moeten terugtrekken. ‘Speak softly and carry a big stick,’ zei Theodore Roosevelt. Wij zijn ondertussen helaas in het stadium dat van beide kanten met de stokken geslágen wordt. Zolang Poetin met zijn stok blijft slaan, zal het westen dat vermoedelijk ook blijven doen met de hare. Alle gematigde taal en Poetins dekentje ten spijt. 

maandag 9 mei 2022

Poetin: rationeel of madman?

 


      Vandaag lees ik in Het Nieuwsblad een stuk over Abbas Gallyamov, een ex-speechschrijver van Poetin. De man voorspelt dat Poetin vandaag een nucleair ultimatum zal stellen. Ik ben benieuwd of die voorspelling zal uitkomen.
    Ik hou wel van die ex-speechschrijvers. Ik heb indertijd veel geleerd van de memoires van Peggy Noonan, een ex-speechschrijfster van Ronald Reagan. Ik haalde haar altijd aan in de klas, als ik over ‘de redevoering’ sprak. Noonan had de gewoonte om tijdens het schrijven van een speech – een karwei dat weken kan duren – urenlang jambische verzen te lezen. Dat leek mij erg slim. Een goede, moderne redevoering moet een jambisch karakter hebben. Vergelijk maar eens bij Shakespeare de redevoering van Brutus, naar het klassieke voorbeeld van Cicero, met de moderne aanpak van Marcus Antonius, die van de hak op de tak springt, maar alles mooi aan elkaar lijmt door het meeslepend metrum.
     Toch overheerste een gevoel van spijt toen ik het stuk in Het Nieuwsblad las. Het stelt de vraag in hoeverre we Poetins dreigementen als een madman strategy moeten bekijken. Ik had daar gisteren nog van alles over opgezocht om daar een stukje over te schrijven en nu is de auteur van Het Nieuwsblad, Peter Mijlemans nota bene, mij voor. Hij legt correct uit hoe Nixon tijdens de Vietnamese oorlog met opzet de indruk gaf van irrationeel en impulsief te reageren, zodat de communistische vijand zich verzoenend zou opstellen om een nucleair conflict te vermijden. Nixon verklaarde aan zijn stafchef Haldeman: ‘I call it the Madman Theory, Bob. I want the North Vietnamese to believe I've reached the point where I might do anything to stop the war. We'll just slip the word to them that, "for God's sake, you know Nixon is obsessed about communism. We can't restrain him when he's angry—and he has his hand on the nuclear button" and Ho Chi Minh himself will be in Paris in two days begging for peace.’
    Anti-Amerikaans links schreef toen gretig dat Nixon de wereld ‘op de rand van een kernoorlog’ bracht, en het was precies die indruk die de president wilden wekken. In werkelijkheid dácht hij er niet aan om een nucleaire escalatie op gang te brengen waar hij zelf het slachtoffer van kon worden. Tussen twee haakjes: Mao kon er ook iets van. Die liet herhaaldelijk optekenen dat hij niet bang was van een kernoorlog. Er waren toch – in die tijd – 600 miljoen Chinezen. Als er daarvan 300 miljoen omkwamen bleven er nog 300 miljoen over om zegevierend het socialisme op te bouwen.
     Er is aan die historische parallel één nadeel.  Terwijl we van Nixon ongeveer weten wat zich indertijd in zijn hoofd afspeelde, weten we dat niet van Poetin nu. Zijn extravagante praatjes over ‘Oekraïne bevrijden van de neonazi’s’ en zijn bespottelijk lange onderhandelingstafel lijken inderdaad die van een madman? Maar is die indruk juist? Is Poetin gek, of speelt hij voor gek, zoals Hamlet doet in dat toneelstuk en zoals Macchiavelli als wijs beleid aanprijst in de Discorsi? Er is een groot verschil tussen een kernoorlog beginnen – wat irrationeel en waanzinnig zou zijn – en een kernoorlog in het vooruitzicht te stellen – wat weliswaar gevaarlijk, maar helemaal niet waanzinnig of irrationeel hoeft te zijn.
     Professor Goddeeris, die anders wel ‘begrip’ wil opbrengen voor het Russische standpunt, heeft Poetin al verschillende keren ‘irrationeel’ genoemd. In De Standaard van 3 maart schreef hij: ‘Moskou is onverwachte dingen aan het doen … Poetin waagt zich aan een oorlog die hij niet kan winnen. Bij zoveel irrationaliteit moeten we escalatie vermijden.’
     Nou ja, onverwachte dingen… Goddeeris had de brutale agressie niet voorspeld, dat geef ik toe, maar gewezen schaakkampioen en politiek opposant Gari Kasparov voorspelde zo’n evolutie al in 2015 in zijn boek Winter is Coming. Ook is niet duidelijk waarom Poetin de oorlog niet kan – of kon – winnen. Door de westerse militaire steun aan Oekraïne is dat nù misschien zo, maar juist die substantiële westerse steun kwam nogal ‘onverwacht’. Van Amerika weet je nooit op voorhand welke reflex zal overheersen: de imperiale of de isolationistische. En wat kon Poetin van het slappe Europa verwachten? Veel geblaat en weinig wol? Ook Goddeeris had verwacht dat de ‘progressieve krachten’ – sociaaldemocraten en groenen – zich tegen wapenleveringen zouden verzetten en ze dus onmogelijk zouden maken.
     Wat Europa betreft heeft Poetin zich misrekend. Hij heeft zowel het humanitarisme als de folie des grandeurs van de Europese leiders onderschat. Dat humanitarisme, zul je zeggen, is faciel en hypocriet en die folie des grandeurs belachelijk en stuitend. ’t Is waar. Maar ondertussen doen de Oekraïense strijdkrachten er hun voordeel mee en moet Poetin op zoek naar een oplossing. Misschien kan hij zich spiegelen aan Nixon’s ‘peace with honor’, wat geloof ik, uiteindelijk op een algehele terugtrekking van zijn troepen neerkwam. ’t Is een te volgen voorbeeld.

zaterdag 7 mei 2022

Professor Goddeeris over Poetin


    
 Deze week kreeg ik weer een portie professor Goddeeris op mijn bord. Op 2 mei zat hij in het panel van ‘De Afspraak’ en op 4 mei stond een interviewtje met hem in Het Nieuwsblad. Goddeeris is, naar eigen zeggen, geen ‘Poetinsupporter’, maar wel iemand die ‘begrip’ vraagt voor het Russische standpunt. Verder wil hij dat het westen in de Oekraïense kwestie stopt met de confrontatie op te zoeken, kiest voor dialoog en onderhandeling, bemiddelend optreedt en alle wapenleveringen stopzet.
     De argumentatie van Goddeeris vind ik weinig overtuigend, en zijn woordkeuze is ongelukkig. Ik wil best een poging doen om de motieven van Poetin te ‘begrijpen’, ook als die worden toegelicht door iemand als Goddeeris, maar daarom moet ik voor die motieven nog geen ‘begrip opbrengen’. Goddeeris beweert dat de Russische inval in Oekraïne ‘niet zonder aanleiding’ gebeurde. De aanleiding was, nog altijd volgens Goddeeris, dat Oekraïne lid wilde worden van de Navo. Goed, dan is dat de aanleiding. Maar is het ook een goede aanleiding? Zelf zag ik tot voor kort geen reden waarom Oekraïne bij de Navo moest komen, maar sinds Poetins aanval zie ik de reden maar al te goed. Een buurland van Rusland dat geen lid is van een internationale alliantie, is voor Poetin loslopend wild, en al zeker als het in het verleden ooit tot Rusland of tot de Sovjet-Unie behoorde.
    Goddeeris pleit voor een ‘bemiddelende rol’ van het westen. Maar dat voorstel past slecht bij zijn eigen analyse. Volgens Goddeeris zoekt Zelenski naar een compromis door voor zijn land een neutraal statuut te overwegen, terwijl het westen, bij monde van Boris Johnson het extreme standpunt inneemt ‘dat Rusland uit Oekraïne moet verdwijnen’. Je duizelt bij zoveel absurditeit. Ten eerste zijn de aangehaalde standpunten – neutraal statuut, Rusland weg uit Oekraïne – niet tegenstrijdig. Ten tweede is het standpunt van Johnson helemaal niet extreem – wil Goddeeris dan dat Rusland blijft?* –, en ten derde ziet iedereen dat het Zelenski is die het westen aanvuurt en niet het westen Zelenski. Straks gaat Goddeeris nog beweren dat het westen zijn wapenleveringen aan Zelenski ‘opdringt’. Ten slotte, als Goddeeris toch gelijk heeft – dat Zelenski de gematigde partij, en het Westen de extreme partij is – dan is het Zelenski die bemiddelend zal moeten optreden.
     Goddeeris wordt geprezen door een aantal gelijkgezinden om de intellectuele moed waarmee hij zijn standpunt verdedigt. Maar er zijn verschillende soorten van intellectuele moed. Een soort bestaat erin om iets anders te zeggen dan wat de meerderheid zegt. Die eigenschap heeft Goddeeris inderdaad. Een andere soort bestaat erin om niet te veel om de hete brei heen te draaien en te zeggen waar het op staat. Daar is hij veel minder sterk in. In ‘De Afspraak’ kwam het tot een discussie met professor De Grauwe die hem verweet de appeasement politiek van de jaren 30 tegenover Hitler te imiteren. Door de dialoog met Hitler na te streven heeft men indertijd zijn oorlogsplannen aangewakkerd, en dat zou nu met Poetin ook gebeuren, aldus De Grauwe. Goddeeris antwoordde met een verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog en het boek van Christopher Clark dat liet zien dat men toen door gebrek aan dialoog als slaapwandelaars de oorlog tegemoet liep.
   Wat biedt de beste historische parallel om de Oekraïnse toestand te benaderen: de Eerste of de Tweede Wereldoorlog? Is de roep om dialoog een uiting van diplomatiek evenwichtstreven, of is het angst om een gevaarlijke en onberekenbare pestkop iets in de weg te leggen? Op zeker ogenblik in het debat verliet Goddeeris, nogal inconsequent, de parallel van de Eerste en ging over naar de Tweede Wereldoorlog. Hij verwees naar de beroemde vraag van eind de jaren dertig: Mourir pour Dantzig?** Was het de moeite om een wereldoorlog te riskeren alleen om Dantzig/Gdansk bij Polen te houden en uit de klauwen van Hiter? ‘Vandaag,’ zei Goddeeris, ‘kunnen we de vraag stellen: Mourir pour Kiev?’
     Inderdaad, ’t is een belangrijke vraag, en het antwoord ligt ook voor mij niet voor de hand, vooral gezien de nucleaire dreiging die er nu bij is gekomen***. Maar ’t is beter de zaken duidelijk te stellen in plaats van praatjes te verkopen over ‘begrip voor de Russische positie’, de ‘aanleiding voor de inval’ en het ‘gestook van het westen’. Dat geldt ook voor de wollige taal over ‘dialoog in plaats van wapenleveringen’, ‘geweldloosheid en overleg’ en ‘beëindigen van de polarisatie’. Ik wil de moed van de Oekraïners niet onderschatten, maar zonder de Westerse militaire hulp wacht hen een spoedige nederlaag. Het zal mij benieuwen of Poetin na een Oekraïnse nederlaag nog veel interesse zal hebben voor ‘dialoog’ en ‘overleg’. Waarom wil Goddeeris die waarheid niet onder ogen zien? En als hij pleit voor ‘onderhandelen’ en ‘toegeven’, bedoelt hij dan iets anders dan een volledig capitulatie voor de Russische eisen: permanente seccessie van de Krim, van de volledig Donbas, van de veroverde gebieden, en een neutraal statuut dat de deur openlaat voor nieuwe ‘speciale operaties’?
     Vergeleken met het gebabbel, gedraai en geklets van Goddeeris is het rechtlijnige discours van Mark Elchardus een verademing. Hij stelt ongeveer hetzelfde voor, maar zonder vergoelijking en zonder mooie woorden. West-Europa moet zich uit het conflict terugtrekken en moet Poetin zijn zin geven, wat Elchardus als volgt samenvat: Donetsk en Luhansk worden onafhankelijk, de Krim blijft Russisch, en Oekraïne wordt lid noch van de Navo, noch van de EU. Elchardus probeert die keuze niet mooier voor te stellen dan ze is: ze is, zegt hij, ‘vreselijk’.
     Ik ben het niet eens met het anti-Amerikanisme van Elchardus, met zijn scherpe tegenstelling tussen ‘ethiek’ en ‘koele berekening’**** en met zijn beginsel om in de internationale politiek helemaal geen onderscheid te maken tussen iberaal-democratische en dictatoriale regimes. Maar ik hou van zijn duidelijkheid. 
     Ik hoop trouwens net als Goddeeris en Elchardus op een onderhandelde oplossing. Mijn dagen van ‘hasta la victoria siempre’ liggen ver achter mij.  Een onvoorwaardelijke capitulatie – het unconditional surrender van Ulysses S. Grant en van Franklin D. Roosevelt – is niet aangewezen. Oekraïne en de Nato moeten Rusland niet binnentrekken, Moskou niet veroveren, Poetin niet arresteren en ophangen, het Russische leger niet ontbinden, het land niet jarenlang bezetten, en de geleden schade niet laten vergoeden. Het beste zou zijn dat Poetin tijdens bilaterale of multilaterale onderhandelingen, zoals in een Shakesperiaanse komedie, tot inkeer komt, zijn troepen uit Oekraïne terugrekt en de integriteit en soevereiniteit van het land erkent. Als dat niet kan, is voor mij een compromis ook goed. Maar het mag voor de Oekraïeners iets meer zijn dan wat Elchardus luidop en Goddeeris stilletjes aanvaarden. En door de westerse wapenleveringen is de kans daarop niet helemaal uitgesloten.

 

* Goddeeris interpreteert die eis als zou Boris Johnson ook willen dat Rusland zich uit de Krim wegtrekt. Dàt heeft Johnson in elk geval niet gezegd.

** Titel van een editoriaal van Marcel Déat van 4 mei 1939. Het antwoord van de auteur op zijn eigen vraag was dat de Fransen niet moesten sterven voor Gdansk, ook al was Hitler een geweldenaar. Déat is een treffend voorbeeld van iemand die door een mengeling van pacifisme én realisme tot capitulatie en later tot collaboratie komt. Het is opmerkelijk dat Goddeeris die vraag overneemt. Wie een Chamberlain-politiek verweten wordt, verdedigt zich meestal door de parallel te ontkennen. Hier is het of Goddeeris Chamberlain (en in casu Déat) gelijk geeft.

*** Goddeeris spreekt impliciet over de nucleaire dreiging als hij het heeft over de ‘irrationaliteit van Poetin’ die zich ‘aan een oorlog gewaagd heeft die hij niet kan winnen.’ Maar Poetin had die oorlog wél kunnen winnen als het westen niet gereageerd had met militaire steun. Gokken, wat Poetin gedaan heeft, is niet hetzelfde als irrationeel handelen. Of zijn herhaalde dreigingen met nucleaire escalatie een staaltje zijn van irrationeel gedrag dan wel van berekende intimidatie, wie zal het zeggen? Het is waar, Hitlers militair-strategisch gokspel eindigde na een hele reeks nederlagen in een romantische droom van een allesvernietigende Götterdämmerung. Poetin is, net als Hitler, een gokker. Maar is hij ook een romanticus?

**** Ethiek kun je in buitenlandpolitiek niet uitschakelen, net zomin als je er het leidende principe van kunt maken. Het onderscheid tussen een pragmatische en een ethische politiek heeft overigens, wat de doelstellingen betreft, vaak te maken met het onderscheid tussen de korte en de lange termijn.

vrijdag 6 mei 2022

Professor Goddeeris en het bloedbad van Katyn

 



     Professor Idesbald Goddeeris, een van de weinige  Vlaamse experts die in zijn stukken meer begrip vraagt voor Poetin, maakte bij het begin van de oorlog een valse start toen hij in De Standaard  terloops sprak over het ‘Duitse bloedbad in Katyn’, een fout die de dag erna in de krant werd rechtgezet. In de bossen van Katyn werden in 1940 vele duizenden Poolse officieren doodgeschoten en begraven, maar dat gebeurde niet door de Duitsers, maar door de Russen. Dat was een vervelende fout voor een historicus.
     Katyn is natuurlijk lang een controversiële materie geweest, en al zeker ten huize Clerick in de jaren 70 van vorige eeuw. Mijn vader haalde Katyn vaak aan om de moordlust van de communisten te illustreren. Niets van aan, antwoordde ik, het waren de nazi’s die het bloedbad hadden aangericht. En dan ging het minutenlang over de juiste datering van de executies, de grenslijn tussen Duitse en Russische zones, de herovering van Smolensk, het effect van de vrieskou op de staat van de lijken, de rapporten van het Rode Kruis, de koehandel tussen Churchill, Roosevelt en Stalin, de Poolse regeringsleider Sikorski die omkwam in een mysterieus vliegtuigongeval, het proces van Neurenberg, enzovoort. We kwamen er niet uit en het geluidsvolume, altijd al hoog aan onze keukentafel, moest weldra het gebrek aan nieuwe argumenten goedmaken.
     Ook elders was de materie controversieel. Ik herinner mij een ‘vorming’ van Ludo Martens die ergens een spitsvondige uitleg over Katyn gevonden had bij de Pools-Franse gauchist K.S. Karol: ’t waren de Duitsers geweest maar Martens en Karol konden precies verklaren hoe de ‘verkeerde’ versie van de feiten was ontstaan. Ik stak voorzichtig mijn hand op en zei iets over de datering, de grenslijn, de vrieskou en het Rode Kruis, in de hoop die argumenten definitief weerlegd te zien. Martens antwoordde echter laconiek: ‘Als je liever de propaganda van Goebbels gelooft, kan ik daar ook niets aan doen.’ Ik vond dat zwak van onze voorzitter.
     Dat was allemaal in de jaren 70 of 80 van vorige eeuw. Sinds 1990 is de mist opgetrokken. De Russen zelf, van Gorbatsjov tot Poetin, geven nu toe dat de moorden gebeurden op bevel van Stalin en zijn trawanten. Er zijn een aantal films aan de kwestie gewijd – zoals Katyn van Andrzej Wajda (2007), en Inspeckja (2017), die vooral de interne machinaties van de NKVD nader bekijkt. Stalin wou met liquidatie van de officieren de Poolse elite elimineren als mogelijke bron van verzet. Die officieren waren trouwens allemaal militaristen, reactionairen, primaire anticommunisten en contrarevolutionairen. Je vraagt je af waarom Ludo Martens hun terechtstelling eigenlijk niet toejuichte. 
     In elk geval: de Russische verantwoordelijkheid staat vast. Ik ben er zo goed als zeker van dat professor Goddeeris als Polen-specialist dat ook weet. Zijn fout moet een lapsus geweest zijn. Als ik een stuk over Katyn schrijf moet ik er ook voor oppassen dat de adjectieven ‘Duits’, ‘Russisch’ en ‘Pools’ niet van plaats verwisselen en ook nog eens verkeerd gespeld worden. Ik ga Goddeeris zijn vergissing dan ook niet gebruiken om zijn discours te ondermijnen, wat ik nochtans graag wil doen. Misschien kan ik dat wel zonder Katyn erbij te betrekken. Ik zal morgen eens zien hoe ver ik geraak.

donderdag 5 mei 2022

Het verstilde universum van Daniël

 

     Wie literatuur onderwijst aan zesdejaars, wijdt traditioneel enige aandacht aan het Griekse theater. Hij of zij bespreekt daarbij Aristoteles en zijn schema van de verhaallijn – met expositie, verwikkeling, revelatie, crisis, ontknoping, katharsis,– en zijn theorie over de personages – met de protagonist, de antagonist, de tritagonist. Personages die op de scène veel praatjes hebben, komen in aanmerking om protagonist te zijn, maar je moet bij je keuze toch een beetje uitkijken. In het stuk Iphigenia van Euripides heeft Agamemnon veel praatjes, maar als je hém als protagonist kiest, merk je algauw dat je de verhaallijn niet in het schema in kunt passen. Ik heb dat ooit geprobeerd, en het lukte niet. Ik vroeg raad aan een specialist en die had een eenvoudige oplossing. ‘De protagonist van het stuk,’ zei hij, ‘is Iphigenia. Kijk maar naar de titel’. Ja, natuurlijk! 
     Bij de nieuwe schilderijenreeks van Daniël Op de Beeck stelt het probleem zich niet. De reeks heet ‘Protagonist’ en stelt twaalf eenzame wezens voor, protagonisten zonder antagonist, gaande van een hoofdloos standbeeld, over een ingekorte steur, tot een éénvleugelig varken. Dat varken illustreert, het weze terloops opgemerkt,  in alle eenvoud de basistechniek van het surrealisme: de ongewone combinatie van gewone objecten, een procedé dat in gesofistikeerder vorm ook bij de andere afgebeelde wezens terugkomt.
      De wezens die Daniël geschilderd heeft, zijn niet alleen eenzaam binnen de lijst van het schilderij. Ze zijn het ook in hun wereld. Ze verblijven, zo te zien, als enig wezen op een kleine planeet, als overblijfselen van een verloren gegane beschaving. Sommige hebben nooit een biologisch leven gekend, andere zijn gestorven, misschien versteend, weer andere leven nog steeds: veel maakt het niet uit. Als ze nog in leven zijn, is het een soort eeuwig leven, een leven dat tot stilstand is gekomen, een leven waarin grote gebaren, ronddraven van hot naar her, en druk gedoe in het algemeen, geen zin en geen plaats meer hebben.Wat ze hebben meegemaakt, in welk verhaal  ze de protagonist waren, lang, lang geleden, is niet meer te achterhalen.
     Of de voorgestelde wezens elk apart één planeet, of, op één planeet elk één verlaten eiland bewonen, is niet erg belangrijk. Het is zelfs niet belangrijk of de planeet de onze is, in een ver verleden of in een verre toekomst, of een andere, ‘in a galaxy far, far away’. Ik geef de voorkeur aan de tweede veronderstelling, een verre planneet, met uitgestrekte oceanen en woestijnen, en twee zwakke zonnen die elkaar afwisselen en die voor een nooit aflatende schemering zorgen, een ‘crépuscule éternel’. Onze protagonisten leiden hun bestaan voor altijd in een ‘twilight zone’ die begrensd wordt door een vervagende rand, zoals zoals je die in heel oude films ziet.
     Is de wereld van onze protagonisten  een griezelige wereld? Hij heeft in elk geval iets van een nachtmerrie. Maar heb je voor een nachtmerrie niet minstens één boosaardige antagonist nodig? Zoals in het beroemde kortverhaal in twee zinnen? ‘De laatste mens op aarde zat alleen op zijn kamer. Toen werd er op de deur geklopt …’  In Daniëls schilderijenreeks vallen echter, zoals gezegd, geen antagonisten te bespeuren. De  protagonisten zien er onbedreigd uit; er is geen deur waarop een onbekende dreiging aan kan kloppen. 
    Zelf stralen ze trouwens ook weinig dreiging uit: het olijke varken, de brave hond, het klauwend paard, de onverschillige haas, de geïmmobiliseerde steur. Maar helemaal zeker weet je nooit met varkens, honden, en paarden. En op andere panelen ontwaar je onrustwekkend details: een helm die doet denken aan Maleficent, een ramshoorn die aanvallend naar voren wijst, een skelet met stevige tanden … De gebeeldhouwde of versteende bustes zijn misschien die van wrede goden die in betere tijden vereerd werden met bloedige rituelen. Ook het slapende mannetje met bril, betrouw ik niet helemaal. Wat zal er gebeuren als hij zijn ogen opendoet?
     Ik ben bereid mijn eigen vraag van daarstraks te beantwoorden. Neen, een nachtmerrie heeft geen boosaardige antagonist of protagonist nodig. In schilderijen als die van Daniël is immers nog een ander personage belangrijk: de toeschouwer, die zichzelf in het schilderij projecteert. Die toeschouwer gelijkt op het ‘ik’ van onze dromen, dat ook tegelijk kijkt naar, en deelneemt aan, een vreemde wereld. Dat die wereld bewoond wordt door potentieel gevaarlijke wezens is akelig. Nog akeliger is echter dat die wereld onbewoond zou zijn. Tim Krabbé vertelt in een beroemde novelle over Saskia, wier nachtmerrie was dat ze opgesloten zat in een gouden ei dat door het heelal vloog. ‘Alles was zwart, er waren niet eens sterren, ze zou er altijd in moeten zitten, en ze kon niet doodgaan.’ 
    Edgar Allan Poe, zoals andere 19de-eeuwers, was blijkens zijn verhalen, bang om levend te worden begraven. Ook wij, in de 21ste eeuw, vinden dat geen prettige gedachte, en laten ons voor de zekerheid liever cremeren. Maar waar zijn we precies bang voor? Stikken door zuurstofgebrek is natuurlijk geen aangenaam vooruitzicht, maar is het tegenovergestelde – volop zuurstof en eeuwig leven – niet nog veel onaangenamer? Voor eeuwig opgesloten! En als het echt voor eeuwig is, maakt de grootte van de gevangenis niet veel verschil: een kist, een kerker, een eiland of een hele planeet. Als er maar voldoende tijd verloopt, komen de muren altijd op je af. Het is de eeuwige eenzaamheid die de meeste huiver opwekt. Als die eenzaamheid gedeeld wordt met een hond, een haas, een varken of een steur, strekt de aanwezigheid van die wezens ons tot troost, ook al zijn ze niet helemaal te betrouwen. Zelfs een dode pop strekt tot troost, zoals iedereen weet die de film Cast Away gezien heeft.
     Je denkt onwillekeurig aan het gruweluniversum dat Queneau schetst in zijn beroemde gedicht De uitleg van de metaforen. Queneau spreekt over een mens die is ‘verdwaald, ver weg van ruimte en van tijd.’ Hij bevindt zich op ‘een plaats die is teloorgegaan’, in ‘een tijd die is tenietgedaan’ . Verder is er niets dan ‘stilte’. Is het dan geen opluchting dat deze leegte uiteindelijk toch wordt opgevuld door ‘brullende goden’.


                Die goden zijn demonen, kruipend door de ruimte

Zo mager als een haar, groot als het ochtendgloren,

Met slijm op hun gezichten, neusgaten die schuimen

En met twee handen graaiend naar de wereld vóór hen 

– die trouwens niet bestaat.  


Als je maar lang genoeg in de lege ruimte vertoeft, of op een uitgeleefde planeet, of op een verlaten eiland, kunnen ook brullende goden en demonen met slijm op hun gezichten voor enige afwisseling zorgen, en dat geldt a fortiori voor de honden, paarden, varkens en hazen die Daniël ons als gezelschap aanbiedt. 
     Met alle griezel die eenzaamheid en leegte kunnen oproepen, is een verstild universum, als je het rustig een poos kunt aanschouwen, in plaats van het eeuwig te moeten beleven, best aangenaam. Als je door het Prado, het Louvre, het Metropolitan of het Hermitage loopt, krijg je een stevige portie actie en epiek te verwerken in de vorm van bijbelse en mythologische taferelen. Je wordt er moe van, zeker omdat traagzaam door gangen en zalen slenteren nu eenmaal vermoeiend is. Dan is het fijn als je even stil kunt staan voor een paneel waarin alles eveneens tot stilstand is gekomen.
     Daniël schildert zulke panelen. Mochten ze ooit in het Prado, het Louvre, het Metropolitan of het Hermitage terechtkomen – je weet maar nooit – dan zou ik ze in een klein zaaltje plaatsen naast de Rubenszaal, met enkele gemakkelijke stoelen en een koffieautomaat. Zodat de vermoeide bezoeker wat bij kan komen van het geweld in de zaal ernaast, en om even te genieten van de fantasie die de schilderijen uitstralen, en van hun humor, hun horror, en, niet te vergeten, hun rust.

 

* Daniël is niet alleen schilder, tekenaar en fotograaf, maar ook schrijver. Zie hier.

woensdag 4 mei 2022

Rousseau versus Van Grieken

    Krantenschrijvers hebben makkelijk praten. In het Nieuwsblad van eergisteren geeft Pieter Lesaffer af op Conner Rousseau vanwege diens 1-meitoespraak in Sint-Niklaas. Rousseau had in die toespraak rechtstreeks Vlaams Belang aangevallen. Met zo’n ‘negatief verhaal’, schreef Lesaffer, riskeer je ‘extra wind te blazen in de zeilen van extreemrechts’. Beter is het om ‘vanuit de eigen sterkte een positief aanbod te brengen.’ 
     Dat is waar natuurlijk, en ik ben er zeker van dat Rousseau dat principe ook kent. Maar soms moet je in het leven kiezen tussen twee kwaden. Niet over Vlaams Belang spreken, nadat je enkele dagen voordien een Vlaams Belang-achtige uitspraak deed over Molenbeek, is op zich al moeilijk. Het wordt helemaal onmogelijk als je weet dat Vlaams Belang in hetzelfde Sint-Niklaas waar je aan het spreken bent, ook een 1-meiviering houdt. Dan móet je wel iets zeggen.
     En Rousseau zei iets. Dat 1 mei ‘van ons’ blijft. Dat Vlaams Belang een ‘wolf in schaapsvacht’ is. Dat Vlaams Belang eigenlijk een asociale partij is die  ‘opkomt voor de belangen van de elite.’ Van Grieken had mooie oneliners klaar om daarop te antwoorden, maar mij interesseren twee andere kwesties. Is Rousseau zijn uitspraak over Vlaams Belang als asociale partij waar? En twee: is ze geloofwaardig?
     De waarheid van de uitspraak hangt af van wat je onder ‘sociaal beleid’ verstaat. Als daarmee bedoeld wordt dat er volop werkgelegenheid is, dat ook kleinverdieners netto steeds meer verdienen, dat er veel goedkope producten beschikbaar zijn en dat de welvaart zo groot is dat iedereen zich individueel of collectief voor alles en nog wat kan verzekeren, dan geloof ik dat een liberaal beleid dat de economie stimuleert het meest sociale is. Boudewijn Bouckaert introduceerde tijdens de hoogdagen van Lijst De Decker de slagzin: ‘liberaler dan de liberalen, socialer dan de socialisten’, met andere woorden: hoe liberaler, hoe socialer. Van waar ik sta, heeft hij gelijk. In grote lijnen en op langere termijn moet het daar ongeveer op neerkomen. In Mises’ Human Action vond ik onlangs solide a priori argumenten voor de stelling en in McCloskeys trilogie over de bourgeois waarden vond ik uitgebreide empirische ondersteuning. Maar onder ons gezegd, zonder die boeken wás ik ook al overtuigd.
    Er bestaat echter een tweede betekenis van ‘sociaal beleid’ die alleen de korte termijn bekijkt. Dan gaat het om de bereidheid om bedrijfswinsten af te romen en de middenklasse zwaarder te belasten om daarmee de kleinverdieners en ontvangers van een vervanginkomens voordelen te bieden zoals hogere minimumlonen, hogere uitkeringen, lagere pensioenleeftijd, gesubsidieerde huisvesting, enzovoort. Op langere termijn wordt daar geloof ik niemand beter van, maar op korte termijn zijn er minstens schijnbaar winnaars en verliezers. En partijen moeten er rekening mee houden of hun kiezers bij de schijnbare korte-termijn winnaars of verliezers horen.
     Zo bekeken is de aanval van Rousseau op Vlaams Belang niet erg geloofwaardig. Hij kan hier en daar wel vitten op een programmapunt, maar dat belet niet dat Vlaams Belang een erg populaire basis heeft, met heel wat kiezers die  schijnbaar zouden winnen bij een ‘sociaal’ programma, ook al is het dan net iets minder ‘sociaal’ dan dat van de communisten, de socialisten en de groenen, maar nog altijd ‘socialer’ dan dat van de huidige coalitiepartners van Rousseau in de federale regering. 
    ’t Is echter vooral de woordkeus die voor ongeloof zorgt: Vlaams Belang dat ‘opkomt voor de elite’. Met dat begrip ‘elite’ schiet Rousseau flink naast zijn doel. Er zijn onder het kiespubliek van Vlaams Belang, naast proletariërs, steuntrekkers en gepensioneerderen, zeker ook goed boerende werkgevers, zelfstandigen, industrieel ingenieurs en self made men die het tot een bestuursfunctie hebben gebracht. Maar dát is geloof ik niet wat men tegenwoordig onder ‘elite’ verstaat. Om tot de elite te behoren moet je theater bezoeken, een nette krant lezen, in de juiste straat wonen en de nieuwste opinions chics kennen, beamen en verkondigen. Vaak hebben die mensen ook nog eens een mooi inkomen waar ze minder hard voor werken dan anderen. Zulke lui vind je meer bij de Vooruit-kiezers dan bij de Vlaams Belang-kiezers. Rousseau zou dat moeten weten, ook al vindt hij het misschien spijtig.

zondag 3 april 2022

De mooiste film die ik ooit heb gezien


     Toen ik zeven jaar was heb ik de mooiste film van de wereld gezien. Je kunt nu zeggen dat iedereen iets anders mooi vindt, en dat is waar, en dat we op verschillende momenten van ons leven iets anders mooi vinden, en dat is ook waar. Ik zou nu een heel andere film de mooiste film van de wereld vinden. Cold War, bijvoorbeeld, met Joanna Kulig, maar toen ik zeven was, was dat Fanny, met Leslie Caron. En wat je op je zevende het mooiste vindt, is mooier dan wat je op je zevenenzestigste het mooiste vind.
     Fanny was niet de spannendste film die ik ooit had gezien, dat moet Swiss Family Robinson geweest zijn. Het was niet de griezeligste film, dat moet Sleeping Beauty geweest zijn. Het was niet de grappigste film, dat moet Cinderfella geweest zijn, met Jerry Lewis. Waarom het dan wel de mooiste was, wist ik niet. Dat was iets geheimzinnigs. Later leerde ik dat het mooie altijd geheimzinnig is en dat zelfs de grootste wijsgeren dat geheim niet ontsluierd hebben, al beweren sommigen onder hen van wel.

     We leven in een tijd van ongekende mogelijkheden. Ik kan op het internet de bespreking van Fanny terugvinden die destijds in de New York Times verscheen. Die bespreking was positief. Ik kan de film bekijken op YouTube. Ik heb dat zojuist gedaan en het bleek dat ik mij niet één scène herinnerde, zoals ik dacht, maar twee*. Ik kan op IMDB de commentaren van andere kijkers nalezen: ‘I LOVE this movie’ (mdjoshfan); ‘This is one of the sweetest movies ever made’ (stancym); ‘I saw this movie in 1961 and was so moved by it’ (raptorf186).

     Ik had als kind de gewoonte om in mijn eentje scènes uit films na te spelen. Ik sprak als Spartacus de slaven toe vanop het muurtje in de tuin van mijn grootouders. Ik sneed stenen tafelen uit karton om Mozes te kunnen zijn op de berg. Dat heb ik met Fanny niet gedaan. Er was niets in de film om na te spelen. Maar ik heb wel aan mijn ouders gezegd wat ik hier in de titel van mijn stukje herhaal. 

 

* Helaas herinnerde ik mij sommige details verkeerd. Zo wordt het vliegengordijn niet opzijgeschoven wanneer Fanny in de deuropening van de herberg verschijnt, zoals ik in een vorig stukje schreef. Het gordijn ís al opzijgeschoven. Zie hier.

  

zaterdag 2 april 2022

De klap van Will Smith

 


    Toen ik op Het Nieuws zag hoe Will Smith bij de Oscaruitreiking naar voren stapte en Chris Rock een klap gaf, dacht ik eerst dat het om een afgesproken stunt ging. Ik had gehoord dat de ceremonie elk jaar minder televisiekijkers lokte, en nam aan dat de organisatoren daarom hadden afgesproken een rel op touw te zetten. Aagje Vanthomme werd erbij gehaald en zij overtuigde mij dat de rel níet was afgesproken. Dat Smith op afspraak zomaar een klap verkocht was nog mogelijk, vond zij, maar hij had ook twee maal het woord ‘fucking’ gebruikt in een live uitzending! Zoiets kon onmogelijk afgesproken zijn met de organisatoren. Niet in de VS! Smith moet gewoon écht woedend zijn geweest.
    Zoals dat met ander geweld vaak het geval is, zou dat van Smith wel eens op een misverstand kunnen berusten. Rock zag dat de vrouw van Smith daar in de zaal zat met een kale kop, en dacht wellicht dat het om een extravagant kapsel ging, wat niet zo’n vreemde gedachte is als je de gebruikelijke extravagante jurken van de meeste actrices voor ogen houdt. Hij dacht: ik maak er een grapje over; ik verwijs naar de film G.I. Jane waarin Demi Moore ook zo’n kapsel had. En ondertussen wist hij niet dat déze kale kop veroorzaakt werd door een aandoening die alopecia areata heet en die plotse haaruitval veroorzaakt. ’t Was geen geheim, maar een mens kan niet alles weten.
     Dat geweld vaak voortkomt uit een misverstand is al één reden om het te vermijden. ’t Is ook gevaarlijk, kan gemakkelijk escaleren en er zit een unfair element in van recht van de sterkste. Aangezien ikzelf niet zo vreselijk sterk of moedig ben, en het judo al na een jaar heb opgegeven, prijs ik mij gelukkig dat ik in een redelijk geweldloze tijd en in een redelijk geweldloze cultuur leef. Als ik wil, kan ik een scherp stukje schrijven, zonder door het onderwerp van mijn spot te worden uitgedaagd voor een duel op de sabel of op het pistool, of in de boksring. Ik ben blij dat we de eercultuur achter ons hebben gelaten. De cultuur van laffe burgermannetjes die ervoor in de plaats kwam, is mij lief.
     Tegelijk betrap ik mij op een zekere nostalgie naar de vroegere tijden. Poesjkin en Lermontov hadden langer geleefd, en meer gedichten geschreven als ze niet af en toe een duel hadden uitgevochten, waarbij het laatste hen fataal werd. Maar dan waren ze Poesjkin en Lermontov niet geweest, had hun temperament zich anders ontwikkeld, hadden ze ándere, misschien slechtere, gedichten geschreven. De geschiedenis van de VS was misschien anders gelopen als Alexander Hamilton niet geduelleerd had met Aaron Burr. De geschiedenis van het arbeidersbeweging was misschien anders gelopen – met minder marxisme – als Ferdinand Lasalle niet geduelleerd had met de verloofde van de vrouw die hij liefhad. Zo’n romantische kijk op de toevalligheden van de geschiedenis heeft, vind ik, iets trootstends.
     Dat verklaart al een beetje waarom ik een zekere sympathie voel voor iemand als Will Smith, en voor iemand als voetballer Zinédine Zidane indertijd, met zijn kopstoot tegen een speler die zijn zuster beledigd had. ’t Mag niet, dat vind ik ook, en alles wordt nog erger door de ‘voorbeeldfunctie’ die zulke mensen hebben, maar het heeft toch iets nobels.
     Daar komt nog iets bij. In de meeste gevallen heb ik een hekel aan overdrijven.  Op scholen wordt vandaag vaak harder gereageerd als een leerling bij een vechtpartijtje betrokken raakt dan als hij drugs verkoopt. Als zich op mijn school een vechtpartij voordeed, en er werd een klassenraad bij elkaar geroepen om advies te geven over een sanctie, dan pleitte ik meestal voor mildheid. Moest men daar nu zo’n drama van maken? Maar het ging natuurlijk af van de omstandigheden. Ooit heb ik gepleit om een gewelddadige jongen wél van school te trappen. Hij had, geloof ik, met een bank gegooid naar een meisje dat op zijn zenuwen werkte. Ik begreep hem overigens maar al te goed, maar dat veranderde mijn mening niet: hij moest eruit.
     Het principe is eenvoudig genoeg: fysiek geweld is altijd slecht, behalve als het dient om ander fysiek geweld te beantwoorden of te voorkomen. Anderzijds zijn zoveel andere dingen óók slecht, en misschien zelfs slechter dan fysiek geweld. Elsschot beschrijft in de ‘Opdracht’ bij Tsjip de houding waarmee hij als zakenman door het leven ging:  ‘Ik groette al wie mij groette, had een minzaam woord voor vriend en vijand en liet mijn schuldenaars afmaken door een deurwaarder, zoals het hoort.’ Zou het moreel niet hoogstaander zijn als als je een minzaam woord had voor een vriend, een vijand af en toe eens goed op zijn gezicht sloeg, en je schuldenaren vergaf zoals jij ook hoopt dat jouw schuldenaren jou vergeven? 
     Er zijn weinig principes die geen uitzonderingen dulden. Vrije meningsuiting is er één van, en afzien van geweld, behalve voor zelfverdediging, een andere. Dat schept een eenvoudige zwart-wit situatie. Maar binnen dat zwart zijn nog veel nuances. Er wordt, hoor ik, op studentenfeesten nog af en toe gevochten. De meisjes worden dan heel opgewonden, vertelt mijn zoon, zelfs als je gewoon tussenkomt om vechtenden te scheiden. Aan zulke vechtpartijen vind ik niets vreselijks, maar ook niets hoogstaands. Ze doen mij denken aan een scène in Imagine Kissing Pete van John O’Hara, een van de mooiste boekjes dat ik ooit las. Een paar bevriende koppels keren in de auto terug van een dansfeest. Mary vindt het vreemd dat Jim haar niet uitgenodigd heeft om te dansen. Joe komt schertsend tussen: ‘In that case, Frank, Jim has insulted your wife. I don’t see any other way out of it. You have to at least slap him in the face. Shall I stop the car.’ De wagen stopt en Jim en Frank beginnen elkaar met hun vuisten te bewerken.’ O’Hara vertelt het erg laconiek.
     Maar bij Will Smith zie ik eerlijk gezegd wel iets hoogstaands. Smith handelt in een ogenblik van woede, akkoord, maar op het moment dat hij op Chris Rock toestapte, moet hij ook wel begrepen hebben dat wat hij deed erge gevolgen kon hebben voor hemzelf. Het was slecht voor zijn imago. Rock kon een klacht neerleggen, met een lange juridische veldslag als gevolg. Misschien zou hij uit de zaal worden verwijderd. Misschien zou hij in Hollywood geen rollen meer aangeboden krijgen. En toch besloot Smith in een emotionele opwelling zijn eigenbelang aan de kant te zetten.
     Mijn vader vertelde vaak de volgende anekdote. John Gilbert, de meest romantische van alle Hollywoodsterren van de jaren dertig, was heel erg verliefd op de actrice Greta Garbo en had haar ten huwelijk gevraagd. Zij had toegezegd, maar op de dag van het huwelijk daagde ze niet op. Gilbert was er het hart van in. De grote studiobaas Louis B. Mayer trof hem wenend aan in de toiletten, stapte op hem toe en zei bij wijze van troost: ‘As for Garbo, sleep with her, don’t marry her.’  Als Mayer zo vulgair was als hij geportretteerd wordt in Mank, zei hij misschien zelfs: ‘Garbo, fuck her, don’t marry her.’ In elk geval: John Gilbert gaf de studiobaas een vuistslag in het gezicht en daarna is het met zijn filmcarrière niet echt goed meer gekomen
*.  Zo’n vuistslag is natuurlijk niet goed te praten, maar ’t is tegelijk, gezien de gevolgen, ook een daad van zelfopoffering.
     Je zou bij de hele kwestie het onderscheid tussen gerechtigheid en rechtvaardigheid kunnen aanhalen. Gerechtigheid werkt volgens het beginsel dat niemand mag raken aan wat van jou is; rechtvaardigheid werkt volgens het beginsel dat je iedereen moet behandelen zoals hij verdient. Gerechtigheid is objectief, rechtvaardigheid subjectief.  Gerechtigheid stelt grenzen aan wat je als individu mag doen; rechtvaardigheid suggereert mogelijkheden wat je als individu eigenlijk zou moeten doen. Volgens de gerechtigheid moest John Gilbert zijn handen afhouden van het gezicht, en van de bril op het gezicht, van Louis B. Mayer; volgens de rechtvaardigheid had Mayer de klap verdiend en moest Gilbert, overeenkomstig zijn morele code, die klap toedienen.
    En Will Smith? Tja, zoals ik al zei vermoed ik dat het om een misverstand ging. Dat levert een mooie rechtvaardigheidsparadox op. Will Smith moest de klap toedienen op grond van zijn morele code, en Chris Rock had de klap niet verdiend. Volgens de gerechtigheid is het eenvoudiger: geen klap, nooit.

 

* Mijn vader gaf schoorvoetend toe dat er ook andere verklaringen waren voor neerwaartse beweging in John Gilberts filmcarrière: slechte filmstem, drankverslaving, buitensporig salaris.