dinsdag 24 februari 2026

Eredoctoraat voor Francesca Albanese, e.a.


Eredoctoraat voor Francesca Albanese
     De eerste keer dat ik de naam van Francesca Albanese hoorde, was over de autoradio, een jaar geleden. Albanese nam een stevig pro-Palestijns en anti-Israëlisch standpunt in, wat in het Westen niet ongewoon is. Ik heb er niet veel over gezegd, want mijn vrouw zat naast mij en wij denken anders over die kwestie. Maar het stoorde mij dat dat standpunt kwam van een ‘speciaal rapporteur van de UNO voor de mensenrechtensituatie in de bezette Palestijnse gebieden.’ Israël is toch ook een lid van de UNO, dacht ik, moet zo’n rapporteur dan niet wat meer neutraliteit aan de dag leggen? En bestaat er ook zo’n ‘rapporteur’ voor de mensenrechtensituatie in Iran*?
      Maar nu hebben de raden van bestuur van de VUB, de UGent en de Universiteit van Antwerpen beslist om aan Albanese een eredoctoraat toe te kennen. Daar is hier en daar wat protest tegen. De Standaard publiceerde en open brief van Joël Kotek, politicoloog, en Viviane Teitelbaum, voorzitster van Jonathas, een instituut dat het antisemitisme wil bestrijden.
     Kotek en Teitelbaum roepen de drie universiteiten op om dat eredoctoraat niét uit te reiken. Ze vinden dat sommige anti-Israël uitspraken van Albanese ‘aansluiten bij het repertoire van antisemitische stereotypen’ en geven daarvan enkele voorbeelden. Ze nemen er ook aanstoot aan dat Albanese zulke uitspraken deed in de aanwezigheid van Hamas-leiders. Ook vinden ze de uitspraken van Albanese misschien wel in strijd met de racisme-wet van 1982 en de anti-negationisme-wet van 1995.
      Ik ben een koele minnaar van het antisemitisme-argument, en van de wetten van 1982 en 1995 ben ik een verklaard tegenstander. Maar ook zonder die wetten vind ik de beslissing om dat eredoctoraat uit te reiken ongelukkig. In het algemeen is het beter om eredoctoraten uit te reiken voor academische of humanitaire prestaties, veeleer dan voor politiek engagement. Maar ik begrijp dat de grens tussen het humanitaire en het politieke niet altijd scherp te trekken valt**. De universiteiten zullen doen wat ze niet laten kunnen, en ondertussen ben ik al blij dat De Standaard ook eens een stuk tégen Albanese heeft geplaatst
.     En toen las ik op FB een boze reactie van, dacht ik, Tom Naegels:

Als Albanese al geen eredoctoraat zou mogen krijgen, volgens deze twee doctrinair-zionistische apartheidsverdedigers en Nakba-ontkenners, waarom zouden zijzelf dan wel vereerd moeten worden met een podium in een kwaliteitskrant?

     Hoe had Tom zoiets kunnen schrijven? Zo’n kinderachtige redenering! En dan: ‘doctrinair-zionistische apartheidsverdedigers en Nakba-ontkenners.’ Was dat misschien een pastiche op de stijl van de open brief? De dag erna zag ik de papieren krant, met de boze reactie als lezersbrief. Het raadsel was opgelost. De auteur was niet Tom Naegels, maar Tom Lanoye. 

* Voor alle duidelijkheid: ik ben er geen voorstander van dat er zo’n Uno-rapporteur voor de mensenrechten in Iran zou komen. Kritiek op de mensenrechtenschending moet komen van individuele landen of niet-gouvernementele organisaties. 

** Ook de grens tussen het academische en het politieke valt niet altijd scherp te trekken. Zie mijn stukje hier over onder andere het eredoctoraat dat de KULeuven uitreikte aan de Amerikaanse fysicus Norman Rasmussen. 


De olifanten van Gaia Schoeters
     Ook op de autoradio, maar recenter, hoorde ik een interview met Gaia Schoeters. De schrijfster heeft een nieuw boek uit: Het geschenk. Het gaat over Berlijn te maken krijgt met een invasie van 20.000 olifanten uit Botswana. Hoe zal de politieke wereld reageren? Volgens Schoeters gaat het  om een literaire allegorie, een poging om een onderwerp bespreekbaar te make,n tegen de bestaande vooroordelen in. Het boek gaat dus, als ik het goed begrepen heb, over de olifant in de kamer.   


 Links, rechts en extreem
       Een klassieke manier om naar politiek links en rechts te kijken is het hoefijzermodel. De twee takken stellen links en rechts voor en aan de uiteinden – de extremen – buigen ze naar elkaar toe. ‘Les extrêmes se touchent.’* Dat is een typische voorstelling voor iemand die zichzelf in het centrum waant, maar ze doet geen recht aan de assymetrie in het dominante taalgebruik. Iedereen kent het begrip ‘verrechtsing’, maar je moet je al in stevig rechtse milieus begeven om het begrip ‘verlinksing’ tegen te komen. De waarschuwing dat N-VA niet met VB mag samengaan, klinkt altijd veel luider dan die dat de socialisten niet met de PVDA mogen samengaan.
     FB-vriend Geraard Goossens heeft voor die situatie een uitleg: 

Rechts bevind je je op een hellend vlak, je moet áltijd opletten dat je niet afglijdt. Bij links is dat niet het geval, écht 'links' ben je nooit genoeg. Extreem-links is dan ook zonder problemen het slechte geweten van links ... Dit wil dus zeggen dat de twee extremen van het politieke spectrum een andere rol spelen: extreem-rechts is altijd een gedeformeerde, grimmige versie van rechts is; extreem-links steeds een pure, gecondenseerde versie van links. Links is eigenlijk een perversie van extreem-links en extreem-rechts is een perversie van rechts. Links is altijd bang té gematigd te zijn en rechts is altijd bang om niet gematigd genoeg te zijn.

      Daar zit veel waarheid in. De centrum-linkse Louis Tobback vormde ooit in de jaren 80 een coalitie met extreemlinks; dat was met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen. Tobback noemde extreemlinks toen wel niet ‘het geweten van links’ maar dan toch ‘het zout in de soep.’ Vleierij natuurlijk, om extreem-links te paaien met woorden in plaats van met verkiesbare plaatsen op de lijst. Maar het was meer dan dat; het was ook het aanvoelen van veel traditionele socialisten: extreem-linksen houden weliswaar te weinig rekening met de realiteit, maar ze verliezen ten minste het einddoel niet uit het oog. Diep in hun hart vrezen ministrabele socialisten dat ze hun jeugdideaal vegeten zijn. Zoals Adriaan Roland-Holst dichtte:

In hun gehuurde zaal
Hebben zij het uitgerekend
Tezamen, en blij
Wat die wind betekent
Vergaten zijn.

          Maar hier is meer aan de hand dan opspelend geweten, nostalgie naar jeugdidealen en romantische dromen van een nieuwe wind die over de wereld moet waaien. Als voor links het hoogste goed bestaat uit de sociale gelijkheid, dan is het extreme standpunt dat die gelijkheid volkomen en absoluut moet zijn. Dat is dan een ultiem streefdoel waar geheel links zich achter kan scharen.
      Ter rechter zijde ziet de zaak er anders uit. Als voor (een bepaald soort) rechts het hoogste goed bestaat uit de natie**, dan zal de extreme vorm ervan dat goed nastreven ten nadele van andere naties, iets waar inderdaad slechts de grimmige extremisten zich achter kunnen scharen. 

* Over het hoefijzermodel: zie hier. Het model illustreert onder andere dat extremisten van links en rechts op elkaar gelijken in hun enthousiasme voor geweld en dwang, en in hun verwerping van de liberale democratie.

** Het is overigens niet noodzakelijk om rechts te herleiden tot een of andere vorm van nationalisme. Er moeten ook conservatieve Amerikanen bestaan die individuele vrijheid als hoogste goed zien en die zich ’s avonds voor het slapengaan afvragen of ze hún idealen wel trouw gebleven zijn. Voor hen is Ayn Rand dan hun ‘slechte geweten’. 

zondag 22 februari 2026

Kortjes

 Strak vijfjarenplan voor het klimaat
      Lieven Sioen maakt zich zorgen dat Europa zijn CO2-uitstoot minder snel zou afbouwen (DS 11/2). Hij haalt terecht aan dat ‘zelfs erg liberale economen’ in een koolstoftaks de effciëntse manier zien ‘om een economie klimaatneutraal te maken.’ Als klimaatneutraliteit de overheersende ambitie is moet die koolstoftaks inderdaad zo hoog mogelijk zijn. Als die klimaatneutraliteit echter tegen andere ambities moet worden afgewogen, ziet de zaak er anders uit.
     Sioen gebruikt overigens in zijn klimaatenthousiasme een erg discutabel argument.

Nochtans vormden net ambitieuze regelgeving en strakke langetermijnplanning de strategie waarmee China het groen technologisch leiderschap van Europa overnam. De Green Deal heet daar gewoon vijfjarenplan.

       Ik betwijfel of strakke vijfjarenplannen de oplossing zijn. In elk geval, de ‘erg liberale economen’ die een koolstoftaks bepleiten, doen dat precies om die strakke planning te vermijden.


Deportaties ... naar Rusland
     Laatst schreef de voortreffelijke Paul Cordy in zijn dagelijkse FB-post over het McCarthyisme in het Amerika van de jaren 50. Het McCarthyisme, schreef hij, was de twééde Red Scare, want na Wereldoorlog I was men in de Verenigde Staten al eens in paniek geweest voor het Rode Gevaar. Wat ik niet wist was de manier waarop dat gevaar in die tijd werd bezworen. Gevaarlijke communisten werden gedeporteerd … naar Rusland – een erg wrede straf. Ik ken al heel mijn leven het argument: ‘Als het onder het communisme zoveel beter is, waarom ga je er dan niet wonen?’  Ik wist niet dat de praktische Amerikanen het argument ooit in de praktijk hebben gebracht.


‘Vechten’
     De burgemeester van Minneapolis en de gouverneur van Minnesota worden gedagvaard voor een Grand Jury omdat ze hebben opgeroepen om te ‘vechten’ tegen de uitwijzing van illegalen. Men wil nagaan of dat van de burgemeester en de gouverneur geen ‘oproep tot geweld’ inhield. Dat is natuurlijk een waanzinnige beschuldiging omdat iedereen weet dat ‘vechten’ in een politieke context een metaforische betekenis heeft. Men ‘vecht’ voor beter onderwijs. Men ‘vecht’ voor een begroting in evenwicht. Men ‘vecht’ om in Brussel een regering tot stand te brengen. Mag ik desalniettemin voorstellen om de krijgshaftige metafoor in het vervolg niet meer te gebruiken. Dat is iets waar ik voor wil … ach nee.


Theater met gordijn
     We hebben in de Bourla-schouwburg een fijne avond beleefd met de vertoning van Voor het pensioen van Thomas Bernhard (1931-1989). In de brochure stond dat het ging om ‘een familiedrama in de lijn van Ibsen, Strindberg en O’Neill.’  Dan mag je je aan een striemende kritiek op het kleinburgerdom verwachten, en aangezien het een Duits stuk is, wordt dat kleinburgerdom in verband gebracht met het nazisme. Dat zal mij, vrees ik, niet van mijn kleinburgerlijkheid genezen.
     Niet alleen de inhoud viel binnen het traditionele realisme, aangevuld met wat absurditeit, ook de uitvoering zelf hield zich aan de klassieke regels, met bijvoorbeeld een min of meer herkenbaar decor. Wat mij nog het meeste beviel was dat het podium voor de voorstelling begon werd afgeschermd door een … gordijn. Je ziet dat bijna nooit meer. Vandaag zie je voor de voorstelling de acteurs op het podium rondlopen en met elkaar praten of zelfs, in het ergste geval, acrobatische dansen uitvoeren.

  

Een nogal slap boekje van Bert Engelaar
        ABVV-voorzitter Bert Engelaar en slamdichter Martijn Nelen (‘Bekvegter’) hebben een boekje uitgebracht dat de meest bekende ‘korte bochten van rechts’ op een guitige manier onderuit wil halen. Ik heb er even in gebladerd. Ik had gedacht dat het slappe kost zou zijn, maar het is nog heel wat slapper uitgevallen dan ik had kunnen vermoeden. Neem het stukje over het ‘torenhoge overheidsbeslag’. Een flauwe woordspeling op ‘financieel beslag’ en ‘beslag voor pannenkoeken’ wordt eindeloos uitgemolken. Er wordt gesuggereerd dat ‘rechts’ op die metafoor speculeert. En dan volgt de polemische kopstoot: ‘Bij overheidsbeslag gaat het zelden om exacte cijfers.’ Au contraire, beste Bert en Martijn. Als rechts over het overheidsbeslag spreekt, gaat het altijd om concrete cijfers. Het is een van de weinige cijfers die ik uit het hoofd ken: 54 %, al is het ondertussen wellicht iets meer*.

* Zie mijn stukje hier.  


Interviews met Bart De Wever
     In De Standaard (14/2) zegt Bart De Wever dat hij liever geen interview had gegeven, maar dat hij zich heeft laten overtuigen door de mensen die hem omringen. De Wever heeft gelijk. Ik heb het interview gelezen, ik hou van De Wever, wat hij zegt is realistisch, maar ik vond het een saai stuk. Zoals eigenlijk alle algemene interviews met politici. In interviews lijken ze allemaal op elkaar, allemaal even verstandig, allemaal even welbespraakt, allemaal even bezorgd over onze toekomst. The Economist noemde De Wever onlangs een ‘continental wit who moonlights as Belgian Prime Minister.’ Je merkt daar weinig van in een uitgeschreven interview.


De overheid als draagmoeder
     De Franse overheid wil iets doen aan de lage geboortecijfers en zal naar alle 29-jarige vrouwen een brief sturen met de aanmaning om hun vruchtbaarheid te laten checken. Zelf denk ik dat we de denataliteit zullen moeten aanvaarden, en proberen op te vangen door verhoogde productiviteit en AI, maar Sarah De Coster (DS 14/2) denkt vooral aan sociale maatregelen: kinderopvang, zwangerschapsverlof, huisvesting, bescherming tegen inkomensverlies. Daar zijn goede argumenten voor, maar de formulering is voor een libertair als ik nogal angstaanjagend: 

 We hebben overheden nodig die [tegen zwangere vrouwen] zeggen: “we dragen mee”.

     En net die zin heeft de eindredactie dan uitgekozen als citaatkop!

 



Smartphoneverbod op school

      Ik heb meestal heel wat bedenkingen bij wat Dominique Deckmyn schrijft over sociale media en AI, maar dit keer (DS 14/2) slaat hij de spijker op de kop. Hij heeft het onder andere over de studie van de KU Leuven waaruit blijkt dat een streng smartphoneverbod op school nadelig is voor het welbevinden van scholieren. Deckmyn schrijft:

Laten we toch onthouden dat dit verbod er niet kwam op vraag van scholieren om hun welbevinden te verhogen. De maatregel kwam er op vraag van leerkrachten en ouders om te maken dat de leerlingen beter leren. De belangrijkste vraag is dus: leidt het tot betere leerresultaten? En liefst draagt het ook bij tot het beperken van ‘problematisch gebruik’, of ‘verslaving’, bij jongeren.

      De studie van de KU Leuven lijdt aan het euvel van data availability bias. Niets makkelijker dan aan een representatief staal van scholieren te vragen of ze zich na de invoering van het smartphoneverbod beter of slechter voelen. De twee andere vragen die Deckmyn opwerpt zijn veel moeilijker te onderzoeken. Zie ook lamppost bias, McNamara fallacy, proxy bias. 

***

     Een heel mooie lezersbrief in De Standaard van 13 februari. Een leraar mediakritiek schrijft:

Deze week berichtte het VRT-journaal dat onderzoek van de KU Leuven wijst op een ‘contraproductief effect’ van een totaalverbod van smartphones in scholen. Dat zou een ‘eerder negatieve impact hebben op het mentale welzijn van de jongeren … Je begrijpt het bericht beter door te kijken wat het nieuwsitem wegliet: de methodologie achter de studie.’

     Elke berichtgeving over wetenschappelijk onderzoek zou voor de helft moeten bestaan uit een beschrijving van de gevolgde methodologie. Hier heeft men de kwestie onderzocht door ‘zelfreportage’, met andere woorden door aan leerlingen te vragen of ze zich nu beter of slechter voelden door het smartphone-verbod. De lezersbrief besluit: 

Het probleem is de manier waarop waarop technologie jarenlang ongehinderd een centrale plaats kreeg in het leven van jongeren. Een kortstondige toenamen van negatieve gevoelens zegt in dat licht vooral iets over de diepte van die onafhankelijkheid, niet over de zin of onzin van het verbod.


donderdag 19 februari 2026

Besnijdenis in de VS, e.a.


Besnijdenis in de VS
     In onze kranten kunnen we nu uitgebreid lezen over de voor- en nadelen van de besnijdenis. Men legt daarbij uit dat het om de penis gaat, iets wat onze godsdienstleraar in het eerste middelbaar zorgvuldig verzweeg. Hij bleef maar spreken over de ‘voorhuid’ en nam daarbij met twee vingers een stukje huid van zijn andere hand vast. Daar werden we niet veel wijzer van. Terloops lees ik ook in de krant dat 75 procent van de Amerikanen besneden zijn.
     75 %, dat kan niet waar zijn denk ik, en zoek het op met Grok. Het is waar. Volgens Grok is het zelfs 80 procent, maar het aantal nieuwe besnijdenissen van pasgeborenen is dan weer gedaald tot 50 procent. Die daling doet zich vooral voor in de grote steden. In gebieden waar men meer voor Trump stemt blijft het besnijdenispercentage hoog.
      Die Amerikaanse toestanden doen mij denken aan een gedicht van Poesjkin – dat ik eerst tevergeefs bij Heine heb gezocht*. Maar dat die twee dichters veel gemeen hebben in stijl en toon, had men al langer opgemerkt. Het gedicht gaat als volgt:

Rebecca, Christus is verrezen!
Vandaag, mijn engel, wil ik trouw
Aan onze Here Jezus wezen
En aan Zijn wet: dus kus ik jou.
Maar morgen zal ik me bekeren
En trouw aan Mozes’ wetten zweren:
En voor een kus ben ik bereid
Jou dat te schenken, wat altijd
Voor jood en christen zal fungeren
Als tastbaar basisonderscheid.


     In de VS geldt dat tastbaar basisonderscheid dus veel minder dan Heine, pardon Poesjkin, dacht. 

* Door dat misverstand heb ik Heines mooie anti-antisemtische gedicht ‘Dona Clara’ nog eens opnieuw kunnen lezen.


Bill White vs Conner Rousseau
     Vooruit-voorzitter Conner Rousseau heeft een filmpje op de sociale media geplaatst waarin hij president Trump vergelijkt met Adolf Hitler. De Amerikaanse ambassadeur Bill White vraagt nu dat de Belgische regering iets zou ondernemen tegen Rousseau. Hij mág dat natuurlijk vragen, maar hij moet weten dat bij ons de wet tegen het beledigen van buitenlandse staatshoofden in 2005 is afgeschaft*. Zelfs de wet tegen het beledigen van ons eigen staatshoofd is afgeschaft, zij het wat later. Sinds 2021 kunnen we straffeloos schrijven dat onze koning een idioot is.
     White zegt ook dat de VS een inreisverbod tegen Rousseau kan uitvaardigen. De VS mág dat doen, maar ik zou het niet verstandig vinden. Verenigd links en andere anti-Atlantisten willen dat België een uitwijzingsbevel zou uitvaardigen tegen ambassadeur White. België mág dat doen, maar ik zou het niet verstandig vinden. Maar dat onze pers schrijft dat White een idioot is die zich niet met onze wetgeving of rechtspraak dient te bemoeien, dat kan ik billijken.

* In de VS heeft zo’n wet geloof ik nooit bestaan. 


De ironie van Bart Schols
      Over het rumoerige debat op De Afspraak tussen Bart Schols en Soundos El Ahmadi heb ik tot nu toe mijn mond gehouden. Het debat had ik niet gezien, en over de reactie van Schols had ik niet veel te melden. Schols had op de sociale media geschreven:

Ik besef nu dat je je als witte man blijkbaar niet zomaar in eender welke discussie kan mengen. Dankjewel daarvoor.

Men verweet Schols dat hij de uitval van El Ahmadi verkeerd weergaf. Ze had gezegd dat hij als ‘man’ moest zwijgen over de onveiligheid van vrouwen, en Schols had daar ‘witte man’ van gemaakt. Anderen verweten Schols dat hij als een wokie aan zelfbeschuldiging had gedaan. Who cares?
      Maar bij Christophe Vekeman las ik iets interessants:

 Ik ga nu even voorbij aan de weinig doeltreffende ironie die Schols hier waarschijnlijk gebruikte, en aan het wat zure zelfmedelijden dat sprak uit de door hem gebezigde woorden. Dat laat ik hier even buiten beschouwing, zeg ik, want los daarvan sluit de door hem geformuleerde vaststelling wel degelijk aan bij wat sommigen wérkelijk blijken te menen.

     Dat was twee keer de waarheid. Velen menen wérkelijk dat er discussies zijn waar een ‘witte’ man zich niet zomaar in kan mengen. En Schols zijn uitspraak was waarschijnlijk ‘ironisch’ - in de meer algemene zin van het woord. Maar aangezien die ironie hier ‘zuur’ en ‘zelfmedelijdend’ is, kunnen we in technische termen beter van ‘sarcasme’ spreken.
      Een andere interessante commentaar vond ik bij FB-vriend Luc de Coster. De lezer moet het zelf maar opzoeken, maar een briljant zinnetje wil ik ondertussen al meegeven:

Ik ga mij nu buigen over de vraag of dit soort misogynie een kwestie van geslacht of van gender is.

         De vondst zit in het woordje ‘nu’. Had er gestaan ‘Ik ga mij niet buigen over …’ dan hadden we met een doordeweekse, sarcastische praeteritio te maken, die ook nog eens ontsierd wordt door een cliché. Maar door dat ‘nu’ wordt de mededeling verheven tot het niveau van fijne ironie. Je ziet heel even het beeld van een schrijver die met een klein mesje zijn ganzenveer bijsnijdt om de rest van zijn opstel af te werken. En daarvoor moet hij zich inderdaad buigen over het papier dat voor hem ligt.


Meloni ‘legt het zwijgen op’
     Bij een linkse FB-vriend lees ik: 

In Italië waarschuwt Mussolini-kenner Antonio Scurati … voor de teloorgang van de democratie. Scurati ziet in de partij van Meloni een rechtstreekse nazaat van het fascisme. Hij wordt door Meloni het zwijgen opgelegd.

     Hoe moeten we ons dat voorstellen, dat Scurati het zwijgen wordt opgelegd? Heeft Scurati een publicatieverbod gekregen? Heeft hij huisarrest gekregen? Is hij verbannen naar een eiland voor de Siciliaanse kust?
      Ik heb het moeten opzoeken, want de details waren ondertussen wat wazig geworden. Antonio Scurati was in 2024 uitgenodigd om op de televisie een korte tekst voor te lezen ter gelegenheid van de nationale feestdag van 25 april. In de tekst beschuldigt hij premier Meloni ervan geen afstand te nemen van het fascisme in zijn geheel. Kort voor de uitzending annuleerde de RAI het optreden. 
     Het is zeker mogelijk, maar niet bewezen, dat Meloni druk heeft uitgeoefend op de RAI om het optreden van Scurati te annuleren. Meloni ontkent dat, maar het is plausibel. Zoals het ook plausibel is dat de directie van de RAI die beslissing zelf heeft genomen, zonder druk van buitenaf. Als de VRT op de nationale of Vlaamse feestdag Ico Maly zou uitnodigen om een korte tekst voor te lezen waarin Bart De Wever een rechtstreekse nazaat van het fascisme wordt genoemd, dan zou ik als VRT-directeur geen druk van buitenaf nodig hebben om dat optreden te laten annuleren. Op een minder plechtige dag zou ik er niet aan beginnen. En het zou natuurlijk ook mooi zijn als ik als directeur nóóit redactioneel tussenkwam.
     In elk geval, de uitdrukking ‘het zwijgen opleggen’ is voor dit incident geen goede omschrijving. De tekst werd voorgelezen door een tv-presentatrice, hij werd gepubliceerd in kranten en on-line media en Meloni zelf plaatste hem op haar FB-pagina ‘zodat iedereen zelf kon oordelen.’ 
    Als links er oprecht van overtuigd is dat populistisch rechts vandaag een hellend vlak vormt waarop we afglijden naar een op het fascisme gelijkende dictatuur, dan heeft het er alle belang bij om dat gevaar in redelijke woorden te beschrijven, zonder grove overdrijvingen. Anders overtuigen ze alleen zichzelf. En voor een antifascistisch front, weet ik nog van mijn communistische jeugd, moet je ook de brede massa
s van het midden overtuigen.

   

Duval en Lancaster als predikant
    Velen denken bij de naam van Robert Duval in de eerste plaats aan zijn rol als evangelisch predikant in The Apostle (1997). Ik heb die film ongetwijfeld gezien, maar ik verwar hem te veel met Elmer Gantry (1960) waarin het Burt Lancaster is die de rol van predikant speelt. Ergens in de film zegt die: ‘It does a man good to get down on his knees once in a while.’ Ik loop niet zo hoog op met Lancaster, minder dan anderen in elk geval, en ik heb weinig aanleg voor religie, maar dat zijn woorden die blijven hangen.


Beeld en tekst bij Peter van Straaten
     Bij de meeste tekeningen van Peter van Straaten werkt de grap alleen als je beeld en tekst samen ziet. Maar deze uitspraak van een vrouw – die doet denken aan bepaald Elsschot-gedicht – werkt ook als ze alleen staat: ‘Als mijn leven een film was geweest dan had ik Herman al lang vermoord.’ De tekening die erbij staat is overigens geniaal*.

*Zie hier.



 

woensdag 18 februari 2026

Ongelijkheid in de VS: grafieken

          Hoe groot is de ongelijkheid eigenlijk die links zo graag wil bestrijden? In ons land is die vrij klein. Je kunt dat meten met een wiskundige formule die de zogenaamde Gini-index als resultaat heeft. Wij hebben een Gini-index van 0,25, waarmee we bij de top-5 van meest gelijke landen behoren. De VS hebben een Gini-index van 0,40, een van de hoogste ongelijkheidsmetingen in de rijke landen. Maar voor een leek is het moeilijk om zich iets voor te stellen bij een wiskundige formule. Wij houden meer van begrippen als de ‘1 percent’ en de ‘bottom 50 percent’.
    In wat volgt, gaat het alleen over de VS, waarvan ik, met de hulp van Gemini, gemakkelijker aan cijfers kon komen. Laten we beginnen met een eenvoudige grafiek: de evolutie van de besteedbare inkomens van de laatste 50 jaar. (De grafieken worden duidelijker als men er op klikt.) 

Evolutie van inkomens in de VS


      Dat is een erg alarmerende voorstelling. Je kunt die wat verzachten door het mediaan inkomen te kiezen in plaats van de Bottom-50. Of je kunt die wat verscherpen door de Top-0,1 en de Bottom-10 te kiezen, maar dan is die laatste lijn nog nauwelijks zichtbaar omdat ze ongeveer samenvalt met de x-as. In elk geval kan iedereen zien dat de ‘kloof’ tussen arm en rijk groter wordt, al is het ook weer niet zo dat ‘de armen armer worden’ - hun inkomen stijgt, maar slechts héél traag.
       Eigenlijk is het cijfermatige eindresultaat van de evolutie ook weer niet zo verwonderlijk. Een gezin uit de Top-1 heeft een inkomen dat dertig keer groter is dan het mediane inkomen van de armste helft van de bevolking. Hadden we iets anders verwacht? De gemiddelde egalitarist is er, geloof ik, van overtuigd dat de Amerikaanse Top-1 niet dertig maar ‘duizend-miljoen-miljard’* keer meer verdient dan de rest van de inwoners. Ik word het niet moe om het mopje van Hendrik Vos telkens opnieuw te gebruiken.
     De lijngrafiek heeft het voordeel dat ze de evolutie over de tijd kan weergeven. Maar het nadeel voor mij is dat ik die lijn makkelijk verwar met een weergave van de actuele toestand. Dan ben ik geneigd om het volledige gebied tussen de twee lijnen te zien als ‘het deel van de koek’ dat door de rijken wordt opgeslokt. Daarom ga ik hieronder over op taartgrafieken.
     Ik kijk eerst even naar de vermogensongelijkheid.

Ongelijkheid in vermogen



       Hier hebben we alweer een alarmerende voorstelling van zaken. De Bottom-10 kun je op de grafiek niet eens weergeven omdat ze meer schulden dan bezittingen hebben. De Top-0,1 alleen al heeft 7 keer meer dan de hele Bottom-50. Of om het nog spectaculairder te stellen: één gezin uit de Top-0,1 heeft 2500 keer meer dan een gezin uit de Bottom-50. Anderzijds, toen ik begon les te geven, zullen er ongetwijfeld ook collega’s geweest zijn met een vermogen dat 2500 keer groter was dan het onze: het verschil tussen een afbetaald huis en een huis met een hoge hypotheeklening. Ook moeten we beseffen dat een groot deel van die rijkdom van de Top-0,1, de Top-1 en de Top-10 niet bestaat uit auto’s en huizen en computers, maar uit aandelen in bedrijven die auto’s en huizen en computers produceren.
     Dat brengt ons bij de consumptie-ongelijkheid. Het klopt dat de Top-0,1 meer en betere huizen, auto’s en computers heeft dan de doorsneeburger, maar hier is het verschil véél, véél kleiner.

Ongelijkheid in consumptie



          Met de consumptie als graadmeter blijft de ongelijkheid bestaan. De Bottom-10 krijgt maar 60 procent van waar ze recht zou op hebben bij een volmaakt gelijke verdeling en de Top-1 krijgt gemiddeld 8 keer te veel. Alleen de 40 procent tussen de Top-10 en de Bottom-50 (het okergele segment) krijgt gemiddeld een aandeel dat aan de egalitaire principes beantwoordt. Bij een egalitaire maatschappij zou iedereen in oranje segment zitten.
      Ik geef toe dat de strikt egalitaire verdeling, en de afwijkingen ervan, mij niet zo bezighouden. Wel zou de consumptie-ongelijkheid, vind ik, een interessante invalshoek moeten zijn voor wie graag herverdeelt. In laatste instantie is het immers de consumptie die moet herverdeeld worden. Het is de luxe-jacht van Bezos die de ogen uitsteekt. Maar die luxe-jacht zit dus in in dat kleine donkerblauwe segment, waarvan iedereen zal inzien dat het niet volstaat om alle sociale noden te lenigen. De liberaal in mij zal dan voor de zoveelste keer aanhalen dat het beter is om een grotere taart te bakken dan om de taart te herverdelen.
     Voor wie vindt dat een taartdiagram met de samengevoegde grootheden van de taartdiagram de consumptie-ongelijkheid onvoldoende illustreert heb ik ook nog een blokdiagram besteld, waaruit blijkt dat een gezin uit de Top-1 negentien keer zoveel consumeert als een gezin uit de bottom-10 en zeven keer meer dan een mediaan gezin. Wie de ongelijkheid grafisch liever nóg groter voorstelt, moet de consumptiecijfers nemen van de Top-0,1. Maar dan zou je voor de grafiek een logaritmische schaal moeten gebruiken.


Ongelijkheid in consumptie tussen twee gezinnen








1. Vermogensongelijkheid (Wealth)

 

Vermogen omvat bezittingen zoals huizen, aandelen en pensioenrekeningen minus schulden.

 

Categorie

Aandeel in totaal vermogen

Top 0,1%

~14%

99% - 99,9%

~16%

90% - 99%

~37%

50% - 90%

~28%

10% - 50%

~5%

Armste 10%

<0% (Netto schuld)

 

 

Zonder uitsplitsing van de armste 10 %

 

Categorie

Aandeel in totaal vermogen

Top 0,1%

~14,5%

99% - 99,9%

~16,5%

90% - 99%

~37%

50% - 90%

~30,5%

Armste 50 %

~5%

 

2. Inkomen vóór belastingen en transfers (Pre-tax Income)

Dit is het "marktinkomen" (salaris, dividenden, rente) voordat de overheid ingrijpt via belastingen of sociale uitkeringen.

 

Categorie

Aandeel in inkomen (Pre-tax)

Top 0,1%

~10%

99% - 99,9%

~9%

90% - 99%

~28%

50% - 90%

~36%

10% - 50%

~15%

Armste 10%

~2%

 

 

3. Inkomen ná belastingen en transfers (Post-tax Income)

Dit toont het effect van herverdeling (zoals de inkomstenbelasting en programma's als SNAP of Social Security). 

 

Categorie

Aandeel in inkomen (Post-tax)

Top 0,1%

~8%

99% - 99,9%

~8%

90% - 99%

~25%

50% - 90%

~36%

10% - 50%

~19%

Armste 10%

~4%

 

4. Consumptie-ongelijkheid (Consumption)

De ‘consumptie’ omvat alle uitgaven aan wonen, voedsel, vervoer, zorg, entertainment en kleding.

Huishoudens met lage inkomens geven vaak meer uitgeven dan ze verdienen (via leningen of spaargeld) en de allerrijksten consumeren slechts een fractie van hun inkomen.

 

Categorie

Aandeel in totale consumptie

Top 0,1%

~3%

99% - 99,9%

~5%

90% - 99%

~17%

50% - 90%

~39%

10% - 50%

~30%

Armste 10%

~6%

 

Mediaan gezin top 1%: Consumeert jaarlijks ongeveer $550.000.

Mediaan gezin armste 10%: Consumeert jaarlijks ongeveer $28.500.

Amerikaans mediaan gezin: consumeert jaarlijks ongeveer $78.000.

 


De linkse visie op AI

     Filosoof Mathias Vander Hoogerstraete (DS 13/2) vindt dat de overheid moet ingrijpen om ethische normen op te leggen aan de ontwikkeling van AI. Behalve het axioma dat je zoiets niet aan de winstzucht van de bedrijven kunt overlaten, zijn de argumenten wat onduidelijk. Hij verwijst naar veiligheidschecks – iets waar ik weinig vanaf weet.
     AI ontwikkelt zich volgens de filosoof niet in de gewenste richting. De technologie wordt te weinig ingezet voor kankerbestrijding en klimaatbeleid. De huidige toepassingen worden door jongeren misbruikt om hun schooltaken te maken en om hun sociale relaties uit te bouwen. Hoe zoiets met overheidsregulering moet worden bestreden is mij niet duidelijk.
     In zijn conclusie laat de filosoof zien hoe de AI-problematiek kan worden ingepast in een linkse agenda:

De disruptieve kracht van AI rijt heel wat maatschappelijke discussies open. Moeten we afstappen van ons transactioneel onderwijs, waarin we output belonen met cijfers? … Wie kan er profiteren van de enorme productiviteitswinsten die generatieve AI in veel sectoren belooft?

     Twee oude stokpaardjes van links: een school zonder punten* en de herverdeling van de ‘enorme winsten’ nog voor ze zijn gerealiseerd. Ergens in het midden van de tekst worden we ook gewaarschuwd voor het naïeve geloof in trickle-down economics. 

* Een grapjas noemde het ooit: the free distribution of diplomas under the deserving poor.

 

dinsdag 17 februari 2026

Robert Duval (1931-2026), e.a.


Robert Duval (1931-2026)
     
‘Robert Duval is dood,’ zei mijn vrouw. Normaal vraag ik dan hoe oud hij geworden is. Maar dit keer had ik mijn mening daarover al gevormd. ‘Die moet al heel oud geweest zijn. In To Kill a Mockingbird was hij al niet meer van de jongste en die film is van 62.’
 
        Iedere filmliefhebber zal geloof ik, na enig nadenken en zonder het op te zoeken, tien films met Duval kunnen opsommen, meestal in een of andere opvallende bijrol. In mijn lijst van tien zou ongetwijfeld de tv-film Stalin (1982) voorkomen. Duval speelde daarin de Russische dictator. Goed, hij geleek fysiek niet zo goed op Stalin, maar dan moet je weten dat in die film de rol van Lenin werd gespeeld door Maximilian Shell en de rol van Boecharin door Jeroen Krabbé. Dat is natuurlijk allemaal niet zo erg als wat we in Death of Stalin (2017) zagen. Daarin werd de rol van Chroestjov gespeeld door Steve Buscemi. Nu vraag ik je. Trouwens, nu we het toch over Russen hebben, Duval speelde ook de rol van een Russische generaal in de tv-film Hemingway and Gehlhorn (2012). Hij wilde met Martha Gelhorn naar bed en maakte daarover ruzie met de beroemde schrijver.
     Duvals naam zal altijd verbonden blijven met zijn rol als Killgore in Apocalypse Now (1979) en als Tom Hagen in The Godfather (1972). In die eerste film levert hij de quote ‘I love the smell of napalm in the morning.’ Daar kan niets tegenop. In The Godfather zijn zijn uitspraken minder memorabel. Hij komt hij niet veel verder dan het kille ‘Mr. Corleone never asks a second favor once he’s refused the first.’ Iedereen zal toegeven dat de film tientallen quotes bevat die meer indruk maken.
      Zelf moet ik denken aan een andere quote uit een minder bekende film: A Civil Action (1998). Het is een klassiek rechtbankdrama. Een groot bedrijf loost giftige stoffen in een meer, de omwonenden worden ziek, een min of meer idealistische advocaat spant een rechtszaak in tegen het bedrijf en … vanaf dan neemt het verhaal een minder klassieke wending. Duval is de advocaat van het vervuilende bedrijf. In een informeel gesprek legt hij aan zijn opponent uit waarom hij denkt de zaak te zullen winnen: ‘You didn’t find anyone who saw me.’ Ik heb het altijd fascinerend gevonden dat advocaten soms spreken over hun cliënt in de eerste persoon enkelvoud.


Hoer!
     Dagelijks zie ik op FB enkele tekeningen van Peter van Straaten voorbijkomen waarop iemand iets grappigs zegt. Die grap kun je meestal niet navertellen, al heeft Karel van het Reve dat wel eens geprobeerd. Nu zag ik er gisteren een die ik wel kan navertellen. Een meneer staat op straat, kijkt boos naar een raamprostituee en roept luid: ‘Hoer!’. De grap zit in de overtreding van de communicatieregels. Sommige woorden gebruik je alleen om iemand uit te schelden die niét beantwoordt aan het scheldwoord dat je hem toeslingert. Je kunt Mussolini niet uitschelden voor ‘fascist’ of Hitler voor ‘nazi’. Er bestaan wel uitzonderingen. Je kunt bijvoorbeeld Raoul Hedebouw uitschelden voor ‘communist’. Hij zal niet ontkennen dat hij dat is, maar hij hoort het niet graag. 


Hendrik Vos en het protectionisme
     Het loont de moeite om het opiniestuk van Marc Reynebeau (DS 28/1) over Mercosur* te leggen naast het stuk van Hendrik Vos over het industrieel beleid (DS 17/2). Men merkt het verschil tussen een linkse populist als Reynebeau en een linkse liberaal als Vos, weliswaar een héél linkse liberaal. Politiek lopen de standpunten gelijk: de economie moet streng geregeld worden door de overheid om de consument en het klimaat te beschermen, en het beleid moet de vraag uit industriële kringen voor goedkope fossiele energie naast zich neerleggen. Maar er zijn verschillen in de ideologie. Bij Reynbeau overheerst het chagrijnige afgunstsocialisme, de haunting fear dat er ergens kapitalisten zouden zijn die superwinsten maken. Dat wordt meestal gekruid met verwijzingen naar grauwe 19de-eeuwse toestanden, is het Daens niet, dan is het wel Het gezin Van Paemel.
      Vos begint ook met een verwijzing naar het grauwe verleden, meer bepaald naar zijn vader die in een papierfabriek werkte, en die in de jaren 70 zijn baan verloor. Maar Vos wil met dat voorbeeld laten zien dat de fabrieksluitingen van de jaren 70 – in papier, staal, textiel en mijnbouw – niet noodzakelijke tot een sociaal-economische ramp moesten leiden. En dat het beleid van de overheid om die sectoren te 
redden alleen geleid hebben tot ‘zombie-achtige reanimaties’. Zo ook moet vandaag de overheid niet tussenkomen om oude energiebronnen te reanimeren, maar om de innovatie bevorderen in de richting van hernieuwbare energie. Vos verzekert ons terloops dat het geluid van windmolens, in tegenstelling tot wat Trump beweert, geen kanker veroorzaakt. ‘Niemand twijfelt eraan dat de toekomst ligt in de hernieuwbare energie,’ besluit hij.
     Vos bepleit hier een typisch liberaal vooruitgangsoptimisme. Maar los van de wetenschappelijk-technische vraag hoeveel we moeten verwachten van zonne- en windenergie, zijn er ook vanuit liberaal standpunt twee kanttekeningen te maken. Ten eerste is de prijs van fossiele brandstof zo onnatuurlijk hoog juist vanwege overheidsingrijpen met taksen, en ten tweede is het niet wijs als de overheid het tempo van een innovatie wil bepalen, noch door die te vertragen met subsidies in zombie-sectoren, noch door die te versnellen met dwingende regulaties. Zelfs áls we moeten overschakelen van petroleum en gas naar wind en zon, is het niet aan de overheid om het marstempo daarvan te bepalen. Een geforceerd marstempo kan misschien met ecologische of geopolitieke redenen worden verantwoord, maar niet met economische. 

* Zie mijn stukje hier.


2 + 2 = 5: Orwell, de film

     De linkse filmregisseur Raoul Peck heeft een lange documentaire gemaakt waarin hij de ideeën van Orwell toetst aan de hedendaagse politiek. De titel 2 + 2 = 5 verwijst naar Orwells kritiek op totalitaire regimes die geen objectieve waarheid erkennen en berichten, slogans, en analyses alleen afstemmen op het nut dat ze opbrengen. De ene keer zeggen de totalitaire dictators  ‘2 + 2 = 4’, een volgende keer ‘2 + 2 = 3’ en nog een andere keer ‘2 + 2 = 5’ . Die drie uitspraken staan voor hen op gelijke hoogte. De objectieve waarheid van de eerste uitspraak heeft geen voorrang op de twee ‘alternatieven’. De objectieve waarheid heeft geen waarde op zich. De objectieve waarheid bestaat niet.
     De regisseur lijkt die kritiek van Orwell verkeerd te begrijpen. Hij denkt dat het een kritiek is op politieke leugens. Maar politieke leugens zijn van alle tijden en komen zowel in democratische als totalitaire regimes voor. De kritiek van Orwell gaat specifiek over de totalitaire leugen zoals hij onder het stalinisme werd toegepast. Die leugen 

  1. is schaamteloos – ook als die door feiten wordt tegengesproken die iedereen zelf kan controleren
  2.  gaat terug op een relativistische ideologie of filosofie die objectieve waarheid ontkent
  3. wordt met dwang opgelegd.

     De regisseur heeft gelijk om het schaamteloze liegen van Trump in verband te brengen met Orwells dystopie. Dié vergelijking is alvast terecht. Het tweede kenmerk, namelijk het relativisme – waar het Orwell echt om te doen is – is iets moeilijker. Het is een kwestie waar ik hier liever niet op inga*. Erg belangrijk is echter het derde kenmerk: de leugen wordt met dwang opgelegd en wordt ‘waarheid’ genoemd. Daar wil ik wél iets over zeggen.
     De film klaagt aan dat er op de sociale media leugens worden verspreid, dat eigenaars van de sociale media zoals Zuckerberg niets doen om die leugens tegen te houden, en dat de overheid zelf tekort schiet om die leugens in de kiem te smoren**. Maar een instantie die de macht krijgt om leugens in de kiem te smoren, heeft ook de macht om de waarheid in de kiem te smoren. Er bestaat een naam voor zo’n instantie: Big Brother, en die naam werd door Orwell zelf gemunt.
     2 + 2 is niets meer dan een beeld voor een eenvoudige waarheid. In werkelijkheid is de waarheid vaak niet eenvoudig en gaat het om sommen waarvan men niet weet of 3, 4 of 5 de uitkomst is. Er bestaat dan misschien een juiste uitkomst en een objectieve waarheid, maar niemand heeft ze in pacht. 

De korte versie
     In een vrije maatschappij valt de boodschap ‘2 + 2 = 5’ onder het beginsel van de vrije meningsuiting. Niemand mag ze verbieden, en niemand mag verbieden dat ze wordt tegengesproken.

 

* Ideologieën die objectieve waarheid ontkennen of relativeren vinden we terug bij allerlei soorten mensen, van diepzinnige filosofen als Richard Rorty tot eenvoudige kerkjuristen als Rik Torfs, van de marxisten met hun proletarische waarheid tot de nazis met hun Arische wetenschap, en de wokies met hun standpoint theory. Rorty gaat in zijn boek Contigency, Irony and Solidarity dieper in op het relativisme dat wordt opgeroepen door het 2 + 2 = 5-probleem. Zie daarover mijn blogje hier.

** De eis om leugenachtige informatie te censureren wordt in de film overgebracht door Alexandria Ocrasio-Cortez.

 

Park Chan-ook over her kapitalisme

       Over No Other Choice, de laatste film van Park Chan-wook, schreef ik eerder: ‘Wie wil kan in het verhaal een satire op het kapitalisme zien, maar je wordt daar op geen enkel moment toe verplicht.’ En nu lees ik in een kort interview in De Standaard (11/2) wat de regisseur er zelf van vindt:

 Ik kan niemand verbieden om de film als antikapitalistisch te bestempelen, maar ik vraag mij vooral af of het veel zin heeft om tegen het kapitalisme tekeer te gaan. Ik zie niet zo gauw wat we er dan voor in de plaats zouden willen. Ik wilde vooral laten zien dat het systeem zijn mankementen heeft.

     Wat die mankementen zijn, wordt in de film duidelijk gemaakt. Man-su, het hoofdpersonage in de film, heeft van de productie van hoogwaardig papier zijn passie gemaakt. Terwijl hij als arbeider in een papierfabriek werkte, heeft hij zich door avondonderwijs moeizaam bijgeschoold tot papier-ingenieur. En dan wordt hij wegens fusies en en verregaande automatisering met AI afgedankt. Hij wordt in de tweede helft van zijn leven het slachtoffer van de creative destruction die hem in de eerste helft van zijn leven tot welstand heeft gebracht. Daarom begint hij andere ingenieurs te vermoorden om zelf weer een betrekking te krijgen.
      Wordt Man-su nu door het monsterachtig systeem gedwongen om zelf een monster te worden en aan het moorden te slaan? Zoals Antonio Ricci in Ladri di biciclette gedwongen wordt om een fiets te stelen? Park Chan-wook vindt dat een ‘erg gemakkelijk verwijt.’

 Man-su kiest er helemaal zelf voor om zich zo te gedragen. Wat hem overkomt praat dat niet goed. Hij weet dat hij ook tijdelijk rekken kan gaan vullen, dat hij desnoods zijn huis kan verkopen en soberder kan gaan leven.  Je kunt het systeem wel met de vinger wijzen, maar uiteindelijk blijf je zelf verantwoordelijk voor wat je doet.

        Wat een gemoraliseer! Je gelooft je oren niet! Hoe unzeitgemäss! Behoort een regisseur met zulke ouderwetse ideeën eigenlijk wel tot de cultuursector? Heeft hij dan niets geleerd van zijn hippe collega’s in Hollywood?