maandag 24 augustus 2026

Cofnas en het 'welzijn' aan de U Gent

 


1.-
Ik heb over de zaak Cofnas al een en ander geschreven in maart van dit jaar.* Ik zal proberen niet in herhalingen te vervallen. Wie ongeduldig is: wat mij het meeste bezighoudt, staat hieronder in mijn laatste paragraaf.   

2.- 
Ik ben voorstander van de academische vrijheid. Uiteraard mag men een professor of onderzoeker aan een universiteit ontslaan voor wetenschappelijke fraude. Ook flagrant ondeugdelijk onderzoek kan een reden zijn, maar hier zou ik héél voorzichtig zijn. Er zijn heel wat professoren die van elkaar vinden dat de ander ondeugdelijk onderzoek doet.

3.- 
Elke sanctie – zij het schorsing of ontslag – die teruggaat op verwijten van ‘racisme’, ‘antisemitisme’, ‘woke-ideologie’,  ‘pseudowetenschap’ enzovoort vind ik a priori verdacht omdat die begrippen rekbaar en subjectief zijn.

4.-
Het is best mogelijk dat bij deze schorsing een correcte procedure is gevolgd**. Het is ook mogelijk dat er bij een toekomstig ontslag eveneens een correcte procedure zal zijn gevolgd. Maar als er geen nieuwe feiten aan het licht komen, zal ik die beslissingen blijven betreuren.

5.-
Men kan de academische vrijheid van Cofnas verdedigen zonder zijn meningen te verdedigen. Maar ik wil het mijzelf niet te gemakkelijk maken, en daarom zal ik hier ook iets over die meningen zelf te zeggen. 

6.- 
Men verwijt Cofnas 
– terecht – dat hij zich een ‘rassenrealist’ noemt. Maar de mensheid valt wetenschappelijk gezien niet onder te verdelen in ‘rassen’. Iedereen weet bijvoorbeeld dat de variatie tussen leden van een zogezegd ‘ras’ groter is dan die tussen de ‘rassen’ onderling. Anderzijds weet iedereen ongeveer wat Cofnas bedoelt, zoals men ook weet wat bedoeld wordt met ‘rassendiscriminatie’, ‘rassensegregatie’, enzovoort. In de Belgische wetgeving is alleen sprake van ‘zogezegd ras’, maar in de Amerikaanse wetgeving en rechtspraak wordt de term ‘race’ veelvuldig gebruikt. Men doceert er aan de universiteiten ook al eens een vak Critical Race Theory.
     In de context van de VS betekent ‘blanke ras’ niets meer dan ‘uit Europa afkomstig, en ‘zwarte ras’ uit Afrika afkomstig.


7.-
Amerikanen van Europese en Afrikaanse herkomst behalen gemiddeld verschillende scores op IQ-testen. Dat gemeten verschil is groot (in niet-technische termen: 10 à 15 procent) en wordt door niemand ontkend. Als men echter allerlei andere omstandigheden – zoals onderwijs en sociaal-economische status – meerekent, wordt dat verschil heel wat kleiner. Volgens veel onderzoeken verdwijnt het echter niet helemaal.

8.- 
De vraag of het resterende verschil, als het bestaat, een genetische basis heeft, is voorlopig onbeslist. Cofnas behoort tot degenen die voortbouwen op de studies die die genetische basis bevestigen. Zijn eigen onderzoek betreft de moraal-filosofische implicaties van die hypothese.

9.- 
Iemand zoals ik die twee of drie  boeken over de kwestie gelezen heeft, kan beter zijn mond houden over de grond van de IQ-controverse. Bovendien heb ik genoeg gelezen van Cofnas om te weten dat zijn benadering van de kwestie mij niet erg interesseert. Dat betekent niet noodzakelijk dat ze geen waarde heeft.

10.-
In de traditionele en sociale media moet je geen analyse verwachten van wetenschappelijke methodologie. Men beperkt zich redelijkerwijze tot sprekende voorbeelden, zoals Cofnas’ bewering dat het aantal zwarte professoren aan Harvard onder een academisch-meritocratisch systeem de 0 % zou benaderen (in plaats van 5 % zoals het nu is). Maar die bewering is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Volgens een eigen onderzoek van Harvard uit 2013 zou de studentenpopulatie er helemaal anders uitzien als men uitsluitend de academische kwalificaties in rekening bracht. Die zou er namelijk als volgt uitzien. 43 % Aziatisch, 38 procent blank, 2,4 % Hispanic, 0,7 % zwart (in plaats van de 8 % nu). De redenering van Cofnas was, dat dat percentage voor professoren dan nog lager zou liggen dan 0,7 %. (Uiteraard kunnen ‘academische kwalificaties’ en IQ niet zomaar gelijk worden gesteld, anders had ikzelf een veel hoger IQ dan ik nu heb).


11.-
Een andere uitspraak van Cofnas die hem wordt aangewreven is er een die hij deed in een interview : ‘I’m still waiting for the revolution to happen. And, I’ll get another job. After the revolution, I’ll be the head of, you know, the Department of Eugenics and Race Science at Harvard.’ Onderzoeker aan de UGent Tim Grauls waarschuwt ons dat we die uitspraak niet als een ‘grapje’ mogen opvatten. Ik kan kameraad Grauls – ACOD-afgevaardigde in de Raad van Bestuur van de universiteit – geruststellen: de kans dat Cofnas departementshoofd wordt in Harvard is ongeveer even groot als die dat Herman Brusselmans een willekeurige jood een puntig mes door de keel zal rammen. 


12.-
 
Ik moet toegeven dat er ook uitspraken van Cofnas zijn die ik weerzinwekkend vind. Zo schrijft hij in The Hereditarian Revolution: ‘Those who truly value diversity should favor the preservation of racial distinctions. There must be some barriers set up between races in order for each one to express its own unique genius.’ 
     Ik kan veel argumenten bedenken om die uitspraak te relativeren. Cofnas spreekt zich elders uit tegen gesegregeerd onderwijs. Hij pleit niet voor wettelijke maar voor vrijwillig gekozen segregatie. Het is een voorwaardelijke uitspraak: ‘Als je diversiteit echt belangrijk vindt … als je gelooft dat elk [zogezegd] ras een eigen karakter heeft …’ Ook ziet Cofnas die segregatie niet louter etnisch: ‘Divisions won’t necessarily be made along racial lines, although it’s likely that many self-segregating communities will be relatively homogeneous.’
 
     Toch blijf ik die segregatie, of ze nu libertair of autoritair is, weerzinwekkend vinden. En hoe minder rationele argumenten ik heb, hoe dieper ik de weerzin voel. 

13.-
Schelden is niet mooi. Frank D’hanis vindt dat Cofnas in zijn terechte kritiek op professor Arday die laatste niet ‘verstandelijk beperkt’ had mogen noemen. Dat vind ik ook. ‘Cognitief beperkt’ of beter nog 
‘beperkt’ is een eufemisme dat op klassenraden wordt gebruikt, maar als je het op een rapport zou schrijven of tegen ouders zou zeggen, zou het een scheldwoord zijn. Zelf omschrijft D’hanis onze vriend Cofnas echter op FB als ‘een edgelord xenofobe academicus, die het hardcore racistische machinegeweer van kwaadaardige mensen van pseudo-wetenschappelijke munitie voorziet.


14.- 
Ik stoor mij op de sociale media in ongeveer gelijke mate aan de scheldtirades tegen Cofnas als aan die tegen Petra De Sutter. Maar de laagste reacties zijn natuurlijk die waarin Petra De Sutter aangepakt wordt als transgender.

15.-
In een commentaar op de sociale media bekritiseert Maarten Boudry de beslissing van Petra De Sutter om Cofnas tijdelijk te schorsen. Hij ondermijnt zijn terechte argumenten door op het einde nog eens de AI-hallucinaties van De Sutter aan te halen. Let it go, Maarten. 

16.-
Mooi is dan weer dat hij voorlopig wel een standpunt inneemt maar nog geen artikel op Quillette wou publiceren, omdat hij liever de definitieve uitspraak in de zaak afwacht. Ik zou dat ook moeten doen, maar de hele kwestie maakt mij onrustig.

17.-
Boudry gebruikt ook een argumentum ad hominem in de oorspronkelijke betekenis van het woord: een argument toegesneden op de tegenstrever.  ‘Since the rector is transgender, here’s an analogy she might appreciate: this suspension is like banning a Pride event in a city because of the “unrest and tension” (read: anti-LGBT violence) the organizers are “causing” among religious fanatics. Or excluding trans women from political positions because of the “psychological distress” they may cause to people who believe in a sex binary.
     Frank D’hanis noemt dat Boudry’s ‘giftigste post tot op heden’ omdat hij er ‘weer het gender van rector Petra De Sutter bijsleurt.’
      Ik zie dat anders. Ik geloof dat de progressieve Boudry het gender van De Sutter zo normaal vindt dat hij er niet eens aan denkt dat haters om de verkeerde redenen zullen applaudisseren, en dat haters van de andere kant hem verkeerd zullen begrijpen. Frank D’hanis vindt dat de vergelijking van de pot gerukt is omdat De Sutter de tolerantie vertegenwoordigt en Cofnas de intolerantie. Maar een vergelijking moet niet punt voor punt opgaan om iets te kunnen verduidelijken.

18.-
D’hanis zelf vergelijkt de schorsing van de U Gent met een bedrijf als Toyota waar je voor veel minder kunt worden buitengegooid. Ook die vergelijking gaat volgens mij niet punt voor punt op.

19.-
Er circuleert een internationale lijst van academici (hier) die protest aantekenen tegen de sancties – en de motivatie ervoor – tegen Cofnas. Er staan op dit moment 702 handtekeningen op. Ik vrees dat er vandaag een langere lijst zou kunnen worden verzameld van academici die de sancties ondersteunen.

20.-
Ik heb de brief van Petra De Sutter aan Cofnas gelezen***. De argumentatie is goed gestructureerd en helder verwoord. Ik neem vooral aanstoot aan het herhaalde gebruik van het woord ‘welzijn’. De redenering gaat als volgt. De meningen die Cofnas in geschriften, sociale media en interviews verkondigt, en de toon waarop hij dat doet, bedreigen het welzijn van studenten en collega’s die zich door die meningen gekwetst voelen.  Dat is zeker een argument, maar het zou geen argument mogen zijn. In een liberale samenleving zouden we ons moeten trainen om niét gekwetst te zijn door meningen, en áls we ons gekwetst voelen, om daar geen eisen aan te koppelen om iemands vrije spreken te beperken. De Sutter vermeldt zelfs het bestaan van een groep ‘Students Against Cofnas’ en het feit dat meer dan 2000 studenten een petitie getekend hebben tegen de aanstelling van Cofnas. Naar het schijnt noemt men zo’n argument het Heckler’s Veto. In elke controverse leer ik woorden en begrippen bij.


 * Mijn stukjes van enkele maanden geleden staan hier en hier.

** Om te zorgen dat alles ordentelijk verloopt is aan de U Gent ondermeer onderstaand document verspreid.


*** *** De brief wordt integraal geciteerd in de post van Boudry: hier


zondag 23 augustus 2026

Drie keer het klimaat, e.a.

Klimaat en subsidies
     In zijn zoveelste klimaatmanifest heeft Karel Verhoeven (DS 22/8) een ontdekking gedaan: een omwisseling van links en rechts. 

Wie goed luistert naar Bruno Tobback (Vooruit) en Andy Pieters (N-VA) in deze weekendkrant zit dat de vertrouwde ideologische stellingenoorlog … achterhaald is … Links springt onnatuurlijk in het ‘laat de markt toch innoveren’-gat dat rechts laat, en rechts omarmt het economisch conservatisme dat links doorgaans koestert om met subsidies industrieën overeind te houden.

     Ik heb het interview met Tobback en Pieters gelezen, en ik moest echt ‘goed luisteren’ om Tobback in het ‘laat de markt toch renoveren’- gat te zien springen. Hij heeft het vooral over alle subsidies die zouden moeten gaan naar groene maatregelen. Dat is ook logisch, want als de markt vanzelf voldoende innoveerde in de groene richting, was er geen nood aan een groen beleid zoals links en Verhoeven dat graag willen. De transitie zou er ook zijn, maar aan een trager tempo.
     Over rechts dat subsidiëring van industrieën voorstaat, heeft Verhoeven gelijk. Als men de internationale markt liet spelen, zou alle industrie uit Europa weggaan naar andere dele van de wereld. Rechtse politieke partijen willen dat om slechte sociologische en goede geopolitieke redenen vermijden. Linkse politieke partijen gingen zich vroeger ook sterk gemaakt hebben voor de ‘redding van de werkgelegenheid’ maar nu het industrieproletariaat veeleer radicaal-rechts stemt is hun electorale drijfveer voor zo’n beleid grotendeels weggevallen. 

 

Adaptatie en mitigatie
     De klimaatverandering komt met een kost in de vorm van bosbranden, hittedoden, overstromingen, onbevaarbare rivieren enzovoort. Het is daarom nuttig om de hele kwestie zien in het licht van een kosten/baten-analyse. Hoeveel moeten we opofferen aan consumptievermogen om iets aan de klimaatverandering te doen?     Dat kan al meteen rol spelen om mitigatie (koolstofreductie om de bron aan te pakken) en adaptatie (airco en blushelikopters om de gevolgen te milderen). Wat is de economische kost van koolstofreductie? Wat is de economische kost van dijkenaanleg? Ik vermoed dat het heel moeilijk is om die kosten te vergelijken.
     Maar op andere vlakken is de vergelijking gemakkelijk. De voordelen van mitigatie situeren zich op de zeer lange termijn – omdat de reeds uitgestote koolstof blijft waar ze is – en de voordelen van adaptatie situeren zich op de korte of middellange termijn. Misschien nog belangrijker is dat de voordelen van mitigatie mondiaal zijn, terwijl die van adaptatie lokaal. De belastingbetaler kan zijn eigen blushelikopters – eigen, bij wijze van spreken – aan het werk zien op televisie.


Klimaat-drogreden
     ‘Het heeft geen zin dat ons land, of zelfs heel Europa, haar koolstofuitstoot vermindert,’ hoor je soms. ‘Het is vooral de rest van de wereld die CO2 uitstoot, China en de VS.’ Thomas Rotthier noemde dat op X een excuus en een drogreden. Een excuus is het zeker, maar voor een drogreden bevat de stelling te veel waarheid. Hij erkende wel dat er zich een probleem van ‘freeriding’ stelde, maar ook dat geeft de zaak niet goed weer. Het is niet zozeer dat enkele landen profiteren van de inspanning die de rest van de wereld doet, het zou eerder zijn dat een minderheid van landen zich inspanningen getroost waarvan uiteindelijk niemand profiteert.

     Er zijn geloof ik vijf redenen om als Europa eventueel toch voorop te lopen in de energie-transitie.

  1. Alle beetjes helpen.
  2. We geven het goede voorbeeld.
  3. We hebben meer recht van spreken in internationale samenwerkingsverbanden
  4. Duurzame energie kan voor meer geopolitieke onafhankelijkheid zorgen
  5. Door (gesubsidieerd) onderzoek en innovatie kan een rendabele klimaatneutrale technologie ontstaan waar de hele wereld volgens een win-win scenario van profiteert.

    De drie eerste redenen vind ik heel zwak. 


Clement en Laurent
     Wie gisteren of vandaag veel op de sociale media heeft gescrold maakt veel kans om op volgende geestige koppen te hebben gezien: ‘Belgian car salesman becomes prince after royal parentage confirmed’ (BCC) of ‘… after DNA test proves royal parentage.’ Dat is een prachtig voorbeeld van Angelsaksische humor, en de truc, als je wil, bestaat erin om géén humoristisch effect na te streven. De humor is een neveneffect van de zakelijkheid en bondigheid. De kop is bij wijze van spreken niet kwaad bedoeld. Daarbij moet je voor ogen houden dat het Britse of Amerikaanse publiek nog nooit gehoord heeft van prins Laurent, Wendy Van Wanten en hun liefdeskind, en dus best wat achtergrondinformatie kan gebruiken. Mocht Het Laatste Nieuws de kop ‘Autohandelaar wordt prins na DNA-test’ brengen, dan zou dat grove satire zijn.
    Zelf was ik overigens gerustgesteld toen ik op Het Nieuws vernam dat Clément weliswaar prins werd, maar niet als mogelijke troonopvolger in aanmerking kwam. We weten sinds Willem de Veroveraar hoe het kan lopen als een bastaard op de troon komt. 

zaterdag 22 augustus 2026

De roep om bosbrandpreventie, e.a.


Bosbrandpreventie (1)
 
    ‘Negen ministers waren in maart al gewaarschuwd voor het risico op bosbranden’. (DS 20/8). Zo’n kop is een normale journalistieke reflex. Er gebeurt een ramp – een aanslag op de Twin Towers – en dan gaat men graven of er geen rapporten bestaan die waarschuwden voor zo’n ramp. Die rapporten vindt men altijd. Een andere vraag is: welke maatregelen had men moeten nemen om die ramp te voorkomen, en hoeveel hadden die maatregelen moeten kosten? En hoeveel mogen de toekomstige maatregelen kosten gezien de risico’s in de toekomst? Moeten we als belastingbetaler een gewone verzekering nemen, een mini-omnium, een maxi-omnium, een omnium plus? En voor wélke van de talrijke mogelijke rampen moeten we de beste verzekering afsluiten? 
Ik vermoed dat er in de ministeriële lades nog veel rapporten liggen die waarschuwen voor van alles en nog wat.

Bosbrandpreventie (2)
     ‘Bommenwerpers blussen geen branden.’ (DS 20/8). Het opiniestuk is van Luc Walleyn, een oude bekende. Hij heeft mij als advocaat verschillende keren verdedigd toen ik moest voorkomen wegens deelname aan verboden betogingen of wegens ‘weerspannigheid tegen de politie’. Ik zou het stuk eigenlijk moeten lezen. Maar de kop staat mij tegen. Nee, natuurlijk, bommenwerpers blussen geen branden. De kans is groot dat het artikel één grote parafrase is van die platitude. 


Klimaatcrisis
    ‘Alles is een crisis, behalve de klimaatramp.’ (DS 21/8). Joshua Livestro betreurt dat de Europese Raad – die hij te rechts vindt –  geen ingrijpender maatregelen neemt om de klimaatopwarming tegen te gaan. Het IPCC legt volgens hem te veel nadruk op de toekomstige gevolgen. 

De lens moet verschuiven van de toekomst naar vandaag. Rivieren zullen vanaf nu vrijwel standaard niet langer het hele jaar bevaarbaar zijn. Grote bosbranden worden een normaal fenomeen. 

Maar Livestro maakt zich illusies als hij denkt dat met het verschuiven van de lens de publieke opinie mee zal verschuiven: de lens is namelijk al lang verschoven. Bij het VTM-nieuws en -weerbericht bijvoorbeeld wordt elke hittegolf, elke ‘hittedode’, elke bosbrand en elke overstroming meteen in verband gebracht met het klimaat. En toch is het publiek het klimaat - terecht of ten onrechte - wat beu.
 
     Livestro heeft goede argumenten om te pleiten voor een ‘fierce urgency of now’. Maar dat maakt van de klimaatopwarming nog geen crisis. Ik zou het woord liever voorbehouden voor een probleem dat met maatregelen op korte termijn moet worden opgelost. De bosbrand in de Hoge Venen is een crisis. Die moet zo snel als mogelijk worden geblust. De klimaatopwarming is geen crisis. Welke dringende klimaatmaatregelen ons land, Europa of de hele wereld ook neemt, de bosbranden en de bevaarbaarheid van de rivieren zullen nog vele decennia minstens even dramatisch blijven.


Goedgelovigheid
     Zelfs als het een politicus is die iets vertelt, is mijn eerste reactie om hem te geloven. Hoewel ik zelf wel eens lieg, kan ik moeilijk geloven dat andere mensen ook liegen. Bij redeneringen is dat anders: dan ben ik sceptisch. Ik probeer zelf te controleren of de redenering klopt. Maar wat als feit verteld wordt, geloof ik gemakkelijk.
     Een geval apart zijn de ‘sterke verhalen’. Montaigne geeft er zo een mee in boek II, hoofdstuk 29 van de Essays.

Er wordt verteld dat een van onze jonkers, die smoorverliefd was en tenslotte met veel overredingskracht het hart van zijn schone geliefde had vertederd, uit wanhoop dat hij, juist in het heetst van de strijd, onbekwaam was gebleken en zonder stootkracht – zijn lid had heel onmannelijk het hoofd niet meer geheven dan het hoofd van een aftandse heer – zich er bij zijn thuiskomst van ontdeed en het als een wreed en bloedig offer naar haar stuurde om te boeten voor zijn schande.

      Dat heeft alle kenmerken van een broodje-aap-verhaal. Er zijn geen coördinaten, de naam van de jonker wordt niet vermeld, er is geen directe bron, en ... er treedt een verdubbeling op. In dit geval: de penis krijgt een dubbele en zelfs driedubbele rol. Eerst als onwillig instrument van de liefde, vervolgens als voorwerp van verminking, en ten slotte als inhoud van een verzending.
     Dat steekt schril af tegen een veel preciezer verhaal dat Montaigne eerst vertelt, over een dorpeling die in een aanval van woede zijn penis met een zeis had afgesneden en naar zijn vrouw had geworpen. Dat verhaal wordt nauwkeurig gesitueerd – ‘zeven of acht jaar geleden’, ‘twee mijl hiervandaan’, ‘hij leeft nog altijd’ – en het bevat amper verdubbeling. De penis heeft maar één rol: afgesneden worden. Ook kunnen we ons makkelijker voorstellen dat de zelfcastratie gebeurt ter plekke en in een aanval van woede dan dat iemand eerst naar huis gaat en na rijp beraad beslist om een theatraal gebaar te maken.
     Ik acht het onwaarschijnlijk dat Montaigne het verhaal van de jonker zelf geloofde. Hij gebruikt een anekdote die hij gehoord heeft in een filosofische redenering; de waarheid van de anekdote is onbelangrijk. Maar iemand als Alain de Botton gelooft de anekdote blijkbaar wel. In De troost van de filosofie schrijft hij:

Montaigne kende een edelman uit Gascogne, die bij een vrouw zijn erectie niet in stand kon houden, naar huis vluchtte, zijn penis eraf hakte en die naar de dame stuurde ‘om zijn belediging goed te maken.’ 

     Dat De Botton hier ‘Cascogne’ toevoegt is een aanvaardbare interpretatie van ‘een van onze jonkers’ maar dat Montaigne die edelman gekend heeft, valt nergens uit de tekst af te lezen.  Gelooft De Botton dat verhaal dan écht? Dat is niet noodzakelijk. Hij heeft zich geloof ik de vraag niet gesteld. Mocht je hem de vraag stellen, dan antwoordde hij misschien: ‘Euh … nu je het zegt … eigenlijk niet. Maar het doet niet terzake.’
      Vandaag kan ik de vraag naar de geloofwaardigheid van een sterk verhaal gewoon voorleggen aan ChatGPT. Die schatte de kans dat Montaignes anekdote waar was tussen 10 à 15 %.
       Naar mijn smaak is die inschatting nog te hoog. Ik heb de bot ook gevraagd naar de waarschijnlijkheid van Jason Ardays verhaal over zijn 30 marathons die hij zou gelopen hebben op 35 dagen. Ook dit antwoord – 70 à 85 % - vond ik te hoog ingeschat. ChatGPT schat de waarschijnlijkheid van het volledige verhaal inclusief de details – haarfractuur, gezwollen been – op 50 à 70 %.


Fauci – corona – racisme
 
     De zaak Fauci heeft een oude discussie weer doen opflakkeren. Waar was het SARS-CoV-2-virus ontstaan? Sommigen beweerden dat de virusvariant ontstaan was op een Chinese markt waar wilde ratten en honden als vlees worden verkocht; anderen waren er zeker van dat het uit een Chinees laboratorium was ontsnapt. Lieden die het niet konden weten maakten op de sociale media ruzie met andere lieden die het ook niet konden weten. En toevallig: wie in het laboratoriumlek geloofde, geloofde niet in de vaccins,  en wie in de vaccins geloofde, geloofde niet in het laboratoriumlek. Als je het vandaag aan Chat-GPT vraagt is de waarschijnlijkheid van de markthypothese 55 à 70 procent en die van het laboratoriumincident 20 à 30 procent.
     Wat mij bij de discussie – en bij andere corona-discussies – altijd verwonderd heeft waren de wonderlijke argumenten die werden aangehaald. Apoorva Mandavilli, wetenschapsjournaliste bij de New York Times, postte in 2021:

Vroeg of laat zullen we stoppen met spreken over het laboratoriumlek en toegeven dat het verhaal voortkomt uit racisme. Maar zover zijn we helaas nog niet.

     Het antwoord van Nelli Bowles van The Free Press vond ik grappig: ‘Hoe kan het nu racistischer zijn om te zeggen dat de ziekte in een Chinees onderzoekslabortarium ontstaan is in plaats van op een Chinese markt waar vieze dieren worden verkocht om op te eten?’


Socialisme 2.0 in de VS
     Socialisme 1.0 bestond in de VS vooral uit de kleine maar invloedrijke communistische partij. Nu gaat het om een nieuwe generatie politici die actief zijn binnen de Democratische partij. Wat Roeland Termote schrijft in De Standaard (21/8) lijkt de situatie goed samen te vatten: ‘De meeste socialistische politici staan het sterkst bij stedelijke kiezers met een hoog opleidingsniveau, maar een laag inkomen.’


The Economist en De Standaard 
    
Gisteren maakte ik mij vrolijk over een stuk in De Standaard: ‘The Economist opent aanval op topeconoom Daren Acemoglu.’ Vandaag zie ik dat  het Engelse weekblad een stuk brengt over Yuval Noah Harari die tekortkomingen ziet in de visie van Elon Must. Zou het niet enig zijn als De Standaard nu een stuk zou schrijven met als kop : ‘The Economist opent aanval op topondernemer Elon Musk.’


De Standaard opent aanval op AI
     ‘Chatbots lijken misschien gratis,’ schrijft Ruben Mooijman (DS 22/8). ‘Maar we betalen ze dus dubbel en dwars terug via het woonkrediet.’ Die formulering zou de indruk kunnen wekken dat een deel van wat we aan interesten betalen naar de AI-industrie afvloeit. Maar zo is het natuurlijk niet. Het gaat erom dat voor de investering in AI veel geld wordt geleend, waardoor het aanbod aan geld kleiner wordt en de rente dus hoger. In de vooringenomen taal van Mooijman wordt dat:

Om de steeds megalomanere datacenters te kunnen blijven financieren die de AI-industrie denkt nodig te hebben, wordt er tegen de sterren op geleend.

     Ik moet denken aan de megalomanen die indertijd overal ter wereld spoorwegen hebben aangelegd. In elk geval: we moeten hopen dat Mooijman geen gelijk krijgt, dat de datacenters een goede investering zijn en geen uiting van megalomanie, en dat de AI-industrie dat geld allemaal kan terugbetalen. Anders is de verhoogde hypotheekrennte het minste van onze problemen.


Subsidies voor opera
        ‘Als we geen subsidies krijgen, moeten we voor tickets prijzen vragen van 500 euro of meer,’ zegt Jan Vandenhouwe, artistiek directeur van Opera Ballet Vlaanderen.’ (DS 21/8).  Nu kosten die tickets tussen 26 en 140 euro. Het nadeel van niet de reële kostprijs in het ticket te verrekenen is dat de gewone economische wetten niet meer opgaan. Algemeen directeur Benedikt Spierings geeft een mooi voorbeeld: 

 Een extra voorstelling kost meer dan ze oplevert. Daarom kunnen we van succestitels als ‘Carmen’ minder opvoeringen plannen dan er een publiek voor is.

     In het algmeen zou men, na het maken van de vaste kosten, meer winst moeten maken naarmate men meer voorstellingen organiseert. In de 19de eeuw kon je makkelijker rijk worden met toneelstukken en opera’s dan met romans. Je moest heel wat investeren in een productie en als je na enkele voorstellingen moest stoppen, maakte je verlies. Maar als je het stuk maandenlang kon laten opvoeren, zat je op rozen.

 

‘Links’ en ‘rechts’
     Ondanks al hun tekortkomingen vind ik de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ nog altijd bruikbaar om over politiek te spreken. Zou men bijvoorbeeld niet kunnen zeggen, om ons tot 1976 te beperken, dat Rocky een rechtse film, en Taxi Driver een linkse film is?

 

Hamsun en Reve
     Ben ik nu de enige die vind dat er wel wat gelijkenis in toon is tussen Honger (1890) van Kunt Hamsun en De avonden (1947) van Gerard Reve? 

 

vrijdag 21 augustus 2026

De Standaard, The Economist, Acemoglu


    
 Ik ontbijt weer voor het eerst sinds lang met een opgengeslagen Standaard (29/8)  naast mij. Op  bladzijde 20 staat een stuk van Ruben Mooijman: ‘The Economist opent aanval op topeconoom Daron Acemoglu.’ Dat is fijn. Heb ik voor een keer een stuk in dat prestigieuze weekblad gelezen, en dan schrijft De Standaard een stuk over dat stuk. Het gaat in allebei de gevallen om polemiek: The Economist is kritisch voor Acemoglu, en Mooijman is kritisch voor The Economist. 
     Ik vind het stuk in The Economist beter. In de inleiding wordt de reputatie van Acemoglu geschetst – Nobelprijs*, artikels, boeken, ranking, invloed, algemene lof van collega’s – en gaat dan verder. ‘Maar trakteer een econoom op een paar drankjes, en sommigen van hen durven we wel eens hun echte mening over de grote man te geven.’ 
     Zoiets mag je als journalist alleen schrijven op twee voorwaarden. Dat je echt op café hebt gezeten met een redelijk bekende econoom die na enkele glazen kwaad begon te spreken over Acemoglu. En dat je in de rest van het artikel probeert duidelijk te maken wat het nu precies is wat sommigen tegen Acemoglu inbrengen. Het eerste, van dat café, kan ik niet weten. Het tweede, de inhoud van de kritiek weergeven, wordt in het artikel min of meer waargemaakt. Na het lezen wist ik ongeveer wat men Acemoglu verweet, en ook, wat nog beter is, hoe hij zich tegen die verwijten verdedigt. Woord en wederwoord. De argumenten worden niet uitgediept, maar dat kan ook niet in een stuk van 1400 woorden.
     Het stuk van Mooijman telt maar 800 woorden, maar dat lijkt mij geen excuus: je komt nauwelijks iets te weten over de inhoud van de controverse, behalve dat allerlei mensen niet ingenomen zijn met wat The Economist geschreven heeft. Alleen in de laatste alinea krijgen we een sprankel informatie, en dan nog in de vorm van een intentieproces. Eerst hadden we al een citaat gekregen van macro-econoom Geert Langenus die zei ‘dat het stuk met kwade bedoelingen geschreven lijkt te zijn,’ en dan haalt Mooijman zelf concretere speculaties over die bedoelingen aan.

 Op sociale media vielen verschillende theorieën te lezen over de beslissing van The Economist om de aanval op Acemoglu in te zetten. Een ervan is dat Acemoglu kritisch is over AI, en daardoor de techbedrijven tegen de haren in strijkt, naast het ­argument dat The Economist het moeilijk heeft met Acemoglu's kritiek op het liberale establishment.

      Goed, The Economist en Acemoglu denken anders over AI, maar moet daarom meteen geïnsinueerd worden dat het weekblad geen kritiek aanvaardt die ‘de techbedrijven tegen de haren in strijkt’? En waarom wordt het liberalisme hier het ‘liberale establishment’ genoemd?

                                                     *** 

    In zijn stuk opinieert Mooijman niet in eigen naam maar door de keuze van degenen die hij interviewt. Het zijn drie mensen die iets van economie afweten, en alle drie hebben ze vooral kritiek op The Economist. Lode Cossaer is de meest genuanceerde.

 Het debat over Acemoglu's werk is al een tijdje aan de gang. Nog niet zo lang geleden is er een metapaper verschenen over zijn bekendste wetenschappelijke theorie rond arme en rijke naties. Daaruit bleek dat er zich nog geen wetenschappelijk consensus heeft gevormd. Er zijn goede argumenten langs beide kanten. Het is volstrekt normaal dat een wetenschapper kritiek krijgt, [maar] de conclusie van The Economist dat hij zijn status niet verdient, is niet terecht.

     Maar eigenlijk zegt The Economist niet dat Acemoglu ‘zijn status’ niet verdient. Wat het weekblad daarover schrijft is een beetje anders. Men laat een anonieme getuige aan het woord die Acemoglu ‘obviously a genius’ noemt en dan verder gaat: 

De vraag is of Acemoglu’s reputatie aan de absolute top van de economische wetenschap – en de intellectuele invloed die ermee gepaard gaat – gerechtvaardigd is door zijn wetenschappelijk werk.

         De absolute top … the very apex … Ik interpreteer dat als volgt: de door de The Economist geciteerde bron vindt niet dat Acemogly thuishoort in de top-3 aller tijden, maar veeleer in de top-20 van de hedendaagse economen. Dat komt dan overeen met hoe Mooijman de strekking van het stuk samenvat:

The Economist betwist de academische verdiensten van Acemoglu niet, maar vermeldt wel een reeks wetenschappers die in de loop der jaren kritiek hebben gehad op zijn werk of op aspecten ervan.

     Naast Cossaer citeert Mooijman ook professor Ive Marx.

              The Economist is volgens mij niet goed bezig. Voor zo’n aanval moet je toch met sterkere argumenten komen dan ze hier presenteren. Dat collega’s kritiek hebben op de kwaliteit van je data of je modellen, is in de wetenschap schering en inslag. De onderbouwing van het artikel is zwak. Het gebeurt wel vaker dat ik stukken lees die ik minder goed vind.
        Als trouwe lezer van The Economist is Marx veel beter geplaatst dan ik om te beoordelen of het polemische stuk over Acemoglu past bij de hoogstaande traditie van het weekblad, dan wel representatief is voor een recente terugval in kwaliteit. Als het stuk bedoeld was om ‘een aanval’ in te zetten op het wetenschappelijk werk van Acemoglu, dan is het artikel inderdaad héél zwak. Maar die ‘aanval’ is een interpretatie van Marx. Als het artikel daarentegen niet meer wil zijn dan een verkennende ronde aangaande de ‘kritiek die collega’s hebben op de kwaliteit van data en modellen’ van Acemoglu, dan doet het artikel precies wat het moet doen. Wellicht situeert de bedoeling van het stuk zich ergens tussen die twee uitersten.
      De hardste kritiek die Mooijman citeert komt van de al eerder vermelde Geert Langenus: 

The Economist speelt in het artikel echt op de man. En dat op basis van bronnen die deels anoniem zijn, en deels van economen die niet bepaald zwaargewichten zijn in het vakgebied.

     Zou Langenus begrijpen dat argumenten in diskrediet brengen door de bedenkers ervan ‘niet bepaald zwaargewichten in het vakgebied’ te noemen niet erg fraai is. Meer nog: het is een goed voorbeeld van ‘echt op de man spelen.’ Die niet-bepaald-zwaargewichten zijn de volgende : David Albouy, Jesús Fernández-Villaverde, Tyler Cowen, Francis Fukuyama, Lawrence Summers, en Noah Smith. Misschien kent de lezer wel een of meer van die namen, of hij kan ze opzoeken. En ja, Noah Smith is máár een blogger-met-een-PhD; toch lees ik hem graag.

                                                                    ***

     De grote wetenschappelijke verdienste van Acemoglu is dat hij een goede redenering gevonden heeft om het juiste causale verband te leggen tussen ‘instituties’ en economische groei. ‘Inclusieve’ instituties – democratie, billijke wetten, onafhankelijke rechtbanken – bevorderen de welvaart, beweert Acemoglu. Maar hoe kun je bewijzen dat het niet omgekeerd is? Dat het niet de welvaart die ervoor zorgt dat men zich die inclusieve instituties kan permitteren?
      Daarvoor heeft Acemoglu een vernuftige omweg bedacht: door te onderzoeken hoe nieuwe instituties ontstonden in gekoloniseerde gebieden. Zijn ei van Columbus: de relatie onderzoeken tussen, ten eerste de lage of hoge mortaliteit onder de kolonisten, ten tweede de ‘inclusieve’ dan wel ‘extractieve’ instituties die daarbij ontstonden, en ten derde de huidige welvaart of armoede in de betrokken gebieden. De volledige uitleg kun je makkelijk aan ChatGPT vragen.
     Met Acemoglu’s methodologie en conclusie was een belangrijke stap gezet in de economische wetenschap. Instituties bepalen welvaart en niet omgekeerd. Iedereen was onder de indruk, ook al omdat Acemoglu daarna degelijk onderzoek bleef publiceren. En met zijn populaire bestseller Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm raakte hij zelfs bekend bij het grote publiek.
      Het is in die omstandigheden niet meer dan normaal dat er ook kritiek ontstaat. Hoge bomen vangen veel wind. The Economist noemt dat ‘fame-induced scrutiny’, en voegt eraan toe dat een vastberaden criticus, na veel ‘prodding and probling’ zwakke plekken kan vinden in het werk van vrijwel elke onderzoeker. En het zijn die zwakke punten die het weekblad summier samenvat, en die in het artikel van Mooijman onvermeld blijven:

  1. Niet alle mortaliteitscijfers in het onderzoek blijken voldoende onderbouwd (Albouy);
  2. Historisch onderzoek is niet noodzakelijk relevant om de huidige economie te begrijpen (Fernández-Villaverde);
  3. De politieke conclusies die Acemoglu trekt uit de primauteit van instituties zijn ‘underwhelming’;
  4. Het is tautologisch om instituties te verklaren vanuit voorafgaande instuties (Cowen)**;
  5. Het model van Acemoglu kan moeilijk de evolutie in China verklaren (Fukuyama);
  6. Acemoglu onderschat andere onafhankelijke factoren die welvaart bepalen, zoals technologische innovatie;
  7. Hij onderschat met name de productiviteitswinst die uit AI kan voortvloeien (Summers).

    Een kritiek die ontbreekt is de volgende. In zijn boek Waarom sommige landen rijk zijn gaat Acemoglu in op de vraag of er naast ‘instituties’ ook niet naar ‘cultuur’ moet worden gekeken om de welvaartsstijging te verklaren. Het antwoord is: nee, het zijn de instituties en alleen de instituties. Ik herinner mij dat die argumentatie mij bij het lezen van het boek niet overtuigde. Ik vond ze, in de treffende uitdrukking van The Economistodly unconvincing.’ En recent las ik in de Substack-memoires van Gérard Roland, ex-Amadees en professor emeritus van Berkerley, een soortgelijke reserve.

Douglas North maakte een onderscheid tussen formele instituties — die op schrift zijn vastgelegd en worden gehandhaafd door het staatsapparaat — en informele instituties, zoals sociale normen. Die laatste worden gehandhaafd door groepsdruk, maar ook door de overtuigingen van mensen over wat, vanuit hun waarden, goed en fout is; met andere woorden: wat hun leven betekenis geeft. Waarden en overtuigingen vormen in brede zin wat we cultuur noemen. Dat is iets heel anders dan definities van cultuur die gebaseerd zijn op culinaire en kledinggewoonten en folklore (hoewel folklore uiteraard wel door cultuur wordt beïnvloed).

     Roland zelf had vooral nagedacht over de verschillende snelheid waarmee de politiek-legale instituties en de culturele normen evolueren. Die laatste worden doorgegeven van ouders op kinderen en veranderen over het algemeen veel trager. Het verwondert hem dat Acemoglu alleen de politiek-legale instituties economisch relevant vindt. Hij vertelt over een conferentie in 2005 waar hij zijn ideeën uitlegde en veel kritiek kreeg. 

De meeste economen wezen destijds het belang van cultuur nog steeds van de hand, en dat was ook tijdens die conferentie het geval. Acemoglu en Robinson, die meer dan wie ook hadden gedaan om het belang van instituties voor economische ontwikkeling te benadrukken, beperkten zich tot formele instituties en verwierpen openlijk het idee dat cultuur, naast formele instituties, een belangrijke rol zou kunnen spelen.

      Maar die discussie over ‘instituties’ en ‘cultuur’ is niet wat The Economist bezig houdt. Hier zit Langenus op het juiste spoor. Mooijman:

Langenus oppert dat Acemoglus meest recente boek mogelijk de aanleiding was om de aanval te openen. In Wat is er gebeurd met de liberale ­democratie? is Acemoglu kritisch voor de ideologie waarvan The Economist het uithangbord bij uitstek is: het liberalisme. Die stroming is volgens Acemoglu onvoldoende opgewassen tegen uitdagingen als ongelijkheid, sociale ontwrichting en de digitale samenleving.

     Over het artikel van The Economist verspreid, vindt men inderdaad opmerkingen die verwijzen naar het oude debat tussen liberalisme en socialisme. Dit is bijvoorbeeld wat een ‘bekende econoom’ over Acemoglu te zeggen heeft:

Veel van zijn theoretische werk is nuttig, maar hij gebruikt zijn modellen om populistisch beleid te onderbouwen dat al eerder is uitgeprobeerd en heeft gefaald.

     Het is heel aannemelijk dat met ‘populist policies’ inderdaad verwezen wordt naar socialistische herverdelingsmaatregelen. Wie denkt dat economische welvaart inderdaad vooral bepaald wordt door bewust ontworpen ‘instituties’ in plaats van door de onpersoonlijke krachten van de markt, komt gemakkelijk uit op half of heel socialisme. En dan gaat dat niet alleen over morele keuzes, maar ook over de correcte inschatting van de causale verbanden, met andere woorden over wetenschap. The Economist schrijft:

Power and Progress, een boek uit 2023 dat hij samen met Simon Johnson schreef, beschouwt duizend jaar innovatie grotendeels als een verhaal van toe-eigening door elites en van onbedoelde gevolgen. De katoenmachine ondersteunde de slavernij, terwijl het Haber-Bosch-proces de wapenproductie mogelijk maakte. Gewone mensen profiteerden blijkbaar pas wanneer zij kapitalisten ertoe konden bewegen rekening te houden met hun belangen. Het boek doet daarmee een veel overtuigender argument tekort: dat technologische vooruitgang op zichzelf de gemiddelde burger vele malen rijker heeft gemaakt dan in het pre-industriële tijdperk.

     Ik heb Acemoglu’s boek Power and Progress niet gelezen, maar a priori geloof ik The Economist: dat technologische vooruitgang meer heeft bijgedragen aan de algemene welvaart dan de druk van het volk op de elites. Dat de technologische vooruitgang zelf afhankelijk is van inclusieve instituties en tradities geloof ik dan weer wel.
     Acemoglu heeft ondertussen zelf toegegeven dat hij de invloed van AI op de productiviteit verkeerd berekend had. Maar zijn retoriek over ‘pro-worker AI***’ en over ‘de maatschappelijke noodzaak om de AI-ontwikkeling te sturen’ stemt mij achterdochtig. Ook hier maakt Acemoglu zich blijkbaar vooral zorgen over de institutionele omkadering van AI, terwijl ik vooral hoop dat die omkadering de vooruitgang niet afremt en de concurrentiestrijd met China niet ondermijnt.

                                                        ***

     Ik stel vast dat ik tot hier 2000 woorden nodig had om mijn bedenkingen in schriftelijke vorm te gieten. Ik moet The Economist bewonderen omdat het zoveel informatie en redenering kwijt kon in 1400 woorden. Maar mijn kritiek op De Standaard blijft: zelfs met 800 woorden hadden we meer informatie en minder algemeenheden mogen verwachten. Ook had Mooijman, bij gebrek aan wederwoord van The Economist, ten minste één bron kunnen citeren die het wél voor het weekblad opnam. En de titel van het het stuk  opent de aanval’  lijkt mij voorbarig. Alsof The Economist nu een jarenlange oorlog met Acemoglu begonnen is. 

* Acemoglu deelde de prijs met Simon Johnson en James Robinson. Ook elders vermeld ik alleen Acemoglu wanneer het nochtans om onderzoek gaat dat hij samen met anderen deed.

** Bij een eerste lectuur van het artikel, vóór ik De Standaard onder ogen kreeg, had ik naast deze kritiek aangaande tautologie al meteen enkele vraagtekens geplaatst. 

*** De socialistische reflex is om bij innovatie te denken aan de gevolgen voor de mens als arbeider; de liberale reflex is om te denken aan de gevolgen voor de mens als consument. Het gaat natuurlijk twee keer om dezelfde mens. 

dinsdag 18 augustus 2026

De zaak Jason Arday, e.a.


De zaak Jason Arday
     
Ik heb over de zaak Arday niets geschreven, maar ik heb wel aan iedereen in mijn onmiddellijke omgeving de volgende anekdote verteld, die ik veel grappiger vond dan de 30 marathons die hij in 35 dagen gelopen had, waarvan 9 met een gebroken been. 
 
     Arday had, dat is bekend, een proefschrift ingediend dat naar het schijnt heel sterk op plagiaat berustte. Maar dan moet hij toch, zou je denken, moeite hebben gehad om dat proefschrift mondeling voor een academische jury te verdedigen. Dat was ook zo, alleen had Arday een uitleg klaar. Vlak voor de mondelinge verdediging had hij last gekregen, zei hij, van wazig zicht. Hij bleek een kleine hersentumor tumor te hebben die direct moest worden verwijderd. Daardoor had hij een mini-beroerte gekregen die zijn kortetermijngeheugen had aangetast en kon hij zich op de verdediging van zijn proefschrift amper nog herinneren wat hij zelf had geschreven. 
     Het verhaal is grappig zoals verhalen over oplichterij vaak grappig zijn. Het is leuk om door te vertellen. Maar erover schrijven? Erover argumenteren? Hád ik erover geschreven, dan had ik iets gezegd over de ‘pluralistische onwetendheid’ waar de academische autoriteiten het slachtoffer waren. Wie het begrip niet kent, kan het makkelijk opzoeken.
      Nu weet de lezer nog altijd niet waaróm ik niets over Arday geschreven heb. Mijn redenen daarvoor gelijken heel sterk op die die Maarten Boudry had om er géén uitgebreid stuk over te schrijven: 

Drie weken geleden werd ik door een tijdschrijft waarvoor ik al eerder heb geschreven gevraagd om een stuk te schrijven over het schandaal rond Jason Arday. Maar ik heb het geweigerd, en achteraf gezien ben ik daar blij om. Vooral omdat ik toen al medelijden met de man had en de hele zaak zielig vond. Zijn leugens waren zo bizar en kinderachtig dat hij duidelijk ernstige psychische problemen had. Bovendien dacht ik dat ik weinig toe te voegen had aan wat al gezegd was … Misschien later, als het stof is gaan liggen. 

     Medelijden … weinig toe te voegen hebben … wachten tot het stof is gaan liggen … dat zijn drie heel goede redenen om te zwijgen. Boudry schrijft verder dat hij naar een Youtube-filmpje gekeken heeft waarin Arday vertelt over Paul Simon’s Graceland. Ik heb dat filmpje ook bekeken toen het schandaal uitbrak, uit nieuwsgierigheid. 


Duchâtelet – Van Ranst
      Een interview met zo’n Duchâtelet moet je met een korrel zout nemen. Een verstandige kerel, maar vaak zegt hij zomaar wat, en hij verliest geen tijd met na te denken over tegenargumenten. Hij mist, geloof ik, een zekere beschaving. Ingenieur van opleiding. Hij geeft niet de indruk dat hij veel romans leest, of andere boeken die tot zijn ‘algemene ontwikkeling’ bij zouden kunnen dragen.
      Als gewezen leraar hoor ik hem graag vertellen over het onderwijs. Alles wat hij zegt is zwart-wit, zonder rekening te houden met ‘gevoeligheden’, maar hij praat ten minste de kranten niet na. Zo wil hij veel minder universiteitsstudenten en vindt hij een leerplicht tot 12 jaar voldoende.

 Omdat heel veel kinderen – ik denk: de meesten – zich dood vervelen op school. Ze verdoen hun tijd omdat het te traag gaat, of te snel. Daardoor ontwikkelen heel veel kinderen depressies. Die zitten daar en denken de hele tijd: waarom moet ik hier nu naar die idioot zitten luisteren? Terwijl ik evengoed met mijn vriendjes of vriendinnetjes zou kunnen praten.

     Behoudens de overdrijvingen – er is een groot verschil tussen zich vervelen en zich dood vervelen – geeft die schets wel een deel van de werkelijkheid weer. ‘Wie écht iets wil leren, heeft geen leerkracht nodig, maar een computer en internet,’ zegt Duchâtelet nog. Ook dat is waar, maar de meeste kinderen tussen laat ons zeggen 12 en 18 hebben een duwtje in de rug nodig. Geef hén een computer en internet, en ze gaan die voor alles gebruiken, maar niet om te léren.
     Ik begrijp wel waar Duchâtelet naartoe wil, maar ik ben het niet met hem eens. Ondanks alle problemen kan het middelbaar onderwijs ook de minder geïnteresseerden, of een deel ervan, helpen om wat extra beschaving te verwerven:  een wetenschappelijke visie op de werkelijkheid, respect voor kennis en cultuur – al is het niet je ding –, en wat zin voor nuance en dialoog – een eigenschap die Duchâtelet zelf ontbeert.
          Je hebt drie soorten mensen: de barbaren, de leken, de en de specialisten. Het middelbaar onderwijs moet ervoor zorgend dat er zoveel mogelijk leken en zo weinig mogelijk barbaren in de samenleving terecht komen. Leken kunnen best een modus vivendivinden met de specialisten; met te veel barbaren erbij wordt het moeilijk.     Wat moeten volgens Duchâtelet de kinderen doen die na hun twaalfde niet meer naar school willen? Wat ze gráág doen antwoordt hij, werken bijvoorbeeld, waarmee hij het taboe doorbreekt dat op kinderarbeid rust. En dat doe je niet ongestraft. Marc Van Ranst antwoordde met een hevige tweet op X. 

 Meneer Duchâtelet stelt voor om kinderarbeid vanaf twaalf jaar opnieuw in te voeren. Dat gaan we niet doen. Maar dat een miljardair dit voorstel anno 2026 überhaupt durft te doen, zou ons moeten waarschuwen.

      De tweede zin is ondeugend in zijn zelfverzekerde neerbuigendheid. ‘Dat gaan we niet doen,’ zei mijn pianolerares als ik voorstelde om een vereenvoudigde versie van een muziekstuk te kiezen om in te studeren. Maar de derde zin suggereert iets over Duchâtelet en over onze tijd dat naar mijn smaak uit de lucht gegrepen is. Het lijkt alsof er miljardairs klaar staan om zich te verrijken dankzij onderbetaalde kinderarbeid, en dat we daaruit een waarschuwing kunnen afleiden over waar de ‘sociale afbraak’ uiteindelijk toe zou kunnen leiden.
      Maar dat is de eigen fantasiewereld van Van Ranst. In de fantasiewereld van Duchâtelet gaat het om iets anders. Daarin speelt laagproductieve kinderarbeid geen economische rol. Van hem mogen twaalfjarigen geloof ik een universeel basisinkomen krijgen. En als ze graag nog wat bijverdienen door op te dienen in een restaurant, dan moeten ze dat maar doen. Hij is niet op zoek naar goedkope arbeidskrachten voor Melexis.  


Inflatie
     Voor inflatie worden verschillende verklaringen gegeven. Eén ervan is dat er teveel geld gecreëerd wordt vergeleken met het aantal goederen en diensten. Ik las laatst een andere verklaring in de vorm van een meme: ‘Inlfatie: oligopolies die in concurrentie zijn wie de hoogste prijs kan vragen.’ Het lijkt mij logisch dat oligopolies – met een beperkt aantal bedrijven – hogere prijzen kunnen vragen dan op een echt vrije markt. Maar als ze met elkaar in concurrentie gaan, dan is het om de láágste prijs te kunnen aanbieden. Dat ze die prijs graag zo hoog mogelijk hebben, heeft er niets mee te maken. Dat is ook zo op een vrije markt.


Zonsverduistering
     Iedereen heeft de zonsverduistering beleefd op zijn eigen manier ,en is dus een anekdote rijker om later aan kinderen en kleinkinderen te vertellen. Zelf stelde ik er mij niet veel van voor. Ik had de zonsverduistering van 1966 al meegemaakt. De meester had het verschijnsel in de klas grondig uitgelegd. We moesten een glasplaatje zwart maken met roet door het boven een brandende vetkaars te houden. En toen het grote moment was aangebroken mochten we op de speelplaats door het plaatje gaan kijken. Ik vond er niet veel aan.
     Desondanks wilde ik vorige week woensdag graag een eclipsbrilletje bemachtigen. Als iedereen eentje heeft, dan ik ook. Ik ging dus naar een plaatselijke supermarkt die op FB had aangekondigd dat ze een grote voorraad hadden die vanaf woensdag 13.00 u aan de kasse te koop zou worden aangeboden. Ik fiets dus naar die supermarkt, wil meteen doorlopen naar de kassa en merk dan pas dat er zich een lange rij van wachtenden door de rayons van de supermarkt slingert, misschien een halve kilometer lang. De rij schiet echter goed op en ik heb al enkele honderden meter afgelegd als wordt omgeroepen dat de voorraad brilletjes uitgeput is. Ook niet erg.
     ’s Avonds kunnen we genieten van ons uitzicht op het strand waar honderden mensen zijn samengetroept om naar de eclips te kijken die, daar ben ik zeker van, esthetisch in het niets verdwijnt vergeleken met een doordeweekse zonsondergang in zee. Ik besluit dan maar naar een film te kijken die een zonsondergang bevat: King Solomons Mines – de versie van 1937, met Paul Robeson die enkele keren in zingen uitbarst. De versie van 1950, zonder zonsverduistering, heb ik als kind gezien. Op Youtube staat een schreeuwerige trailer van die film met Stewart Granger en Deborah Kerr. Ik hoop dat de schat met juwelen te zien zal zijn en jawel, die is te zien. Mijn vrouw kijkt mee en zegt: ‘Het zijn precies snoepjes.’ Dat doet mij plezier, want dat was ook mijn reactie 60 jaar geleden.