dinsdag 31 maart 2026

Te mijden columnisten


      Hoewel de tekst redelijk kort is, heb ik de column van Frank Van Laeken “Ad hominem: weg met deze columnisten” niet helemaal gelezen. Ik was natuurlijk wel nieuwsgierig naar de namenlijst. Voor de lezer die de column niet gezien heeft, het zijn deze: 1) Maarten Boudry, 2/3) Rik Torfs & Mia Doornaert, 4) Marnix Peeters, 5) Koen Meulenaere, 6) Wouter Duyck, 7) Joren Vermeersch, 8) Mark Elchardus, 9) Joris Van Cauter, 10) Christophe Vekeman. Wat me aan die lijst bevalt is dat er enkele onverwachte namen op staan.
 
     Ik heb even getwijfeld of ik er een stukje aan zou wijden. Maar toen vond ik op X.com een leuk plaatje om bij een eventueel stukje te zetten: een parodie op de Index Librorum Prohibitorum.  Dat was al één reden om er iets over te schrijven. Wat later vond ik een tweet van geëngageerd cultuurmens Michaël De Cock die mij rechtstreeks aansprak: ‘Ow ow. Frank Van Laeken heeft op veel zere teentjes getrapt, bij de ridders van het het vrije woord.’ Welja, dat ben ik helemaal: een ridder van het vrije woord, alhoewel mijn tenen, zoals dat bij ridders gaat, goed beschermd zijn door stalen schoeisel. Die verwijzing naar ‘zere teentjes’ leverde alweer een leuk plaatje op om bij de tekst te plaatsen. Op die manier, met die plaatjes erbij, werd reageren niet alleen een verdomde, maar ook een aangename plicht.



    Welaan dan. De inleiding van Van Laeken heb ik wél helemaal gelezen. Hij schrijft onder andere: ‘Waarschuwing: in dit stuk speel ik man én bal (maar toch in de eerste plaats de man).’ Dat is een stijlfiguur die ik wel kan smaken: een auteur die cynisch uitlegt hoe hij te werk zal gaan. Alleen wordt die positieve indruk verknoeid door de rest van de inleiding:

Ik ga hieronder een top 10 publiceren van columnisten/opiniemakers van wie ik vind dat die niet meer thuishoren in de media, niet omdat hun mening mij niet aanstaat, maar omdat hun mening reactionair of achterhaald of vals of een combinatie van de drie is. Zeker in media die zichzelf, wel of niet terecht, een kwaliteitslabel geven, horen de meningen van deze lieden niet langer thuis. Controverse mag, moét soms. Een mening die haaks staat op die van mij, laat maar komen. De randjes van het toelaatbare opzoeken, ach ja, moet af en toe kunnen. Maar voor deze dames en heren past maar één conclusie: weg ermee!

     Het enige leuke is hier de scandeerbare conclusie: weg-er-mee! De rest is van een hemeltergende naïviteit. ‘Controverse mag, moet soms.’ Alsof daar de toestemming van Van Laeken voor nodig is. ‘Niet omdat hun mening mij niet aanstaat …’ Natuurlijk is dat de reden van de lijst  dát en de verontwaardiging over die onbeschaamde auteurs die hun mening ook nog eens publiceren en af en toe herhalen. ‘Maar omdat hun mening reactionair is …’ Ik zal maar niets zeggen over de ruime invulling van het begrip ‘reactionair’, maar waarom zouden de kwaliteitsmedia geen meningen mogen publiceren die ‘reactionair’ zijn? Heeft Van Laeken zich ooit die vraag gesteld? Ik verwacht niet dat hij zijn redenen uiteenzet in een stukje dat ‘Ad hominem’ heet, maar de lezer zou toch de indruk moeten krijgen dat achter het boosaardige proza ook enige gedachte schuilgaat, of althans die Schimmer einer Idee.
     Kijk, een auteur mag – moét soms, nietwaar – boosaardig schrijven. Maar dan moet hij zichzelf in zijn inleiding niet voorstellen als een brave hendrik. Hij moet ronduit schrijven dat Doornaert haar mond moet houden juist omdát haar mening hem niet aanstaat. De polemist ergert zich aan bloemetjesbehang? Verbieden dat behang! De polemist ergert zich aan Doornaert? Verbieden die columns! Dan weten we tenminste dat de polemist het bloemetjesbehang en Doornaert écht haat, en tegelijk dat zijn eis tot verbieden gespeeld is.
      Maar een polemist die schrijft dat bepaalde auteurs geen toegang moeten krijgen tot de media omdat hun mening ‘reactionair’ is, een polemist die impliceert dat controverse mag en moet, maar zonder te overdrijven, en dat een mening die haaks staat op de zijne best gepubliceerd mag worden, maar alleen als ze op de juiste manier haaks staat, bij zo’n polemist vrees je dat niet alleen zijn haat, maar ook zijn eis tot verbieden gemeend zijn.
     Ik heb mij ondertussen een mening gevormd over Van Laeken. Hij lijkt mij iemand die zou kunnen antwoorden dat hij Doornaert en anderen niet wil censureren, dat hij hun meningsuiting niet bij wet wil laten verbieden, maar dat hij het alleen fijn zou vinden als ze geweerd worden uit de kwaliteitsmedia. Dat is wellicht zo. Ik verwijt hem niet dat hij een inquisiteur is, alleen dat hij de mentaliteit van een inquisiteur heeft.

maandag 30 maart 2026

Onderwijsdiversiteit en wiskunde











Onderwijsdiversiteit en wiskunde
     
Schooldirectrice Charlotte Zwemmer werd, geloof ik, door De Standaard speciaal aangetrokken om mij om de twee weken op de zenuwen te werken. Of misschien moet ik niet alles op mijzelf betrekken. Misschien is ze eerder aangetrokken om ervoor te zorgen dat het onderwijsdiscours van Zuhal Demir voldoende tegenwicht krijgt. Zo formuleert ze het namelijk zelf. In elk geval, ik lees Zwemmers stukken meestal maar heel opervlakkig om mij een overmaat aan ergernis te besparen.
     Maar dit keer gebruikt ze in haar column belangwekkende cijfers, en cijfers zijn voor mij heilig. Zwemmer citeert namelijk een ‘prijswinnend Vlaams onderzoek van de KU Leuven bij 3000 leerlingen.’ In dat onderzoek werd nagegaan of een ‘sense of belonging’ een positieve invloed had op schoolresultaten. Dat bleek, voorspelbaar, zo te zijn. Maar niet alles wat in de studie staat was even voorspelbaar. Wat moet er volgens het onderzoek gebeuren om de 
sense of belonging aan te wakkeren? Dat is onder andere 
  • leerlingen toelaten om de niet-Nederlandse thuistaal op school te gebruiken
  • rekening houden met de religie van alle kinderen
  • koloniale geschiedenis en racisme bespreken in de les
  •  voorbeelden gebruiken uit andere culturen
      Dat zijn allemaal zaken waar ik geen grote voorstander van ben. Ik vind het beter als de kinderen wél Nederlands spreken op school. Ik zou in scholen zo weinig mogelijk rekening houden met religie. Er mag in de geschiedenisles iets over het kolonialisme worden gezegd, maar niet ten koste van de Bourgondiërs, Rubens, het verlicht despotisme, en de Franse Revolutie. Leraren die voorbeelden gebruiken uit andere culturen zijn mooi meegenomen, maar zoiets hoeft niet per se in het leerplan. Het was aardig dat Michel Berger in de Griekse les over de Koerden sprak als hij een Koerdische leerlinge, Zuhal Demir, in de klas had, maar niet elke leraar kan zo’n grondige kennis van wereldculturen hebben als Michel, en zonder de verwijzing naar de Koerden was hij er ook wel in geslaagd om Demir te interesseren voor zijn vak.
     Maar nu blijkt uit het prijswinnend onderzoek dat het door toepassing van de hierboven geciteerde richtlijnen mogelijk is om de resultaten op een wiskundetoets met 10 tot 20 punten te laten stijgen. Als we die punten als procenten mogen lezen, dan is de correlatie zo spectaculair dat ik mijn mening moet herzien. Zwemmer:

Als leerlingen vinden dat het curriculum aandacht besteedt aan een gedeeld mensbeeld en racisme bespreekbaar maakt, kan de score op de wiskundetoets zelfs stijgen tot 20 punten en meer.

     Het is menselijk dat men feiten en cijfers die de eigen overtuiging tegenspreken met wantrouwen tegemoet treedt. Maar ze gewoon aan de kant schuiven, is onverantwoord. Een specialist die de conclusies niet lust, moet de cijfers grondig onderzoeken, en zal misschien tot de conclusie komen dat de onderzoeksmethode gebrekkig is. Ik las ooit over een onderzoek waaruit bleek dat scholen met een autochtoon, een allochtoon en een gemengd leerlingenbestand precies even goed scoorden op toetsen. Wat later las ik een grondige analyse van de cijfers die liet zien dat de conclusie heel wat minder ver reikte dan wat de krantenkoppen ervan maakten. Eigenlijk toonde ze alleen aantoonde aan dat even slimme, vlijtige kinderen, of ze nu autochtoon of allochtoon waren, even goede punten haalden. Dat dank je de koekoek. 
     Nu ben ikzelf helaas geen specialist. Als leek heb ik niet de plicht noch de mogelijkheid om het prijswinnend onderzoek op methodologische gebreken na te vlooien. Ik kan wel een aantal valstrikken bedenken waar men misschien niet aan gedacht heeft –  of misschien wel. Maar ondertussen zeg ik tegen mijzelf: 20 procent meer op een wiskundetoets omdát racisme bespreekbaar is in een school, dat bestáát niet. 


 Cijfers in columns
     Professor Tom De Herdt begint zijn column (DS 30/3) met een aardige grap over de economische wetenschap. De ene econoom zegt tegen de andere dat er een biljet van 20 euro op de stoep ligt, waarna die laatste poneert dat dat onmogelijk is, want iemand zou het al lang hebben opgeraapt. We kunnen lachen met het dogmatisme van die tweede econoom die zijn theoretisch model boven de empirische werkelijkheid plaatst, maar dat neemt niet weg dat hij meestal gelijk heeft. Briefjes van 20 op de stoep worden heel snel opgeraapt door een voorbijwandelende homo economicus.
      Alleen weten we allemaal dat de staat zich niet altijd als een rationele homo economicus gedraagt, en daarover gaat de column van Tom De Herdt. Hij klaagt de beslissing van de Vlaamse regering aan om nog slechts maximaal 2 procent niet-Europese studenten aan Vlaamse hogeronderwijsinstellingen te subsidiëren. Dat is een besparing van 83,1 miljoen. Maar nu schijnt er een onderzoek te bestaan waaruit blijkt dat een één euro geïnvesteerd in een internationale student 2,4 tot 3,1 euro oplevert aan onze economie en samenleving. De professor besluit:

Dat is goed voor 130.000 tot 197.000 euro per student, oftewel een aderlating van 4,3 miljard euro op het jaarinkomen van het land. Een briefje van 4,3 miljard op onze stoep.

     Het is een van de jammerlijke kenmerken van de column als genre dat je die niet kunt overladen met cijfers. Ik geloof best dat je van 2,4 euro via enkele vermenigvuldigingen aan het bedrag van 4,3 miljard komt, maar de lezer mist enkele factoren om zelf het product te berekenen. De professor kent die factoren maar de lezer kent ze niet niet. Daardoor weet de lezer niet hóe de 83,1 miljoen besparing moet worden vergeleken met de 4,3 miljard verlies. Op welke termijn wordt dat verlies berekend? Gelijkt dat virtuele bedrag op de fameuze ‘terugverdieneffecten’ die meestal virtueel blijven? Moet de ene vogel in de hand altijd versmaad worden vanwege die tien in de lucht? Kan men dat verlies van 4,2 miljard beperken door de subsidiëring van buitenlandse studenten beter te concentreren op de economisch rendabele studierichtingen?
     Vroeger zou ik mij aan die onbeantwoorde vragen geërgerd hebben. Vandaag weet ik dat ik met een uurtje te chatbotten al een flink deel van het antwoord zou kennen. Dat geeft rust. Ik móet die antwoorden niet kennen. Zo erg interesseert het mij ook niet. Dat regeringen vaak moeten kiezen tussen de lange en de korte termijn wist ik al langer. Ik kan hen daarbij niet helpen.


Hoe het transdebat voeren
     Cultuurfilosoof Simon Truwant doet in zijn column  over het transdebat (DS 30/3) iets wat ik ook vaak doe in mijn stukjes: de discussie verleggen naar het metaniveau. Hij neemt geen standpunt in, maar geeft goede raad hóe men een zindelijk gesprek kan voeren over een bepaald thema. Door dat iemand anders te zien doen, besef ik hoe futiel dat is. Mijn eigen excuus voor zulke oefeningen is dat ze me helpen om zelf klaar te zien. Ik vind dat een leuk tijdverdrijf.


Topdiplomatie over Iran
     Advocate Jasmine Malekzadem (DS 30/3) gelooft niet dat topdiplomatie de situatie voor de Iraniërs kan verbeteren.

Indien diplomaten hun werk goed willen doen, dan voegen zij vooral een zestiende punt toe aan het 15-puntenplan met in het vet cursief gedrukt: ‘vrijheid en democratie voor de Iraniërs.’ Eens zien welke onderhandelaars uit Teheran dan nog rond de tafel komen zitten.

     Ik weet zelf niet wat het beste is in deze zaak: oorlog of diplomatie. Je moet al optimistisch zijn om te denken dat één van de twee zal helpen om vrijheid en democratie naar Iran te brengen. Maar je moet héél optimistisch zijn om te geloven dat juridische veroordelingen, zoals Malekzadem zelf voorstelt, dat wel voor elkaar zullen krijgen. Laat het Internationaal Strafhof maar veroordelingen uitspreken. Eens zien of de machthebbers in Teheran zich daar iets van aan zullen trekken.



Iran-commentaren
     Tijdens de Gaza-oorlog zat radicaal-links en linksliberaal ongeveer op dezelfde golflengte: de morele veroordeling van de ‘genocide’. Bij de Iran-oorlog is het enigszins anders. Radicaal-links gaat verder met de morele veroordeling van de VS, waarbij het impliciet de kant kiest van de Ayatollahs. Links-liberaal is echter minstens even gebeten op de Ayatollahs als op Trump. Denk aan Verfhofstadt die vindt dat het Iraanse regime zich niet kan beroepen op het internationaal recht. De links-liberale teneur is dan niet dat de oorlog onrechtvaardig is, maar dwaas en ondoordacht. De analyse komt erop neer dat het Iraanse regime militair over betere troeven beschikt dan de VS, en dat Trump de wereld in een economische crisis heeft gestort. Dat kan best waar zijn, maar ik vind het vervelend dat alléén die analyse in onze pers aan bod komt. 


De ‘dogmas’ van Tom Hannes
     Dat ik wel eens iets schrijf over Marc Reynebeau was mij ook opgevallen. Ik neem mij voor om daarmee te minderen. Maar blijkbaar neem ik ook makkelijk filosofisch onderzoeker Tom Hannes als schietschijf. Ik heb eens gescrold door mijn eigen stukjes en in minder dan een minuut ben ik zijn naam al vier keer tegengekomen, en altijd om er kritiek op te leveren*.
    En nu lees ik in zijn laatste stuk (DS 28/3) veel waar ik het mee eens ben:

 Niet gelovig zijn is een fulltimejob en een specialisatie. Niet iedereen heeft er evenveel talent en tijd voor. Geloven is de menselijke fabrieksinstelling. We kunnen niet bij alles wat ons verrast ons hele wereldbeeld aan diggelen laten gaan. Het is economischer om een wereldbeeld te bewaren … tot het onhoudbaar wordt en we tot een andere beeld moeten overgaan … [We hebben nood aan] een visie op de wereld en onze plaats daarin … Het eerste biedt intellectuele stabiliteit: zo zit de wereld min of meer in elkaar en daarop kun je vertrouwen. Het tweede biedt een emotionele motivatie … Dat levert enthousiasme op. Dat is belangrijk, want zonder enthousiasme gaat het heel snel slecht met ons.

      Dat lijkt mij allemaal slim gezien en wijs gedacht. Hannes schrijft nog dat ‘enthousiasme’ komt van het Griekse ‘enthousiazein’: geïnspireerd of bezeten zijn door een god. Ook dat kan best waar zijn. Goed, Voltaire schrijft in zijn Dictionnaire philosophique iets anders. ‘Ce mot grec signifie émotion d’entrailles, agitation intérieure.’ Maar in die Dictionaire philosophique staan nog meer vreemde zaken.
     Nee, ik moet mij gewonnen geven, Hannes heeft gelijk. Hij schrijft ook:

Als onze wereld in de greep is van doorgedraaide en funeste vormen van geloof, zit er maar één ding op: een beter wereldbeeld maken dat niet alleen plausibel is, maar ook enthousiasmerend.

     Dat is mij allemaal muziek in de oren. Plausibiliteit speelt een grote rol in mijn wereldbeeld. Ik neem afscheid van Hannes, zwaai met mijn hand, maar net als ik bij de deur kom, draai ik mij zoals inspecteur Columbo om, en stel de schijnbaar naïeve vraag wat die doorgedraaide en funeste vormen van geloof zijn. En dan verraadt de verdachte zichzelf. Het is wel degelijk Tom Hannes. 
 
De moderne westerse esoterie zie je ook in de theologie van het neoliberalisme: het dogma dat alles in orde komt als iedereen voor zijn eigen portemonnee zorgt en de Markt bevrijd is van menselijke inmenging … Dat er weinig van klopt speelt geen rol. De ware gelovige houdt immers voet bij stuk. Toen na de val van de Berlijnse Muur in 1989 hier en daar nog een verzorgingsstaat bleef bestaan, dreven radicale neoliberalen de zaak op de spits met het rechts-populisme.

      Deze korte alinea bevat vijf of zes denkfouten, te beginnen met de gedachte dat de Markt met een hoofdletter moet worden geschreven en dan kan worden geplaatst tegenover de ‘menselijke inmenging.’ De markt is niets anders dan menselijke inmenging. Ik haal er nog één denkfout uit: dat neoliberalisme een dogma is. Het neoliberalisme is evenmin een dogma als het marxisme er een is. Dat betekent niet dat er geen dogmatische marxisten bestaan, of dogmatische neoliberalen. Natuurlijk zijn die er. Karel van het Reve heeft uitgelegd hoe het marxisme in de Russische communistische handboeken tot een dogma verworden was, maar dat betekent niet dat Ion Elster, of bij dichter bij ons Jan Dumolyn, per definitie dogmatici zijn als ze marxistische interpretatieschema’s gebruiken. 

 

  * Die zure oprispingen aangaande Tom Hannes staan  hierhierhier en hier.

   

 

zondag 29 maart 2026

StuBru-iconoclasten, e.a.


StuBru-iconoclasten
      Ik heb ze niet speciaal gezocht, de verontwaardigde commentaren aangaande de Stubru-iconoclasten, maar ik heb er toch een aantal zien voorbijkomen, van links en van rechts. Rechts was verontwaardigd over het stukslaan van de beelden, en links was verontwaardigd over die verontwaardiging: men had over iets ánders verontwaardigd moeten zijn.
   
     Een veelgedeelde FB-post van rechts was geschreven door Joren Vermeersch. Hij vindt dat zulke respectloze humor niet mag worden uitgezonden door een openbare omroep die betaald wordt met het geld van alle – ook de katholieke – belastingbetalers. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind dat zoiets wél moet kunnen, zeker op zenders waarvan we geredelijk kunnen veronderstellen dat ze weinig katholieken onder hun publiek hebben.
     Vermeersch schrijft ook dat men ‘doelbewust op de ziel van elke katholiek getrapt heeft.’ Dat is zeer twijfelachtig. Als je die StuBru-mensen achteraf hoorde, bleek juist dat ze niét doelbewust, maar eerder ondoordacht te werk waren gegaan. Vandaar dat de katholieke districtburgemeester van Antwerpen Paul Cordy een van hen een ‘stom kalf’ noemde. Met die onkarakteristieke uitspraak bewijst Cordy echter dat er inderdaad op zijn ziel is getrapt. Maar dat betekent weer niet dat er op de ziel is getrapt van élke katholiek. Van véél katholieken, dát geloof ik wel.
     Wat mij in deze reacties van Vermeersch en Cordy geweldig meevalt is dat ze de smakeloze actie aangrijpen om nog eens – tegen hun eigen belangen in zou je kunnen zeggen – de vrije mening te verdedigen. Zij maken tenminste het elementaire onderscheid tussen laakbaarheid en juridisch verbod. Vermeersch schrijft: 

Valt dit nog onder vrije meningsuiting? Wat mij betreft wel, ook al vind het het, naast stupide, moreel verwerpelijk.   

En Cordy schrijft:

Zolang je niet het bezit van een ander, of een stuk erfgoed, stukslaat is dat in een vrije samenleving toelaatbaar. Het getuigt misschien van weinig respect, maar respect is niet altijd een verplichting. Beeldenstormerij getuigt wellicht van intellectuele armoede, maar goed, ook daar hebben mensen recht op.

     Bij links ligt die reflex veel minder voor de hand. Het eerste voorbeeld dat mij te binnenschiet is het autobiografische boekje Another Life, van de Grieks-Zweedse schrijver Kallifatides. Daarin legt hij uit waarom hij destijds geweigerd had de vrije mening van de Charlie Hebdo-redactie te verdedigen. Hij vond dat de vrije mening geen ‘recht op belediging’ inhield. De moslims – de zwakkeren in de samenleving – waren door de cartoons beledigd. In het algemeen mocht er niet worden gespot met godsdienst, want daarmee werd ‘op de ziel getrapt’ van mensen als zijn gelovige grootmoeder, die zoveel had meegemaakt in het leven. Ook had Voltaire nooit gezegd dat je de vrijheid moest verdedigen van meningen waar je niet mee akkoord ging, en bovendien bedoelde hij iets anders. En ten slotte waren spottende afbeeldingen van Mohammed niet beter dan nazi-vlugschriften destijds waarin Grieken als apen werden voorgesteld.
       Een ding moet ik Kallifatides nageven: hij heeft een repliek gevonden op de oude wijsheid: Sticks and stones will break my bones, but words can’t hurt me. Zijn antwoord, dat hij aan zijn grootmoeder toeschrijft, luidt: Words have no bones, but they can break bones. Het is aardig, maar toch heel wat minder leuk dan het origineel. Van de treffende wissel van trochee naar jambe schiet in het vormloze ritme van het alternatief niets meer over;  het rijm stones/bones is vervangen door een rime riche bones/bones, wat meestal onhandig klinkt; en van de mooie assonantie words/hurt blijft niets meer over. Maar misschien klonk de boutade beter in het Grieks of het Zweeds.


Democratisering van het onderwijs
      Het vlag 
democratisering van het onderwijs’ kan verschillende ladingen dekken. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer inspraak van de leerlingen moet komen in het schoolbeleid of dat de leraren hun directeur mogen verkiezen. Maar het vaakst bedoelt men dat het onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle klassen van de bevolking. Arbeiderskinderen moeten evengoed hoogwaardig onderwijs kunnen genieten als de kinderen van dokters, notarissen en fabrikanten.
      Toen uit onderzoek in de jaren 60 bleek dat de barrières voor het onderwijs niet alleen van financiële aard waren, rees bij politiek links het idee dat er ook aan de inhoud van het onderwijs moest worden gemorreld. Bijna niemand durfde dat openlijk zo zeggen, maar in de praktijk kwam het erop neer dat het onderwijs gemakkelijker en minder veeleisend moest worden. Woorden als ‘communicatiever’, ‘procesgericht’, ‘minder theoretisch’, ‘geïntegreerd’ moesten die nivellering camoufleren.
     Die verwarring vanaf de jaren 70 tussen democratisering en nivellering inspireerde de aardige spotternij ‘Free distribution of diploma’s among the deserving poor.’ Vandaag hebben we de FB-stukjes van leraar Frank D’hanis. Mocht ik mij tot spot aangetrokken voelen, dan zou ik ze samenvatten als ‘Minder taken en makkelijker toetsen voor het werkmanskind.’


Rechtvaardige oorlog in Iran
     Het interview met geopolitiek analiste Michelle Haas in De Morgen (21/3) is heel goed. Ik heb onmiddellijk het boek besteld, maar ik moet eerst nog de dikke pil van Tocqueville gelezen krijgen. Haas gelooft dat De Wever een fout maakte door te spreken over ‘de oorlog die Oekraïne niet kan winnen.’ Ik heb in mijn stukje gewezen op het mogelijke voordeel van dergelijke uitspraken. Maar dat er nadelen aan verbonden zijn, is zeker. 
     Haas is van oordeel dat sommige oorlogen rechtvaardig kunnen zijn, en dat zoiets niet volledig afhangt van de formele legaliteit, of van het strikt defensieve karakter, ervan, maar bijvoorbeeld ook van de gevolgen. Ze vergelijkt bijvoorbeeld de oorlog tegen de Ayatollahs met die tegen het Qadhafi. Hieronder volgt een stukje uit het interview

  •  Is de oorlog in Iran rechtvaardig? Er was geen imminente dreiging. Israël greep de kans om Khamenei en zijn entourage uit de weg te ruimen. Zo is het toch begonnen?
  • Zo is het begonnen, we weten niet waar het zal eindigen … Er is veel denkbaar, maar het is niet totaal uitgesloten dat op haast miraculeuze wijze de democratische krachten de overhand nemen. Dat is niet de prioriteit van de VS en Israël, maar het zou kunnen. En als de democratie in Iran wint, verandert ons oordeel wellicht.
  • Een oorlog die zonder legitiem mandaat begint, kan rechtvaardig eindigen?
  • Absoluut. Voor mij is dat ethisch gezien mogelijk. De situatie waarin de Iraanse bevolking zich na een democratische shift zal bevinden, is rechtvaardiger dan hun bestaan onder repressie … Het kan ook andersom, in Libië begon de oorlog met een legitiem mandaat en eindigde het in chaos. De uitkomst bepaalt voor mij in hoge mate of een oorlog rechtvaardig is. … We moeten wel een eerlijk gesprek kunnen voeren: welke crisis verdient onze aandacht? En is de inzet van militaire middelen in bepaalde situaties gerechtvaardigd?
  • Is het in Iran gerechtvaardigd?
  • Waarschijnlijk niet. Omdat de intentie van Israël en de VS niet het welzijn van de Iraanse bevolking is. Je mag het internationale recht schenden … maar alleen met humanitaire bedoelingen.

     Ik ben het daar allemaal mee eens, behalve met die laatste hasty generalization. Humanitaire bedoelingen zijn volgens mij maar één aspect om de rechtvaardigheid van een oorlog te beoordelen, naast de legaliteit, de gevolgen, de defensieve aard, de rules of engagement,  en de verantwoordelijkheidszin van de regeringsleiders. Maar ik verondertel dat Haas daar wel mee akkoord zal gaan. 


‘Positieve’ en ‘negatieve vrijheid’

     In een vorig stukje wees ik erop dat Ignaas Devisch een verkeerde interpretatie gaf aan Isaïah Berlins concept van ‘positieve’ vrijheid. Die fout val valt gemakkelijk te verklaren vanuit een falend geheugen. Misschien had Devisch ChatGPT kunnen gebruiken om een en ander wat op te frissen.
      Mijn eigen herinnering aan het essay dat ik meer dan 30 jaar geleden gelezen heb, was eveneens gebrekkig. Ik had bij het schrijven ChatGPT wél gebruikt, maar nu ik het essay in zijn geheel herlezen heb, besef ik dat mijn eigen commentaar evengoed fouten bevat. Als ik schrijf dat ‘positieve’ vrijheid inhoudt dat de burger ‘bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen’ heeft dat slechts weinig te maken met wat Berlin over dat begrip schrijft.
      Het is, geloof ik, gedeeltelijk de schuld van Berlin zelf dat Devisch zich vergist.  Mijn FB-vriend Ecce Ios merkte op dat de termen positief en negatief gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden, zoals wanneer we spreken van een positieve uitslag van een kankertumorentest. Er is in zulke gevallen een tegenstelling tussen de beschrijvende en de evaluatieve waarde van het woord. Bij positieve vrijheid denk je spontaan aan iets positiefs, en dat is niet de strekking van Berlins verhandeling.
     Berlin wil in de eerste plaats klaarheid scheppen. Dat is ook nodig. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘vrijheid’ wordt mooi geïllustreerd door de woorden van John Winthrop (1588–1649) die door Tocqueville worden geciteerd in het begin van De la démocratie en Amérique.

Er bestaat inderdaad een soort verdorven vrijheid, die zowel bij de dieren als bij de mens gangbaar is en die erin bestaat alles te doen wat men wil. Deze vrijheid is de vijand van elke autoriteit; zij verdraagt geen regels; met haar worden wij minder dan onszelf; die vrijheid is de vijand van de waarheid en van de vrede; en God verzet er zich tegen. Maar er bestaat ook een burgerlijke en morele vrijheid die haar kracht vindt in de eenheid en die door de autoriteit moet worden beschermd: het is de vrijheid om zonder vrees alles te doen wat rechtvaardig en goed is. 

   De eerste definitie van vrijheid, die Winthrop verwerpt, is die welke J.S. Mill als uitgangspunt neemt. Berlin verwoordt het enigszins anders: de afwezigheid van dwang, verplichting of verbod. De vrijheid is in eerste instantie ‘leeg’ en je moet die zelf opvullen. De tweede formulering gaat naar de aanwezigheid (vandaar ‘positief’) van waarden om de lege vrijheid op te vullen. Bij de fanatieke puritein Winthrop is dat het goede en rechtvaardige, maar een satanist, of erger: een racist, zou die vrijheid kunnen opvullen met andere waarden.
    Iedereen beseft dat de negatieve vrijheid niet onbeperkt kan zijn. Je huivert bij de gedachte aan fanatieke puriteinen, satanisten, of erger, racisten die alles doen wat ze willen. Nu zijn er twee soorten beperkingen. De eerste soort beperking is inherent aan de negatieve vrijheid zelf, namelijk de negatieve vrijheid van andere individuen. Niemand mag jou beletten lekker je gang te gaan, maar jij mag ook niemand anders beletten lekker zijn gang te gaan. Bij Mill wordt dat dat je alles mag doen wat je wil, zolang je anderen geen schade berokkent. Dat is nog altijd een zeer liberale definitie, alhoewel niet iedereen het eens zal zijn over wat schade is en wat niet.
     Maar je kunt de vrijheid ook beperken in de naam van andere waarden, zoals gelijkheid, broederlijkheid, fatsoen, deugd, onderling begrip, solidariteit, verbondenheid, respect, erkenning, veiligheid, welvaart, nationale trots, democratie, traditie, geluk, enzovoort. Berlin beweert niet dat die waarden minder belangrijk of belangrijker zijn dan vrijheid. Hij beweert in de eerste plaats dat vrijheid niet met die andere waarden mag worden verward, wat men nochtans vaak doet door te spreken van ‘nationale bevrijding’, ‘sociale ontvoogding’, ‘democratische vrijheden’, enzovoort.
       Ten tweede argumenteert hij dat er een privésfeer moet bestaan – groot of klein – waar het individu zich van die andere waarden niets hoeft aan te trekken.
     En ten derde moet volgens Berlin de maatschappij een zeker pluralisme van waarden tolereren waarbij individuen kunnen
  beslissen welke van die waarden ze hoger of lager aanslaan, en welke keuzes ze maken als die waarden met elkaar in conflict komen.
     Het essay van Berlin is dus  een pleidooi om ‘negatieve’ vrijheid als waarde, naast andere waarden, te waarderen. Over de ‘positieve’ vrijheid is Berlin heel wat kritischer. Er is op zich niets kwalijks aan het opvullen van de negatieve vrijheid. Mill doet dat ook. Hij gelooft bijvoorbeeld dat waarheid, verbeelding, originaliteit en creativiteit mooie waarden kunnen zijn om de lege en abstracte vrijheid mee op te vullen.
     Maar Mills vulsel is van recente datum. De oudere opvatting van de positieve vrijheid is dat de mens zich moet bevrijden van zijn spontane, lage driften, en zich moet richten op het hogere in zijn natuur: de deugd en het rationeel inzicht, die dan ook nog eens door een gelukkig toeval zouden samenvallen, althans sinds Socrates.
      Alleen is er een blijvend verschil tussen de reële mens, met zijn lage driften, en de ideale mens, met zijn zuivere rationaliteit en zijn deugdzaamheid. Die reële mens heeft niet altijd een goed begrip van wat voor hem van echte waarde is, zoals zieleheil, sereniteit, heroïsme, maatschappelijke verbondenheid en lichamelijke gezondheid. De reële mens moet dus geholpen worden door wetgevers, priesters, opvoeders, filosofen, experts en ministers van Volksgezondheid, wat in het beste geval leidt tot paternalisme, en in het slechtste geval tot wrede onderdrukking.
     Dat is allemaal geen reden om de positieve vrijheid an sich te verwerpen. Een maatschappij zonder opvoeding is niet wenselijk en een maatschappij zonder repressie is een utopie. Maar het is een reden om de ‘positieve’ vrijheid met argwaan te bekijken. We moeten erkennen dat ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid niet altijd complementair zijn, maar vaak tegengesteld, en dat ‘positieve’ vrijheid gemakkelijk ontaardt in autoritair collectivisme.
     Ten persoonlijken titel zou ik er nog aan toevoegen dat het woord ‘vrijheid’ best alleen voor het negatieve concept wordt gebruikt. Anders krijg je filosofen zoals Ignaas Devisch die zich op de positieve ‘vrijheid’ beroepen om ideeën, zoals die van Cofnas, te censureren aan de universiteit. Voor die censuur kunnen goede redenen bestaan, maar met vrijheid heeft het niets te maken.
 



donderdag 26 maart 2026

China-pater

     Als we binnenkort verhuizen naar ons appartement, zullen we de meeste van onze boeken niet mee kunnen nemen. Ik heb drie  plankjes China-boeken, en daar zullen er heel wat van sneuvelen. De deeltjes Simon Leys neem ik mee, maar wat doe ik bijvoorbeeld met Jung Chang? Neem ik Han Suyin mee uit nostalgie? Of Fanshen van William Hilton?
     Een van de boeken die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zal meenemen is dat van de franciscaanse pater Gabriel Boutsen. Mijn vader kreeg het cadeau van een bevriende abt van die orde. Het boek is van 1963, maar ik moet het gelezen hebben rond 1990. Het heet De vier China’s, waarmee Boutsen Honkong, Macao, Taiwan en Rood China bedoelt. Ik herinner mij nog veel van wat in het boek staat. De pater heeft rondgereisd in het Oosten en met veel mensen gesproken, zelfs met de legendarische Chiang Kai-shek.
      Een van de obsessies van de pater is de ontucht in de wereld. Hij moet op zijn reizen nogal wat straatprostitutie gezien hebben. Hij wordt niet moe van te herhalen dat de andere godsdiensten – Islam, Hindoeïsme, Boeddhisme – wel mooie praatjes hebben over goede zeden, maar dat alleen de christenen en de Kerk echt iets dóen om de ontucht te bestrijden.
     Het voornaamste doel van de pater was om de opkomende sympathie voor communistisch China in het Westen te bestrijden. Het was de tijd dat onze Koningin Elisabeth naar China reisde en bij haar terugkeer verklaarde dat de Chinese bevolking ‘bijna’ zo goed leefde als de Belgische. De pater kon in tegenstelling tot Elisabeth het grootste van de vier China’s niet bereizen, en moest daarom op zoek gaan naar experten. Hij vertelt hoe hij in Hongkong in het gezelschap komt van een groep Westerlingen en de volgende vraag stelt.

 ‘Mijne heren, vrienden in Chicago en de Mid-West hebben me gevraagd om naar Amerika terug te keren met een juist beeld over de toestanden van het eigenlijke China … Mensen in Amerika zien alles, horen alles, lezen alles, maar ze zeggen als besluit: “Nu weten we niets meer. Ga jij maar eens kijken” … Daarom, mijne heren, ik zoek een man, hij moge zijn een atheïst, een vrijmetselaar, een jood, een gestampte heiden. Ik zoek een man die (1) vroeger in China geweest is, (2) perfect Chinees spreekt en verstaat, (3) Chinees leest en schrijft, en (4) die zich uitsluitend met de studie en de wetenschap van het Chinese communisme bezighoudt.’ Ik dacht Zo’n man hebben ze toch niet,maar ze antwoorden met drieën tegelijk: We hebben zo’n man voor jou, met de schaar geknipt.’ Ik vroeg: Is het een atheïst, een francmaçon, een ongelovige? Wel, zeiden ze, het is een jezuïet. Ik was totaal uit mijn lood geslagen. Je verwacht je aan een francmaçon en ze je gooien je daar een jezuïet voor de voeten.

     En dan vertelt de pater over de ontmoeting met de expert.

 ‘Het schijnt, eerwaarde,’ zie ik bescheiden, dat u een en ander weet over het communisme op het Chinese vasteland. De de man sloot zijn ogen, opende heel wijd de armen en zei: ‘Daar weten we alles van.’ Ik antwoordde flitsvlug: ‘You are a true Jesuit’.

     Mooi toch, die milde naijver tussen de verschillende religieuze ordes.
     Ik heb dat allemaal 35 jaar geleden gelezen, maar herinnerde mij die woorden bijna letterlijk. Ik wist ook dat die jezuïet, van wie de naam niet wordt vermeld, Laszlo Ladany moet zijn, van wie ik rond dezelfde tijd het boek over The communist Party of China and Marxism had gelezen. Maar, nu komt het, ik kon die passages die ik mij zo goed herinnerde niet terugvinden in het boek van mijn franciscaan. Ik heb het boek de laatste vijf jaar zeker tien keer uit de kast gehaald, en bladzijde per bladzijde bekeken, en niet gevonden wat ik zocht.
     Maar, en nu komt het opnieuw, gisteren neem ik het boek nogmaals ter hand, en op de titelbladzijde zie ik een aantal notities in potlood, waaronder: p.136-147: Ladany. Hoe is dat nu mogelijk? De waarschijnlijkste verklaring is dat ik het boek niet al te lang geleden – vorig jaar bijvoorbeeld – opnieuw doorbladerd heb, toen het citaat wél gevonden heb, de vondst meteen genoteerd heb, en daarna alles weer vergeten ben.  Maar waterdicht is die verklaring niet. De titelbladzijde bevat nog andere notities en die zijn maar al te duidelijk van 1990, toen ik nog veel wist, en niet van 2025, toen ik al veel vergeten was. Dat Ladany-notitie staat daar waarschijnlijk al van 1990. 
     Is het mogelijk dat ik bij het doorbladeren van het boek iedere keer opnieuw de titelbladzijde heb overgeslagen? Dat kan, maar dat verklaart niet dat ik geen enkele keer de passage zelf gevonden heb, aangezien die toch waarlijk niet verstopt is, meer dan tien bladzijden telt, en in de inhoudstafel vermeld staat als 
‘Grote Hongkong-dialogen. Misschien heb ik al die keren veel minder nauwkeurig gezocht dan ik mij herinner. Of misschien heb ik al die keren een ánder boek doorbladerd. Maar welk boek?
     In elk geval, nu heb ik gevonden wat ik zocht, en de woorden die ik citeer kon ik letterlijk overtypen, zonder mij te moeten verlaten op mijn onbetrouwbare geheugen.

 

The Man From U.N.C.L.E.

     Toen mijn ouders  in 1954 een bioscoop openden in mijn geboortedorp waren er geloof ik nog drie concurrerende zalen, maar na enkele jaren bleven er maar twee zalen meer over, allebei met een naam die verwees naar de antieke oudheid: de Forum van mijn ouders, en de Olympia van de concurrent. De productiehuizen, en dus de films, werden bij gentlemens’s agreement onder elkaar verdeeld: wij kregen Metro Goldwyn Mayer en Universal, de concurrent kreeg Gaumont en 20th Centrury Fox. Als gevolg daarvan zag je bij de concurrent The Sound of Music en James Bond, terwijl wij Mary Poppins en de Man From U.N.C.L.E. hadden, met Napoleon Solo en de enigszins androgyne Illya Kuryakin*. Die laatste films waren eigenlijk niet meer dan uitgesponnen afleveringen van een televisiefeuilleton.
     Guy Ritchie heeft 50 jaar later van de Man From U.N.C.L.E.  een echte speelfilm gemaakt. Ik wist dat die zou tegenvallen, maar heb toch gekeken. Voor de derde keer kom ik een film hetzelfde mopje tegen: een sovjetburger – hier Illya Kuryakin – die tegenover een westerling opschept – impliciet en zeer ten onrechte – over de superioriteit van de Russische mode. De scène speelt zich af in een chique kledingszaak. Napoleon Solo kiest een dure jurk voor Gaby die zich moet voordoen als Kuriakins verloofde. Maar die vind de jurk niet chique genoeg. ‘There is no way my woman is wearing this dress.’ Waarop Solo sarcastisch antwoordt: ‘Really, now you’re a Russian fashion expert?’ De andere films waarin ik het mopje opmerkten waren Ninotchka (1939) en Cold War (2018).**
     Het ergste in The Man From U.N.C.L.E. was de scène met speedboten. In zo’n film woont de geniale slechterik – dit keer een vrouw – op een eiland, en men begeeft zich naar dat eiland met behulp van een speedboot. Ik gooi dan geen schoen naar de televisie, maar roep heel luid: ‘Saai!’ De regel is eenvoudig: scènes met speedboten zijn saai, scènes met helikopters zijn fraai, vooral als die helicopters vanuit de diepte op lijken te stijgen. Ik denk aan Blue Thunder, We Were Soldiers, en een derde film met helikopters waarvan de naam mij nu niet te binnenschiet.
      Pas op, die helikopters kunnen ook saai zijn. Managers met aktetassen bijvoorbeeld die naar een wachtende helikopter lopen en hun hoofd intrekken uit irrationele angst voor de draaiende schroeven. Het ergste is als er iemand aan een vliegende helikopter hangt met de bedoeling om naar binnen te klimmen en daar amok te maken. Dat is gruwelijk, even gruwelijk als scènes waarin de protagonist en de antagonist vechten op het dak van een trein. In de laatste Indiana Jones-film The Dial of Destiny wordt eindeloos rondgerend op het dak van een trein, terwijl de charme van de eerste Indiana-Jones film juist was dat die obligate scènes zo snel mogelijk werden afgewerkt. 

* Over Kuryakin, zie ook mijn stukje hier.

** Over de Russische mode-mopjes, Zie mijn stukje hier

 

woensdag 25 maart 2026

Reynebeau en de kemel van BDW, e.a.


       Marc Reynebeau heeft zijn bijdrage geleverd aan de discussie rond Cofnas. In tegenstelling tot de meeste bijdragen over dat onderwerp begint hij met een tirade tegen Bart De Wever en N-VA. Ik vermoed dat die obligate omweg langs N-VA begonnen is als een weddenschap, en dat ze dan geëvolueerd is tot een gimmick die dienst doet als handtekening van de auteur. Dat komt ook voor in de dicht-, schilder- en filmkunst. Men identificeert de stukken van Reynebeau niet alleen dankzij de naam onderaan, maar ook door de vindingrijkheid waarmee hij de afkorting N-VA in zijn tekst heeft gesmokkeld. Dit keer verloopt de omweg langs een citaat dat onze premier 
onvolledig, zonder context en in een andere betekenis heeft aangehaald. 

Premier Bart De Wever gaf er nog een staaltje van omtrent zijn mislukte btw-hervorming. Het ‘raspaard’ dat hij in gedachten had, bleek als een stinkende, lelijke en gehandicapte kameel’ uit het coalitieberaad te zijn gekomen. De Wever suggereerde zo dat compromissen alleen tot misbaksels kunnen leiden, al kwam dat, zeker in dit geval, door een gebrek aan politieke coherentie en leiderschap. Om zijn gelijk te illustreren maakte De Wever een allusie op een stelling van zijn verre voorganger Gaston Eyskens. Die illustreerde ermee hoe politiek overleg plannen zo grondig kan transformeren, dat wat als een paard in de kabinetsraad wordt gebracht, er als een dromedaris weer uitkomt.

      De brave Reynebeau schijnt met zekerheid te weten dat De Wever verwijst naar de uitspraak van Gaston Eyskens, terug te vinden in diens postume Memoires : “een dromedaris is een paard dat door de kabinetsraad is gestapt.” Maar dat is lang niet zeker. Heeft Reynebeau zelf de kameel-uitspraak nog nooit in een andere context gehoord, gelezen of gebruikt? Dat valt mij van hem tegen. Ikzelf ken de kameel-uitspraak al heel lang, en heb ze al vaak in gesprekken gebruikt. De Memoires van Gaston Eyskens had ik daarvoor niet nodig. Verder leert internet mij dat de grap in een minder expliciete versie al voorkwam in Reader’s Digest van september 1954, en in zijn klassieke vorm in Sports illustrated van december 1957: ‘A camel is a horse that was designed by a committee.’ 
      Maar Reynebeau heeft nog iets anders ontdekt, (of hij praat die ontdekking na): het racistische en discriminerende taalgebruik van De Wever.

De Wever maakt van Eyskens’ paard een raspaard, wat al een zweem van raciale superioriteit oproept. Dat contrasteert met het inferieure scharminkel   geen dromedaris (één bult), maar een kameel (twee bulten) – inferieur door fysieke gebreken, lelijk en gehandicapt [Reynebeau vergeet hier ‘stinkend’]. Het zijn eigenschappen die niet alleen neerbuigend klinken, maar in het register van de discriminatie bekendstaan als bodyshaming en validisme. Zo schoot De Wever twee keer een kemel.

     Alleen is nog niet duidelijk of De Wever met opzet, dan wel onbewust, voor een kameel-met-twee-bulten gekozen heeft in plaats van voor een dromedaris-met-één-bult. Misschien dacht hij gewoon aan het Engels waar dat onderscheid nog minder strikt dan in het Nederlands wordt gemaakt. Het is evenmin duidelijk of De Wever bedoelde dat álle kamelen stinken en lelijk zijn  een stigmatiserende veralgemening  dan wel alleen die ene kameel waarmee hij de btw-hervorming vergeleek. Ten slotte kan De Wever best eens verduidelijken of hij een ‘raspaard’ nu echt superieur vindt aan, en mooier dan, aan een robuust trekpaard van gekruiste afkomst.
       Dat De Wever niet had mogen spreken over een ‘gehandicapte’ of zelfs ‘andersvalide’ kameel is daarentegen evident. Dat behoeft geen verduidelijking. Het kan best dat een metaforische kameel mank gaat aan zijn linkerpoot, maar dan moet je dezer dagen niet spreken van een ‘gehandicapte kameel’ maar van ‘een kameel met een handicap’ of ‘een kameel met een beperking’. Tot mijn verbazing las ik onlangs dat je ook beter niet spreekt van ‘Turken’, maar van ‘Turkse mensen’.
      Hoe Reynebeau dan uiteindelijk van de kameel bij de Cofnas-rel terechtkomt, zal de lezer zelf moeten ontdekken. Het stuk staat in De Standaard van 25 maart, op de laatste bladzijde. 


Stubru en de katholieke beelden
     Mag ik iets schrijven over die journalisten van Stubru die in een rageroom van alles hebben stukgeslagen, waaronder ook een beeld van Jezus en Maria? Ik heb het filmpje niet gezien, maar ik heb erover gelezen. Bijna iedereen maakt spontaan de vergelijking met het vernietigen van Mohammedaanse symbolen. Wat zou het verschil geweest zijn als de Stubru-journalisten ook een Koran in brand hadden gestoken?
      De mensen van Stubru zelf vonden dat je symbolen van de eigen cultuur mocht stukslaan, maar niet die van een andere cultuur. Frank D’hanis vindt dat je in onze streken best kunt lachen met Jezus, want dan ‘bevraag’ je een ‘machtsbastion dat nog steeds pedofielen beschermt.’ Dat is volgens hem ‘trappen naar boven’, in tegenstelling tot lachen met de Islam, dat een voorbeeld is van 
trappen-naar-onder. Tja. En dan is er nog het verschil waar Isolde Van den Eynde over spreekt wanneer ze een gebeurtenis aanhaalt die gebeurde in de redactielokalen van Charlie Hebdo.
     D’hanis legt verder nog uit dat het onmogelijk is om beelden van Mohammed te schenden, want die bestaan niet. Maar is Dhanis dat wel helemaal zeker? Lezen we niet in het Chanson de Roland hoe de moslims in Spanje omgingen met het standbeeld van hun Mohammed, nadat ze zich door hem in de steek gelaten voelden: 

                    E Mahummet enz en un fosset butent 
                    E porc e chien le mordent e defulent

                    En M. gooien ze in een ravijn 
                    Waar varkens en honden hem vertrappelen en bijten.

dinsdag 24 maart 2026

Luiheid als 7de hoofdzonde, e.a.


Luiheid als 7de hoofdzonde
 
     In een column op Doorbraak schrijft Siegfried Bracke tegelijk over een podcast van Steven Fry en over een Humo-interview met neuroloog Guy Leschziner. Zowel in de podcast als in het interview komen de Zeven Hoofdzonden ter sprake: woede, gulzigheid, lust, afgunst, luiheid, hebzucht en trots. Podcasts beluisteren behoort niet tot mijn dagelijkse routine en ons Humo-abonnement hebben we 26 jaar geleden opgezegd. Ik ben dus blij dat Bracke een en ander voor mij samenvat, onder andere dat elke hoofdzonde een positieve en een negatief kant heeft. Bijvoorbeeld: 

Woede is vaak de vonk in het kruitvat geweest, waardoor hele naties in ellende werden gestort.  Maar tegelijk is woede ook de motor van rechtvaardigheid. Vervang woede door verontwaardiging en we spelen een heel ander spel.

     Ik geloof dat dat waar is. Mocht ik wat meer aanleg hebben tot woede en verontwaardiging, stond ik misschien op een iets andere plaats op het politieke spectrum, Hetzelfde geldt voor mijn aanleg tot ‘afgunst’, die trouwens een ondeugd is waarvan Bracke vergeet om de positieve en negatieve kant te belichten. Luiheid is hij niet vergeten, maar over die hoofdzonde verschillen we van mening. Bracke is een bezig bijtje.

Luiheid vind ik de moeilijkste, schrijft hij, daar is geen goede kant aan. Iets doen kan kwalijk zijn; niets doen ook. Niet hervormen bijvoorbeeld, ook als het zonneklaar is dat het niet anders kan en dus moet. Dat is een echte zonde. 

    Terwijl luiheid mijn lievelingszonde is!  Bij het aanwerven van computer programmeurs schijnt men een voorkeur te geven aan luieriken die op zoek gaan naar de gemakkelijkste, en vaak de beste, oplossingen. Op het advocatenkantoor waar ik ooit werkte, keken de oudere partners met wantrouwen naar jonge medewerkers  die tot laat in de nacht achter hun dossiers zaten. Die waren wellicht niet efficiënt bezig. En zelfs mijn eigen inefficiënte luiheid heeft mij vaak voor onnodige of zelfs schadelijke activiteit behoed.
     In de politiek vind ik luiheid nog beter. In het algemeen doet de staat te veel in plaats van te weinig. Bracke heeft gelijk dat men moet ‘hervormen als het zonneklaar is dat het niet anders kan.’ Maar wanneer is het ‘zonneklaar’?  Je kunt a priori zeggen dát er hervormingen nodig zijn, maar je kunt niet a priori zeggen wélke hervormingen er op wélk moment nodig zijn. De twee gulden regels zijn: niet te radicaal,  niet te snel, en niet te veel hervormen. En áls je toch radicale hervormingen nodig acht, kies dan één terrein uit om je reformisme bot te vieren, en stel je voor de rest behoudsgezind op. 


Naïviteit over EU en Iran
     Inzake Iran zijn er twee soorten naïviteit. De eerste soort bestaat erin om te geloven dat de Amerikaans-Israëlische aanval het regime zodanig verzwakt dat democratie en vrijheid in het land een kans zullen krijgen. Ik lees in onze pers veel over de ondoordachte strategie van de Amerikanen, en over de vele economische en militaire troeven van de taaie Ayatollahs, maar toch geef ik de hoop nog niet helemaal op. Dat is mijn soort naïviteit, die voortkomt uit onwetendheid en gebrek aan kennis. Ik kan niet met zekerheid voorspellen wat de toekomst zal brengen. Het verloop van krijgsverrichtingen valt moeilijk te voorspellen.
     En dan is er de naïviteit van advocate Jasmine Malekzadem. Ze legt in een opiniestuk (DS 24/3) uit dat de aanvallen
 voor de bevolking alleen miserie brengen, zoals de ineenstorting van de voedselbevoorrading en van de medische verzorging, en dat die interventie er anderzijds niet in slaagt om het moorddadig-autoritaire regime ‘een stap achteruit te doen zetten.’ Malekzadem is met andere woorden niet naïef als het gaat om de intenties en de praktijken van de VS én ook niet als het gaat om die van de Ayatollahs. Maar dan schrijft ze 

Precies daarom zet ik mijn joker in op de EU, die gelooft in de Westerse waarden en in de bescherming van de burgers. Alleen mag je van de Europese landen verwachten dat zij daarnaar handelen, en dus initiatief nemen. Lidstaten kunnen individueel of gecoördineerd strafrechtelijk onderzoek instellen, op grond van het beginsel van universele jurisdictie. Ze kunnen ook de VN-Veiligheidsraad bijeenroepen om de situatie in Iran door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof.

     De  naïviteit zit hier niet in het geloof in de EU of in de Westerse waarden. Dat geloof is, for all I care, gerechtvaardigd. De naïviteit zit in het geloof dat ‘strafrechtelijk onderzoek’ en die ‘bijeenroeping van de VN-Veiligheidsraad’ ook maar iets kunnen veranderen voor de Iraniërs. Dat heeft niets meer met onwetendheid of onvoorspelbaarheid te maken. Iedereen weet precies wat er zal gebeuren als de Veiligheidsraad de bloedige Iraanse repressie op de agenda krijgt. Niets. Iedereen kan precies voorspellen wat een doorverwijzing van de Ayatollahs naar het Internationaal Strafhof zal teweegbrengen. Niets. 


Ive Marx over Chatbots
     Onlangs werden Petra De Sutter, Rik Torfs en Peter Vandermeersch betrapt op naïef gebruik van chatbots. Ik vond dat grappig en interessant, zonder dat ik daarbij veel leedvermaak of medelijden voelde. Hoogstens voelde ik mij superieur omdat ik mijn chatbot-citaten wél controleer, in tegenstelling tot mijn spelling van eigennamen. Maar nu schrijft Ive Marx (DS 24/3) iets wat mij uit het hart gegrepen is:

Wie de slachtoffers van de recente onthullingen ooit heeft bezig gehoord, weet dat ze zonder AI ook wel iets te zeggen hebben.

     Genau!


Versleten ideeën
      Hans Cottyn (DS 24/3) waarschuwt de regering dat ze voor de dreigende energiecrisis niet naar ‘versleten’ ideeën moet kiezen zoals een indexsprong. Zelf geloof ik dat frisse ideeën niet noodzakelijk beter zijn dan versleten ideeën. Ook bestaat het gevaar dat men een idee ‘versleten’ noemt omdat men het niet lust. Kernenergie werd decennialang voor een ‘versleten’ idee gehouden, tot Ursula von der Leyen het twee weken geleden weer uit de kast haalde. En wat stelt Cottyn zelf voor in de plaats van de versleten indexsprong: ‘Zonder verder uitstel werk maken van het nieuwe windmolenpark aan de kust.’ Een aantal versleten woordspelingen met ‘wind’ borrelen nu op in mijn geest, maar ik besluit er niets mee te doen.


Chalamet en Dylan
     Ik heb ondertussen drie keer A Complete Unknown gezien. Tussendoor heb ik ook de Dylan-documentaire van Scorsese gezien: No Direction Home. Dylan viel wat tegen vergeleken met Chalamet. Zoals Patton moest tegenvallen vergeleken met George C. Scott, bedacht ik mij. Ik heb een paar filmpjes met de echte Patton op Youtube bekeken, en inderdaad, de man heeft charisma, maar minder dan Scott. En dankzij die filmpjes weet ik nu ook eindelijk waarom de Slag om de Ardennen in het Amerikaans ‘The Battle of the Bulge’ heet.