zondag 31 mei 2026

Vrijheid voor lompe racisten


 
   
Ik weet niet of Dries Van Langenhove een lompe racist is. Om dat te weten zou ik mij weer moeten verdiepen in wat die kerel allemaal gezegd en niet gezegd heeft, en dat interesseert mij niet erg. Ik ga er gewoon even van uit dat dat zo is, dat zijn rol ongeveer uitgespeeld is, en dat hij er alleen op uit is om even de aandacht te trekken met provocaties. Als ik mij vergis, dan is dat maar zo.

      Het punt dat een liberaal als ik wil maken, is dat de vrije meningsuiting moet gelden voor iederéén, dus ook voor kwaadwillige, lompe racisten. Lode Cossaer maakt dat punt in Knack, en bekritiseert en passant degenen – ‘conservatieven’ tussen aanhalingstekens – die de vrijheid opeisen voor DVL, maar die vrijheid willen ontzeggen aan

 … imams die preken over het vernietigen van het Westen, pro-Palestijnse activisten die preken over het einde van Israël, of radicale antikapitalisten die het einde van het kapitalisme — en kapitalisten — willen … Dat betekent ook dat de veroordeling van Fouad Belkacem wegens aanzetten tot haat een vergissing was. Ook hij behoorde dat te mogen zeggen …  De vrijheid van meningsuiting is ook in gevaar omdat de regering de vrijheid verder wil ondermijnen. De pogingen om nieuwe wetgeving in te voeren om een vereniging zoals Samidoun illegaal te verklaren, ook al doet die niets illegaals (dixit premier Bart De Wever), is een veel grotere illustratie van de verdere erosie van de vrijheid van meningsuiting dan de vervolging van Dries Van Langenhove op basis van een al lang bestaande wet.

      Cossaer heeft, geloof ik, gelijk dat een nieuwe, bijkomende wet, vanuit principieel standpunt erger is dan de toepassing van een bestaande wet. De argumentatie om Samidoun te verbieden brengt een bijkomend verbod in de wetgeving, namelijk op het verheerlijken van terrorisme*. Cossaer schrijft, terecht, dat de vrije meningsuiting ook het ‘hypothetisch filosoferen over mogelijk geweld tegen bepaalde groepen’ moet toelaten. Volgens dat principe mochten de geschriften van Bakoenin, Sorel, Fanon en Sartre vrij gepubliceerd worden in de liberale democratieën, en mocht mijn organisatie Amada-PVDA indertijd in alle vrijheid oproepen om ‘vroeg of laat’ een gewapende revolutie te ondernemen. 

    Maar laat ik hier het principiële terrein verlaten en mij verder beperken tot de pragmatische argumenten en tot de racismekwestie. Het bestaan en het uiten van racistische haatgevoelens heeft allerlei nadelen. Het maakt de geviseerde minderheden ongelukkig, het maakt de racisten zelf waarschijnlijk ook ongelukkig, het choqueert gevoelige zielen, het leidt tot onnodige discriminatie, het lokt onredelijke, geradicaliseerde en gewelddadige tegenreacties uit, het draagt bij aan de verharding van de maatschappij, en het kan in extreme gevallen uitmonden in de vervolging en zelfs uitroeiing van minderheden. Al die nadelen van racistische haat zijn in zekere zin voordelen van de antiracisme-wet. In welke mate die nadelen ook echt weggenomen worden door gerechtelijke vervolging van racistische uitspraken is een andere kwestie. 

    Ik wil hier, tegenover de mogelijke voordelen van de antiracisme-wet, enkele pragmatische nadelen ervan op een rijtje zetten, waarbij ik wel eens herhaal wat ik vroeger al geschreven heb. Antiracistische wetgeving …

  1. Gebruikt te rekbare criteria en legt te veel nadruk op subjectieve beoordeling van intenties
  2. Is politiek eenzijdig omdat het andere haatuitingen niét strafbaar stelt
  3. Creëert een eerste hellend vlak omdat racisme te ruim kan worden begrepen
  4. Creëert een tweede hellend vlak omdat de achterliggende mentaliteit van zo’n wetgeving ook andere vrijheidsbeperkende wetgeving kan rechtvaardigen – cf. het Samidoun-wetsontwerp
  5. Verplicht racisten tot grotere subtiliteit, wat hen in zekere zin gevaarlijker maakt**
  6. Nodigt antiracisten uit tot gemakkelijke gezagsargumenten: waarom nadenken en argumenteren als men de wet achter zich heeft?
  7. Schenkt racisten een aureool van martelaarschap
  8. Is ondemocratisch als ze een brede stroming binnen de publieke opinie betreft
  9. Is overbodig als ze een extreem kleine minderheid viseert
  10. Kan het migratie-debat beperken en scheeftrekken.

          Over dat tiende nadeel, kreeg ik een verhelderende reactie van Jurgen Ceder. 

Hoe kun je met deze wet veilig kritiek uiten op immigratie en haar negatieve gevolgen, zoals bijvoorbeeld op gebied van criminaliteit? Zoiets zet zeker aan tot negatieve gevoelens over migratie en over het beleid dat daarrond wordt gevoerd, eventueel ook tegenover de verantwoordelijke beleidsmensen. Dat allemaal behoort tot echter tot de essentie van politiek. Hoe kan je echter systematisch kritiek uiten op migratie en het beleid daarrond, zonder dat een rechter zal oordelen dat dit ook aanzet tot haatgevoelens tegenover vreemdelingen? 

    Men kan nog verder gaan. Men moet niet eens te keer gaan over de negatieve gevolgen van migratie en over criminaliteit. Alleen al de idee propageren of toepassen dat immigratie beperkt moet worden, kan haatgevoelens oproepen of versterken. Want als migranten ongewenst zijn, dan moet er met die mensen toch iets mis mee zijn, en waarom kunnen we ze dan niet in een moeite door gaan haten?

     Goed, laten we niet overdrijven. Er zal vandaag geen rechter te vinden zijn die verblind genoeg is om Anneleen Van Bossuyt op grond van die redenering te veroordelen, maar de formulering van de wet is eigenlijk rekbaar genoeg om zo’n veroordeling te rechtvaardigen. Van Bossuyt zou zich geloofwaardig kunnen verdedigen dat haat tegen migranten niet het doel van haar beleid en van haar communicatie is, maar ze zou moeten toegeven dat ze wéét dat dat een van de gevolgen kan zijn. Als je wéét dat een slag dodelijke gevolgen kan hebben, heb je dan ook niet de intentie om te doden?

      Het moge duidelijk zijn dat die pragmatische redenen niet allemaal even zwaar wegen. Het martelaarschap-argument maakt op mij niet veel indruk, hellend-vlakargumenten zijn altijd betwistbaar, en het migratiedebat-argument mogen we, zoals gezegd, niet overdrijven. Maar alles samen vormen de pragmatische nadelen een mooi pakket tegen de mogelijke voordelen van de wet. 


* Het wetsontwerp wil organisaties ook kunnen verbieden op grond van het onbewezen vermoeden van organisatorische banden met terroristische organisaties. Die restrictie valt volgens mij buiten de kwestie van vrije meningsuiting, maar is eveneens strijdig met de liberale traditie volgens dewelke terroristische organisaties als de IRA en de ETA verboden waren, maar sympathiserende organisaties als Sinn Fein en Herri Batasuna niét verboden waren.

** Hier zou je echter tegenin kunnen brengen dat racisme het gevaarlijkst is als het tegelijk op het subtiliteit en grofheid inzet, om zo het breedst mogelijke publiek te bereiken. 

zaterdag 30 mei 2026

Eric Röhmer en het marxisme

     Mijn zoon kreeg geschiedenis van een lerares van mijn generatie. Hij leerde onder andere dat Marx de grondlegger was van het ‘wetenschappelijke socialisme’. Ze had het een paar keer herhaald: het socialisme van Marx was wetenschappelijk. Wie vijf minuten nadacht over de definitie van ‘wetenschap’ had kunnen weten dat dat onzin was. En wie het marxisme een beetje kende en onafhankelijk nadacht kon zien dat het ‘dialectisch materialisme’ van Friedrich Engels een primitieve metafysica was, en het ‘historisch materialisme’ van Karl Marx in het beste geval een invalshoek van waaruit je naar de geschiedenis kon kijken, niets meer. 
     Maar in de vroege jaren zeventig was onafhankelijk nadenken over die kwestie niet in de mode. Veel jonge intellectuelen hadden een poster ophangen met een tekst van Mao Zedong Tegen de stroom ingaan is een marxistisch principe, maar zelf lieten ze zich liever met de stroom meevoeren. Je kon in die tijd in een beschaafd gezelschap kiezen tussen drie mogelijkheden: je kon zwijgen over het marxisme, je kon jezelf er een aanhanger van verklaren, of je kon – gevaarlijk – er kritiek op hebben. Maar je kon niet zeggen dat het marxisme geen wetenschap was. Dan was je niet alleen een rechtse hond, je was ook dom.
     Je had in die tijd het invloedrijke tijdschrift Cahiers du cinéma. Er wordt een fraai beeld geschetst van de sfeer op de redactie in de film Nouvelle vague. Toen Eric Röhmer zijn film Ma nuit chez Maud had uitgebracht werd hij, die zelf hoofdredacteur van het blad was geweest, geïnterviewd. Geraard Goossens plaatste onlangs een fragment uit dat interview op zijn FB-pagina. Röhmer werd in het interview bekritiseerd omdat hij een marxist ten tonele had gebracht die aarzelde en speculeerde, in plaats van wetenschappelijke analyses te maken. 

 

In een scène uit Ma nuit chez Maud speculeert Vitez over de kansen op de overwinning van het socialisme. Als communist hoort Vitez zich echter te baseren op een wetenschap, het historisch materialisme, dat de komst van het socialisme beschouwt zonder enige weddenschap of speculatie.

Pas op. Het marxisme wedt niet, maar men kan wel op het marxisme wedden. Voor zover het historisch materialisme geen wetenschap is …

Het historisch materialisme is een wetenschap.

Nee. Het is een filosofie. U moet mij niet komen vertellen dat het marxisme een wetenschap is. Dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken, zal niemand ontkennen. Maar het dialectisch materialisme …

Wij zeiden ‘historisch’.

Goed dan, het historisch materialisme — men kan juist de grondslagen ervan ontkennen. Ik bijvoorbeeld ken het geen enkele waarde toe, behalve die van een filosofisch systeem, naast andere. Maar het is geen wetenschap.

 

          De arrogantie waarmee de interviewer tot twee keer toe Röhmer onderbreekt om hem de les te spellen zal ook de jonge lezer opvallen. Maar je moet jaren zeventig gekend hebben om de twee soorten naïviteit te herkennen. De dogmatische naïviteit van de meeloper en de complexloze naïviteit van het kind dat luidop en als enige vaststelt dat de keizer geen kleren aan heeft. Röhmer was misschien geen marxist, maar hij aarzelde geen moment om ‘tegen de stroom in te gaan’,  ook al was die stroom breed genoeg om iedereen te omvatten die ertoe deed: de traditionele communist, de verstokte compagnon de route, de ruige maoïst en de modieuze, pijprokende, jazz-minnende intellectueel in rolkraagtrui. 

     Ik kan mij ongeveer voorstellen welke slechte indruk dat interview op mij zou hebben gemaakt als ik het in 1970 had gelezen, ongeveer het moment dat Ma nuit chez Maud gedraaid werd op het filmforum van mijn college. Iemand die langs zijn neus weg vertelt dat hij aan het marxisme geen enkele waarde toekent’!  

donderdag 28 mei 2026

Het vrije woord van DVL

 


1.
Ik zal hier niet ingaan op het precieze vonnis dat de rechtbank tegen Dries Van Langenhove heeft uitgesproken. Ik geloof zonder meer dat DVL in die Leuvens aula meer gedaan heeft dan op een neutrale manier criminaliteitscijfers van migranten citeren. Als de rechter zegt dat DVL’s denigrerende uitspraken als doel hebben om haatgevoelens op te wekken, kan hij best gelijk hebben*. 

2.
 Het is een clubje van usual suspects dat de veroordeling van DVL toejuicht, en het is een even voorspelbaar clubje dat de veroordeling, hoe zal ik het zeggen, veroordeelt. Ik behoor tot dat tweede clubje
.

3.
Tussen die clubjes bestaat er enige animositeit. De club die censuur tegen DVL toejuicht, richt twee verwijten aan de andere club. Het ene verwijt is dat men een racist verdedigt omdat men zelf een racist is. Ha, Maarten Boudry verdedigt DVL? Dan is ‘de cirkel rond.’ Het andere verwijt is dat de voorstanders van het absolute vrije woord de ‘objectieve bondgenoten van de racisten zijn.’ Frank D’hanis poetst dat oude cliché op door een slimme formulering te gebruiken. Die vrije-meninguiters trappen volgens hem ‘in het valletje van de fascist.’

4.
Dat Bart Eeckhout van De Morgen zich tegen de ‘haatwetgeving’ keert is niet onverwacht. Maar eerlijk gezegd: het doet deugd. Anders bestaat ons clubje uit halve en hele geloofsgenoten van Van Langenhove, woke-haters, onverbeterlijke libertariërs en dwangmatige heterodoxen. Het is fijn dat er zich ook een gerespecteerd man in ons gezelschap bevindt. Ik voel mij als een communist van de jaren 60 die met genoegen vaststelt dat zelfs de Belgische koningin of de deken van Canterbury het rode paradijs genegen zijn. Of als een anarchist van begin 20ste euw die vorst Kropotkin als een medestrijder mag beschouwen.

5.
Het is tegennatuurlijk om het vrije woord te verdedigen van politieke tegenstanders. Laat ik daarom als rechtse liberaal het goede voorbeeld geven. Ik ben voor de vrije publicate van communistische propaganda, van fascistisch gestook, van syndicale agitatie, van antisemitische columns, van anti-Navo stemmingmakerij, van islamistische preken, en van FB-stukjes van Frank D’hanis.

6.
Het is niet alleen emotioneel, maar ook intellectueel moeilijk het vrije woord van tegenstanders te verdedigen. Een van de redenen die J.S. Mill aanhaalt in zijn vrijheidspleidooi is dat je tegenstander geheel of gedeeltelijk gelijk kán hebben. Kan ik mij voorstellen dat Van Langenhove geheel of gedeeltelijk gelijk heeft? Nou ja, radicaal-rechts** heeft indertijd ongeveer als enige en eerste gewezen op de problemen van multiculturaliteit en de noodzaak om migratie af te remmen. Sommige van die radicaal-rechtse ideeën zijn nu, terecht vind ik, mainstream geworden.

7.
De argumenten voor het vrije woord zijn al lang gekend. Censuur is contraproductief, verreist een subjectieve beoordeling***, verwart ethiek en politiek, nodigt uit tot conformisme en intellectuele luiheid, en dreigt waardevolle meningen samen met verwerpelijke te veroordelen.

8.
Bij het vrije woord kan men niet om de kwestie van ‘de grens’ heen. Vrije-meninguiters stellen een harde grens voor als het gaat om concrete oproepen tot geweld of om laster. Dat moet strafbaar blijven. Maar zelfs daar is de grens poreus. Kan men een syndicale betoger vervolgen omdat hij middels een spandoek voorstelt op Bart De Wever op te hangen? Is dat een oproep tot geweld? Mocht De Wever de syndicalist willen vervolgen, dan zal een rechter over deze kwestie moeten oordelen, en als hij enige wijsheid heeft, zal hij de klacht verwerpen. De kans dat De Wever echt wordt opgehangen als gevolg van die spandoek is té klein.

9.
Maar de grens van de vrije-meningbeperkers is véél poreuzer. Hun grens begint bij hate speech. ‘Haat is geen mening,’ zeggen ze dan. Dat is natuurlijk waar. Haat is een gevoel. Maar wat ze bedoelen is dit: een mening kan voorkomen uit haatgevoelens, of het uiten van een mening kan haatgevoelens oproepen of versterken. Et alors? De emotionele oorzaak of gevolgen mogen geen reden zijn om die mening niet als mening te behandelen: dat wil zeggen: bijtreden, weerleggen, wegwuiven of links laten liggen.  Maar uit welke gevoelens een bepaalde mening voortspruit is een zaak voor zielkundigen, en tot welke resultaten een mening leidt is iets voor maatschappelijke vorsers. Ik zou de rechters er buiten laten.

10.
Woorden hebben hun gevolgen, hoor je. Dat is waar. Het is de harde, ik zou haast zeggen, ‘ontmenselijkende’ kritiek op Pim Fortuyn die tot de moord op hem hebben geleid. Maar ik vind dat geen reden om harde, desnoods ontmenselijkende kritiek op figuren als Fortuyn te verbieden. Als men morgen Bart De Wever vermoordt, ken ik een heleboel mensen die ik daarvoor moreel verantwoordelijk zal achten. En toch vind ik het een goede zaak dat die harde De Wever-kritiek in alle vrijheid kan bloeien. 

11.
Stel dat de lezer en ik het eens zijn over de vraag of DVL’s meningen voortspruiten uit haat, of tot haat aanzetten. Maar dan stelt zich het probleem van het hellend vlak. Stoppen we bij DVL? Neem een ander geval. Maarten Boudry geeft commentaar bij het vrt-onderzoek naar o.a. intolerantie in Vlaanderen. Een tegenstander is het niet eens met Boudry’s conclusie dat de tolerantie bij mensen afkomstig uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten het laagst ligt. Hij bekritiseert Boudry’s verkeerde opvatting van statistische representativiteit en concludeert: ‘Dat maakt dat deze uitspraak in feite gewoon een platte 
hate crime is.’ En de Boudry-tegenstander gaat nog verder: onderzoek om wél representatieve cijfers over de kwestie te verzamelen en te publiceren is op zich ook al een hate crime****. Dus eerst Dries Van Langenhove, dan Maarten Boudry, en dan onderzoekers als Ruud Koopmans? Waar houdt het op?

12.
Bovenstaande Boudry-kritiek doet terloops een andere vraag rijzen: is die kritiek een geval van laster: een onderzoeker verwijten dat hij een hate crime begaat? Ikzelf vind dat geen laster, maar dat komt omdat ik het hele concept van hate crime belachelijk vind. Mocht men Boudry beschuldigen van seksueel kindermisbruik, dat zou voor mij wél laster zijn. 

13.
Ach, haat. Ik heb er zelf niet veel last van, en ik begrijp het niet goed bij anderen. De Boudry-haat bij een deel van de linkerzijde verbijstert mij.

14.
Privé-domein heeft een selectie brieven van Flaubert uitgebracht onder de titel Haat is een deugd. Ik heb die brieven meerdere keren gelezen, in een tijd dat ik niet veel las. Maar mijn eigen vermogen tot haat is zeer beperkt, zeker als het om echte mensen gaat. Maar ook als het gaat om abstracte groepen, ligt het niet in mijn aard om veel te haten. Ik heb niets, of weinig, tegen allochtonen, autochtonen, joden, moslims, Hollanders, katholieken, atheïsten, toeristen, reclame-makers, middenstanders, ambtenaren, schoolmeesters, managers, grootverdieners, uitkeringsgerechtigden, journalisten, columnisten, bakfietsrijders, BMW-automobilisten of elektrische-stepgebruikers. Als iemand echter een van de groepen wil beledigen, hoop ik dat hij dat met een zekere mildheid doet, en als dat niet kan, met enig zelfrelativerend cynisme.

15.
Ik had een kleine discussie op FB over de grenzen van toelaatbare en ontoelaatbare vrije meningsuiting. Mijn opponent schreef:

 De vrijheid van meningsuiting stopt waar ze doelbewust wordt ingezet om groepen mensen te ontmenselijken of als inherent crimineel af te schilderen … Het gaat … om systematische generalisaties die individuen reduceren tot een bedreiging op basis van afkomst. Vrijheid van meningsuiting is geen vrijgeleide om bevolkingsgroepen als oorzaak van “alle problemen” te bestempelen. Dat is geen analyse, dat is agitatie … Het gaat niet om stevige kritiek op individuen, maar om systematische framing van hele bevolkingsgroepen als inherent gevaarlijk of minderwaardig. Dat is geen debat, dat is het normaliseren van vijanddenken.

     Hier worden veel kwalijke kenmerken opgesomd die men in een polemiek kan aantreffen: framing, vijanddenken, geen analyse maar agitatie, ontmenselijking, reduceren van individuen, doelbewust en systematisch generaliseren, iets of iemand als oorzaak van álle problemen voorstellen, iemand inherente kenmerken toeschrijven. Iemand die dat allemaal tegelijk doet, is geen hoogstaande polemist. Hij is een stoker. Maar is hier iets bij dat verboden moet worden?
      Waarom zou iemand geen agit-prop stuk mogen schrijven waarin met de nodige generalisering de hele N-VA geframed  wordt als een vijand en een bedreiging, waarin alle N-VA-leden gereduceerd worden tot bijna-fascisten, en waarin die partij doelbewust en systematisch wordt voorgesteld als inherent gevaarlijk en de oorzaak van alle problemen in ons land? En voor de ontmenselijking zorgen twee illustraties, een van Theo Francken met een varkenskop, en een van Bart De Wever met een Hitler-snor.
     Ik geef het toe: mijn vergelijking loopt mank. Ik vermoed dat mijn opponent die kwalijke eigenschappen alleen wettelijk strafbaar wil zien als het gaat om bevolkingsgroepen ‘op basis van afkomst’ en niet op basis van politieke overtuiging. Ook ik vind gestook tegen mensen op basis van afkomst gemener dan gestook tegen mensen vanwege hun gedrag, hun overtuiging, hun godsdienst of hun maatschappelijke positie. Maar ik vind het verschil niet groot genoeg om het ene gestook wettelijk toe te laten en het andere gestook wettelijk te verbieden. 

16.
Een ander argument tegen het onbeperkte vrije woord gaat als volgt. Het recht op vrije meningsuiting moet worden afgewogen tegenover andere mensenrechten. Een nogal heftige polemist op FB verwoordde het zo, als antwoord op een post van Boudry: 

Ja, in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat - schijnbaar! - een soort absolute vorm van vrijheid van meningsuiting beschreven, namelijk artikel 19 … Maar, alleen een regelrechte hansworst stopt dan met lezen én nadenken. Want dan anders kom je sowieso artikel 30 tegen:“Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.”Het is echt wel duidelijk hoe we dit moeten lezen: Ja, er is een verregaand recht op vrijheid van meningsuiting, maar NIET als het andere rechten ondergraaft. En dat omvat bijvoorbeeld het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van uw persoon (art 3), bescherming tegen een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (art 5), gelijke bescherming onder de wet (art 7), bescherming tegen willekeurige arrestatie, detentie of verbanning (art 9), recht op asiel (art 14), recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art 18) en ga zo maar door. Ondergraven van al die rechten doe je bijvoorbeeld door op te roepen tot haat en discriminatie.

     Maar artikel 30 is geen specifieke beperking op artikel 19, maar op alle bepalingen die voorafgaan. Slechts in enkele gevallen, zie ik in hoe een bepaling in strijd kan zijn met andere rechten. Als bijvoorbeeld artikel 18 iedereen de vrijheid toekent om zijn godsdienst te belijden door ‘inachtneming van de geboden en voorschriften’ dan houdt dat niét in dat ook religieuze mensenoffers of clitoridectomie toegelaten moeten zijn. Dat zou immers strijdig zijn met artikel 3: recht op leven en recht op fysieke integriteit.
     Ook andere rechten kunnen met elkaar in tegenspraak komen, al is dat
 altijd in twee richtingen. Het is best mogelijk dat het recht op eigendom (art. 17) in strijd is met bepaalde sociale rechten (art. 23-25). Dan geldt het omgekeerde ook: dat die sociale rechten in strijd zijn met het recht op eigendom.
     Maar met de vrije meningsuiting zie ik de tegenstrijdigheid niet. Dat een spreekbeurt van Dries Van Langenhove het leven en de vrijheid van allochtonen bedreigt, of rechtstreeks leidt tot wrede bestraffing, willekeurige opsluiting, rechtsongelijkheid en godsdienstvervolging, dat lijkt mij vergezocht. En dat het ónrechtstreeks kan leiden tot allerlei misdaden tegen de menselijkheid, dat kan best zijn, maar tja, onrechtstreeks … 

17.
Een leuke reactie vond ik deze: ‘Ik voel geen empathie met DVL, want die heeft zelf geen empathie voor hele bevolkingsgroepen.’ Dat is een correcte toepassing van het beginsel van wederkerigheid. Maar bij vrije meningsuiting kun je dat niet toepassen zonder in een paradox te verzeilen. Het is niet omdat we vermoeden dat DVL zich niets aantrekt van de vrije meningsuiting van zijn linkse en andere tegenstanders, dat zijn linkse en andere tegenstanders zich niets moeten aantrekken van zijn recht op vrije meningsuiting. Beperkingen op het vrije woord van radicaal-rechts (of de mentaliteit erachter), kunnen later altijd gebruikt worden tegen radicaal-links. Enzoverder.

 

* Koen Lemmens legt op x.com uit waarom het vonnis, ondanks gebrekkige formulering, conform is met de huidige wetgeving. Zijn conclusie: Het debat zal dan toch eerder moeten gaan over de wetgeving als zodanig, eerder dan over de toepassing van de wet in dit bijzonder geval.

** Ik heb lang geleden in enkele stukjes uitgelegd waarom ik in DVL een cryptofascist vermoed, die zich als een radicaal-rechtse nationalist voordoet. Zie hier.

*** Het beoordelen van intenties hangt bijna altijd af van subjectieve interpretatie. Men kan intenties niet vermijden in de rechtspraak: denk aan het onderscheid tussen doodslag en moord. Maar het bestaan van een misdaad volledig laten afhangen van het al dan niet aanwezig zijn van een intentie, lijkt mij verregaand. Bovendien, als het om een politieke materie gaat maakt ons tribalisme het moeilijk om intenties fair te beoordelen.

**** Gelukkig zijn er, geloof ik, niet veel rechters die dié redenering zouden volgen.

woensdag 27 mei 2026

Verzamelde kortjes

 Kinderrijmpjes
     Wat ik in De Standaard der Letteren nooit oversla is de laatste bladzijde, waarin auteurs geïnterviewd worden over hun lievelingsboeken. Soms is daar een boektitel bij die ik herken en dan ben ik trots. In het interview met Sarah Hall (DSL 25/4) herkende ik iets anders. ‘Vaak hoor ik in mijn hoofd,’ zegt ze, ‘hoe mijn moeder rijmpjes zong: Oranges and lemons, say the bells of St Clements.’ Ik ken het rijmpje uit 1984 van Orwell. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ik dat rijmpje stilletjes voor mij uit gepreveld heb, terwijl ik bijvoorbeeld aan het winkelen ben. En ook dat andere rijmpje: Apples and pears, say the bells of St Clares.



De centrum partijen

     Harold Polis bespreekt drie boeken die duiding geven bij crisis die de centrumpartijen nu doormaken (DSL 25/4). Die boeken zijn geschreven door  Pepijn Corduwener, door Catherine De Vries en door Adrian Wooldridge. Zouden die auteurs een oplossing hebben voor die crisis? Ik lees: meer verzorgingsstaat, meer aandacht voor het platteland, minder obsessieve efficiëntie, minder globalisme, de burgers beschermen tegen de markt, publieke voorzieningen herstellen, integratie afdwingen, de openbare orde heroveren, big tech temmen, minder fixatie op materiële welvaart. Ik noteer de namen van de auteurs, maar ik denk bij mijzelf: dat zullen weer van die knappe analyses zijn waarbij vooral het laatste hoofdstuk tegenvalt: daar waar de oplossingen worden voorgesteld.




Zwartkijken van Franquin

     Het prachtige album Zwartkijken (Les idées noires)  van Franquin is opnieuw uitgegeven, met een uitgebreide inleiding. In zijn recensie (DSL 25/4) geeft Simon Demeulemeester commentaar bij een grap over mitrailleurs, straaljagers en raketten die veranderen in stront, stront waar de generaals in verdrinken. Ik schrijf wel generaals maar ik ben eigenlijk niet zeker van hun graad. Ik hoop in elk geval dat die onsmakelijke verdrinkingsdood zich slechts vanaf het niveau van generaal voordoet, en dat bijvoorbeeld de kolonels gespaard blijven.  Mijn vroegere buurman was kolonel.
     Maar daar gaat het niet om. Het gaat hierom. De recensent schrijft: ‘Oorlogshitsers in de stront laten zakken, is precies wat een heer van stand hoort te doen.’ Ik kan bij het lezen van die zin niet anders dan even aan Theo Francken denken die door ‘heren van stand’ vaak een oorlogshitser wordt genoemd. Als ik nu een 
heer van stand was, liet ik Theo dus door de stront zakken.

    En Poetin dan? Maar dát is geen oorlogshitser, dat is een oorlogsvoerder.



Stad en platteland in de VS

     Hoe komt het dat de stedelijke bevolking in de VS grotendeels stemt voor de Democraten en de plattelandsbevolking grotendeels voor de Republikeinen. Ester Meerman (DS 22/4) heeft een sociologische verklaring gevonden: 

  

Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn. 

       Hork, dat begrijp ik, maar arrogant? Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland? Als ikzelf in een grote stad kom – Antwerpen, Brussel, Kortrijk – heb ik altijd de indruk dat iedereen op mij neerkijkt. Vooral het zelfvertrouwen van de tieners intimideert mij. Als mijn vrouw mee is ben ik van niemand bang, maar als ik alleen tussen die mensen loop, voel ik mij niet op mijn gemak. 



Reynebeau over klimaat en migratie

     In zijn wekelijkse column – kan De Standaard die niet op twééwekelijks brengen – pleit Reynebeau, volgens de titel en de inleiding, voor meer nuance in het debat over migratie en klimaat.


 Is klimaat rechts, en klimaat links? … Iedereen heeft er belang bij en spreekrecht in. Elke kant heeft baat bij nuance en de tegenspraak die de andere kant brengt.

        Ik heb het stuk snel gelezen en begrepen dat zowel rechts als links in eigen boezem moet kijken. Rechts moet in zijn standpunt over milieu meer nuance brengen en links moet in het debat over migratie voor meer tegenspraak zorgen. 


De vernielde woningen in Gaza
       In de Gaza-oorlog zijn ongeveer 70.000 Palestijnen omgekomen door Israëlische bommen en kogels. Door in de statistieken het aantal jonge mannen af te zetten tegen vrouwen, jonge kinderen en bejaarden, kan men gaan extrapoleren. Wellicht waren 1/3 van de slachtoffers militairen van Hamas en 2/3 burgerslachtoffers. Met andere woorden 2 procent van de burgerbevolking is omgekomen in een oorlog die bijna 2 jaar heeft geduurd.
    Eigenlijk heb ikzelf intuïtief een véél, véél groter aantal slachtoffers in mijn achterhoofd. Dat komt door de beelden van de vernietigde huizen die ik zo vaak op het Nieuws gezien heb. 65 procent van de woningen is totaal vernield. Mijn intuïtie past diezelfde verhouding haast automatisch toe op het aantal doden. Wie kan in godsnaam zo’n vernieling overleefd hebben?
     Maar dan lees ik in de dagelijkse FB-post van Paul Cordy over het bombardement van Rotterdam op 15 mei 1940: de binnenstad werd verwoest, er waren meer dan 700 doden en 80.000 mensen waren dakloos. Ik denk dan: máár 700 doden? 


De vulva en de anus
   Veertien artsen, gezondheidsexperts en onderwijsprofessionals willen dat het schoolse curriculum, van de kleuterklas tot het secundair, meer aandacht besteed aan het vrouwelijk lichaam. Anneleen Boderé, leerondersteuner in het basisonderwijs en taalkundige formuleert het zo: 

Meisjes kennen informele woorden voor het vrouwelijk geslachtsdeel, zoals muis, poepje of voorpoep, maar die kunnen tot verwarring leiden. Want waar voelen ze pijn als ze zeggen dat ze pijn hebben aan hun poep? De enige juiste term voor de uitwendige geslachtsorganen is vulva. 

`    Zo’n uitleg kregen we ook in het vijfde leerjaar. ‘Sommige mensen,’ zei meester Dutoit, ‘durven bij de dokter niet goed zeggen dat ze pijn hebben aan hun achterwerk. Ze willen geen vulgaire woorden gebruiken, en zeggen dan dat ze pijn hebben aan hun ‘rug’. Het enige juiste woord is anus.
     Ik heb geloof ik in mijn hele leven nog nooit het woord anus gebruikt, behalve in het Schopenhauer-citaat: Obit anus, abit onus. 


Mooie krantenkoppen
    Het was een mooie oogst deze week, zeker voor iemand die snel tevreden is, zoals ik. 

  • Bijna 1 Vlaming op de 20 sterft na euthanasie.
  • Borrelnootjes zitten in de hoek waar de klappen vallen, maar blijven overeind
  • Theatermaker Jozefien Mombaerts worstelt met de vraag: hoe voed je een jongen van zeven op?

Bij die eerste koppen grinnikt de eindredacteur in mij. Bij de laatste kop wordt de hoofdredacteur wakker. Hier kunnen we een jaarlijks terugkerende interviewreeks van maken.  ‘Hoe voed je een jongen van acht op?’ Hoe voed je een jongen van negen op?’ Naar mijn smaak kun je doorgaan tot: ‘Hoe voed je een jongen van achttien op?’ Daarna moeten we weer wat anders verzinnen.



Lize Spit over plot in literatuur

     Mocht ik vandaag nog Nederlandse les geven in het vierde middelbaar, dan zou ik zeker het essay van Lize Spit over ‘plot in de literatuur’ gebruiken (DSL 2/5).  Spit begint met een mop (en een waarschuwing dat de lezer de mop niet grappig zal vinden): 


Een man graaft een gat in zijn tuin. Zijn buurvrouw vraagt : ‘Waarom graaft u een gat in uw tuin, buurman.’ De buurman antwoordt: ‘Om mijn vis in te begraven.’ ‘Uw vis? Waarom zo’n groot gat dan?’ Waarop de buurman zegt: ‘Mijn vis is opgegeten door uw kat.’

     Het leuke is nu dat Spit enkele alinea’s verder met dat verhaal precies hetzelfde doet als wat ik mijn leerlingen als oefening opgaf: ‘Vat het verhaal samen als story in plaats van als plot.’  Zo’n samenvatting moest dan ongeveer beginnen zoals Spit begint: ‘Een man graaft een gat in zijn tuin om de kat van de buurvrouw te begraven die zijn vis heeft opgegeten.’ De slotzin van Spit past volledig binnen de stilistiek die ik mijn leerlingen probeerde bij te brengen. ‘Waarop de buurman de waarheid zegt.’
     Het verhaal dat ik als eerste oefening gebruikte was iets langer, een bladzijde lang, en ging over een rechter die ontvoerd was door gangsters en over de politie die in verband daarmee een chantage-brief ontving. Het verhaal werd door de auteur natuurlijk in een andere volgorde verteld. De leerlingen moesten de feitelijke volgorde herstellen, de lacunes opvullen, de verbanden expliciet maken en de gebeurtenissen abstracter formuleren. Om ze op weg te helpen bij hun opdracht, dicteerde ik de eerste zin. ‘Een rechter wordt ontvoerd door gangsters.’ 



Kippenvelmoment
     Josse de Pauw besluit zijn stuk in DSL van 2 mei met een korte alinea: ‘Ik las over iemand die goed aliens kan nadoen en vraag me nu al de hele dag af: hoe doe je dat?’ Ik had dat ook gelezen, over die aliens, en me dezelfde vraag gesteld, maar niet de hele dag.
     Verder gaat het stuk alle richtingen uit. Het gaat over de opvoering van Sancta, over Melania Trump, over Anneleen Bossuyt, over het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, over onze kredietwaardigheid en over het woord ‘snoeshaan’. Maar ik word vooral getroffen door volgende alinea: 

Bij het horen van het woord ‘kippenvelmoment’ word ik een beetje misselijk. Afhankelijk van hoe enthousiast het wordt uitgesproken, kan dat leiden tot braakneigingen, en wanneer de spreker dan ook nog zijn ontblote voorarmen gaat tonen als bewijs, komt het er, ondanks de moeite die ik doe, langs mijn neus uit. 


    Langs zijn neus dan nog! We weten allemaal dat dat erg pijnlijk is. De Pauw stoort er zich aan dat die mensen door naar dat kippenvel te verwijzen over zichzelf praten, over hun gevoeligheid, over hun ontroerbaarheid. Maar is dat nu zo erg? Praat De Pauw nooit over zichzelf? Ik herinner mij nog levendig dat een vriend ooit over een kippenvelmoment sprak en daarbij een voorarm ontblootte om te laten zien dat de haartjes alweer, toen hij er nog maar aan dacht, opnieuw rechtkwamen. Ik vond dat een naïef gebaar, maar toch ook ontroerend. Ik ben dan ook erg ontroerbaar. 




Maar één keer zien

     Naar aanleiding van de film Die My  Love, sprak recensente Fien Meynendonckx (DS 28/4) van ‘onvergetelijke films die je maar één keer wil zien.’ Dat is een treffende omschrijving van een niet onbelangrijke categorie van films. Mijn zoon noemt dat films waarvan hij blij is dat hij ze gezien heeft.’

 

Slordig taalgebruik

     In zijn Amerika-boek weegt Tocqueville de voor- en nadelen af van democratische en aristocratische naties. Een nadeel van de democratische landen is dat er slordig taalgebruik heerst. Er is geen elite die de ‘bon usage’ dicteert, iedereen doet maar wat, en de meerderheid, dan wel de luidruchtige minderheid, bepaalt welke woorden er gebruikt worden, en wat ze betekenen. Dat is democratie.

     En volgens Tocqueville leidt die democratie in de taal dan tot vaag, slordig, abstract, sensationeel en modieus taalgebruik. Hij geeft voorbeelden van zijn eigen taalgebruik dat eveneens onder democratische invloed abstract geworden is. Hij spreekt bijvoorbeeld vaak over ‘gelijkheid’ alsof dat een persoon was die bepaalde zaken verhindert of bevordert. In beter tijden sprak men alleen van gelijkheid tussen concrete mensen met betrekking tot concrete zaken. ‘Les hommes du siècle de Louis XIV,’ schrijft Tocqueville,  ‘n’eussent point parlé de cette sorte.’ Terloops zij opgemerkt dat zijn eeuwgenoot Flaubert dan weer geen ‘double génitif’ zou gebruikt hebben als ‘… du siècle de Louis …’. 

    Het ergste vindt Tocqueville dat woorden hun precieze betekenis verliezen.


Ik zou liever hebben dat men de taal liet overwoekeren met Chinese, Tartaarse of Huroonse woorden, dan dat men de betekenis van de Franse woorden onzeker zou maken. 

     Vandaag komt het gevaar van overwoekering niet van het Chinees, het Tartaars of het Huroons maar van het Engels. Op zijn FB-pagina plaatste Geraard Goossens onlangs een transcriptie die veel aandacht kreeg. Een Vlaamse popzanger had in een interview verteld over zijn muziek, en had daarbij een overvloed aan Engelse woorden gebruikt. Dat hij bij het zingen ‘een bepaalde energy channelt’, dat hij zijn ‘heroes close heeft in spirit’ en dat hij zijn ‘full body in de energy steekt om tot een build-up te komen die kind of screamt’. Zijn gedachten noemt hij zijn ‘mind’, intiem noemt hij ‘intimate’ en een reden noemt hij een ‘reason’.
      Nu moeten we hier verschillende zaken onderscheiden. Het is op zich al moeilijk om over kunst te praten. Je hebt schrijvers die prachtig schrijven maar wauwelen als ze over hun werk moeten praten. En dan zwijg ik nog over schilders. Ook hebben sommige mensen nu eenmaal geen aanleg om goed te formuleren in gesproken taal. Koen Meulenaere maakte soms transcripties van wat Jean-Luc Dehaene op de televisie verteld had, en dat was ook wartaal. Maar JLD gebruikte tenminste niet te pas en te onpas Engelse woorden, en hij had niet de gewoonte om zoals onze Vlaamse popzanger de helft van zijn zinnen te eindigen met ‘of zo’.
      When all is said and done, stoor ik mij meer aan dat stopwoord ‘of zo’ dan aan een woordeke Engels. Als hij iets bewondert, zegt de Vlaamse popzanger: nice!. Ik zou dat misschien ook zeggen, of misschien wel génial zoals de Fransen, muy bien zoals de Spanjaarden of ganz toll zoals de Duiters, alhoewel die laatsten hoe langer hoe meer ook nice zeggen. 
    Dat overdadige Engels in de spreektaal is zowel een teken van taalarmoede, luiheid, snobisme en modegevoeligheid. Maar er is weinig boos opzet. Het gebeurt niet bewust. In gesproken taal valt daar niet veel tegen te beginnen. Alleen al het vermijden van stopwoorden vergt een uiterste concentratie. En wat moet je doen als je in het vuur van je betoog de Nederlandse vertaling van channeling energy niet vindt? Zwijgen? Een pauze inlassen?
    Dat ‘of zo’,daarentegen, daar kun je iets aan doen. Ik had leerlingen die er bij een eerste spreekbeurt ook veel of zo’s ertussen gooiden. Als ze hun best deden, was dat bij de volgende spreekbeurten al veel beter.

 

dinsdag 26 mei 2026

Het eerste boek van Tom Wouters


 
   Mijn vader had een vast ritueel. Vóór het ontbijt las hij het dagelijkse mopje van de scheurkalender, en daarna las hij het hardop voor aan mijn moeder. Ik heb iets vergelijkbaars met het dagelijkse verhaaltje van Tom Wouters op FB. Ik lees het ’s morgens helemaal, nog voor ik een eerste hap neem, en als mijn vrouw ook aan tafel zit, gebeurt het dat ik de eerste zin van het verhaaltje te harer attentie hardop voorlees.
      Tom is sterk in eerste zinnen. Waar ik mijn stukjes meestal begin met ‘Laatst zag ik een column voorbijkomen van Marc Reynebeau …’ begint Tom bijvoorbeeld met ‘Als verhalen alleen zouden bestaan uit openingszinnen, dan was de Estse auteur Timo Wötjoō wereldberoemd geweest.’ Tom is trouwens ook goed in slotzinnen. Omdat ik die nooit voorlees aan mijn vrouw heb ik er hier enkele verzameld. 

  • Dat had niemand voorspeld. 
  • Mij vragen ze niets, ze wensen me zelfs geen succes.
  • Ongemoeid, zo had ik weer eens geleerd, moeten we de wereld laten.
  • Sinds dat moment zwemmen er vissen in mijn hoofd. 
  • Dat zou verklaren waarom ik hier alleen op deze berg zit, te wachten tot u weer begint te lezen.
  • De volgende dag ging ik opnieuw dood, tegen de eerder gestelde diagnose in.
  • Alle brieven die ik ooit schreef zijn zoekgeraakt bij de post.
  • Mijn zeven neven waren makkelijk van groot naar klein te sorteren.     
     Ik schrijf dat hier allemaal omdat een klein deel van Tom zijn stukjes nu gebundeld zijn in een mooi vormgegeven boekje met de titel In mijn hoofd zwemmen vissen. Daarmee heb ik mijn belangrijkste bezwaar tegen het boekje benoemd: slechts een klein deel –  60 – van de ongeveer 600 verhalen die Tom al schreef, heeft het selectieproces overleefd. En die ongeveer 540 ándere verhalen zijn ongeveer even goed.
 
     Ik kan alleen hopen dat het boekje van Tom zó’n goede recensies krijgt en zó goed verkoopt dat de uitgever beslist om de andere 540 verhalen ook in bundeltjes te verzamelen – en als dan de tien deeltjes Tom Wouters uitgekomen zijn, is het tijd voor de eerste dundruk-in-één-band van het Voorlopig Verzameld Werk. Dan schenk ik mijn tien deeltjes aan een vriend en hou alleen de dundruk. En die heet niet toevallig Voorlopig Verzameld Werk want tegen dan heeft een maniak als Tom natuurlijk 600 nieuwe verhaaltjes geschreven.
 
     Want Tom ís een maniak. Als hij moest kiezen, zei hij ooit, tussen vrouw en kind aan de ene kant, en schrijven aan de andere kant, dan koos hij voor het schrijven. En dat komt dan van iemand die in publiek niet over zijn zoon kan spreken zonder een merkbare krop in de keel te krijgen.
        Of het boekje van Tom zo goed zal verkopen als het verdient, weet ik niet. Succes in de literatuur is onrechtvaardig. Borges heeft nooit de Nobelprijs gekregen, de graphic novelette Het lot van de horlogemaker van Daniël Op de Beeck vond niet eens een commerciële uitgever, en van Willem Elsschot is wel eens iets in het Engels of het Frans vertaald, maar waar blijven de miljoenenoplages die Elsschot waard is? Daar komt bij dat Wouters heel korte verhalen schrijft, van columnlengte meestal, en dat is voor veel lezers vandaag niet aantrekkelijk. De mode is aan de dikke romans en aan de tiendelige televisiereeksen. Als je eenmaal de settings en de personages van de roman of de reeks kent, kun je je moeiteloos laten meevoeren. Bij een kort verhaal of bij een alleenstaande film moet je telkens weer opnieuw beginnen.
 
     Welk soort verhalenschrijver is Tom? Een schrijver van ráre verhalen in elk geval. Aan mij wordt de typering ‘de Kafka van Grobbendonk’ toegeschreven. Wim Oosterlinck noemde hem ‘een Escher op papier.’ Zelf spiegelt Tom zich aan Borges, Kafka, Perec, Charms en Biesheuvel. Zijn verhalen spelen zich af in een wereld waar veel mogelijk is wat in ónze wereld niet mogelijk is. De verteller kan tussen de struiken een ‘onontdekte beschaving’ aantreffen die hij dan ‘in zijn zak meeneemt’ om ’s avonds, samen met zijn zoontje, te onderzoeken of gezegde beschaving ‘het schrift al heeft uitgevonden.’
 
     Dat macro-micro motief – zoals een hele beschaving die in een binnenzak past – komt overigens wel vaker terug, telkens op een nieuwe inventieve manier uitgewerkt, met nieuwe absurditeiten, nieuwe humoristische vondsten, maar altijd badend in een melancholisch licht. Zelfs als Tom een stukje over leestekens schrijft –  komma’s, punten, dubbele punten, gedachtestrepen – schemert er iets door van de pijn van het zijn en de wanhoop van het bestaan, maar met een lichte toets. Je moet nooit huilen, vaak glimlachen, en nog vaker begrijpend knikken. 
    Tom schrijft over tuinen en griezelige woningen – al zijn woningen zijn griezelig – , over treinperrons en bergen – en het gaat vaker over bergen dan over stranden. Hij schrijft over fabeldieren, oude mensen, familieleden, ontdekkingsreizigers, overleden grootvaders, acrobaten, bureaucraten, polstokfanaten, mannen die Tom Wouters heten, en koningen.
 
     Met die koningen doet hij een beetje aan Godfried Bomans’ Sprookjes denken, maar dan (meestal) zonder het gemoraliseer, en zonder de dialogen. De personages van Tom zijn zwijgzaam, en als ze wel veel praats hebben, wordt dat niet in de directe rede weergegeven. Dat zou van het mysterie afdoen.
     De beknoptheid van Tom is van een speciale soort. Televisiereeksen zijn vaak een langgerekte film, en romans zijn vaak een langgerekt kort verhaal, maar bij Tom is het omgekeerd. Hij beoefent een genre dat Borges ook – soms expliciet – beoefende: korte verhalen die een samenvatting zijn van, of een commentaar bij, een nooit geschreven boek.  Bij Tom heb je de indruk dat álle verhalen een samenvatting zijn, een soort schema of voorbereidende notities voor een novelle of roman die hij uit ongeduld niet uitwerkt omdat hij al een nieuw schema op papier aan het zetten is. Als ik nu Kafka lees, is het alsof hij een schema van Tom heeft uitgewerkt, al dan niet met behulp van AI. Ik vind zulke schema’s mooi op zich, mooier vaak dan de uitwerking, zoals ook een toneelrepetitie mooier kan zijn dan het opgevoerde stuk, of een papieren patroon mooier kan zijn dan het uiteindelijke jurkje.
    Je zou het ook anders kunnen zeggen. De verhalen van Tom bieden een heel speciaal soort escapisme. Ze bieden niet het escapisme van de dikke roman die je meesleept in een wereld die al bij al op de onze gelijkt. Het is in de eerste plaats de auteur zelf die ontsnapt uit de werkelijkheid. ‘Ik schrijf,’ zegt Tom, ‘niet om de werkelijkheid te vatten, maar om de werkelijkheid op afstand te houden. Als het schrijven echt lukt, dan is het alsof de tijd stilstaat.’ Zo’n mystieke ervaring zal de lezer niet meemaken, vrees ik. Maar als hij talent heeft voor bewondering en verwondering, dan zal hij iets anders beleven dat ook de moeite waard is. De auteur Rob van Essen, eveneens een bewonderaar van Toms talent, omschrijft het als ‘opgetogenheid en verrassing’. Dat zijn twee goede woorden.
 
    Hoe moet je de verhalen lezen? Eén per dag, het ritme volgend van de oorspronkelijke FB-publicatie? Of kun je ze ook allemaal na elkaar lezen op het strand? Ik heb de laatste werkwijze gisteren uitgeprobeerd – het was stralend weer en we hebben nieuwe strandstoelen – en voor mij werkt het prima. Je voelt je dan zoals die man uit het Belcampo-verhaal die zijn eigen lichaam opeet, meestal stukje bij beetje, maar die ook wel eens een orgie houdt van zijn hele rechterbeen.
 
      Ik ben ook naar de boekpresentatie geweest en zat in het goedgevulde zaaltje tussen mijn vrouw en een oud-collega. ‘Rare titel eigenlijk,’ zei die laatste. ‘Ik dacht dat de titel Er zwemmen vissen in mijn hoofd was.’ Dat was goed opgemerkt van mijn oud-collega, en met mijn filologische achtergrond en mijn eeuwige drang om iets uit te leggen, begon ik over het existentieel gebruik van ‘er’ te doceren. In het Nederlands heb je die nodig om een nieuw onderwerp te introduceren.‘Er bestaat een wereld, en in die wereld zijn er vissen, en er is ook een Tom Wouters die een hoofd heeft, en in dat hoofd zwemmen dus die  vissen’. Het zit allemaal in het oer-Nederlandse woordje ‘er’. 
     Maar Tom neemt ons met die titel zonder er meteen bij de neus. Het is alsof hij antwoordt op onze vraag: ‘Tom, vertel eens, wat zwemt er in uw hoofd?’ En dan is het antwoord inderdaad: ‘In mijn hoofd zwemmen vissen, beste kerel.’ Het boek is nog niet begonnen, en we zijn door onze niet-gestelde vraag al medeplichtig aan het gebeuren. Een vergelijkbare subversieve techniek zien we trouwens in enkele verhalen waar de gebeurtenissen zich anders ontwikkelen dan de verteller wil, of omgekeerd, waar door een gril van de verteller de gebeurtenissen afwijken van het oorspronkelijke plan. Men denkt aan Pirandello’s zes personages die ruzie maken met de schrijver. 
     De boekpresentatie was overigens heerlijk om mee te maken. Tom begon met een ‘kleine dienstmededeling’: de avond zou iets anders verlopen dan gepland. ‘Ai,’ zei mijn vrouw, ‘An Olaerts die hem moet interviewen is niet opgedaagd.’ Maar het was iets anders. We leerden de ironische kant van Tom kennen, een kant die hij in zijn verhalen subliminaal houdt. Hij spotte vanop het podium met zijn eigen fantasieën van literair succes, alsof zijn verhaaltjes eigenlijk niet zo veel voorstellen. Maar achter die spot schuilt iets anders. Als persoon heeft Tom niet de minste pretentie. Als auteur weet hij best hoe goed zijn verhalen zijn. Hoogstens kan hij maar niet begrijpen dat híj ze heeft kunnen schrijven.  
        De volledige tekst van de dienstmededeling – die een kwartier geduurd heeft – staat op de FB-pagina van Tom. Tom is dus ook een heel behoorlijke stand-up. De dag erna zat ik op café met vrienden en vertelde over de dienstmededeling. ‘Eergisteren,’ zei een van mijn vrienden, ‘ben ik naar een optreden van Hugo Matthysen geweest en die zette ons op dezelfde manier op het verkeerde been.’  Hugo Matthysen, mijmerde ik, die absurde humor, is die ook vergelijkbaar met die van Tom? Ik heb toen nog eens een bundel van Matthysen opengeslagen en, nee, het is iets anders. Tom brengt een uniek geluid, of op zijn minst, een unieke mix van geluiden.

* En toevallig is die oud-collega de reeds vermelde creatieve geest Daniël Op de Beeck. Voor zijn website: zie hier. Mijn stukjes over zijn werk vind je hier en hier.





zaterdag 23 mei 2026

Boudry, Benhaddou en AI-gebruik

 

     Een antwoord van Khalid Benhaddou op Boudry kon niet uitblijven. Zoals te verwachten ontbreken bij hem de scheldwoorden en de persoonlijke aanvallen. De kritiek bestaat echter, zoals zo vaak in polemiek, uit de stropopargumentaties. Zo zou Boudry gezegd hebben dat religie de enige verklaring is van de toenemende tolerantie. Natuurlijk heeft hij dat niét gezegd. Net zoals hij géén conclusies getrokken heeft uit de cijfers die de vrt heeft meegedeeld.
     Verder heeft Benhaddou zijn eigen verklaring voor de aantrekkingskracht van retrograde ideologieën bij de jeugd. 

Mijn analyse is dat we als samenleving het vermogen verloren zijn om hoopvol over de toekomst te spreken. De Franse filosoof Jean-François Lyotard schreef ooit dat de grote maatschappelijke verhalen verdwenen zijn… De utopische horizon is verdwenen … Dan begint het verleden plots aantrekkelijk te lijken.

     Boudry antwoordde met een sneer die ik mij nooit zou veroorloven. 

Hier is een voorstel voor het publieke debat: als je wil dat we je argumenten ernstig nemen, wil je dan minstens de moeite nemen om ze zelf te schrijven? Pangram is de betrouwbaarste AI-detector. Wie de tekst leest, ziet dat ze druipt van holle AI-frasen: zeer korte, op zichzelf staande zinnen – LLM-ritmiek, ik vermoed specifiek GPT – parallelle opsommingen met veel drieslagen en vierslagen – de ‘niet X, maar Y’-constructie.       

     Mijn eerste reactie bij zo’n antwoord is om in paniek mijn eigen tekst van gisteren door Pangram te laten beoordelen. Oef: ‘100 procent of this text is human written.’
      Mijn paniek werd ook hiérdoor veroorzaakt dat ik de vermelde stijlmiddelen 
– invoegen van korte zinnen, parallelle opsommingen, drieslagen, tegenstellingen – ook uitdrukkelijk aan mijn leerlingen aanraadde. Als ik een Chat-GPT-tekst lees, zie ik veel van mijn ‘tips & trucs’ toegepast.
     Nu is het waar dat de teksten van Benhaddou een brave, stereotype, wat saaie degelijkheid uitstralen, met veel vage, goedmenende fraseologie. Maar dat soort teksten werd al geschreven vóór Chat-GPT. Ik zou een humeurig verwijt als dat van Boudry dus nooit gebruiken, en niet alleen omdat ik een hekel heb aan ruzie, maar ook (niet X, maar Y) omdat ik geen zekerheid had.
     Anderzijds moet ik glimlachen met de verontwaardigde kritieken op Boudry dat hij niet inhoudelijk durft antwoorden op Benhaddou. Als je de tekst een tweede keer leest, zie je dat er weinig in staat dat tot antwoorden uitnodigt. Mocht ik zo’n reactie krijgen als die van Benhaddou, dan zou ik niet antwoorden, of hoogstens heel kort. En dat antwoord zou beginnen met ‘Mja, maar …’ 


Post scriptum 1: ondertussen heeft Boudry zelf, bij wijze van experiment, de kritiek van Benhaddou inhoudelijk laten beantwoorden door een chatbot. Het is een degelijk antwoord dat de stijl van Boudry goed nabootst, maar het bevat, voorspelbaar, geen nieuwe elementen. De bewerkte foto hierboven heb ik overgenomen van Boudry zijn X-post.

Post scriptum 2: bij Charles Murray vond ik een goed argument om je argumenten niét door AI te laten uitwerken. Voor de meeste mensen geldt dat de argumenten ontstaan en zich verfijnen tijdens het schrijven. Dat geldt zeker voor mij.