zondag 20 juni 2021

Corona en privacy

 


       Mijn tweede vaccinatie is al bijna twee weken achter de rug. Voor mij is het coronaverhaal ongeveer afgelopen. En ik zie bij Van Gucht – die de zaken breder bekijkt – hetzelfde gevoel opduiken. In Het Nieuwsblad van gisteren zegt hij: ‘Over anderhalve week worden we als groene zone ingekleurd … het gevolg van de ijverige vaccinatiecampagne … tegen 13 juli onder de kaap van 100 patiënten op intensieve zorg … straks een erg laag sterftecijfer.’
     Het is natuurlijk nooit helemáál afgelopen. ‘Helemaal geen doden meer is fictie,’ zegt Van Gucht nog. ‘Er zijn fragiele mensen van wie het immuunsysteem zo verzwakt is dat ze zelfs met een vaccin het virus niet kunnen afweren … In de herfst en winter gaan we uitbraakjes, misschien zelfs kleinere golven, zien. Dat is onvermijdelijk.’ Ik neem in mijn optimisme aan dat we voor die uitbraakjes en kleinere golfjes de cafés niet hoeven te sluiten, geen afstandsonderwijs hoeven te organiseren, geen avondklok hoeven in te voeren, geen mondkapjes hoeven op te zetten, geen bubbels hoeven te respecteren, en geen Van Ranst op de televisie hoeven te aanhoren. Dat laatste zijn we nu trouwens al enkele weken ontwend. We hebben het overleefd.
     Ik hoop ook dat het coronageruzie zal ophouden – de nijdige discussie tussen de  rekkelijken en de preciezen. Vooral op de sociale media nam die heftige vormen aan. Op het beleidsniveau was dat minder het geval. Ik was blij dat er naast een precieze Vanden Broucke een rekkelijke Jambon stond, maar zo groot zal het verschil tussen die twee zelfs binnenkamers niet geweest zijn. Zo veel verschillende beleidsmogelijkheden waren er niet en de brede bevolking – die ook uit rekkelijken en preciezen bestond – kon zich min of meer wel vinden in de bereikte compromissen.
     Wel hou ik een ongemakkelijk gevoel over aan de hele geschiedenis. Een heleboel erg onschuldige gedragingen werden van de ene dag op de andere verboden, en dus tijdelijk tot misdaad verklaard. Of dat verbieden terecht was, kon je als leek eigenlijk niet weten. Je moest de experten en de politici geloven, en hoewel ik die in dit geval ongeveer geloofde, wil ik van dat geloof ook geen algemene regel maken.
     Ik ben weer een stukje wantrouwiger geworden. Neem de veiligheidscamera’s. Als men vroeger ergens zulke camera’s plaatste dacht ik: wat goed, wij zijn weer wat veiliger. Ik denk dat nog altijd. Moordenaars moeten maar niet moorden, dieven moeten maar niet stelen, en snelheidsduivels moeten de verkeersregels maar volgen. Als ze tijdens hun snode daden gefilmd worden, des te beter.
     Maar met corona had men met die camera’s ook de nieuwe reeks tijdelijke misdaden kunnen opsporen. Men heeft het niet gedaan, maar het had gekund: het filmen van mensen op straat zonder mondkapjes, of van stadsbewoners op een bankje in het park, van stellen die sámen een winkel binnenstapten, en van chauffeurs op weg naar hun tweede verblijf. Dag na dag kregen we op de televisie beelden van jongeren en ouderen die door de politie werden gearresteerd omdat ze – beeld je eens in – op een feestje waren. Er werden voor die deelnames aan feestjes zelfs celstraffen gegeven. In Frankrijk was een van de grootste schandalen de ontdekking dat er – pas op – geheime restaurants bestonden.
     Al die coronaverboden waren uitgevaardigd voor onze bestwil. Ik twijfel daar niet aan. Maar er is zoveel dat men voor onze bestwil kan verbieden: tabak, alcohol, vet en suikerrijk voedsel, slecht gepoetste tanden, hedendaagse muziek. En  voor ’t nut van ’t algemeen kan men nog veel meer verbieden: racistische woorden gebruiken, illegalen in je huis opnemen, ongewenst flirten, hout stoken in de haard, te lang onder de douche staan. ’t Zou geloof ik beter zijn als men die zaken niet verbood. Maar als men het toch doet, zou ik liever hebben dat men voor de handhaving van die verbodsbepalingen geen camera’s  inschakelde, of drones,  vingerafdrukafnames, identiteitscontroles, DNA-tests, telefoontaps, internetsurveillance, huiszoekingen, verklikkers, infiltranten of harde ondervragingen op het politiekantoor.
     Ik begin op mijn oude dag verdorie nog belang te hechten aan privacy. De goedaardige dictatuur van Brave New World begint mij meer angst in te boezemen dan de kwaadaardige van 1984.

zaterdag 19 juni 2021

Hoort 'eigenlijk' eigenlijk wel thuis in de moraal?


      Enige tijd geleden zei Guido Lauwaert in Iedereen beroemd iets over het woordje ‘eigenlijk’. Hij vond dat het te vaak gebruikt werd. Misschien heeft hij gelijk, maar ik zou een uitzondering willen maken voor gesprekken en geschriften over moraal en ethiek. Ik had een vriend die op gezellige bijeenkomsten heel veel dronk, daardoor erg spraakzaam werd, maar nadat hij té veel gedronken had, steeds hetzelfde begon te herhalen. Een van de uitspraken die hij dan tientallen keren herhaalde was, dat er ‘eigenlijk geen hogere moraal’ bestond.
     ’t Zou kunnen natuurlijk, dat die hogere moraal ‘eigenlijk’ niet bestaat. Ethiek schijnt een moeilijke materie te zijn. Waar komt moraal vandaan? Van God? Van Darwin? Van de Rede? Van de Wil? Van de ijzeren wetten van de Geschiedenis? En zijn morele regels objectief of  subjectief; zijn ze cultureel of universeel? Bestaat er een algemene regel waaruit de huis-tuin-en keukenregeltjes voor een gewone werkdag kunnen worden afgeleid? Zijn er gradaties in goed en kwaad? Zijn goede bedoelingen belangrijk of telt alleen het resultaat? Heiligt het doel de middelen, zoals Machiavelli beweert, of zijn het de middelen die het doel heiligen, zoals  Locke en Kant beweren? En is dát het wel wat Machiavelli, Locke en Kant over doel en middelen beweren? Je krijgt er een punthoofd van. En dan ben je nog niet aan de morele dilemma’s gekomen, want dáár kun je over discussiëren tot je een ons weegt.
     Een uitweg uit sommige morele discussies wordt geboden door het utilisme*, waarbij pijn en genot, geluk en miserie, tegenover elkaar worden afgewogen. ’t Is een soort kostenbatenberekening waarbij daden en regels als goed worden beschouwd als ze leiden tot het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen. ’t Blijft moeilijk, met die begrippen ‘grootst’, ‘mogelijk’ en ‘geluk’, maar je schiet een heel eind op als je kleinere doelen afbakent. Ludwig von Mises merkt bijvoorbeeld op dat bijna alle politieke partijen economisch hetzelfde doel nastreven: zoveel mogelijk welvaart voor iedereen. Dan wordt het, vindt hij, een technische in plaats van een morele discussie om uit te zoeken welk beleid tot die grote welvaart zal leiden.
     Utilisme kun je heel breed en heel smal definiëren. John Rawls is een bekend tegenstander van het utilisme. Hij ziet zijn ethiek als een alternatief ervoor. Hij vindt dat men moet streven naar het grootst mogelijke geluk niet van het grootst mogelijke aantal, maar speciaal naar het grootst mogelijke geluk van de grootste sukkelaars, van diegenen die er het slechtst aan toe zijn. Zelf zie ik in dat principe slechts een variant van het utilisme**. Er bestaan ongetwijfeld geschriften van Marx waarin die het utilisme als ‘burgerlijk’ of ‘kleinburgerlijk’ verkettert maar voor mij is ook hij een soort utilist***. Zijn redenering over de bittere klassenstrijd en de bloedige revolutie die zal leiden tot de bevrijding van de arbeiders en ten slotte van die van de hele mensheid, lijkt mij een bij uitstek utilistische afweging. De pijn van de slachtoffers wordt ruimschoots beloond door het genot van de vrijheid en de arbeidsvreugde in de toekomst. Het sop is de kool waard. De vreugde om het nieuwe kind maakt de barensweeën goed, ook al was de vroedvrouw wat ruw bij het inknippen van de vagina.
     Een probleem bij dat alles is het volgende. Als je het utilisme erg rechtlijnig toepast, botst het met onze morele intuïties. Je kunt dat illustreren met allerlei gedachte-experimenten. Veronderstel bijvoorbeeld dat je van een gevangen terrorist te weten kunt komen waar hij zijn nucleaire bom geplaatst heeft door zijn kind te folteren?**** Weinigen zullen zo’n foltering goedkeuren ook al geeft de utilitaire berekening een duidelijke uitkomst: de pijn van dat ene kind weegt niet op tegen de pijn van al die andere kinderen die bij een nucleaire ontploffing levend zouden verbranden.
     Of neem een ruimteschip met vier bemanningsleden aan boord: Kuifje, Haddock, Zonnebloem en Wolff. Er is helaas alleen genoeg zuurstof voor drie. We nemen aan dat de bemanningsleden, in tegenstelling tot die van het voornoemde groepje, helemaal vergelijkbaar zijn wat hun leeftijd, karakter, kennis, talenten en gezinssituatie betreft. Dan zou het vanuit utilistisch standpunt geen verschil mogen maken wie van de vier in de ruimte wordt achtergelaten. Het grootst mogelijke aantal voor wie het grootste geluk is weggelegd is hier hoogstens drie, en wíe die drie zijn is onbelangrijk. Toch zouden we het als een morele verdienste aanrekenen als Wolff zich zou opofferen ten bate van Kuifje en de anderen. Waarom eigenlijk? De verdienste zit niet in de redding van de andere drie, want drie worden er toch gered. Zit de verdienste dan in het opofferen zelf? Als je díe lijn tot het einde volgt, komt je uit bij opoffering óm de opoffering als moreel ideaal. Dan moeten we allemaal naar het slotklooster.
     Het beste lijkt mij om het met ethische systemen, zoals ook het utilisme er één is, niet té nauw te nemen, en om ruimte voor reserves te voorzien – reserves die je met het woord ‘eigenlijk’ kunt inleiden*****. Mises zal wel gelijk hebben als hij zegt dat de vrije markt de meeste welvaart voor iedereen verzekert, maar eigenlijk zou ik de vrije markt ook boven een dwangeconomie verkiezen als die eerste een ietsje minder welvaart voortbracht – niet te veel natuurlijk. Rawls sluit zich met zijn extra aandacht voor de minstbedeelden aan bij een lange, eerbiedwaardige traditie, maar eigenlijk is die regel zelfs in onze directe omgeving amper toepasbaar . Ouders bijvoorbeeld  met een begaafd én een minder begaafd kind zullen het geluk van het eerste met hopelijk evenveel inzet nastreven als dat van het andere******. En zeker zijn er situaties waarin je als individu, groep of land het recht hebt geweld te gebruiken om je vrijheid te verdedigen, maar eigenlijk is dat geweld op zich iets slechts, hoe goed de zaak ook is waarvoor het wordt aangewend.
     Dat ‘eigenlijk’ wordt mooi geïllustreerd in de televisiereeks The Americans. De Russische spionnen Philip en Elizabeth vermoorden zonder aarzelen Amerikaanse agenten en Russische overlopers. Maar even vaak vermoorden zij onschuldige omstanders die zich toevallig in the wrong place at te wrong time bevinden. Ze kijken dan schuldig voor zich uit. Ze vinden het eigenlijk jammer van die onschuldige slachtoffers. Hun mental coach, KGB-agent Gabriel, heeft daar begrip voor. ‘You have a conscience, that’s normal.’ Daaruit blijkt dat Gabriel, hoeveel klassevijanden hij ook weggezuiverd heeft onder het stalinisme, zelf niet helemaal zuiver op de graat is. Ofwel was het voor het goede zaak noodzakelijk dat die onschuldigen werden vermoord, ofwel was het dat niet. Als het noodzakelijk was, was het ook goed. Geen gemaar, geen gewetensnood, geen plaats voor ‘eigenlijk’. De Vietnamese medewerker van Philippe en Elizabeth weet dat trouwens: hij noemt de gewetensnood van het stel ‘kleinburgerlijk’.
     Het enige ‘eigenlijk’ dat het zuivere marxisme in de ethiek aanvaardt, is dat er geen ‘eigenlijk’ is. De overleden PVDA-voorzitter Ludo Martens zag de middelen-doel discussie als volgt: ‘Er is eigenlijk geen verschil tussen middel en doel. Als er een eiland is, waar slechts één brug naartoe leidt, dan is elk onderscheid tussen brug en eiland naast de kwestie.’ Het was een beetje raar uitgedrukt, maar je zag dat het slopen van morele nuances hem na aan het hart lag. Er was altijd maar één brug en die was, zoals dat bij bruggen gaat, kaarsrecht. 

 

* Of ‘utilitarisme’, maar om dát woord nu tien keer in een stukje te gebruiken, gaat mij te ver. Ik heb het wel al een paar keer terloops gebruikt zoals hier en hier.

** Voor Rawls als utilist: zie bijvoorbeeld hier.

*** Marx vond geloof ik een afkeer van álles wat met moraal te maken had. Zie ook hier. 

**** Het thema wordt bijvoorbeeld behandeld in de film Unthinkable. Zie hier.

***** Hoe belangrijk het woord ‘eigenlijk’ is in de moraal heb ik van Karel van het Reve geleerd. Hij citeert het geval van een katholieke priester die in de tweede wereldoorlog de vraag werd voorgelegd of je een SS-er mocht vermoorden. ‘Eigenlijk niet,’ antwoordde de pastoor, waarmee hij aangaf niet al te zwaar te tillen aan een dode SS-er, maar waarmee hij tegelijk Karel ook op het spoor zette van een nuance die hij als toenmalige marxist niet kende. Het marxistische antwoord had moeten luiden: ‘Natuurlijk mag dat [vermoorden], het móet zelfs, het is een goede, ethisch zeer positief te beoordelen daad.’

****** Nozick gebruikt dat voorbeeld tegen de ethiek van Rawls.

maandag 14 juni 2021

Echte communisten?


      Philip en Elizabeth – ze hebben niets te maken met zeker Brits vorstenpaar –  zijn de sympathieke protagonisten in de televisiereeks ‘The Americans’. Eigenlijk heten zij Mischa en Nadezhda, maar in de reeks worden die namen haast nooit gebruikt. De twee  zijn Russische spionnen die zich in de jaren zestig in de Verenigde Staten gevestigd hebben, zich als geboren Amerikanen voordoen, en een reisbureau uitbaten als dekmantel voor hun hoofdberoep. De reeks speelt zich af in de jaren tachtig, op een moment dat Philip en Elizabeth al veel geheimen hebben bemachtigd, veel agenten hebben vermoord, veel echtelijke ruzies hebben bijgelegd, en twee kinderen hebben opgevoed die stilletjes aan de  puberteit naderen.
     Philip is geen echte communist. Hij voelt zich aangetrokken tot de ‘American way of life’. Hij vindt mooie, snelle auto’s fijner dan lelijke, trage auto’s. Hij vindt Amerikaanse rijkdom fijner dan Russische armoede. Als hij een weids en bloeiend korenveld ziet in Kansas of Oaklahoma, doet hem dat aan zijn thuisland denken, waar aan weidse velden geen gebrek is, maar wel aan graan. Eigenlijk zou hij het liefst ‘overlopen’, alles opbiechten aan de FBI en dan in een ‘witness protection program’ stappen. Maar tussen droom en daad staat een en ander in de weg: eergevoel, loyaliteit, gemakzucht, angst voor represailles, en nog enkele praktische bezwaren, waaronder in de eerste plaats zijn rechtlijniger vrouw.
       Toch is ook die geen echte communiste. Elisabeth is vooral een goede patriot. Trouw aan het moederland. Opoffering.  ‘Our boys in Afghanistan’ … Natuurlijk twijfelt zij niet aan de grote kreten van het Sovjetregime: de wereldvrede, de Amerikaanse agressie, de armoede onder het kapitalisme, de onderdrukking van de zwarten. Dat in de Rusland bijna iedereen armer is dan de meeste armen en de meeste zwarten die ze in Amerika ziet, het gooit haar wereldbeeld niet om. In tegendeel zelfs: hoe armer haar eigen land, hoe meer liefde het verdient. De Russische armoede is iets om trots op te zijn*. Arm maar proper. Ze vertelt triomfantelijk hoe ze als kind op een klein appartement woonde, met drie gezinnen opeengepakt. Vergelijk dat eens met het hersenloos consumentisme van de Amerikanen, schijnt ze te denken.
      Elisabeths dochter Paige heeft van de plaatselijke dominee Het kapitaal gekregen om te lezen. Ze vraagt aan haar moeder of die dat boek ook gelezen heeft. Ach ja, in het middelbaar moest ze dat lezen. En de idealen van Marx**, wil haar dochter nog weten, zijn die in Rusland echt gerealiseerd? Zijn alle mensen er gelijk? Elizabeth antwoordt niet met ‘ja’ of ‘nee’. ‘We have our problems, zegt ze, ‘but at least, we’re in it together.’ Ja, dat kon je van nazi-Duitsland ook zeggen. Er was geen gelijkheid, er waren meer kanonnen dan boter, maar ‘at least’, degenen die niet in een kamp terecht kwamen, ‘they were in it together’. Elisabeth is misschien geen échte communiste, ze is minstens een communitariste en een nationaliste. Collectieve solidariteit boven alles.
     Die solidariteit, daar is niets mis mee. Het gebeurt wel vaker dat we in de echte wereld allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Dat is dan een feitelijke toestand waar conclusies aan verbonden zijn. Maar het is niet iets om al te veel over op te scheppen. Het moet zich ook niet over álle dingen des levens uitstrekken. Ik ken mensen die lyrisch worden bij de gedachte aan een gemeenschappelijke wasmachine voor vijf gezinnen. Ik wil die mensen niets in de weg leggen, maar ik heb dat gevoel niet.  Solidariteit is voor mij in orde als ze beperkt blijft, of niet te lang duurt. Het ‘team van 11 miljoen’ mag van mij een uitzondering blijven.

 

* Het is dezelfde trots die slachtoffers van het communisme er soms toe bracht om de armoede te ontkennen. Ontkennen of verheerlijken, het komt een beetje op hetzelfde neer. De trots van het kind op ouders door wie het verwaarloosd wordt. Zie hier.  
** Men stelt het voor alsof Het kapitaal een boek is waarin Marx zijn idealen uiteenzet. De werkelijkheid is anders.
Zie hier.

zaterdag 12 juni 2021

Bingewatchen met een goed gevoel


      Met het mooie weer dat we van de week hebben gehad, ben ik naar het café gefietst dat recht tegenover mijn oude school ligt. Ik heb er veel decafeïné gedronken en veel collega’s teruggezien. Enkele vroegen bezorgd of ik wel voldoende bezigheden vond om de tijd door te brengen. Ik kon naar waarheid antwoorden dat ik geen bezigheden, maar tijd, te kort had.
     Je hoort soms dat het pensioen een tijd is van genieten, omdat er niets is dat nog móet. Die banaliteit bevat, zoals welk vaker het geval is, veel waarheid. Maar juist omdat er niets móet, rijst er voor de gepensioneerde een nieuw probleem: hoe behoudt hij een ‘sense of achievement’. Wanneer ervaart hij nog het gevoel van tevredenheid na ‘a job well done’? De winkelier kan op het einde van de dag zijn kassa afsluiten met een tevreden zucht, de loodgieter kan onder de douche het vuil van de dag wegspoelen, de leraar kan na het verbeterwerk de punten inbrengen. Maar de gepensioneerde?
     In elk geval: ook van dat gemis heb ik geen last. Ik heb nooit een scherp verschil gemaakt tussen werk- en speeltijd. ‘Work hard’ en ‘play hard’ waren mij even vreemd. Waar ik wel last van had, en heb, is het gevoel dat ik tijd aan het verliezen ben. En dàt gevoel is nu toegenomen. Als ik iets doe wat ik niet graag doe – mij aankleden, het gras maaien, een formulier invullen – dan vind ik dat jammer van de tijd. Maar als ik iets doe wat ik wél graag doe, is dat gevoel van tijdverlies niet verdwenen. Als ik moeizaam een stukje schrijf – en het gaat altijd moeizaam – heb ik kostbare tijd opgebruikt die ik achter de piano had kunnen doorbrengen, en als ik een boek aan het inbinden ben, gaat dáár tijd naar toe die  ik niet aan het lezen ervan besteed. En omgekeerd natuurlijk. Als je het zo bekijkt, ben ik voortdurend tijd aan het verliezen, hoe actief ik ook ben.
     Het is zelfs omgekeerd: juist als ik minder actief ben, heb ik ook minder het gevoel van tijd te verliezen. Wat ik hierboven opsomde – stukjes schrijven, piano studeren, moeilijke boeken  lezen, inbinden – het zijn allemaal bezigheden die een zekere inspanning vragen. Maar als ik iets doe wat weinig inspanning vraagt, heb ik het gevoel van tijdverlies niet. Ik heb vorige week aardig wat tijd doorgebracht voor de televisie. Ik ben ondertussen al bijna aan het einde van het vijfde seizoen van The Americans. Af en toe vraagt Netflix of ik ‘nog altijd aan het kijken ben’. Iemand die zo maar even vier afleveringen na elkaar bekijkt, ze betrouwen het niet daar in Californië. Maar tijdens het bingewatchen, en zelfs erna, word ik níet gekweld door de gedachte aan mijn piano die onberoerd, mijn stukje dat ongeschreven, mijn boek dat ongelezen en mijn naaibankje dat ongebruikt blijft. Ik kan dat allemaal wel later doen. Ik heb nu toch tijd.

donderdag 10 juni 2021

Verplichte boeken


      Er zijn naar het schijnt boeken die je in huis móet hebben, al zou ik niet goed weten welke. Amerikanen en Engelsen met culturele pretenties konden zich indertijd inschrijven op de ‘Great Books of the Western World’. Gewiekste verkopers trokken van deur tot deur om brave huisvrouwen een setje van 54 – en later 60 – kloeke delen aan te smeren, alles op afbetaling en elke maand keurig aan huis geleverd. Sommige van die boeken heb ik gelezen, maar veel andere niet, en ik ben ook niet van plan dat ooit te doen. Deel 10 bijvoorbeeld bevat de geschriften van Hippocrates en Galenus, twee geneesheren uit de oudheid wier inzichten ondertussen in de medische wereld niet meer algemeen aanvaard worden.
     Er zijn echter ook boeken waarvan het verplichte bezit zich beperkt tot een deelpubliek. Dat is makkelijker. Een dokter hoort Gray’s Anatomy in huis te hebben, een psychiater de DSM-5, een christen de Bijbel, een alcoholist het Grote Boek van de AA, een marxist Het kapitaal van Marx en een libertair Het menselijk handelen van Ludwig von Mises. De vraag die zich dan voordoet is deze: moeten die dokter, die psychiater en die libertair dat verplichte boek ook helemaal lezen? Zo’n verplicht boek is vaak nogal taai.
     Neem nu Het kapitaal. Welk soort boek is dat? Laten we er even een onverdachte bron bij halen, de bekende Chinese marxist Mao Zedong. In 1942 schreef hij een stuk met de wervende titel ‘Bestrijd de stereotiepe stijl in partijgeschriften’. Het heeft niet veel geholpen want het proza van zijn communistische partij is na 1942 even stereotiep en vervelend gebleven als daarvoor*. Mao wist eigenlijk op voorhand dat er aan die verveling niets te doen was en zag maar één praktische oplossing: korter schrijven. Dan werd de verveling ten minste beperkt in de tijd. Mao gaat ook in op een mogelijke tegenwerping. ‘Sommigen zullen vragen: “Is Het kapitaal dan niet erg lang? Wat moeten we daar dan mee doen?” Het antwoord is simpel: blijven lezen.’ Ik weet niet hoe dat bij jullie overkomt, maar als ik zoiets lees, krijg ik de indruk dat Mao zelf aan dat ‘lange’ boek zijn tijd niet verloren heeft.  Wat kon hem de ‘relatieve afneming van het variabele deel van het kapitaal bij voortgang van de accumulatie en van de daarmee gepaard gaande concentratie’ schelen? Hij las, geloof ik, liever spannende boeken over de Chinese geschiedenis, met avonturen, geweld en politieke intriges, of populaire filosofische traktaten van Friedrich Engels.
     Of neem Het menselijk handelen van Ludwig von Mises. Ook hier laat ik een onverdachte bron aan het woord, de bekende Amerikaanse socioloog Charles Murray. In het charmante ‘What It Means to Be a Libertarian’ geeft hij een lijstje met interessante leestips. ‘For those who are more ambitious, the closest thing to the canonical text among the Austrian economists is Ludwig von Mises’ Human Action.  It is exceedingly tough going, however.’ Alweer besluipt mij de twijfel. Heeft Murray dat ‘extremely tough going book zelf wel gelezen? Wilde hij wel met alle geweld het verschil kennen tussen de ‘entrepreneurial component of the gross market rate of interest’ en de ‘price premium as a component of the gross market rate of interest’? Misschien dacht hij: de oude Mises zal wel gelijk gehad hebben; ik ga dat niet controleren; ik kan mijn tijd beter gebruiken om nog een extra reeks statistieken te verwerken.
     Wat Mao of Murray wel of niet gedaan mogen hebben, het zijn mijn zaken niet. Zelf heb ik Het kapitaal gelezen toen ik twintig was, tijdens een vakantie in Oostenrijk. Terwijl mijn ouders lange wandelingen maakten, zat ik op een bankje te lezen over ‘de voortgang van de kapitaalaccumulatie’. Er was veel wat ik niet begreep, maar wat ik wel begreep, streepte ik vlijtig aan in blauwe inkt en ik gaf er later ‘vorming’ over, zoals de tekening hierboven bewijst. 
     Na mijn geloofsafval kon ik met Het kapitaal niet veel meer aanvangen. Human Action lezen dan maar? Was ik aan mijn nieuw geloof niet verplicht om minstens hetzelfde te doen als ik voor het oude had gedaan? Ik heb gewacht tot aan mijn pensioen, heb dan mijn moed verzameld, heb drie keer geslikt en ben er uiteindelijk aan begonnen. Alweer was er veel wat ik niet begreep. Maar ik heb op mijn Kindle ook nu vlijtig aangestreept wat ik wel begreep. Zo ongeveer. 

 

* Daar schreef ik hier al iets over.

woensdag 9 juni 2021

Christian Angelet (1934-2021)

 


   In de tweede kandidatuur kregen toekomstige romanisten te maken met professor Angelet. Hij gaf een inleidend college over Franse poëzie. Van alle professoren die we tot dan toe hadden gehad, sprak hij het mooiste doceer-Frans, waarin alles wat we hadden geleerd over de ‘subjonctif dans les subordonnées en apposition’ en andere taalsubtiliteiten in de praktijk werd gebracht.  
     Niet iedere student had even graag les van hem. Hij stelde wel eens een vraag en duidde dan iemand aan om te antwoorden. Dat antwoord was nooit juist en de professor liet niet na om daarop te wijzen. In het overlijdensbericht van decaan Tollebeek wordt vermeld dat Angelet in de omgang een ‘ondefinieerbare stijl’ gebruikte. Tollebeek somt op wat de kenmerken van die stijl waren en het eerste kenmerk is ‘cynisme’. Peter Venmans herinnert zich dat de professor een studente als volgt aansprak: ‘Mademoiselle, vous vous servez du français comme d’un vieux vélo.’
     Velen zullen zich de zin herinneren waar hij elk jaar zijn eerste college mee begon. ‘Je suis Angelet, et Angelet veut dire en bon français petit ange’. Klein was hij inderdaad. Om dat goed te maken stak hij zijn kin in de lucht, strekte hij zijn hals zo ver mogelijk uit, en rechtte hij zijn rug als een steile populier. Dat viel vooral op bij het einde van het jaar toen hij voor een groter publiek de examenuitslagen proclameerde.
     Zijn uitleg bij gedichten was nogal technisch, en gericht op interpretatie van de inhoud vanuit de vormkenmerken. Als je dan toch gedichten wil interpreteren, is dat geen slechte methode. Iedereen kan ongeveer alles lezen wat hij wil in een gedicht. Er is altijd wel een woord of een vers dat als bewijs van die lezing kan worden gegeven. Als je met zoiets kwam aandragen, deed Angelet eerst vals enthousiast. ‘Très bien, très bien!’ Maar dan kwam de aap uit de mouw:  ‘Et maintenant, je voudrais savoir quelle preuve supplémentaire vous pourriez m’offrir pour soutenir votre hypothèse? Une inteprétation n’a aucune valeur sans preuve supplémentaire provenant d’un autre domaine.’*
     Later heb ik begrepen dat het ‘bijkomende bewijs’ een essentieel probleem is bij classificatiesystemen. Als je één criterium gebruikt om de dieren te classificeren, zijn alle classificaties evenwaardig: poten of vleugels, levende jongen of eieren, tam of wild, vrij of eigendom van de keizer. Gebruik je meerdere criteria, dan zit je al snel opgezadeld met een vogelbekdier dat niet aan de keizer toebehoort, maar zijn broertje wél.
     Ook is het ‘bijkomende bewijs uit een ander domein’ een interessant alternatief om de Popperiaanse falsificatie binnen te brengen in die menswetenschappen waar experimenteren moeilijk is. Veronderstel dat je dolgraag de stelling wil uitdragen dat communisme en nazisme niets meer zijn dan twee verschillende verschijningsvormen van één en hetzelfde totalitarisme. Dan kun je beginnen met in alle gaten en kieren naar gelijkenissen tussen die politieke bewegingen te zoeken. Je kunt echter ook op voorhand grote domeinen vastleggen – politieke besluitvorming, economisch beleid, onderwijs, kunst, wetenschap, de rol van de partij – en die speur je daarna af naar gelijkenissen en verschillen. Je kunt dan nog altijd valsspelen, maar je hebt het jezelf iets moeilijker gemaakt.
     Als je het zo bekijkt, was Angelet nogal ‘wetenschappelijk’ bezig met zijn gedichten. Hij was de enige niet in de faculteit der Letteren. Maar hij begreep tegelijk heel goed dat literatuur meer was dan iets om wetenschappelijk te analyseren, en dat je dat ook aan je studenten moest laten merken. Hij deed dat subtiel. Nadat hij uren besteed had aan een gedicht van Verlaine, zei hij dan terloops. ‘Evidemment, Verlaine n’est pas un très grand poète. La litérature française du 19ème siècle n’a connu que trois très grands poètes: Hugo, Baudelaire et Rimbaud.**’ Daar gaf hij, heel slim, geen ‘preuve’ van en nog minder een ‘preuve supplémentaire’. Zekere keer gaf hij een half uur uitleg over een adjectief of een werkwoordstijd in een gedicht van Hérédia om dan af te sluiten met een droog: ‘Mais tout cela n’est pas très beau. N’insistons pas.’ ’t Is een trucje dat ik in mijn eigen lessen ook af en toe heb toegepast.
    In de licenties gaf Angelet een college over stilistiek. Ik vermoedde toen al dat dat een interessant college was. Maar in die tijd had ik geen behoefte aan interessante colleges. Ik had behoefte aan beperkte leerstof, met een inschikkelijk professor, beperkte studielast, weinig taken en een gemakkelijk examen. Nu, vandaag, spijt het mij dat ik het college van Angelet niet heb gekozen.

 

* Ik weet niet meer met zekerheid of Angelet zijn studenten aansprak met tu of met vous. Van tóón was het in elk geval vous'.

** Zowat alles van zijn uitleg over Une saison en enfer ben ik vergeten, behalve dat ene zinnetje: ‘Rimbaud était un petit filou.’

zondag 6 juni 2021

Bjorn Soenens over de hoofddoek



      Björn Soenens stelt op Twitter een interessante vraag. ‘Al wie zo hard van leer trekt tegen hoofddoeken, zijn dat dezelfde mensen die het heilige recht op vrije meningsuiting verkondigen?’ In zijn algemeenheid kan ik die vraag niet beantwoorden, maar voor mijzelf ken ik het antwoord wel. Ik behoor tot degenen die én het ‘heilige recht op vrije meningsuiting’ verkondigen, én, als het nodig is, ‘hard van leer trekken tegen hoofddoeken, althans als men die hoofddoeken in scholen of in openbare functies wil dragen. Op straat doet iedereen wat hij wil, zo lang men niet té veel bloot laat zien of een masker draagt – althans een dat niet covid-gerelateerd is. Soenens mag op straat rondlopen met een baseballpetje op zijn hoofd. Hij mag dat van mij achterstevoren dragen*. Hij mag voor mijn part op straat een hoofddoek dragen uit solidariteit met de moslimzusters.
     Ik heb hier nu voor de vuist weg mijn persoonlijke conclusie over de hoofddoekenkwestie gegeven – wél op straat en niet op school en niet in openbare functie – maar vraag mij niet om hier mijn redenen te geven. Ik heb er veel, maar geen enkele vind ik zelf helemaal bevredigend. Als ik ze allemaal samentel, de tegenstrijdige schrap, en dan alles samentel, dan … misschien … Zo vind ik de hoofddoeken meestal lelijk**, maar of ik zo’n reden zou durven aanhalen in een beschaafd debat, dat betwijfel ik.
     Gelukkig trekt Soenens de kwestie op een terrein waar ik wel vaste grond onder de voeten voel. Hij vergelijkt de hoofddoeken met vrije meningsuiting. Zelf wil ik nog een stapje verder gaan en zeggen dat hoofddoekendracht inderdaad een vorm van vrije meningsuiting ís. Het is niet alléén dat, maar het is óók dat.
     Welaan dan: die vrije meningsuiting is niet in alle omstandigheden gepast. Een journalist bijvoorbeeld moet, bij het voorlezen van het journaal, zijn mening over de Gazastrook, over Trump en over de klimaatconferentie voor zich houden. Hij moet in die functie neutraal blijven. Het zou zelfs beter zijn als hij zich wat neutraal opstelde op zijn Twitteraccount, maar dát wil ik niet opleggen. In een vrije samenleving ben ik bereid veel te verdragen van wat mij niet bevalt, van twitterende journalisten tot hoofddoeken op straat.
     Dus: heilig recht op vrije meningsuiting, zeker. Iedereen mag propaganda maken voor zijn mening: op straat, in de krantencolumn, in het parlement, op Facebook, op Twitter. En dat recht geldt voor iedereen, ook voor de leraar, de journalist, de ambtenaar en de scholier. Maar het loket of de school is niet de plaats om die propaganda te voeren. 

* Over mijn persoonlijke smaak in petjesdracht: zie hier.
** Over mijn persoonlijke smaak in hoofddoeken: zie hier.



zaterdag 5 juni 2021

Verjonging en veroudering


      Het valt voor dat het verhaal van een film of toneelstuk zich afspeelt op verschillende tijdstippen met enkele jaren tussen. Soms moet men dan met verschillende acteurs werken die hetzelfde personage uitbeelden. In de recente verfilming van David Copperfield, die het hele leven van de held moet weergeven, van zijn geboorte tot zijn eerste mannenjaren, worden slechts drie acteurs gebruikt: een baby, een achtjarig jongetje en verder een dertigjarige acteur die David speelt vanaf diens achtste jaar. Het is even schrikken maar je wordt eraan gewend. Maar ’t was wel een ongewone keuze.
     In toneel is het leeftijdsprobleem niet zo groot. Het publiek ziet de acteurs maar van ver. In Death of a Salesman kan men de jonge  versies van Biff en Hap herkennen aan hun jeugdige kledij. Als een Albert Finney van middelbare leeftijd de oude Lear moet spelen, kan men zijn gezicht wit pleisteren en er dikke zwarte strepen op schilderen die rimpels voorstellen. Het publiek ziet in de verte een oude man op het podium en is tevreden.
     In film is het moeilijker. Men probeert dan de leeftijd te verdoezelen door long-shots te gebruiken. Maar als close-ups niet te vermijden zijn, moet de grimeur zijn uiterste best doen om bijvoorbeeld een acteur of actrice ouder te laten lijken dan hij werkelijk is. Ik had vroeger altijd de indruk dat dat beter lukte bij mannen dan bij vrouwen. De veroudering van Rock Hudson in Giant vond ik beter geslaagd dan die van Elisabeth Taylor, en die van James Stewart in The Man Who Shot Liberty Valence vond ik beter geslaagd dan die van Vera Miles. Het leek wel of men er zich bij vrouwen toe beperkte om hen een zilvergrijze pruik op te zetten.
    Eigenaardig genoeg lijkt een verjonging bij actrices dan weer beter te lukken dan bij acteurs. Voor een verjongde Robert de Niro in The Irishman heeft men de nieuwste digitale technieken moeten inzetten en zelfs dan voel je dat er iets niet helemaal klopt. Maar in Cold War speelt de 36-jarige Joanna Kulig nogal moeiteloos een meisje van zestien (op de foto: tweede van links). Ikzelf was in elk geval helemaal overtuigd. Alleen mijn zoon Jan, die een beter oog heeft voor vrouwen, vond dat ze iets te oud was voor de rol die ze in de beginsequenties speelt.
     Regisseurs en scenaristen houden met dat man-vrouwverschil rekening. In de spannende spionagereeks The Americans – zelfs de subplot over het gezinsleven is spannend –  komen nogal wat flashbacks voor waarin de veertigjarige Keri Russel nog een jonge spionne-in-opleiding moet voorstellen.  Van Matthew Rhys, haar man, zie je veel minder flashbacks, en bij een wat langere flashback zie je hem alleen vanaf de rug gefilmd*. Bij Keri is het gemakkelijker. Je legt haar haar in een vlecht of een paardenstaart en ze ziet er twintig jaar jonger uit. Bij een man heeft een paardenstaart niet hetzelfde effect, vind ik.

* PS Wat ik over Rhys schreef, is niet helemaal correct. Bij het herbekijken van de allereerste aflevering zie ik dat ook daarin een flashbacks komt met een verjongde Rhys meespeelt. In een van die flashbacks heeft hij een sprieterig kapsel, en een trui met een overhemd eronder. De kraag van het overhemd is braafjes bóven de kraag van de trui gevouwen. Dát verjongt ook.
 


vrijdag 4 juni 2021

Maarten Boudry vs Tom Van Grieken


     De reactie van Maarten Boudry op zekere uitspraak van Tom Van Grieken was heel wat korter dan de mijne*. ‘Het goede nieuws,’ schrijft Boudry, ‘aan deze ranzige uitspraak van Tom Van Grieken, met haar onbeschaamde streven naar raciale dominantie dat ons helemaal terug naar het Blok-tijdperk slingert, is dat het op deze manier nóg onwaarschijnlijker wordt dat het Vlaams Belang ooit aan de macht zal deelnemen. (Waag het niet hoor, Bart De Wever).’
     Boudry maakt hier dankbaar gebruik van het dubbelzinnige woord ‘dominantie’ dat zowel ‘overheersing’ betekent als ‘numeriek overwicht’, zoals Van Grieken het bedoelde. Zo’n degenstoot mag je van een politieke tegenstander verwachten. Ik zie daar geen graten in. Van Grieken had zijn woorden maar beter moeten kiezen.
   Minder verwacht is dat Boudry de uitspraak van Van Grieken tot op zekere hoogte ‘goed nieuws’ vindt. Ik vind die uitspraak geen goed nieuws. Ik vind ze slecht nieuws. Ik heb het liefst dat partijen hun extreme denkbeelden afzwakken – zeker als ze tegengesteld zijn aan mijn denkbeelden. Als de marxistisch-leninistisch-stalinistische PVDA eerst het hele stalinisme uit haar ideologie schrapt en daarna de helft van het leninisme, dan vind ik dát goed nieuws. Mocht de partij straks ook het volledige leninisme en meteen ook het hele marxisme schrappen, dat vond ik dat nog beter nieuws.
     Hoever wil Boudry zijn redenering eigenlijk doortrekken? Als het goed nieuws is dat Van Grieken wegglijdt naar de extreme denkbeelden van het Blok-tijdperk, is het dan ook slecht nieuws als Van Grieken weer afstand neemt van die denkbeelden? In dat laatste geval wordt het immers, volgens de aanname van Boudry, opnieuw waarschijnlijker dat hij ooit ‘aan de macht zal deelnemen’. Dan lijkt het of Boudry die ‘deelname aan de macht’ wil verhinderen ongeacht de denkbeelden van de partij.
    Boudry toont zich hier, geloof ik, een aanhanger van de ‘maskers vallen af’-theorie. Hij gaat ervan uit dat het Vlaams Belang een ‘malum inhaerens’ is, een intrinsiek kwaad, dat het radicaal-extremistisme haar onveranderlijk wezenskenmerk is, dat bijvoorbeeld de partij streeft naar ‘white suppremacy’, en dat ze een deelname aan een coalitieregering alleen zou gebruiken om een dictatuur voor te bereiden. Telkens als een Belanger een uitspraak doet vóór democratie, vóór vrije meningsuiting en tegen racisme, bewijst dat hoe hypocriet hij is. Telkens als een Belanger echter een democratische regel in twijfel trekt, een bepaalde vrijheid aan banden wil leggen, of een racistische sneer verkoopt, bewijst dat hoe hij écht is. Het masker is afgevallen.
     Vanuit de logica en vanuit de algemene ervaring valt er niets in te brengen tegen de ‘maskers vallen af’-theorie. Maskers bestaan in de politiek, en soms vallen ze af. Lenin en Hitler konden bij momenten heel duidelijk zijn over hun extremistische plannen, maar op andere momenten zetten ze een gematigder masker op. Dat masker viel dan af op het moment van hun machtsgreep. Maar meestal zitten bewegingen en mensen ingewikkelder in elkaar dan het nazisme of het bolsjewisme. Partijen met een lange voorgeschiedenis, een brede aanhang en een wisselende leiding, zoals Vlaams Belang en Groen, krijgen haast onvermijdelijk een heterogeen karakter, hoe extreem ze ook gestart zijn. De partij van Lenin bestond 14 jaar voor ze de macht greep, die van Hitler bestond 13 jaar. Vlaams Belang daarentegen bestaat al 40 jaar. Is het waarschijnlijk dat een partij haar extremistisch radicalisme 40 jaar lang zuiver houdt? Welke Westerse communistische partij heeft dat gepresteerd?
     De ‘masker vallen af’-theorie is een onderdeel van wat je zou kunnen noemen een ‘essentialistische’ benadering van partijen, bewegingen en georganiseerde godsdiensten. Vlaams Belang is dan ‘in essentie’ slecht en extremistisch. Elke extremistische uitspraak geldt als bewijs van die essentie, en elke gemátigde uitspraak geldt als bewijs van de hypocrisie waarmee die essentie aan het zicht wordt onttrokken. Je ziet dezelfde benadering bij vijanden van de islam. Elke extremistische uitspraak van een imam bewijst de agressiviteit van die godsdienst en elke gematigde uitspraak bewijst de leugenachtige praktijk van takiyya.
     Dat er binnen Vlaams Belang extremisme en racisme aanwezig is, zal ik niet ontkennen, evenmin als dat er binnen de islam een lange traditie bestaat van onverdraagzaamheid en agressiviteit**. Maar ik ben blij met elk gematigd geluid van die partij of van die godsdienst. Ik hoop dat die geluiden in hoeveelheid, omvang en toonzuiverheid toenemen. En ik hoop zelfs dat de mensen die die geluiden alleen om tactische redenen voortbrengen, ze op de duur zelf mooi gaan vinden. Blaise Pascal wees er al op dat liefde veinzen een eerste stap naar echte liefde kon zijn.

* Mijn reactie op Tom Van Grieken vind je hier

** Ik ben geen expert in Vlaams Belang of in de islam en wil die twee dus niet met elkaar vergelijken. Ik heb begrepen dat er binnen de islam zekere canonieke teksten bestaan die de onverdraagzaamheid en agressiviteit een officieel karakter geven. Bij Vlaams Belang zou je moeten teruggaan naar het officieel verworpen 70-puntenprogramma om iets soortgelijks te vinden. Over dat 70 puntenprogramma heb ik ooit hier iets geschreven.

donderdag 3 juni 2021

Tom van Grieken en de blanke dominantie


      Tom Van Grieken heeft in De Tijd iets gezegd dat ik van hem niet had verwacht. ‘Ik ben ervan overtuigd dat het christelijke, het Vlaamse en als u wilt zelfs het blanke een dominante factor moet zijn in onze samenleving.’ Sommige lezers zullen misschien geschrokken zijn van het woord ‘dominant’. Moeten de blanken in Europa de niet-blanken domineren? Maar dát is een kwaadwillige lezing van de uitspraak. ‘Dominant’ betekent hier ‘numeriek in de meerderheid’, zoals de Britse variant nu ‘dominant’ is in de viruscirculatie in ons land.
     Nee, het woord waar ik van schrok was ‘blank’. De ‘vuile’ Filip De Winter zei 2 jaar geleden nog: ‘Het gaat niet om afkomst of huidskleur. Het gaat om de islam*.’ En nu haalt zijn ‘nette’ voorzetter er toch weer de huidskleur bij, na een, toegegeven, wat uitlokkende vraag van de journalist.
     Paul Collier citeert in Exodus de grote Gallup enquête die aangeeft dat 40 procent van de bevolking van de arme landen zou willen migreren naar een rijk land, als ze daartoe de mogelijkheid hadden. Afrika, dat veel arme landen omvat, heeft telt nu 1 miljard inwoners. In 2050 zou er dat al 2 miljard kunnen zijn. 40 procent daarvan is respectievelijk 400 en 800 miljoen. Misschien vindt de sceptische lezer om velerlei redenen die cijfers van Afrikaanse kandidaat-migranten erg overdreven zijn. Die velerlei redenen interesseren mij niet zo, maar wat is dan wél de schatting van die sceptische lezer?
     Met cijfers van bovenstaande ordegrootte, en met vrije immigratie, zag Europa er binnen enkele decennia anders uit. Ik stel voor dat de lezer even zijn ogen sluit en zich een Vlaamse straat probeert voor te stellen in 2070. Niemand draagt nog een mondkapje en de meeste mensen zijn zwart. Misschien vindt de lezer al dat toekomstige zwart  wel verontrustend. Misschien is de lezer wel een klein beetje racistisch en voelt hij zich als blanke geruster in een omgeving van mensen die op hem gelijken. Dat schijnt nogal voor te komen. Je kunt er gelukkig iets aan doen, want een mentaliteit is niet onveranderbaar. Ikzelf kan mij als oud-leraar proberen voor te stellen dat ik les geef aan allemaal dominant of exclusief zwarte klassen, en al die klassen bestaan uit leerlingen als N.P., H.A en C.N. Wat zou dan in godsnaam het probleem zijn? Ik wil direct een contract tekenen om aan zulke klassen les te geven, gesteld dat ik niet zo van mijn nieuw verworven vrijheid genoot.
      Maar er kan ook een rationele reden zijn waarom men een zwarte dominantie in die straat van 2070 verontrustend vindt. De zwarte huidskleur doet dan dienst als ‘proxy’. Het is een makkelijk zichtbaar kenmerk dat min of meer geassocieerd wordt met iets wat minder zichtbaar is, een bepaalde cultuur en mentaliteit. Voor onze dominant zwarte straat in 2070 is die associatie niet helemaal onterecht. Wie veronderstelt dat honderden miljoenen Afrikanen, die ongeveer gelijktijdig wegtrekken uit hun continent en die elkaar in Europa terugvinden, dat die honderden miljoenen in enkele decennia een Europese cultuur en mentaliteit zouden overnemen, die heeft wel een erg roze bril op. Waarom zouden die Afrikaanse immigranten zich immers zo snel aanpassen, zeker als ze ondertussen ‘dominant’ zijn.
      De kans is dus groot dat die zwarten in onze straat van 2070 nogal van cultuur en mentaliteit zouden verschillen van de blanken (en zwarten) in de straten van 2021. En wie denkt dat die verschillen hooguit voor enkele ‘samenlevingsproblemen’ zullen zorgen die met wat tolerantie, begrip en opvoedende affiches kunnen worden opgelost, die heeft zijn roze bril nog altíjd op. Het optimisme is hartverwarmend maar de kans is veel groter dat door zo’n massale en snelle Afrikaanse immigratie ons sociaal, politiek en economisch raderwerk ernstig gaat haperen.
     Gerard Reve zei ooit dat hij het over veel zaken met God eens was. Zo ben ik het ook over enkele zaken met Van Grieken eens, en dan in de eerste plaats met zijn roep om een strikt immigratiebeleid. Mijn meningsverschil met hem gaat over de subtielere kwestie van de migranten die hier nu al zijn. Die moeten voor mij, hoe moeilijk het soms ook is, in onze maatschappij worden geïntegreerd, en dat gaat makkelijker als je ze met een open gezicht en vriendelijke woorden tegemoet treedt. De associatie van huidskleur – de ‘proxy’ – met cultuur en mentaliteit moet worden doorbroken. Kleurenblindheid blijft uitgangspunt en doel. Het neoracisme van BLM wordt niet beantwoord met een vernieuwd blank racisme.
     Een open gezicht en vriendelijke woorden … Ik weet niet goed hoe een zwarte Vlaming zich voelt als hij de uitspraak van Van Grieken tegenkomt in De Tijd, of, wat waarschijnlijker is, op de sociale media. Waarom, zo vraagt hij zich misschien af, is het erg als zwarten dominant aanwezig zouden zijn in een straat, een wijk, een stad of een land? Is er dan iets mis met zwart zijn? Moet ik mij nu niet gekwetst voelen?
     Natuurlijk bestaat er zoiets als het recht op kwetsen. Kwetsen kan goed zijn. Racisten, vind ik, mag ik af en toe gerust eens kwetsen. Misschien worden ze dan wat minder racistisch. Of misschien blijven ze even racistisch, dat kan ook, maar dan heb ik ondertussen toch eens flink mijn mening gezegd. Moesten ze maar niet racistisch zijn. Hetzelfde geldt voor de christenen. Karel van het Reve vond dat je het niet te vaak moest doen, maar af en toe een christen jennen om zijn absurde geloof in een algoede en almachtige God die niet eens de moeite doet om een zinkende onderzeeër te redden, dat moest kunnen.
     Ik heb op mijn blog af en toe een onvriendelijk stuk geschreven over de islam. Misschien reageert een moslim daarop: is er dan iets mis met mijn godsdienst? Wel … euh … als je het mij vraagt ... Maar als een zwarte mij zou vragen of er misschien iets mis is met zijn huidskleur dan moet ik niet rond de pot draaien. Het antwoord is: nee. Van Grieken zou, geloof ik, ook niet ‘ja’ antwoorden, maar ondertussen heeft hij met zijn blanke dominantie toch iets in die richting gesuggereerd***. Dat kan hij in de toekomst beter laten.

 

* Zie hier.
* Zie mijn stukjes daarover hier en hier.
*** Een beetje zoals de foute N-VA-campagne rond Marakesh, die gelukkig maar enkele uren geduurd heeft, suggereerde dat er iets mis was met jonge allochtonen die op hun mobieltje kijken. (Zie mijn stukje daarover hier)

dinsdag 1 juni 2021

Verbieden van 'haatspraak'


      Als alles goed gaat, wordt de door de regering voorgestelde wetswijzing tegen haatspraak dus niet goedgekeurd. Om ‘haatspraak’ over te brengen van Assisen naar Correctioneel is een tweederde meerderheid vereist, N-VA en Vlaams Belang zijn tegen – gelukkig maar – en CD&V is niet bereid om de wet samen met PVDA goed te keuren – alweer: gelukkig maar*. Het is al erg genoeg dat indertijd racisme en xenofobie van de Assisenrechtspraak naar Correctioneel zijn overgebracht.
     Nochtans had premier De Croo zich roekeloos in het debat gegooid met een ferme uitval. ‘Haatspraak is geen mening. Haatspraak in ons land is strafbaar … Ophitsen tot onverdraagzaamheid ten opzichte van mensen op basis van hun afkomst en op basis van hun religie, en tegenwoordig van mensen vanwege het feit dat ze viroloog zijn, dat is strafbaar, en het is maar goed dat dat in ons land strafbaar is.’
     Dat was een heel gevaarlijke uitval van De Croo. Het begint al bij de premisse. Natuurlijk is haatspraak wél een mening. Ik heb een Facebookvriend die zijn meningen bij voorkeur verwoordt in virulent en spitsvondig haatproza waarin hij zijn vijanden een vreselijke dood toewenst. Ik heb zelf weinig talent voor haat, maar ik lees die uitvallen graag. Als Schopenhauer de filosofieprofessoren van zijn tijd becommentarieert, is de ziedende haat navoelbaar. Je begrijpt niet goed dat na het lezen van zo’n stuk, een of andere halve gare lezer geen aanslag op Hegel heeft ondernomen. Als W.F. Hermans de Nederlandse mandarijnen de inhoud van een fles zwavelzuur in het gezicht gooit – figuurlijk – voelt de lezer het sardonische plezier dat de schrijver beleeft aan het moreel vernietigen van zijn vijanden. En om enkele trappen van de stilistische ladder af te dalen: als Tom Lanoye zijn tegenstanders van rechts over de hekel haalt, kun je tenminste dát van hem zeggen: dat zijn haat niet gespeeld, maar gemeend is.
     Clerick, zegt de lezer nu, je begrijpt De Croo met opzet verkeerd. Schopenhauer, Hermans, Lanoye en jouw Facebookvriend spreken hun haat uit tegen mensen vanwege hun gedrag en hun meningen. Als De Croo haatspraak aanhaalt heeft hij het niet over gedrag of meningen, maar over kwesties van afkomst, geslacht, seksuele geaardheid, leeftijd, lichamelijke kenmerken, kortom een aantal kenmerken waar mensen niet voor gekozen hebben en waar ze noch verdienste noch schuld aan hebben.
     O ja? En waarom vermeldt De Croo dan de virologen als voorbeeld? Want nu kun je van virologie veel zeggen, maar niet dat het een ras, een religie of een seksuele geaardheid is. Het is een beroep, zoals dat van de filosofieprofessoren die door Schopenhauer zo werden gehaat. En bovendien worden die virologen niet eens om hun beroep gehaat, maar om hun mening over hoe corona moet worden bestreden en om de manier waarop ze de publieke opinie hebben beïnvloed. Dit hoort in een vrije maatschappij tot het openbare debat. Siegfried Bracke mag zijn mening zeggen over Marc Van Ranst, en Marc Van Ranst mag zijn mening zeggen over Siegfried Bracke. Misschien zouden ze allebei wat vaker hun mening voor zichzelf moeten houden, maar dat is weer een andere kwestie.
     Is het dan geen probleem dat kritiek op virologen als effect kan hebben dat een onevenwichtig individu naar de wapens grijpt om een viroloog dood te steken of neer te schieten? Dat gevaar bestaat zeker. Linkse journalisten hebben in Nederland jarenlang stemming gemaakt tegen Pim Fortuyn en uiteindelijk heeft Volker van der Graaf hem doodgeschoten. Hadden de linkse journalisten dan niet mogen schrijven wat ze over Fortuyn dachten? Na het doodschieten van Fortuyn zei Chris Dusauchoit dat hij daar geen slecht gevoel bij had**. Dat is geen erg tolerante uitspraak, maar ze valt, naar mijn smaak, volledig onder de vrije meningsuiting.
     Natuurlijk kun je je kritiek geven op verschillende manieren. Verschillen in stijl zijn niet onbelangrijk. Volgens sommigen is stijl zelfs ‘l’homme même’. Maar rechters en jury’s moeten geen stijlhandboek hanteren. Als Bracke kritiek geeft op Van Ranst is dat redelijk, ironisch, tongue-in-cheek. Hij prikt zijn tegenstander met een venijnige speld. Dat is zijn manier. Schopenhauer, Hermans, Lannoye en mijn Facebookvriend geven de voorkeur aan een sloophamer. Ook fijn. Maar zolang de speld en de sloophamer metaforen blijven is er geen reden om een correctionele rechtbank de bevoegdheid te geven om de querulanten te straffen.
     Het voorbeeld dat De Croo geeft van de virologen is ingegeven door de actualiteit. Maar het is ook tekenend voor het hellend vlak waar elke beperking van vrije meningsuiting naar toe leidt. De eerste stap betreft het racisme. Je mag geen zwarten haten of aan die haat uiting geven. Ik vind dat ook, maar ik zou er de wet niet bij betrekken. Zodra je echter het strikte domein van ras en afkomst verlaat wordt het moeilijk. Je mag van De Croo dus ook geen virologen haten. Mag je eigenlijk wel racisten haten? Of antiracisten? Je raakt verstrikt in paradoxen. En je belandt uiteindelijk bij die éne regel dat jíj je vijanden mag haten, maar dat je vijanden jóu niet mogen haten. Je eindigt met de houding van Ludivine De Donder die, als ze door N-VA wordt aangevallen voor haar stuntelige beleid, antwoordt dat N-VA ‘haat zaait’. Ja, zo is het gemakkelijk. Van mij mag ze dat zeggen natuurlijk, maar ik wil liever niet dat ze de mogelijkheid krijgt om met haar klacht naar een correctionele rechtbank te stappen.

 * Beroepscommentatoren in de pers beschrijven het debat als een politiek spel tussen regering en oppositie. Dat is het natuurlijk óók. Als bezorgde burger vrees ik echter dat er meer aan de hand is. Politieke spelletjes zijn vaak  oppervlakterimpelingen die veroorzaakt worden door diepere onderstromen.

** Zie hier.

maandag 31 mei 2021

Vrije meningsuiting, ook voor extremisten


      In de Zevende Dag sprak Bart De Wever zich uit tegen het verwijderen van de Facebookpagina ‘Als 1 achter Jürgen’*. Hij vond dat censuur en een bedreiging van de vrije meningsuiting. Daarop stelde de Lieven Verstraete hem de vraag of hij ook zo zou reageren als het om een Facebookpagina ‘Als 1 achter Abdeslam’ zou gaan. Dat was een heel goede vraag. En De Wever gaf een heel goed antwoord: ‘Ja, ik denk het wel. Maar er is een verschil. Abdeslam heeft terreurdaden gepleegd … Mocht Conings terreurdaden plegen, dan zouden er vermoedelijk geen 55 000 mensen online gaan om te zeggen: ik steun deze man.’
     Ik onthoud vooral het eerste zinnetje: ‘Ja, ik denk het wel.’ Had Lieven Verstraete de vraag aan Van Grieken gesteld, dan had die ook gesproken over het verschil tussen Conings en Abdeslam, maar dat eerste zinnetje zou er, geloof ik, niet bij zijn geweest. Maar De Wever was flink: een lichte aarzeling maar: ja! Ook een Abdeslam-steunpagina valt onder de vrije meningsuiting. Zo is dat. Vrijemeningsuiting moet zo ruim mogelijk worden opgevat. Steunbetuigingen aan de kalifaatgekken horen daarbij, zoals vroeger ook steunbetuigingen aan de Rote Armee Fraktion, de ETA, de IRA en de CCC … Ik moet die terreuraanbidders niet, maar zo lang ze hun ideaal niet in de praktijk brengen, mogen ze het in een vrije samenleving op spandoeken, door de megafoon of online vorm geven. ’t Is voor de politie dan ook gemakkelijker om ze in het oog te houden, want je weet maar nooit.
     Sommige lezers zullen zich het zesde seizoen herinneren van de televisiereeks Homeland. In de eerste aflevering helpt ex-CIA-agente Carrie Mathison de sympathieke jonge Amerikaanse moslim Sekou Bah die van terrorisme wordt verdacht. Nu heeft die Sekou Bah niets met terrorisme te maken. Hij heeft alleen enkele video’s gepost die Al Qaeda in een gunstig daglicht plaatsen. Carrie beschouwt dat terecht als vrije meningsuiting en niet als terrorisme. Wat terrorisme is, moet je Carrie niet leren.
     Ik ben dus erg tevreden met de evolutie binnen N-VA. In de nasleep van de aanslagen in Zaventem verdedigde Peter De Roover nog het strafbaar maken van steunbetuigingen aan de Islamitische Staat en aan het moslimterrorisme. Hij vond toen dat ons land in oorlog was met IS en dat in een oorlogssituatie andere regels gelden. Heel links protesteerde. Jonas Slaats van KifKif vond dat het moeilijk was om de term ‘terreur’ te definiëren. Gwendolyn Rutten (OVLD) tweette: ‘Wie de vrijheid van meningsuiting verbiedt, doet de vrijheid verdwijnen.’
     Het is alleen jammer dat links en OVLD in het huidige debat net de omgekeerde evolutie hebben doorgemaakt.

 

* In welke mate zo’n verwijdering door de eigenaar van Facebook mag worden beslist is een erg moeilijke vraag. Ik schreef er iets over hier en  hier.

zaterdag 29 mei 2021

Peter Mijlemans bewijst


      Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad is blij met de nieuwe coronacijfers. ‘De magische kaap van 500 coronapatiëntien op intensieve zorg is gehaald. Dat hebben we aan ons allemaal te danken …. Het bewijst het ongelijk van de stokende criticasters in de marge, à la Siegfried Bracke …’ (Zie hier)
     Voor mij is het makkelijk om Peter Mijlemans hier streng terecht te wijzen. Natuurlijk bewijst die magische kaap niet wat hij beweert, namelijk dat Siegfried Bracke ongelijk heeft. Ik ken, zoals elke landgenoot, min of meer de context. Ik weet wat corona is, wat intensieve zorg is, waar het cijfer 500 vandaan komt, waarom we onszelf mogen bedanken, en wie Siegfried Bracke is. Ik heb zelfs enkele coronastukken van Bracke gelezen. Nergens schrijft die dat de kaap van 500 patiënten níet zal worden gehaald, want had hij dát geschreven, ja dan was zijn ongelijk bewezen. Mocht Bracke verder iets geschreven hebben tegen de vaccinatie, waar we de gehaalde kaap aan te danken hebben, dan zou ik zeggen: vooruit, Mijlemans krijgt een half punt. Maar Bracke hééft niets tegen de vaccinatie geschreven.
    Mijn vraag is nu de volgende. Zou een lezer zonder voorkennis over corona, over bedden op intensieve zorg of over de stukken van Siegfried Bracke, zonder voorkennis zelf over Peter Mijlemans, zou zo’n lezer ook kunnen ruiken dat het bewijs van Mijlemans verdacht is? Ik geloof bijna van wel.

donderdag 27 mei 2021

Israël - Palestina: 10 principes

 


   Zijn er principes – al dan niet rechtvaardige – die kunnen helpen om vrede tot stand te brengen tussen Israëli’s en Palestijnen? Jawel. Het zijn er zelfs te veel.

  1. Het recht van de sterkste.
    Dat lijkt het uitgangspunt van Israël te zijn. Het principe staat vandaag niet hoog aangeschreven maar is eeuwenlang het leidende beginsel geweest in de betrekkingen tussen de staten. Israël heeft haar militaire overwinningen telkens verzilverd met gebiedsuitbreiding. Als het aangevallen wordt met flutbombardementen slaat het terug met échte bombardementen.
  2. Veiligheid.
    Toen Israël werd opgericht beloofden de Arabische staten om ‘de Joden in de zee te drijven’. De slagzin wordt door een misverstand toegeschreven aan de Egyptische president Nasser, maar schijnt wel degelijk in gebruik te zijn geweest. (Zie hier) Het is in elk geval de mentaliteit die  Israël aan haar vijanden toeschrijft, wat leidt tot een grote bekommernis om de eigen veiligheid. Het principe houdt verband met het ‘recht van de sterkste’, want je kunt het best je veiligheid verzekeren als je de sterkste bent.
  3. Eenzijdige toegevingen. Ook dat principe houdt verband met het ‘recht van de sterkste’. Als je werkelijk de sterkste bent, kun je toegevingen doen zonder dat daar iets tegenover staat, behalve dan de belofte dat men je gerust zal laten. Israël heeft een poosje die weg bewandeld toen het veroverde gebieden weer afstond in ruil voor erkenning en vrede. De politiek van ‘land for peace’. Toen de vrede uitbleef, verminderde het enthousiasme voor het principe en kregen de ‘haviken’ meer armslag.
  4. Wraak. Dat lijkt een belangrijk beginsel te zijn aan Palestijnse kant. Ook dit principe wordt vandaag niet openbaar beleden, maar het is eeuwenlang de drijfveer voor langdurende conflicten geweest. Het komt geloof ik niet voor in officiële Palestijnse teksten, maar je herkent de toon wel eens op betogingen met rood-groen-wit-zwarte vlaggen.
  5. Bloed en bodem (en religie). De joden vinden dat ze recht hebben op een stuk land waar hun voorouders of geloofsgenoten enkele duizenden jaren geleden hebben gewoond, nadat ze de plaatselijke Kanaänieten hadden uitgemoord, althans volgens de bijbel. De Palestijnen vinden dat het land toebehoort aan de 5 miljoen kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van de 700 000 vluchtelingen die in 1948 het gebied verlieten. Voor een buitenstaander is de afstand in tijd van 2000 jaar moeilijker te verteren dan een van 70 jaar. Maar de principes zijn vergelijkbaar. Men weigert zich als vluchteling te integreren in een nieuwe samenleving en blijft dromen van het mythische thuisland.
  6. Individuele eigendom. Dat is mijn favoriete principe. Een stuk grond behoort niet toe aan een volk of een religie maar aan een persoon of een familie die die grond gekocht of geërfd heeft of als niemandsland heeft ingenomen om er iets nuttigs mee te doen. Dan mag het geen verschil maken of dat een Palestijn is in Israëlisch gebied of een Jood in Palestijns gebied. Volgens dit principe zou nogal wat grond in Israël aan Palestijnen toekomen en nogal wat grond op de Westbank aan Joden. Misschien zou een en ander met schadevergoedingen kunnen worden geregeld*. Maar wie zal het uitmaken? Zijn er eigendomstitels? Dateren zij van de Ottomaanse tijd? Van de Britse tijd? Van na 1948? En wat met een stuk grond dat in 1948 een woestijn was en nu een bloeiende boomgaard? Wie is dan eigenaar van wat?
  7. Democratie. Vrije verkiezingen, majority rule en recht op oppositie zijn min of meer gerealiseerd binnen de Israëlische staatsgrenzen en er zijn pogingen geweest om die te realiseren in Gaza en de Westbank.  Maar democratie staat niet helaas niet voor vrede. In Israël zijn de Joodse extremisten momenteel electoraal sterk genoeg om een politiek van gebiedsuitbreiding boven een van vrede te verzekeren. In Gaza heeft Hamas in 2006 de verkiezingen gewonnen en is sindsdien vergeten om nieuwe verkiezingen te organiseren. Op de Westbank heeft Hamas de verkiezingen ook gewonnen maar heeft de regerende PLO er de voorkeur aan gegeven om het resultaat te negeren.
  8. Gelijkheid voor de wet. Ook dit principe is min of meer gerealiseerd binnen de Israëlische wetgeving: Arabieren en Joden hebben gelijke rechten en plichten. Er zijn enkele verschillen. Alleen Joden móeten legerdienst vervullen, Arabieren mógen dat, maar weinigen doen het. De taalwetgeving kent een hogere status toe aan Hebreeuws dan aan Arabisch. En er is een principiële discriminatie in de immigratiewetgeving (zie volgende punt). Ondanks de theoretische gelijkheid voor de wet kan de Arabische minderheid in de praktijk nog altijd slachtoffer zijn van discriminatie. Het aanslepende conflict prikkelt ongetwijfeld de vijandigheid tussen de gemeenschappen, een vijandigheid waarvan de gevolgen zwaarder zullen wegen voor de minderheid dan voor de meerderheid. 
  9. Secularisme. De Israëlische onafhankelijkheidsverklaring verzekert gelijke rechten voor elke burger, ongeacht zijn godsdienst. Tegelijk echter wordt de staat als ‘Joods’ gedefinieerd, wat grote gevolgen heeft voor de immigratie-wetgeving. Iedereen die tot de Joodse godsdienst behoort – wat niet noodzakelijk een vroom geloof in die godsdienst inhoudt –  heeft automatisch het recht om naar Israël te immigreren. Christenen, moslims en anderen hebben dat recht niet. Palestijnse organisaties hebben daarom lang een onverdeeld secularisme als alternatief voorgesteld. Ondertussen liggen de kaarten voor dat secularisme veel ongunstiger dan 40 jaar geleden. Binnen Israël heeft het extremistische jodendom aan invloed gewonnen. En binnen de Palestijnse beweging is het secularisme grotendeels weggedrukt door de moslimextremisten van Hamas en Hezbollah. In het algemeen lijkt de religieuze onverdraagzaamheid eerder toe- dan afgenomen.**
  10. Internationaal recht. Hier spelen de VN-resoluties een grote rol, zoals resolutie 242 van 1967 die vraagt dat Israël zich terugtrekt uit de gebieden die het toen zojuist had veroverd. Je kunt je afvragen of zo’n stelletje landen, met elk hun eigen agenda, geschikt is om als neutrale scheidsrechter op te treden. Maar is er een andere instantie die de rol kan opnemen? Israël heeft een deel van de resolutie 242 al toegepast. Een integrale toepassing zou zijn internationale positie in elk geval niet verzwakken.
     Ik verwacht niet dat een van de strijdende partijen mijn mening zal vragen***. Mochten ze dat wel doen, dan verklaar ik mij zoals iedereen voorstander van de tweestatenoplossing, en krijgt de Palestijnse staat  van mij de hele Westbank. De oplossing komt min of meer tegemoet aan de principes 1, 2, 3 en 10 en gedeeltelijk aan principe 5. Van de andere principes kunnen de twee staten proberen het beste te maken. De Joodse kolonisten mogen van mij op de Westbank blijven wonen, maar ik zou het hen niet aanraden. Ik vrees dat de Palestijnse staat een islamistische staat wordt, met of zonder verkiezingen. Het zij zo. En verder behouden de twee staten het recht om hun immigratiepolitiek in te vullen zoals ze dat zelf willen.
     In Israël moeten de extremisten hun wens opgeven om de Westbank in te sluiten in een Israël-tot-aan-de Jordaan. Dát Israël is toch maar een onrealiseerbare droom. Ofwel moet je dan de Palestijnse bevolking verjagen, en dat lukt geen tweede keer, ofwel moet je ze opnemen in je staat als volwaardige burgers, waardoor de Joden binnenkort een minderheid gaan vormen in hun eigen staat. Ook de derde mogelijkheid is niet aantrekkelijk: een permanente apartheid met een archipel van Palestijnse gebieden die militair omsingeld zijn en die geen gemeenschappelijke economie kunnen uitbouwen. Zo’n toestand moet onvermijdelijk tot blijvende spanningen leiden.
     Militair-strategisch is de terugtrekking van het Israëlische leger uit de Westbank, en de oprichting van een Palestijnse staat met een volledig staatsapparaat en leger, voor Israël geen goede zaak. Tja, je kunt niet alles hebben in het leven. Maar ondertussen is het militaire overwicht van Israël verpletterend en krijgen de Palestijnen vandaag niet meer de steun van de Arabische staten waar ze vroeger op konden rekenen. Willen ze hun nieuwe staat gebruiken om, tegen hun beloften in, zoveel mogelijk raketten op Israël af te vuren, dan is dat te betreuren. Israël kan dan naar oude gewoonte met precisiebombardementen terugslaan die, naast de vernietiging van legertuig en commandoposten, veel meer burgerslachtoffers zullen kosten dan het zelf geleden heeft. Ook dat zal ik betreuren. Maar ik zal geen boycotmaatregelen eisen.
     En Jeruzalem dan? En de blokkade van Gaza? En … ? Ja, kijk, dat moeten de strijdende partijen aan iemand anders vragen. 


 * Er is van Israëlische kant wel wel hier en daar wat schadevergoeding toegekend voor Palestijnse gronden die onteigend werden, maar erg veel lijkt het niet te zijn geweest.

 ** Volgens een onderzoek van 2015 zou 82 procent van de moslims ongelukkig zijn als hun kind zou trouwen met een jood en zou 97 procent van de joden dat zijn als hún kind iets soortgelijks zou doen. Ik vraag mij af of dat laatste cijfer even hoog lag rond 1970 bijvoorbeeld. Helemaal als een verrassing komt het niet voor wie Fiddler on the Roof of, laat ons zeggen, The Marvelous Mrs. Maisel gezien heeft. ‘She’s a shiksa,’ zegt vader Maisel als zijn zoon hem zijn jonge minnares Penny Pam voorstelt. ‘Shiksas are for practice. It’s not a girl you marry.’

*** Ook hier en hier heb ik mijn mening gratis ter beschikking gesteld.