woensdag 4 november 2026

Cijnskiesrecht, midterms, e.a.

 


Cijnskiesrecht
      Professor Alain Verbeke schreef in De Standaard (3/11)  een eigenaardig stuk waarin hij het opnam voor het cijnskiesrecht: wie meer belastingen betaalt, kan bij verkiezingen meerdere stemmen uitbrengen. Dat zo’n systeem in het 19de-eeuwse liberale België heeft bestaan, weet de professor ook wel, maar hij vond het niet opportuun om het te vermelden.
      Zijn collega Jan Dumolyn reageerde boos. Hij noemde Verbeke op zijn FB-pagina een ‘mafketel-economist’. Hij verweet de rechterzijde proactief dat ze zouden zeuren over Verbekes recht op vrije mening. (Zeker, dat doe ik.) En hij vergeleek de horror van het cijnskiesrecht met de Jacobijnse guillotine en de communistische terreur. Hij zag in zijn gedachten Verbeke al met een geweer uit een raam leunen om te schieten op toekomstige betogers in Leuven die het algemeen stemrecht wilden herstellen. Door precies Leuven te vernoemen verwees Dumolyn, geloof ik, subtiel naar de Bloednacht van 1902*. 
    Op het eerste gezicht lijkt de boosheid van Dumolyn eigenaardig. Het ideetje van Verbeke maakt 0,000 procent kans om ooit te worden gerealiseerd. Waarom je er dan druk over maken? Toch begrijp ik Dumolyn. Het algemeen enkelvoudig stemrecht is een symbool, een dogma en een taboe. Je voelt weerzin om daar rationeel over te discussiëren. Je wilt mensen die zoiets voorstellen het liefst uitschelden of uitlachen. Ik heb dat ook met David Van Reybrouck als hij over zijn lotterijdemocratie begint. Ik weet dan niet waar ik met mijn tegenargumentatie moet beginnen.
     Met Verbekes voorstel is dat anders. Hier kan ik een tegenargumentatie opbouwen omdat ik aanknopingspunten zie. Ik herken namelijk een zekere verdienste in de onderliggende redenering. De taak van regeringen bestaat hoe langer hoe meer in het uitgeven van geld – veel meer nog dan in de 19de eeuw. Is het dan niet logisch dat over die uitgaven beslist wordt door de mensen die het geld storten, via belastingen? Volgens dezelfde redenering zou je het stemrecht ook kunnen afnemen van degenen die alleen geld krijgen van de staat, zoals uitkeringsgerechtigden, ambtenaren, leraren enzovoort. Meer in het algemeen vormt algemeen stemrecht altijd een bedreiging voor het eigendomsrecht. Wie geen eigendom bezit of weinig verdient, kan altijd stemmen voor een partij die belooft het geld te halen waar het zit: bij degenen die wel eigendom bezitten of die wel veel verdienen.
     Men begrijpt waarom Verbeke die redenering niet als vertrekpunt gebruikt. Logisch doorgetrokken zou ze leiden tot een volledige verwerping van de ‘herverdeling’ waar onze naoorlogse samenlevingen op gebouwd zijn. Ongeveer niemand 
– ook ik niet – wil deze consequentie aanvaarden. Het is alleen jammer dat het vertrekpunt dat Verbeke wél kiest niet veel om het lijf heeft. Hij vergelijkt de staat met een bedrijf op aandelen. Om goede beslissingen te kunnen nemen, moet het stemrecht van de aandeelhouders proportioneel zijn aan het aantal aandelen dat ze bezitten. 

Als in een bedrijf elke aandeelhouder, of die nu één aandeel heeft of 30.000 aandelen, eenzelfde stem heeft, kan de algemene vergadering haar werk niet doen. Ze kan geen strategie of langetermijnbeleid bepalen.

 

     Die 30.000 aandelen roepen meteen een vraag op. Wat wil Verbeke eigenlijk? Een regeling waarbij de een rijke 30.000 stemmen heeft, en de arme slecht één – of volgens de logica – géén? Dan kom je in een absurd verhaal terecht waarbij de rijke 30.000 bolletjes rood moet kleuren, en op straat komt protesteren om van die last bevrijd te worden. Tom Wouters zou er een verhaal over kunnen schrijven. Sterker nog, Tom Wouters hééft er een verhaal over geschreven**. Maar zó ambitieus is het plan van Verbeke niet. Wat hij voorstelt is veel bescheidener.

 

Iedere burger heeft één stem. En iedere burger die bijdraagt en belastingen betaalt, heeft proportioneel wat meer stemmen.

 

     Hoeveel is dat : ‘wat meer stemmen?’  Twee? Drie? Vijf? Dan blijft er van de vergelijking met een bedrijf niet veel over. Of wil Verbeke misschien een aandeelhouder die 30.000 aandelen bezit afschepen met twee of drie extra stemmen? Het voorstel van Verbeke gaat dus, ongelooflijk maar waar, niet ver genoeg, althans niet binnen de eigen logica.

     Maar in andere opzichten gaat het véél te ver. Om te beginnen zou men in Verbekes systeem minstens met een tweekamersysteem moeten werken. Een kamer die met meervoudig stemrecht verkozen wordt en beslissingen neemt over inkomsten en uitgaven, en een kamer die met enkelvoudig stemrecht gekozen wordt en niet-financiële beslissingen neemt, zoals over abortus, euthanasie, migratie, taalwetgeving, strafrecht, ordehandhaving, veiligheid, buitenlands beleid, enzovoort. Er is geen reden waarom niet alle burgers als gelijken over die kwesties mee zouden beslissen.

     Verbeke gaat nog even door met zijn vergelijking tussen de staat en een bedrijf. 

 

Als er geen grote verschillen zijn in aandeelhouderschap, en iedereen min of meer gelijk is, zoals in beursgenoteerde bedrijven, is niet de algemene vergadering de baas, maar het management en de raad van bestuur die het management naar de mond praat … Precies zo is het in onze Belgische democratie … de macht ligt bij het management (de regering) met een raad van bestuur (het parlement) die het management naar de mond praat … Het gevolg is dat de burgers-aandeelhouders alle macht en controle kwijt zijn. 

 

      Deze vergelijking is niet helemaal uit de lucht gegrepen. In de tijd van het cijnskiesrecht waren er minder burgers die aan het beleid konden deelnemen, maar elke burger die kón deelnemen zette wel een duidelijker stempel op dat beleid. Het was de tijd dat het parlement nog écht iets te zeggen had. Ik geloof dat het Noorse parlement ooit speciaal samenkwam om te beslissen of een bepaalde subsidie aan de toneelschrijver Ibsen al dan niet moest worden toegekend. Vandaag worden beslissingen over cultuursubsidies op een andere manier genomen.

     Ik ben op een sombere dag bereid om de verminderde rol van het parlement in een massa-democratie te betreuren. Maar moeten we daarom de relatie tussen regering en volk zien als een van meesters en slaven, waarbij de laatsten in een democratie alleen vrij zijn om af en toe van meester te veranderen? Zo’n schema blijft voor mij een woordspel zolang het niet concreet wordt ingevuld. 

     En wat is de concrete invulling die Verbeke eraan geeft? Politiek staat voor hem gelijk aan cliëntelisme. Tegenover het ‘onaantastbare management’ (de regering) staat de machteloze burger, hetzij als belastingbetaler, hetzij als uitkeringstrekker. 

 

Wie niet werkt of bijdraagt en allerhande uitkeringen en subsidies geniet, is afhankelijk van het management. Dat regelt uitkeringen en belooft te vechten voor wie afhankelijk is, door onophoudelijk belastingen te heffen… Die politici zijn niet bezorgd om het welzijn van de burger, ze willen een systeem in stand houden waarbij zoveel mogelijk burgers afhankelijk zijn van een uitkering. 

 

     Dat is duidelijk een schromelijke overdrijving, want veel politici hengelen óók naar de stem van de belastingbetaler. Zeker, er zijn politieke partijen die lakse regelingen voorstaan rond werkloosheid, langdurige ziekte en lage pensioenleeftijden, maar zeggen dat de hele politieke klasse zoveel mogelijk burgers afhankelijk wil maken van een uitkering is een intentieproces, dat bovendien heel eenzijdig de werkelijkheid weerspiegelt. Cliëntelisme bestaat, maar het is slechts een deel van de politieke motivatie, zelfs bij de sociaal-democraten.

     ‘Geruisloos evolueren we naar een communistische dictatuur,’ schrijft Verbeke. Dat sluit aan bij wat ik hierboven al schreef: dat een democratie inherent een bedreiging vormt voor het eigendomsrecht. De armste helft plus 1 kan immers stemmen voor de onteigening van de rijkste helft min 1. Maar zelfs als dat gevaar reëel is, en er een logische evolutie in die richting is, bestaan er in een liberaal-democratisch kapitalisme verschillende tegenkrachten. 

     Er is vooreerst een uitgebreide middenklasse die eigendomsrecht en lage belastingen als principe apprecieert. De bezittende klasse heeft – tot spijt van links – een disproportionele invloed door haar mogelijkheid tot lobbywerk. En daarnaast wordt het beleid ook bijgestaan door technocraten en economen die aan politici kunnen uitleggen dat de belangen van hun electoraat op lange termijn beter gediend worden door economische groei dan door loutere en gemakzuchtige herverdeling. En dan spreek ik nog niet van rechtstatelijke en grondwettelijke grendels.

     Nee, de kracht van het algemeen enkelvoudig stemrecht leidt niet op wetmatige wijze naar de installatie van het communisme, evenmin als de tegenkrachten op wetmatige manier een garantie bieden dat die niet gebeurt. Wie het kapitalisme aan banden wil leggen of het communisme wil tegenhouden, zal het zelf moeten doen. 

     ‘Ons management kan geen begroting maken,’ schrijft Verbeke. Hij schijnt gelijk te krijgen. Met meervoudig stemrecht zou het inderdaad vlotter gaan. Conner Rousseau, die doet alsof hij ‘de mensen’ vertegenwoordigt, zou wat minder kunnen dwarsliggen: zijn electorale gewicht zou nog lager zijn dan het nu al is. De Wever zou het makkelijker hebben. Maar de gemakkelijke oplossingen zijn daarom niet de beste.  Het is waar dat de regeringsbegroting vooral betaald wordt door de rijken en de middenklasse, maar de beslissingen erover moeten door iedereen gedragen worden, anders loopt het mis. Lange discussies in de regering of in het Parlement zijn vervelend, maar zij zijn nog altijd beter dan een opstand met doden in de straten van Leuven. Riot is an ugly thing, zegt Inspector Kemp in Young Frankenstein. 


* Het FB-commentaar van Dumolyn is sarcastisch van toon, en mijn commentaar erbij in zekere zin ook. Zoiets delicaat  om te interpreteren. Hieronder de letterlijke woorden van Dumolyn: 

Ik weet waarover mijn volgende stuk in De Standaard zal gaan: ik pleit voor het herinvoeren van de guillotine voor gestoorde antidemocratische collega's die terug naar de negentiende eeuw willen. Een snelle, goedkope en menselijke oplossing. En oh ja, graag ook een sterke communistische partij die daarvoor zal zorgen, want die democratie ja, dat is toch ook allemaal maar een beetje iets van het verleden he. Benieuwd hoe lang het zal duren voor de halve politieke klasse hijgerig begint te roepen over LINKSE WOKE UNIVERSITEITEN en zo. Maar als een hoogleraar mafketel-economist zoiets schrijft, wel ja, hij heeft toch recht op zijn mening natuurlijk. Of nog beter: we gaan iets verder in Leuven naast het bureau van de collega staan en schieten op de menigte die betoogt voor het algemeen stemrecht, hoera! 

** Het stukje van Tom Wouters staat hier.



 

     

Trump en de onherstelbare schade

     Een democratie moet niet perfect zijn om gezond te zijn. De basisvoorwaarde is de mogelijkheid tot aflossing van de wacht. Bij verkiezingen die een nipt verschil opleveren, kan het even spannend worden, zoals toen Biden het van Trump won met een klein verschil in relevante stemmen en Trump wild tekeer ging. Maar bij een duidelijk verschil zoals bij de midterms van gisteren, moet zelfs Trump zijn nederlaag toegeven. De VS zijn nooit in de buurt gekomen van een ‘fascistische dictatuur’.

     Aan de andere kant kan een democratisch verkozen president wel schade toebrengen die langere tijd doorwerkt of zelfs onherstelbaar is. Blunders in het buitenlands beleid zijn daar een voorbeeld van: slecht geplande militaire avonturen zonder exitstrategie, verkeerde bondgenootschappen, handelsoorlogen die moeilijk terug te draaien zijn.

     Als het echter op sociaal-economisch beleid aankomt, lijkt het mij moeilijker om een links beleid terug te draaien dan een rechts beleid. Als een systeem van sociale uitkeringen en garanties een keer is ingevoerd, is het heel moeilijk om dat weer in te perken. Voor wie denkt dat er nooit genoeg sociale uitkeringen en garanties zijn, is dat geen probleem. Maar degenen die geloven dat het systeem boven een bepaalde grens contraproductief wordt, zullen zien dat het een tanker is die heel moeilijk van koers kan veranderen. 

     Ik heb daarom een dubbel gevoel bij de Democratische overwinning in de VS. Het is mij zeker niet onwelgevallig dat de Grote Idioot is afgestraft. Ik hoop dat die afstraffing hem zal afremmen in zijn toeschietelijkheid tegenover Poetin. Maar ik vind het vervelend dat de half-socialistische strekking binnen de Democraten aan invloed wint. Gematigde Democraten hebben er na de laatste verkiezingsoverwinning van Trump voor gepleit dat de partij het centrum op zou zoeken. Dat zou volgens hen de beste strategie zijn om Trump te verslaan. Ik hoop nog altijd dat dat waar is, maar ’t is geen zekerheid. Trump heeft zijn verkiezingen gewonnen door te radicaliseren. Wat als de Democraten zijn voorbeeld volgen … en succesvol zijn?

 

     

Man van staal

     Ik kwam gisteren toevallig op de necrologie terecht van Berten Hedebouw (1946-2024), de vader van PVDA-leider Raoul. De titel zal misschien een beetje raar klinken, vooral het eerste deel: ‘Een man van staal met een hart van goud.’ Die ‘man van staal’ verwees naar zijn wilskrachtig karakter, en ook naar het beroep van Berten, die zich na universitaire studies had omgeschoold tot staalarbeider. Verwees het ook naar de Russische revolutionair Jozef Vissarionovitsj Djoegasjvilli, die zich Stalin – man van staal – liet noemen, en die door de eerste generatie PVDA’ers bewonderd werd? Niet noodzakelijk. Ik zie veeleer een verwijzing naar de roman van de Russische schrijver Nikolaj Ostrovski: Hoe het staal gehard werd (1934). Wie lid was van de partij in de jaren 70, 80 en 90 werd verondersteld dat boek gelezen te hebben. Ik denk niet dat er leden waren die dat boek niet gelezen hadden. Toen een van de boegbeelden van de partij, Cockerill-arbeider Jan Saeys, in 1975 overleed, werd een strijdbare plechtigheid georganiseerd. Een dokwerkersvrouw las een stuk voor uit de roman van Ostrovski: over de begrafenis van Lenin. 

 

dinsdag 3 november 2026

Linkse kritiek op 'radical chic'


     
Ik kan er ook niets aan doen, maar als Nona De Dier een stukje schrijft in De Standaard, dan resoneert dat vaak met mijn eigen monologue intérieur, en dan wil ik daar iets over kwijt*. Vandaag (13/11) heeft Nona het over over de links-intellectuele subcultuur die haar irriteert. Op een culturele avond had ze een presentatrice gezien ‘met een tas van het merk Freitag over de heup en een rok-over-broek-outfit’ en die had iets heel links gezegd dat Nona ‘een beetje cringe’ vond. Nona vond die presentatrice typisch voor het milieu:

Het is een deel van de esthetiek die bij ons demografische milieu past. Je speelt flexitariër, vindt de oorlog in Iran ‘wel heftig’ … je denkt goed na over de taal die je gebruikt: de safe space heet nu safer space, want echt safe kan een space natuurlijk nooit zijn … Het grootste probleem dat ik met die houding heb is dat de impact ervan niet verder reikt dan de grenzen van de incrowd. Je kunt iedere bezoeker er aan de ingang van de nachtclub attent op maken dat er een zero tolerance policy for sexism and other forms of discrimination heerst, maar onderbetaalde vrouwen in de zorg- en schoonmaaksector verdienen daar geen euro meer mee. Dat is dan ook niet het doel … Het signaal dat je de wereld instuurt is dus niet politiek van aard, maar moreel: wij zijn toch een tikkeltje beter dan jullie gewone stervelingen.

 

     Met mijn slecht karakter kan ik nu moeilijk weerstaan aan de neiging om op deze tirade met een jij-bak te antwoorden: ‘En jij, beste Nona, welk signaal stuur jij de wereld in? Dat je net een tikkeltje beter bent dat de gewone progressief?’ 

     Maar jij-bakken is mijn stijl niet. Ik ken Nona niet, maar misschien is zij iemand die zich voorbereidt op een leven ten dienste van de onderbetaalde vrouwen in de zorg- en schoonmaaksector: als extreem-linkse activiste, als vakbondsjuriste, of als lid van een parlementaire fractie die wetsvoorstellen indient ter verhoging van de minimumlonen. In dat geval is haar misprijzen voor de radical chic begrijpelijk.

     Ik moet hierbij denken aan mijn revolutionaire tijd bij Amada-PVDA. Dat overkomt mij vaak als ik stukjes schrijf, maar gelukkig nooit daarbuiten. De doorsnee revolutionair van de pionierstijd had de universitaire aula’s verlaten om in een fabriek te gaan werken, zoals de vader van Raoul Hedebouw**. Hoe keek zo iemand aan tegen het demografisch milieu van progressieve intellectuelen die mooie praatjes hadden, maar die niets deden? 

     De reactie was dubbel. Enerzijds hadden ze hetzelfde gevoel van irritatie dat Nona beschrijft. Daartegenover stond een naïef geduld die gepaard ging met revolutionaire verantwoordelijkheidszin. Wie weet kon men die praatjesmakers later nog overtuigen om zich bij de revolutie aan te sluiten, en ondertussen waren allerlei vormen van samenwerking mogelijk. Misschien waren ze wel bereid om financiële steun te verlenen. En als het om prestigieuze intellectuelen ging, professoren en dergelijke, was het altijd goed als die hun prestige inzetten voor een of andere zaak die in de revolutionaire strategie paste: tegen de Amerikanen in Vietnam, voor open grenzen, tegen de rijkswacht … Het resultaat was dat de revolutionaire militant geen geïrriteerde stukjes schreef zoals Nona. Toen Jean-Paul Sartre overleed, dat toonbeeld van het saloncommunisme, schreef Ludo Martens een respectvol stuk in de partijkrant.

    Tom Naegels heeft het stuk van Nona ook gelezen en reageerde helemaal anders. Hij bekijkt het sociologisch:

 

Allez, weer een jonge witte progressief die ten prooi valt aan de zelfhaat van links. Zulke columns zul je een jonge N-VA’er, een jonge bouwvakker of een jonge kinesist van West-Afrikaanse origine toch echt nooit over de eigen peer group zien schrijven. Terwijl ook zij, zoals iedereen, heus deel uitmaken van een subcultuur met een eigen taalregister, een eigen kledingstijl, eigen voedingsgewoonten, een eigen waardenkader en eigen culturele codes die intern voor cohesie zorgen en extern een beetje belachelijk kunnen worden gevonden.

 

     Dat elke subcultuur haar eigen codes heeft, zal niemand ontkennen, en dat die codes voor de buitenwereld een beetje belachelijk overkomen, is ook waar. Maar dat juist progressieven zo gemakkelijk tot zelfkritiek overgaan is niet zo verwonderlijk. Die progressieven vormen, anders dan de bouwvakkers en de kinesisten, een typisch intellectueel milieu, en intellectuelen zijn nu eenmaal, in de traditie van Socrates of laat ons zeggen Naomi Klein, meer bezig met zelfbeschouwing. Ook gaat het om een ideologische coterie, en dat is een subcultuur met daarin weer sub-subculturen. Je kunt het vergelijken met het flamingantisme: ook daar hoor je veel kritiek op de Vlaamse beweging. Dat is dan kritiek op een ánder deel van de Vlaamse beweging.

     Toch wil ik de hypothese van zelfhaat niet helemaal uitsluiten. Jan Van Duppen heeft de gewoonte om een bepaald soort linksen steevast ‘flagellanten’ te noemen omdat ze zichzelf verachten wegens hun privileges. Behoort Nona ook tot die flagellanten? Draagt ze vaak een rok-over broek-outfit en voelt ze zich daar schuldig over? Gebruikt ze zelf modewoorden om te laten zien dat ze helemaal mee is? Gaat ze vaak naar clubs waar een zero tolerance policy for sexism wordt geafficheerd terwijl ze zich kwelt met gedachten aan onderbetaalde vrouwen in de zorg- en schoonmaaksector? Ik weet het niet, en het interesseert me niet.

     Iets anders interesseert me wel. Daarvoor moet ik terugkeren naar de presentatrice met haar heuptas van Freitag. Wat had die weer gezegd dat de irritatie van Nona had veroorzaakt? Ik citeer:

 

Verbaasd was ik toen de gastvrouw het gesprek [over een Vlaamse avant-gardedichter] opende met een statement dat niets met het onderwerp te maken had. “Omdat we ons hier in de gebouwen van de UGent bevinden,” klonk het door de luidspreker, “wil ik toch eerst even aangeven dat ik mij als deel van de community niet kan vinden in de aanstelling van Nathan Cofnas aan onze universiteit.” Ik zie in Cofnas ook een onserieuze neofascist, maar ik moet toegeven: ik vond de uitspraak een beetje cringe. Begrijp me niet verkeerd: ik vind het normaal dat academici zich tegen de aanwerving van een ‘rassenwetenschapper’ aan hun instituut verzetten. Maar de manier waarop de presentatrice haar uitspraak deed stoorde mij … Haar uitlating had dan ook vooral te maken met profileringsdrang … een identiteit, veeleer dan een politieke mening.

 

     Niet toevallig gebruikt Nona het handzame anglicisme ‘cringe’. Ik gebruik dat woord ook wel eens, waar ik vroeger van ‘plaatsvervangende schaamte’ sprak. Het is dus een schaamte – haat is als woord te sterk – die je voelt omdát je je met iemand anders identificeert, en die andere doet iets waar je je voor schaamt. Nona heeft dezelfde mening als de presentatrice over Cofnas – vandaar de identificatie – maar ze schaamt zich voor de overdrijving die erin bestaat om de kwestie ter sprake te brengen op een literaire avond. Het pleit voor Nona dat ze de overdrijving aanvoelt (een overdrijving die wat mij betreft veel erger is dan die van professor Mortier toen hij Cofnas ter sprake bracht op een proclamatie; Mortier had de zaal niet goed ‘gelezen’ terwijl de presentatrice haar zaal veel te goed ‘gelezen’ had***).

     Als het dát soort schaamte is die Nona voelt, dan kan ik Tom Naegels gerust stellen: die bestaat ook bij rechts en ik haal mijzelf aan als bewijs. Dagelijks voel ik schaamte als ik op de sociale of in de traditionele media meningen aantref waar ik het in grote lijnen mee eens ben, maar die mij choqueren door de eenzijdigheid, de overdreven verwoording, de grove scheldwoorden, de gebrekkige argumentatie of de afwezigheid van nuance. Ik geef toe dat ik daar bijna nooit iets over schrijf. Dat komt omdat fouten van rechts mij verdriet doen, terwijl die van links mij plezier doen, en ik schrijf liever vanuit die laatste emotie.

     Op één punt moet ik Nona helemaal gelijk geven: daar waar ze de hypocrisie van de valse mannelijke feministen aanklaagt:

 

Ik ken nogal wat jonge kerels die zich op iedere Vrouwendag bij de feministische betoging aansluiten, niet omdat ze zoveel om gelijkheid geven, maar omdat daar nu eenmaal de knapste meisjes op afkomen.

 

     Precies. Die jonge kerels verpesten de boel, en het ergste is dat ze er ook in slagen om de knapste meisjes in te palmen. Zo blijven er geen meer over voor degenen onder ons die uit échte feministische bevlogenheid aan die betogingen deelnemen. Een schande!

 

 

* De vader van Raoul Hedebouw: zie hier.

** Commentaar bij de stukjes van Nona staat hier, hier en hier.
*** Over de zaak-Mortier, zie mijn stukje hier. 

maandag 2 november 2026

De triomf van Rousseau, e.a.

 


De triomf van Rousseau?
     Vorige week zat ik met iets in mijn maag, maar ik wist niet wat het was. Ik voelde een vage onrust, en dat was inderdaad ter hoogte van dat belangrijke onderdeel van ons spijsverteringskanaal. Ondertussen weet ik wat het was: ik had het ontslag van Bart De Wever voelen aankomen. Het voorgestelde en weer afgevoerde noodplan, Frank Vandenbroucke met zijn ‘gebroddel’, Conner Rousseau met zijn media-offensief dat door Siegfried Bracke geprezen werd vanwege het tentoon gespreide vakmanschap. Het werd stillaan duidelijk wat er gebeurd was. Bouchez had de onderhandelingen gerekt tot aan de deadline, en had daarmee de kansen gecreëerd voor Rousseau om in de krappe tijdspanne die restte de onderhandelingen te doen mislukken. Slecht gespeeld van Bouchez, goed gespeeld van Rousseau.
     En De Wever? Die heeft geloof ik nog altijd een beetje last van het idealisme van de Volksunie. Hij had de analyse gemaakt dat een drastische sanering mogelijk was, waarbij de pijnlijke maatregelen min of meer gelijk over de electoraten van de regeringspartijen werden gespreid. Terecht redeneerde hij dat de regeringspartijen voor zo’n beleid niet, of niet al te hard, zouden worden afgestraft, als ze tenminste min of meer eensgezind konden blijven. Ook moet hij gegokt hebben dat geen enkele partij de regering zou willen doen vallen, uit vrees om daar bij nieuwe verkiezingen voor afgerekend te worden. 
     Maar de ene val van de regering is de andere niet. Mocht de regering vallen en er komen nieuwe verkiezingen, dan zou Rousseau best wel eens beloond kunnen worden. Misschien onthouden de Vlamingen vooral Bouchez als saboteur en Rousseau als degene die de rechtvaardige lasten op andermans schouders wil leggen. Als hij zijn kaarten goed speelt, kan hij zelfs een deel van de Groen- en PVDA-kiezers binnenhalen. N-VA kan stemmen verliezen, want wat heb je aan een realistische partij als zelfs De Wever geen regering bij elkaar kan houden. Nationaal komt dan een linkse regering in zicht, ook al omdat het voor Wallonië tegennatuurlijke succes van MR niet kan blijven duren.
     Beseft Rousseau dan niet dat de sanering nodig is, met verdere besparingen op de uitgaven? Natuurlijk beseft hij dat. Alleen zou hij nog liever hebben dat een Europese trojka een drastische besparing komt opleggen, waar hij niet verantwoordelijk voor is, dan dat hijzelf een geleidelijke, evenwichtige en draagbare besparing moet doorvoeren. En misschien kan hij later zelfs de ontevredenheid over de trojka-maatregelen electoraal verzilveren.
     De conclusie dringt zich op. Rousseau is een knap politicus. De manier waarop hij Sammy Mahdi, voorzitter van de partij waarmee hij in de regering zit, voor de camera een ‘leugenaar’ noemde, bewijst zijn zelfvertrouwen. Maar is hij ook een verantwoordelijk politicus? Dat is iets anders. Een verantwoordelijk politicus moet drie belangen afwegen: het belang van het land (en de toekomst), de belangen van het eigen electoraat, en het pure electorale belang voor zijn partij. Voor zover ik kan zien telt voor Rousseau slechts het laatste en voor Bouchez vooral het tweede.
     Of het allemaal echt zo in elkaar zit, weet ik natuurlijk niet. Ik ben bij geen enkele van de besprekingen betrokken geweest. Maar binnen een jaar zal er wel een boek over de periode verschijnen. En ondertussen moeten we afwachten wat er volgende vrijdag gebeurt. 


Ontwikkelingshulp en fondsenwerving
      Enige tijd geleden werd ik aangesproken door een fondsenwerver die zich voorstelde als ‘Palestinian refugee’. Ik heb mijn naam en bankrekening nummer toen niet opgegeven. Nochtans heb ik geen probleem tegen professionele fondsenwerving. Naar het schijnt gaat de donatie de eerste paar maanden naar de vergoeding van de fondsenwerver, maar als de doorlopende opdracht daarna blijft doorlopen, is er een batig saldo voor de hulpbehoevende. Het is een kwestie van efficiëntie.

     Ik las ooit een opiniestuk (DS 26/9) waarin iemand de fondsenwerving gebruikte als argument voor meer ontwikkelingshulp door de staat. De schrijfster vroeg zich af of ze niet moest 

 

Luider protesteren tegen de besparingen op ontwikkelingssamenwerking, zodat ngo’s wat minder geld moeten pompen in fondsenwerving. Of ben ik dan te naïef?

 

     Welnee, de schrijfster zondigde niet door naïeviteit maar door gebrek aan logica. Ook als de staat meer geld besteedt aan ontwikkelingshulp, moet een efficiënte ngo evenveel blijven investeren in fondsenwerving, zolang het saldo batig blijft, en de gevers niet te erg worden afgeschrikt door de gedachte dat een deel van hun geld niet bij de arme mensen terecht komt. 



 

Oekraïne-polemiek onder professoren

     Twee professoren van de KULeuven hebben in De Standaard (21 en 22/10) de degens gekruist: Jan De Volder, historicus verbonden aan de faculteit Theologie, en Steven Van Hecke, hoogleraar Europese politiek. De historicus voerde de eerste attaque uit. Hij verweet Europa dat het alle onderhandelingen met Rusland weigerde en daardoor leek op een trein die maar op één spoor kan rijden: dat van ‘financiële en militaire steun aan Oekraïne, zonder rechtstreeks met Rusland in oorlog te treden.’ Hij prijst daarentegen het beleid van het Vaticaan dat ‘zijn sympathie voor het geteisterde Oekraïne, maar toch in gesprek bleef met Rusland.’ 

     Vooral de kwestie van historische vergelijkingen viel mij op in het stuk. De Volder schrijft:

 

Soms krijg je de indruk dat Europese leiders en waarnemers niet meer historische kennnis hebben dan die over de Tweede Wereldoorlog: de Russische president Vladimir Poetin is dan Hitler, Rusland is nazi-Duitsland, vooral te vermijden is een deal à la Chamberlain, en na vier of vijf jaar oorlog winnen de goeden (wij dus). Het is een simplistische visie. Evengoed kun je de huidige situatie vergelijken met de Balkanoorlogen en de slaapwandeldiplomatie die aan de Eerste Wereldoorlog voorafging. 

 

      Dat is een goede waarschuwing. Als ik speculeer over de afloop van de oorlog in Oekraïne, geloof ik niet dat die zal eindeigen zoals de oorlogen die mijn historisch geheugen uitmaken geëindigd zijn. De buitenlandse mogendheid zal zich niét terugtrekken zoals uit Vietnam (1973) en Afghanistan (1989, 2021), de plaatselijke oorlog zal niét eindigen in een wereldbrand zoals Balkanoorlogen waar De Volder naar verwijst, er zal géén vernederende capitulatie plaatsvinden zoals in het Bois de Compiègne in 1918, en de overwinnende legers zullen niét de hoofdstad van het vijandelijke rijk innemen zoals met Berlijn 1945. Hoe zal de oorlog wel ooit eindigen? Hoogstwaarschijnlijk door een ‘paix impure’ waarvan de kern bestaat uit het bevriezen van de frontlijn. De Volder geeft hoog op over geduld, out of the box denken, realisme en creativiteit, maar dat zal niet veel veranderen aan de zaak: de frontlijn wordt bevroren.

     De riposte van Van Hecke is heftig. Het Vaticaan wordt ‘door Poetin gebruikt om een schijn van bereidwilligheid hoog te houden’, er is in het verleden, na 2014, al zo vaak onderhandeld met Poetin, diplomatieke toegevingen worden door Moskou geïnterpreteerd als zwakte, en men kan niet onderhandelen met iemand die maximale eisen stelt. Dat laatste is een zwak argument, want Van Hecke geeft zelf toe dat het stellen van maximale eisen behoort tot het diplomatieke spel.

 

Iedereen weet dat Oekraïne bereid is om in de praktijk bereid is om in de praktijk afstand te doen van dat deel van het territorium dat momenteel door Rusland wordt bezet … Wie Oekraïne verwijt dat niet openlijk toe te geven, kent weinig van diplomatie. Alsof onderhandelen betekent dat meteen alle kaarten op tafel moeten liggen.

 

     Je kunt Poetin veel verwijten, maar niet dat hij maximale eisen vooropstelt. Oekraïne en Europa doen dat ook – en terecht. Alleen Trump leek de creatieve strategie te volgen om vooraf de eisen van de tegenpartij als basis voor de onderhandelingen over te nemen. Maar achteraf bleek dat hij in het Oekraïense conflict Rusland niet eens als de tegenpartij beschouwt.

     Van Hecke gebruikt in de discussie een eigenaardig gezagsargument.

 

Volgens de redenering van De Volder vergist [behalve radicaal-rechts en radicaal-links] de rest van het politieke spectrum in Europa zich al bijna vijf jaar schromelijk. Stel je eens voor dat die politici wel grondig hebben nagedacht over hun houding in het conflict ten aanzien van Rusland.

 

     Maar het is op zich zeer wel mogelijk dat het politieke spectrum zich al vijf jaar vergist. Bovendien is het een overbodige veronderstelling. De weerzin om met Rusland te onderhandelen kan evengoed voorkomen uit onzekerheid en onenigheid in eigen rangen.

     Het belangrijkste verwijt van Van Hecke is het volgende:

 

Jan De Volder schrijft binnen dat denkkader: door halstarrig Oekraïne te steunen en en niet te willen onderhandelen met Rusland is Europa mee verantwoordelijk voor het aanhoudende oorlogsleed.

 

     Ik vond dat eerst onrechtvaardig. Nergens in zijn stuk had De Volder opgeroepen om de steun aan Oekraïne stop te zetten. Ik heb het stuk nog eens nagelezen, om dat te controleren. Tegelijk is mij iets anders opgevallen: nergens in zijn stuk roept De Volder op om de steun aan Oekraïne verder te zetten. Dat kan niet. Wie met goede argumenten pleit voor onderhandelingen moet minstens één of twee zinnetjes toevoegen over onverminderde financiële en militaire steun voor Oekraïne. Anders lijk je zelf op ‘een trein die maar op één spoor kan rijden.’ En dan helpt het niet om, zoals het Vaticaan doet ‘sympathie te betuigen voor het geteisterde Oekraïne.’


 

 

Rijkswacht of burgerpolitie

     Tegen Theo Franckens idee om de rijkswacht herop te richten als instrument tegen straatrellen beroept columnist Raf Njotea zich op de Conservatieve Britse politicus Robert Peel (1788-1850). Het was Peel die op het idee kwam om de orde in Groot-Londen te laten handhaven door politiemannen zonder geweren of pistolen, maar slechts bewapend met houten matrakken. Ook Peels principles of policing worden erbij gehaald. Njotea citeert het zesde beginsel: ‘fysiek geweld kan alleen als laatste redmiddel, wanneer dialoog en de-escalatie falen.’

     Dat is een mooi beginsel, en Njotea zal het met mij eens zijn dat bij het straatgeweld van de black blocks, de casseurs en de pilleurs, het laatste redmiddel best mag worden ingezet. Welk soort politiekorps daarvoor het beste geschikt is, kan nog altijd een onderwerp van discussie zijn. 

zondag 1 november 2026

Die Linke en het islamogauchisme, e.a.


Die Linke en het islamisme
     De extreemlinkse partij Die Linke heeft haar eigen probleem van ‘islamogauchisme’ *en ook hier heeft het zijn wortels  in het electoraal opportunisme en de Palestina-solidariteit. Centraal hierbij staat Ibrahim Ibrahim, de voorzitter van het ‘Verenigd Palestijns Nationaal Comité’, dat gelieerd is aan het marxistische PFLP en aan Hamas. Ibrahim wordt vaak opgemerkt in kringen van Die Linke. Hij maakte zich sterk dat hij het was die Die Linke aan de recente verkiezingsoverwinning had geholopen door ‘intensieve straatcampagnes rond de Palestina-zaak.’ Toen Elif Eralp, de lijsttrekster van Die Linke in Berlijn, door de Der Spiegeldaarover werd ondervraagd probeerde ze de zaak te minimaliseren. Maar tijdens de schriftelijke communicatie tussen Die Linke en Der Spiegel kreeg het weekblad per abuis een interne nota van de partij toegestuurd, waarin Eralp verklaarde bang te zijn dat Ibrahim en zijn entourage ‘haar gezin iets zouden aandoen als ze ze publiekelijk zou vernoemen.’
     Ik weet niet of Ibrahim in alle betekenissen een ‘islamist’ is. Misschien is hij, evenmin als Abou Jahjah, een conservatieve gelovige. Is sympathie voor, en banden met, Hamas onvoldoende om als i’slamist’ gekwalificeerd te worden? En als de moslimidentiteit gebruikt wordt voor politieke mobilisatie, komt dat dan niet tegemoet aan een definitie van islamisme als ‘politieke islam’? 

 

* Zie hier en hier.  



 

De wachtkamerlectuur van de PVDA
     In wachtkamers wordt meestal gratis lectuur aangeboden: groezelige Humo’s en Libelles van enkele jaren oud. In ziekenhuizen ligt meestal het huismagazine. Bij de tandarts liggen enkele nummers van 
Ons Erfdeel. Soms ligt er iets wat je niet verwacht. Bij de garagist zag ik laatst een nummer liggen van het tweetalige PVDA-magazine van Vilvoorde : De Vuist - Le Poing. Het gelijkt op vergelijkbare publicaties die andere partijen gemeentelijk verspreiden: een interview met de partij-voorzitter, korte getuigenissen, commentaar op plaatselijke knelpunten zoals de prijs en het formaat van de vuilniszakken.
     Ik heb de tijd gekend dat plaatselijke PVDA-cellen bedrijfskrantjes maakten die De Vuist heetten. De overstap van bedrijfskrantjes naar regionale magazines is geloof ik typisch voor de evolutie van de partij. Volgens mij als buitenstaander is de overgang van bedrijfswerking naar regionale werking de belangrijkste sleutel geweest voor de stevige electorale groei van de partij. 



 

Democratische vergissingen
     ‘Democratie,’ schreeft Hendrik Vos ooit, ‘is een systeem waarin mensen het recht hebben om zich spectaculair te vergissen, soms met volharding.’ Hij dacht daarbij aan de Brexit. Zelf denk ik bijvoorbeeld aan al die Fransen die een uitbreiding willen van de al heel omvangrijke sociale zekerheid zonder na te denken over de betaalbaarheid. Gelukkig leven we niet in een absolute democratie en is het beleid een compromis tussen wat het volk wil en wat de elite mogelijk en nodig acht. Daarbij moet worden opgemerkt dat de elite haar eigen spectaculaire vergissingen maakt, zoals in verband met de migratiestroom uit Derde Wereld-landen.


 

De nationaliteit van Fouad Belkacem
     De leider van Sharia4Belgium, Fouad Belkacem, die indertijd jongeren ronselde om voor IS te gaan vechten, heeft bijna zijn hele gevangenisstraf van 15 jaar uitgezeten. Staatsvijanden kunnen meestal niet op veel strafvermindering rekenen. Dat hebben de leden van de CCC ook ondervonden. 
     Een maand geleden raakte bekend dat minister van Asiel en Migratie Anneleen van Bossuyt aan het onderhandelen is met Marokko om hem na zijn vrijlating naar dat land uit te wijzen. Ik sta daar volledig achter. Vroeger had Belkacem een Belgisch-Marokkaanse nationaliteit. De Belgische nationaliteit werd hem afgenomen zodat hij nu nog alleen Marokkaan is. Waarom zouden we hem dan niet mogen uitwijzen?
     Wiebe Koopal denkt daar anders over en heeft daar in De Standaard (2/10) een opiniestuk over geschreven.  ‘Fouad Belkacem is een van ons,’ schrijft hij. Bedoelt hij daarmee dat Belkacem ‘een van ons’ is zoals Marc Dutroux een van ons is? Dat zijn loze woorden, net zoals spreken van ‘penitentiair kolonialisme’.
     Dat Belkacem de Marokkaanse nationaliteit heeft, noemt Koopal een ‘juridische spitsvondigheid’. We hebben misschien niet graag mensen als Belkacem op ons grondgebied, maar, schrijft Koopal  ‘dat is de prijs die we samen betalen voor ons geloof in een werkelijk vrije samenleving.’ Ik zie dat anders. De ‘werkelijk vrije samenleving’ wordt beschermd door de wet, en die is meer dan een ‘juridische spitsvondigheid’. De wet bepaalt wat kan en niet kan. Ons land had het recht heeft om een terrorist op te sluiten als straf. Die terrorist heeft het recht heeft om te worden vrijgelaten na het uitzitten van zijn straf. Maar hij heeft niet het recht om hier als vreemdeling te verblijven, ook al is hij ‘in Rumst geboren en getogen.’ Ons land zou hem natuurlijk ook verblijfsrecht als gunst kunnen toekennen, maar waarom zouden wij dat in godsnaam doen?
     Koopal is filosoof van opleiding en beroep en dat laat hij merken in zijn verdere argumentatie. 


Belkacem is een ‘Vlaamse (ex-)terrorist die hier, op ons grondgebied, tot zijn criminele ideeën en feiten gekomen is. Als die, nu hij vrijkomt, nog altijd een probleem vormen, dan is dat ook óns probleem, en ónze verantwoordelijkheid … Iemand die na 15 jaar opsluiting vrijkomt, heeft begeleiding nodig om weer echt vrij te kunnen zijn … Zo zullen we nu goed samen met hem moeten nadenken over hoe hij zijn herwonnen vrijheid wil gebruiken. 

 
     Ach zo. En waarom zou dat onze verantwoordelijkheid zijn? Het lijkt wel of Belkacem door onze schuld terrorist geworden is en dat het daarom onze verantwoordelijkheid is om hem herop te voeden. Alleen heeft een crimineel geen moreel récht op heropvoeding. De maatschappij beslist om utilitaire redenen om criminelen, die ze nu eenmaal niet kan uitwijzen, herop te voeden zodat ze niet hervallen en zodat ze misschien zelfs nuttige burgers van de maatschappij worden. Maar als we ze wel kunnen uitwijzen, dan graag.
     Koopal haalt terloops aan dat Belkacem in ons land asiel heeft aangevraagd. Juridisch heeft hij gelijk. Zolang de aanvraag niet definitief is afgewezen, heeft Belkacem inderdaad verblijfsrecht. Maar het is ook moeilijk om een beter voorbeeld te vinden van de absurde wetgeving rond asiel. 


     

 

Purnelle en de Franse scholieren
     Bieke Purnelle (DS 9/10) is zich door het scholierenprotest bewust geworden van de precaire toestand waarin de Franse jongeren zich bevinden. Ze horen dagelijks over oorlogsdreiging, economische crisis, artificiële intelligentie die hun diploma’s waardeloos zal maken. ‘Ze voelen de hete adem van de klimaatopwarming aan den lijve,’ schrijft ze, waarmee ze op grappige wijze de metaforen door elkaar husselt. En verder: 


Besparingsbeleid treft hen disproportioneel hard. Ze horen hun ouders discussiëren over de prijzen van wonen, gas, benzine en brood. Ze zien hun ouders lange dagen werken voor een loon dat niet volstaat om al die noodzakelijke dingen te betalen.


     Dus: de jongeren worden disproportioneel hard getroffen, hun ouders ook en hun grootouders, neem ik aan, evenzeer. Waar het woord ‘disproportioneel’ al niet goed voor is.    Bijzonder treurig is de toestand in het onderwijs. 


 Kinderen zitten doorgaans met 35 in een aftands klaslokaal waar het ’s winters net niet vriest en het ’s zomers 40 graden is … Verschillende leerlingen en leerkrachten getuigen over ratten en kakkerlakken die door de gangen lopen, schimmel op de muren van de lokalen, afbrokkelende en lekkende plafonds, te weinig toiletten, bovendien zonder wc-papier …


      Bij harteloze rechtse mensen hoor je soms mompelen dat de vervallen scholen misschien ook komen doordat de leerlingen niet zorgzaam met hun omgeving omgaan, en dat lerarentekort deels verklaard kan worden doordat die mensen niet graag les geven aan een publiek dat niet altijd even beleefd blijft. Hoe meer hyperbolen ik lees, hoe sterker de drang om van mijn kant het understatement te hanteren.
     Purnelle schrijft nog: ‘70 procent van de klassen huist meer dan 30 leerlingen.’ Zou dat waar zijn. Ik vraag het aan ChatGPT, dat mij de cijfers van de Franse onderwijsadministratie geeft: het gemiddeld aantal leerlingen per klas is 21,6 in het basisonderwijs, 25,5 in het lager secundair, 30 in het hoger secundair onderwijs en 18 in het beroepssecundair onderwijs. Dat is nog altijd veel, maar toch heel wat minder dan Purnelle aangeeft. 

  

Enkele films en series

Out of Africa
   
     Vandaag kan ik alles vragen aan ChatGPT en Grok, en krijg ik brave, middle-of-the-road antwoorden. Maar ik surf nog altijd op Quora op zoek naar extravagante vragen en extravagante antwoorden. Een mooie vraag die soms terugkeert is: Welke film won een Oscar voor beste film en was eigenlijk niet goed. Iemand had een aantal criteria verzameld: (A) bevat een plotgat; (B) gaat nergens over; (C)  is flauw over de hele lijn.  
     De toepassing van de criteria leidde tot: The Deer Hunter (A), Chariots of Fire (B) , Out of Africa (A-B-C) , Argo (A-C).
Alleen Out of Africa beantwoordde aan de drie criteria. Dat zou best kunnen, maar zeker weet ik het niet, want ik slaag er nooit in om meer dan een kwartier naar die film te kijken.


Dix pour cent, le film (2026).
    Om toe te voegen aan mijn lijstje van films over het maken van films. Franse komedie in de beste zin van het woord. Dankzij de film heb ik nu ook de serie ontdekt die eraan voorafgaat.


La règle du jeu (1939)
    Op Youtube kun je de mooie en historisch belangrijke film La règle du jeu zien (1939), van Jean Renoir. De klank is slecht en, als iemand die half-doof is, begreep ik weinig van de dialogen. Ik moet hem nog eens opnieuw zien in een betere versie. Maar één dialoog heb ik wel begrepen. Octave zegt :  ‘Ce qu’il y a de terrible dans la vie, c'est que tout le monde a ses raisons.’ Waarop André of Robert antwoordt : Bien sûr, et moi, je suis pour que chacun les expose librement.’

Furious (2026) 
   
 Televisiereeks over een seriemoordenares en een politie-agente. De plot is ongeloofwaardig en bevat alle clichés van het genre. Maar de uitwerking van de personages is hoogst origineel. 


Drops of God (2023)
     Serie over een jonge vrouw Camille Léger die zich vanwege een testament moet vervolmaken in de wijnproeverij. Veel over ‘premier nez’ en ‘deuxième nez’ en dat soort zaken. In de tweede aflevering ziet Camille haar jeugdvriend Thomas terug. Maar Thomas heeft een relatie met Juliette die knap is, zeven talen spreekt en van de regisseur opdracht gekregen heeft om haar vriend voortdurend aan te raken.  ‘Ik begrijp het,’ zei mijn vrouw, ‘wij moeten Juliette niét leuk vinden.’ Dat was ongeveer het moment dat we besloten om het bij twee afleveringen te laten. 

 

Verzamelde kortjes

 Haat op het internet
      In zijn column bekende Tom Naegels laatst dat hij Mark Zuckerberg veracht en haat. Facebook had een ‘turbo’ gezet op onze instinctieve drang om te haten. Zijn eigen haat, zo gaf Tom toe, is ‘sterk beïnvloed door de films die Aaron Sorkin over Zuckerberg heeft gemaakt, The Social Network uit 2010 en het pas verschenen The Social Reckoning.’ 
      Hier blijkt nogmaals het verschil tussen Tom en mij. De nieuwste film heb ik nog niet gezien, maar wel die andere uit 2010, en ik vond het hoofdpersonage, Zuckerberg dus, eigenlijk best sympathiek. Als ik niet oppas vind ik in films ook Hitler en Stalin sympathiek als ze door Bruno Ganz of Robert Duval gespeeld worden.

     ‘Zou iemand Facebook missen als het weg was?’ vroeg Tom nog. Het korte antwoord is: ‘ik’. In het lange antwoord zou ik de voordelen tegenover de nadelen moeten afwegen. 




De online beerput
     Een kop in De Groene Amsterdammer: ‘Nu Twitter is verworden tot een online beerput in handen van een techmiljardair, is de vraag: hoe creëren we betere sociale media?’ -- Wie zijn die ‘we’ , vroeg ik mij af, die betere sociale media moeten creëren? De minister van Cultuur? Ik zou het in elk geval niet kunnen, en misschien is dat de reden dat ik enigszins opkijk naar mensen als Zuckerberg.



 

 

Peter Van Straaten

     Dagelijks zie ik tientallen prenten van Peter Van Straaten op mijn FB-pagina verschijnen. Ik heb het algoritme zo afgericht. Pas onlangs heb ik ontdekt dat de tekeningen beter tot hun recht komen als je ze voldoende uitzoomt. Er bestaat voor tekeningen en schilderijen een juiste schaal. Uitgezoomd zijn de gezichten van Van Straaten bijvoorbeeld meestal beter getekend dan je eerst zou denken. Ook op de scheurkalender zijn de tekeningen te klein afgedrukt.

 

 
 

Jean-Marie De Decker en de BTW   

     Ik was erg verguld met de tussenkomst van Jean-Marie De Decker over de BTW-verhoging. Ik heb verschillende keren hardop gezegd: ‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Jean-Marie is tegen alle federale belastingverhogingen. Maar als er dan toch belastingverhogingen nodig zijn – vanwege het politieke compromis – dan liever op consumptie dan op arbeid en ondernemen. 



 

 Emotioneel anti-semitisme
    Niet alle antizionisme is antisemtisme, en niet alle antisemitisme is even erg, maar soms denk ik dat ik te véél nuanceer. Bij een FB-vriend lees ik een bespreking van de geëngageerde Palestijnse film No Other Land. Ik citeer: ‘En ja, niet alle joden zijn klootzakken, maar alle klootzakken die zich inlaten met landroof op de Westbank – waarover de film gaat, zijn wel joods.’ Dat is al vrij grof. En hij voegt er eerlijk aan toe: ‘Het wordt niet bepaald gemakkelijker om niet antisemitisch te denken.’ 



Trump, weerzin & angst, de intimidatie van de pers
     ‘Democratisch activisme,’ schrijft Ian Buruma (DS 13/10) ‘wekt in sommige kringen weerzin, maar Republikeins activisme maakt mensen bang.’ Die formulering zal ik onthouden, en er af en toe aan terugdenken. Verder schrijft Buruma:

 

Diverse nieuwsorganisaties zijn voldoende door Trump geïntimideerd om kritische verslaggeving of zelfs amusement in te binden. CBS … heeft een flinke ruk naar rechts gemaakt.

 

      Mijn indruk is dat de intimidaties van Trump goed gedocumenteerd zijn, maar dat die niet zoveel verschil gemaakt hebben in de overwegend kritische verslaggeving over de clowneske en boosaardige president. Dat is ook wat ChatGPT mij vertelt.



Archieven koesteren

Erfgoed, musea en archieven

     Vlaanderen heeft een socialistische minister van Cultuur, Caroline Gennez, die de besparingen niet volgens de kaasschaafmethode heeft doorgevoerd – overal een beetje besparen –  maar met een progressieve visie. ‘We hebben de makers, de kritische stemmen gespaard.’ De bevriende progressieve ‘sector’ wordt ontzien; bijna de helft van de besparingen worden gerealiseerd door subsidies te schrappen voor erfgoed, musea en archieven.
     Daar is natuurlijk van die kant veel reactie gekomen. Een aantal historici heeft een open brief geplaatst in De Morgen waarin ze oproepen tot het ‘
bewaren en blijven valoriseren van wat cultuurmakers en kritische stemmen uit het verleden ons hebben nagelaten.’ Maar de solidariteit van de hedendaagse kunsten, schrijft Jan Dumolyn, blijft er beperkt als het om ‘een hoop stenen’ en om ‘oude papieren’ gaat. Hij klaagt over een ‘intrinsiek dédain in wat gemeenzaam ‘de sector’ wordt genoemd, tegenover middeleeuwse kunst, historische landschappen, volkskunde, stoeten en processies …’



 

Onherstelbare schade

     In de brief van de historici werd ik vooral getroffen door twee woorden: de besparingen zouden kunnen leiden tot ‘onherstelbare schade’. De historici hebben het dan over de universitaire opleidingen in hun vak. Zelf ben ik nog banger dat er archieven zouden verdwijnen, want dan zou een volgende regering zonder socialistische cultuurminister de situatie niet meer kunnen rechttrekken. Die gedachte kan ik moeilijk verdragen. Van Karel van het Reve wordt gezegd dat hij op faculteitsvergaderingen zijn mond hield, maar dat hij een keer is gaan razen toen iemand voorstelde om ‘verouderde atlassen uit de universiteitsbibliotheek te verwijderen.’ Ik kan er ook niet goed tegen dat bibliotheken hun weinig of niet gelezen boeken wegdoen.



De makers en de archieven

    Als iemand  die zelf moeilijk papieren kan weggooien, heb ik met afgrijzen vernomen dat de cultuursubsidies voor archieven drastisch verminderd worden. Ik heb eerder al de wens uitgesproken dat de schade niet onherstelbaar zou zijn, want als iets weggegooid of vernietigd is, komt het nooit terug. Ik denk soms met weemoed aan het Latijns-Etruskisch woordenboek van keizer Claudius dat verloren is gegaan, of aan de 83 toneelstukken van Aeschylos die ons voor altijd onbekend zullen blijven. Van de film Greed (1924) die oorspronkelijk 9 uur duurde, heeft men bijna 7 uur pellicule weggesneden en vernietigd om het zilver eruit te recupereren.
     Ik heb dus geen argumenten nodig om archieven lief te hebben waar ik zelf nooit in snuister. Maar die argumenten blijven wel op mij afkomen. In De Standaard van vandaag (29/10) lees ik een open brief onder de kop ‘Het gat van Gennez.’ Hij is ondertekend door heel veel ‘makers’ uit de cultuurwereld. En dat merk je: 


Wie vandaag thema’s als kolonialisme, migratie, sociale strijd of mensenrechten aan wil snijden, kan al helemaal niet zonder toegang tot de archieven …


         Zouden we nu de komende jaren door de schuld van Gennez minder kolonialisme, migratie, sociale strijd of mensenrechten te zien krijgen op podia en tentoonstellingen? 


 Trump archiveren
     Prachtig vind ik het wetsvoorstel van Amerikaans Congreslid Jamie Raskin om ‘voorwerpen die verband houden met de narcistische zelfverheerlijking van de president’ te verzamelen te bewaren. Het voorstel heeft officieel de Preserving and Remembering the History of Trump and other Tyrants Act.
     Misschien kunnen mensen binnen 50 jaar niet geloven dat Trump echt bestaan heeft en dat hij echt president is geworden. Ik kan het zelfs nú moeilijk geloven; wat moet dat binnen 50 jaar worden? Dan komen musea en archieven goed van pas kunnen om hun volksopvoedende rol te pelen. Wat zeker niet mag ontbreken in die Trump-musea zijn wassen beelden van de president. Die zullen geloof ik altijd griezeliger blijven dan die doorschijnende holograms. 

Drie kortjes over AI

Kubrick en AI
     Een stuk in Quillette van Graham Daseler over Kubrick.
     De commentaar bij Paths of Glory getuigt van gemengde gevoelens bij de auteur. Hij prijst het ontroerende einde, het realisme van de veldslag en het bekende tracking shot* van Kirk Douglas in de loopgraven. En gaat dan gaat Daseler verder: ‘Unfortunately, the rest of the movie is not so subtle.’ Hij vindt het jammer dat kolonel Dax zo eenduidig goed wordt voorgesteld en de generaals zo eenduidig slecht. Ik zie niet in waarom dat een nadeel moet zijn. Kubrick was juist heel goed in ongenuanceerde karikaturen.
      Kubrick heeft, zoals bekend, vrij lang gewerkt aan een film over AI, die uiteindelijk door Spielberg werd gemaakt, en die ook onder de titel AI is uitgebracht. Laatst werd op het VTM-nieuws gewaarschuwd voor de gevaren die AI met zich meebrengt, en dat werd geïllustreerd met een fragment uit 2001 waar de computer Hal zich keert tegen de bemanning van het ruimteschip. Maar uit het Quillette-stuk onthoud ik dat Kubricks visie weliswaar radicaal maar minder somber was dan je van een pessimistische misantroop zou verwachten:


“Eventually,” he told an interviewer in 1968, “we will have to share this planet with machines whose intelligence and abilities far surpass our own. But the interrelationship—if intelligently managed by man—could have an immeasurably enriching effect on society.”

* Dat tracking shot staat hier. 

 

De datacenters en de spoorwegen
     Lieven Sioen besteedt zijn commentaar van vandaag (DS 7/10) aan de datacenters. ‘Het is de grootste investeringsgolf ooit in de geschiedenis, schrijft hij, na de aanleg van de spoorwegen in de VS eind negentiende eeuw.’ Dat is ook de vergelijking die spontaan bij mij opkomt als ik aan AI denk. Sioen pleit voor meer staatscontrole (‘democratische zeggenschap’) over de datacenters om ervoor te zorgen dat niet ‘alle baten voor de techreuzen zijn.’
     Je hebt mensen die stoppen met lezen als ze in een stuk over hedendaagse politiek de term ‘fascisme’ tegenkomen. Anderen stoppen als ze het woord ‘neoliberalisme’ zien opduiken. Ik moet mijn best doen om niet te stoppen als ik een verwijzing zie naar de ‘baten’ of de ‘superwinsten’ die allemaal naar de ‘techreuzen’ gaan. De belangrijkste baten van zulke technologische vernieuwen zijn altijd voor de consument. Dat was ook zo met die Amerikaanse spoorwegen, al werden sommige aartsschurken er steenrijk mee, als ik de versie van Once Upon a Time in the West mag geloven.


De krant lezen, met de chatbot naast je

     Een uitgebreid stuk over Bouchez en de BTW-verhoging in De Standaard (13/10). In de eerste kolom lees ik dat de BTW-harmonisering van 6 en 12 % tot 9 % en de stijging van 21 naar 22 procent een opbrengst zou geven van 2,5 miljard euro. In de tweede kolom wordt verwezen naar een studie van het Planbureau uit 2016 die de opbrengst van een BTW-verhoging van 1 procentpunt op 80 miljoen euro schat. 80 miljoen versus 2,5 miljard … vroeger zou ik boos geworden zijn op de journalist die dat verschil niet uitlegde. Nu vraag ik het aan ChatGPT en in één seconde weet ik het antwoord.