zaterdag 21 maart 2026

Kortjes

Het vermogen tot verontwaardiging
    
      Sinds Ludo De Witte hem een crapuul heeft genoemd, ben ik een zekere sympathie gaan koesteren voor Maxime Prévot. Af en toe zegt de minister dan iets waardoor mijn sympathie nog toeneemt. In De Standaard van 8 maart zegt hij bijvoorbeeld, als antwoord op een vervelende vraag over Theo Francken: ‘Het vermogen van de media om verontwaardigd te zijn zal mij altijd blijven verbazen.’ Jonathan Swift bedankte in zijn grafschrift de dood omdat ze hem van zijn ‘saeva indignatio’, zijn woeste verontwaardiging  had verlost. Maar we kunnen daar al tijdens ons leven wat op oefenen. 


Onverschilligheid
     Men kan de gelijkmoedigheid beoefenen om zelf niet al te ongelukkig te zijn in het leven. Maar Tom Naegels (DS 8/3) ziet er ook ook maatschappelijke voordelen in. ‘Een zekere mate van onverschilligheid is essentieel voor de harmonie en de tolerantie in een samenleving.’ Wijsheid!


Raadsel
      Het schijnt dat er in alle leeftijdsgroepen tussen 23 en 39 jaar meer mannen zonder partner zijn dan vrouwen. Ik zou op eigen kracht nooit de verklaring van dergelijk verschijnsel hebben gevonden. Gelukkig verklapt onderzoekster Laura Robberecht de  reden: ‘Vrouwen zijn geneigd om te daten met mannen die ouder zijn dan zijzelf.’ Dat begrijp ik, al zou ik het met een tekeningetje nog beter begrijpen.


Mooie foto’s
     De communistische landen van weleer prezen zichzelf aan in onvoorstelbaar saaie doctrinaire tijdschriften, zoals Pékin Information, maar ze hadden voor de kameraad in de straat ook glossy magazines waaruit de superioriteit van het socialisme moest blijken. In mijn geboortedorp woonde een oude communist die zulke DDR-publicaties bijhield. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het daar is,’ zei hij. ‘In de fabrieken hangt daar zelfs een rode vlag. Dat zou in ons land onmogelijk zijn.’ Ik herinner mij een foto uit zijn tijdschriftenverzameling. Vrolijke, nieuwsgierige fabrieksarbeidsters hebben zich (in plaats van vlijtig te werken) verzameld rond een collega die partijlid is. Het onderschrift luidde: ‘Na, was gab’s gestern auf der Partei?’


Geen nieuwe dingen
     Als ik stukjes schrijf, wil ik liefst geen ‘nieuwe’ dingen te verzinnen. Ik moet de indruk hebben dat wat ik schrijf geen nieuwe gedachte is, maar iets dat mij al lang bezighoudt, en nu pas aan de oppervlakte komt, bijvoorbeeld omdat ik een stuk van Reynebeau in de krant heb gelezen. Doelbewust op zoek gaan naar iets nieuwsl, speciaal om er een stukje over te schrijven, heeft iets oneerlijks. Het is aanstellerij.


Humor
     Als we in een gesprek iets grappigs zeggen, passen we daarbij altijd dezelfde kunstgrepen toe: overdrijving, understatement, ironie, enzovoort. Dat is niet moeilijk want we hebben in ons leven al honderden voorbeelden van die kunstgrepen waargenomen. Ze maken al bij al een beperkt arsenaal uit. Maar komt het ook voor dat men een kunstgreep op eigen kracht ontdekt, zonder dat men daarvan al voorbeelden had waargenomen? Mijn zoon had ooit een geslaagde bon mot. Een vriendin van mij had hem enthousiast uitgelegd wat het feminisme was, en hij antwoordde: ‘Als het zo zit, word ik morgen ook feminist. Of zeker overmorgen.’ Dat is dezelfde kunstgreep als toen Augustinus tegen God zei: ‘Da mihi castitatem, sed noli modo.’ ‘Geef mij kuisheid, maar doe dat niet onmiddellijk.’ Mijn vraag is nu, heeft mijn zoon dat humoristisch trucje zelf uitgevonden, of heeft hij het van Augustinus? Of van iemand anders?


Slecht
     Als mijn ouders spraken over iemand die ‘slecht’ was, verwezen ze daarmee altijd naar diens seksuele losbandigheid. Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen die seksueel losbandig was, werd als ‘slecht’ bestempeld, maar ik ben er nooit achter gekomen wat de precieze criteria waren. Zeker is dat de zonde van onkuisheid een apart statuut had, een beetje zoals racisme, homofobie en zionisme vandaag.


Hoge hakken
     Omdat mijn moeder nogal klein is van gestalte, heeft ze altijd graag schoenen met hoge hakken gedragen. Zelfs nu ze 98 is, wil ze minstens 3 centimeter hak aan haar schoenen, tot wanhoop van twee van haar kleinkinderen die arts zijn. Die hoge hakken-schoenen stelden haar voor een probleem toen ze nog les gaf in Snit & Naad. Ze vond het toen haar plicht om zo elegant mogelijk gekleed te gaan, als voorbeeld voor de leerlingen die moesten leren hoe men mooie kleren ontwerpt en maakt. Ook de accessoires moesten mooi zijn. En als ze een modieuze nieuwe handtas kocht, moest daar een paar passende schoenen bij. 
     Zoiets was natuurlijk onbetaalbaar, maar gelukkig had mijn grootvader als jongen het vak van schoenmaker geleerd van zijn vader, voor hij naar het conservatorium ging.  Hij kon een damesschoentje maken met heel hoge hakken, waar mijn moeder even comfortabel in liep als waren het pantoffels. Voor elk schoenenpaar dat hij maakte, kocht hij een andere leest, zodat de hoek van de schoen perfect was. ‘Als de schoen niet helemáál juist zit,’ zegt mijn moeder, ‘ga je wiebelen bij het lopen, zoals prinses Elisabeth.’


Relativiteitstheorie
     Zoals iedereen heb ik ooit wel iets gelezen over de relativiteitstheorie en over kwantummechanica. Bij de relativiteitstheorie begrijp ik ongeveer wát ik niet begrijp. Maar bij de kwantummechanica heb ik geen idee wat er te begrijpen valt. Als ik er een vulgariserende uitleg over lees denk ik: wat is daar nu zo moeilijk aan?


Romantiek als kunststroming
     Komiek Jens Dendoncker heeft een zaalshow in elkaar geknutseld over de Romantiek als kunststroming. De recensente van De Standaard is erg kritisch. ‘Dat er aan de romantiek een onfris reukje hangt van nationalistische en conservatieve reflexen wordt hier gemakshalve genegeerd’. Ik neem mij voor om in mijn eigen stukjes de uitdrukking ‘gemakshalve negeren’ of ‘gemakshalve vergeten’ nooit te gebruiken. (Ik heb ooit hetzelfde voornemen gemaakt voor de uitdrukking ‘onder het mom van’ in de polemische betekenis. Zie hier).

 

Lange Walter
     Van de 16 paracommando’s van Peleton B die in juni 1976 hun rode of groene muts behaalden, zijn er ondertussen al drie overleden. Eerst ontviel ons Jan, de meester van de koordenpiste. Hij was niet helemaal representatief voor het regiment, want hij had een baard en rookte. Dan ontviel ons René. René was op geen enkel vlak representatief. En nu is ook Walter ons ontvallen. Hoewel we maar met 16 waren, hadden we twee Walters:  hij was Lange Walter. Met Walter kon ik over films praten. Als ik zei: The Wild Bunch, antwoordde hij: Sam Peckinpah.

     Jammer genoeg hebben we het overlijden van Walter pas een maand later vernomen. Daardoor konden we niet aanwezig zijn op de begrafenis, met onze muts discreet in de jaszak. Makkers, vind ik, moeten naar elkaars begrafenis gaan. 


Galbraith
     Twee keer heb ik proberen iets te lezen van de Amerikaanse econoom Kenneth Galbraith. Toen ik zestien was probeerde ik Kapitalisme en welvaart te lezen. Dat was toen veel te moeilijk. Vijfentwintig jaar later ben ik begonnen in The Culture of Contentment, in de wachtzaal bij de kinesist. Toen waren mijn overtuigingen al zo gevormd, dat de denkwereld van Galbraith mij niet meer kon boeien. Wel herinner ik mij dat hij schreef over het begrip ‘arbeid’ dat volgens hem iets totaal anders betekende voor een arts en een leraar dan voor iemand die op het land of in een fabriek werkt. Die laatste arbeid was voor de meeste mensen onaangenaam.
      Een van die mensen was Walter, onze makker in peloton B. Hij was onmiddellijk na zijn legerdienst gaan werken in een chemiefabriek. Als we later samenkwamen, zei hij vaak: 
 Ik kom er eerlijk voor uit: ik werk niet graag. Ken jij iemand die wel graag werkt?’ Als ik aan mijn fabriekjaren dacht, moest ik hem bijvallen. Zou het dat zijn wat Marx bedoelde met arbeid die ons vervreemdt’ van onszelf? En had Marx daar een oplossing voor?
      Zeker is dat de afkeer voor zware, repetitieve handenarbeid niet bij iedereen even diep zit. Mijn grootvader werkte graag, mijn schoonvader werkte graag, mijn vader werkte niet graag. Maar ik ken geloof ik niemand die minder graag ‘werkt’ dan mijn zoon, al is hij in zijn vak een halve workaholic.

 

Logica-grapjes van Tom Wouters
     Ik smokkel in mijn teksten kleine grapjes over de invloed van Kant op Hegel ‘en omgekeerd’, of over makkers die naar ‘elkaars’ begrafenis gaan. En ondertussen schrijft Tom Wouters tekstjes waarin hij betreurt dat er zo weinig ‘boeken op ware grootte
 bestaan. Als je wat liefhebbert, is het makkelijker om een grootmeester te erkennen. En van de grootmeester verschijnt binnenkort een boek, In mijn hoofd zwemmen vissen, dat op 19 mei wordt voorgesteld in De Groene Waterman.


Hergé en Vandersteen
     De striptekenaars Hergé en Williy Vandersteen hebben van 1948 tot 1958 samengewerkt aan het tijdschrift Tintin/Kuifje. Zoals Hitler grote bewondering had voor Mussolini, en niet omgekeerd, zo had Vandersteen grote bewondering voor Hergé en niet omgekeerd. Toen een van de zonen van Vandersteen midden de jaren 70 de grote Hergé tegenkwam, vroeg die laatste minzaam: ‘Et votre père, est-ce qu’il dessine toujours?’ Ik hoop dat die anekdote is opgenomen in het boek dat Marcel Wilmet aan de samenwerking tussen de striptekenaars heeft gewijd: De reuzen van Beersel, 88 blz. 25 euro. 

donderdag 19 maart 2026

De wapenbeurs, e.a.


De wapenbeurs
      Nu onze uitgaven van defensie gaan verdubbelen, zit de wapenindustrie in de lift. Wie wil beleggen, wordt door zijn bank gevraagd of hij morele bezwaren heeft tegen aandelen in die sector. En in Brussel heeft er een wapenbeurs plaatsgevonden die zich mocht verheugen in hoog politiek bezoek: Mark Rutte, Bart De Wever, Theo Francken … Er werden wapens tentoongesteld alsof het auto’s, keukenkasten, of erotische parafernalia waren. Het kwam allemaal op het televisienieuws. 
   
 Voor de linkse medemens moet de aanblik onverdraaglijk zijn geweest. Men heeft die mensen 
 Rutte, De Wever en Francken – zo al niet hoog zitten, en nu poseren die lui breed lachend bij wapens die – laten we dat niet vergeten   dienen om mensen aan flarden te schieten. En dan zullen de fabrikanten van die wapens er ook nog eens iets aan verdienen, net als de aandeelhouders die aan hun bank geen morele bezwaren te kennen hebben gegeven aangaande die specifieke industriële sector.
     De meeste van de linkse bezwaren kan ik niet delen. Ik vind het niet erg dat er wat winst wordt gemaakt op de verkoop van auto’s, keukenkasten, erotische parafernalia en wapens. En ik vind het jammer maar noodzakelijk dat we wapens kunnen sturen naar Oekraïne om er Russische soldaten mee aan flarden te schieten. Maar bij die breed lachende gezichten heb ik mijn twijfels. Zouden politici niet beter een lijkbiddersgezicht opzetten als ze rondwandelen tussen uitgestalde instrumenten des doods?
    
 Ach, ik weet het. Linksen zijn in zulke kwesties te emotioneel. Dat is niet altijd goed. ‘Rationality is a moral duty,’ prevel ik wel eens voor mijzelf uit. Maar moet er niet af en toe wat meer met de linkse emoties rekening worden gehouden? Het is een kleine moeite: enthousiasme temperen als men tussen wapentuig rondloopt, een wat getormenteerd gezicht opzetten, geen cynische mopjes vertellen, gravitas uitstralen. Hoeveel morele pijn heeft Ronald Reagan het linkse deel van de mensheid niet berokkend toen hij voor de grap een nucleaire countdown deed als microfoontest?


Iraanse leiders uitschakelen
     De Iraans-Amerikaanse historicus Arash Azizi schrijft op X: 

Beseffen we dat het tot voor kort uiterst zeldzaam was dat landen, zelfs landen die met elkaar in oorlog waren, elkaars hoogste politieke functionarissen gewoon uitschakelden? Zijn we klaar voor het idee dat dit het ‘nieuwe normaal’ wordt.(DS 17/3)

     Het is geloof ik geen inzicht waarvan velen wakker zullen liggen. Ik dacht onwillekeurig aan die potsierlijke scène in Ridley Scotts Napoleon, waarbij een Engelse scherpschutter de Franse keizer in het vizier heeft, maar van Wellington het verbod krijgt om te schieten wegens ungentlemanlike.
       Ik wou ook wel eens weten of de Amerikaanse Grondwet nergens een artikeltje had dat de mogelijkheid voorzag om buitenlandse leiders uit te schakelen zonder regelrechte oorlogssituatie. Ik meende mij vaag een stipulering te herinneren waardoor het Congres de toelating kon geven aan kapers en premiejagers om op vijanden van de staat te jagen. Met de hulp van Grok vond ik al snel wat ik zocht: Art. I, Sect. 8 over de Letters of Marque and Reprisal. Maar hoezeer ik ook aandrong, Grok bleef volhouden dat die regeling niet van toepassing was op buitenlandse staatshoofden. Tenminste niet in vredestijd. En in oorlogstijd luistert het niet zo nauw. 


Canabis
     In De Standaard van 17/ 3 wordt een medisch rapport geciteerd dat negatief oordeelt over cannabisgebruik bij psychische klachten. 

‘Het rotinematige gebruik van medicinale canabis zou wel eens meer kwaad kunnen doen dan goed en kan de geestelijke gezondheid verslechteren. Dat komt doordat er een hoger risico is op psychotische symptomen en verslaving.’

     Twintig jaar geleden was het nog politiek correct geloof ik om te zeggen dat canabis niét verslavend was. Politici van Groen vertelden dat in interviews. Als leraar kreeg ik het te horen op bijscholingen. Alcohol, dát was een hard drug. En ook als je er niet nieuwsgierig naar was, werd je omstandig uitgelegd wat er mis was aan de stepping stone theorie. Er was geloof ik een wetenschappelijke consensus dat die theorie ‘al honderd keer weerlegd was.’ Ook al weten we dat in de wetenschap één weerlegging voldoende is.


München
     In verband met Oekraïne wordt soms gewaarschuwd dat we niet dezelfde fout mogen maken als Chamberlain maakte in München 1938. Toegevingen doen aan Hitler heeft diens agressiviteit alleen aangewakkerd. Maar wat was het alternatief voor München? Duitsland de oorlog verklaren en dan twee jaar wachten tot Duitsland besliste om zelf aan te vallen.
     Men denkt te gemakkelijk dat het alternatief voor naïeve vredespraatjes bestaat uit waakzame, solidaire of krijgshaftige praatjes. Maar praatjes blijven praatjes. Het alternatief voor München 1938 was Rijnland 1936. Toen het Duitse leger, ondanks de verdragen, het Rijnland binnentrok, hadden de Fransen en de Engelsen de oorlog moeten verklaren, het Duitse leger verslaan, en het land opnieuw moeten ontwapenen volgens de akkoorden van na de eerste wereldoorlog.
 Toen kon dat nog gemakkelijk. Maar als er in Oekraïne een Rijnlandmoment geweest is, zou ik niet weten wanneer.


Oscars
     Met het oog op de Oscars hebben we zondagavond gekeken naar Sinners, dat ikzelf al gezien had, en maandagavond naar Marty Supreme. Sinners kreeg vier grote Oscars, en Marty Supreme geen enkele. Het had natuurlijk omgekeerd moeten zijn. Wel ben ik blij dat ‘Beste cinematografie’ niét naar Frankenstein is gegaan, en ‘Beste Geluid’ wél naar F1 The Movie. Dan had die laatste film toch iéts gekregen. Ik heb hem met plezier twee keer kort na elkaar gezien, maar een derde keer was er te veel aan: te ging te veel over autoracen.
       One Battle After Another heb ik nu gisteren ook een tweede keer gezien. Ik heb nu beter kunnen zien hoe die baanbrekende autoachtervolging gemaakt is. Verder was ik vooral onder de indruk van mijzelf, dat ik mij na vijf maanden de film nog zo goed herinnerde. Als ik een film na vijf maanden opnieuw zie, zijn minstens de helft van scènes weer compleet nieuw voor mij. En na een jaar is ongeveer alles nieuw. 
     En nu het over mijn falend geheugen gaat. Een paar weken geleden kwam mijn zoon logeren. Fijn dacht ik, dan kunnen we samen naar Sentimental Value kijken. Maar dat plan ging niet door. ‘Maar papa, die film hebben we een maand geleden gezien.’ Toen wist ik het ook weer: een eerste keer gezien met mijn zoon en een tweede keer gezien met mijn vrouw.  
     Dié film had natuurlijk wel wat meer mogen krijgen dan alleen ‘Beste Buitenlandse Film’. 


Lichtbruine huidskleur
     Een aantal van mijn FB-vrienden schrijven fraaie recensies over oude en nieuwe romans: Herman Jacobs, Dirk Ooms, Joachim Stoop, Pascal Cornet, Luc De Coster ... Die laatste schreef gisteren iets over Ian McEwans What We Can Know. Het verhaal speelt zich af in het Engeland van 2120. Hij vergelijkt het boek met Flaubert’s Parrot en Out of Sheer Rage. Bij het lezen van de korte inhoud dacht ik ook aan Possession van A.S. Byatt. Eén zinnetje viel mij op in De Costers recensie: in het toekomstige Engeland ‘zijn de blanke mensen een minderheid; de standaard is een soort lichtbruin.’ Net zoals in de reclamespotjes, dacht ik, die je vandaag in de bioscoop ziet voor de film begint. 


Wat betekent ‘rechts’
     Het politieke begrip rechts kan van alles betekenen: autoritair, katholiek, conservatief, nationalistisch, liberaal … Dat zijn begrippen die elkaar slechts gedeeltelijk overlappen en die elkaar zelfs kunnen botsen. In een interview met KVHV-leiders op Doorbraak las ik dat de organisatie een open debatcultuur had: het ene lid kon al wat meer inspiratie zoeken in het katholicisme, een tweede in het conservatisme en een derde in het nationalisme. Alleen bij het liberalisme werd een rode lijn getrokken. In de kop van het stuk heette het: ‘Liberale NV-A’ers willen we niet.’ 


Rechts in Nederland, N-VA, PVDA
     De partij van Geert Wilders in Nederland zal wel in grote lijnen uit dezelfde succesbron putten als Vlaams Belang bij ons, het Rassemblement National en Frankrijk, en meer van dergelijke partijen in Europa. Maar ik vraag mij soms af wat er aan de hand is met die andere rechtse partijen. Zijn die niet allemaal wat minder serieus dan N-VA bij ons? Wat moet ik bijvoorbeeld denken van Thierry Baudet? Dat is toch een geleerd man. Waarom verliest hij zich dan in marginale ideeën waarmee hij redelijke mensen uit zijn electoraat weg selecteert?
     Mijn eerste gedachte is dat die Nederlanders in het algemeen wat lichtzinniger zijn dan de serieuze Vlamingen. Misschien is dat wel altijd zo geweest. 
Toen Napoleon op zoek was naar bekwame bestuurders voor Nederland had hij naar het schijnt moeite om die te vinden. Bij één gelegenheid moet hij gezegd hebben: ‘Envoyez-moi quelqu’un de sérieux. Envoyez-moi Schimmelpenninck.’ Ze hadden er dan toch één.
     Maar op momenten dat ikzelf in een minder lichtzinnige bui ben, ga ik op zoek naar andere verklaringen voor de lichtheid van JA21, Thierry Baudet, en die Boeren-en-buitenlui-partij. 
Bijvoorbeeld: zou het kunnen dat die partijen vooral degelijke historische wortels missen? N-VA had die wortels wel, met name in de Vlaamse Beweging. Die wortels, met ideologie, tradities, partijkader, kernelectoraat en fonds de commerce, waren een ballast die partij bij de reële politiek hielden, weg van al te zweverige nieuwlichterijen. Als men een verkiezingsprogramma opstelde, moest men rekening houden met de plaatselijke visboer die al zijn hele leven bij elke verkiezing op de Volksunie-lijst stond.
     De hele kwestie  doet mij denken aan de PVDA, die in de beginjaren onder Ludo Martens wortels heeft moeten verzinnen die zijn partij konden verbinden met de communistische wereldbeweging van vorige generaties, en met de ballast van Que faire, Stalin en de buitenlandse politiek van China. Het was esoterische mythologie maar ze hield het kader bij elkaar en behoedde de partij voor avontuurlijke zijsporen. Een Thierry Baudet maakte er geen kans.
      Wat
 Martens presteerde was niet min want in tegenstelling tot de stamboekflaminganten van N-VA, moest hij van nul af aan beginnen.  Waar Bart De Wever bij het opstarten van N-VA kon beginnen met het zoetjesaan afbouwen van verouderde ballast en met het selecteren wat nog leefbaar was, moest Ludo Martens die verouderde ballast eerst bij elkaar harken. Zijn opvolgers konden dan later beginnen met een en ander op te ruimen. Misschien was hun huidige project niet zo succesvol als ze er vroeger aan begonnen waren en het radicaler hadden aangepakt. 

dinsdag 17 maart 2026

BDW en Oekraïne - 21 notities


1. Mocht ik het niet eens zijn met Bart De Wever over Oekraïne, dan zou ik nu in alle talen zwijgen. Maar ik denk – weten doe ik het niet – dat De Wever gelijk heeft. Omdat de discussie vaak gevoerd wordt over één woord (‘normalisering’) geef ik in bijlage een ruimhartiger selectie van De Wevers uitspraken.

2. De essentie van het standpunt is  

  1. De oorlog zal niet eindigen met een Russische militaire nederlaag maar met een ‘gelijkspel’
  2. Europa moet Oekraïne militair blijven steunen zolang de oorlog duurt; 
  3. Europa moet met Rusland de dialoog aangaan; 
  4. Europa moet mee onderhandelen over de vrede; 
  5. Die vrede moet duurzaam zijn, maar rechtvaardigheid is te hoog gegrepen;
  6. Bij die vrede hoort dat Oekraïne een deel van zijn grondgebied verliest; 
  7. Oekraïne moet politiek en militair onafhankelijk blijven;
  8. Oekraïne moet zich bij de Europese Unie kunnen voegen, weg van de Russische invloedssfeer; 
  9. Na het vredesbestand moet Europa de economische betrekkingen met Rusland opnieuw aanvatten; 
  10. Europa moet zich hoeden voor blijvende imperialistische ambities van Rusland.

3. Hoe lang denkt De Wever al op die manier over de controversiële punten (3) - (6) ? Ik vermoed: al vier jaar, aangezien ik er zelf al vier jaar zo over denk en dat ook zo heb geschreven.

4. Waarom heeft De Wever al die tijd over die controversiële punten gezwegen? Wie politiek verantwoordelijk is moet zijn moment afwachten. De Wever heeft de rare gewoonte om op vragen van journalisten een echt antwoord te geven, ook al zegt hij dan iets wat niet opportuun is. Maar hij doet dat ondertussen al zo lang, dat hij goed weet wannéér hij een uitspraak mag doen die niet opportuun is.  

5. De Wever heeft gezegd dat veel Europese collega’s in een gesprek onder vier ogen hetzelfde zeggen als hij. Dat brengt mij weer bij de theorie van Openbare Kennis waar Steven Pinker zijn nieuwste boek over schreef. Volgens die theorie is de wetenschap dat Rusland de oorlog niet zal verliezen – waar of niet – private kennis die circuleert in een bepaald milieu. Het wordt maar Openbare Kennis als die regeringsleiders van elkaar weten dat de anderen het ook weten, en dat ze weten dat de anderen weten dat zij het zelf weten enzovoort.
     Als dat zo is, heeft De Wever een uitspraak gedaan waardoor Openbare Kennis is ontstaan. Het was hetzelfde soort uitspraak dat De Wever deed tijdens de Grandes Conférences Catholiques: ‘Wie in deze zaal gelooft echt dat Rusland de oorlog zal verliezen?’ – ervan uitgaande dat niemand in de zaal dat geloofde. In de diplomatie moet je met zulke uitspraken voorzichtig zijn. Als je te vroeg roept dat de keizer geen kleren aan heeft, riskeer je dat de iedereen verontwaardigd protesteert dat de keizer wél kleren aan heeft.
 

6. Christophe Degreef besluit zijn stuk op Doorbraak met de woorden: ‘Buitenlandminister Maxime Prévot (Les Engagés) fluit de premier voor de bühne terug over diens uitspraken, maar the word is out. Precies: the word is out.

7. Voor alle duidelijkheid: ik zeg niet dat De Wever gelijk had met zijn timing. In DS (18/3) lees ik de mening van Antonio Costa, de voorzitter van de Europese Raad. Costa erkent dat er vroeg of laat gepraat zal moeten worden met Rusland over vrede in Oekraïne, maar nu nog niet.’ Ik probeer niet eens mij een mening te vormen wie gelijk heeft: De Wever of Costa.

8. Als Zelenkist-aan-de-zijlijn heb ik vooral stukjes geschreven tegen Tom Sauer en co die de militaire steun aan Oekraïne wilden stopzetten zodat Europa een ‘neutrale bemiddelaar’ kon worden. Als Europa onderhandelt met Rusland, moet dat zijn als bondgenoot van Oekraïne.

9. Het stuk van Pieter Lagrou in De Standaard (17/3) bevat, op een paar polemische punten na, een degelijke argumentatie tegen De Wever. Lagrou denkt dat Oekraïne de oorlog zal winnen, misschien al in 2026 maar zeker vanaf 2027, en dat er dan in Rusland een regimewissel zal plaatsvinden. Lagrou somt alle sterke punten op van Oekraïne, en alle zwakke punten van Rusland. Ik lees zulke analyses veel liever dan de analyses waarin men, vaak met leedvermaak, alle zwakke punten van Oekraïne opsomt en alle sterke punten van Rusland. Maar wat ik graag lees, heeft weinig invloed op de werkelijkheid.

10. Tim Haesebrouck (DS 16/3) vat het in zijn opiniestuk goed samen: ‘Als we Rusland te zwak inschatten, riskeren we zelfgenoegzaamheid … Tegelijkertijd mogen we Rusland niet als te sterk inschatten, want dan riskeren we moedeloosheid.’ Ja, het beste is als we Rusland helemaal juist inschatten. Gelukkig moet ik dat niet doen.

11. De Oekraïense frontlijn is al bijna vier jaar geblokkeerd, en zonder doorgslaggevende argumenten, ga ik ervan uit dat dat binnen twee jaar nog zo zal zijn, zoals men in de meteorlogie, op kortere termijnen weliswaar, spreekt van de ‘persistentie van het weer’.

12. Het was misschien allemaal anders geweest als het Westen vanaf dag één een veel massaler militaire steun had gestuurd naar Oekraïne, of als het onmiddellijk in één keer een radicale economische boycot had toegepast. Maar ik kan mij allerlei redenen – ook goede – voorstellen waarom dat niet is gebeurd.

13. De situatie zou er voor Oekraïne een stuk rooskleuriger uitzien, mochten de VS zich met hun volle militaire gewicht achter Oekraïne blijven plaatsen. We weten ondertussen dat dat zo niet is. In de VS wordt de analyse gemaakt dat de belangen van Oekraïne slechts heel gedeeltelijk samenvallen met die van de VS.

14. De Europese leiders beseffen wel dat de belangen van Europa en die van Oekraïne grotendeels samenvallen. Dat zijn in de eerste plaats geopolitieke belangen. Oekraïne heeft Europese steun en garanties nodig tegen Rusland. Europa kan zich geen overwinning van Poetin veroorloven, want die zou een aanzet kunnen zijn voor verdere Russische avonturen. De toekomstige veiligheid van Europa zal mee bepaald worden door de kracht van het Oekraïense leger.

15. Er zijn ook verschillen in de belangen van Europa en die van Oekraïne. Voor Oekraïne is de territoriale integriteit van het land een halszaak, voor Europa niet. Voor Oekraïne kan de economische boycot van Rusland niet radicaal genoeg zijn, voor Europa ligt dat anders. Voor Oekraïne heeft de toetreding tot de EU onmiddellijke voordelen; voor Europa zal het in een eerste fase vooral veel geld kosten.

16. Europa moet de militaire en economische steun die het aan Oekraïne geeft niét gebruiken als chantagemiddel om Oekraïne tot een inschikkelijker houding te brengen. Dat zou respectloos zijn tegenover de heldenmoed van het volk. Internationale politiek is ook 20 procent moraal. Maar Oekraïne moet er rekening mee houden dat die steun, bovenop het verlies dat Europa lijdt door de boycot die het zelf organiseert, niet onbeperkt is. Die steun kan misschien nog worden opgevoerd, maar kan realistisch gesproken kan die niet worden verdubbeld of verdriedubbeld.

17. De Europese leiders zijn begrijpelijkerwijze bang van directe onderhandelingen met Rusland. Het is makkelijker om in het Europees Parlement vastberaden taal te spreken tegen Poetin, dan om hem aan de onderhandeltafel tegen te komen. Iedereen weet op voorhand dat Poetin heel veel skin in the game heeft en dus tot de allergrootste koppigheid geneigd zal zijn. Je krijgt de indruk dat sommige Europese leiders bij de gedachte aan onderhandelingen even bang zijn van de koppigheid van Poetin als van hun eigen toegeeflijkheid als het erop aan komt. Maar angst is een slechte raadgever. 

18. Onderhandelingen moeten van twee kanten komen. Wat heeft Europa dat het Rusland kan aanbieden – in samenspraak met Oekraïne: 1) een uitweg uit een uitzichtloze situatie; 2) een min of meer gelijkspel tegenover de bevroren frontlinie dat kan worden verkocht als een overwinning; 3) herstel van economische betrekkingen van wederzijds voordeel.

19. Voor economisch herstel is goedkope energie nodig, en als we die, na een duurzame vrede, uit Rusland kunnen betrekken, moeten we dat niet nalaten. In Knack lees ik: ‘Wie beweert dat Russisch gas goedkoop is, is totaal misleid.’ Dat betwijfel ik, maar ik begeef mij niet in een welles-nietes   discussie over ecologie. We moeten natuurlijk geen duur Russisch gas meer kopen de dag dat we voldoende goedkope windenergie hebben om onze industrie en al de rest draaiende te houden, maar dat zal nog wel even duren.

20. Maakt Europa dezelfde fout als voor de oorlog als het zich zich opnieuw ‘afhankelijk’ maakt van Russisch gas? Daar moet inderdaad  over worden nagedacht. Het is beter om verschillende leveranciers en gediversifieerde energiebronnen te hebben dan maar één leverancier en één energiebron. Maar de kwestie van de afhankelijkheid speelde dubbel. Als Europa geen afnemer was geweest van Russisch gas, had het ook dat Russisch gas niet kunnen boycotten. Poetin kan met zijn gasvoorraad mogelijk chantage uitoefenen op Europa, maar bij de Oekraïne-oorlog kwam de gas-chantage van de twee kanten: Rusland dat soms weigerde te leveren, en Europa dat steeds minder gas wilde afnemen. En mochten we bij een toekomstig conflict weer van goedkoop Russisch gas naar duurdere energie moeten overschakelen, dan is dat geen reden om ondertussen ook voor duurdere energie te kiezen.

21. In de Kamer heeft Magnette een toespraakje gehouden waarin hij de recente uitspraken van Bart De Wever over Oekraïne ‘hallucinant’ en ‘defaitistisch’ noemt omdat ze ‘perfect beantwoorden aan de wensen van Vladimir Poetin en omdat ze België helemaal achter Donald Trump laten aanlopen.’ Het is een mooi voorbeeld van Latijnse retoriek. Zie hier. Het antwoord van Bart De Wever is ook mooi, maar zakelijker, met een echt citaat. Zie hier.


Bijlage
De uitspraken van De Wever in L’Echo en elders

‘Europa is de enige die Oekraïne nog steeds financieel steunt zonder aan de onderhandelingstafel te zitten. We kunnen wel blijven zeggen dat we deze oorlog zullen winnen maar militair gezien is dat niet waar: naar mijn mening zal er een bevriezing komen langs de frontlijn, zoals tussen Noord- en Zuid-Korea. Wat heeft het voor zin om deze oorlog te verlengen zonder een duidelijke en beslissende overwinning?’  

‘We mogen Oekraïne niet in de steek laten. Het moet een soeverein, democratisch land blijven dat zichzelf kan verdedigen, en we moeten het in de Europese familie onderbrengen. Daarover valt niet te onderhandelen. De vraag is wat we Rusland te bieden hebben opdat het dit zou accepteren. Want we kunnen ze niet dwingen, zelfs niet als men ons die illusie probeert te verkopen. Dat zou het geval zijn als het Westen verenigd was, maar dat is het niet, en Poetin weet dat.   

‘De Chinezen profiteren van de toegang tot goedkope fossiele brandstoffen, de Verenigde Staten verdienen geld door ons de wapens te verkopen die aan Oekraïne worden geleverd. We verliezen op alle fronten. Het conflict moet beëindigd worden in het belang van Europa. Zonder naïef te zijn over Poetin. Dat is een fout die we nooit mogen herhalen. We moeten ons herbewapenen en de grens bewapenen. En tegelijkertijd moeten we de betrekkingen met Rusland normaliseren en weer toegang krijgen tot goedkope energie. Dat is gezond verstand. Privé zeggen Europese leiders dat ik gelijk heb maar niemand durft het ook hardop te zeggen.’

 ‘Aangezien we niet in staat zijn om Poetin te bedreigen door wapens naar Oekraïne te sturen en we Rusland niet economisch kunnen versmachten zonder de steun van de Verenigde Staten, blijft er slechts één methode over: een deal sluiten.’



maandag 16 maart 2026

De gehoorzame vrouw, e.a.


De gehoorzame vrouw
       Van de babyboomers, blijkt uit een ondezoek, vindt 13 % van de mannen dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is een kleine minderheid en dat kan kloppen. Ik ben zelf van de babyboomergeneratie en ik heb nooit gedacht dat mijn vrouw mij moet gehoorzamen. Ik heb een vooroordeel tegenover iedereen die zoiets denkt of zegt.
  
     Toen Charlie Kirk was doodgeschoten, heb ik een en ander over die rechtse propagandist opgezocht. Ik zag enkele filmpjes en las enkele van zijn uitspraken, en een ervan was dat een vrouw haar man moest gehoorzamen. Op slag had ik geen interesse meer voor de man. Ik veronderstelde niet eens dat zijn huwelijk ook werkelijk op zo’n eenzijdige gehoorzaamheid gebouwd was – dat kan ik niet weten, every marriage has its secrets   maar alleen het feit dat hij zoiets zéi, niet in 1850 of in 1950, maar in 2020 was voor mij genoeg. Ik heb er geen bezwaar tegen dat men bij een protestants huwelijk de formule preveld van het Book of Common Prayer (1549) met het voorschrift dat een vrouw haar man moet ‘love, cherish and obey’. Maar je kunt die woorden niet herhalen, vind ik, in politieke propaganda.
      Nu lees ik dat van de generatie Z – de generatie van mijn zoon – 31 procent van de mannen vinden dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is problematisch. Komt het door de ‘islamisering’? Is het de invloed van Andrew Tate? Zien we hier een reactie tegen de excessen van woke? Is er een opstand aan de gang van jonge mannen tegen de feminisering van de maatschappij en haar waarden? Dat is allemaal best mogelijk. Maar misschien ook gaat het meer om een leeftijdsverschil dan om een evolutie. De babyboom-antwoorden komen van bezadigde mannen op leeftijd, die van Gen Z van overmoedige jongens die nog niet getemd zijn door het leven en het huwelijk.
     En dan moeten we bij zo’n onderzoek ook nog proberen te raden hoe de respondenten de hun voorgelegde vragen hebben geïnterpreteerd.  Ik legde de vraag voor aan mijn moeder. ‘Een vrouw moet haar man altijd gehoorzamen, ja of nee?’ Ze wist ze niet goed wat ze moest zeggen.  Uiteindelijk zei ze: ‘Man en vrouw moeten samen beslissingen  nemen. Dat is al wat anders dan een antwoord met ‘ja’ of ‘nee’, alhoewel het vanuit de logica een ‘nee’ inhoudt als je doordenkt. Maar mogen we ervan uitgaan dat alle respondenten altijd logisch doordenken?
     Er is nog een andere kant aan de zaak. In het onderzoek werd ook een andere vraag voorgelegd: ‘Een echtgenoot zou het laatste woord moeten hebben bij belangrijke beslissingen in huis, ja of nee?’ Dat is een vraag van een heel andere soort, en toch is er amper een verschil tussen de antwoorden. Nu zegt 33 procent van de babyboomers ‘ja’ op die stelling in plaats van 31 procent. Het lijkt er wel op alsof ze die twee vragen door elkaar halen.
     De vraag over wie het laatste woord moet hebben is vrij moeilijk te beantwoorden. Het antwoord van mijn moeder – ‘samen’ – is hier niet bruikbaar omdat gevraagd wordt wat er moet gebeuren als men er samen niét uitraakt. Je kunt tussen man en vrouw geen democratische stemming organiseren, want ze bezitten elk de helft van de stemmen. Ik meen te weten hoe het er in veel gezinnen aan toe gaat: over sommige kwesties heeft de man het laatste woord, en over sommige kwesties heeft de vrouw het laatste woord.
      Er bestaat een oud cafémopje. Een man zegt: ‘Ik mag alles beslissen over de binnenlandse en buitenlandse politiek, en mijn vrouw over al de rest.’ Maar meestal is de toekenning van het laatste woord een veel ingewikkelder zaak, waarbij gewoontes, karakter, taakverdeling, kennis, humeur van het moment, en ‘skin in de game’ allemaal een rol spelen. Voor de renovatie van ons appartement hebben mijn vrouw en ik samen een hele reeks beslissingen moeten nemen. Vaak wisten we achteraf niet eens hoe we tot die beslissing gekomen waren. Sommige kwesties lieten we over aan de architecte. Maar er waren ook kwesties waarvan ik tegen mijn vrouw op voorhand zei: ‘Ik zal nu eerst zeggen wat ik ervan denk, maar wind je niet op want hierover heb jij het laatste woord.’ Ik kan toch moeilijk mijn mening over keuze van behangpapier even zwaar laten doorwegen als die van mijn vrouw die weken piekert over de verschillende tinten wit en groen in de slaapkamer.
     Ik heb van Steven Pinker geleerd dat een van de manieren om een speltheoretisch dilemma op te lossen erin bestaat om zonder veel nadenken te grijpen naar het meest in het oog springende antwoord. Dat weerspiegelt niet noodzakelijk het werkelijke gedrag van mannen en vrouwen; het is gewoon het gemakkelijkste, meest stereotiepe antwoord, zeker als de vraag theoretisch wordt gesteld en men er niet, zoals ik, een paar uur over nadenkt.
      Mijn veronderstelling is nu dat het traditionele antwoord – ‘de man beslist’ – als eerste opkomt bij alle ondervraagde generaties, als een soort referentiepunt. Maar de babyboomers zijn opgegroeid in een tijd dat vrouwenemancipatie een onbezoedeld ideaal was. Zij verwerpen het traditionele antwoord als gevolg van  een bewuste inspanning. De Gen Z’ers zijn opgegroeid in een tijd dat feminisme allerlei bijbetekenissen heeft gekregen. Sommigen van hen 
 31 tot 33 procent  verwerpen het antwoord van de babyboomers, en dat doen ze eveneens als gevolg van een bewuste inspanning. Maar noch de boomers noch de Z’ers gaan op het enquêteformulier een klein opstel schrijven over hoe het nu echt zit met die beslissingen tussen man en vrouw. 

 

Verkeersdeskundigen
     Van alle deskundigen heb ik het minste vertrouwen in verkeersdeskundigen. Dat komt misschien omdat ik alleen Kris Peeters ken die in die hoedanigheid een column heeft in De Standaard. Die man, heb ik de indruk, streeft niet naar optimaal openbaar vervoer, maar naar maximaal openbaar vervoer. Maar in De Standaard van 12 maart stond nu een column van twee economen dat meer waard was dan tien stukken van Peeters.
      In het begin van hun stuk schrijven de economen dat de politieke discussie zich niet mag beperken tot ‘individuele verhalen van mensen die aangewezen zijn op het openbaar vervoer.’ Welnu, ik heb zelf zo’n individueel verhaal. Indertijd legde ik het traject Menen – Grasheide verschillende keren per jaar af met het openbaar vervoer. Ik raakte tot in Mechelen met de trein, en vandaar was er elk uur een bus naar Grasheide. Ik had meestal 2 tot 3 medepassagiers. Die bus rijdt nu maar twee keer per dag meer, voor jongelui van het platteland die in Mechelen op school willen gaan, en voor jongelui van Mechelen die op het platteland op school willen gaan.  Zelf moet ik voor die verplaatsing een andere regeling zoeken, door bijvoorbeeld mijn agenda af te stemmen op die van mijn vrouw.
     En nu zeggen die professoren dat de politieke discussie niet mag worden beperkt tot mijn verhaal. Ze hebben natuurlijk gelijk. Ze leggen ook uit waar de oplossing ligt: economisch berekenen van optimale tarieven en frequenties, kostprijs afdekken door ticketverkoop, differentiatie tussen spits- en daluren, samenwerking met taxibedrijven en Uber, rekeningrijden voor auto’s. Het heeft geen zin, schrijven zij, om het  algemeen prijs- en frequentiebeleid af te stemmen op de groep van de zeer lage inkomens. Voor hen moet er een specifiek beleid zijn met bijvoorbeeld gerichte toelagen. 


zondag 15 maart 2026

VDB over Jambon en de pensioenhervorming


Het chagrijn van Vandenbroucke
 
     Hier thuis ben ik het die moet sussen als Frank Vandenbroucke op het scherm komt. ‘Wat een stuk chagrijn,’ zegt mijn vrouw, waarop ik dan soms antwoord: ‘Misschien ziet hij er alleen zo uit.’ Maar nu heeft Vandenbroucke in Knack iets gezegd dat bij mij slecht gevallen is. ‘Als de boodschap van Jambon is dat vrouwen harder moeten werken, vind ik dat verwerpelijk.’ Kijk, zo spreek je niet over ‘de boodschap’ van een collega in de regering en in het kernkabinet, hoe graag je een politieke rivaal ook een voetje wil lichten.
       Ja, als het moet, kan ik ook keet schoppen over een ongelukkig zinnetje.
       Ik neem het iemand als Heleen Debruyne niet kwalijk als ze Jambon verkeerd citeert of begrijpt. Natuurlijk heeft die niet gezegd ‘dat vrouwen zich moeten aanpassen’. Maar hij heeft echt wel iets gezegd dat daarop leek. Hij werd in Terzake geconfronteerd met het vooruitzicht dat veel vrouwen vanwege hun loopbaan een pensioen-‘malus’ zouden krijgen. Zo’n vooruitzicht is speculatief, weet Jambon, omdat ze uitgaat van ongewijzigd gedrag. Dat gaat in tegen een basisinzicht van de economie. Dus had Jambon gelijk toen hij antwoordde: ‘Vrouwen zullen zich aanpassen aan de pensioenregels.’ Om helemaal correct te zijn had hij moeten zeggen: ‘Sommige vrouwen zullen zich aanpassen aan de pensioenregels,’ want er is ook nog zoiets als ‘verschillende elasticiteit’.
     Maar Debruyne mag dat gerust anders zien. Ze heeft met de regering niets te maken. Ze moet zich niet verdiepen in de technische kanten van het dossier. Ze moet geen rekening houden met de basisinzichten van de economie. Ze mag zich in een live debat met een politicus proberen staande te houden door wat kort door de bocht te gaan, en door een opponent – hoe zal ik het zeggen: af en toe? – te onderbreken. Iedereen roeit met de riemen die hij of zij heeft. En waarom zou een feministe als Debruyne niet wantrouwig mogen zijn tegenover de motieven van Jambon?
     Maar wat geldt voor Debruyne, geldt niet voor Frank Vandenbroucke. Die weet alles af van economie, en ook alles van het pensioendossier, waarvan hij met pijn in het hart moet zien dat het nu door iemand anders dan hemzelf wordt beheerd. Hij is lid van de regering. Hij heeft de hervorming mee goedgekeurd, en hij is prima op de hoogte van  ingecalculeerde gedragsverandering. En dan doet hij zo’n laffe hypotetische uitspraak. Als, als … zoiets kan ik ook. ‘Als het de bedoeling van Vandenbroucke was om een collega te belasteren, vind ik hem een stuk chagrijn.’ Maar alleen áls het zijn bedoeling was, nietwaar.

                                                                ***

    En ondertussen wordt met al die verontwaardiging vergeten over welke maatregel het nu eigenlijk gaat. Wouter Duyck vatte het goed samen op X. 

Dus. De pensioenhervorming voorziet dat 35 halftijds gewerkte jaren volstaan om vervroegd met pensioen te kunnen gaan zonder malus. En, zorgverlof, moederschapsrust, ziekte en tijdelijke werkloosheid tellen mee als gewerkte periodes. En dàt is in België een ‘sociaal drama’. Mocht u zich afvragen waarom belastingen hier nóóit genoeg zullen zijn.

        Helemáál juist is de samenvatting niet. Met 35 halftijds gewerkte jaren komt je er niet. Je zou gedurende die 35 jaar gemiddeld 65 procent moeten hebben gewerkt om vervroegd en zonder malus op pensioen te gaan. Maar met nu eens de helft en dan weer driekwart kom je er wel, als je het een beetje uitrekent.

                                                                *** 

    Het is overigens begrijpelijk dat er weerzin bestaat tegen het invoeren van een ‘malus’. Het klinkt als een straf omdat men niet genoeg gewerkt heeft. Toch zit er een eenvoudige logica en een elementaire rechtvaardigheid achter. Neem het voorbeeld van mijn moeder, dat ik hieronder sterk vereenvoudigd weergeef.
     Mijn moeder begon eind 1948 te werken als lerares en stopte ermee in 1954, om ‘zorgtaken in het gezin’ uit te voeren. Ze kon dus maar 6 volledige loopbaanjaren voorleggen. Dat was maar 1/5 van de vereiste loopbaan, dus had ze ook maar 1/5 van de sociale zekerheid betaald, en had ze, op haar zestigste, recht op maar 1/5 van haar pensioen. Als dat goed was uitgerekend voor de gemiddelde levensduur van een lerares, moesten haar bijdragen gemiddeld volstaan om dat kleine pensioen te betalen voor de rest van haar leven. Maar dat gaat niet als mijn moeder haar pensioen met alle geweld vijf jaar vroeger had willen beginnen ontvangen, op haar vijfenvijftigste?  Dan werd de pensioenperiode vijf jaar langer dan gepland en werd de totale som die moet worden uitgekeerd, groter. Op zo’n moment klopt de rekening niet meer.
      Men kan zoiets op twee manieren oplossen. De ene manier is het invoeren van een ijzeren regel: niemand krijgt zijn pensioen ook maar een dag vroeger dan de wettelijke pensioenleeftijd. Of: men laat de burger kiezen: wachten tot de pensioenleeftijd om het volledige bedrag te krijgen, dan wel een wat kleiner bedrag enkele jaren eerder ontvangen. Zonder dat verminderd bedrag profiteren de vervroegde pensioenmensen van degenen die de wettelijke pensioenleeftijd afwachten.
     ‘Profiteren’ … stel je voor dat Jambon dát woord zou hebben gebruikt.



zaterdag 14 maart 2026

Niet-productieve arbeid, e.a.


Productieve en niet-productieve arbeid
     Er is naar aanleiding van de pensioenhervorming veel gedebatteerd over de ‘zorgtaken’ in en rond het gezin die vaak door vrouwen worden opgenomen. Een praktische vraag daarbij is of die zorgtaken financieel zouden moeten worden vergoed, met een soort premie voor ‘moeder aan de haard’. Een meer theoretische vraag is of die ‘zorgtaken bijdragen tot de economie.’ Dat hangt er er onder andere van af wat je verstaat onder ‘bijdragen’ en onder ‘economie.’
       Economen als Karl Marx en Friedrich Engels hebben daar diep over nagedacht. Zij maakten een onderscheid tussen ‘productieve’ en ‘niet-productieve arbeid.’ De finesses ben ik vergeten, maar ik herinner mij wel een brochure die ik daar 50 jaar geleden over gelezen heb. Die brochure bevatte, naar ik mij herinner, vooral teksten van Engels. Nu was daar een treffende redenering bij. Engels – als hij het was – argumenteerde dat men het masturberen van een bankbediende niét als productieve arbeid kon beschouwen, ook al zorgde dat ervoor dat hij de volgende dag met een fris hoofd op kantoor verscheen. Ik ben niet zeker van de details. Ik meen mij te herinneren dat die bankbediende – als het een bankbediende was – een ‘blockhead’ werd genoemd.
     Ondertussen is die borchure, Sunschrift nr 26, niet meer in mijn bezit. Ik zal ze ook niet op het internet gaan zoeken. Maar ik wilde wel eens weten of mijn chatbots mij aan het oorspronkelijke citaat konden helpen. Dat konden ze zeker. In één twee drie kreeg ik drie verschillende citaten, in onberispelijk Duits, waarin het over ‘Onanie’ of over ‘selbstbefriedigende Tätigkeit’ ging, met bronvermelding erbij. De ene chatbot had het citaat gevonden in een brief van Engels, een andere in een brief van Marx, en nog een andere in Theorien über den Mehrwert, Teil 1. Wanneer ik dan die brief of die Theorien consulteerde, was dat citaat natuurlijk niet te vinden. Toen ik de chatbots daarop wees, gaven ze deemoedig hun fout toe en begonnen te ouwehoeren over studentenorganisaties in de jaren 70 die allerlei apocriefe Marx-citaten in omloop hebben gebracht.
       Ik heb de kwestie ondertussen al lang onder de rubriek valse herinneringen ondergebracht. Maar wat er precies vals is aan de herinnering weet ik niet. Ik kan niet álles verzonnen hebben. Het waarschijnlijkste scenario is dat de tekst ergens een voetnoot bevatte die niet van Marx of Engels was, maar van iemand anders. Misschien geef ik de redenering zelf niet juist weer. Misschien kwam die ‘blockhead’ in een andere context ter sprake. Maar ik meen mij wel de jongensachtige toon van de tekst te herinneren die Marx en Engels tot op hoge leeftijd bleven gebruiken in hun briefwisseling, ook als ze over geleerde onderwerpen bespraken.

Toprestaurant Noma
     Wij hebben vorig jaar enkele dagen rondgefietst in Kopenhagen. Wij zijn daarbij ook een kijkje gaan nemen bij het toprestaurant Noma. We kozen een dag uit dat het restaurant gesloten was, zodat we ongestoord wat in de buurt konden rondlopen en door de ramen het interieur konden bespieden. Nu verneem ik uit de pers dat de chef van het restaurant zijn personeel terroriseerde, vernederde en sloeg. Daar hebben wij dus niets van gezien. We kunnen dus naar waarheid zeggen: ‘Wir haben es nicht gewusst.’

De PVDA en Stalin
     Ik sprak er laatst mijn tevredenheid over uit dat PVDA-leider Raoul Hedebouw eindelijk zo ver was dat hij in een interview Stalin en Mao totalitaire massamoordenaars noemde. Hedebouw zei ook nog dat ze wel niet in dezelfde hellekring als Hitler verkeerden, maar dat is een theologisch detail dat mij niet bezighoud.  Een nadeel van die nuance is echter dat men nu de PVDA kan blijven lastig vallen over het onderscheid tussen de massamoordenaars. Joel De Ceulaer bijvoorbeeld vindt dat de PVDA ‘ook de laatste stap moet zetten en het verschil met Hitler moet opheffen.’ De vraag is nu: waarom schrijft Joël dat? Mijn uitleg is dat De Ceulaer dat meent, en bovendien een pestkop is. Trotskist Ludo De Witte heeft een andere verklaring:

De strategie van mainstream commentatoren en journalisten zoals De Ceulaer om de PVDA als achterbaks en verdacht te marginaliseren verwondert niet: daar worden ze voor betaald. [Mijn cursivering]

     Ik vind mijn uitleg beter.

China-pater
     Als we binnenkort verhuizen naar ons appartement, zullen we de meeste van onze boeken niet mee kunnen nemen. Ik heb drie  plankjes China-boeken, en daar zullen er heel wat van sneuvelen. De deeltjes Simon Leys neem ik mee, maar wat doe ik bijvoorbeeld met Jung Chang? Neem ik Han Suyin mee uit nostalgie? Of Fanshen van William Hilton?
     Een van de boeken die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zal meenemen is dat van de franciscaanse pater Gabriel Boutsen. Mijn vader kreeg het cadeau van een bevriende abt van die orde. Het boek is van 1963, maar ik moet het gelezen hebben rond 1990. Het heet De vier China’s, waarmee Boutsen Honkong, Macao, Taiwan en Rood China bedoelt. Ik herinner mij nog veel van wat in het boek staat. De pater heeft rondgereisd in het Oosten en met veel mensen gesproken, zelfs met de legendarische Chiang Kai-shek.
      Een van de obsessies van de pater is de ontucht in de wereld. Hij moet op zijn reizen nogal wat straatprostitutie gezien hebben. Hij wordt niet moe van te herhalen dat de andere godsdiensten – Islam, Hindoeïsme, Boeddhisme – wel mooie praatjes hebben over goede zeden, maar dat alleen de christenen en de Kerk echt iets dóen om de ontucht te bestrijden.
     Het voornaamste doel van de pater was om de opkomende sympathie voor communistisch China in het Westen te bestrijden. Het was de tijd dat onze Koningin Elisabeth naar China reisde en bij haar terugkeer verklaarde dat de Chinese bevolking ‘bijna’ zo goed leefde als de Belgische. De pater kon in tegenstelling tot Elisabeth het grootste van de vier China’s niet bereizen, en moest daarom op zoek gaan naar experten. Hij vertelt hoe hij in Hongkong in het gezelschap komt van een groep Westerlingen en de volgende vraag stelt.

 ‘Mijne heren, vrienden in Chicago en de Mid-West hebben me gevraagd om naar Amerika terug te keren met een juist beeld over de toestanden van het eigenlijke China … Mensen in Amerika zien alles, horen alles, lezen alles, maar ze zeggen als besluit: “Nu weten we niets meer. Ga jij maar eens kijken” … Daarom, mijne heren, ik zoek een man, hij moge zijn een atheïst, een vrijmetselaar, een jood, een gestampte heiden. Ik zoek een man die (1) vroeger in China geweest is, (2) perfect Chinees spreekt en verstaat, (3) Chinees leest en schrijft, en (4) die zich uitsluitend met de studie en de wetenschap van het Chinese communisme bezighoudt.’ Ik dacht Zo’n man hebben ze toch niet,maar ze antwoorden met drieën tegelijk: We hebben zo’n man voor jou, met de schaar geknipt.’ Ik vroeg: Is het een atheïst, een francmaçon, een ongelovige? Wel, zeiden ze, het is een jezuïet. Ik was totaal uit mijn lood geslagen. Je verwacht je aan een francmaçon en ze je gooien je daar een jezuïet voor de voeten.

     En dan vertelt de pater over de ontmoeting met de expert.

 ‘Het schijnt, eerwaarde,’ zie ik bescheiden, dat u een en ander weet over het communisme op het Chinese vasteland. De de man sloot zijn ogen, opende heel wijd de armen en zei: ‘Daar weten we alles van.’ Ik antwoordde flitsvlug: ‘You are a true Jesuit’.

     Mooi toch, die milde naijver tussen de verschillende religieuze ordes.
     Ik heb dat allemaal 35 jaar geleden gelezen, maar herinnerde mij die woorden bijna letterlijk. Ik wist ook dat die jezuïet, van wie de naam niet wordt vermeld, Laszlo Ladany moet zijn, van wie ik rond dezelfde tijd het boek over The communist Party of China and Marxism had gelezen. Maar, nu komt het, ik kon die passages die ik mij zo goed herinnerde niet terugvinden in het boek van mijn franciscaan. Ik heb het boek de laatste vijf jaar zeker tien keer uit de kast gehaald, en bladzijde per bladzijde bekeken, en niet gevonden wat ik zocht.
     Maar, en nu komt het opnieuw, gisteren neem ik het boek nogmaals ter hand, en op de titelbladzijde zie ik een aantal notities in potlood, waaronder: p.136-147: Ladany. Hoe is dat nu mogelijk? De waarschijnlijkste verklaring is dat ik het boek niet al te lang geleden – vorig jaar bijvoorbeeld – opnieuw doorbladerd heb, toen het citaat wél gevonden heb, de vondst meteen genoteerd heb, en daarna alles weer vergeten ben.  Maar waterdicht is die verklaring niet. De titelbladzijde bevat nog andere notities en die zijn maar al te duidelijk van 1990, toen ik nog veel wist, en niet van 2025, toen ik al veel vergeten was. Dat Ladany-notitie staat daar waarschijnlijk al van 1990.
     Is het mogelijk dat ik bij het doorbladeren van het boek iedere keer opnieuw de titelbladzijde heb overgeslagen? Dat kan, maar dat verklaart niet dat ik geen enkele keer de passage zelf gevonden heb, aangezien die toch waarlijk niet verstopt is, meer dan tien bladzijden telt, en in de inhoudstafel vermeld staat als 
‘Grote Hongkong-dialogen. Misschien heb ik al die keren veel minder nauwkeurig gezocht dan ik mij herinner. Of misschien heb ik al die keren een ánder boek doorbladerd. Maar welk boek?
     In elk geval, nu heb ik gevonden wat ik zocht, en de woorden die ik citeer kon ik letterlijk overtypen, zonder mij te moeten verlaten op mijn onbetrouwbare geheugen.

Gsm-wijsheid
      Een expert wiens naam ik vergeten ben beweerde dat een gsm-verbod op school het probleem niet 
fundamenteel aanpakt. Waar het op aankwam was dat de leerlingen ‘gsm-wijsheid’ werd bijgebracht. Welnu, die wijsheid kan, geloof ik, in een twee woorden samengevat: beware doomscrolling. Daar is geen volledig vak voor nodig, en ook geen volledig lesuur. De grootste fout die ikzelf maak bij mijn gsm-gebruik komt overigens door mijn falend geheugen. Ik moet iets opzoeken, klik op het schermpje, en ben ondertussen niet alleen vergeten wát ik moest opzoeken, maar ook dát ik iets moest opzoeken. En dan druk ik op de F van Facebook en ben voor enkele minuten vertrokken. Het zou wellicht van wijsheid getuigen om die F te verstoppen op het derde of het vierde schermpje van mijn gsm. 

Speedboten, helicopters en treinen
     Toen mijn ouders  in 1954 een bioscoop openden in mijn geboortedorp waren er geloof ik nog drie concurrerende zalen, maar na enkele jaren bleven er maar twee zalen meer over, allebei met een naam die verwees naar de antieke oudheid: de Forum van mijn ouders, en de Olympia van de concurrent. De productiehuizen, en dus de films, werden bij gentlemens’s agreement onder elkaar verdeeld: wij kregen Metro Goldwyn Mayer en Universal, de concurrent kreeg Gaumont en 20th Centrury Fox. Als gevolg daarvan zag je bij de concurrent The Sound of Music en James Bond, terwijl wij Mary Poppins en de Man From U.N.C.L.E. 
hadden, met Napoleon Solo en de enigszins androgyne Illya Kuryakin*. Die laatste films waren eigenlijk niet meer dan uitgesponnen afleveringen van een televisiefeuilleton.
     Guy Ritchie heeft 50 jaar later van de Man From U.N.C.L.E.  een echte speelfilm gemaakt. Ik wist dat die zou tegenvallen, maar heb toch gekeken. Het ergste was de scène met speedboten. In zo’n film woont de geniale slechterik – dit keer een vrouw – op een eiland, en men begeeft zich naar dat eiland met behulp van een speedboot. Ik gooi dan geen schoen naar de televisie, maar roep heel luid: ‘Saai!’ De regel is eenvoudig: scènes met speedboten zijn saai, scènes met helikopters zijn fraai, vooral als die helicopters vanuit de diepte op lijken te stijgen. Ik denk aan Blue Thunder, We Were Soldiers, en een derde film met helikopters waarvan de naam mij nu niet te binnenschiet.
      Pas op, die helikopters kunnen ook saai zijn. Managers met aktetassen bijvoorbeeld die naar een wachtende helikopter lopen en hun hoofd intrekken uit irrationele angst voor de draaiende schroeven. Het ergste is als er iemand aan een vliegende helikopter hangt met de bedoeling om naar binnen te klimmen en daar amok te maken. Dat is gruwelijk, even gruwelijk als scènes waarin de protagonist en de antagonist vechten op het dak van een trein. In de laatste Indiana Jones-film The Dial of Destiny wordt eindeloos rondgerend op het dak van een trein, terwijl de charme van de eerste Indiana-Jones film juist was dat die obligate scènes zo snel mogelijk werden afgewerkt. 

* Zie ook mijn stukje hier.