maandag 6 april 2026

Welbespraakte energie-expert

    Michael Liebreich wordt in De Standaard (21/3) een ‘veteraan in de wereld van de groene technologie genoemd.’ Hij vertelt honderduit over de energietransitie. Ik heb daar geen mening over, en ben al lang blij dat hij niet van de degrowth-strekking is. Wat mij wel opviel was het hoge gehalte aan treffende uitspraken. 

**Activisten en groene partijen hebben de problemen goed herkend. Maar je laat ze best die problemen niet oplossen. In het VK zou je ze niet eens vertrouwen om een feestje voor kleuters te organiseren.

**Ik heb met verbazing gekeken hoe iedereen na de oproep van Greta Thünberg plots begon te spreken over de opwarming beperken tot 1,5 graad. En niemand die zei: ‘Oké Greta, we begrijpen wat je wil, en in grote lijnen heb je gelijk, maar we gaan het toch anders doen.’

**China domineert de markt van de zeldzame aardmetalen. Dat is een totale markt van slechts een paar miljard dollar. Als we 10 miljard euro per jaar hadden vrijgemaakt om die strategische industrie te ondersteunen, zaten we vandaag in een andere situatie.

**Geef hernieuwbare energie er niet de schuld van dat kerncentrales dichtgaan. De schuldigen waren domme mensen, die bang waren voor het verkeerde spook. 

**Hiernieuwbare energie is niet goedkoop. Ze is goedkoop om op te wekken zolang je relatief weinig zonne- en windenergie produceert. Maar wanneer je dat aandeel naar 50 procent brengt, is de flexibiliteit op systeemniveau weg.

**Europa is eerst voor groene elektriciteit gegaan, terwijl dat slechts 30 procent van de totale energievraag is.  

**Om de opwarming tot 2 graden te beperken, zou de koolstofprijs kunnen oplopen tot 225 dollar per ton. Maar om tot 1,5 graad te komen zou dat tot 6.050 dollar per ton zijn. 

**Ik heb geen probleem met kernenergie, maar ik denk dat we onszelf voor de gek houden als we denken dat het woord ‘modulair’ het kostenprobleem zal oplossen.

**De enige manier om de kosten van modulaire kerncentrales omlaag te krijgen is dat je er veel – 50 of 100 – van bouwt. 

**Veel conservatieven vinden het niet prettig dat je om iets te doen tegen de klimaatverandering beleidsinterventies nodig hebt. Ze zijn daar zo fel tegen dat ze dan maar besluiten dat klimaatverandering niet bestaat.

  

Onderwijs: digitalisering, democratisering

Digitale stress bij leerlingen
    
 Als ik het woord ‘scholierenkoepel’ hoor, wordt de boomer in mij wakker, of eerder nog de Waldorf & Statler. Nochtans heb ik wel eens scholierenkoepelachtige leerlingen in de klas gehad en kon ik het prima met hen vinden. Maar dat hun halfwassen meningen ernstig worden genomen in de pers vind ik onverteerbaar.
      Nu heeft de koepel weer een onderzoek laten uitvoeren naar het welbevinden van de leerlingen. ‘De werkdruk is te hoog,’ zegt voorzitster Lieselore Wouters in De Standaard (20/3). Ach wat! Leerlingen vinden altijd dat ze teveel taken en te moeilijke toetsen krijgen. ‘Er is ook racisme van de leerkrachten,’ zegt een meisje van kleur op tv. ‘Als er rumoer in de klas is, kijkt de leerkracht altijd eerst naar ons.’ Kom nou! Als een leraar een opmerking maakt over een leerling voelt die zich altijd speciaal geviseerd.
     Ergerlijk vind ik het als die jongelui hun mening ventileren over iets waar ze met hun beperkte levenservaring niets van afweten. Voorzitster Wouters:

 Zeker voor het middelbaar denk ik dat er minder mensen zullen kiezen voor het beroep. Als ik zelf leerkracht zou zijn, zou ik me ook niet aangetrokken voelen door wat er vandaag beslist wordt. Door studiedagen af te schaffen en het onderwijs steeds complexer te maken, jaagt men mensen weg uit het beroep. En zo wordt het probleem alleen maar groter.

     Wat weet dat kind nu over de voor- en nadelen van de pedagogische studiedagen? Of neem de kwestie van de digitale deconectie. De Standaard schrijft:

De digitalisering van het onderwijs heeft duidelijk impact op het dagelijkse leven van leerlingen. Zo geeft 42 procent aan wekelijks ook buiten de schooluren berichten of opdrachten te ontvangen via digitale kanalen. Tegelijk zegt 38 procent moeite te hebben om na school het hoofd leeg te maken, om echt los te koppelen. Digitaal niet kunnen deconnecteren speelt een belangrijke rol voor het mentaal welzijn van leerlingen. “Het is de verantwoordelijkheid van de scholen om een goed digitaal kader uit te werken, bijvoorbeeld door telkens in twee dagen te voorzien om te antwoorden of ‘s avonds geen taken meer te posten”, zegt Wouters. “Dit is eigenlijk vrij simpel op te lossen met overleg tussen leerlingen en leerkrachten.”

     Dat de leerlingen moeite hebben om na de school hun hoofd leeg te maken, kan ik best geloven. Ik had daar als leerling de allergrootste moeite mee. De beste manier om van de school te deconecteren, is om onmiddellijk als je thuiskomt je taken te maken, je lessen te leren en je toetsen voor te bereiden. Daarna heb je nog een hele avond om te deconnecteren. Ik deed het als leerling omgekeerd: ik stelde alles uit en daardoor werd de mentale druk altijd maar zwaarder.
      En die digitale stress dan, dat is toch iets nieuws? Zeker, en ik weet precies hoe dat gaat. Toen ik nog les gaf, zei ik net voor het belsignaal: ‘Neem je schoolagenda en noteer voor volgende week dinsdag …’ en voor ik de zin had afgemaakt zeiden drie leerlingen tegelijk: ‘Ach meneer, zet het maar op Smartschool.’ Ik deed dat dan heel braaf, want ik begreep hen: als leerling schreef ik ook nooit iets in in mijn agenda.


Democratisering van het onderwijs
      Het vlag 
democratisering van het onderwijs’ kan verschillende ladingen dekken. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer inspraak van de leerlingen moet komen in het schoolbeleid of dat de leraren hun directeur mogen verkiezen. Maar het vaakst bedoelt men dat het onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle klassen van de bevolking. Arbeiderskinderen moeten evengoed hoogwaardig onderwijs kunnen genieten als de kinderen van dokters, notarissen en fabrikanten.
      Toen uit onderzoek in de jaren 60 bleek dat de barrières voor het onderwijs niet alleen van financiële aard waren, rees bij politiek links het idee dat er ook aan de inhoud van het onderwijs moest worden gemorreld. Bijna niemand durfde dat openlijk zo zeggen, maar in de praktijk kwam het erop neer dat het onderwijs gemakkelijker en minder veeleisend moest worden. Woorden als ‘communicatiever’, ‘procesgericht’, ‘minder theoretisch’, ‘geïntegreerd’ moesten die nivellering camoufleren. 
     Die verwarring vanaf de jaren 70 tussen democratisering en nivellering inspireerde de aardige spotternij ‘Free distribution of diploma’s among the deserving poor.’ Vandaag hebben we de FB-stukjes van leraar Frank D’hanis. Mocht ik mij tot spot aangetrokken voelen, dan zou ik ze samenvatten als ‘Minder taken en makkelijker toetsen voor het werkmanskind.’


  

zondag 5 april 2026

Francesca Albanese 'connects the dots' e.a.


Francesca Albanese 
‘connects the dots’    
     Die Francesca Albanese is er mij eentje. Krijgt ze een eredoctoraat van drie universiteiten tegelijk, en dan gaat ze op de plechtige uitreiking ervan die universiteiten nog eens de les lezen: dat het niet voldoende is om vóór de Palestijnen te zijn, maar dat je ook tégen Israël moet zijn, en dat een halve academische boycot niet genoeg is, het moet een volledige academische boycot zijn. Het is onbeschaamd, maar het heeft ook iets verfrissends: niets is erger dan saaie dankwoorden. Alleen jammer dat het verfrissende teniet werd gedaan door vulgaire reacties van sympathisanten in de zaal: applaus voor de sneren van Albanese, boegeroep voor genuanceerde geluiden van de rector.
      Op de radio hoorde ik dat het eredoctoraat van Albanese ‘omstreden’ was. Dat kwam omdat de universiteiten een ‘politieke’ keuze zouden hebben gemaakt. Was dat ook zo? Rector Leirs liet in zijn toespraak verstaan dat de universiteit géén politieke boodschap wou meegeven, maar hij werd daarin prompt tegengesproken door de gedoctoreerde.
     En daarnaast is het natuurlijk de figuur van Albanese zelf die omstreden is. Als ik zeg dat ze een radicaal pro-Palestijnse boodschap brengt, zeg ik niets waar ze niet mee akkoord zal gaan, ook als ze om diplomatieke redenen het woord ‘radicaal’ zou vervangen door ‘consequent’. Zo’n radicale boodschap brengen, behoort tot het vrije woord. Albanese mág dat doen, net zoals die vreselijke Rima Hassan van mij mág verkondigen dat een anti-Joodse aanslag in 1972 een heldendaad was. Goedpraten van terrorisme is niet hetzelfde als een directe oproep tot geweld.
     Bij sommige kritieken op Albanese heb ik mijn bedenkingen. Ze wordt een antisemiete genoemd omdat ze ooit sprak over het gevaar van de Joodse lobby. Ze verontschuldigde zich daarvoor en gaf toe dat ze van een 
zionistische’ lobby had moeten spreken, die overigens veel Joden in haar rangen telt. Maar die zionistische lobby bestáát, net zoals de pro-Palestijnse lobby bestáát. Mag je dat dan niet zeggen? Er bestaan zoveel lobby’s.
      Ook heeft Albanese in een grammaticaal ingewikkelde zin te kennen gegeven dat Israël en iedereen die Israël financieel of militair steunt ‘een vijand van de mensheid is.’ Dat opblazen van een plaatselijk conflict tot een kosmische strijd, is voor de buitenstaander een bron van verbazing. Waar komt die bewustzijnsvernauwing vandaan? Er zijn meerdere verklaringen. Vier daarvan – die elkaar niet uitsluiten – zijn: een afkeer van en obsessie met Joden, een wereldwijde solidariteit van de moslims, een intens persoonlijk engagement in precies dát conflict, en een tiersmondistische ideologie die zich vastklampt aan wisselende symbolen: Vietnam, Nicaragua, Palestina …
     Met wat ik van Albanese weet, acht ik het waarschijnlijk dat de twee laatste verklaringen doorwegen. En als er van antisemitisme sprake is, zal dat eerder een gevolg dan een oorzaak zijn van haar pro-Palestijnse engagement. Ik heb persoonlijk anti-zionistische militanten gekend die ik wel eens op een emotionele anti-Joodse uitspraak betrapte. Maar ik blijf bezwaar maken tegen het polemisch gebruik van het antisemitisme-woord. Je speculeert daar immers mee, vaak op een smalle basis van enkele uitspraken, over de intenties van iemand. Dat is de fout die Albanese maakt als ze argumenteert over de ‘genocide’ door Israël, en ik probeer diezelfde fout te vermijden. Bovendien, zelfs mocht Albanese een antisemiete zijn, dan is haar antisemitisme ongeveer even ver verwijderd van dat van de nazi’s, als het bloedbad in Gaza verwijderd is van de holocaust.
     Maar antisemiet of niet, het was een ongelukkige keuze van de VN om Albanese als rapporteur voor de mensenrechten in de bezette gebieden aan te stellen*. Ze kozen daarmee iemand die in haar verklaringen de VN-resoluties over de twee-statenoplossing, en dus ook het onvoorwaardelijke recht op het bestaan van Israël, in vraag stelt. 

‘Let’s call a spade a spade: the two-state solution has been buried under a mountain of crimes … Freedom and equal rights for everyone, regardless of the way they want to live – in two states or in one state – they will have to decide**.’

 
     Voor de functie van VN-rapporteur kies je best geen militante, en dat was Albanese al lang voor haar aanstelling. Het voordeel om een militante te kiezen weegt niet op tegen het nadeel. Je weet dat de militante zich vol overgave op haar taak zal storten, maar je weet niet of ze onpartijdig zal zijn, en of ze de misdaden van het ene kamp niet zal overdrijven en die van het andere kamp zal verzwijgen. Een VN-rapporteur moet niet alleen objectief zijn, maar moet ook een redelijk publiek van haar objectiviteit kunnen overtuigen. Enkele weken geleden zei ze in het Babylon Theater in Berlijn het volgende over de behandeling in Israëlische gevangenissen***: 

Men have been raped with metal rods, with batons, with bottles, with dogs. There are Europeans who train dogs to rape.

     Die beschuldiging aan het adres van Europese landen die honden zouden trainen op genitale verminking, is niet iets om licht op te nemen. Dan hoor ik zoiets het liefst van een objectieve onderzoeker die getuigenissen rigoureus onderzocht heeft, en die er ondertussen achter gekomen is, in welke Europese opleidingscentra die honden worden getraind.
      Het is goed dat de VN toekijkt op de schending van de mensenrechten op de Westbank. Met Albanese zijn we er zeker van dat elke misdaad van Joodse kolonisten gerapporteerd zal worden, maar zal ze bijvoorbeeld ook iets zeggen over de folteringen in de gevangenissen van de Palestijnse Autoriteit op diezelfde Westbank? Ze heeft dat bij mijn weten nog niet gedaan.
     Albanese zal wellicht niet akkoord gaan met bovenstaande kritiek. Ze is wellicht, zoals de meesten onder ons, overtuigd van haar eigen objectiviteit. Laat ik daarom iets aanhalen waar ze wel mee akkoord gaat omdat ze het zelf gezegd heeft. Haar taak was het, zei ze op de radio, om de misdaden vast te stellen, maar ze was evengoed bezig met ‘connecting the dots’ zodat er een totaalbeeld van het zionistisch kolonialisme ontstaat.
     Dat ‘connecting the dots’ kennen we van de boekjes uit onze kinderjaren. We moesten allerlei punten met elkaar verbinden en als we daarmee klaar waren zagen we de tekening van een dinosaurus verschijnen. Ik vind dat voor een VN-rapporteur een gevaarlijke werkwijze. Hoe groot is dan niet de verleiding om de punten op het tekenblad zo te organiseren dat het beeld ontstaat dat je vooraf wilde zien verschijnen?
  
    Er is niets mis met mensen die de punten met elkaar verbinden. Dat is het werk van politieke analisten, opiniemakers, ideologen en militanten. Maar een rapporteur, vind ik, zou zich moeten beperken tot het leveren van het ruwe materiaal, de scrupuleus geregistreerde feiten. Albanese kijkt door een ideologische bril naar het conflict Israël-Palestina. Dat doe ik tot op zekere hoogte ook. Dat maakt ons allebei ongeschikt om rapporteur voor de VN te zijn. 

* Zie mijn eerder stukje over Albanese hier.

** Het lijdt voor mij geen twijfel dat Albanese als radicaal-linkse militante een voorstander is van de Democratische Palestijnse Staat from the river to the sea. Veel minder radicale pro-Palestijnen, die niets met de VN te maken hebben,  zijn daar trouwens voorstander van. Maar Albaneses verwoording is diplomatiek en volgt de tiersmondistische demagogie: ‘they will have to decide’. Dat ken ik nog van de Vietnam-manifestaties. Trotskisten speelden open kaart: de Amerikanen weg en Ho Chi Minh aan de macht. De tiersmondistische mao-stalinisten volgden de diplomatieke lijn: de Amerikanen weg en de Vietnamezen zullen zelf moeten beslissen (... dat Ho Chi Minh aan de macht komt). De ironie was dat Ho Chi Minh een trotskistenvretende stalinist was.

*** Een videoclip met de uitspraak over de Europese honden staat hier.


Grensverleggend
     Van schandaalverwekkende kunstwerken, opvoeringen en tentoonstellingen wordt wel eens beweerd dat ze grensverleggend zijn: Les demoiselles d’Avignon, Le sacre du printemps, Le salon des refusés. Tijdgenoten hadden de indruk dat ze met iets nieuws te maken hadden, en achteraf bekeken hadden ze gelijk. Maar die indruk is niet altijd terecht. Twee jaar geleden zag ik een toneelstuk dat German Staatstheater heette*. Het bevatte alle vernieuwende kenmerken die in de jaren ’70 gebruikt werden om de goegemeente te choqueren en waar ik als adolescent over gelezen had  in het weekblad De Nieuwe. Karel van het Reve vertelde dan weer over nieuwigheden in de jaren ’70 die hij als adolescent in de jaren ‘30 al had gekend. In 2025 lijkt het nieuwe op nieuwigheden van 1975 en in 1975 leek het nieuwe op nieuweheden uit de jaren ’30. Is er dan niets nieuws onder de zon? Of moeten we het nieuwe vooral zoeken buiten het smalle domein van de opzettelijke nieuwigheden?

* Zie daarover mijn stukje hier, onder het kopje ‘Experimenteel theater’


Irritante fictie-personages
     Films en boeken hebben een streepje voor als ze erin slagen om sympathieke personages neer te zetten. Maar bij de regel horen een aantal uitzonderingen. Een interessante slechterik kan op zijn manier sympathiek zijn, want dan krijg je een ‘man you love to hate.’ In een komedie kun je aan de slag met irritante nevenpersonages zoals Carmen in F.C. De kampioenen. En in een hálve komedie als Marty Supreme kun je een irritant hoofdpersonage kwijt als hij voldoende redeeming qualities heeft. Maar in Servant, een horrorserie van Night M. Shyamalan, zag ik nu iets wat ik nog niet gezien had: een irritant hoofdpersonage, de moeder, zonder redeeming qualities, en zonder dat je, telkens als ze in beeld is, hoopt op een snelle overgang naar een scène waarin ze niet meespeelt.

zaterdag 4 april 2026

Misleidende grafieken

     Ik heb zoals iedereen de ‘misleidende grafiek’ van Het Laatste Nieuws gezien over de laatste peiling naar de Vlaamse kiesintenties. De percentages op die grafiek waren juist weergegeven, maar de balkjes stonden niet in verhouding tot de cijfers. Ik dacht: ‘Wat een stomme fout van HLN!’ maar boos opzet sloot ik uit. Ik heb er dan ook niets over geschreven, hoewel ik geïnteresseerd ben in grafieken. 
     Het komt hierop neer: ik heb het altijd moeilijk om in boos opzet te geloven. Maar volgens een factcheck van Knack zou er met die grafiek inderdaad boos opzet mee gemoeid zijn, maar dan omgekeerd: iemand zou die misleidende grafiek in elkaar geknutseld hebben om dan HLN te kunnen beschuldigen van het plaatsen van een misleidende grafiek. Het is mogelijk, alhoewel een stomme fout mijn favoriete uitleg blijft. Ik zal het niet verder uitzoeken; 



 
          Ik heb lang geleden het boekje gelezen How To Lie With Statistics. Daar ging het ook vaak over de grafieken. Men kon een stijging of daling groter voorstellen door de Y-as niet op nul te laten beginnen, of door die logaritmisch te maken. Maar dat is meestal geen misleiding; daar zijn vaak goede redenen voor. Bij een andere werkwijze zou het papier te klein zijn om de grafiek op af te drukken. Ik geloof dat er meer ‘gelogen’ wordt met de cijfers zelf, die men dan zorgvuldig uitkiest, dan met de grafische uitwerking. Maar de lezer moet wel aandachtig kijken natuurlijk.
      Ook de keuze van de grafiekvorm – lijn, balk, cirkel – kan een verkeerde indruk geven. Laatst zag ik een grafiek over het aantal gelovigen in Frankrijk. Men wilde het verschil laten zien tussen de verschillende leeftijdsgroepen: hoe ouder, hoe geloviger. Dat komt niet aan als een verrassing. Maar men had gekozen voor een lijngrafiek. Daardoor kreeg je de indruk dat het aantal katholieken (de groene lijn) aan het stijgen was en het aantal niet-godsdienstigen (de rode lijn) aan het dalen was. Ik kan alweer moeilijk geloven dat de keuze voor de verkeerde grafiekvorm boos opzet is. 


'Positieve' en 'negatieve' vrijheid

    In een vorig stukje wees ik erop dat Ignaas Devisch een verkeerde interpretatie gaf aan Isaïah Berlins concept van ‘positieve’ vrijheid. Die fout val valt gemakkelijk te verklaren vanuit een falend geheugen. Misschien had Devisch ChatGPT kunnen gebruiken om een en ander wat op te frissen.
      Mijn eigen herinnering aan het essay dat ik meer dan 30 jaar geleden gelezen heb, was eveneens gebrekkig. Ik had bij het schrijven ChatGPT wél gebruikt, maar nu ik het essay in zijn geheel herlezen heb, besef ik dat mijn eigen commentaar evengoed fouten bevat. Als ik schrijf dat ‘positieve’ vrijheid inhoudt dat de burger ‘bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen’ heeft dat slechts weinig te maken met wat Berlin over dat begrip schrijft.
      Het is, geloof ik, gedeeltelijk de schuld van Berlin zelf dat Devisch zich vergist.  Mijn FB-vriend Ecce Ios merkte op dat de termen positief en negatief gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden, zoals wanneer we spreken van een positieve uitslag van een kankertumorentest. Er is in zulke gevallen een tegenstelling tussen de beschrijvende en de evaluatieve waarde van het woord. Bij positieve vrijheid denk je spontaan aan iets positiefs, en dat is niet de strekking van Berlins verhandeling.
     Berlin wil in de eerste plaats klaarheid scheppen. Dat is ook nodig. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘vrijheid’ wordt mooi geïllustreerd door de woorden van John Winthrop (1588–1649) die door Tocqueville worden geciteerd in het begin van De la démocratie en Amérique.

Er bestaat inderdaad een soort verdorven vrijheid, die zowel bij de dieren als bij de mens gangbaar is en die erin bestaat alles te doen wat men wil. Deze vrijheid is de vijand van elke autoriteit; zij verdraagt geen regels; met haar worden wij minder dan onszelf; die vrijheid is de vijand van de waarheid en van de vrede; en God verzet er zich tegen. Maar er bestaat ook een burgerlijke en morele vrijheid die haar kracht vindt in de eenheid en die door de autoriteit moet worden beschermd: het is de vrijheid om zonder vrees alles te doen wat rechtvaardig en goed is. 

   De eerste definitie van vrijheid, die Winthrop verwerpt, is die welke J.S. Mill als uitgangspunt neemt. Berlin verwoordt het enigszins anders: de afwezigheid van dwang, verplichting of verbod. De vrijheid is in eerste instantie ‘leeg’ en je moet die zelf opvullen. De tweede formulering gaat naar de aanwezigheid (vandaar ‘positief’) van waarden om de lege vrijheid op te vullen. Bij de fanatieke puritein Winthrop is dat het goede en rechtvaardige, maar een satanist, of erger: een racist, zou die vrijheid kunnen opvullen met andere waarden.
    Iedereen beseft dat de negatieve vrijheid niet onbeperkt kan zijn. Je huivert bij de gedachte aan fanatieke puriteinen, satanisten, of erger, racisten die alles doen wat ze willen. Nu zijn er twee soorten beperkingen. De eerste soort beperking is inherent aan de negatieve vrijheid zelf, namelijk de negatieve vrijheid van andere individuen. Niemand mag jou beletten lekker je gang te gaan, maar jij mag ook niemand anders beletten lekker zijn gang te gaan. Bij Mill wordt dat dat je alles mag doen wat je wil, zolang je anderen geen schade berokkent. Dat is nog altijd een zeer liberale definitie, alhoewel niet iedereen het eens zal zijn over wat schade is en wat niet.
     Maar je kunt de vrijheid ook beperken in de naam van andere waarden, zoals gelijkheid, broederlijkheid, fatsoen, deugd, onderling begrip, solidariteit, verbondenheid, respect, erkenning, veiligheid, welvaart, nationale trots, democratie, traditie, geluk, enzovoort. Berlin beweert niet dat die waarden minder belangrijk of belangrijker zijn dan vrijheid. Hij beweert in de eerste plaats dat vrijheid niet met die andere waarden mag worden verward, wat men nochtans vaak doet door te spreken van ‘nationale bevrijding’, ‘sociale ontvoogding’, ‘democratische vrijheden’, enzovoort.
       Ten tweede argumenteert hij dat er een privésfeer moet bestaan – groot of klein – waar het individu zich van die andere waarden niets hoeft aan te trekken. 
     En ten derde moet volgens Berlin de maatschappij een zeker pluralisme van waarden tolereren waarbij individuen kunnen
  beslissen welke van die waarden ze hoger of lager aanslaan, en welke keuzes ze maken als die waarden met elkaar in conflict komen.
     Het essay van Berlin is dus  een pleidooi om ‘negatieve’ vrijheid als waarde, naast andere waarden, te waarderen. Over de ‘positieve’ vrijheid is Berlin heel wat kritischer. Er is op zich niets kwalijks aan het opvullen van de negatieve vrijheid. Mill doet dat ook. Hij gelooft bijvoorbeeld dat waarheid, verbeelding, originaliteit en creativiteit mooie waarden kunnen zijn om de lege en abstracte vrijheid mee op te vullen.
     Maar Mills vulsel is van recente datum. De oudere opvatting van de positieve vrijheid is dat de mens zich moet bevrijden van zijn spontane, lage driften, en zich moet richten op het hogere in zijn natuur: de deugd en het rationeel inzicht, die dan ook nog eens door een gelukkig toeval zouden samenvallen, althans sinds Socrates.
      Alleen is er een blijvend verschil tussen de reële mens, met zijn lage driften, en de ideale mens, met zijn zuivere rationaliteit en zijn deugdzaamheid. Die reële mens heeft niet altijd een goed begrip van wat voor hem van echte waarde is, zoals zieleheil, sereniteit, heroïsme, maatschappelijke verbondenheid en lichamelijke gezondheid. De reële mens moet dus geholpen worden door wetgevers, priesters, opvoeders, filosofen, experts en ministers van Volksgezondheid, wat in het beste geval leidt tot paternalisme, en in het slechtste geval tot wrede onderdrukking.
     Dat is allemaal geen reden om de positieve vrijheid an sich te verwerpen. Een maatschappij zonder opvoeding is niet wenselijk en een maatschappij zonder repressie is een utopie. Maar het is een reden om de ‘positieve’ vrijheid met argwaan te bekijken. We moeten erkennen dat ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid niet altijd complementair zijn, maar vaak tegengesteld, en dat ‘positieve’ vrijheid gemakkelijk ontaardt in autoritair collectivisme. 
     Ten persoonlijken titel zou ik er nog aan toevoegen dat het woord ‘vrijheid’ best alleen voor het negatieve concept wordt gebruikt. Anders krijg je filosofen zoals Ignaas Devisch die zich op de positieve ‘vrijheid’ beroepen om ideeën, zoals die van Cofnas, te censureren aan de universiteit. Voor die censuur kunnen goede redenen bestaan, maar met vrijheid heeft het niets te maken.
 


vrijdag 3 april 2026

Rechts in Nederland en N-VA: het verschil

     De partij van Geert Wilders in Nederland zal wel in grote lijnen uit dezelfde succesbron putten als Vlaams Belang bij ons, het Rassemblement National en Frankrijk, en meer van dergelijke partijen in Europa. Maar ik vraag mij soms af wat er aan de hand is met die andere rechtse partijen. Zijn die niet allemaal wat minder serieus dan N-VA bij ons? Wat moet ik bijvoorbeeld denken van Thierry Baudet? Dat is toch een geleerd man. Waarom verliest hij zich dan in marginale ideeën waarmee hij redelijke mensen uit zijn electoraat weg selecteert?
     Mijn eerste gedachte is dat die Nederlanders in het algemeen wat lichtzinniger zijn dan de serieuze Vlamingen. Misschien is dat wel altijd zo geweest. 
Toen Napoleon op zoek was naar bekwame bestuurders voor Nederland had hij naar het schijnt moeite om die te vinden. Bij één gelegenheid moet hij gezegd hebben: ‘Envoyez-moi quelqu’un de sérieux. Envoyez-moi Schimmelpenninck.’ Ze hadden er dan toch één.
     Maar op momenten dat ikzelf in een minder lichtzinnige bui ben, ga ik op zoek naar andere verklaringen voor de lichtheid van JA21, Thierry Baudet, en die Boeren-en-buitenlui-partij. 
Bijvoorbeeld: zou het kunnen dat die partijen vooral degelijke historische wortels missen? N-VA had die wortels wel, met name in de Vlaamse Beweging. Die wortels, met ideologie, tradities, partijkader, kernelectoraat en fonds de commerce, waren een ballast die partij bij de reële politiek hielden, weg van al te zweverige nieuwlichterijen. Als men een verkiezingsprogramma opstelde, moest men rekening houden met de plaatselijke visboer die al zijn hele leven bij elke verkiezing op de Volksunie-lijst stond.
     De hele kwestie  doet mij denken aan de PVDA, die in de beginjaren onder Ludo Martens wortels heeft moeten verzinnen die zijn partij konden verbinden met de communistische wereldbeweging van vorige generaties, en met de ballast van Que faire, Stalin en de buitenlandse politiek van China. Het was esoterische mythologie maar ze hield het kader bij elkaar en behoedde de partij voor avontuurlijke zijsporen. Een Thierry Baudet maakte er geen kans.

      Wat Martens presteerde was niet min want in tegenstelling tot de stamboekflaminganten van N-VA, moest hij van nul af aan beginnen.  Waar Bart De Wever bij het opstarten van N-VA kon beginnen met het zoetjesaan afbouwen van verouderde ballast en met het selecteren wat nog leefbaar was, moest Ludo Martens die verouderde ballast eerst bij elkaar harken. Zijn opvolgers konden dan later beginnen met een en ander op te ruimen. Misschien was hun huidige project niet zo succesvol als ze er vroeger aan begonnen waren en het radicaler hadden aangepakt.  

Besparingen op het openbaar vervoer

     Van alle deskundigen heb ik het minste vertrouwen in verkeersdeskundigen. Dat komt misschien omdat ik alleen Kris Peeters ken die in die hoedanigheid een column heeft in De Standaard. Die man, heb ik de indruk, streeft niet naar optimaal openbaar vervoer, maar naar maximaal openbaar vervoer. Maar in De Standaard van 12 maart stond nu een column van twee economen dat meer waard was dan tien stukken van Peeters.
      In het begin van hun stuk schrijven de economen dat de politieke discussie zich niet mag beperken tot ‘individuele verhalen van mensen die aangewezen zijn op het openbaar vervoer.’ Welnu, ik heb zelf zo’n individueel verhaal. Indertijd legde ik het traject Menen – Grasheide verschillende keren per jaar af met het openbaar vervoer. Ik raakte tot in Mechelen met de trein, en vandaar was er elk uur een bus naar Grasheide. Ik had meestal 2 tot 3 medepassagiers. Die bus rijdt nu maar twee keer per dag meer, voor jongelui van het platteland die in Mechelen op school willen gaan, en voor jongelui van Mechelen die op het platteland op school willen gaan.  Zelf moet ik voor die verplaatsing een andere regeling zoeken, door bijvoorbeeld mijn agenda af te stemmen op die van mijn vrouw.
     En nu zeggen die professoren dat de politieke discussie niet mag worden beperkt tot mijn verhaal. Ze hebben natuurlijk gelijk. Ze leggen ook uit waar de oplossing ligt: economisch berekenen van optimale tarieven en frequenties, kostprijs afdekken door ticketverkoop, differentiatie tussen spits- en daluren, samenwerking met taxibedrijven en Uber, rekeningrijden voor auto’s. Het heeft geen zin, schrijven zij, om het  algemeen prijs- en frequentiebeleid af te stemmen op de groep van de zeer lage inkomens. Voor hen moet er een specifiek beleid zijn met bijvoorbeeld gerichte toelagen. 

 

donderdag 2 april 2026

Bonny over 'Sancta', e.a.


Bonny over ‘Sancta’
      Het beste aan Johan Bonny’s stuk (DS 1/4) over de ‘Sancta’-voorstelling is dat hij het gewoon in de krant plaatste, en niet op de radio voorlas. Dat zalvende katholieke toontje van hem is onverdraaglijk. ‘Leren ze dat op de priesterschool?’ vroeg mijn vrouw onlangs. En niet alleen de Vlaamse katholieken hebben dat. Als je op France 2 een mis hoort opdragen, hoor je het zelfde toontje dat onvermijdelijk de indruk van schijnheiligheid wekt.
     Dat Bonny de katholieke jongeren oproept om niét te betogen tegen de voorstelling maakt de zaak er niet beter op. Betogen is, binnen zekere perken, een onderdeel van de vrije meningsuiting. Maar daar wringt, geloof ik, de schoen. Mensen als Bonny houden niet zo van het vrije woord als het over godsdienst gaat. Het vrije woord is allemaal goed en wel, tot ze ‘diep gekrenkt worden’. Ik had eigenlijk liever gehad dat Bonny wél opriep tot betogen, zoals zijn katholieke medestandster Mia Doornaert doet in haar column. Zolang die katholieke jongeren maar niet betogen voor de herinvoering van de oude wet op godslastering. Die wet is in 2018 gecremeerd en kan beter niet uit haar as te herrijzen.
     Tegen de gevoelens van Bonny kan ik niets inbrengen. Wat iemand voelt, schrijft Elsschot, gaat een ander niet aan. En dat hij bepaalde dingen dieper voelt tijdens de Goede Week is ook helemaal zijn zaak. Maar wanneer hij begint te argumenteren, voel ik mijn vingers jeuken. Hij vergelijkt, langs een sluwe omweg, de opvoering van een blasfemische opera met de dreiging van geweld tegen de Joodse gemeenschap in Antwerpen. Dat is één van de slechte vergelijkingen in zijn betoog.
      Bonny schrijft dat de opvoering van ‘Sancta’ niet bijdraagt tot de ‘interreligieuze of levensbeschouwelijke dialoog in ons land’. Welnee, en moet dat dan?  Hij schrijft dat ‘geen enkel recht op zichzelf bestaat.’ Misschien niet, maar het recht op het vrije woord komt dicht in de buurt. Hij schrijft dat de initiatiefnemers van Sancta ‘zich niet kunnen verbergen achter het recht op ‘artistieke vrijheid’. Maar natuurlijk kunnen ze dat wel. De artistieke vrijheid is een oud en respectabel argument. Zelfs toen pornografische literatuur in Engeland en de VS nog wettelijk verboden was, werd door de rechters rekening gehouden met de artistieke waarde van een werk. Professoren in de literatuurwetenschap kwamen voor de rechtbank getuigen dat volgens hen Lady Chatterley’s Lover wél literaire kwaliteiten had.
     Na drie alinea’s rond de pot draaien, schrijft Bonny wat hem eigenlijk echt zo diep gegriefd heeft, niet bij het zien van een stuk, want hij heeft het stuk niet gezien, maar bij de gedá
chte dat een stuk, dat hij niet gezien heeft, wordt opgevoerd.

Evenmin past het om een nudistische persiflage te maken van het religieuze leven van zusters. Uiteraard voelden religieuzen zich diep gekrenkt door die banale parodie.

      Ik ken het stuk niet, maar hier neemt Bonny niet eens aanstoot aan spot met God of godsdienst, maar met de kerk. Nochtans behoort antiklerikale spot tot een traditie die zelfs in de katholieke middeleeuwen gedoogd en gewaardeerd werd. Ik wees daarop in mijn lessen literatuur als het ging over Karel ende Elegast, La Divina Comedia, Il Decamerone, Van den vos Reynaerde en zekere gedichten van Anthonis De Roovere. Dat de kerkmensen zelf daar niet mee kunnen lachen, begrijp ik. Nul n’est tenu à l’impossible.
      En dan komt er ook nog eens nudisme aan te pas: blote borsten! Is het dan die naaktheid op zich waar de bisschop van wakker ligt?  Niet helemaal.

 ‘Ik heb niets tegen naakte dames,’ verklaarde Bonny in Terzake.  ‘Mij gaat het om de identificatie met het religieuze leven. De actrices hebben allemaal een zusterkap aan … Als er een volk kan lachen, dan zijn het de christenen en de katholieken. Als het om naakt gaat, ga naar de kathedraal. Daar hangt sinds de tijd van Rubens meer dan genoeg. Humor hebben we wel, hier gaat het om respect voor mensen.’

     Ach die hedendaagse pastoors. Ze hebben geen probleem met naakt hoor, als het om te lachen is, of als het van Rubens komt, want dan is het excuus van de artistieke vrijheid wel geldig. Maar het blijft iets wat nog altijd vies genoeg is om het uit de buurt van het religieuze leven te houden.
       Zijn die pastoors altijd zo kinderachtig geweest? vraag je je af.  Daar moeten vroeger toch mannen bij geweest zijn die hun wereld kenden. Er bestaat een mooie anekdote over Paus Leo XIII, toen hij nog nuntius in Brussel was tussen 1843 tot 1846. Hij werd op een receptie benaderd door een vrijzinnige markies die hem een tabaksdoos liet zien met een pikante afbeelding van een naakte dame. De nuntius antwoordde gevat: ‘C’est très beau. Votre femme sans doute?’ Zijn er vandaag nog veel pastoors die zo
n superieur sarcasme kunnen opbrengen?
      Mag ik Bonny overigens aanraden om in het vervolg de opiniebladzijden van De Standaard te mijden? Hij zal niemand overtuigen die nog niet overtuigd is en hij mag zich de volgende dag verwachten aan een even zalvend antwoord, zoals dit keer van Drie Douibi, artistiek leider (DS 2/4) 

 ‘Sancta’ vertrekt van een opera uit 1922 en herneemt religieuze rituelen en symbolen om ze te bevragen en te herdenken. Het is confronterend, ja. Het schuurt. Maar het doet dat vanuit een fundamentele vraag die ook het christendom centraal stelt: hoe verhouden lichaam, schuld, liefde en gemeenschap zich tot elkaar … Die combinatie is geen tegenstelling. Ze is precies de rijkdom van een open samenleving: we kunnen tegelijk kunst beleven die bevraagt, en rituelen koesteren die verbinden.

      Hier wordt de bisschop indien niet overtroffen, dan toch geëvenaard op zijn eigen terrein. En er is voor hem nog een tweede reden om de opiniebladzijden van De Standaard te mijden. Hij moet altijd vrezen dat de eindredactie een illustratie kiest die de boodschap van zijn tekst ondergraaft. In dit geval moesten ze niet ver zoeken: een foto van de opvoering zelf, een naakt rolschaatsende non. Voor het bijschrift hebben ze wel even moeten nadenken: ‘Weinig appetijt voor het habijt.’ 




Raf Njotea over Cofnas
     Op de laatste pagina van De Standaard (2/3) staat een stuk van Raf Njotea met als kop ‘De biologische loterij van Nathan Cofnas’. Ik begon meteen te speculeren over de inhoud. Die Njotea, links als hij is, blijft altijd een man van eer, dacht ik. Die zal niet oproepen tot censuur en die gaat niet doen alsof hij wél weet hoe het nu precies zit met IQ en erfelijkheid en ras. Ik heb het stuk daarna gelezen en mijn vooroodeel bleek juist. Dat komt door dagelijkse oefening.


Jonathan Holslag over Willem Elsschot.
     
Ik heb de hele Elsschot-lezing van Jonathan Holslag nog niet gelezen, maar de fragmenten die mij onder ogen kwamen, overtuigen mij niet:

 ‘Wie de echte geesteswereld van de schrijver wil binnentreden: lees zijn brieven en gedichten. Dit is de Elsschot die mij intrigeert, de strijdmakker die ons aanmoedigt om te putten uit het verleden, te handelen in het heden en verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst. Dit is de patriot die ons oproept onze vrijheid te koesteren, onze soevereiniteit, hoe sterk de tegenstander ook is.’ 

    Ik weet ongeveer aan welke passages Holslag refereert, maar als ik zijn commentaar lees, moet ik meewarig glimlachen. Hier is iemand, geloof ik, aan wie Elsschot is voorbijgegaan. 


Spelling van eigennamen
        
Gisteren wou ik iets schrijven over de auteur Erik Vlaminck. Omdat ik weet hoe zwak ik ben in spelling, heb ik de naam opgezocht op Wikipedia, en de schrijfwijze bestudeerd. Erik met een k, en Vlaminck met ck. Maar in mijn korte-termijngeheugen was geen plaats meer voor de die in mijn versie ae werd. Gelukkig was er een aandachtige lezer die mijn fout opmerkte.


Reclameslogan
          In de jaren dertig van de voorbije eeuw werd voor het populaire aperitief Dubonnet een prachtige slogan bedacht: Dubo Dubon Dubonnet. Louis-Paul Boon vond de slogan zo mooi dat hij hem gebruikte als titel voor een hoofdstuk van de Kapellekensbaan. Thuis hebben we in de bergruimte een koelkast van het merk Liebher. Telkens als ik er kom mompel ik Lieber ein Liebherr.  Zou Boon zijn slogan ook af en toe gemompeld hebben bij het drinken van een aperitief?

Verzamelde kortjes

 De PVDA en Stalin
     Ik sprak er laatst mijn tevredenheid over uit dat PVDA-leider Raoul Hedebouw eindelijk zo ver was dat hij in een interview Stalin en Mao totalitaire massamoordenaars noemde. Hedebouw zei ook nog dat ze wel niet in dezelfde hellekring als Hitler verkeerden, maar dat is een theologisch detail dat mij niet bezighoudt.  Een nadeel van die nuance is echter dat men nu de PVDA kan blijven lastig vallen over het onderscheid tussen de massamoordenaars. Joel De Ceulaer bijvoorbeeld vindt dat de PVDA ‘ook de laatste stap moet zetten en het verschil met Hitler moet opheffen.’ De vraag is nu: waarom schrijft Joël dat? Mijn uitleg is dat De Ceulaer dat meent, en bovendien een pestkop is. Trotskist Ludo De Witte heeft een andere verklaring:

De strategie van mainstream commentatoren en journalisten zoals De Ceulaer om de PVDA als achterbaks en verdacht te marginaliseren verwondert niet: daar worden ze voor betaald. [Mijn cursivering]

     Ik vind mijn uitleg beter.


Toprestaurant Noma
     Wij hebben vorig jaar enkele dagen rondgefietst in Kopenhagen. Wij zijn daarbij ook een kijkje gaan nemen bij het toprestaurant Noma. We kozen een dag uit dat het restaurant gesloten was, zodat we ongestoord wat in de buurt konden rondlopen en door de ramen het interieur konden bespieden. Nu verneem ik uit de pers dat de chef van het restaurant zijn personeel terroriseerde, vernederde en sloeg. Daar hebben wij dus niets van gezien. We kunnen dus naar waarheid zeggen: ‘Wir haben es nicht gewusst.’


Gsm-wijsheid
      Een expert wiens naam ik vergeten ben beweerde dat een gsm-verbod op school het probleem niet fundamenteel aanpakt. Waar het op aankwam was dat de leerlingen ‘gsm-wijsheid’ werd bijgebracht. Welnu, die wijsheid kan, geloof ik, in een twee woorden samengevat: beware doomscrolling. Daar is geen volledig vak voor nodig, en ook geen volledig lesuur. De grootste fout die ikzelf maak bij mijn gsm-gebruik komt overigens door mijn falend geheugen. Ik moet iets opzoeken, klik op het schermpje, en ben ondertussen niet alleen vergeten wát ik moest opzoeken, maar ook dát ik iets moest opzoeken. En dan druk ik op de F van Facebook en ben voor enkele minuten vertrokken. Het zou wellicht van wijsheid getuigen om die F te verstoppen op het derde of het vierde schermpje van mijn gsm. 


Ive Marx over Chatbots
     Onlangs werden Petra De Sutter, Rik Torfs en Peter Vandermeersch betrapt op naïef gebruik van chatbots. Ik vond dat grappig en interessant, zonder dat ik daarbij veel leedvermaak of medelijden voelde. Hoogstens voelde ik mij superieur omdat ik mijn chatbot-citaten wél controleer, in tegenstelling tot mijn spelling van eigennamen. Maar nu schrijft Ive Marx (DS 24/3) iets wat mij uit het hart gegrepen is:

Wie de slachtoffers van de recente onthullingen ooit heeft bezig gehoord, weet dat ze zonder AI ook wel iets te zeggen hebben.

     Genau!


Versleten ideeën
      Hans Cottyn (DS 24/3) waarschuwt de regering dat ze voor de dreigende energiecrisis niet naar ‘versleten’ ideeën moet kiezen zoals een indexsprong. Zelf geloof ik dat frisse ideeën niet noodzakelijk beter zijn dan versleten ideeën. Ook bestaat het gevaar dat men een idee ‘versleten’ noemt omdat men het niet lust. Kernenergie werd decennialang voor een ‘versleten’ idee gehouden, tot Ursula von der Leyen het twee weken geleden weer uit de kast haalde. En wat stelt Cottyn zelf voor in de plaats van de versleten indexsprong: ‘Zonder verder uitstel werk maken van het nieuwe windmolenpark aan de kust.’ Een aantal versleten woordspelingen met ‘wind’ borrelen nu op in mijn geest, maar ik besluit er niets mee te doen.


 

woensdag 1 april 2026

R. Trivers en het morele Godsbewijs, e.a.


Robert Trivers (1943-2026) en het morele Godsbewijs
      Er was een tijd dat Godsdienst een antwoord leek te bieden op wetenschappelijke vragen. Waar komt de bliksem vandaan? Wie heeft ervoor gezorgd dat vogels vleugel hebben om te vliegen en de mensen benen om te lopen? Hoe komt het dat we een geweten hebben? Die vragen zijn ondertussen opgelost door Benjamin Franklin (1706-1790), Charles Darwin (1809-1882), en Robert Trivers (1943-2026). Van die drie is de laatste het minst bekend. Hij heeft zelfs geen lemma op de Nederlandstalige Wikipedia.  Hij overleed één dag voor Paul R. Ehrlich en twee dagen voor Jürgen Habermas, maar in tegenstelling tot de beroemde milieuactivist en de beroemde filosoof kreeg hij weinig aandacht in onze pers.
    
     Dat is nu rechtgezet door de column van Griet Vandermassen (DS 1 april). Vandermassen legt kort enkele ontdekkingen van Trivers uit en haalt een persoonlijke herinnering op: aan die keer in 2002 dat ze een wetenschappelijk congres verlieten om ‘een toeter van een joint te roken.’  Trivers schreef tussen 1971 en 1975 vijf grensverleggende artikels, maar daarna was het gedaan met de spectaculaire ontdekkingen. Volgens zijn collega Steven Pinker kwam dat omdat hij in zijn vijf artikels het maximum gewrongen had uit het uitgangspunt van de ‘selfish gene’ maar ook omdat hij zich voor de rest van zijn leven te goed deed aan ‘toeters van joints’. Trivers was bipolair, en Pinker speculeert dat zijn wetenschappelijke creativiteit losbarstte in periodes van hypomanie, die hij later door marihuanagebruik onder controle had weten te krijgen. 
     Het in memoriam van Pinker is prachtig*. Voor wie nog niets van hem gelezen heeft, is het een mooie inleiding in diens geestige schrijftijl, met dat elegante evenwicht tussen associatie en architectuur. Ook is zijn verzameling Woody Allen-citaten groter dan de mijne. En mocht de lezer niet de minste interesse hebben voor evolutionaire psychologie, kan hij meteen naar de laatste alinea’s scrollen, het deel over de excentrieke persoonlijkheid van Trivers, dat begint met de zin: ‘Trivers’s other contradictions could not be explained by any DSM diagnosis.’
     Trivers, legt Pinker uit, voelde zich aangetrokken tot de zelfkant van de samenleving. Mij doet hij daarom denken aan Sue Hamilton, dat personage in Hammetts Flypaper.  Sue is, net als Trivers, in een voornaam gezin geboren was. 
‘She grew out of childhood with a kink that made her dislike the polished side of life, like the rough,’ schrijft Hammett over zijn heldin. ‘He was afflicted with a strong nostalgie de la boue, schrijft Pinker over zijn held. Trivers was aangenaam gezelschap, had een schat aan straffe verhalen, en kon, door ervaring wijs geworden, goede raad geven over hoe je moest vechten met een machete: ‘It’s all about the angles.’
     En het is dus die Trivers die het morele godsbewijs in zijn simplistische versie, zoals we het in de humaniora aangeleerd kregen, onderuit heeft gehaald. We hebben een geweten, leerden we, dat ons vertelt wat goed en kwaad is, en het was God die dat geweten in ons hart had gelegd. Trivers legt uit dat dat geweten evengoed kan worden verklaard vanuit de evolutie en vanuit de genen. Coöperatief ingestelde exemplaren van het menselijke ras hebben tegenover profiteurs en bedriegers, naast evolutionaire nadelen, ook evolutionaire voordelen. Wat begint** als egoïstische berekening – I’ll scratch your back and you’ll scratch mine – krijgt vorm in gevoelens van sympathie en vertrouwen, van dankbaarheid en trouw, van schuld en schaamte, en van verontwaardiging en minachting. De reden is dat die gevoelens krachtiger werken dan het rationeel afwegen van voor- en nadeel. Daarmee is niet weerlegd dat ons geweten van God komt, maar die stelling is, naar het woord van Laplace, een wetenschappelijk overbodige hypothese geworden was.
     Natuurlijk is daarmee het mysterie van de moraal niet opgelost. De evolutietheorie legt uit hoe het altruïsme ontstaat, niet waaróm het altruïsme ‘goed’ is. De theorie legt uit wat mensen ‘goed’ vinden, maar onderbouwt niet waarom datgene wat mensen ‘goed’ vinden, ook ‘goed’ ís. De theorie legt uit waarom de evolutie ons zowel met egoïstische als altruïstische kenmerken opzadelt, maar zegt niet waarom ík aan het tweede de voorkeur zou móeten geven. Zelfs Pinker geeft toe dat dat ándere vragen zijn. Theologen, filosofen en ethici zullen geloof ik voor hun vak niet zoveel hebben aan Trivers. Trivers heeft geen problemen opgelost voor hun vak, maar voor zijn vak. En naar wat ik ervan begrepen heb, valt er tegen zijn oplossing niet veel in te brengen.

*Zie voor het Pinkers In memoriam: hier.
** Begint ... volgens de logica, niet volgens de chronologie.


Waarom ik niet aan steelmanning doe
     Bij stroman-argumentatie verzwak je het argument van je tegenstander door er een karikatuur van te maken. Dan is het makkelijker om het te weerleggen. Ook het tegenovergestelde bestaat: ‘Steelmanning’.  Dat is een manier van argumenteren waarbij je de positie van je opponent zo sterk mogelijk voorstelt, zelfs beter dan die persoon het zelf deed. Popper doet het allebei in The Open Society. Het deel over Plato is een voorbeeld van steelmanning, het deel over Hegel is een voorbeeld van stromanargumentatie.
    Zelf ben ik zuinig met de twee argumentatievormen. Door te stromannen win je aan bondigheid, en kun je de lachers op je hand krijgen, maar je hebt er zelf weinig aan. Als je discussieert om te overtuigen zal je geen stap verder raken, en als je discussieert om te winnen, voelt de zege aan als onverdiend en leeg. Je hebt de pop onthoofd en de kop rolt voor je voeten, maar het blijft van stro. De overwinning is nep.
     Steelmannen is dat weer te hoog gegrepen. Dan zou ik een boek, of minstens een paper, moeten schrijven in plaats van een blogstukje. Ik zou systematisch moeten op zoek moeten gaan naar de geleerdste en vernuftigste argumenten die tégen mijn zaak pleiten. Misschien komen daar zelfs wiskundige modellen aan te pas. Wat zou ik, die noch geleerd, noch vernuftig ben, noch wiskundig aangelegd ben, daar dan nog aan toe kunnen voegen?
     Ik ben hier, zoals in veel zaken, een man van het midden. Ik argumenteer op het niveau van opiniepagina’s in de krant. Dat is lijkt mij, naast een aangename, ook een nuttige bezigheid. Het is in die journalistieke vorm dat allerlei ideeën leven in de hoofden van de krantenlezende middlebrows. En als er in die vorm allerlei tegenstrijdigheden, dubieuze veronderstellingen, slordige redeneringen, en onhoudbare formuleringen ingeslopen zijn, dan mag daar iets over gezegd worden. Het is een aanwijzing dat de onderliggende, gesofistikeerde, beter onderbouwde versie wellicht ook niet helemaal koosjer is.  


De cijfers van Dikke Freddy 
   
 'Brieven van dikke Freddy’ is een column die in De Standaard verschijnt. Auteur Erik Vlaminck kruipt in de huid van een dakloze die zijn problemen aankaart bij de groten der aarde. Ik ken mensen die fan zijn van die columns. Wellicht zijn die stukjes goed geschreven, maar mijn ideologische vooroordelen maken het voor mij moeilijk om ze te smaken. ‘Dikke Freddy is een dikke demagoog,’ denk ik vaak. Waarom zou trappen naar boven zoveel hoogstaander zijn dan trappen naar onder? Waarom moet een welgestelde auteur in de huid kruipen van een dakloze? In Nederland had je in de jaren 80 de ‘Notities van een bijstandmoeder’. Daar ontstond toen een hele rel toen bleek dat die stukjes niét door een bijstandmoeder geschreven werden. Het hele genre lijkt mij sociaal engagement op doping. ‘Borrowed suffering’ las ik ooit in een sociologische paper.
     Eigenlijk zou ik die Dikke-Freddy-stukjes wat grondiger moeten bekijken. Dat ze graag gelezen worden, bewijst dat ze een gevoelige snaar raken bij de welgestelde krantenlezer. En vaak staan er ook harde feiten in die de moeite waard zijn om te overwegen. In DS van 1 april schrijft Dikke Freddy dat Colruyt een noodvoedingspakket verkoopt dat toelaat om 24 uur te overleven. Prijs van dat pakket: 29,99 euro. Dat is een interessant getal. Vermenigvuldig dat met 30 en je moet concluderen dat een mens 900 euro per maand nodig om zich alleen al te kunnen voeden. Dat is een getal dat we dan moeten leggen naast bijvoorbeeld de bedragen van OCMW-uitkeringen. Dikke Freddy zelf ontvangt trouwens van zijn schuldbemiddelaar exact 50 euro per week. Dat is geen ideologie, dat zijn cijfers.
     Ik heb, terwijl ik toch bezig was, ook eens aan ChatGPT gevraagd hoeveel de Vlaming dagelijks uitgeeft aan voeding alleen. Wie alleen thuis eet en zuinig boodschappen doet, zou toekomen met 8 tot 10 euro per dag. Wie ook af en toe maar niet te vaak op restaurant gaat of take-away maaltijden gebruikt, komt op 12 tot 15 euro per dag. En wat die schuldbemiddeling betreft, daar geeft ChatGPT toe dat Dikke Freddy gelijk heeft. Het is inderdaad mogelijk, zij het uitzonderlijk, dat iemand met zeer zware schulden een leefgeld krijgt van niet meer dan 50 tot 70 euro per week, waarvan, zoals Freddy schrijft ‘niet alleen voeding, maar ook zeep, het wassalon, kleren, schoenen, sigaretten en horecaverbruik’ moeten worden bekostigd. Alleen de vaste kosten (huur, energie, verzekeringen …), weet ChatGPT, worden apart beheerd en betaald door de schuldbemiddelaar.


D’hanis, Debruyne, Shriver
     Ik zag op Facebook iets voorbijkomen van Frank D’hanis en Heleen Debruyne. ‘In de nieuwe aflevering van onze boekenpodcast bespreken we A Better Life van Lionel Shriver. De hamvraag: is het een rechts boek*, of net een satire op rechts? We geraakten het niet eens!’
     Ik wist meteen een aantal dingen met grote zekerheid: 

  1. Dat ik die podcast zou beluisteren, terwijl ik niet van podcasts hou
  2. Dat ik mij flink zou ergeren, niet alleen aan de meningen maar ook aan het zelfgekozen tijdverlies
  3. Dat D’hanis degene was die het boek ‘rechts’ vond en dat Debruyne degene was die er een ‘satire op rechts’ in zag
  4. Dat ze allebei gelijk en allebei ongelijk hadden 
  5. Dat ik er een kort stukje over zou schrijven.
       Het gesprek tussen de geliefden verliep rustig, zonder stemverheffing. Debruyne liet D’hanis uitspreken ook als die niet goed uit zijn woorden raakte. Het gemis aan een moderator die het gesprek in goede banen leidde liet zich voelen: de sprekers herhaalden nogal eens zichzelf, vooral wanneer ze niet goed wisten wat ze eigenlijk wilden vertellen, of als ze over iets niet zo veel te vertellen hadden.
      
Hadden ze het mij gevraagd, had ik kunnen helpen bij de vraag of Shriver nu rechts of links was. Shriver schreef zelf ergens dat ze van kamp verandert als ze van continent verandert. In Engeland is ze rechts, maar als ze naar Amerika reist, wordt ze halverwege de Oceaan links. Of anders gezegd: ze is min of meer libertair, ecomisch centrumrechts, cultureel centrumlinks, en nogal gebeten op woke.
      
Het besproken boek gaat over migratie en migranten. Een progressieve New Yorkse neemt een Hondurese migrante in huis, waarop er andere Hondurese migranten volgen, en dat zijn geen lieverdjes. Een aantal van de autochtone Amerikanen in het boek hebben radicale opvattingen over en tegen migranten. D’hanis gelooft dat het boek de vooroordelen van rechts over migratie bevestigt en dat Shriver minstens een aantal van die vooroordelen deelt. Debruyne gelooft dat met die vooroordelen de spot wordt gedreven. Om het zeker te weten zou ik het boek moeten lezen, maar zoals ik Shriver ken is de kans groot dat ze met iederéén spot: met de do-gooders die geloven dat alle Hondurezen lieverdjes zijn, en met de simplistische MAGA-figuren die geloven dat alle Hondurezen criminelen zijn –  terwijl ze ondertussen zelf gelooft dat er best iets tegen de illegale immigratie mag worden ondernomen.
      
In de discussie liet Debruyne zien dat haar snaren wat literatuur betreft fijner zijn afgestemd dan die van D’hanis. Ze aanvaardt bijvoorbeeld de mogelijkheid dat Shriver in ‘een rechtse rabbit hole terecht is gekomen,’ maar dat ze als schrijfster boven haar politieke opvatting uitstijgt en haar personages tegelijk als karikaturen en als mensen neerzet. Wel vindt ze dat de Hondurese personages slecht getroffen zijn. Dat komt, denkt ze, omdat Shriver niet genoeg met Hondurezen heeft opgetrokken. Als ik het boek lees, zal ik dat waarschijnlijk niet merken, omdat ikzelf ook weinig met Hondurezen optrek.
      
D
hanis en Debruyne hebben zich op de podcast voorbereid door commentaren over het boek te lezen, en daar hebben ze allebei iets interessants over te zeggen. D’hanis heeft vooral commentaren op Goodreads gelezen, en daar waren veel vijfsterrenrecensies bij. Hij vond dat verdacht. Vijf sterren werden in zijn ervaring alleen gegeven aan absolute meesterwerken, of aan boeken die een voor de lezer welgevallige politieke strekking hadden. Dat is juist. Zo werkt dat bij het sterrengevend lezerspubliek. Bij allerlei enquêtes naar het meest geliefde boek in de VS komt stelselmatig Ayn Rands Atlas Shrugged naar boven drijven. Ook ken ik veel mensen die een middelmatig-tot-goed boek als Dubbelganger van Naomi Klein een meesterwerk vinden. 
      Eigenaardig genoeg schijnt Dhanis te denken dat hijzelf een uitzondering op die regel is. Zelfkritische reflectie lijkt mij zijn sterkste kant niet. Hij haalt aan dat hij een ongelooflijk rechts boek als Soumission van Houellebecq toch wel goed geschreven en grappig vond. Dat is fijn voor hem, maar het is niet omdat we soms een keer boven onze politieke vooroordelen uitstijgen dat we ons niet meestal door die ballast naar beneden laten trekken in onze beleving van film en literatuur*.
      Wat Debruyne zei was nog interessanter. Het was haar opgevallen dat de meer officiële kritiek het boek heel negatief had besproken. Ze vond dat verdacht. Ze had al vaker gemerkt, zei ze, dat critici hun politieke voorkeuren lieten meespelen. Boeken die zeker niet beter waren dan dat van Shriver kregen heel wat betere kritieken omdat ze binnen de linkse consensus vielen. ‘Heb je daar een voorbeeld van?’ vroeg D’hanis. Zo’n voorbeeld kon Debruyne niet één-twee-drie geven. Je zou zulke voorbeelden telkens als je ze tegenkomt moeten noteren in een klein boekje. 
     Zelf heb ik wat Debruyne vertelt al vaak gemerkt bij filmrecensies. Bij heel lovende of afbrekende filmrecensies probeer ik snel na te gaan of de film niet een of andere ‘maatschappijkritische tendens’ bevat. Dan krijgt hij meestal enkele sterretjes teveel***. Is een film daarentegen niet maatschappijkritisch genoeg, dan merk je dat niet alleen aan de karige sterretjes, maar ook aan de minachtende opmerkingen die de recensent daarover maakt. Ik schrijf zulke voorbeelden niet op in een boekje, maar ik heb er geloof ik al een paar blogstukjes aan gewijd. 


* Ik heb ondertussen min of meer begrepen wanneer we van een rechts boek mogen spreken: als de rollenpatronen worden bevestigd in plaats van bevraagd, als niet duidelijk wordt gemaakt of seksuele contacten consensual zijn, als rechtse opvattingen worden verwoord door sympathieke personages en linkse opvattingen door onsympathieke personages, als een verhaallijn uitnodigt tot rechtse conclusies, en ten slotte, in de ruimere definitie van D'hanis, als het rechts in de kaart speelt.

 ** Zelf ben ik als filmliefhebber zo gewend geraakt aan de links-liberale bias van Hollywood dat het mij niet meer stoort. Mocht dat niet zo zijn, had ik al lang van hobby moeten veranderen. Maar als die bias een keer ontbreekt, is dat voor mij altijd een aangename verrassing.

*** Als het té erg wordt, schrijft de recensent dat goede bedoelingen nog geen goede film maken.