Koopkracht beschermen
Veel politici, waaronder George-Louis Bouchez en Conner Rousseau, willen niets liever dan ‘de koopkracht beschermen’, of zelfs verhogen. Als zelfverklaard aanhanger van het consumentisme kan ik daar alleen blij mee zijn. Maar zeker dat verhogen is zo eenvoudig nog niet. Hoe zou men dat moeten doen?
- Door geld bij te drukken? Dan is dat geld minder waard.
- Door loonsverhogingen door te rekenen aan de klanten? Dan verliest de burger als klant hetgeen hij als werknemer wint.
- Door de belastingen te verlagen? Dan stijgt de individuele koopkracht maar daalt de collectieve koopkracht: meer auto’s en minder treinen.
- Door koopkracht en consumptie te verschuiven van middenklassen naar lagere klassen? Dat wordt al lang en met veel politiek enthousiasme toegepast via de progressieve belastingschalen.
- Door werknemers minder te belasten en door bedrijven en aandeelhouders zwaarder te belasten? Daarmee worden middelen verschoven van de investerende klasse naar de consumerende klasse.
De laatste mogelijkheid is populair bij de vakbonden en bij politiek links. Dat is begrijpelijk. Als we de mogelijkheid van kapitaalvlucht buiten beschouwing laten, kan die oplossing werken – in theorie, en gedurende een zekere tijd. De bedrijven en de aandeelhouders houden dan minder geld over om te investeren in de infrastructuur, maar de oude infrastructuur is nog aanwezig. De werknemers kunnen dus nog enige tijd producten en diensten kopen die met de bestaande infrastructuur tot stand worden gebracht. Maar vroeg of laat is de infrastructuur versleten of verouderd, valt de productie stil, en kan er met de verhoogde lonen niets meer worden gekocht.
Dat proces wordt wel eens ‘kapitaalconsumptie’ genoemd. Alle voorstellen om ondernemingen of multimiljonairs zwaarder te belasten gaan in die richting. Natuurlijk, zulke belastingen zouden ook een verschuiving teweegbrengen van luxeconsumptie naar basisconsumptie, van privé-jets naar auto’s en treinen, maar dié verschuiving is minimaal vergeleken met de terugval in investeringen. Zoveel privé-jets zijn er bij ons niet. Zelfs in de VS gaat het slechts om 15.000 toestellen, die door de 0,01 procent van de rijksten worden gebruikt, mensen zoals Elon Musk die er, geloof ik meerdere van heeft. Die uitgaven van Musk voor zijn privéjets zijn dan op hun beurt minder dan 0,01 procent van wat hij investeert. Ik weet niet meer op welk platform ik laatst een foto zag van Elon Musk zijn keuken. Ik liet de foto zien aan mijn vrouw. ‘Die kan aan mijn keuken in Oostende niet ruiken,’ zei ze. Eén zaak is duidelijk. Musk behoort tot de investerende klasse, mijn vrouw en ik behoren tot de consumerende klasse.
En nu we het toch over investeren hebben, we zouden dat woord eigenlijk alleen mogen gebruiken voor geldbesteding die netto geld opbrengt. Een boer die een tractor koopt investeert. Als hij een televisie koopt, is dat geen investering, het is consumptie. Slechts overdrachtelijk kun je zeggen dat hij met die televisie ‘investeert’ in zijn welzijn. Bij overheidsuitgaven noemt men echter elke uitgave al gauw een ‘investering’. Men spreekt van investering in onderwijs, in volksgezondheid, in defensie, in cultuur, in openbaar vervoer, in kinderopvang, in veiligheid op straat, in een schoon leefmilieu, terwijl dat eigenlijk uitgaven voor welzijn zijn: welzijn dat bestaat uit intellectuele ontplooiing, goede gezondheid, gevoel van veiligheid, enzovoort.
Uiteraard scheppen de uitgaven voor welzijn in meerdere of mindere mate ook een noodzakelijk kader voor economisch rendement. In die betekenis zijn uitgaven voor welzijn ook echt wel – ten dele – een investering. Wie ziek is, kan niet werken. Zonder vervoersmiddelen raakt men niet op het werk. Men heeft berekend dat een extra jaar onderwijs tot 5 procent toevoegt aan het BBP van een land. Maar ik geloof niet dat zulke berekeningen erg nauwkeurig zijn. Kan men het economisch rendement van het onderwijs berekenen per studierichting? En per vak? Is er een wet van afnemende meeropbrengst? Zelf heb ik niet de indruk dat mijn eigen tien universitaire studiejaren veel hebben toegevoegd aan het BBP.
Daar moet allemaal rekening mee worden gehouden als men een begroting in evenwicht wil brengen. Je komt natuurlijk al een heel eind door uitgaven en inkomsten op elkaar af te stemmen. Maar de begroting is slechts een onderdeel van de gehele economie. Die kan in haar essentie worden begrepen als een relatie tussen productie, consumptie en investering. Over die verhoudingen zou er eigenlijk geen al te groot meningsverschil mogen zijn tussen wie liberaal of socialistisch denkt. Maatregelen die investering beknotten, betekenen verarming in de toekomst, welke ideologie men ook aanhangt. Alleen willen de socialistisch denkenden graag een zo groot mogelijk deel van die consumptie en investering in de collectieve – centraal geleide – sfeer brengen. Liberaal denkenden hebben daar ethische en praktische bezwaren tegen.
En natuurlijk kan men van mening verschillen over ‘ongelijkheid’ en ‘herverdeling’, zolang men maar begrijpt dat men niet de ‘winsten’ kan herverdelen, maar alleen datgene wat geproduceerd wordt, d.w.z. datgene wat geconsumeerd wordt. En daar is de ongelijkheid véél minder dan je zou denken. Ik heb dat ooit eens uitgezocht voor de VS. Zie mijn stukje hier.
Frank D’hanis
Ik heb onlangs Frank D’hanis ontmoet in een droom. We waren best vriendelijk voor elkaar, maar het vervelende was: zijn naam wilde mij maar niet te binnen schieten. Dat probeerde ik zo goed mogelijk te verbergen. We praatten ook niet over zijn stukjes die ik maar vluchtig lees. Ze zijn van een miserabilisme dat de vroege Louis-Paul Boon naar de kroon steekt. Werknemers en werkneemsters moeten te vroeg opstaan, moeten te hard werken, worden te weinig betaald, mogen niet ziek zijn, en krijgen hoe langer hoe minder toegang tot werkloosheidsuitkeringen. De rechten van de illegale migranten worden niet gerespecteerd. Het onderwijs is niet afgestemd op kinderen uit de lagere inkomensklassen. Dat zou allemaal kunnen worden opgelost met hogere weddes, ruimere verlofstelsels, werkbaar werk, een loon voor thuisblijvende moeders, open grenzen voor asielzoekers, meer leerkrachten, meer tewerkstelling in de zorg, en meer maatschappelijke werkers. Dat zou allemaal mogelijk zijn als het niet werd tegengehouden door de N-VA, en in het bijzonder door de ministers Anneleen van Bossuyt en Zuhal Demir. Gisteren had die laatste het weer bont gemaakt op tv. In de levendige stijl van D’hanis wordt dat:
‘Ouders moeten met hun kinderen naar de bibliotheek gaan,’ briest een ontketende Demir, ‘sommige mensen zijn te weinig bezig met hun kinderen.’ Ik moet toegeven dat mijn brein op dat punt even uitviel van woede.
Gelukkig kreeg D’hanis geen woede-aanval in mijn droom. We zijn geen van beiden beginnen briesen. Ook van enige ontketening was er geen sprake.
Kleuteronderwijs
Uit onderzoek blijkt dat ons kleuteronderwijs minder bijdraagt aan kennisontwikkeling dan bij onze buurlanden het geval is. Veel heeft te maken met het chaos in de klaslokalen. Maar waar komt die chaos vandaan? De Standaard (6/5) licht een tip van de sluier: ons kleuteronderwijs heeft het ‘voordeel’ dat het ‘bijna alle kleuters bereikt’. Dat is uiteraard ook een ‘nadeel’: niet alleen de gemotiveerde ouders sturen hun kleuters naar de klas.
Een andere verklaring is dat de chaos door de opgelegde pedagogiek in de hand wordt gewerkt. De krant citeert leerkracht Hendrickx die ‘efficiënter werken als enige optie ziet.’
Ik heb het kringgesprek ’s ochtends afgeschaft, omdt kinderen veel te lang moesten wachten, zegt ze. Ik geef mijn lessen nu meestal in één keer voor een grote groep. Vroeger gaf ik die vier, vijf keer en wqas ik veel met differentiatie bezig. Ik heb nu meer speeltijd én de kinderen leren meer.
Leve juf Hendrickx!
Ik had indertijd een collega wier dochter voor kleuterleidster studeerde. Ik herinner mij de horrorverhalen. Zo was het heel verkeerd om een verhaaltje voor te lezen terwijl de kinderen stil zaten te luisteren. Dat moest helemaal anders. De juf moest een reeks cd’s branden met allemaal verschillende verhaaltjes, die ter beschikking van de kinderen werden gesteld. En dan moest het kind zelf maar weten wat het op het wilde doen: rondlopen, knutselen, tekenen, slapen, zich verkleden. Als het een verhaaltje wilde horen, dan moest het op eigen initiatief een cd kiezen, en indien het verhaaltje tegenviel, een andere.



