woensdag 1 juli 2026

Pensioen, Star Wars, fascisme


 Pensioenen, Star Wars, fascisme
     Ik heb mij er al lang bij neergelegd dat het woord ‘fascisme’ onnauwkeurig wordt gebruikt. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt om repressie aan te klagen. ‘Het fascistisch stadsbestuur van Antwerpen laat voorzitter van Groen in de boeien slaan.’ Of het wordt gebruikt om aan te geven dat men sommige mensen niet moet hebben. ‘Vuile fascist, dat was géén buitenspel.’ Claude Yande schrijft op FB een commentaartje bij ‘De Afspraak of Vrijdag’ van 26 juni. Uitgenodigd waren: professor Bart Maddens, HLN-journaliste Isolde Van den Eynde en Tom Van Grieken. ‘Met 3 fascisten aan tafel,’ schrijft hij, een beetje tegen de linkse gewoonte in om slechts één van die drie voor fascist uit te schelden.
     Daar heb ik allemaal geen probleem mee. Op den duur vind ik zoiets zelfs een beetje grappig. En toch kan ik nog altijd – heel soms – woest worden als ik het woord in de oneigenlijke betekenis zie gebruiken, bijvoorbeeld als MO*columniste Dilara Kabak schrijft: ‘Fascisme is de pensioenendiefstal, de indexblokkering, de stijging van de brandstofprijzen.’ Voor mij is hier een rode lijn overschreden. Als ik weer tot rust gekomen ben, probeer ik de redenering te reconstrueren die Kabak ertoe brengt om zoiets te schrijven. Met veel geduld en met dank aan mijn extreemlinks verleden lukt dat min of meer. Jawel: pensioenen-index-brandstrofprijzen-fascisme, ik zie het. En dan word ik weer woest.
     Nu moet ik bekennen dat ik de zin van Dilara Kabak eerst zonder context geciteerd zag. Ik heb ondertussen de hele column gelezen, en had ik dat vroeger gedaan, dan zou ik minder heftig hebben gereageerd. Kabak vertelt dat ze veel van haar kennis over het fascisme gehaald heeft uit fictie – fantasy verhalen als Star Wars, The Hunger Games, Avatar, Harry Potter – en die kennis, begrijpt ze, is onvoldoende, en kan zelfs misleidend zijn. Ik ben het helemaal met haar eens. Veel van mijn kennis over de VS – het rechtssysteem, de hospitalen, het politiewezen, de levensstijl van de rijkste 1 % - komt uit films en series, en heel betrouwbaar is dat allemaal niet.
     Ook die andere stelling van Kabak kan ik enigszins bijtreden. ‘Fascistische systemen worden vaak voorgesteld met veel drama en spektakel, maar in het echt uit fascisme zich net heel banaal.’ Historisch is die stelling twijfelachtig. Het fascisme van Mussolini en het nazisme van Hitler waren juist een opstand tegen de banaliteit. Ze dreven op drama en spektakel. Maar scherpzinnige fascisme-critici zoals Hayek wezen erop dat gelijkaardige regimes ook het resultaat konden zijn van een stapsgewijs, langdurig en banaal proces.
       Zoals Kabak veel geleerd heeft over het fascisme door naar Star Wars te kijken, heb ik veel geleerd over het totalitarisme door 1984 te lezen. Een van de lessen die ik onthouden heb is dat totalitarisme alle gevoel voor proporties verliest. Elke politieke propaganda probeert het verleden naar zijn hand te zetten, maar het totalitarisme wist hele stukken van het verleden uit, zodat ze zelfs in historische archieven niet terug te vinden zijn. Elke politieke propaganda probeert door woordkeuze en semantiek een ideologisch kader op te leggen, maar in de totalitaire wereld van 1984 verdwijnt elke band tussen woord en oorspronkelijke betekenis.
     Een beetje zoals wanneer het woord ‘fascisme’ gebruikt wordt voor een pensioenhervorming, een indexsprong voor de hogere lonen en een schommeling van de brandstofprijzen op de wereldmarkt.

* Watverder in de column noemt Kabak ook ‘subsidieverminderingen in de culturele sector’ een teken dat fascisme ‘zich traag en saai aan het ontwikkelen is,’ terwijl juist Hitler heel veel subsidies toekende aan de culturele sector.


Fascisme in Argentinië
     Ik heb lang geleden een college gevolgd over de politieke ideologie van Perón (1895-1974). Een Argentijnse professor behandelde de vraag of Perón nu ja dan nee een echte fascist was. Voor- en tegenargumenten werden zorgvuldig afgewogen, en het antwoord was: ja, Perón was een échte fascist, in tegenstelling tot valse fascisten als Mussolini, Franco en Hitler. Argentinië mocht fier zijn op zijn zoon.


Fascisme in Antwerpen
     Over de Palestina-betoging in Antwerpen en de bestuurlijke aanhouding van Aimen Horch zal ik mij in stilte hullen. Anders zou ik het redactioneel van Inge Ghijs (DS 1/7) over die kwestie moeten lezen. Misschien wordt ik dan boos op Ghijs en dat wil ik niet. Ik heb wel het stukje van Frank D’hanis gelezen. Hij maakt zich zorgen dat de uitholling van het betogingsrecht ‘de weg opent voor makkelijke machtsgrepen door allerlei vormen van totalitarisme.’ Ik wil D’hanis hier geruststellen. Dat de burgemeester bepaalt op welke plaats wél en op welke plaats niet mag worden gemanifesteerd, heb ik altijd zo geweten, en ook dat daar vaak een kat-en-muis spel tussen betogers en politie op volgde. Ik citeer het slot van een vorig stukje (zie hier) over die wekelijkse Palestina-betogingen:  

 Voor wie vreest dat we in Antwerpen meemaken hoe het fascisme in zevenmijlslaarzen vooruit stormt: dat deed het 50 jaar geleden ook al, en het is gelukkig nog niet op zijn bestemming geraakt. 

 

Fascisme in de klas 
   
 Tijdens de oorlog zat mijn moeder op pensionaat in Brugge. Sommige meisjes in haar klas waren pro-Duits, andere, zoals mijn moeder, waren pro-Engels. Eentje was van Spaanse afkomst en was pro-Franco, een ander had familie in de VS en was pro-Amerikaans. Je had dus, als je wil, fascisten en antifascisten in de klas. ‘We wisten allemaal van elkaar waar we stonden,’ vertelt mijn moeder, ‘maar we maakten daar nooit ruzie over. We waren vriendinnen.’

Betrapt
      Op dat Brugs pensionaat werd groot belang gehecht aan de goede zeden. Als de meisjes in stoet door de Brugse straten wandelden, keken de begeleidende nonnen goed uit hun ogen om te zien of er in de verte geen stoet jongens kwam aangewandeld. Als dat het geval was, werd het parcours onmiddellijk aangepast. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe enggeestig het er toeging,’ zegt mijn moeder.
     Die waakzaamheid gold ook de ongehuwde leraressen. Als ze van Brugge waren, mochten ze thuis overnachten. De sociale controle werd voldoende geacht. Maar als ze van Kortrijk waren, kon er geen sprake van zijn dat ze ’s avonds met de trein naar huis gingen. Op die trein kon van alles gebeuren. Die leraressen moesten dan op de school zelf overnachten. Ook daar kon echter van alles gebeuren. Af en toe werd zo’n lerares dan ‘betrapt’ met een non.


Buitenshuis werkende vrouw
     Arme vrouwen hebben altijd buitenshuis moeten werken, eerst op het land, en met de industrialisatie ook in de fabrieken. Maar voor vrouwen uit de hogere standen en de middenklasse werd dat als onfatsoenlijk beschouwd. Het beroep van lerares was uitzonderlijk. Voor vrouwen in de middenklasse kon het. Charlotte en Emily Brontë dachten eraan van een school te beginnen. Mijn grootmoeder had lerares willen worden, maar dat vond haar vader, een vlashandelaar, te min. Haar dochter, mijn moeder, mocht wel lerares worden, al werd dat in Wevelgem op onbegrip onthaald. De kleindochter van een vlashandelaar! De dochter van de koster!
     Ondertussen had de hoge burgerij al een bredere blik. Zo kreeg mijn moeder Franse les van Mlle Van Caillie, dochter van een rijke brouwer en via haar moeder afkomstig uit het geslacht van de van Outryve d’Ydewalles. Het was het soort vrouw dat tegelijk voornaamheid, elegantie en hartelijkheid. Ze kende geen woord Nederlands. Als ze iets niet uitgelegd kreeg in het Frans verontschuldigde zich dat ze het dan maar in de taal zou doen die ze van de meid had geleerd. En toen volgde er iets in het allerplatste Brugs, wat de leerlingen onwaarschijnlijk grappig vonden.
     Maar zo’n vrouw mocht dus enkele uren les geven, niet te veel, want het mocht niet de indruk geven dat er geld moest worden verdiend. En slechts een paar jaar, want de bedoeling was natuurlijk om daarna te trouwen met een diplomaat of een koloniale ambtenaar. 

Mansplainers in de fout

     Ik heb al verschillende keren over mansplaining geschreven omdat ik mij door het loutere woord in het defensief gedwongen voel. Ik ben namelijk een man, en ik leg graag dingen uit. Op de FB-pagina van Pierre Plum leer ik wat ik nog niet wist: dat het begrip teruggaat op een essay van ene Rebecca Solnit: ‘Men explain things to me’. Vrouwen moeten zich al eeuwen geërgerd hebben aan mannen die iets willen uitleggen, maar Solnit heeft die ergernis onder woorden gebracht.
     Plum wijst op iets anders. Mannen leggen bij voorkeur dingen uit die ze zelf niet zo goed kennen, dingen die zich buiten hun vakgebied bevinden. Weinig wiskundigen zullen in een gezelschap het binomium van Newton willen uitleggen. Daardoor komt het dat de uitleg die mannen in informele gesprekken wél geven vaak onnauwkeurig is. Plum geeft toe dat dat bij hem zeker het geval is. Een nauwkeurige uitleg vindt hij iets voor fantasieloze mensen.
     Maar ik weet niet of fantasie er zoveel mee te maken geef. Ik leg graag iets uit over economie terwijl ik daar weinig van afweet. Dat is ook omdat ik iets aan mijzelf wil uitleggen, en omdat een mens – een man? – snel trots is op wat Alexander Pope ‘a little knowledge’ noemde. Dat is één van de redenen waarom het ‘a dangerous thing’ is. Een beetje kennis is een beetje avontuur. Een soliede vakman ziet dat anders. Ik ken een professor in de economie die aan iedereen die het horen wil verkondigt dat economie hem eigenlijk niet interesseert.
     Die onnauwkeurigheid van de mansplainer is dus een bijkomende reden voor vrouwen om zich aan hem te ergeren. Niet alleen krijgen ze uitleg over iets wat hen niet interesseert, en worden ze in hun ogen vernederd door een man die kennis gebruikt om zichzelf te verheffen en hén te kleineren, die uitleg en die kennis zijn ook vaak fout. Het gebeurt wel eens dat ik aan mijn vrouw iets vertel wat ik in de krant gelezen heb, waarop ik dan moet horen dat het eigenlijk anders in elkaar zit.
    Om op Solnit terug te komen, blijkbaar bevat haar essay een anekdote die Plum als volgt navertelt: 

 In Aspen, het hippe wintersport-oord van de VS, ontwikkelt er zich in een chalet tussen dames en heren, zogenaamd van stand, een gesprek over Solnits laatste boek over de fotograaf Muybridge. Een heer haast zich om zich in het gesprek te gooien en begint aan Rebecca Solnit haar eigen boek uit te leggen, het belangrijkste boek van het jaar over de fotograaf, volgens hem. Solnit is zo van haar stuk gebracht door zijn woordenvloed en zijn zelfzekerheid, dat ze niet durft op te merken dat het haar boek is, die hij aan het bespreken is. Ze laat alles over zich heen gaan, als vertelde de man een nieuw sprookje uit duizend en één nacht. Alleen op het einde, als de man ongeveer uitgeraasd is, slaagt haar vriendin erin om de man erop te wijzen dat hij Rebeccas boek aan het bespreken is. Waarop de man lijkbleek werd, en verder ook nog duidelijk werd dat hij het boek alleen kende van een bespreking uit de New York Book Review. En dan nog vaag.

     Van die anekdote, daar geloof ik niet veel van. Ik ben ze te vaak tegengekomen in verschillende vormen. Een ervan was over een man die tegen Che Guevara opschepte dat hij Che Guevara kende. Woody Allen heeft de Wanderanekdote tot een grapje verwerkt in Annie Hall, met Marshal McLuhan in de hoofdrol.
     Er zal wel iets gebeurd zijn in dat chalet in Aspen, maar zoals het hier verteld wordt, door Plum of door Solnit, dat is veel te grappig om zo gebeurd te zijn. Het verhaal bevat de literaire truc van de ‘verdubbeling’. Solnit krijgt een dubbele rol: ze aanhoort een uitleg over een boek én ze is de auteur van dat boek. Ik legde die truc uit aan mijn leerlingen als ik les gaf over
urban legends. Aangezien er ook jongens in de klas zaten, en ik gewoon mijn vak uitoefende, geloof ik dat dat niet onder mansplaining viel. 

* Zie over mansplaining mijn stukjes hier, hier, hier en hier. 

Kortjes (vezameld)

 Modieuze woorden en uitdrukkingen 
   Geraard Goossens plaatste een mooie lijst van ongeveer 400 modieuze woorden en uitdrukkingen op zijn FB-pagina. Je wist dat je ‘goed bezig was’ als je dagelijks 10 woorden of uitdrukkingen uit dit lijstje gebruikte. Hij begint zijn lijst met Ambitie, Aanvliegroute, Afstemmen, Afvinken, Agency, Anekdotisch, Anyway … Ik dacht eerst: hoe lang heeft Geraard moeten zwoegen op die lijst? Maar toen luisterde ik vandaag naar de radio, en ik hoorde er tientallen per minuut, vaak drie naar elkaar zonder rustpauze ... de locals betrekken bij het verhaal ... Ik geloof dat van die drie woorden alleen locals op Geraards lijst voorkomt.


Koppen in De Standaard
     Een vriend van mij gaat elke vrijdag naar de bibliotheek om de kranten door te nemen. ‘Bij De Standaard geef ik het snel op,’ zei hij. ‘Veel van die koppen zijn mij te tendentieus. Als HLN zulke koppen publiceerde, zou ik onmiddellijk mijn abonnement opzeggen.’ Ik wees hem erop dat de tekst onder de koppen vaak wel wat genuanceerder was dan de koppen zelf. 
     Goed. Ik bekijk de krant van vandaag. Op de voorpagina: ‘Israëlische bedrijven exporteren systematisch landbouwproducten uit illegale kolonies naar Europa’. Systematisch, dan nog. Dat zal wel een interessant artikel zijn, maar ál die anti-Israëlstukken, en zo vaak – ik had bijna geschreven: systematisch – op de voorpagina, er zullen toch nog lezers zijn die vinden dat dat overdreven is. 


Aantrekkelijke koppen
     Vaak zie ik in mijn mailbox aantrekkelijke koppen voorbijkomen uit de Groene Amsterdammer. Ik denk dan dat dat bijzonder interessante artikels moeten zijn die ik helaas niet kan lezen omdat ik geen abonnement heb. Hoe kan ik mijzelf troosten? Wel. Ik zie in mijn mailbox ook vaak aantrekkelijke koppen voorbijkomen uit Knack. Die kan ik wel lezen, maar als ik dat doe is de ontgoocheling meestal groot. Onlangs nog een stuk van Walter Pauli: Defensie of sociale zekerheid? De Wever moet boven de loopgraven uitstijgen. Mooie kop, maar het stuk had niet veel om het lijf. Misschien is dat met de Groene Amsterdammer ook zo. 


Combinatiedenken
     Lieven Sioen (DS 25 juni) vindt dat we rond de hitte niet moeten ‘polariseren’ en geen ‘schijntegenstellingen moeten oppoken.’ Het is niet óf CO2-reductie óf adaptatie. Het niet niet óf bomen óf airco. Het is én-én. Daarop kwam een reactie van Patrick Loobuyck. Hij looft Sioen om zijn ‘combinatiedenken’. Ik erger mij aan die lof, en ik weet niet goed waarom.
     Dat stuk van Sioen zit namelijk goed in elkaar. De argumenten zijn redelijk. Mijn ergernis betreft, geloof ik, het automatische applaus waar je op kan rekenen als je je eigen ‘en-en’ tegen andermans ‘of-of’ inzet. Er is een begrotingstekort. Wat is het beste: besparen in de uitgaven of nieuwe belastingen heffen? Dan volgt al snel het antwoord: én-én. Misschien is dat juist, maar het is niet automatisch juist. 
     In de allereerste les economie leer je over de schaarste der middelen. Dat is de reden dat we vaak naar óf-óf moeten grijpen.


Jezus en de kooplieden
     Bij Pascal Cornet lees ik iets over de Brugse kerstmarkt. ‘Het bijbelhoofdstuk,’ schrijft hij, ‘waarin Jezus de kooplieden uit de tempel jaagt, is mijn favoriete Bijbelpassage.’ Ik daarentegen heb mij altijd aan dat optreden van Jezus geërgerd. Ik had er al een probleem mee als kind. Misschien lag in die ergernis mijn latere bekering tot het neoliberalisme al besloten.


Afrika
      Een geneesheer-specialist woont al 40 jaar in een Westers land, maar is afkomstig uit een Afrikaans land. Hij is hier gekomen als politiek vluchteling. Hij staat bekend als een bekwame, betrouwbare en bescheiden collega. Als hij op pensioen gaat, is hij van plan om naar zijn geboorteland terug te keren. ‘Mocht ik willen,’ zegt hij, ‘kan ik daar op enkele dagen tijd een leger op de been brengen van vijftigduizend man.’


Iran-berichtgeving
     Tijdens de eerste dagen van de Iran-oorlog dacht ik dat we op een feitelijke berichtgeving aanstuurden. Ik redeneerde: de linksliberale pers heeft een even grote afkeer van Trump als van het Iraanse regime. Daardoor zullen die mensen onpartijdiger zijn dan gewoonlijk, meer alsof ze berichten over een oorlog in een Afrikaans land waarvan men geen idee heeft wie de ‘goeden’ en wie de ‘slechten’ zijn.
     Mijn indruk is nu dat de afkeer van Trump de bovenhand heeft gehaald en dat leedvermaak overheerst omdat hij de ayatollahs en de Republikeinse Garde niet heeft kunnen verslaan. ‘Iran aanvallen was een strategische blunder en het Iraanse regime staat sterker dan ooit.’ Ik zeg niet dat die analyse correct of fout is, maar áls ze correct is, moet men dan Trump niet prijzen omdat hij zijn verliezen beperkt heeft gehouden en zich niet heeft vastgereden zoals zijn voorgangers in Vietnam, Irak en Afghanistan? 


Frank Dhanis, Dylan Thomas, Emily Dickinson
     Als we echt vinden dat de beschaving ten onder gaat – aan het neoliberalisme, het rechtspopulisme, het militarisme, de consumptieverslaving, de staatsschuld, de belastingdruk, de massamigratie, de groene waanzin, of de feminisering van alle waarden – hoe moeten we daar dan mee omgaan? Frank D’hanis op FB heeft zijn keuze gemaakt. ‘Ik heb zelf niet de persoonlijkheid om stilzwijgend en waardig de val van de beschaving te aanschouwen. Dan liever roepend en schreeuwend tot het laatst.’
       Dat is inderdaad een kwestie van persoonlijkheid en stijl – die zich niet alleen stelt bij de ondergang van de beschaving in zijn geheel, maar ook bij de ondergang van elk mens afzonderlijk. Velen zullen hierbij denken aan het gedicht van Emily Dickinson aan de ene kant, en dat van Dylan Thomas aan de andere kant. 

Because I could not stop for Death -
He kindly stopped for me -
The Carriage held but just Ourselves -
And Immortality.

versus

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.



Journalistiek en sociaal engagement


      Het is altijd een goed idee om álle journalistiek – vanwege de intrinsieke kenmerken van het medium – met wantrouwen tegemoet te treden. Zelfs de oorsprong van het woord – journal – verwijst meer naar de waan van de dag dan naar waarheidsvinding vanuit diep inzicht en breed perspectief. Maar vandaag is dat wantrouwen, lijkt mij, groter dan vroeger. Mensen op rechts én op links wantrouwen de mainstream media als een soort regime-pers.
      Het wantrouwen op rechts is recenter. Conservatieve lezers van een zekere leeftijd ergeren zich aan de linksliberale oriëntatie van de media, en aan de nadrukkelijkheid waarbij die oriëntatie wordt beleden. Ze hebben de indruk dat de kwaliteitsmedia in vroeger tijden een neutralere opstelling nastreefden. Zelf kan ik die indruk niet controleren omdat ik vroeger amper kranten las en dus niet weet ‘wie es recht eigentlich gewesen ist.’
     Behalve enkele complotdenkers, beseft iedereen dat de linksliberale opstelling van de media nogal spontaan tot stand gekomen is. Daar was niet veel sturing voor nodig. Maar de keuze voor een meer neutrale of een meer geëngageerde opstelling is geloof ik wel een bewuste keuze van hoofdredacteurs. Ik kan mij voorstellen dat Karel Verhoeven over zo’n kwestie lang en diep nadenkt. Hij moet daarbij rekening houden met zijn eigen geweten, de modetrends, de concurrentie en de verkoopcijfers.
    Die modetrends interesseren mij. Is er in de laatste 100 jaar een ononderbroken evolutie geweest van neutrale naar geëngageerde berichtgeving. Of hebben we hier, zoals zo vaak, met een slingerbeweging te maken. En waar bevond zich de slinger in de jaren 50 van vorige eeuw?
     De film Teacher’s Pet (1958) gaat over die verschuiving van modes. Clark Gable is iemand van de oude school: de journalist is voor hem een vakman die de feiten moet achterhalen en die ze beknopt en zakelijk moet weergeven. Doris Day daarentegen ziet de journalist als een intellectueel die het nieuws met een sociale interpretatie en humane boodschap moet verrijken. Zij lijkt de nieuwe mode te vertegenwoordigen. Maar is die mode werkelijk nieuw? Ze spiegelt zich vooral aan haar vader die van een nog oudere school is dan Gable, en dié school had dan weer heel veel sociale boodschap te brengen, zij het met minder intellectuele pretenties. 




maandag 29 juni 2026

Enkele films en series


A Star is Born
(1954)
     De Hollywood-film met de meeste remakes is geloof ik A Star is Born: 1937, 1954, 1976 en 2018. Je zou kunnen denken aan The Front Page: 1931, 1948, 1970, 1974, die dan ook nog eens onder twee andere titels is uitgekomen: His Girl Friday (1940, grappigste film aller tijden) en de heel vrije bewerking Switching Channels (1988). Maar The Front Page is een verfilmd toneelstuk, dat is een categorie apart. En als we ook verfilmde romans en stripverhalen zouden opnemen, werd de lijst eindeloos. 
   
Dus: A Star is Born. Het is een mooi melodramatisch gegeven. Een oudere, aan lager wal geraakte zanger of acteur, ontdekt een jonge, talentvolle zangeres of actrice. Ze trouwen. Het kan niet goed aflopen. Hoe groter het succes van de zangeres of actrice, hoe dieper de has-been onder zijn neergang lijdt.
 
     Op IMDB kan ik de scores nagaan die het publiek (op 10) en de recensenten (op 100) gaven aan de verschillende versies*. 

  • 1937 (Janet Gaynor, Fredric March):                 7,3 - 77
  • 1954 (Judy Garland, James Mason):                  7,5 - 89
  • 1976 (Barbara Streisand, Kris Kristofferson):   6,1 - 59
  • 2018 (Lady Gaga, Bradley Cooper):                    7,6 – 88

     De scores lopen grotendeels gelijk, maar die van het publiek zijn meer afgevlakt. Komt dat door de wet van de grote getallen? In elk geval moeten we onthouden dat het niet dezelfde recensenten en niet hetzelfde publiek is dat de scores heeft toegekend. De meeste recensenten die in 1954 over Judy Garland schreven - zoals Pauline Kael - waren al overleden toen in 2018 de Lady Gaga-film uitkwam. En het hedendaagse publiek dat in Lady Gaga geïnteresseerd is, is niet hetzelfde publiek dat zich vandaag nog voor Judy Garland interesseert. 
     Ik heb drie van die versies enkele jaren geleden kort na elkaar gezien. Van die van 1937 heb ik onthouden dat Fredric March een heel mooie man was. Van die van 2018 herinner ik mij alleen de beginscène. Van die van 1976 was ik een maand nadien alles al vergeten, alhoewel ik mij vaag een huiskamerdecor meen te herinneren.
     En nu heb ik eergisteren de Judy Garland-versie gezien, dankzij Amazon-Prime. De regisseur is George Cukor: niet de eerste de beste. De film begint met een breed gefilmd society event in Hollywood. Cinemascope, technicolor, grootse mise-en-scène. Maar dan krijgen we enkele vaudeville-optredens te zien. Ik vind zulke scènes bijna altijd vervelend. En vanaf dan was er nog veel meer dat tegenviel: alles wordt heel uitdrukkelijk verteld, de choreografie bij de muzikale nummers is ongeïnspireerd; af en toe zijn er treffende beeldcomposities maar de achtergrondmuziek is oubollig; Judy Garland is een beperkte actrice ,en als ze zingt werkt haar gestiek op de zenuwen. Mason is natuurlijk een groot acteur, maar ik hou niet van zijn gezicht noch van zijn stem. Ten slotte is er nog de melodramatische villain, public relations manager Libby, die een onsympathieke, jaloerse intrigant is. In films zie ik liever sympathieke intriganten.
        Maar ik had de televisie amper uitgezet, of daar zette zich het reëvaluatieproces in. Ik zag de scènes weer voor mijn ogen verschijnen. De oscar-uitreiking, de slotwoorden, Garland die een liedje zingt in een kleine club, zomaar, nadat alle klanten de zaal verlaten hebben en alleen de muzikanten nog aanwezig zijn, Mason die rondloopt in een feestzaal op zoek naar vrouwelijk gezelschap, de meevoelende studiobaas die Mason bezoekt in een rehabilitatiecentrum, Libby die beteuterd kijkt als hem met enig medelijden wordt duidelijk gemaakt dat hij er niets van begrepen heeft. Ik denk dat ik mij sommige van die scènes binnen enkele jaren geleden nog zal herinneren. Een nadrukkelijke vertelling heeft ook zijn voordelen. 

* Er is vastgesteld dat respondenten bij scores op 10 strenger quoteren dan bij scores op 100. Maar bij mijn weten zijn de scores op 100 van de recensenten een numerieke omzetting van een sterrenquotering. 


Marlene Dietrich in Morocco (1930)
    Mijn vader sprak altijd met het grootste respect over de film Morocco. ‘Van Josef von Sternberg!’ zei hij. De film kun je nu voor enkele euro’s huren bij Amazon-Prime. De scènes met marcherende legionairs duren wat te lang, maar Marlene Dietrich acteert heel delicaat, Adolphe Menjou als begripvolle liefdesriveaal doet je even vergeten dat hij de moreel corrupte generaal is in Paths of Glory, en Gary Cooper … wel, als je Gary Cooper bent, maakt het niet zoveel uit hoe je acteert.
    Het eerste lied dat Dietrich in de film zingt, vond ik maar niets. Maar de Apple Song was ontroerend, pikant en grappig tegelijk, ook al door de heftig met zijn armen zwaaiende dirigent. De scène erna is ook boeiend, omdat er met de appelverkoop een heel specifiek verdienmodel is gemoeid de appels worden verkocht aan exorbitante prijzen omdat de kopers uit een soort opschepperige welwillendheid meegaan in de illusie dat ze iets ánders kopen. De tekst van het lied is duidelijk Pre-Code. Na 1934 zouden die pikanterieën in Hollywood niet meer toegelaten zijn. Het eerste deel van de song zie je hier.


Love and Death (1975)
     Love and Death van Woody Allen heb ik gezien toen de film uitkwam, en daarna misschien nog twee keer. De laatste keer was geloof ik 45 jaar geleden. Ik heb de film nu opnieuw gezien en ik herinnerde mij ongeveer alles. Alleen Annie Hall (1977) herinner ik mij nog beter. Maar ook van Love and Death kon ik bijna elke zin, elk gebaar, elke gelaatsuitdrukking, elk decor anticiperen. Alleen het gesprek tussen Diane Keaton en de oude pope (‘your Grubbiness’) stelde ik mij voor in de open lucht. Het vond plaats in de kerk.
     Binnen het oeuvre van Woody Allen behoort Love and Death tot de ‘early funny ones’, een uitdrukking die mij bijgebleven is uit Stardust Memories (1980), en waar ik alle films bij reken vóór het meesterwerk van 1977.
     Van Allens parodie op Oorlog en Vrede herinner ik mij trouwens niet alleen de inhoud en de vorm: ik herinner mij ook nog wat ik 50 jaar geleden bij de film vóelde: onder andere de schaamte omdat ik zoveel plezier beleefde aan de flauwe grappen. Dat gevoel is vandaag nog altijd hetzelfde. De leukste scène vond ik toen én nu de veldslag omdat daar de cinematografie van Bondartsjoek niet alleen inhoudelijk werd geparodieerd maar ook stilistisch werd gepasticheerd. In het register van de pastiche heeft Allen later nog veel mooie dingen gedaan.


Alice and Steve (2026)
     De lof van Sam De Wilde voor de televisieserie Alice en Steve (DS 17/6) is terecht. Alice is een carrièrevrouw en haar beste vriend Steve is een kapper die beroemdheden onder zijn klanten heeft. Het loopt fout als Steve een relatie krijgt met de 26-jarige dochter van Alice. De Wilde: ‘Net wanneer de soms wel erg zwarte humor een tikkeltje te donker of venijnig dreigt te worden, verrassen de makers met onverwachte opflakkeringen van oprechte tederheid.’ Dat is een mooie typering.
     In een van de afleveringen leert Steve de vrienden van zijn jonge geliefde kennen. Alice is er ook bij en wrijft Steve een aantal van zijn vorige uitspraken onder de neus: dat Woody Allen, die nochtans van iets beschuldigd wordt, mooie films gemaakt heeft, dat het niet zeker is of recyclage wel echt werkt, en dat China het ook niet nauw neemt met de ecologie … De vrienden van zijn jonge geliefde reageren gechoqueerd en verontwaardigd. Kritiek op China vinden ze zelfs ronduit racistisch.
      Als ik zulke scènes zie in een film, voel ik mij tegelijk bedreigd en machteloos. Bedreigd, omdat ik als boomer, in een onbewaakt ogenblik, dezelfde dingen zou kunnen zeggen als Steve; machteloos omdat die gechoqueerde vrienden zulke lieve sympathieke en verstandige mensen zijn, geen idiote, congenitale fanatici.

 

White Collar (2009-2014) en ’Allo ’Allo! (1982-1992)
     White Collar is een nogal flauwe politiereeks waar ik op dode momenten, vóór de komst van Netflix, toch heel wat afleveringen van heb gezien. Onlangs zag ik heel toevallig de eerste aflevering van de reeks – de pilot. Die bevatte in vijftig minuten ongeveer alle verhaallijnen, tics, gimmicks en leidmotieven die dan daarna over zes seizoenen werden uitgesmeerd.
 
    Dezelfde ervaring heb ik ooit gehad met de serie Allo, allo. Flauwe reeks, maar toch heb ik op dode momenten zeker 20 van de 85 afleveringen gezien, met altijd dezelfde grappen. Maar op een keer zag ik toevallig de pilot, en die vond ik onwaarschijnlijk grappig. Alle grappen die ik al twintig keer had gezien waren in die eerste aflevering onverwacht levendig en fris. Waarom eigenlijk? 


Servant (2019-2023)
     De serie Servant is te langdradig om alle seizoenen uit te kijken. Het stempel van Shyamalan en de inspiratie van Polanski zijn overal zichtbaar, tot in het dodelijk trage tempo toe. Maar het is knap gefilmd hoor, en Lauren Ambrose als geobsedeerde moeder speelt iets klaar dat ik nog nooit eerder gezien heb. Het personage is onsympathiek over de hele lijn, zonder daarom erg slecht te zijn. Ze is banaal, narcistisch, gevoelloos, ijdel, bazig, labiel, hysterisch en hypocriet.  Ze heeft geloof ik geen enkele redeeming quality. En toch kijk je er geboeid naar, zonder je te ergeren. Er zit een nauwelijks merkbare ironie in haar portrettering die haar palatabel en zelfs interessant maakt. 


The Mastermind (2025) en O Agente Secreto (2025)
     Hoewel ík de films gekozen had, zijn het toch meer films voor mijn vrouw. Ik hou van een zekere voorspelbaarheid in de plot en in de emotionele opbouw, waardoor je beter kunt letten andere zaken zoals de vorm. Maar arthouse films als The Mastermind en O Agente Secreto werken zónder klassieke plotelementen. Ze laten niet zien wat je gewoonlijk ziet, en ze laten wel zien wat je gewoonlijk niet ziet. Je ziet gebeurtenissen, maar herkent geen verhaal. Dan ben je bent verplicht om op de vorm te letten. Dat vind ik meestal minder fijn.


Nuremberg (2025)
     Nuremberg is een film voor wie wel al van Adolf Hitler, maar nog nooit van Hermann Göring of Julius Streicher gehoord heeft. Russell Crow is een degelijke, charismatische Göring. De film is een beetje dom door een teveel aan klassieke plotelementen. Men wil er een rechtbankdrama van maken, met een sluwe aanklager en een sluwe beklaagde. Göring herhaalt met een mengeling van overtuiging, cynisme en aplomb dat hij niet op de hoogte was van de Jodenuitroeiïng. De aanklager moet een list bedenken, iets als in A Few Good Men, waar Tom Cruise het zo moet aanleggen dat Jack Nicholson uiteindelijk in de rechtszaal roept: ‘You can’t handle the truth,’ en daarmee zichzelf verraadt.
 
     De list in Nuremberg is kinderachtig voor iemand die iets van het nazisme afweet. De welbespraakte Göring houdt eerst goed stand. Maar dan is er een half clandestiene afspraak tussen de psychiater die Göring moet opvolgen en een van de aanklagers. Een groot geheim wordt geopenbaard. De aanklager komt te weten dat Göring nooit in het publiek afstand zal nemen van Hitler! In de rechtszaal blijkt dat die nieuwe informatie goud waard is. Het is de deus ex machina waardoor alles nog goed komt, behalve voor Göring natuurlijk.

AI slop op FB

Geschiedenislesjes
     Op mijn FB-feed verschijnen soms geschiedenislesjes van History After Dark. In tegenstelling tot die van Paul Cordy zijn ze geloof ik geschreven door AI. De stijlfiguur van de drievoudige opsomming schijnt tot de typische AI-stylistiek te behoren. Dat kan ik billijken, ik hou er ook van. Maar waar komt die stortvloed van bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden vandaan? In een stukje over Stalins dood:

 The profound, tragic historical irony of the situation was entirely inescapable: the absolute best, most experienced medical specialists in the entire Soviet Union were currently sitting in freezing, dark prison cells, having been recently arrested and violently tortured under Stalin's own direct orders during the fabricated, anti-Semitic Doctors’ Plot. The inexperienced, young doctors who remained were completely terrified of administering the wrong medical treatment, deeply fearing they would be immediately, violently executed if the dictator somehow miraculously survived.


 Bedrieglijke memes
   
 Wat ik ook vaak tegenkom zijn memes van de FB-pagina Existentialism Philosophy. Twee bekende figuren staan naast elkaar afgebeeld, elk met een frappante uitspraak. De figuren die tegenover elkaar geplaatst worden, hebben meestal niets met elkaar te maken. Diogenes geeft antwoord op een uitspraak van Ronald Reagan; Adam Smith zegt iets over de levens die gered worden door pharmaceutical companies en Karl Marx antwoordt dat de companies juist niét investeren in geneesmiddelen die patiënten definitief genezen, want dan verliezen ze hun klanten. 
     Ook de afbeeldingen zijn verwarrend: je herkent een bekend portret, maar het is toch lichtjes anders uit de AI-bewerking gekomen. Hoe langer je de afbeelding bekijkt, hoe sterker de indruk wordt dat bijvoorbeeld niet Mark Twain wordt afgebeeld, maar iemand die beantwoordt aan de beschrijving van zijn portret: hangende snor, wild-golvende haardos, borstelige wenkbrauwen, norse blik, wit linnen pak, enzovoort.
     De frappante uitspraken zijn meestal politiek geladen en hebben weinig met het existentialisme te maken. Links staat een liberaal, een kapitalist, een democraat of een gelovige die iets zegt; rechts staat een socialist, een communist, een anarchist of een atheïst die iets ontmaskert. Uitzonderlijk staan twee uitspraken van dezelfde ontmaskerende strekking naast elkaar. Ook komt het voor dat er aan de ontmaskerende rechterkant echt een min of meer existentialistische filosoof staat afgebeeld: Kierkegaard, Nietzsche, Heidegger, Sartre, Camus.
     Het kunnen onmogelijk letterlijke citaten zijn, want ze staan vol anachronismen, en ze zijn meestal in dezelfde stijl opgesteld, met steeds hetzelfde dozijn adjectieven en adverbia die op elkaar worden gestapeld: beautifully, absolutely, cheerfully, terrifying, terrified, magnificent, violently, psychotic, perfectly, aggressively, … Ik vraag mij af hoe de prompt eruitziet die volgend citaten gegenereerd heeft.



     Ik geef toe dat sommige quotes enig verband houden met wat de afgebeelde figuur ongeveer gezegd en gedacht heeft. Maar soms is dat verband ver te zoeken. Ik zou over die memes gezwegen hebben als ik er niet laatst een tegengekomen was over Alexis de Tocqueville. Ik heb net De la démocratie en Amérique gelezen had en ik kan de lezer verzekeren dat Tocqueville helemáál anders dacht over democratische verkiezingen, weinig te vertellen had over de grote bedrijven, en een heel andere stijl hanteerde, zelfs als je zijn Frans naar het Engels vertaalt.
     Positief is dan weer dat in het citaat woorden beautifully, absolutely, cheerfully, terrifying, terrified, magnificent, violently, psychotic, perfectly, aggressively … geen enkele keer voorkomen. Ook hier vraag ik mij af hoe de prompt eruit zag.
Say something bad about democracy. Ascribe it to an author who wrote on the subject. Easy on the adjectives. 

 

zondag 28 juni 2026

Elchardus-interview op Doorbraak


Elchardus-interview op Doorbraak
     
Ik ken mensen die Doorbraak beoordelen op één enkele columnist, of op de commentaren op de artikels in plaats van op de artikels zelf. Zelf vind ik er veel goede stukken, stukken waar ik het eens mee ben, of stukken die mij interesseren. Nog interessanter is het om af een toe een stuk te lezen dat mij niet interesseert, zoals dat van Pieter Bauwens over de Vlaamse subsidies voor de Waregemse jumping. Daar staat alles in wat ik niet wilde weten en toch heb ik het graag gelezen.
       Of neem dat interview met Mark Elchardus over de toekomst van de ziekteverzekering*. Dat was een van de beste interviews die ik dit jaar gelezen heb. Ik had soms de indruk dat ik een doorwrocht essay aan het lezen was, in plaats van een interview. Elchardus is natuurlijk jarenlang voorzitter geweest van het socialistisch ziekenfonds, dat is een voordeel. Hij is ook al jaren geen voorzitter meer van dat ziekenfonds, en dat is nog een groter voordeel.
      Maar er is ook de carrure van Elchardus zelf. Hij heeft een goed oog voor de grote lijnen, ziet door de bomen het bos, en is heel erg master of the subject.  Zoals men in het Engels zegt: he has the numbers at his fingertipsZijn cijfers blijven hangen, zelfs als ik ze achteraf vergeet. Bij anderen laten cijfers mij vaak verward achter, en in paniek dat ik ze niet zal kunnen onthouden.
 
     Elchardus redeneert lijnrecht van premisse naar conclusie, maar vergeet niet dat daarna een compromis moet worden gevonden met mensen die zijn premisses en conclusies niet delen. Hij kijkt zowel naar de korte als naar de lange termijn. Hij is vaak origineel zonder het per se te willen zijn. Hij maakt een onderscheid tussen wat hij weet en wat hij veronderstelt. Verder drukt hij zich heel helder uit. Ik heb bij het hele interview geen enkel vraagteken in de marge moeten plaatsen.
      Elchardus zal mij nooit tot zijn ideologie – de sociaaldemocratie – kunnen bekeren. Verschillen in ‘first principles’ zijn niet te overbruggen. Dat is niet alleen zo in politieke materies. Ik herinner mij een dicussie tussen twee professoren over de Spaanse passiefconstructie. Na een scherp debat haalde een van de professoren zijn schouders op. ‘Tenemos otros maestros,’ zei hij gelaten. 
     Nu, mijn meesters zijn de grote libertaire ideologen. ‘Mises, Hayek& Nozick vat het goed samen’ schrijft Lode Cossaer op zijn X.com-profiel. Dat kan ik bijtreden. Maar met Cossaer zou ik waarschijnlijk alleen ruzie kunnen maken. Met Elchardus daarentegen zou ik daarvoor een speciale inspanning moeten doen. 

* Dat interview staat
 hier.



vrijdag 26 juni 2026

'Totaalliberalisme'


Het ‘totaalliberalisme’
 
    Volgens Roan Asselman (Doorbraak 23/6) gaan de klassieke liberale partijen achteruit omdat ze een ‘totaalliberalisme’ propageren.

Het valt op dat politieke partijen die álle typisch liberale ideeën in één tent verenigen, vandaag weinig succes boeken. Dat zijn er, grosso modo, drie: (1) een kleine overheid en laissez faire economie, (2) een emancipatorisch individualisme of ethisch progressivisme en (3) een engagement voor een op regels gebaseerde wereldorde, met een internationaal vrij verkeer van goederen, diensten én personen. In Europa zijn er vele partijen die met succes één of twee van die liberale ideeën uitdragen, maar niet alle drie … Het zijn de totaalliberalen die in 2026 bijna overal het onderspit delven.


     Dan rijst de vraag: ben ikzelf een totaalliberaal? Om die vraag te beantwoorden heb ik de kenmerken van Asselman verder opgesplitst en aangevuld met de kwestie van de juristocratie en de vrije meningsuiting. Privacy en misdaadbestrijding laat ik buiten beschouwing. Mijn eigen positie geef ik aan met plus- en mintekens. Liberale standpunten zijn onder andere:

  1. Kleine overheid door verhoogde efficiëntie (+), minder bureaucratie (++), minder en vlakkere belastingen (++), inkrimping van collectieve dienstverlening (+) en hervorming van de sociale zekerheid (+)
  2. Laissez-faire economie (+++)
  3. Emancipatorisch individualisme (+)
  4. Ethisch progressivisme (-)
  5. Primaat van rechtspraak boven meerderheidsdemocratie (-)
  6. Absolute vrije meningsuiting (+++)
  7. Op regels gebaseerde wereldorde (+)
  8. Vrij verkeer van goederen en diensten (++ )
  9. Vrij verkeer van personen (--).    
     Over de meeste kwesties heb ik in vorige stukjes al geschreven. Ik zal dat hier niet herhalen. Ik zeg alleen kort iets over (1), (3)-(4) en (7).
     Dat de overheid efficiënter moet werken is amper een liberaal programmapunt te noemen, aangezien geen enkele partij voorstander is van een overheid die niet efficiënte werkt. Er is op dat gebied misschien veel dat nog verbeterd kan worden, maar er is ook veel dat al verbeterd is. Wat de omvorming van de sociale zekerheid betreft zie ik onder andere een universeel basisinkomen als een na te streven liberaal alternatief.
     
Liberalen, conservatieven en conservatief-liberalen beseffen dat een te vergaand individualisme en een te radicaal verzet tegen de traditie als gevolg hebben dat een samenleving gedestabiliseerd
raakt en dat de individuen erin ongelukkig worden. Maar voor een liberaal mag de staat slechts een beperkte rol op zich nemen om gemeenschapszin en traditie te bevorderen, te temperen of te sturen. Uiteraard moet de staat zo weinig mogelijk verbodsbepalingen opleggen in de ethische en privé-sfeer, zolang één individu een ander individu geen ondubbelzinnige schade toebrengt.
      Een liberaal moet hopen dat een op regels gebaseerde wereldorde steeds meer van juridische fictie naar tastbare realiteit evolueert. Dat proces is al enkele decennia aan de gang, met ups en downs. Vandaag maken we een heropleving van de machtspolitiek mee en op zo’n moment mag een liberaal land of blok niet naïef zijn. Een combinatie van slimme bondgenootschappen, van eigen industriële, technologische en militaire kracht, en van handige diplomatie tegenover huidige en potentiële vijanden, kan er hopelijk voor zorgen dat de machtspolitiek niet tot een wereldoorlog leidt, en dat in een gunstiger constellatie de op regels gebaseerde wereldorde nieuwe kansen krijgt. 

donderdag 25 juni 2026

De gepolitiseerde hittegolf

 


De gepolitiseerde hitte-golf
     Mensen van rechts storen zich bij de huidige hittegolf minder aan de warmte dan aan wat zij als een overdreven dramatische berichtgeving erover ervaren. Zij zien er een verborgen agenda in om de klimaatopwarming als politiek thema boven alle andere te verheffen – een soort groen-linksliberaal ‘hondenfluitje’. Verder storen ze zich aan de flauwdoenerij en de betuttelende raadgevingen: veel water drinken, de gordijnen toedoen, elke sportbeoefening vermijden in de volle zon, en de centrale verwarming een graadje lager zetten, 
     Als die rechtse rakkers van mijn generatie zijn, vinden ze bovendien dat vroeger alles beter of straffer was. In de weerberichten en op het journaal werd niet zo flauw gedaan. Nu ja, Armand Pien waarschuwde ook wel eens voor een zonnesteek, maar toch niet zo vaak, menen we ons – misschien verkeerd – te herinneren. En hebben wij de zomer van 1976 niet overleefd? Wij zeurden niet over enkele warme dagen na elkaar, wij waren er blij om. We fietsten naar het openluchtzwembad en luisterden op onze transistorradio’tjes naar Abba.
      Nou ja, zelf fietste ik ik niet naar dat openluchtzwembad, want ik was mijn paracommando-opleiding aan het voltooien. Dat lichamelijke inspanning in de volle zon moest worden vermeden, stond niet in het handboek van het regiment. En de heetste dag was geloof ik de dag van de testen, met de gevreesde speed march net op het ogenblik dat de loden ploert op zijn hoogste punt stond. Na de speed march ben ik trouwens met kramp en hyperventilatie opgenomen in het ziekenhuis. Gelukkig hadden ze bij het regiment van die inspuitingen die ze nu niet meer maken. Na enkele uren was ik weer op de been, en kon ik de dag erop de speed march nog eens overdoen, maar dan binnen de tijdslimiet.
     Ach, ik maak er een karikatuur van, maar het is waar dat ik mij als rechtse rakker stoor aan de hitterecordberichtgeving, en aan de opvoedende campagnes over water drinken en insmeren, vooral als Tom Ysebaert in De Standaard van 24/6 mij vertelt dat ik beter geen airco kan installeren*. ‘Er zijn alternatieven,’ schrijft Ysebaert. Dat is nochtans waar. Zowel in Keerbergen als in Oostende hebben we geen airco en zorgen we op een andere manier voor verkoeling. Maar bij zo’n educatief stuk krijg ik zin om alsnog een A/C te bestellen voor Keerbergen én voor Oostende.
      Die opvoedingscampagnes werken niet alleen op mijn zenuwen, ik ben er ook helemaal van overtuigd dat ze niets uithalen. Als ik eerlijk ben, moet ik echter toegeven dat die overtuiging op niets anders dan vooroordeel berust. Het is een soort wishful thinking: ik hóóp dat ze niet werken. Toch blijkt uit heel veel statistisch onderzoek dat opvoedingscampagnes wél werken, zij het niet bij iedereen en niet altijd.
     Een van de beste voorbeelden is de Europese hittegolf van augustus 2003. In Frankrijk stierven er tijdens de
 canicule-2003 ongeveer 15.000 mensen extra door de hitte. Men heeft toen een overheidscampagne uitgewerkt met registratie van kwetsbare personen, met meer airco in zorginstellingen, en met heel veel ‘bewustwordingscampagnes’ voor burgers en zorgpersoneel. Het resultaat was dat bij de hittegolf van 2019 het aantal extra doden slechts 1/10 was van dat van 2003.
    En mijn andere ergernis is dus de hitterecordberichtgeving. ‘De warmste dag sinds het begin van de metingen.’ ‘Alweer een hittegolf.’ ‘Net geen hittegolf.’ Nu zou ik makkelijk kunnen antwoorden dat die hittegolven tot het ‘weer’ behoren en niet tot het ‘klimaat’, maar dan zou ik toch van slechte wil zijn. Alleen heb ik een hekel aan geselecteerde cijfers. Geef mij globale cijfers. De laatste 50 jaar is de temperatuur in de wereld met 1 graad toegenomen. Dat is duidelijk. In West-Europa is de temperatuur zelfs met 2 graden toegenomen. Dat is ook duidelijk. Maar als ik hoor dat er nu tien keer meer tropische dagen zijn dan 50 jaar geleden dan vind ik dat misleidend. Tien keer meer, stel je voor!  Terwijl het in werkelijkheid toch vooral betekent dat er 9 dagen van 28 of 29 graden vervangen zijn door dagen van 30 graden. Dat is al heel wat anders dan ‘tien keer meer.**’ 

***

     In de logica mag je jezelf niet tegenspreken. Maar in de polemiek mag je een ánder niet te snel verwijten dat hij zich tegenspreekt. Je mag het doen, maar niet te snel. ‘De migranten pakken ons werk af’ en ‘de migranten profiteren van de werklozensteun.’ Die stellingen kunnen, als je er even over nadenkt, best allebei waar zijn. Je moet alleen aannemen dat er twee soorten migranten bestaan.
     Of neem de rechtse bezwaren tegen links inzake de hittegolf. ‘Linkse watjes zeuren over enkele warme dagen’ en ‘linkse deugpronkers verketteren airco’. Ook die stellingen kunnen allebei waar zijn als er bijvoorbeeld twee soorten links bestaan. Verander je het perspectief, dan krijg je eenzelfde resultaat. ‘Rechts houdt wel van enkele tropische dagen’ en ‘rechts wil meer airco.’ Je kunt dan aannemen dat er twee soorten rechts bestaan.
     En zelfs dat is niet noodzakelijk. Dezelfde rechtse rakker kan graag enkele uren naast het zwembad liggen om een boek te lezen, en daarna enkele uren verder lezen in een goed gekoelde kamer. Of dezelfde linkse rakker kan niet goed tegen de hitte maar hij wil zijn persoonlijk comfort opofferen om CO2 te reduceren.
      Nee, je mag een ander niet te snel verwijten dat hij zichzelf tegenspreekt. Maar het is beter om het zelf niet te vaak te doen. Een tegenspraak kán op een genuanceerd onderscheid in het denken wijzen, maar het wijst vaker op een emotionele obsessie, tegen migranten, tegen links, tegen rechts, tegen CO2, enzovoort, waarbij alle argumenten in stelling worden gebracht.
     Dit allemaal om uit te leggen dat ik gisteren bij mijn stukje over de hittegolf enige moeite heb moeten doen om op twee knopjes tegelijk te drukken.

  


* Over airco staat dan weer op de opiniepagina van dezelfde Standaard een genuanceerd, relativerend, hoogst informatief en bovendien goedgeschreven stuk van Joannes Laveyne. Met enkele wijzigingen kon het stuk van Ysebaert van de berichtgeving naar de opiniesectie verhuizen, en dat van Laveyne van de opiniesectie naar de berichtgeving. Maarten Boudry schreef voorspelbaar een geëngageerd een goed gedocumenteerd pleidooi om de levensreddende rol van airco te benadrukken, zoals hij indertijd de levensreddende rol van de corona-maatregelen bezong. Het staat hier. Op zijn FB-pagina laat Frank D’hanis een beetje hautain verstaan dat hij dat pleidooi zelf ook had kunnen schrijven, als hoax en als parodie. Maar ik geloof hem niet helemaal. Ik zou zelf een humeurige tweet van Boudry bij wijze van hoax kunnen parodiëren, maar zon heel artikel, dat niet.  En nu ik erover nadenk: heb ik vroeger zelf niet iets over airco geschreven? Ik zoek het op, en jawel, op 6 november 2015 plaatste ik een badinerend stukje over dat onderwerp (zie hier). Ik zie dat het een foutje bevat. Ik nam toen aan dat het aantal hittedoden in de arme landen groter is dan in Europa. Het is omgekeerd, onder andere omdat het individueel gebruik van airco in Europa als politiek niet correct wordt beschouwd.

** Uit De Standaard van 26/6 leer ik dat de temperatuur op de allerwarmste dagen sneller stijgt dan de gemiddelde stijging. Dat kan natuurlijk, omdat die allerwarmste dagen uitzonderlijk zijn en dus het gemiddelde amper beïnvloeden.