vrijdag 17 april 2026

Woke lettersoep, e.a.


Woke lettersoep 
 
    Misschien het langste ooit gebruikte letterwoord staat op naam van het Canadese parlementslid Leah Gazan. Ze sprak over de ‘genocide’ op ‘MMIWG2SLGBTQQIA+’-mensen. Het tweede deel van de afkorting bevat een ook voor ons herkenbare kern, LGBTQ, maar wordt in Canada wel eens uitgebreid: ‘Two-Spirited, Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender, Queer, Intersex, Asexual en Plus’. Het eerste deel staat voor ‘Missing and Murdered Indigenous Women and Girls’. Dat verwijst naar het grote aantal vrouwen van inheemse afkomst die vermist zijn of vermoord werden in de laatste 30 jaar. Het zijn er meer dan 1.200.
       Het is begrijpelijk dat die moorden in verband worden gebracht met de racistische behandeling waarvan de inheemse bevolking in Canada het slachtoffer is geweest. Dat verandert niet als men weet dat 85 procent van de onderzochte moorden door inheemse daders werden gepleegd. Maar is het verantwoord om zo’n probleem in de woke-sfeer te trekken? De Canadese regering bestelde een rapport over de vermiste en vermoorde vrouwen. De afkorting 2SLGBTQQIA, lees ik op Quillette, komt in dat rapport 1.197 keer voor. Het is een erg lijvig rapport, maar toch!


Nogmaals: Theo Francken en de drones
     De discussie over de drones wordt begrijpelijkerwijs beïnvloed door sympathie of antipathie voor N-VA en Theo Francken. Ik hoor bij de sympathisanten, maar wil mij zoveel mogelijk buiten dié discussie houden. Maar gisteren zag ik Sammy Mahdi op het VTM-nieuws, en ik wist meteen wat ik daarover wou schrijven. Nu zie ik dat Pieter Auwaerts op zijn FB-pagina het wat kleurrijker formuleert dan ik van plan was. Ik neem het dus gewoon over:

Dat de oppositie doet wat ze moet doen, dat kan ik allemaal best snappen. Dat de media op elk denkbaar feitje wil springen gelijk een geile reu op een loopse teef om artikels en gazetten te slijten of aan views te komen, is ook part of the game … Maar wat te denken van zo’n Sammy Mahdi? Die komt daar de vol bezorgdheid verbouwereerde knaap spelen na het zien van een op lucht gebouwde reportage, en weet blijkbaar helemaal niét wat zijn eigen mandatarissen binnen de regering hebben uitgevreten, gestemd en goedgekeurd? Het is dàt, of blijk geven van een slecht en deloyaal karakter. Spoiler alert : het is het laatste.

     Of alles in de reportage van Pano op lucht gebaseerd is, durf ik niet te beweren. Maar niet álles blijkt te kloppen. Zo werd beweerd dat er veel te veel betaald was voor de aankoop van anti-drone-systemen. Dat is best mogelijk en valt niet te weerleggen omdat, zegt Defensie, ‘de exacte prijzen niet kunnen worden meegedeeld vanwege commercieel geheim.’ Dat is vanuit democratisch oogpunt erg vervelend. Maar dat de schattingen van Pano zelf in dit verband ‘op lucht gebouwd waren’, of minstens appels met citroenen vergeleek, dat lijkt ook duidelijk.
     Critici van de Pano-reportage zagen een groot gehalte aan samensweringstheorieën. Bewonderaars haalden aan dat er er belangrijke vragen werden gesteld, het soort vragen dat dan in het Parlement en een audit verder moeten worden onderzocht. Maar zolang er over een aantal kwesties geen duidelijkheid is en we veroordeeld zijn tot speculatie en polemiek, hou ik erg van een ander soort vragen, namelijk ja/nee-vragen. Ik heb een klein lijstje van zulke vragen opgesteld, waarbij ik diegene vermeden heb waar ondertussen een duidelijk antwoord op gekomen is.

  1. Zijn er in ons land drones geweest in de buurt van kazernes en militaire installaties?
  2. Is de kans groot dat die drones, als ze er waren, door Rusland werden aangestuurd? 
  3. Heeft Theo Francken die drones verzonnen om paniek te zaaien?
  4. Was Theo Francken zelf in paniek toen hij inlichtingen kreeg over mogelijke drones?
  5. Heeft ons land überhaupt anti-drone materiaal nodig?
  6. Heeft ons land dringend anti-drone materiaal nodig?
  7. Is Francken voortvarend geweest bij de aankoop van anti-drone materiaal?
  8. Is de bestelling die geplaatst werd aanvaardbaar in termen van prijs, kwaliteit en leveringstermijn?
  9. Is de bestelling het resultaat van vriendjespolitiek?
  10.  Is de bestelling het resultaat van corruptie?
       Ik heb voor mijzelf een paar keer ‘geen mening’ ingevuld, en elke ‘ja’ betekende eigenlijk ‘ik denk het wel’ en elke ‘nee’ betekende ‘ik denk het niet.’ 


De PVDA en de drones
     Ook begrijpelijk is de reactie van de PVDA: we hebben die beveiliging tegen drones niet nodig. 

‘De NAVO heeft al drie of vier keer zoveel vliegtuigen, tanks of oorlogsschepen als Rusland. Rusland kan niet eens 1/5 van Oekraïne veroveren, hoe kunnen ze dan heel Europa bedreigen?’ 

     Dat is een ontoereikend argument, om veel redenen. Ten eerste moet rekening worden gehouden met hybride aanvallen – bijvoorbeeld drones – die je beter niet meteen beantwoordt met vliegtuigen, tanks en oorlogsschepen. Ten tweede hebben de Oekraïeners honderdduizenden levens moeten opofferen om 4/5 van hun land te behouden. Is Europa weerbaar genoeg om eenzelfde offer te brengen? En meer nog: gelooft Poetin dat Europa weerbaar genoeg is om zo’n offer te brengen? Zo niet, dan moet dat gebrek aan weerbaarheid gecompenseerd worden met een verpletterende overmacht. En ten derde kunnen we niet voorzien welke geopolitieke bondgenootschappen er zich in de toekomst zullen aftekenen. Draait Rusland naar de VS of naar China? Alleen al om neutraal te zijn in een wereldconflict, heeft Europa een sterk leger nodig.


Nogmaals: de pensioenhervorming 
   
 In mijn stukje gisteren probeerde ik te achterhalen hoe het komt dat de pensioenhervorming de ongelijkheid tussen de pensioenen doet toenemen. Wie door een onvolledige loopbaan vandaag een klein pensioen krijgt, riskeert door de strengere regels een nog onvollediger loopbaan te hebben, en dus nog een kleiner pensioen te ontvangen. Ik heb ondertussen het opiniestuk van Pol Vandendriessche in De Morgen gelezen dat een ander aspect belicht: de stijging van de ongelijkheid is kleiner dan je zou denken op basis van onvolledige cijfers. De Gini-coëfficiënt, die de ongelijkheid aangeeft, stijgt voor de brutopensioenen weliswaar met 9,1 procent; op huishoudniveau en na belastingen is de stijging 1,5 %. 


Drie argumenten tegen het vrije woord
     Er worden drie argumenten ingebracht tegen onbeperkte vrije meningsuiting: de mogelijke verspreiding van hate speech, van fake news en van ‘gevaarlijke meningen.’ Bij die gevaarlijke meningen horen: klimaatscepticisme, woke ideeën, ‘verheerlijking van geweld’, subversie, en ‘buitenlandse beïnvloeding’. In vroeger tijden was ketterij de gevaarlijkste mening, want die bracht het zielenheil van de gelovigen in gevaar.
     Het nieuwste gevaarlijke idee is AI-optimisme. Filosoof Stijn Bruers besluit een stuk in
 De Morgen als volgt: ‘Mensen die nu even stellig verkondigen dat AI niet zo gevaarlijk is, kunnen zo ook medeverantwoordelijk worden voor een grote ramp.’ Daar moet aan worden toegevoegd dat de argumenten van Bruers over het AI-gevaar helder zijn geformuleerd, en dat hij niet pleit om het AI-optisme als gevaarlijke mening te verbieden in de media of aan de universiteit. Dat deed hij wel met meningen over de Gaza-oorlog die hem niet bevielen*.

* Zie mijn stukjes hier en hier.


Monopolie in de entertainment business
     Een van de sterke a priori argumenten tegen het ongebreideld kapitalisme is dat het leidt tot monopolies die slechte kwaliteit aanbieden tegen veel te hoge prijzen. Maar daar zie ik nooit voorbeelden van. Welke producten zijn ten gevolge van monopolievorming te duur? Krielaardappelen? Computers? Piano’s? Gisteren kreeg ik op Het Nieuws eindelijk een voorbeeld. Door de samenwerking van Live Nation an Ticket Master was er een concertgigant ontstaan die te hoge prijzen aanrekende voor tickets. ‘Dat is waar,’ zei mijn vrouw, ‘zulke tickets kosten makkelijk 100 of 200 euro.’ Maar is dat te duur? vroeg ik mij af. Zo’n concert organiseren brengt aardig wat kosten mee. De Standaard (17/4) van de dag erna bracht het antwoord: experts van de Amerikaanse overheid hebben betoogd dat de Ticketmaster gemiddeld 1,72 dollar per ticket te veel aanrekende.’ Niet veel meer dan 1 procent dus. Hoe ze het hebben uitgerekend weet ik niet, maar die experts waren er niet op uit om de prijsverhoging zo klein mogelijk voor te stellen.


Planlast in het onderwijs
     Schooldirecteur Dimitri Meurrens (DS 17/4) schrijft een filosofische bezinning over de onderwijshervormingen. De titel is misleidend: ‘Hoe maak je van planlast planlust?’ Ik had het stuk daarom bijna overgeslagen. Maar het bevat juist een heel goede opsomming van wat de moderne planlast in het onderwijs inhoudt:  

Leerlingenvolgsystemen, de toenemende juridisering, online platformen waarop van alles moet worden geregisteerd, allerlei actieplannen die moeten worden opgesteld … Kortom, veel schrijfwerk, en dus ook veel leeswerk. Maar waarom wordt dat alles doorgaans als een last ervaren? … Onderwijsmensen zijn meestal plichtsbewust en doen wat ze denken dat van hen wordt verwacht, ook als die inspanningen niet in verhouding staan tot het beoogde effect.

     De lijst is redelijk volledig. Er ontbreekt nog ‘vergaderwerk’. Zelf geef ik toe dat ik het ‘leeswerk’ de laatste jaren van mijn carrière wat verwaarloosd heb, ook al werd het ‘schrijfwerk’ van mijn collega’s daardoor nog een fractie nuttelozer. 

donderdag 16 april 2026

Drones, e.a.


Drones

       Als het over drones of UFO’s in ons luchtruim gaat, schakelt mijn brein automatisch over op sceptische
 modus. Ik was sceptisch toen een half jaar geleden drones werden waargenomen boven onze kazernes. Nu ben ik ben sceptisch als in Pano* beweerd wordt dat er geen bewijzen zijn van directe Russische betrokkenheid. Die bewijzen waren er niet, zijn er niet, en zullen er vermoedelijk nooit komen. Maar afwezigheid van bewijs is in dit geval geen bewijs van afwezigheid. Theo Francken had gelijk toen hij zei dat Rusland dergelijke destabilisatie niet schuwt, en de veiligheidsdiensten hadden gelijk dat ze de Russische piste zo goed en zo kwaad als het kan onderzochten.
      Maar dat de Europese landen zich dringend drones en beveiliging tegen drones moeten aanschaffen, dat is dan voor mij wel weer een zekerheid. Oekraïne en Iran leveren dagelijks het bewijs dat drones in hedendaagse oorlogsvoering belangrijker zijn dan mortieren. Als het over defensie gaat, in de huidige geopolitieke context, wordt mijn sceptische modus weer uitgeschakeld.
      Een bepaald soort links heeft bezwaren tegen elke verhoging van de defensie-uitgaven. Dat geld moet naar de sociale zekerheid gaan. Fair enough. Maar het is meestal hetzelfde soort links dat vindt dat we voor onze militaire bescherming niet meer op de VS moeten rekenen. Die twee standpunten kunnen alleen verzoend worden met een stevige overtuiging dat Europa niets te vrezen heeft van Rusland, of dat die dreiging met een dosis goodwill-diplomatie kan worden afgewend.
     Dat werpt ook een ander licht op wat op het eerste gezicht een morele of academische discussie lijkt? Wie heeft schuld aan de oorlog in Oekraïne? Hoe moeten we de aanloop naar de oorlog  interpreteren? Radicaal rechts en een bepaald soort links gelooft dat Rusland tot oorlog gedwongen werd doordat het Westen een agressieve diplomatie hanteerde (‘de uitbreiding van de Nato’) en doordat het het slechte voorbeeld gaf (‘agressie tegen Servië en Libië’) . Met die laatste redenering kan goed worden beargumenteerd dat een versterkte defensie met onder andere drones niet nodig is. Het volstaat dat Europa niet langer een agressieve diplomatie hanteert, dan zal Rusland niet meer gedwongen worden om oorlog te voeren. 

* Voor een samenvatting van de kritiek in Pano, zie het artikel op vrt.nws (hier). Voor kritiek op dat artikel: zie de commentaar van Erwin Ureel op zijn FB-pagina, plus de commentaren eronder (hier). Voor een antwoord van Defensie, zie hier.


Links-liberaal en sociaal-liberaal
     De Standaard van 15 april levert voorbeelden van zowel de links-liberale als de sociaal-liberale kant van de krant. Het commentaar van Bart Brinckman is typisch links-liberaal: de vakbonden bij de Bpost moeten zich leren aanpassen aan de gewijzigde economische situatie. Andere dienstverlening – van brieven naar pakjes – brengt andere werkuren mee. Jammer voor de postbodes die gewend waren geraakt aan de vroege uren, waardoor ze konden bijklussen en tijd hadden voor allerlei hobby’s. De economische logica moet worden gerespecteerd. Dat is de links-liberale kant want die is economisch liberaal.
     Op pagina 6 komt dan de sociaal-liberale kant naar boven: een groot stuk over de uitgebuite kleinverdieners, met emotionele getuigenissen van een poetshulp, een weinig betrouwbare vakbondsbevraging, en een kop die suggereert dat poetshulpen nu dubbel zo hard werken als een jaar geleden. ‘We doen nu evenveel in vier uur als vroeger in acht uur.’ Ondertussen geloof ik best dat de werkdruk voor poetshulpen gemiddeld verhoogd is. Een van de beschreven mechanismen lijkt mij geloofwaardig. Doordat de dienstencheques duurder worden, verandert het klantenbestand: minder gepensioneerden en meer tweeverdieners. Die tweede groep stelt hogere eisen dan de eerste groep.


Fatische functie van taal
     In de lessen over taalkunde zei ik ook snel iets over de ‘fatische’ functie van de taal: spreken om te spreken, om het communicatiekanaal open te houden, om jezelf en anderen gerust te stellen, om te bewijzen dat je bereid bent te luisteren als wederdienst omdat de andere ook bereid is om naar jou te luisteren. Had Freek Van de Velde toen al zijn column gepubliceerd ‘Praatziek zijn is gezond’ (DS 13/4), dan had ik die zeker in de les gebruikt. Van de Velde legt uit dat taal niet zo goed werkt om informatie over te brengen.

 Als je weleens vanop afstand, door de telefoon, hebt moeten uitleggen hoe je een radiator ontlucht, het oliepeil checkt van een auto, of een papieren hoedje vouwt, dan weet je dat zoiets een uiterst frustrerende activiteit is.

     En dan moet je dat eens proberen in een vreemde taal! Sommige handboeken voor Frans en Engels wilden warempel dat leerlingen instructies konden geven in een vreemde taal, iets wat hun leraren zelf amper konden. Het communicatieve taalonderwijs slaagde erin om de lat tegelijkertijd te hoog en te laag te leggen.
     Ik had de column van Van de Velde ook kunnen gebruiken in andere hoofdstukjes: over het ontstaan van taal, en over het verschil tussen dieren- en mensentaal. Onze taal, schrijft Van de Velde 

 lijkt minder op de waarschuwingskreten van apen dan op een andere activiteit die je bij onze naaste biologische verwanten kunt waarnemen: ze vlooien elkaar. Bij een haarloze soort als de mens is dat lastiger. Dan maar de sociale banden aanhalen door gezellig te beppen.

 

Sociale ongelijkheid
     Ik lees een kop in De Standaard (11/4): ‘Hoe meer sociale ongelijkheid, hoe onbeschofter de mens op sociale media’. Het stuk verwijst naar een ‘studie’. Hoe groot is de kans dat die studie wetenschappelijk iets waard is?


Heden en toekomst van AI
     Dominique Deckmyn (DS 11/4) is niet te spreken over het ‘economisch plan’ van het Amerikaanse tech-bedrijf OpenAI.

‘Het komt er dus op neer,’ schrijft hij, ‘dat de overheid de zaar verlieslatende AI-industrie de komen jaren recht houdt met massale investeringen.’ 

    Hoe zit het nu? Lijdt de AI-industrie zwaar verlies, of worden daar, zoals ik elders lees,  ‘superwinsten’ gemaakt? Verder wil Deckmyn vooral niet dat Big Tech zomaar AI ontwikkelt zonder toelating van de overheid. 

 Maar de mogelijkheid dat de gemeenschap zou kunnen kiezen voor geen (of minder) AI, of dat die trager wordt ingevoerd, komt daarentegen bij OpenAI niet op.

     Ja, nee, natuurlijk komt die gedachte bij OpenAI niet op. Ik vind het zelf ook een rare gedachte: een ‘gemeenschap’ die zou kunnen kiezen voor het niet of minder snel invoeren van treinen, televisies, internet, gsm’s, of AI. Of nog een rare gedachte: dat de ‘gemeenschap’ in China wel zou beslissen om snel AI in te voeren, maar dat de ‘gemeenschap’ in Europa zou beslissen om daar niet aan mee te doen.
     Een beetje verder in de krant staat een groot interview met AI-experte Marietje Schaake, die warm en koud blaast. Europa moet een inspanning doen om AI sneller te ontwikkelen (‘bouwen, bouwen, bouwen’) maar tegelijk moet de staat zijn rol spelen, hoewel ook weer niet te veel, want dan ga je China en de VS achterna.
     Wellicht zijn al die nuances noodzakelijk. Maar over haar uitgangspunt ben ik sceptisch: ‘In de race om AI denkt niemand meer na over hoe de finishlijn eruitziet,’ zegt ze. Maar dat is eigen aan een open economie: dat die finish-lijn niet wordt vastgelegd in een vooraf bepaald plan. Noch de bedrijven, noch de overheid weten hoe de finish-lijn er zal uitzien. Ze gaan allebei tewerk volgens het principe van ‘piecemeal engineering’, met een toekomstvisie die voortdurend wordt aangepast.

 

Kinderen en de sociale media 
   
 Ik heb al vaker geschreven dat ik de sociale media voor kinderen een slechte zaak vind, en daarom voorstander ben van een verbod. Voor Vlaanderen is er nu een verbod voor kinderen tot 13 jaar. Voor mij, en voor Koen Vidal (DS 16/4) mag dat gerust nog wat strenger. Twee bedenkingen bij het commentaar van Vidal. Hij framet de kwestie wel heel erg tégen Big Tech.

Veel ouders merken dat ze moeten opboksen tegen oppermachtige techbedrijven techbedrijven die topneurologen inhuren om via allerlei geraffineerde technieken zo veel mogelijk beslag te leggen op de speeltijd van hun kinderen.

     Zo heb ik dat nooit ervaren. Toen mijn zoon 16 was, was er weinig dat hij liever deed dan videogames als Grand Theft Auto en Fifa spelen. Na enkele uren achter het scherm vertoonde hij dan ontnuchteringsverschijnselen die mij ongerust maakten. Daar moest, vond ik, worden ingegrepen. Maar was dat nu opbotsen tegen mijn zoon, tegen mijn eigen laksheid, of tegen de boosaardige firma’s die hun spelletjes altijd maar aantrekkelijker maakten?
     Een tweede bedenking is deze. Vidal verwijst naar het boek van Jonathan Haidt: Generatie angststoornissen en noemt dat een ‘wetenschappelijke’ beschrijving van wat miljoenen ouders op microniveau voor hun ogen zien gebeuren. Dat boek van Haidt is een degelijk boek, een invloedrijk boek, een onderbouwd boek. Het is een boek dat dringend nodig was. Maar het is geloof ik verkeerd om het ‘wetenschappelijk’ te noemen. Het is alsof ik zou schrijven dat Maarten Boudry in zijn laatste boek 
wetenschappelijk beschrijft hoe de Verlichting verraden wordt.


Nogmaals de pensioenkwestie
     Als het over pensioenen gaat, citeert De Standaard graag PVDA-specialist Kim De Witte. Dat is een beetje alsof men telkens als het over migratie gaat de specialist van Vlaams Belang zou citeren. Ik beweer niet dat Kim De Witte zijn cijfers niet kent, of niets zinnigs beweert, maar dat gaat ook op voor een Vlaams Belang-specialist die over migratie praat.
     De twee laatste artikels in De Standaard (14 en 16/4) zijn overigens niet eenzijdig. Het uitgangspunt is de studie van het Planbureau, en daarover mogen zowel de PVDA als het kabinet-Jambon hun mening geven. Het planbureau beweert dat de hervorming ertoe zal leiden dat de ongelijkheid tussen de pensioenen zal toenemen. Ik heb er lang over gediscussieerd met Grok en we zijn het niet helemaal eens geraakt. Grok is koppig, en ik ook. Maar we zijn het erover eens dat de laagste pensioenen het zwaarst getroffen worden door de malus-regeling en door de strengere loopbaanvoorwaarden. Die lage pensioenen ontstaan immers in de eerste plaats bij deeltijds werk, onderbroken loopbanen (zorg, ziekte, werkloosheid), lagere start of vervroegde pensionering.
     Ik heb in elk geval begrepen dat de pensioen in het algemeen dalen tegen 2070: -15,2 procent voor ambtenaren, -7,2 % voor werknemers, en -3,2 % voor zelfstandigen. Door die besparingen en door de langere loopbanen zouden de pensioenkosten dalen met 33 % ten opzichte van de situatie zonder hervorming. 

woensdag 15 april 2026

Hongaarse verkiezingen, bescheiden bedenkingen


Bescheiden
        Ik heb de laatste tien jaar vermeden om veel over Hongarije te lezen, en ook voordien was mijn interesse voor dat land beperkt. Het zou mij niet passen om vandaag allerlei analyses te maken, of die van anderen te beoordelen. Maar enkele bescheiden bedenkingen, dat moet kunnen.

Onsympathieke kop
     Die Peter Magyar heeft, vind ik, een onsympathieke kop. Als ik zo’n leerling in de klas had, was ik de eerste maand op mijn hoede. Achteraf bleek die jongen natuurlijk mee te vallen. En wat die Peter betreft: hij heeft het toch maar klaargespeeld.

Gedurfde slogan
     Aangezien ik, ondanks zijn kop,  supporterde voor Peter, durfde ik de al  te positieve peilingen niet geloven. Maar ik kreeg wel vertrouwen toen ik las wat zijn verkiezingsslogan was: ‘Nu of nooit!’ Dat vond ik in de gegeven omstandigheden een geniale slogan. Er spreekt durf, vertrouwen en zelfvertrouwen uit. Alles of niets! 

Nederlaag toegeven.
     Natúúrlijk heeft Orban zijn nederlaag toegegeven. Met 15 procent achterstand in the popular vote had Trump zijn nederlaag ook moeten toegeven. Met een kleine achterstand had Orban ongetwijfeld de uitslag aangevochten. En Magyar ook.

Alternance
     De verkiezingsuitslag bewijst dat het Hongarije van Orban een democratie was, met vrije verkiezingen en mogelijkheid tot alternance. Liberaal of illiberaal? Daar zeg ik in een andere alinea iets over.

Antifascistisch front
     Laten we voor het gemak even aanemen dat Victor Orban een soort halve fascist was. Dan bewijst de overwinning van de rechtse Magyar dat een verenigd en radicaal links front niet de enige manier is om ‘het fascisme tegen te houden’. Ook rechts en centrumrechts kunnen een autoritair-rechtse overwinning tegenhouden. Er zijn in de geschiedenis inderdaad voorbeelden waarin rechtse of centrumrechtse krachten het fascisme geholpen hebben om aan de macht te komen: Hindenburg en Von Papen in Duitsland, Giolitti in Italië. Maar het is geen sociologische wet dat het altijd zo moet gaan. 

Reacties op Magyars overwinning
     Links-liberaal en links reageert verschillend op de overwinning van Magyar. Beiden zijn blij, maar ze verschillen in waar ze bang voor zijn. Links-liberaal vreest dat Magyar zijn beloften niet kan waarmaken en daardoor het terrein klaarmaakt voor een terugkeer van Orban. Links vreest dat Magyar een Orban light wordt. ‘Geen illusies over Magyar,’ las ik ergens, ‘hij is een blijft een christelijke conservatief.’ Rechts is dan weer bang dat Boedapest op enkele maanden tijd verandert in een tweede Brussel. Zelf ben ik nergens bang van, behalve van mijn schaduw, en de mogelijkheid dat de hemel op mijn hoofd valt.

53 % of 2/3 meerderheid?
     In het nieuws gebruikt men soms dag na dag dezelfde zinnetjes omdat een nuance niet verloren mag gaan. Als er sprake van is om een procentenindex te vervangen door een centenindex voegt men er iedere keer aan toe dat de maatregel alleen van toepassing is op brutolonen vanaf 4000 euro. Mensen die niet erg aandachtig zijn, worden dus telkens weer aan de belangrijke nuance herinnerd.
     Men had dat met de verkiezingsuitslag in Hongarije ook moeten doen. De partij van Magyar behaalde 53 procent van de stemmen, waardoor ze 2/3 van de zetels in het parlement krijgt. Doordat voortdurend die 2/3 meerderheid herhaald werd, zullen mensen die niet erg aandachtig zijn, een verkeerd en overdreven beeld krijgen van de overwinning van Magyar.
     Dezelfde verkeerde indruk ontstond toen je bij de laatste Amerikaanse verkiezingen een kaart zag waarvan 75 procent van de oppervlakte Republikeins-rood kleurde, en toen er voortdurend gesproken werd van ‘landslide’, terwijl de werkelijkheid is dat Trump 49,8 % van de stemmen haalde en Kamala Harris 48,3 %.

Proportionele vertegenwoordiging
     Ik ben ondertussen een voorstander geworden van kiesstelsels die proportionele resultaten opleveren. Een partij die 53 van de stemmen haalt, moet ongeveer – give or take a few – 53 procent van de zetels bezetten, en niet 66 %. Er zijn, lijkt mij, twee grote nadelen aan kieswetten volgens het winner takes it all-principe, zoals die worden toegepast in Engeland, Hongarije, enz.  Het eerste nadeel is dat een opzettelijke hertekening van kiesdistricten grote gevolgen kan hebben; het tweede nadeel is dat het te gemakkelijk is om een 2/3 meerderheid van de zetels te behalen  wat in veel landen volstaat om de grondwet te wijzigen. Terwijl die grondwet en de 2/3-regel een belangrijk middel vormen om de ‘dictatuur’ van 50 % + 1 te vermijden.

Hongarije-berichtgeving
     Wat mij bij de Hongarije-berichtgeving van de voorbije jaren tegenstak waren de vage metaforen: de corruptie ‘tierde welig’; de rechtstaat werd ‘uitgehold’, oppositiepartijen werd ‘het leven moeilijk gemaakt,’ de pers werd ‘aan banden gelegd’, de holebi-gemeenschap kreeg ‘de wind van voren.’ Dan kon ik kiezen tussen twee mogelijkheden: mijn kop in het zand steken of zelf op zoek gaan naar precieze informatie, met analyses uit het pro- en anti-Orban kamp. Dat had ik er niet voor over.

Grote lijnen
     Als ik geen zin heb om een dossier grondig uit te spitten, probeer ik de grote lijnen voor ogen te houden. Twee zaken in Hongarije waren zonneklaar: Orban voerde een streng antimigratiebeleid, en hij stemde in Europa vaak tegen voorstellen voor steun aan Oekraïne. Ik ging akkoord met het eerste, en niet akkoord met het tweede. Theo Francken heeft een aantal posts geplaatst waarin hij dezelfde positie inneemt. 

Illiberaal?
     Hongarije onder Orban was, zo is nu gebleken, een democratie. Maar was het ook een liberale democratie? Orban zelf noemde zich, geloof ik, illiberaal, dat wil zeggen: een tegenstander van het liberalisme en een voorstander het conservatieve gedachtegoed. Maar dat zegt niets over het systeem. Dat was voorzover ik kan nagaan in ruime mate liberaal*. De lakmoesproef is daarvoor de vrije meningsuiting. Er waren onafhankelijke kranten, onafhankelijke televisiezenders, onafhankelijke online-pubicaties en op de sociale media kon iedereen zijn mening kwijt. Kwalijk was dat de staatszenders alleen de versie van de regering aan bod lieten komen. Ook gaf de staat indirect subsidies aan regeringsgetrouwe kranten door overheidsreclame te plaatsen. 

Regimepers
     Hongarije had dus, naast een minoritaire vrije pers, ook een majoritaire regimepers. Sommingen noemen de linksliberale consensus van onze eigen grote media ook een vorm van regimepers. Maar wie even nadenkt, zal zien dat er belangrijke nuanceverschillen zijn tussen een langzaam gegroeide, homogene desk opinion en een door de regering aan de media opgelegde versie van de feiten, met radicale uitsluiting van oppositionele geluiden. 

Homoseksualiteit
     In de krant las je vaak dat in Hongarije de ‘homorechten niet worden gerespecteerd’. Je kon daardoor de indruk krijgen dat het in dat land voor homoseksuelen strafbaar was om hand in hand over straat te lopen. Dat was natuurlijk niet zo. De legale positie van de homoseksuelen was er véél beter dan bijvoorbeeld die in Engeland in de jaren zestig, toen homoseksualiteit daar nog strafbaar was. Maar er wás echte discriminatie in Hongarije. Homoseksuele koppels konden niet trouwen of kinderen adopteren, iets wat in andere Europese landen wel algemeen aanvaard wordt en wettelijk wordt toegelaten.
      Ergerlijk was vooral dat de Hongaarse overheid door communicatie en nieuwe wetgeving de aandacht vestigde op de aparte status van homoseksualiteit, een soort – hoe heet dat ook weer – stigmatisering. In het Engeland van de jaren zestig probeerde men het thema homoseksualiteit zoveel mogelijk te verzwijgen waardoor de polarisering verminderde, de verlichte elite zich niet moest ergeren, en het minder verlichte deel van de bevolking rustig kon evolueren in de richting van meer tolerantie.
      Ook was er in Hongarije, als tegemoetkoming aan een breed gedragen onverdraagzaamheid, een wet die het organiseren van Gay Pride parades verbood. Maar zelfs als men zulke parades smakeloos of zedeloos vindt, de wet dient daar niet voor. Als de homogemeenschap zichzelf wil stigmatiseren, moet ze dat recht hebben, tegen een gechoqueerde, illiberale meerderheid in. Die meerderheid heeft dan weer het recht om het hoofd af te wenden. 

* Zoals lezer Jan-Willem Geerinck zo fraai formuleert: ‘niet illiberaal genoeg’ – gezien de verkiezingsuitslag.


** Ondanks het wettelijk verbod ging de Budapest Pride in 2025 toch door, met meer dan 100.000 deelnemers, en zonder grootschalig politie-ingrijpen. 

 

dinsdag 14 april 2026

Problemen met AI

AI en de vrije markt
     Bedreigt AI de vrije markt? Dat is mogelijk, en wel op drie manieren. De eerste bedreiging is van fundamentele aard. We kunnen ons voorstellen dat AI op termijn de verhouding tussen productie, consumptie en investering efficiënter zou kunnen regelen dan de markt. Over die mogelijkheid is al gespeculeerd vóór AI bestond. Men sprak toen van een ‘supercomputer’. De tweede bedreiging is dat de grote techbedrijven samensmelten tot één monopolie en zo de hele markt corrumperen. Als je de huidige concurrentie ziet tussen de VS en China, en binnen de VS, denk ik niet dat dat snel zal gebeuren.
      De derde mogelijkheid is de meest indirecte maar ook de meest imminente: dat de paniek rond AI en de ingrijpende gevolgen die we mogen verwachten, wordt aangegrepen om de oude gedachte van een staatsgeleide economie te doen herleven. Het is de gedachte die ik haast dagelijks in De Standaard aantref. Vandaag nog (8/4) in het commentaarstuk van Hans Cottyn: ‘een doortastende overheid’, ‘regels en beperkingen’, ‘een sterke en vrije democratie die de arbeidsmarkt regelt, de ongelijkheid beteugelt en de winsten doet terugvloeien naar werknemers en gemeenschap.’
     Dat technologische vooruitgang en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke ontwikkelingen nieuwe reguleringen vergen is overigens evident. Anderzijds schept de nieuwe technologie misschien ook de mogelijkheid om oude reguleringen af te bouwen. We kennen de toekomst niet, maar als AI ertoe zou leiden dat nog slechts een minderheid van de bevolking nuttig productief werk kan leveren, dan wordt een universeel basisinkomen een noodzakelijke maatregel -- die veel bestaande welvaartstaatsbureaucratie overbodig kan maken. 


Kannibaliseert AI de werkgelegenheid?
     Elke technologische vernieuwing in het verleden heeft niet alleen werkgelegenheid vernietigd maar er ook gecreëerd, soms zelfs rechtstreeks. Voor locomotieven had je machinisten nodig, en voor computers computerprogrammeurs. Niemand weet met zekerheid of dat in de toekomst ook zo zal zijn. We kunnen ons makkelijk voorstellen – het is nu al aan de gang – dat robotten worden geproduceerd door robotten en dat artificiële intelligenties wordt ontwikkeld door artificiële intelligentie. 
Ik dacht eerst voor dit verschijnsel het woord ‘kannibalisme’ te gebruiken, maar bij nader inzien gaat het om het tegenovergestelde. 


maandag 13 april 2026

Mussolini: het boek, de serie


     ‘De mensheid heeft drie grote schrijvers voortgebracht,’ zei onze leraar Grieks in het tweede middelbaar, ‘Homeros, Dante en Guido Gezelle.’  Ook was hij van mening dat de geschiedenis het van ‘grote mannen’ moest hebben. Een van die ‘grote mannen’ was Benito Mussolini, ‘een schoolmeester, maar hij sprak wel vijf talen.’ Ik was veertien, en niet erg onder de indruk. Mijn vader sprak ook vijf talen, waarvan vier perfect, en één goed genoeg om te tolken voor Amerikaanse rechtbanken. Maar in elk geval, dankzij de leraar wist ik nu dat er een zekere Mussolini had bestaan, een ‘grote man’ zoals Hannibal en Caesar, al was hij nog niet zo lang dood als die twee andere.
    Niet veel later leerde ik dat Mussolini in hetzelfde hoofdstuk thuishoorde als Hitler. Het waren allebei fascisten. In de bibliotheek ontleende ik het boek van Ernst Nolte Het fascisme. De tekst vond ik onleesbaar – dat vind ik vandaag nog altijd – maar ik kon niet genoeg krijgen van de plaatjes in het boek. Op het schutblad stond een foto van Mussolini en Hitler die allebei, voor één keer, breed glimlachten.
     Véél later leerde ik weer iets anders. Dat Hitler en Mussolini, met al hun gelijkenissen, toch ook weer heel verschillend waren. Hitler keek op naar Mussolini, maar omgekeerd moest de Italiaan niet zoveel van die Duitse Oostenrijker hebben. Oostenrijkers waren eigenlijk de vijand van Italië. Die Hitler was in wezen een halve gare fantast, die alleen realistisch was in zijn taktiek. Mussolini was het tegenovergestelde: een realistische boer die allerlei fantasieën inzette als taktiek om populariteit en macht te veroveren en te behouden.
     Zowel Mussolini als Hitler waren in de eerste plaats anti-democraten en anti-liberalen. Verder waren ze halve socialisten, maar tegelijk doodsvijanden van het marxisme, en van de socialistische en communistische partijen. Ze moesten niets hebben van de klassenstrijd, het moest andersom: het hele volk – arbeiders, boeren, winkeliers, industriëlen – moesten elkaar niet bekampen; ze moesten integendeel solidair zijn tegen een ándere vijand. Voor Hitler was die vijand redelijk goed omschreven:  de jood, het bolsjewistisch gevaar, de kapitalistische democratieën, en iedereen die de Duitse expansie in de weg stond. Het vijandbeeld van Mussolini was minder duidelijk. Uit de biografie van Nicholas Farrell heb ik begrepen dat hij het vooral gemunt had op een bepaalde levensstijl: de ‘vita comoda’, het kleinburgerlijk leven dat comfort hoger aansloeg dan heroïek. Dát heroïsch wereldbeeld was natuurlijk ook Hitler niet vreemd.

                                                    *

     Die biografie van Farrell is al wat ouder, van 2003, en niet zo goed. Ik had ze gekozen omdat ik geen zin om een ‘linkse’ biografie te lezen. Ik dacht: die Farrell is een journalist, een rechts-liberaal, een provocateur, een columnist, dus dat boek zal vlot weglezen. Dat viel tegen. De Nederlandse vertaling was soms verkeerd en bijna altijd stroef. Ik moest voortdurend stukken van zinnen stilletjes in het Engels vertalen om te begrijpen wat er stond.  En als het over complexe episodes ging, raakte ik door de tijdsprongen, de verwarrende herhalingen en de waterval aan namen en data gemakkelijk de draad kwijt. Tobias Jones noemde het boek in The Guardian ‘a bit of a cut-and-paste job’ gebaseerd op de monumentale, alleen in het Italiaans verschenen biografie in acht delen van Renzo De Felici. Die knip-en-plak kritiek kan ik volgen.
     Jones schrijft ook dat Farrell het voorstelt alsof het fascisme alles samen genomen ‘nog zo erg niet was,’ althans vóór het zijn lot verbond aan het nazisme. Dat is een terechte kritiek, maar het is niet zo’n groot bezwaar als je zou denken. Ten eerste is het gewoon waar dat de grootste misdaden van het fascisme er pas kwamen na het bondgenootschap met Duitsland en tijdens de daaropvolgende oorlog. Ten tweede is het weliswaar vervelend dat Farrell een tiental keren herhaalt dat Mussolini iets ‘goed bedoelde’, of dat de architectuur onder zijn bewind helemaal niet zo lelijk was als linkse critici beweren, maar ik kan daar makkelijk over heen lezen, en misschien is die architectuur inderdaad niet zo lelijk. Ten derde heeft Farrell waarschijnlijk gelijk als hij beweert dat de antifascistische geschiedsschrijving wel eens bevooroordeeld is, en dat een dosis revisionisme kan helpen om een evenwichtiger beeld te krijgen.
     Als rechts-liberaal gelooft Farrell dat Mussolini Italië een dienst heeft bewezen door het voor een communistische revolutie en dictatuur te behoeden. Dat was ook de mening die Ludwig von Mises in 1927 naar voren schoof in zijn boek Liberalismus. Dat is geen absurde veronderstelling. De socialistische strekkingen in het Italië van 1919-1920 stonden inderdaad veel dichter bij het revolutionaire communisme dan bij de sociaal-democratie. Maar het is speculatief om te beweren dat een rode regering meer rampspoed voor de Italianen had gebracht dan een zwarte. We kennen alleen het tweede scenario.
     Een nadeel van Farrells revisionisme is dat hij bij elke historische controverse geneigd is om die bronnen te selecteren die Mussolini in een gunstig daglicht stellen: zijn pogingen om het fascistisch straatgeweld in te dijken, zijn rol in de moord op Matteotti, zijn ‘succes’ in de strijd tegen de maffia, zijn verzet tegen Hitlers oorlogsplannen. Hij hecht gemakkelijk geloof aan getuigenissen die in zijn kraam passen. Maar omdat hij zijn bronnen en redeneringen redelijk goed aangeeft, kan de kritische lezer ook de betrekkelijkheid van de argumentatie doorzien. Een lezer als ik denkt dan: ‘Misschien heeft hij gelijk, misschien heeft hij ongelijk. Als ik het echt wil weten, moet ik maar tien andere biografieën lezen en dan vergelijken.’
      Om het politieke talent van Mussolini te benadrukken herhaalt Farrell verschillende keren een uitspraak die Lenin tegenover Italiaanse socialisten zou hebben gedaan: ‘Mussolini is de enige onder jullie met de geest en het temperament om een revolutie te ontketenen. Waarom hebben jullie hem weg laten gaan.’ Farrell schept er een duidelijk genoegen in om Mussolini met Lenin in verband te brengen. Maar de uitspraak is ongeloofwaardig: de reden waarom Mussolini uit de socialistische partij was gezet, was zijn pro-oorlog standpunt tijdens WO I, en Lenin scheurde zich van de socialistische beweging juist af met zijn ánti-oorlog standpunt. Bovendien kennen we die uitspraak van Lenin over Mussolini alleen van een ongeloofwaardige bron: Nicola Bombacci, een Kominternleider die later overliep naar het fascisme.
       Mussolini was een gruwelijke anti-semiet, al had hij lange tijd een Joodse minnares. In 1938 vaardigde hij draconische rassenwetten uit: Joden werden uitgesloten van scholen en universiteiten, werden ontslagen uit het leger en uit de fascistische organisaties, en mochten niet meer trouwen met ‘arische’ Italianen. De enige goede kant aan dat verhaal was, in de woorden van Farrell,  de ‘fijne Italiaanse neus voor omkoperij en corruptie. Zo konden joden tegen betaling ariërs worden.’ Het staat allemaal uitvoerig uitgelegd in de twee hoofdstukken die aan het Joodse vraagstuk gewijd zijn.
      Tegelijk benadrukt Farrell allerlei nuances: het antisemitisme is slechts geleidelijk gegroeid, was veeleer cultureel dan biologisch, was zeer ver verwijderd van Hitlers gaskamer-antisemitisme, was bedoeld om in de gunst van de Arabieren te komen, enzovoort. Die nuances zijn belangrijk, maar Farrell had zijn hoofdstuk moeten beginnen zoals ik mijn alinea begon, met de vaststelling: ‘Mussolini was een gruwelijke anti-semiet.’ Dan had ik mij bij de rest minder moeten ergeren aan wat als vergoelijking kan overkomen.
     Ondertussen zijn de nuances die Farrell aanbrengt niet onbelangrijk. Mussolini’s antisemitisme was in den beginne inderdaad niet biologisch. Het geleek op dat van Hendrik De Man: de Jood vertegenwoordigde in die visie een vorm intellectualistische decadentie; de Jood bracht tweespalt, tastte het gezond verstand aan, en ondermijnde de zuivere, rechtlijnige moraal van het volk. Vergelijk het met de afkeer die een Victor Orban-aanhanger voelt voor de woke-elite in Brussel en Straatsburg. Boven alles was de Jood in de ogen van Mussolini een materialist die het vita comoda als hoogste ideaal had
.
     Farrell heeft ook veel bronnen verzameld om aan te tonen dat Mussolini duizenden joden gered heeft door ze uit handen van de nazi’s te houden. Het is een feit dat Italië vóór de Duitse bezetting in 1943 geen joden uitleverde aan de Duitsers. Ook in de gebieden die door de Italianen waren bezet  – Joegoslavië, Griekenland, het zuidoosten van Frankrijk – waren de militaire autoriteiten weigerachtig om op joden te jagen en ze uit te leveren, maar het is niet duidelijk of Mussolini daar echt veel heeft toe bijgedragen. En in elk geval hebben de Duitsers na 1943 massaal joden uit Noord-Italië getransporteerd zonder dat Mussolini het aandurfde om daartegen te protesteren.
     Hoe zat het verder met de dictatuur die Mussolini geleidelijk in Italië installeerde? Het parlement werd uitgeschakeld, politieke partijen werden verboden, kranten mochten geen kritiek publiceren, schoolkinderen werden geïndoctrineerd, politieke vijanden werden opgesloten of geëxecuteerd. Maar als kwantiteit, zoals Hegel zegt, omslaat in kwaliteit, dan is er echt wel een kwalitatief onderscheid met de dictatuur van Mussolini’s bondgenoot Hitler. Farrell:

 ‘In de zestien jaar en vijf maanden van zijn bestaan [1926-1943] veroordeelde het Speciale Tribunaal voor de Verdediging van de Staat 4596 politieke tegenstanders, die in totaal 27.735 jaar gevangenisstraf kregen, en werden tweeënveertig doodvonissen uitgesproken, waarvan er eenendertig werden uitgevoerd – iets minder dan twee executies per jaar. Dat was natuurlijk niets in vergelijking met de nazi’sin Duitsland of de communisten in de Sovjet-Unie.’ 

      Afgerond: 30 executies, 5000 gevangenisstraffen van gemiddeld 6 jaar, dat is inderdaad iets helemaal anders dan de miljoenen slachtoffers van Hitler, met zijn concentratrie- en vernietigingskampen. Maar die minimale cijfers zeggen niet alles. Er is vooreerst de straatterreur die Mussolini aan de macht heeft gebracht. Die terreur was in 1919-1920 vooral het werk van de socialisten en communisten die tientallen tegenstanders vermoorden: stakingsbrekers, landeigenaars, politiemensen, maar vanaf 1920 werd de rode terreur verdrongen door de zwarte terreur. De quadristi van Mussolini namen het initiatief over. Ze gingen succesvolle straatgevechten aan met de socialistische milities, en daarnaast vermoordden ze vele honderden weerloze tegenstanders. Alles samen vielen er tussen 1920 en 1922 meer dan 3.000 doden als gevolg van fascistisch geweld. De machtsovername in 1922, die begon met Mussolini’s aanstelling als premier, was zonder dat straatgeweld niet denkbaar geweest. Het Italiaanse establishment hoopte met de komst van Mussolini twee vliegen in één klap te slaan: de terugkeer van de rode terreur onmogelijk, en de voortzetting van de zwarte terreur overbodig te maken. Die twee doelstellingen werden bereikt.
     Bij de 30 executies moeten we dus ook de 3.000 doden optellen die vielen door de straatterreur. Zoals we bij de 5.000 politieke gevangenen de 12.000 anderen moeten optellen die ‘slechts’ tot interne ballingschap werden veroordeeld, vaak op de eilanden, wat ook een soort gevangenisstraf is, zij het met een milder regime. En wie wil kan nog verder gaan: de agressie-oorlog tegen Ethiopië, waarbij gifgas werd ingezet, de repressie na 1943 waar de nazi’s en de fascisten samen tienduizenden slachtoffers maakten in de burgeroorlog, de honderdduizenden slachtoffers door de oorlog in Joegoslavië, Griekenland en Albanië, enzovoort.
     Het is geen fraai beeld, maar midden de jaren 30, vóór het bondgenootschap met Hitler, zag het er voor velen in Italië en in het buitenland naar uit dat het de goede kant opging. Toegegeven, kritiek op de fascistische regering was verboden, oppositiepartijen waren buiten de wet gesteld, en parlementaire verkiezingen waren afgeschaft. Maar de straatterreur was afgelopen, de treinen reden op tijd, Churchill was enthousiast, zijn vrouw ook, en G.B. Shaw natuurlijk ook – hij hield van dictators. Er was eindelijk ‘een middenweg gevonden tussen kapitalisme en socialisme’. Amerikaanse Italianen hadden een borstbeeld van de duce op hun schouw staan. P.G. Woodhouse voegde aan een Cole Porter-song voor een Brits publiek de strofe toe:

You’re the tops
You’re the Great Houdini
You’re the tops
You’re Mussolini

     Farrell staat graag stil bij dat beeld, toen de populariteit van Mussolini op zijn hoogtepunt was. Zelf bewondert hij Mussolini voor zijn journalistiek talent, zijn scherp verstand, zijn goede intuïtie, zijn wilskracht, zijn sluwheid en zijn occasionele mildheid. Maar hij verdoezelt de zwarte plekken in diens ziel evenmin:  zijn machtswellust, zijn meedogenloosheid, zijn opportunisme, zijn apathische capitulatie tegenover Hitler, en zijn niet te lessen dorst naar aanbidding.
      Ik kan bij het lezen van Farrell weinig sympathie opbrengen voor Mussolini: een lastig kind, een lastige leerling, een slechte leraar, een ontrouwe echtgenoot, een egoïstische minnaar, een trouweloze vriend. Ook is hij volgens velen altijd een soort socialist gebleven, niet omdat hij vóór de arbeiders was – maar omdat hij tégen de burgerij was. Farrell:             

‘Ondanks het fascistische trompetgeschal was het na de machtsovername onmiddellijk duidelijk dat de arbeiders oneerlijk behandeld werden. Mussolini – die moest bemiddelen – liet de schaal in het voordeel van de werkgevers doorslaan. Hij deed dat omdat hij wist dat pogingen om steun bij de werkende klasse in de steden te krijgen … geen groot succes waren.’

     Mussolini’s zogezegde socialisme was eigenlijk niets meer dan de slogan ‘Abasso la vita comoda!’, en laat dat laatste nu toevallig mijn persoonlijk ideaal zijn.
      Slechts af en toe vertelt Farrell iets over Mussolini wat mij echt sympathiek lijkt. In 1925 en 1926 werden een aantal aanslagen beraamd tegen de Duce. De eerste die een poging waagde was de socialist Zaniboni. Hij werd gearresteerd in de hotelkamer vanwaar hij het vuur wou openen. De vierde was een zestienjarige jongen met een naam die aan de eerste herinnert: Zamboni. Hij lostte een schot op de open auto die Mussolini vervoerde, raakte alleen de sjerp, en werd ter plekke vermoord door de menigte. Farrell:

De politie geloofde niet dat de jongen alleen had gehandeld. Ze arresteerde de vader, broer en tante die ontkenden dat zij op enige manier betrokken waren geweest … Desniettegenstaande werden zij in september 1928 in beschuldiging gesteld. De rechtbank sprak de broer vrij, maar bevond de vader en tante schuldig en veroordeelde hen tot dertig jaar gevangenisstraf. Misschien wist Mussolini dat zij onschuldig waren en offerde hij hen op om redenen van Realpolitik – om te voldoen aan de algemene veronderstelling dat de jongen het niet alleen kon hebben gedaan. Vervolgens gaf hij geld aan de broer om hem de gelegenheid te geven zijn eindexamen te halen en in 1932 verleende hij verrassend amnestie aan de vader en de tante. 

     Dat geld en die amnestie kan ik waarderen. Farrell citeert verder hoe Mussolini tussenkwam om de socialist Pietro Nenni te redden uit de handen van de Duitsers: 

De Gestapo had Nenni in Parijs gearresteerd en besloten hem naar het oosten te deporteren. Mussolini greep in en Nenni werd in plaats daarvan overgebracht naar het rustige eiland Ponza in de Baai van Napels … Wijlen Bettino Craxi, de eerste socialistische premier van Italië … kende Nenni goed. In 1998 vertelde Craxi tegenover een krant: ‘Mussolini beschermde altijd de antifascisten. In zijn hart bleef hij socialist. Hij redde Nenni het leven.’ Craxi zei dat hij Nenni daar een keer naar vroeg. ‘Ja, hij deed voor mij wat hij ook voor andere antifascisten deed,’ had Nenni geantwoord. ‘Hij bedoelde: het is niet wat u denkt, het is niet omdat we oude vrienden waren, het feit is dat Mussolini zo was.’ [Il Giornale, 25 april 1998]

                                                         *

      Het boek van Farrell is niet erg geschikt voor verfilming, de vijfdelige roman van Scuratti over Mussolini blijkbaar wel, want het eerste deel ervan is bewerkt tot een achtdelige televisieserie met dezelfde naam M – Figlio del secolo. Op drie dagen hebben mijn vrouw en ik de serie uitgekeken en we betreuren vooral dat er naar het schijnt geen vervolg komt. Nu eindigt alles met de moord op Matteoti en de onmiddellijke nasleep. Mussolini controleert 2/3 van het parlement, maar is nog enkele jaren verwijderd van de integrale dictatuur. Ook die jaren zijn een verfilming waard.
      Maar laten we blij zijn met wat we hebben: een sterk vereenvoudigd, daarom eenzijdig, verhaal van de jaren 1919-1924. De vereenvoudiging helpt om de krachtlijnen beter te herkennen en enkele details een plaats te geven. En alles wordt met veel verve, zonder al te veel subtiliteit, en met enige vulgariteit in beeld gebracht. Ik kan een dosis vulgariteit in films wel verdragen. Lang geleden bekende ik aan een Spaanse vriend dat ik de films van Allan Parker mooi vond, en ik weet nog zijn verontwaardigde reactie: ‘Pero Philippe, es un director efectivista.’ 
     Dat zou hij nu wellicht ook zeggen van Joe Wright, maar de meeste van diens films heb ik dus graag gezien: Pride and Prejudice, Atonement, Hanna, Anna Karenia, Darkest Hour, Cyrano. Ik heb getwijfeld of ik naar Woman in the Window zou kijken omdat de critici zo negatief waren, met 5 nominaties voor worst picture, worst director, worst actress, worst screenplay en worst ripp-of. Maar ik dacht: ze vergelijken te veel met Rear Window; wat kan er misgaan met een regisseur als Joe Wright, een scenarist als Tracey Lets,  een cameraman als Bruno Delbonnel, een componist als Danny Elfman en acteurs als Amy Adams, Gary Oldman, Julianne Moore en Jennifer Jason Leigh? Helaas de film zelf was inderdaad minder goed dan de regie, het scenario, de cinematografie, de muziek en de auteurs. Dat gebeurt.
     Dié ontgoocheling werd me bespaard bij het bekijken van het meeslepende en inventieve M – Figlio del secolo. Natuurlijk wordt Mussolini neergezet als een karikatuur van iemand die op zich al een karikatuur was. Als je zoiets doet, kun je beter voluit gaan, en dat is de keuze die Joe Wright gemaakt heeft. No holding back. Luca Marinelli – hij doet denken aan Robert de Niro in de rol van Al Capone – richt zich voortdurend tot het publiek als een Richard III die er iedereen van wil overtuigen hoe slecht hij wel is. Daarbij debiteert hij meestal teksten die Mussolini zelf ooit geschreven of uitgesproken heeft. Er zijn geloof ik enkele uitzonderingen. Op zeker ogenblik zegt hij grijnzend: ‘Let’s make Italy great again’. Ik ben er niet helemaal zeker van dat die uitspraak authentiek is.
     Aardig zijn de fragmenten waarin Mussolini een moeilijk publiek moet overtuigen. In de Nederlandse les leerden we dat zoiets een ‘revolutionaire’ redevoering werd genoemd, niet noodzakelijk omdat ze opriep tot revolutie, maar omdat ze een ommekeer, een revolutie, in het gemoed van het publiek moest teweegbrengen. We moesten zoiets ook proberen in de les, en trokken daarvoor speciaal naar het auditorium van de school. Mussolini was goed in dat soort redevoeringen.
     Het fijnste vond ik dat al die schurken die ik kende van Farrells boek nu een gezicht kregen – al was het niet het juiste gezicht. Met de entourage van Lenin, Stalin en Hitler ben ik min of meer bekend, maar de maffiosi rond Mussolini kon ik niet altijd goed uit elkaar houden: Cesare Rossi, Dino Grandi, Roberto Farinacci, Albino Volpi, Cesare Forni, Italo Balbo, Cesare Maria de Vecchi, Emilio de Bono, Amerigo Dumini … 
   
 Het helpt ook als je achteraf die namen opzoekt op Wikipedia. Dumini bijvoorbeeld, die de moord pleegde op Matteoti, al dan niet in opdracht van Mussolini. Eerst wordt hij veroordeeld voor de moord, dan wordt hij vervroegd vrijgelaten, wordt opnieuw veroordeeld als hij Mussolini probeert te chanteren, wordt dan weer vrijgelaten, krijgt een hoop geld, vestigt zich in Libië, wordt door de oprukkende Engelsen gevangen genomen als spion, komt voor het vuurpeloton, wordt getroffen door 17 kogels, is niet dood, kan ontsnappen naar Tunesië en later naar Italië, wordt na de oorlog opnieuw veroordeeld voor de moord, tot levenslang dit keer, wordt na tien jaar vrijgelaten onder een amnestiregeling, en komt uiteindelijk om door elektrocutie als hij thuis een lamp probeert te vervangen. 

zondag 12 april 2026

De cijfers van Dikke Freddy

    'Brieven van dikke Freddy’ is een column die in De Standaard verschijnt. Auteur Erik Vlaminck kruipt in de huid van een dakloze die zijn problemen aankaart bij de groten der aarde. Ik ken mensen die fan zijn van die columns. Wellicht zijn die stukjes goed geschreven, maar mijn ideologische vooroordelen maken het voor mij moeilijk om ze te smaken. ‘Dikke Freddy is een dikke demagoog,’ denk ik vaak. Waarom zou trappen naar boven zoveel hoogstaander zijn dan trappen naar onder? Waarom moet een welgestelde auteur in de huid kruipen van een dakloze? In Nederland had je in de jaren 80 de ‘Notities van een bijstandmoeder’. Daar ontstond toen een hele rel toen bleek dat die stukjes niét door een bijstandmoeder geschreven werden. Het hele genre lijkt mij sociaal engagement op doping. ‘Borrowed suffering’ las ik ooit in een sociologische paper.
     Eigenlijk zou ik die Dikke-Freddy-stukjes wat grondiger moeten bekijken. Dat ze graag gelezen worden, bewijst dat ze een gevoelige snaar raken bij de welgestelde krantenlezer. En vaak staan er ook harde feiten in die de moeite waard zijn om te overwegen. In DS van 1 april schrijft Dikke Freddy dat Colruyt een noodvoedingspakket verkoopt dat toelaat om 24 uur te overleven. Prijs van dat pakket: 29,99 euro. Dat is een interessant getal. Vermenigvuldig dat met 30 en je moet concluderen dat een mens 900 euro per maand nodig om zich alleen al te kunnen voeden. Dat is een getal dat we dan moeten leggen naast bijvoorbeeld de bedragen van OCMW-uitkeringen. Dikke Freddy zelf ontvangt trouwens van zijn schuldbemiddelaar exact 50 euro per week. Dat is geen ideologie, dat zijn cijfers.
     Ik heb, terwijl ik toch bezig was, ook eens aan ChatGPT gevraagd hoeveel de Vlaming dagelijks uitgeeft aan voeding alleen. Wie alleen thuis eet en zuinig boodschappen doet, zou toekomen met 8 tot 10 euro per dag. Wie ook af en toe maar niet te vaak op restaurant gaat of take-away maaltijden gebruikt, komt op 12 tot 15 euro per dag. En wat die schuldbemiddeling betreft, daar geeft ChatGPT toe dat Dikke Freddy gelijk heeft. Het is inderdaad mogelijk, zij het uitzonderlijk, dat iemand met zeer zware schulden een leefgeld krijgt van niet meer dan 50 tot 70 euro per week, waarvan, zoals Freddy schrijft ‘niet alleen voeding, maar ook zeep, het wassalon, kleren, schoenen, sigaretten en horecaverbruik’ moeten worden bekostigd. Alleen de vaste kosten (huur, energie, verzekeringen …), weet ChatGPT, worden apart beheerd en betaald door de schuldbemiddelaar.


 

Stromanargumentatie en 'steelmanning'

     Bij stroman-argumentatie verzwak je het argument van je tegenstander door er een karikatuur van te maken. Dan is het makkelijker om het te weerleggen. Ook het tegenovergestelde bestaat: ‘Steelmanning’.  Dat is een manier van argumenteren waarbij je de positie van je opponent zo sterk mogelijk voorstelt, zelfs beter dan die persoon het zelf deed. Popper doet het allebei in The Open Society. Het deel over Plato is een voorbeeld van steelmanning, het deel over Hegel is een voorbeeld van stromanargumentatie.
    Zelf ben ik zuinig met de twee argumentatievormen. Door te stromannen win je aan bondigheid, en kun je de lachers op je hand krijgen, maar je hebt er zelf weinig aan. Als je discussieert om te overtuigen zal je geen stap verder raken, en als je discussieert om te winnen, voelt de zege aan als onverdiend en leeg. Je hebt de pop onthoofd en de kop rolt voor je voeten, maar het blijft van stro. De overwinning is nep.
     Steelmannen is dat weer te hoog gegrepen. Dan zou ik een boek, of minstens een paper, moeten schrijven in plaats van een blogstukje. Ik zou systematisch moeten op zoek moeten gaan naar de geleerdste en vernuftigste argumenten die tégen mijn zaak pleiten. Misschien komen daar zelfs wiskundige modellen aan te pas. Wat zou ik, die noch geleerd, noch vernuftig ben, noch wiskundig aangelegd ben, daar dan nog aan toe kunnen voegen?
    Ik ben hier, zoals in veel zaken, een man van het midden. Ik argumenteer op het niveau van opiniepagina’s in de krant. Dat is lijkt mij, naast een aangename, ook een nuttige bezigheid. Het is in die journalistieke vorm dat allerlei ideeën leven in de hoofden van de krantenlezende middlebrows. En als er in die vorm allerlei tegenstrijdigheden, dubieuze veronderstellingen, slordige redeneringen, en onhoudbare formuleringen ingeslopen zijn, dan mag daar iets over gezegd worden. Het is een aanwijzing dat de onderliggende, gesofistikeerde, beter onderbouwde versie wellicht ook niet helemaal koosjer is.