PVDA-afvalligen Enige tijd geleden werd ik opgebeld door een redacteur van Doorbraak. Of ik een interview wilde geven over de PVDA die steeds maar weer verkozenen uit haar parlementaire fracties zag vertrekken? Ik verklaarde mij onbevoegd en gaf de raad om Marc Ernst te contacteren. Maar nu we onder ons zijn, wil ik wel even kort speculeren over de redenen waarom die verkozenen de partij verlaten*.
Die mensen moeten om te beginnen meer dan de helft van hun inkomen afstaan aan de partijkas. Dat is al 70 procent van de verklaring. 10 procent van de afvalligheid komt door politieke meningsverschillen, 10 procent door de te strakke partijdiscipline en 10 procent door andere redenen. Je moet altijd een categorie ‘andere redenen’ voorzien.
Die financiële kwestie is voor de PVDA een vervelende zaak**. De partij kan daar weinig aan veranderen. Ze heeft van het ‘arbeidersloon’ van hun parlementsleden een kwestie van principe én van propaganda gemaakt. Het is een tot de verbeelding sprekende illustratie van een radicaal-egalitaire ideologie en van een radicaal, compromisloos engagement. Het maakt de PVDA anders dan alle andere partijen. Omgekeerd kan de partij rond de financiële motivatie van de afvalligen niet al te veel heisa maken. Dat zou overkomen als rancuneus natrappen, en zoiets kan een partij die zich uit de marginaliteit wil vechten moeilijk veroorloven. Het is een geniale zet geweest van Raoul Hedebouw om de rancuneuze communistische ideologie met een schaterlach te verkopen.
Dan de discipline. Geen enkele politieke partij kan functioneren zonder enige discipline. In Engeland – zo leerde ik op school, en het werd bevestigd in Yes Minister – stelden de partijen een ‘whip’ aan, die figuurlijk de zweep hanteerde als een parlementair afweek van de partijlijn. Maar daarnaast tolereren de meeste partijen enige ruimte voor meningsverschillen, een ruimte die redelijk breed is voor interne partijvergaderingen, en redelijk beperkt voor externe communicatie. Door die ruimte te tolereren slagen de partijen erin om mensen met verschillende opvattingen aan de partij te binden, ten koste van wat men polemisch een ‘spreidstand’ noemt. Maar zo’n spreidstand is een gymnastiek die aan de PVDA, met haar stalinistische origine, niet besteed is. Het onderscheid tussen de PVDA en andere partijen is hier op het eerste gezicht geen verschil in beginsel maar een in gradatie. Maar zoals de dialectiek van Hegel, Stalin en Mao ons leert kan kan een kwantitatief verschil omslaan in een kwalitatief verschil.
Ook de politieke meningsverschillen zijn interessant. Veel afvalligen vinden de PVDA uiteindelijk te ‘radicaal’. Dat is begrijpelijk want de partij is nogal radicaal, en wel op verschillende manieren. Het ideologisch programma – dat bij andere partijen ook wel eens radicaal kan zijn – is bij de PVDA het allerradicaalst: de partij wil een complete breuk met het kapitalisme van de laatste 200 jaar, ook in zijn sociaaldemocratische versie van de laatste 80 jaar***.
Een niveau onder het ideologisch programma, heb je het verkiezingsprogramma. Dat van de PVDA bevat onder andere een onmiddellijke verlaging van de pensioenleeftijd, een 30-urenweek zonder loonverlies, en een genereus beleid in verband met langdurige werkloosheid en ziekte. Met zo’n beleid, zou je denken, blijven er onvoldoende gewerkte uren over om al het nodige te produceren voor de werklozen, de zieken, de gepensioneerden en de werknemers-die-geen-loonverlies-geleden-hebben****.
Het Federaal Planbureau, journalisten van De Tijd en academische analisten hebben aangetoond dat het verkiezingsprogramma van de PVDA moeilijk uitvoerbaar, juridisch problematisch en financieel onhaalbaar is. Die kritiek getuigt van academische naïviteit. Die analisten gaan ervan uit dat de PVDA haar eigen programma serieus neemt. Dat is niet zo. De partij wil zogezegd allerlei sectoren nationaliseren, en dan rekenen de academici braaf uit dat dat nationaliseren zoveel en zoveel miljard zou kosten. Alsof de partij overweegt om die sectoren te kópen!
Dat verkiezingsprogramma’s onhaalbare voorstellen bevatten, is niet uitzonderlijk. Zoiets geldt in mindere mate ook voor verkiezingsprogramma’s van andere partijen. Die partijen weten dat. Hun programma’s hebben een dubbele functie. Ze dienen als propaganda-instrument naar hun kiespubliek toe, én als uitgangspositie voor regeringsonderhandelingen. De onderhandelaars zijn dan stiekem blij dat ze een aantal van hun onrealistische voorstellen zullen moeten loslaten door de veto’s van anderen.
Bij de PVDA is dat anders. De partij zal met vuur en met cijferwerk betogen dat hun voorstellen wél haalbaar zijn, maar tegelijk is de onhaalbaarheid van hun voorstellen een bewuste keuze. Het programma móet onhaalbaar zijn onder het kapitalisme, want dat is juist de eerste waarheid die de PVDA wil bewijzen: dat die leuke voorstellen maar mogelijk zijn onder het socialisme 2.0*****. Hier en daar kan een programma-punt gedeeltelijk worden ‘afgedwongen’ door stakingen, betogingen, bezettingen en een occasionele parlementaire meerderheid. Dat bewijst dan de tweede waarheid: ‘alleen massa-actie loont’.
Je hoort PVDA-afvalligen soms klagen dat de partij principieel weigert om een regeringsdeelname te overwegen, dat ze niets meer wil zijn dan een zweeppartij aan de zijlijn. Maar zo zit dat niet in elkaar. Natuurlijk wil de PVDA op termijn wat graag deelnemen aan een linkse volksfrontregering, maar dan wel binnen een scenario van sociale onrust, algemene stakingen, dagelijkse betogingen, politieke instabiliteit, en brede radicalisering en polarisering. In zo’n geval wil ze best deel uitmaken van een regering. Ze wil als het even kan die die regering zelfs leiden.
En wat zou zo’n regering dan doen? Zou ze de grote vermogens een belasting van 2 of 3 procent opleggen zodat ze 98 of 97 procent van hun miljoenen of miljarden kunnen behouden? Daar geloof ik niets van. Dan worden die grote vermogens meteen aan 20 of 30 procent belast, als opstapje naar een belasting van 100 procent. Waarom zou je überhaupt grote vermogens nodig hebben onder het socialisme? 2 of 3 procent is propaganda, 20 of 30 procent is een tijdelijk compromis, 100 procent is het einddoel. La lutte finale.
* Pieter Laleman speculeerde op zijn FB-pagina over de omgekeerde vraag: waarom PVDA-leden wél bij de partij blijven. Volgens Laleman zijn de blijvers vooral wereldvreemde idealisten, arrivisten-op-kleine-schaal, arme drommels, vermomde islamisten, en antimeritocraten-zonder-merites. Zie hier.
** Mijn vorige stukjes over de financiële bijdragen binnen de PVDA staan hier en hier.
*** Het retorisch antwoord hierop ken ik: het is het ‘neoliberalisme’ zelf dat al 40 jaar het sociaaldemocratische kapitalisme afbreekt. Dat is een antwoord dat voldoet voor een televisiedebat, maar niet bestand is tegen de feiten en de logica. De feiten: met een overheidsbeslag van 55 procent en een zeer lage ongelijkheidscoëfficiënt (23) is ons kapitalisme ook vandaag zeer ‘sociaaldemocratisch’ en weinig ‘neoliberaal’. De logica: men kan uit een tirade tegen het ‘neoliberalisme’ hoogstens een argument halen om terug te keren naar een meer sociaaldemocratisch kapitalisme, en niet om het kapitalisme af te schaffen.
**** Men zou kunnen denken dat de PVDA hier in haar vorige verkiezingsprogramma visionair anticipeerde op een door AI en robots gestuurde productie. Maar dan zullen de Europese miljonairs de komende jaren eerst heel veel geld moeten investeren in de ontwikkeling van AI en van robots.
***** Het socialisme 1.0 was het Russische en het Chinese socialisme. Als communisten spreken van ‘socialisme’ verwijzen ze naar wat in het gewone spraakgebruik ‘communisme’ heet.