donderdag 21 mei 2026

Bedenkingen bij Boudry vs. de vrt


1.
 In het kader van haar lopende onderzoek ‘De foto van Vlaanderen’ heeft de VRT opdracht gegeven 2.261 Vlamingen te ondervragen over hun houding tegenover homoseksualiteit, transseksualiteit en vrouwenemancipatie. De primaire opdeling was die in leeftijdscategorieën: 12-17, 18-24, 25-44, 45-64, 65+.

2.
Een belangrijke vaststelling was dat de grootste onverdraagzaamheid en bereidheid tot discriminatie wordt vastgesteld bij de groep jonge mannen tussen 18 en 24 jaar.

3.
Dat komt overeen met internationaal onderzoek, waar ik enige tijd geleden over schreef. Ik schreef toen: ‘Komt het door de islamisering? Is het de invloed van Andrew Tate? Zien we hier een reactie tegen de excessen van woke? Is er een opstand aan de gang van jonge mannen tegen de feminisering van de maatschappij en haar waarden?’* Ik vond de verklaring van islamisering, Andrew Tate, anti-woke en feminisering zo evident, dat ik er toen niet verder op wou ingaan.

4.
 Mocht ik echter in een vrt-programma zijn uitgenodigd, dan had ik net als Boudry die verklaringen wél naar voren geschoven. En wellicht had ik ook dat eerste – islamisering – het meest benadrukt, al was het maar omdat je die verklaring anders niet zo vaak op de zender kunt horen. 

5.
Het was opvallend dat Maarten Boudry en Goedele Liekens het over die vier verklaringen ongeveer eens waren. Alleen belichtten zij bijna dwangmatig telkens als de ene gesproken had de ándere kant van de medaille. Je ziet dat vaak in panelgesprekken. Zei Liekens dat meisjes minder conservatief dachten over de gender-rollen, dan antwoordde Boudry iets over tradwifes. En al hadden ze ongeveer dezelfde opvatting over de invloed van de ‘islam’, sprak Goedele altijd zedig van ‘een bepaalde godsdienst’.

 6.
Waar Boudry zich wel in onderscheidde van Liekens was door zijn scherpe kritiek op de vrt. Hij zei dat de vrt er alles aan deed om de islamisering als verklaring buiten beeld te houden.

7.
Hij haalde ook een interne notitie boven over de onderzochte categorieën. Naast de leeftijdsgroepen had men ook een categorie Personen van Buitenlandse Herkomst (PBH) onderscheiden.  In die notitie stond: ‘De studiedienst vraagt om die groep niet mee op te nemen in onze artikels of berichten. De reden is dat de samenstelling van die groep PBH niet voldoende representatief is. Eerder iets hoger opgeleid ook**.’

 8. 
Boudry noemde dat een smoesje en sprak van wegmoffelen door de vrt.

9.
Het optreden van Boudry leidde tot veel reacties. Vanuit rechtse hoek kreeg Boudry bijval omdat hij iets over de islamisering had gezegd, en dan nog op de vrt niet vaak. Vanuit linkse en links-liberale hoek kreeg hij veel kritiek.

10.
Bij links en liberaal-links waren er zowel emotionele als inhoudelijke reacties. Ik citeer één emotionele reactie als voorbeeld: ‘Boudry is een extreemrechtse aandachtshoer, crapuul.’ 

11.
Ikzelf behoor binnen het rechtse kamp tot de verwijfde soort. Als ik heftige haatboodschappen lees tegen linkse mensen, voel ik plaatsvervangende schaamte. Bestaan er binnen het linkse kamp ook zo’n verwijfde sujetten die plaatsvervangende schaamte voelen bij de vulgaire haatboodschappen tegen Boudry?

12.
Van de inhoudelijke kritieken onthoud ik vooral deze: Boudry gebruikte de weggelaten categorie van PBH om te bewijzen dat de uitbreidende moslimsfeer mee verantwoordelijk is voor de misogyne en homofobe evolutie in onze samenleving. Terwijl achteraf bleek – ha, ha – dat die moslims amper vertegenwoordigd waren in de PBH-categorie: onder de 310 respondenten van die groep waren er bijvoorbeeld 95 Nederlanders en slechts 16 mensen van Marokkaanse afkomst en 5 van Turkse afkomst***.

13.
Vóór ik de uitzending gezien had, dacht ik dat die inhoudelijke kritiek streng maar rechtvaardig was. Nu weet ik dat ze fout is. Boudry heeft die PBH-categorie niét gebruikt om te bewijzen dat islamisering een van de factoren is van vrouwonvriendelijke tendenzen onder de jongere bevolking. Hij heeft onder andere gezegd: 

 Natuurlijk, herkomst, buitenlandse herkomst, daarmee heb je nog altijd het onderscheid niet gemaakt tussen moslims en niet-moslims … [Het onderzoek was inderdaad niet representatief ] omdat ze gekeken hebben naar herkomst, en herkomst, dat kan natuurlijk van alles zijn. Is dat niet-Europees? Is dat islamitisch? Het kunnen ook Hollanders zijn … **** [Men had naar religie in plaats van herkomst moeten vragen] maar dat is het punt. Dat gaan ze niet doen want dat is zo explosief. 

14.
Als de grafieken van de vrt op islamisering wijzen, dan zit die niet in de cijfers van de PBH, maar in de globale cijfers. Als de enquête een beetje goed gevoerd is dan zitten in al die leeftijdscategorieën samen 7,5 procent moslims die als nieuwe Vlamingen in de cijfers komen. 

15.
Heeft Boudry zijn hand overspeeld 
 hij gebruikt de uitdrukking zelf een paar keer  door de richtlijn van de studiedienst over het verzwijgen van de PBH-categorie zo sterk te benadrukken en door te spreken van een ‘smoesje’ en ‘wegmoffelen’? Ik denk het wel. De reden die de studiedienst opgaf is feitelijk min of meer correct. Ik weet niet of de groep op zich meer of minder representatief was dan de groep van de 18 tot 24-jarigen, maar de groep PBH was zeker niet relevant. 

16.
Boudry bezondigde zich aan een intentieproces.  Maar er bestaan plausibele en minder plausibele intentieprocessen. Boudry veronderstelde dat de echte reden voor het verzwijgen was dat de categorie ‘buitenlandse herkomst’ aanleiding zou geven tot speculatie over de islamisering, dat zoiets zou kunnen bijdragen tot stigmatisering van moslims, en dat zoiets de vrt een hoop kritiek zou opleveren vanuit politiek-correcte hoek. Ik geloof dat de drie veronderstellingen van Boudry plausibel zijn, maar niet bewijsbaar. Dan moet je minder hoog van de toren blazen.

17.
Voor de rest vond ik de bijdrage van Boudry aan het debat interessant, evenwichtig, en genuanceerd. Ik begrijp dan ook niet dag Gwendolyn Rutten zegt dat Boudry ‘over de hele lijn’ gebuisd is. Of misschien begrijp ik het wel.

18.
Ik kende de bijdrage van Boudry eerst alleen via de dagelijkse FB-post van Frank D’hanis. Nu dacht ik dat ik de vooringenomenheid uit die post zelf wel weg kon filteren, maar ik blijk D’hanis zijn talent om de zaken te verdraaien wat onderschat te hebben.

19.
De interessantste vraag aan Boudry kwam van auteur Maarten Inghels. Indien islamisering één van de verklaringen was van de toenemende vrouwonvriendelijkheid, waarom zou je die meer zien in de leeftijdscategorie 12-17, 18-24 en 25-45 dan in de andere leeftijdscategorie +65? Een deel van het antwoord kende ik ook. Het moslimaandeel in die jongere categorieën moet hoger zijn dan de +65-categorie die veel oud wit volk omvat. Om een idee te geven: men schat het aandeel van de moslims in de totale Vlaamse bevolking op 7,5 %. Het aandeel in de leeftijdscategorie van 18 tot 25 jaar wordt geschat op 10 à 15 procent.

20.
Boudry reikte het tweede deel van de verklaring aan. Onder de moslimjongeren vindt er, volgens onderzoek, een polarisering plaats. Een deel jongeren wordt religieuzer, en ander deel wordt liberaler. Dat lijkt mij een goede verklaring. Het toegenomen religieuze deel zorgt voor een toename in de intolerante antwoorden, het liberaler geworden deel zinkt weg in de bestaande tolerante meerderheid. Hetzelfde verschijnsel zal zich voordoen bij de woke en anti-woke jongeren. De anti-woke jongeren verminderen de gemeten tolerantie, terwijl de woke jongeren wegzinken in de brede linkse, links-liberale en gematigd-conservatieve consensus.

20.
Bij een van de Boudry-critici stootte ik op de volgende contradictie. Enerzijds verweet hij Boudry dat hij een ‘compleet onbewezen stelling’ over moslim invloed naar voren schuift, en wat later beweert hij dat men bij dergelijk onderzoek niet mag vragen of iemand moslim is ‘om dezelfde reden als waarom we ook niet vragen naar huidskleur.’

21.
Maarten Boudry zegt misschien te gemakkelijk dat islamisering door de VRT verzwegen wordt. Maar de zender heeft meer pijlen op de boog. Een van die pijlen is het wegnuanceren van de islam-verklaring. Een mooi staaltje vinden we in het antwoord van de vrt aan Boudry. Er wordt verwezen naar een stuk op de website dat uren voor De Afspraak was gepubliceerd, en waar de kwestie van herkomst en religie wel besproken wordt. En hoe!

Welke rol speelt herkomst? Het onderzoek daarover is beperkt, maar socioloog Cecil Meeusen (KU Leuven) ziet wel dat jongeren met een niet-Belgische origine conservatiever scoren wat gender betreft. ‘Dat valt te verwachten bij jongeren die meer religieus zijn opgevoed of met sterkere traditionele rolpatronen. Maar je kan het niet verengen tot religie of origine. Wanneer we rekening houden met sociaaleconomische status, opleidingsniveau van de ouders, enzovoort, vlakken die verschillen af. Het is zeker niet zo dat die groep van jonge, conservatieve mannen hoofdzakelijk bestaat uit jongens van niet-Belgische origine.

     Hoe voorzichtig! Het woord ‘islam’ valt niet. We moeten veeleer naar de ‘sociaal-economische status’ kijken. De groep ‘conservatieve’ jonge mannen bestaat ‘niet hoofdzakelijk’ uit jongens van niet-Belgische origine. Dat laatste zou er nog aan ontbreken. Dat bijvoorbeeld de moslimjongens met hun 10 à 15 procent de meerderheid zouden leveren voor de ‘conservatieven’.

22.
En natuurlijk is het woord ‘conservatief’ hier ongelukkig gekozen voor sommige van de onderzochte categorieën, zoals de groep die vindt dat een man het recht en de plicht heeft een ongehoorzame vrouw te slaan.

23.
Bij dat laatste had Boudry trouwens een mooie nuance. Het was niet, zei hij, omdat die jonge mannen (en vrouwen) op een enquête invullen dat dat slaan een recht en een plicht is, dat ze dat ook doen. Als ze heel gelovig zijn, vullen ze op zo’n vragenlijst gewoon in wat de Koran (4:34)  voorschrijft. 


* Zie dat stukje over de misogynie van Gen Z: hier

* De laatste zin is cryptisch. Wordt hier bedoeld dat de groep PBH in de steekproef iets hoger opgeleid is? Of dat de groep ‘eerder iets hoger opgeleid’ niet representatief is? Ik vermoed het eerste. 

*** Van de 310 buitenlandse respondenten heeft de vrt nu na de rel gedeeltelijke informatie gegeven. Van 164 ervan is de nationaliteit nu geweten. De rest is blijkbaar: ‘overige’ 

*** Dat laatste zei hij op aangeven van Goedele Liekens. Dat was voor de ruwe cijfers waren vrijgegeven waaruit bleek dat de groep PBH 95 Nederlanders omvatte.

dinsdag 19 mei 2026

Vos en Verhoeven over migratie, e.a.


Hendrik Vos: de brexit-paradox
      De verkiezingsuitslag in Engeland waarbij Nigel Farages partij de verkiezingen won, stemt Hendrik Vos pessimistisch over de democratie. ‘Het is om alle geloof in de democratie te verliezen …’ schrijft hij (DS 19/5). Zijn argument is dat Farage de hoofdverantwoordelijke is voor de Brexit die het tegenovergestelde bracht van wat beloofd werd. Men dacht te stemmen voor minder migratie, en er kwam meer migratie. En helaas hebben de kiezers de les niet getrokken dat ‘simpele oplossingen de zaak maar erger maken.’
      Nu denken Vos en ik nogal verschillend  als het om migratie gaat. Moet ik hem op zijn woord geloven als hij schrijft: 

Migratie vanuit Europa viel stil  en om de arbeidsmarkttekorten op te vangen steeg die vanuit de rest van de wereld tot recordniveaus. Illegale migratie met bootjes nam sterk toe.

      Ik heb het eens aan Grok gevraagd en ja: het klopt wat Vos schrijft. Mijn achterdocht was ongegrond. Door de Brexit is de toevloed van Oost-Europese migranten gestopt, maar ze is vervangen door een toevloed van Indiërs, Pakistanen, Nigerianen, enzovoort die met een werkvisum binnenkwamen.
     En de illegale immigratie met bootjes over het kanaal waar we zoveel van horen? Ja, ook die is door de Brexit gestegen. In 2018 waren er naar schatting 300 illegale bootjesmigranten, in 2025 waren er dat rond de 40.000. En dat heeft wel degelijk met de Brexit te maken. Door het wegvallen van de Dublin-regeling kan het Verenigd Koninkrijk asielzoekers niet meer terugsturen naar het eerste EU-land van aankomst. Mensensmokkelaars promoten het VK als een ‘veilige’ bestemming voor definitieve vestiging.
     Je kunt dus zeggen dat de Brexit als anti-migratiemaatregel ‘contraproductief’ gewerkt heeft. Dat is overigens niet kenmerkend voor het populisme, want véél politieke maatregelen zijn ‘contraproductief.’  En hoezeer ik ook van mening verschil met Hendrik Vos over de massa-migratie naar Europa, hij verplicht mij hier om na te denken over productieve oplossingen.



Karel Verhoeven: de beleidsparadox
    In zijn redactioneel (DS 19/5) meent Karel Verhoeven dat ‘de asielstorm die anderhalf decennium door Europa waart’  stilaan onder controle raakt. ‘In de hele EU zakt het aantal eerste aanvragen in twee jaar tijd van 80.000 naar goed 45.000.’ Ik vind 45.000 nog veel, vooral omdat verder in de krant migratie-expert Ruben Wissing vertelt dat ‘de migratiestromen globaal niet afnemen.’ 
    Verhoeven wil vooral benadrukken dat het beleid – zoals dat van Anneleen van Bossuyt – zelf weinig impact heeft op de migratiestroom. Die hangt van andere factoren af. Waar het beleid van Bossuyt wel het verschil kan maken is de maatschappelijke integratie. ‘De vele migratie die er is, doen werken,’ zoals Verhoeven dat noemt. ‘Het resultaat zal voornamelijk afhangen van de ideeën en initiatieven van Van Bossuyt.’
     Ik geloof juist het omgekeerde. Dat het beleid wel kan helpen om migratie af te remmen of te stimuleren, maar weinig kan doen aan het tempo van de integratie. Juist die is in sterke mate afhankelijk van andere factoren. Men moet wel proberen de integratie te stimuleren, zolang men maar niet te veel illusies koestert. Als men meer geld zou vrijmaken voor integratie, zo hoopt Verhoeven, in plaats van te besparen, dan zou men ‘iets constructiefs’ kunnen doen, waardoor men het ‘nog gloeiende ongenoegen over migratie kan koelen.’ Jawel – op de héél lange termijn.  Il faudra laisser le temps au temps. En eerst zal de instroom verder gestopt moeten worden. First things first.



Grok-antwoord over Darwin en Marx
    Ik schreef onlangs iets over de verschillen en de gelijkenissen tussen het marxisme en het darwinisme. Ik heb die vraag toen ook aan Grok gesteld, en het antwoord dat ik kreeg was degelijk maar leek in geen enkel opzicht op mijn bedenkingen. Ik vond dat geruststellend.



De vulva en de anus
   Veertien artsen, gezondheidsexperts en onderwijsprofessionals willen dat het schoolse curriculum, van de kleuterklas tot het secundair, meer aandacht besteed aan het vrouwelijk lichaam. Anneleen Boderé, leerondersteuner in het basisonderwijs en taalkundige formuleert het zo: 

Meisjes kennen informele woorden voor het vrouwelijk geslachtsdeel, zoals muis, poepje of voorpoep, maar die kunnen tot verwarring leiden. Want waar voelen ze pijn als ze zeggen dat ze pijn hebben aan hun poep? De enige juiste term voor de uitwendige geslachtsorganen is vulva. 

`    Zo’n uitleg kregen we ook in het vijfde leerjaar. ‘Sommige mensen,’ zei meester Dutoit, ‘durven bij de dokter niet goed zeggen dat ze pijn hebben aan hun achterwerk. Ze willen geen vulgaire woorden gebruiken, en zeggen dan dat ze pijn hebben aan hun ‘rug’. Het enige juiste woord is anus.
     Ik heb geloof ik in mijn hele leven nog nooit het woord anus gebruikt, behalve in het Schopenhauer-citaat: Obit anus, abit onus. 


Mooie krantenkoppen
    Het was een mooie oogst deze week, zeker voor iemand die snel tevreden is, zoals ik. 

  • Bijna 1 Vlaming op de 20 sterft na euthanasie.
  • Borrelnootjes zitten in de hoek waar de klappen vallen, maar blijven overeind
  • Theatermaker Jozefien Mombaerts worstelt met de vraag: hoe voed je een jongen van zeven op?

Bij die eerste koppen grinnikt de eindredacteur in mij. Bij de laatste kop wordt de hoofdredacteur wakker. Hier kunnen we een jaarlijks terugkerende interviewreeks van maken.  ‘Hoe voed je een jongen van acht op?’ Hoe voed je een jongen van negen op?’ Naar mijn smaak kun je doorgaan tot: ‘Hoe voed je een jongen van achttien op?’ Daarna moeten we weer wat anders verzinnen.



Het antifeminisme van Sanctorum

     Toen Walter Zinzen onlangs sprak over ‘die Nederlandse vrouw van het Egmont-instituut’, waarmee hij naar Michelle Haas verwees, met wie hij het niet eens was, werd hem door Joël de Ceulaer vrouwenhaat en antifeminisme verweten. Dat was heel onredelijk, en ik heb dat toen ook geschreven. Maar wat doen we met de volgende uitval van Johan Sanctorum op Doorbraak?

En dan heb je nog de experten: de alomtegenwoordige kolonel-op-rust Roger Housen, maar vooral het slimme blondje Michelle Haas (UGent), dat steeds meer de spreekbuis lijkt van minister Francken, en helemaal mee is met de defensiecodex waar het parlement of de media officieel nog niks over weten.

     ‘Het slimme blondje …’ Is dat nu vrouwenhaat of antifeminisme? Ik moet speculeren waarom Sanctorum die omschrijving koos, maar ik denk dat ik het weet. Hij provoceert graag. Hij weet dat er in ons huidige klimaat macho’s bestaan die om dat ‘blondje’ zullen grijnslachen en wokies die woedend zullen zijn. Misschien trekt Sanctorum zich daar niets van aan. Misschien doet hij alsof die polarisatie achter ons ligt, en iedereen weer lustig kan schelden zonder bijbedoelingen. Maar ik denk dat het anders is. Dat polemische ‘blondje’ is alleen pikant omdát de polarisatie bestaat. Sanctorum is degene die grijnslacht. Hij profiteert van de toestand die hij belachelijk maakt. Maar geldt dat niet voor elke satiricus?

     Daarmee weet ik nog altijd niet of Sanctorum een feminist of een antifeminist is. Ook daarover moet ik speculeren. Maar onder ons, het zou mij niet verwonderen dat hij feministischer is dan ik, en dat hij daarom met een gerust hart grapjes durft maken waar ik mij niet aan zou wagen.

maandag 18 mei 2026

Van Goethem over het Gaza-activisme, e.a.

 


Van Goethem over het Gaza-activisme 
    De goede Herman Van Goethem, oud-rector van Antwerpen, maakte in een opiniestuk in De Standaard enkele kritische bedenkingen bij het Gaza-activisme. Hij steunt veel aspecten van het activisme, keert zich tegen het ‘schandelijke’ beleid van Israël, en vindt dat de EU het associatieverdrag met Israël moet opschorten ‘tot wanneer het land een fundamentele koerswijziging laat zien.’ Hij is het dus met veel doelstellingen van de activisten eens, maar daarnaast zijn er enkele aspecten van de beweging die hem niet bevallen. Ik parafraseer zijn standpunten:

  1. bezetting van universiteiten is een ongepast actiemiddel
  2. het boycotten van een Israëlisch dirigent getuigt van onverdraagzaamheid
  3. een deel van het Palestina-beweging heeft al te veel begrip voor Hamas en Hezbollah
  4. extreemlinkse partijen buiten de kwestie uit
  5. jonge ‘woelwaters’ verzinken door het gaza-activisme in onvruchtbaar extremisme
  6. de polarisatie wakkert het antisemitisme aan dat zich uit in agressie tegen chassidische joden*
  7. de Palestina-activisten staan niet open voor een rationele dialoog met de Israël-sympathisanten.

     Ik heb heel wat reacties gelezen op het stuk van Goethem, maar weinige daarvan gingen in op een van de zeven bedenkingen. Alleen de ‘Brusselse theatermaker’ Peter Vandenbempt schreef in De Standaard iets over het tweede punt, over het concert met een Israëlische dirigent: 

‘Heeft dat concert werkelijk zo’n maatschappelijk belang dat het belangrijker wordt geacht dan de dood van duizenden onschuldige burgers?’ ** 

     Als ik die redenering volg mag ik morgen uit protest Het meisje met de parel bekladden met rode verf omdat het maatschappelijk belang van dat schilderij niet opweegt tegen de dood van duizenden onschuldige burgers. 
     Maar de meesten reageerden dus niet op de concrete punten van kritiek, maar gooiden zich op de algemene uitspraken die Van Goethem deed over het activisme:

Activisme mag tot op zekere hoogte nodig zijn om moeilijke dossiers te agenderen en in de richting van een oplossing te stuwen, er zijn ook grenzen. En dan moet je ook tijdig op de rem staan … De vraag is wel: hoever anti-Israël activisme kan gaan? … Activisme staat voor extreem gedrag, voor een strategie met overdrijvingen en simplificaties, waarbij amper plaats is voor redelijkheid en nuance … Polarisering is een context van verblinding zonder luisterbereidheid … Zoiets staat haaks op de educatieve en maatschappelijke opdracht van universiteiten en hogescholen. In zulke polarisatie mogen we niet meestappen. Het effect van toegevingen is alleen van die aard om de polarisering verder aan te zwengelen, waarbij de instelling zelf in een extreme hoek belandt. Een instelling die zichzelf respecteert, laat ruimte voor een diversiteit aan opinies.

     Van Goethem spreekt de ene keer van ‘activisme’ en de andere keer van ‘extreem activisme’, maar het is duidelijk dat hij altijd die laatste, kwalijke variant bedoelt. Het is het extremisme dat kiest voor harde actie, onverdraagzame eisen, simplificatie boven nuance, en slogans roepen boven redelijke discussie.
     Wat is er eigenlijk verkeerd aan Van Goethems kritiek op het extreem activisme? Ik citeer een representatieve reactie die ik vond op de FB-pagina van EV:

Een merkwaardige uitspraak voor een historicus. En historisch blind bovendien. Zonder activisme geen vrouwenrechten, geen burgerrechten, geen sociale rechten. Macht noemt verzet altijd ‘extreem’ zodra ze werkelijk wordt uitgedaagd. Onder het mom van “verbinden” wordt vervolgens gevraagd om stiller, braver en minder confronterend te zijn. Activisme moet blijkbaar vooral ongevaarlijk blijven voor bestaande machtsstructuren. Maar vooruitgang kwam nooit voort uit gehoorzaamheid of beleefd zwijgen. Ze kwam van mensen die durfden te storen, blokkeren en weigeren.Wat vandaag op universiteiten gebeurt, is geen irrationaliteit of “gevaarlijke polarisering”, maar morele verontwaardiging. Studenten en academici die protesteren tegen oorlogsmisdaden en schendingen van het internationaal recht worden verdacht gemaakt omdat ze weigeren weg te kijken. Des te vreemder klinkt dit uit de mond van de voorzitter van het Hannah Arendt Instituut. Hannah Arendt waarschuwde net voor gedachteloze gehoorzaamheid, conformisme en het normaliseren van onrecht. Activisme is niet het probleem. Het toont dat een samenleving nog een geweten heeft. En dat sommigen nog de hoop koesteren dat zaken kunnen veranderen. Activisme is niet het probleem. Onverschilligheid en passiviteit zijn dat wel. En uitspraken als deze [van Van Goethem] ook.

     Er valt op de argumentatie van Van Goethem wel wat aan te merken, maar bij die van E.V. is dat nog meer het geval. Haar impliciete definitie van activisme is iets als een ‘opstand tegen de bestaande machtsstructuren vanuit een morele verontwaardiging.’ Daarbij lijkt ze te vergeten dat er ook een extreemrechts activisme bestaat dat eveneens vanuit een morele verontwaardiging in opstand komt tegen machtsstructuren. Ze kan bijvoorbeeld denken aan de acties van Dries Van Langenhove aan de UGent. En een historicus als Van Goethem zal misschien denken aan de studentenacties indertijd om Duitse universiteiten Judenfrei te maken.
      E.V. haalt de historische voorbeelden aan van ‘vrouwenrechten, burgerrechten en sociale rechten’. Dat zijn sprekende voorbeelden van wat Van Goethem noemt het ‘agenderen van moeilijke dossiers om ze in de richting van een oplossing te stuwen. Ik voel achteraf – want ik was er niet bij – veel sympathie voor de emancipatiebewegingen die E.V. aanhaalt, maar ik heb er mijn twijfels over hoe belangrijk die bewegingen geweest zijn bij de gunstige maatschappelijke ontwikkelingen die erop volgden*. Het activisme móet een rol gespeeld hebben, dat is evident, maar hoe gróót was die rol? Ik heb in mijn leven veel maatschappelijke ontwikkelingen gezien – democratisering van het onderwijs, vrijere seksualiteitsbeleving, minder autoritaire relaties tussen ouders en kinderen – waarbij de rol van het activisme, en al zeker het activisme in de strikte zin, veeleer klein was.
     Activisme, vindt E.V., mag niet stil, braaf, gehoorzaam of beleefd zijn. Het is door de confrontatie op te zoeken dat ‘de macht echt wordt uitgedaagd.’ Zelf vond ik dat als jeugdige activist ook, en er zit ook een kruimel waarheid in. ‘Weet dan dat uw stem door niemand wordt gehoord / zolang gij staam’lend bidt en bedelt voor de poort,’ citeerde ik instemmend.
     Maar ondertussen ben ik daarin veranderd. Mocht ik nu verbonden zijn aan de UGent, dan zou ik ernstige meningsverschillen hebben met ‘de macht’ en ‘de machtsstructuren’ aldaar. Ik zou het zeker niet eens zijn met de beslissing om elke samenwerking met Israëlische universiteiten stop te zetten. Maar ik zou mijn protest, misschien niet stil, maar dan toch zeker beleefd, formuleren. En ik zou zeker niet al trekkend en duwend universiteitsgebouwen binnendringen en bezetten om mijn eisen af te dwingen.
     Het is die langdurige bezetting van universiteitsgebouwen als drukkingsmiddel die mij nog het meeste dwarszit. Je kunt al eens de straat optrekken, een spandoek omhoogsteken, een kruispunt blokkeren, of je laten vastketenen aan de poort van een bedrijf dat handel drijft met Israël. Maar universiteiten vragen een andere aanpak. Die moeten, zoals Herman van Goethem schrijft, een ‘vrijhaven’ zijn, ‘met ruimte voor een diversiteit aan opinies.’ Het is een plaats om te discussiëren, niet om te roepen. Wie Palestina-sympathisant is, moet er de discussie opzoeken met een Israël-sympathisant. Het is een plaats waar je een tegensprekelijk debat moet kunnen organiseren tussen, zeg, Ilan Pappé en Georges Bensoussan.
      Met haar verwijzing naar Hannah Arendt aan het einde van haar reactie, gooit E.V. er nog een vals dilemma bovenop. Ze stelt het voor alsof er maar twee keuzes zijn: hard activisme enerzijds, en anderzijds: ‘gedachteloze gehoorzaamheid, conformisme en het normaliseren van onrecht.’ Dat is niet zo, en men moet het opiniestuk van Van Goethem al heel kwaadwillig lezen om er een oproep tot ‘onverschilligheid en passiviteit’ in te zien. 

* Van Goethem spreekt van straatagressie tegen mensen met een keppeltje, en van het ‘problematiseren van een duizendjarige praktijk van besnijdenissen.’ Die laatste verwijzing is ongelukkig omdat het protest tegen onhygiënische besnijdenissen volgens mij weinig te maken heeft met het Gaza-activisme.

** Als voorbeeld van hoe hij zelf een steentje heeft bijgedragen tot de bevrijding van Palestina, vertelt Vandenbempt dat hij twintig jaar geleden een voorstel heeft afgeslagen om op te treden in Israël. 

*** Chronologisch ging activisme vaak vooraf aan een bepaalde maatschappelijke ontwikkeling, maar het vraagt subtieler onderzoek om uit te maken of er ook een causaal verband is. Het is de eeuwige vraag van ‘post hoc’ en ‘propter hoc.’



Slordig taalgebruik
     In zijn Amerika-boek weegt Tocqueville de voor- en nadelen af van democratische en aristocratische naties. Een nadeel van de democratische naties is dat er slordig taalgebruik heerst. Er is geen elite die de ‘bon usage’ dicteert, iedereen doet maar wat, en de meerderheid, dan wel de luidruchtige minderheid, bepaalt welke woorden er gebruikt worden, en wat ze betekenen. Dat is democratie.
     En volgens Tocqueville leidt die democratie in de taal dan tot vaag, slordig, abstract, sensationeel en modieus taalgebruik. Hij geeft voorbeelden van zijn eigen taalgebruik dat onder democratische invloed overdreven abstract geworden is. Hij spreekt bijvoorbeeld vaak over ‘gelijkheid’ alsof dat een persoon was die bepaalde zaken verhindert of bevordert. In beter tijden sprak men alleen van gelijkheid tussen concrete mensen met betrekking tot concrete zaken, schrijft Tocqueville. Men schuwde personalisering van abstracte begrippen. ‘Les hommes du siècle de Louis XIV,’  ‘n’eussent point parlé de cette sorte.’ Terloops zij opgemerkt dat zijn eeuwgenoot Flaubert dan weer geen ‘double génitif’ zou gebruikt hebben als ‘… du siècle de Louis …’. 
     Het ergste vindt Tocqueville dat woorden hun precieze betekenis verliezen.

Ik zou liever hebben dat men de taal liet overwoekeren met Chinese, Tartaarse of Huroonse woorden, dan dat men de betekenis van de Franse woorden onzeker zou maken. 

     Vandaag komt het gevaar van overwoekering niet van het Chinees, het Tartaars of het Huroons maar van het Engels. Op zijn FB-pagina plaatste Geraard Goossens onlangs een transcriptie die veel aandacht kreeg. Een Vlaamse popzanger had in een interview verteld over zijn muziek, en had daarbij een overvloed aan Engelse woorden gebruikt. Dat hij bij het zingen ‘een bepaalde energy channelt’, dat hij zijn ‘heroes close heeft in spirit’ en dat hij zijn ‘full body in de energy steekt om tot een build-up te komen die kind of screamt’. Zijn gedachten noemt hij zijn mind, intiem noemt hij intimate en een reden noemt hij een reason.
      Nu moeten we hier verschillende zaken onderscheiden. Het is op zich al moeilijk om over kunst te praten. Je hebt schrijvers die prachtig schrijven maar wauwelen als ze over hun werk moeten praten. En dan zwijg ik nog over schilders. Ook hebben sommige mensen - uit alle klassen van de bevolking - nu eenmaal geen aanleg om goed te formuleren in gesproken taal. Koen Meulenaere maakte soms transcripties van wat Jean-Luc Dehaene op de televisie verteld had, en dat was ook wartaal. Maar JLD gebruikte tenminste niet te pas en te onpas Engelse woorden, en had niet de gewoonte om zoals onze Vlaamse popzanger de helft van zijn zinnen te eindigen met ‘of zo’.
     Als ik mag  kiezen, stoor ik mij meer aan dat stopwoord ‘of zo’ dan aan een woordeke Engels. Als hij iets bewondert, zegt de Vlaamse popzanger: nice! Ik zou dat misschien ook zeggen, of misschien wel génial zoals de Fransen, muy bien zoals de Spanjaarden of ganz toll zoals de Duitsers, alhoewel die laatsten hoe langer hoe meer ook nice zeggen.
     Dat overdadige Engels in de spreektaal is zowel een teken van taalarmoede, luiheid, snobisme en modegevoeligheid. Maar er is weinig boos opzet. Het gebeurt niet bewust. In gesproken taal valt daar niet veel tegen te beginnen. Dat zou van de spreker een uiterste concentratie vragen. En wat moet je doen als je in het vuur van je betoog de Nederlandse vertaling van ‘channeling your energy’ niet vindt? Zwijgen? Een pauze inlassen?
     Dat ‘of zo’, daarentegen, daar kun je iets aan doen. Ik had leerlingen die er bij een eerste spreekbeurt ook veel of zo’s tussen gooiden. Ik maakte daar snel een opmerking over vóór de medeleerlingen dat konden doen. Als die of zo-leerlingen dan hun best deden, ging dat bij de volgende spreekbeurten al veel beter.



Antifa
     Woorden hebben in de dagelijkse toepassing soms een betekenis die afwijkt van de oorspronkelijke, etymologische betekenis. Als ik het woord antifa gebruik, pas ik dat begrip toe op de kleine groepjes relschoppers die zichzelf zo noemen. Maar op FB las ik een commentaar waarin de etymologische betekenis werd hersteld. Antifa betekende gewoon antifascisme, en dat betekende op zijn beurt niets anders dan dat je een tegenstander van het fascisme was. Wat was daar nu mis mee?
      Het deed mij denken aan de redenering van Karel van het Reve die zichzelf in de jaren 70 anticommunist noemde. Dat woord kreeg toen vaak de toegepaste betekenis van ‘voorstander van extreemrechtse, autoritaire, nationalistische regimes’. Karel van het Reve was daar allemaal géén voorstander van. Hij gebruikte gewoon de oorspronkelijke betekenis: ‘tegenstander van het communisme.’
      Toch is er een verschil tussen de dubbelzinnigheid van het begrip  ‘anticommunisme’ in de jaren 70 en van het begrip ‘antifascisme’ nu. In de jaren 70 bestond er in Europa een groot blok van landen en partijen die zichzelf communistisch noemden. Je kon voor of tegen dat blok zijn. Was je tegen dat blok, dan was je een anticommunist in de etymologische betekenis én in de de meest voor de hand liggende toegepaste betekenis.
      Je kunt dat verschil ook anders benaderen. Je had indertijd zelfverklaarde pro-communisten waar je dus tegen kon zijn.  Maar waar zijn vandaag de zelfverklaarde pro-fascisten? Waar is vandaag dat fascistisch blok van landen en partijen? Waar zijn vandaag de leiders die je ‘fascisten’ kunt noemen? Tom van Grieken? Bart De Wever? Georges-Louis Bouchez? Dat is niet ernstig. Tijdens het Europese interbellum en de Tweede Wereldoorlog, tóen had je fascisten en anti-fascisten. De etymologische en de logische, toegepaste betekenis vielen samen.

zondag 17 mei 2026

De fabel van JMMD en van Engelaar


     Ter gelegenheid van 1 mei werden enkele oude fabels opgefrist. Jean-Marie De Decker schreef een stuk over de nijvere mieren en de potverterende krekels. De nijvere mieren waren, geloof ik, de ondernemers en de kleine zelfstandigen. JMDD haalde een reeks cijfers aan waaruit bleek hoeveel belastingen die mensen wel niet betaalden – ook op hun inkomsten uit kapitaal. Ik vrees dat die cijfers niemand zullen overtuigen die al niet overtuigd is. Ten eerste zal men vanuit linkse hoek terecht opmerken dat inkomsten uit kapitaal, hoe zwaar belast die ook zijn, nog altijd minder zwaar belast worden dan arbeid. En ten tweede zullen die belastingen in de ogen van linkse mensen nooit genoeg zijn. Zelfs al bedroegen ze 70 procent, dan kunnen ze nog altijd op 75 procent worden gebracht.

     Bert Engelaar van het ABVV recycleerde een andere fabel: die van de maatschappij als menselijk lichaam. We leerden die kennen in het tweede middelbaar, toen we De viris illustribus urbis Romae lazen. In het oude Rome gingen de plebejers in staking. Dat was de zogenaamde plebejische secessie. Menenius Agrippa ging naar hen toe en vertelde de fabel van de ledematen die een staking begonnen tegen de maag. Dat was dom van de ledematen, want ook de maag had een functie, al was die niet zo zichtbaar als die van de ledematen. Toen de plebejers dat hoorden gingen ze weer aan het werk.


    Engelaar vult de fabel anders in. Onze maatschappij wordt vergeleken met een zieke man die bij de dokter komt. De dokter – ik geloof dat hiermee de staat wordt bedoeld – heeft alleen oog voor het bovenste deel van het lichaam, tot aan de schouders. Dat deel geniet een régime de faveur. Wat eronder komt wordt verwaarloosd.  Met die verwaarloosde ledematen en organen verwijst Engelaar naar de werknemers die te weinig verdienen en te veel moeten betalen, naar mensen met een burnout, naar alleenstaande moeders met een uitkering, naar langdurig zieken die gecontroleerd worden, naar de poetshulp met versleten handen, naar de leerkracht met wallen onder de ogen. Die laatste intrigeerde mij, maar in plaats van uitleg kreeg ik een metafoor: ‘De spieren van het onderwijs verkrampen.’ Nochtans heb ik zojuist in Knack gelezen (zie hierboven) dat de collega’s van Demir jaloers zijn op haar omdat Onderwijs bij de besparingen ‘grotendeels wordt ontzien.’ 


     Ook deze fabel zal weinig mensen overtuigen om van mening te veranderen.

 

 

zaterdag 16 mei 2026

Albanië-reis 1975

 


Albanië-reis 1975
   In 1975 nam ik met een vijftigtal geloofsgenoten deel aan een communistische studiereis  naar Albanië. We reden met de bus, eerst door een reeks kapitalistische landen, dan door het slechts half socialistische Joegoslavië, om dan ten slotte in het enige échte socialistische land van Europa enkele weken rond te toeren. De rivaliteit tussen Joegoslavië en Albanië indertijd was goed zichtbaar aan de grens. De Joegoslaven hadden in hun gebergte met rotsblokken de slogan ‘Leve Tito’ aangebracht. Dat was om de Albanezen te jennen. Maar de Albanezen lieten niet op hun kop zitten. Ze hadden aan hun kant van het gebergte de slogan ‘Leve Enver’ aangebracht. Gelukkig was de grensstreek niet dichtbevolkt, zodat slechts weinig Joegoslaven en Albanezen dagelijks die verheerlijking van de vijandige leider moesten ondergaan.
     Het oversteken van de grens was een heel ritueel. Geïllustreerde tijdschriften werden in beslag genomen omdat ze decadente luxe aanprezen. Westerse literatuur was ook niet welkom. Een medereiziger had een boek bij van Thackeray. Dat moest hij afgeven, ondanks zijn uitleg dat Thackeray een groot realist was die het Engelse kapitalisme van de 19de eeuw had aangeklaagd. Ook brede broekspijpen en lang haar werden beschouwd als kapitalistisch. Je moest je haar laten bijknippen en een broek lenen van iemand anders die de richtlijnen op voorhand beter had ingestudeerd. Dat werd allemaal goed gemaakt door de rode vlaggen die buiten en binnen de fabrieken hingen; zo’n rode vlag was in een Belgische fabriek niet denkbaar, wat mooi het verschil tussen socialisme en kapitalisme illustreerde. Na de reis ben ik kleine zaaltjes diavoorstellingen gaan geven waar veel van die rode vlaggen in voorkwamen.
     Vandaag herinner ik mij van de reis niet zoveel meer. We hebben geloof ik veel fabrieken bezocht, en veel minuten stilgestaan voor standbeelden van gevallen helden. Er stond een atheïstisch museum op het programma. Ons hotel lag op een mooi zandstrand. Een cynicus in het gezelschap – er is er altijd één - maakte er zelfs een grapje over: ‘Zie je hoe wit en fijn het zand hier is? Dat is dankzij kameraad Enver. Vóór het communisme was het zand hier ruw en asgrauw.’
     Wat mij nog het meeste bijgebleven is zijn de revolutionaire liederen die we zongen toen we verbroederden met communistische groepen van andere landen. Iedereen kende Bella Ciao. Maar vooral zongen we op de bus. De partijleiding had een brochure gemaakt met revolutionaire liedjes. Dirigente Lieve Fransen – zo staat ze vermeld op latere Palestina-manifesten – zorgde ervoor dat we maat hielden. Wat we het vaakst zongen was het Lied van de Revolutionaire Jeugd.

     Hajde të punojmë, 

     djersën ta kullojmë, 

     se ndërtojmë 

     Shqipërinë e re.

 

     Laten we werken

     laten we zweten

     want we bouwen

     het nieuwe Albanië.

     Ik zing die Albanese versie nog wel eens als ik alleen thuis ben.


De vernielde woningen in Gaza
       In de Gaza-oorlog zijn ongeveer 70.000 Palestijnen omgekomen door Israëlische bommen en kogels. Door in de statistieken het aantal jonge mannen af te zetten tegen vrouwen, jonge kinderen en bejaarden, kan men gaan extrapoleren. Wellicht waren 1/3 van de slachtoffers militairen van Hamas en 2/3 burgerslachtoffers. Met andere woorden 2 procent van de burgerbevolking is omgekomen in een oorlog die bijna 2 jaar heeft geduurd.
    Eigenlijk heb ikzelf intuïtief een véél, véél groter aantal slachtoffers in mijn achterhoofd. Dat komt door de beelden van de vernietigde huizen die ik zo vaak op het Nieuws gezien heb. 65 procent van de woningen is totaal vernield. Mijn intuïtie past diezelfde verhouding haast automatisch toe op het aantal doden. Wie kan in godsnaam zo’n vernieling overleefd hebben?
     Maar dan lees ik in de dagelijkse FB-post van Paul Cordy over het bombardement van Rotterdam op 15 mei 1940: de binnenstad werd verwoest, er waren meer dan 700 doden en 80.000 mensen waren dakloos. Ik denk dan: máár 700 doden? 


Marx en Darwin (en Smith)
     In zijn grafrede voor Karl Marx (1818-1883) maakte Friedrich Engels een vergelijking tussen het historisch materialisme en de evolutieleer. 

 Zoals Darwin de wet van de ontwikkeling van de organische natuur heeft ontdekt, zo ontdekte Marx de ontwikkelingswet van de menselijke geschiedenis: het tot dusver onder ideologische woekerplanten verborgen feit dat de mensheid allereerst moet eten, drinken, wonen en zich kleden, voordat zij politiek, wetenschap, kunst, religie etc. kan beoefenen; dat dus de productie van de directe stoffelijke levensmiddelen, en daarmee de op verschillende tijdstippen bereikte trap van economische ontwikkeling van een volk of tijdperk, de basis vormt waaruit de staatsinstellingen, de rechtsopvattingen, de kunst en zelfs de godsdienstige voorstellingen zich hebben ontwikkeld en waaruit zij dus ook verklaard moeten worden — en niet omgekeerd, zoals tot nu toe gebeurde.

     De gelijkenissen tussen de twee theorieën kunnen niet worden ontkend. Het zijn allebei uiterst eenvoudige theorieën die verklaren waarom iets evolueert: het leven op aarde bij Darwin en de mensenmaatschappij bij Marx. Het zijn allebei onweerlegbare theorieën. Als je de theorie van Marx of Darwin één keer gehoord hebt, kun je er eigenlijk niet aan twijfelen dat ze waar moét zijn. Je kunt in de hele natuur geen dier vinden dat niet op enige manier ‘aangepast’ is aan zijn niche, want zon variant maakt geen kans om de struggle for life te overleven, en je kunt in de hele geschiedenis geen filosoof vinden die niet allereerst moest eten, drinken, wonen en zich kleden.
     Een andere gelijkenis is dat Marx en Darwin een revolutie in het denken betekenden. Vóór Darwin kon alleen een Goddelijk plan de verscheidenheid in de dierenwereld verklaren. Dat plan werd nu vervangen door willekeurige mutaties die achteraf door de omgeving zelf werden geselecteerd of weggeselecteerd. Vóór Marx kon je de evolutie in de ideeënwereld alleen verklaren door de willekeurige gedachten van grote denkers die hun ideeën rechtstreeks van God kregen of omdat er een appel op hun hoofd was gevallen. Die grote denkers werden nu vervangen door een materieel kader dat de ideeënwereld mogelijk maakte en begrensde.
     Maar die gelijkenis brengt ons ook bij twee verschillen. Darwin heeft het oude idee over de diersoorten vollédig verdrongen. Geen enkele bioloog werkt nog met het idee van een voorafgaand plan. Er is geen sprake van om het oude plan-idee te combineren met het nieuwe mutatie-idee. Maar bij Marx is het niet zo gegaan. Het historisch materialisme heeft het oude idee van individuele inspiratie niet vollédig kunnen verdringen, zelfs niet onder de eigen aanhangers. Ook de strengste marxist geeft toe dat er een wederzijdse beïnvloeding is tussen de materiële wereld en de ideeënwereld. Je vindt echter geen darwinist die ervan uitgaat dat er een wederzijdse beïnvloeding is tussen de willekeurige mutaties enerzijds en een of ander onderliggend plan anderzijds.
      Een tweede verschil betreft de rol van de ‘willekeur’ in de verklaringen. Hier zijn Marx en Darwin bijna elkaars tegengestelde. Darwin brengt willekeur binnen langs zijn idee van mutaties, Marx probeert willekeur uit te sluiten door individuele inspiratie een kleinere rol toe te bedelen. Hij is en blijft een leerling van Hegel die gelooft in een grandioos schema dat de wereldgeschiedenis regelt. Darwin van zijn kant is meer verwant aan Adam Smith. Nozick neemt Darwins evolutieleer op in zijn lijst van ‘invisible hand explanations.’ 

 

vrijdag 15 mei 2026

De kritiek op Zuhal Demir


     Hoewel Ben Weyts een N-VA’er is, kreeg hij als minister van Onderwijs niet al te veel kritiek in onze pers. Dat maakte mij ongerust. Vandaag, met Zuhal Demir, moet ik mij geen zorgen meer maken. De kritiek is niet mals, en zo weet ik zeker dat Demir  de zaken doet die ik wel en de journalisten niet fijn vinden. 

     Ik zie een kop van Knack in mijn mailbox verschijnen: ‘Niemand durft iets te zeggen’: zwijgen is goud in het Vlaamse onderwijs. Met daaronder een foto van een streng toekijkende Demir. In het weekoverzicht van Knack verschijnt hetzelfde stuk onder de kop De angst voor Zuhal Demir.

     In het stuk zelf gaat het over een klimaat van terreur die in de hogere onderwijsregionen zou heersen, maar een smoking gun tref je er niet aan. Er worden wel heel wat oude koeien uit de gracht gehaald. Ook komt uitspraak in de kop Niemand durft iets te zeggen van een vertegenwoordigster van VVS, de Vereniging van Vlaamse Studenten. In mijn tijd was dat een extreem-linkse organisatie en ik kan alleen hopen dat ze ondertussen geëvolueerd is naar gewoon-links.

     Eigenlijk erger ik mij zoals zo vaak meer aan aan de kop dan aan het artikel. Dat heeft ook met het digitale medium te maken waar ik die koppen zie verschijnen. Let wel, ik heb er alle begrip voor dat eindredacteurs de aandacht willen trekken met provocatieve uitspraken. Maar als je zo’n kop ziet in een gedrukte publicatie is dat niet erg. Je overloopt kort de inhoud en je trekt je conclusies. In digitale tijden is dat anders. Je wordt op je scherm voortdurend geconfronteerd met die tendentieuze koppen zonder context. Het is alsof je kijkt naar spandoeken in een linksliberale betoging.

  

Taalsociologen over thuistaal op school


     In De Standaard verscheen een opiniestuk van vier experts, waaronder Wouter Duyck en Dirk Van Damme, over de vraag of de thuistaal van migrantenkinderen moest worden ingezet in het onderwijs. De vier experts vonden dat géén goed idee. Andere experts, taalsociologen bijvoorbeeld, denken daar anders over. Ze halen studies aan die het succes van thuistaalonderwijs documenteren. Maar, schrijven Duyck en co,  die studies zijn niet toepasbaar op onze superdiverse klassen. Ze gaan bijvoorbeeld over Mexicaanse migrantenkinderen in de VS waar kinderen in het Engels en het Spaans onderwezen worden door perfect tweetalige leerkrachten. Conclusie: ‘Dat is in geen enkel geval bruikbaar in Vlaanderen, waar je van leraren niet kunt verwachten de vijftien thuistalen in de klas te beheersen, een voorwaarde voor dat succes.

     Zonder dat te weten van die Mexicaanse kinderen had ik de taalsociologische studies ook niet geloofd*. Sociologie is maar een halve wetenschap. Ze is in staat om de conclusies van ons gezond verstand te bevestigen of te nuanceren, maar niet om ze, zoals de fysica, tegen te spreken. Ik zal nooit veel geloof hechten aan een sociologische studie die huis-tuin-en-keuken logica tegenspreekt. Ik zal er mijn mening niet door omgooien, maar hoogstens, na zelfonderzoek, wat bijstellen. Of het zou moeten gaan om héél grootschalig onderzoek dat op héél transparante wijze tot héél dwingende conclusies leidt. 

     Bij de economische wetenschap is dat anders. Het gezond verstand vertelt ons dat een land rijk is als het veel goud in de schatkist heeft, of meer uitvoert dan het invoert. Adam Smith toonde aan dat dat niet zo was. Het gezond verstand vertelt ons dat een land niets moet invoeren wat het zelf beter kan produceren. Ricardo toonde aan dat dat niet altijd opgaat. Het gezond verstand vertelt ons dat een ordelijk geleide economie beter functioneert dan de chaos van de vrije markt. Mises toonde aan dat het omgekeerd was.

     Laatst vond ik in de mémoires die Gérard Roland op substack publiceert een treffende illustratie van dat verschil tussen economie en sociologie. Roland heeft intensief bestudeerd hoe de overgang van socialisme naar kapitalisme verliep in Oost-Europa en China. Het is op zich niet erg logisch dat de invoering van de vrije markt in het ene geval tot economische groei, en in het andere geval tot economische achteruitgang leidt. Als econoom slaagde Roland erin om verfijnde modellen uit te werken die dat verschil verklaren. Die modellen, daar zou ik nooit opgekomen zijn.

     Maar na 20 jaar modelbouw wilde Roland eens iets anders proberen. Hij wilde zijn geluk proberen met empirische studies die een meer sociologische methodiek vergen. Zo wou hij weten wat de voorwaarden waren voor het ontstaan van ondernemerschap. Welk soort mens werd een ondernemer? Welk soort mens werd een succesvol ondernemer? En wat bleek uit zijn uitgebreid onderzoek? Vooral kinderen van ondernemers werden ook ondernemer. En vooral slimme ondernemers waren succesvol. Beroepskeuze was gelinkt aan familie en succes was gelinkt aan intelligentie. Had Roland het tegenovergestelde ontdekt, dan had ik moeite gehad om hem te geloven.
     ‘We found no smoking gun,’ schrijft hij. Precies. Sociologische studies die wel een ‘smoking gun’ vinden zijn verdacht. Om nog te zwijgen van psychologische studies, waar ‘smoking guns’ schering en inslag waren tot de replicatiecrisis van 2015 iedereen weer met beide voetjes op de grond zette.

 

* Ik heb in het verleden al enkele stukjes gewijd aan de ‘thuistaal’-kwestie. Zie o.a. hier, hier, hier en hier.    

Verzamelde kortjes

 Koffiecapsules
     Vergeetachtigheid bij oude mensen zoals ik betreft vooral het geheugen op korte en op zeer korte termijn. ’s Morgens is mijn eerste werk het plaatsen van een capsule in de koffiecupmachine. Ik kan dat als de beste. Maar soms treedt er een complicatie op en is het waterreservoir leeg. Dan moet ik eerst nog het water bijvullen. Ook dat werkje is aan mij wel toevertrouwd. Maar nadat ik het water heb bijgevuld, weet ik niet meer zeker of ik wel een capsule in de machine heb geplaatst. Ik moet dan de machine openen, waardoor de capsule in het vergaarbakje valt, waar ik ze dan weer uit moet opvissen. 
    Vandaag wou ik het anders aanpakken. Het waterreservoir was weer leeg. Ik plaatste een capsule en pauzeerde enkele seconden. Ik liet de handeling goed tot mij doordringen. Als ik dan water had bijgevuld, zou ze mij nog altijd voor de geest staan. Zo gezegd, zo gedaan. Maar toen ik het water had bijgevuld wist ik weliswaar dat ik een capsule had geplaatst, maar ik wist niet meer zeker of het er een met koffie of met deca was. Mijn concentratie had niet geholpen. Es war alles umsonst gewesen.


’s Morgens en s avonds
     ’s Morgens en ’s avonds gebeurt iets raars met de tijd. De klok geeft aan dat een half uur verstreken is tussen het moment van opstaan en het moment dat ik, in mijn pyjama, aan mijn ontbijt en aan mijn krant kan beginnen. Het klaarmaken van het ontbijt, dat ik eerder al beschreven heb, vergt enige tijd, maar toch geen half uur, zou ik denken. Ik weet niet waar dat half uur naartoe gaat. ’s Avonds gebeurt hetzelfde, maar anders. Tussen het moment dat we de tv uitzetten en dat we in bed liggen, zit er een half uur, terwijl ik alleen mijn tanden moet poetsen en mijn pyjama aantrekken. Maar dit keer weet ik wel ongeveer waar de tijd naartoe gaat. We lopen een tiental keer van de living naar de slaapkamer en van de slaapkamer naar de badkamer en van de badkamer naar de keuken. Maar wat we daar doen, daar heb ik het raden naar.


 

Hail Mary Project

     Behalve de scenes met Sandra Hüller had de film Project Hail Mary weinig dat me kon bekoren. De humor was flauw, de spannende scènes waren niet spannend, en er scheelde iets aan de settings, maar ik weet niet goed wat. De alien van dienst, Rocky, had tegelijk iets van een knuffel, een aapje en R2D2. Hij drukte zich met behulp van een vertaalmachine uit in pidgin Engels. Ik ben zeer ontgoocheld dat onze vrienden van woke in het personage geen aanleiding zagen om kolonialistisch-paternalistische clichés over inheemse volkeren te bekritiseren.  

 

    Mary Beard

     Van Mary Beard las ik niet zo lang geleden het boek Keizer van Rome. Ik kon toen aan mezelf niet uitleggen waarom dat boek mij niet beviel. Vandaag zie ik op FB een citaat van Beard uit een ander boek voorbijkomen: ‘The history of Rome is not simply a story of great men and heroic deeds; it is also a story of conflict, debate and disagreement.’ Ook hier kan ik aan mezelf niet goed uitleggen wat mij in dat citaat niet bevalt. Is het omdat het een cliché is? Maar ik heb helemaal niets tegen clichés.

 


Chinese auto’s

     Zijn de lage prijzen van de Chinese auto’s in de eerste plaats het gevolg van staatssubidies? Gisteren schreef ik een stukje waarin ik die overal herhaalde mantra op face value aannam. Maar Stijn Decock geeft in De Standaard van vandaag (DS 6/5) een andere verklaring:

 

De toenemende concurrentie binnen China. BYD zit er in een hyperconcurrentiële markt met flinterdunnen marges waarin nieuwe modellen in een waanzinnig temp worden gelanceerd.

 

Robespierre als egalitair

     De denkwereld van Robespierre interesseert mij slechts matig. Ik kan mij niet voorstellen dat ik een van de mij resterende levensjaren zal besteden aan de studie van zijn Verzameld Werk . Maar in de FB-Dagklapper van Wildo Borel vond ik een merkwaardig citaat. Ik wist al dat l’incorruptible versterkte kastelen met de grond wou gelijk maken, omdat tegenstanders van de de revolutie zich daar konden verzamelen. Maar blijkbaar had hij het ook op kerktorens gemunt 

 

die door hun verhevenheid boven de andere gebouwen de beginselen van de gelijkheid lijken tegen te spreken.

 

     Het is alsof hier een karikaturale schurk uit een Ayn Rand-boek, Ellsworth Toohey bijvoorbeeld, aan het woord is.

 

AI didn’t do it 

      Een door mij gepubliceerd blogje vindt normaal in enkele dagen tijd tussen de 200 en de 500 lezers. Omdat ik vaak meer dan 30 blogjes per maand plaats en ook mijn oude blogjes nog worden opgepikt, kom ik maandelijks aan ongeveer 20.000 gelezen stukjes. Maar sinds drie maanden is dat aantal plots meer dan verdubbeld. Eerst vond ik dat fijn, maar daarna begon ik mij de vraag te stellen: had ik hier te maken met echte lezers, of met crawlers en AI-bots, die mijn teksten alleen lazen als trainingsmateriaal? Ik heb het aan AI zelf gevraagd, en die ontkent alles. Het kwam door een aanpassing in Google Search, door influencers die mijn blogjes verspreidden, en door honderd andere oorzaken. AI-bots hadden er misschien iets mee te maken, maar weinig, weinig. Ik moest aan de catch phrase van Bart Simpson denken: I didn’t do it.