donderdag 7 mei 2026

Koopkracht beschermen, e.a.

 


Koopkracht beschermen


    Veel politici, waaronder George-Louis Bouchez en Conner Rousseau, willen niets liever dan ‘de koopkracht beschermen’, of zelfs verhogen. Als zelfverklaard aanhanger van het consumentisme kan ik daar alleen blij mee zijn. Maar zeker dat verhogen is zo eenvoudig nog niet. Hoe zou men dat moeten doen?

  1. Door geld bij te drukken? Dan is dat geld minder waard.
  2. Door loonsverhogingen door te rekenen aan de klanten? Dan verliest de burger als klant hetgeen hij als werknemer wint.
  3. Door de belastingen te verlagen? Dan stijgt de individuele koopkracht maar daalt de collectieve koopkracht: meer auto’s en minder treinen.
  4. Door koopkracht en consumptie te verschuiven van middenklassen naar lagere klassen? Dat wordt al lang en met veel politiek enthousiasme toegepast via de progressieve belastingschalen.
  5. Door werknemers minder te belasten en door bedrijven en aandeelhouders zwaarder te belasten? Daarmee worden middelen verschoven van de investerende klasse naar de consumerende klasse.

     De laatste mogelijkheid is populair bij de vakbonden en bij politiek links. Dat is begrijpelijk. Als we de mogelijkheid van kapitaalvlucht buiten beschouwing laten, kan die oplossing werken – in theorie, en gedurende een zekere tijd. De bedrijven en de aandeelhouders houden dan minder geld over om te investeren in de infrastructuur, maar de oude infrastructuur is nog aanwezig. De werknemers kunnen dus nog enige tijd producten en diensten kopen die met de bestaande infrastructuur tot stand worden gebracht. Maar vroeg of laat is de infrastructuur versleten of verouderd, valt de productie stil, en kan er met de verhoogde lonen niets meer worden gekocht. 

     Dat proces wordt wel eens ‘kapitaalconsumptie’ genoemd. Alle voorstellen om ondernemingen of multimiljonairs zwaarder te belasten gaan in die richting. Natuurlijk, zulke belastingen zouden ook een verschuiving teweegbrengen van luxeconsumptie naar basisconsumptie, van privé-jets naar auto’s en treinen, maar dié verschuiving is minimaal vergeleken met de terugval in investeringen. Zoveel privé-jets zijn er bij ons niet. Zelfs in de VS gaat het slechts om 15.000 toestellen, die door de 0,01 procent van de rijksten worden gebruikt, mensen zoals Elon Musk die er, geloof ik meerdere van heeft. Die uitgaven van Musk voor zijn privéjets zijn dan op hun beurt minder dan 0,01 procent van wat hij investeert. Ik weet niet meer op welk platform ik laatst een foto zag van Elon Musk zijn keuken. Ik liet de foto zien aan mijn vrouw. ‘Die kan aan mijn keuken in Oostende niet ruiken,’ zei ze. Eén zaak is duidelijk. Musk behoort tot de investerende klasse, mijn vrouw en ik behoren tot de consumerende klasse.

    En nu we het toch over investeren hebben, we zouden dat woord eigenlijk alleen mogen gebruiken voor geldbesteding die netto geld opbrengt.  Een boer die een tractor koopt investeert. Als hij een televisie koopt, is dat geen investering, het is consumptie. Slechts overdrachtelijk kun je zeggen dat hij met die televisie ‘investeert’ in zijn welzijn. Bij overheidsuitgaven noemt men echter elke uitgave al gauw een ‘investering’. Men spreekt van investering in onderwijs, in volksgezondheid, in defensie, in cultuur, in openbaar vervoer, in kinderopvang, in veiligheid op straat, in een schoon leefmilieu, terwijl dat eigenlijk uitgaven voor welzijn zijn: welzijn dat bestaat uit intellectuele ontplooiing, goede gezondheid, gevoel van veiligheid, enzovoort.

      Uiteraard scheppen de uitgaven voor welzijn in meerdere of mindere mate ook een noodzakelijk kader voor economisch rendement. In die betekenis zijn uitgaven voor welzijn ook echt wel – ten dele – een investering. Wie ziek is, kan niet werken. Zonder vervoersmiddelen raakt men niet op het werk. Men heeft berekend dat een extra jaar onderwijs tot 5 procent toevoegt aan het BBP van een land. Maar ik geloof niet dat zulke berekeningen erg nauwkeurig zijn. Kan men het economisch rendement van het onderwijs berekenen per studierichting?  En per vak? Is er een wet van afnemende meeropbrengst? Zelf heb ik niet de indruk dat mijn eigen tien universitaire studiejaren veel hebben toegevoegd aan het BBP.

     Daar moet allemaal rekening mee worden gehouden als men een begroting in evenwicht wil brengen. Je komt natuurlijk al een heel eind door uitgaven en inkomsten op elkaar af te stemmen. Maar de begroting is slechts een onderdeel van de gehele economie. Die kan in haar essentie  worden begrepen als een relatie tussen productie, consumptie en investering. Over die verhoudingen zou er eigenlijk geen al te groot meningsverschil mogen zijn tussen wie liberaal of socialistisch denkt. Maatregelen die investering beknotten, betekenen verarming in de toekomst, welke ideologie men ook aanhangt. Alleen willen de socialistisch denkenden graag een zo groot mogelijk deel van die consumptie en investering in de collectieve – centraal geleide – sfeer brengen. Liberaal denkenden hebben daar ethische en praktische bezwaren tegen.

     En natuurlijk kan men van mening verschillen over ‘ongelijkheid’ en ‘herverdeling’, zolang men maar begrijpt dat men niet de ‘winsten’ kan herverdelen, maar alleen datgene wat geproduceerd wordt, d.w.z. datgene wat geconsumeerd wordt. En daar is de ongelijkheid véél minder dan je zou denken. Ik heb dat ooit eens uitgezocht voor de VS. Zie mijn stukje hier.


Frank D’hanis

     Ik heb onlangs Frank D’hanis ontmoet in een droom. We waren best vriendelijk voor elkaar, maar het vervelende was: zijn naam wilde mij maar niet te binnen schieten. Dat probeerde ik zo goed mogelijk  te verbergen. We praatten ook niet over zijn stukjes die ik maar vluchtig lees. Ze zijn van een miserabilisme dat de vroege Louis-Paul Boon naar de kroon steekt. Werknemers en werkneemsters moeten te vroeg opstaan, moeten te hard werken, worden te weinig betaald, mogen niet ziek zijn, en krijgen hoe langer hoe minder toegang tot werkloosheidsuitkeringen. De rechten van de illegale migranten worden niet gerespecteerd. Het onderwijs is niet afgestemd op kinderen uit de lagere inkomensklassen. Dat zou allemaal kunnen worden opgelost met hogere weddes, ruimere verlofstelsels, werkbaar werk, een loon voor thuisblijvende moeders, open grenzen voor asielzoekers, meer leerkrachten, meer tewerkstelling in de zorg, en meer maatschappelijke werkers. Dat zou allemaal mogelijk zijn als het niet werd tegengehouden door de N-VA, en in het bijzonder door de ministers Anneleen van Bossuyt en Zuhal Demir.  Gisteren had die laatste het weer bont gemaakt op tv. In de levendige stijl van D’hanis wordt dat:

‘Ouders moeten met hun kinderen naar de bibliotheek gaan,’ briest een ontketende Demir, ‘sommige mensen zijn te weinig bezig met hun kinderen.’ Ik moet toegeven dat mijn brein op dat punt even uitviel van woede.

    Gelukkig kreeg Dhanis geen woede-aanval in mijn droom. We zijn geen van beiden beginnen briesen. Ook van enige ontketening was er geen sprake.


Kleuteronderwijs

     Uit onderzoek blijkt dat ons kleuteronderwijs minder bijdraagt aan kennisontwikkeling dan bij onze buurlanden het geval is. Veel heeft te maken met het chaos in de klaslokalen. Maar waar komt die chaos vandaan? De Standaard (6/5) licht een tip van de sluier: ons kleuteronderwijs heeft het ‘voordeel’ dat het ‘bijna alle kleuters bereikt’. Dat is uiteraard ook een ‘nadeel’: niet alleen de gemotiveerde ouders sturen hun kleuters naar de klas. 
     Een andere verklaring is dat de chaos door de opgelegde pedagogiek in de hand wordt gewerkt. De krant citeert leerkracht Hendrickx die ‘efficiënter werken als enige optie ziet.’

Ik heb het kringgesprek ’s ochtends afgeschaft, omdt kinderen veel te lang moesten wachten, zegt ze. Ik geef mijn lessen nu meestal in één keer voor een grote groep. Vroeger gaf ik die vier, vijf keer en wqas ik veel met differentiatie bezig. Ik heb nu meer speeltijd én de kinderen leren meer. 

     Leve juf Hendrickx!
      Ik had indertijd een collega wier dochter voor kleuterleidster studeerde. Ik herinner mij de horrorverhalen. Zo was het heel verkeerd om een verhaaltje voor te lezen terwijl de kinderen stil zaten te luisteren. Dat moest helemaal anders. De juf moest een reeks cd’s branden met allemaal verschillende verhaaltjes, die ter beschikking van de kinderen werden gesteld. En dan moest het kind zelf maar weten wat het op het wilde doen: rondlopen, knutselen, tekenen, slapen, zich verkleden. Als het een verhaaltje wilde horen, dan moest het op eigen initiatief een cd kiezen, en indien het verhaaltje tegenviel, een andere.  

woensdag 6 mei 2026

Vos en Reynebeau lezen, e.a.


Vos en Reynebeau lezen

   Gisteren heb ik een stuk van Hendrik Vos gelezen zonder enige ergernis te voelen. Het ging over de voordelen van een over vele jaren gespreide universitaire opleiding – het verschijnsel van de ‘eeuwige student’. Godfried Bomans deed tien jaar over zijn universitaire studies. Bij mij lag er meer dan 20 jaar tussen mijn inschrijving als student en het behalen van mijn laatste einddiploma. Daar waren jaren bij dat ik met de universiteit niets te maken had, en andere dat ik mijn studies combineerde met regulier werk, maar zeker in de beginjaren werd ik door de staat genereus betaald om mij op filologische studies toe te leggen, terwijl het grootste deel van mijn tijd opging aan vergaderingen, betogingen, en revolutionaire propaganda. Ik heb nooit een jaar moeten doubleren, maar ik zal niet gauw vergeten wat een Amerikaanse vriend tegen mij zei: ‘Philippe, you cost society a lot of money.’ Hendrik Vos is nu van mening dat dat geld goed besteed was. Ik ben het eigenlijk niet met hem eens, maar ik zou een ondankbare hond zijn, als ik hem zijn standpunt kwalijk nam.

    Nog sterker. Vandaag heb ik een stuk van Marc Reynebeau eveneens zonder veel ergernis gelezen. Het gaat over het energiebeleid. Het stuk had – ik overdrijf even – door Rik van Cauwelaert geschreven kunnen zijn. Maar nu ik erover nadenk … Rik Van Cauwelaert …     


Washington Post

     ‘The Washington Post,’ schrijft De Standaard (6/5), ‘krijgt de Pulitzerprijs voor kritische berichtgeving over Trump.’ Ik heb geloof ik voorspeld dat de krant, ook na de overname door Bezos, Trump-kritisch zou blijven. Is er dan geen probleem met het vrije woord onder Trump? Toch wel, maar het is belangrijk dat dat juist omschreven wordt, in plaats van dat in algemene termen gesproken wordt over ‘de persvrijheid die enorm onder druk staat.’ Marjorie Miller, die aan het hoofd staat van de organisatie die de jaarlijkse Pullitzerprijzen toekent, vat de bedreigingen nuchter samen: (1) de rauwheid van het politieke debat; (2) de beperkte toegang van de media tot het Witte Huis en het Pentagon; (3) de repressie tegen betogingen; (4) de rechtszaken tegen kranten en televisiezenders voor ‘smaad en kwaadwilligheid.’ 

     Dat zijn allemaal grensgevallen. Nergens wordt hier, zoals vaak in Europa, het principe zelf van de vrije mening gecontesteerd. Maar naast principes, moeten we ook rekening houden, schrijft Karel van het Reve, met ‘gevoel voor proporties, smaak, fatsoen en redelijkheid.’ Je zou haast denken dat Karel die woorden destijds geschreven heeft met Trump in het achterhoofd. Maar in 1954 was de barbaar amper 8 jaar oud. 

 

Chinese auto’s

     Zijn de lage prijzen van de Chinese auto’s in de eerste plaats het gevolg van staatssubidies? Gisteren schreef ik een stukje waarin ik die overal herhaalde mantra op face value aannam. Maar Stijn Decock geeft in De Standaard van vandaag (DS 6/5) een andere verklaring:

 

De toenemende concurrentie binnen China. BYD zit er in een hyperconcurrentiële markt met flinterdunnen marges waarin nieuwe modellen in een waanzinnig temp worden gelanceerd.

 

Robespierre als egalitair

     De denkwereld van Robespierre interesseert mij slechts matig. Ik kan mij niet voorstellen dat ik een van de mij resterende levensjaren zal besteden aan de studie van zijn Verzameld Werk . Maar in de FB-Dagklapper van Wildo Borel vond ik een merkwaardig citaat. Ik wist al dat l’incorruptible versterkte kastelen met de grond wou gelijk maken, omdat tegenstanders van de de revolutie zich daar konden verzamelen. Maar blijkbaar had hij het ook op kerktorens gemunt 

 

die door hun verhevenheid boven de andere gebouwen de beginselen van de gelijkheid lijken tegen te spreken.

 

     Het is alsof hier een karikaturale schurk uit een Ayn Rand-boek, Ellsworth Toohey bijvoorbeeld, aan het woord is.

 

AI didn’t do it 

      Een door mij gepubliceerd blogje vindt normaal in enkele dagen tijd tussen de 200 en de 500 lezers. Omdat ik vaak meer dan 30 blogjes per maand plaats en ook mijn oude blogjes nog worden opgepikt, kom ik maandelijks aan ongeveer 20.000 gelezen stukjes. Maar sinds drie maanden is dat aantal plots meer dan verdubbeld. Eerst vond ik dat fijn, maar daarna begon ik mij de vraag te stellen: had ik hier te maken met echte lezers, of met crawlers en AI-bots, die mijn teksten alleen lazen als trainingsmateriaal? Ik heb het aan AI zelf gevraagd, en die ontkent alles. Het kwam door een aanpassing in Google Search, door influencers die mijn blogjes verspreidden, en door honderd andere oorzaken. AI-bots hadden er misschien iets mee te maken, maar weinig, weinig. Ik moest aan de catch phrase van Bart Simpson denken: I didn’t do it.

 

’s Morgens en s avonds

      ’s Morgens en ’s avonds gebeurt iets raars met de tijd. De klok geeft aan dat een half uur verstreken is tussen het moment van opstaan en het moment dat ik, in mijn pyjama, aan mijn ontbijt en aan mijn krant kan beginnen. Het klaarmaken van het ontbijt, dat ik eerder al beschreven heb, vergt enige tijd, maar toch geen half uur, zou ik denken. Ik weet niet waar dat half uur naartoe gaat. ’s Avonds gebeurt hetzelfde, maar anders. Tussen het moment dat we de tv uitzetten en dat we in bed liggen, zit er een half uur, terwijl ik alleen mijn tanden moet poetsen en mijn pyjama aantrekken. Maar dit keer weet ik wel ongeveer waar de tijd naartoe gaat. We lopen een tiental keer van de living naar de slaapkamer en van de slaapkamer naar de badkamer en van de badkamer naar de keuken. Maar wat we daar doen, daar heb ik het raden naar.

dinsdag 5 mei 2026

De mysogynie van Zinzen, e.a.


De 
misogynie van Zinzen

     Veel mensen kunnen Walter Zinzen niet goed uitstaan, en ze vinden het dan fijn dat er een scherp stuk verschijnt waarin de oude journalist onderuit wordt gehaald, ook al gebeurt dat door Joël De Ceulaer in De Morgen. Ik kan Zinzen ook niet goed uitstaan, maar het recente stuk van De Ceulaer vind ik flauw. Ik geef hem gelijk als hij Zinzen te veel Poetin-empathie aanwrijft, of als hij, in tegenstelling tot Zinzen, vindt dat Vlaams Belang-politici door de VRT als ‘normale’ politici moeten worden behandeld. Maar het is onbegrijpelijk dat hij Zinzens polemiek tegen Michelle Haas verklaart vanuit een misogiene instelling. De Ceulaers tirade gaat als volgt : 

Ik citeer nog even wat u exact over haar zei, zodat iedereen kan volgen: ‘Ik word bijna ziek als ik haar riedels over oorlog en bewapening hoor op tv.*’ Eerlijk: ik heb dat een paar keer moeten lezen voor ik het begreep. Ik werd bijna - welja - ziek toen ik besefte dat u wellicht op de hondenfluit blies. (…)  U geniet het vermoeden van onschuld, mijnheer Zinzen, maar ik ben openbaar aanklager. U had het onder meer ook over Jonathan Holslag, maar waarom maakt juist Haas u ziek? De debatten over defensie worden toch gedomineerd door witte mannetjes in alle maten en gewichten. Ik vraag het u op de man af: stoort het u dat een jonge vrouw zich in dit domein laat gelden? Wordt u bijna ziek als u haar hoort, of ook en vooral als u haar ziet? Op tv zíé je mensen, niet? Bent u nog van het vooroorlogse principe dat blonde dames mooi moeten zijn en zwijgen? Volgt u de tradwifes op TikTok?’

 

     De kwestie is niet dat De Ceulaer hier overdrijft. Hij mag dat doen als dat zijn opvatting van ‘satire’ is. De kwestie is dat er in de uitspraak van Zinzen niets is dat ook maar in de verste verte lijkt op een vooroordeel tegenover vrouwen, of op een ‘hondenfluit’ – wat op zich al een gruwelijk argument is. Zinzen richt zijn zure oprispingen tegen Haas niet omdat ze een vrouw is, maar omdat ze te Nato-minded en defensie-vriendelijk is. Je moet van heel slechte wil zijn om dat anders te zien.

     Met slechts de helft van de slechte wil van De Ceulaer zou ik sporen van mysogynie kunnen aanwijzen in de laatste column van Tom Naegels (DS 2/5):

 

Anneleen van Bossuyt (N-VA) denkt dat haar job betekent dat je aan ChatGPT vraagt: ‘Hé Claude, zeg eens iets dat Theo Francken zou zeggen?’ Waarna de bot een tekstje genereert met een sneer naar een linkse organisatie. Dan post ze dat op haar socials, met een mooie foto van zichzelf erbij, en het is weer klaar voor die dag met minister te zijn.

 

     Het is niet het soort polemiek die ik van Tom Naegels verwacht, maar ik heb geen zin om hier de eerste steen te werpen. Zijn suggestie dat Van Bossuyt een luie minister van Migratie is – ‘weer klaar voor die dag’ – kan ik niet beoordelen; zijn sneer dat ze een man – ‘Theo Francken’ – nodig heeft om rechtse inspiratie op te doen vind ik ongepast; en zijn insinuatie dat ze haar uiterlijk – ‘mooie foto’ – inzet in het politieke debat, getuigt niet meteen van goede smaak. Maar ik ben er vrij gerust in dat Naegels niets heeft tegen vrouwen. Hij heeft hoogstens iets tegen rechtse vrouwen die minister van Migratie zijn. Iets anders beweren, zelfs in ‘satire’, is flauw.


* Zinzen spreekt overigens ook over die Nederlandse vrouw van het Egmont-instituut. Ook hier merk ik in de formulering de nodige ergernis, maar geen minachting voor vrouwen in het algemeen.



 

PFAS


     ‘Weer zo’n saai artikel,’ zei mijn vrouw toen ze De Standaard van 4 mei doorbladerde. ‘PFAS, dat is toch geen nieuws.’ ‘Wat staat erin?’ vroeg ik. ‘Dat het jaarlijks zes miljard zal kosten om de boel op te ruimen,’ zei ze. Ik werd er stil van. Hoe kon mijn vrouw dat nu saai vinden? 6,2 miljard, dat is ongeveer 1 % van het bbp! Ik bekeek snel de krant, en zag dat de redacteur dezelfde vergelijking had gemaakt. ‘Dat zou 1,1 % van het bbp zijn.’ Dat artikel moet ik lezen, dacht ik. 


 

Big government


     Hans Cottyn (DS 5/5) schrijft terecht dat ‘big government vandaag geen vies idee meer is’. Het staatsinterventionisme is weer in de mode.

 

De socialisten willen sommige mensen verbieden kinderen te krijgen en vapes met smaakjes droogleggen. De liberalen gaan kerncentrales nationaliseren en hopen ondertussen met forsere fossiele energiesteun uit te pakken. De Vlaams-nationalisten kopen zich een meerderheidsbelang in de Belgische luchthaven en leggen graag hun visie over tucht op school op, hoe snel studenten hun diploma moeten halen, wanneer kinderen een smartphone mogen gebruiken.

 

     Mijn eerste neiging is om te gaan vitten op de voorbeelden. ChatGPT kan mij daarbij helpen. Maar ik kan die neiging nog net onderdrukken. In plaats daarvan wil ik het debat naar een algemener niveau tillen. Een eerste overweging is dat het interventionisme een hellend vlak creëert. Oude overheidsmaatregelen maken nieuwe maatregelen noodzakelijk. Eerst trekt de staat de financiering van de gezondheidszorg naar zich toe, waarop ze, om de kosten te drukken, gezondheidsregels moet opleggen, zoals met dat vapen.

     Een tweede overweging gaat in dezelfde richting. Er is nieuw interventionisme nodig om de fouten van vroeger interventionisme recht te trekken. De nationalistie van de kerncentrales is daar een voorbeeld van. Of neem de kwestie van het onderwijs. Vanuit centrale instanties werd een pedagogisch beleid opgelegd waardoor tucht en kennisniveau in de scholen werd afgezwakt. Dan is er nieuw beleid nodig om de tucht en kennis te herstellen. Voor scholen en leraren komt dat over als de zoveelste ‘vernieuwing van bovenaf’.

     Vanuit liberaal perspectief zou je zelfs een paradox kunnen blootleggen: er is in 80 jaar zoveel structurele interventie opgebouwd dat er heel veel interventie nodig is om de situatie te keren. Ik ben blij dat ik nu ook eens het woord ‘structureel’ heb kunnen gebruiken.




Lapmiddelen


     Wat bedoelt Hans Cottyn (DS 5/5) als hij speekt over de liberalen die ‘met forsere fossiele energiesteun hopen uit te pakken.’ Ik kon eerst niets bedenken. Cottyn schrijft maar wat, dacht ik. Maar toen las ik in dezelfde krant een interview met de erg liberale Pierre Wunsch die de Belgsiche centrale bank leidt. Die vindt dat Europese bedrijven de ETS-bijdragen moeten kunnen terugvorderen bij de overheid als ze ten minste exporteren naar landen buiten de EU. Europese bedrijven moeten emissie-rechten betalen als ze te veel CO2 produceren. Het ‘interventionisme’ zou er dan in bestaan dat die Europese bedrijven die emissie-rechten niet moeten betalen als ze exporteren naar landen die zulke emissie-rechten niet hanteren.

     Het bezwaar van Cottyn tegen zulke voorstellen is, geloof ik, van ecologische aard, het mijne is van liberale aard. Ik zie in zulke voorstellen een tijdelijk lapmiddel dat exportgerichte sectoren bevoordeelt tegenover die die voor de eigen markt produceren. 

     Maar in de geopolitieke context waar Wunsch naar verwijst, grijpt iedereen naar tijdelijke lapmiddelen. Als China onze markt overspoelt met spotgoedkope, royaal gesubsidieerde producten, is dat ook een tijdelijk lapmiddel. Hoe meer China exporteert en subsidieert, hoe meer verlies het maakt. Zo kun je niet eeuwig doorgaan, maar misschien wel lang genoeg om een dominant marktaandeel te verwerven waarmee je hogere prijzen kunt dicteren. Dat heb je met lapmiddelen, ze kunnen succesvol zijn. 

 


 

De prijs van een mensenleven


     Specialisten hebben uitgerekend wat een mensenleven waard is: 45.000 euro per jaar.  De Standaard (5/5) heeft gezondheidseconoom Dominique Vandijck over de kwestie geïnterviewd. Hoe komt men aan die 45.000 euro. Men kijkt daarvoor, zegt Vandijck, naar de maatschappelijke consensus. Je kunt daarvoor grootschalige bevragingen op touw zetten waardoor je te weten komt hoeveel de maatschappij bereid om te betalen om één ‘kwaliteitsvol levensjaar’ te winnen? Dure milieumaatregelen kunnen zo worden verantwoord omdat ze bijvoorbeeld de kans op kanker verminderen. 

     Dat bedrag van 45.000 euro wordt natuurlijk bepaald door de gebruikte onderzoeksmethode en door de precieze vragen die men stelt. In het verrukkelijke boekje van Bas Haring Waarom cola duurder is dan melk wordt naar onderzoek verwezen dat de waarde van een mensenjaar hoger inschat, namelijk op 60.000 euro. De precieze bedragen zijn voer voor specialisten.

     Het cynisme van dergelijke redeneringen stoort mij amper. Ik vind cynisme vaak verfrissend. Ik word er vrolijk van. Nee, er is iets anders wat mij stoort. De Standaard schrijft:

 

Wie het economische nieuws volgt, zal merken dat die 45.000 euro niet erg ver ligt van het bbp per capita in ons land, de waarde die de gemiddelde Belg elk jaar creëert. Dat is niet toevallig: als je gezondheidstoestand de maatschappij 45.000 euro kost, dan draait die eigenlijk break-even. 

 

     Dat begriip ik niet goed. Ik geloof best dat de gemiddelde Belg elk jaar 45.000 euro aan waarde creëert, maar ik veronderstel dat hij ongeveer hetzelfde bedrag consumeert, hetzij door individuele uitgaven of door collectieve voorzieningen. Als een land 45.000 euro rijker werd per extra inwoner, dan zou Frankrijk zes keer rijker zijn dan België. Nou ja, misschien is dat zo, maar dan toch slechts in een heel beperkte betekenis.

maandag 4 mei 2026

De PVDA-afvalligen / De 'Internationale'


 PVDA-afvalligen

     Enige tijd geleden werd ik opgebeld door een redacteur van Doorbraak. Of ik een interview wilde geven over de PVDA die steeds maar weer verkozenen uit haar parlementaire fracties zag vertrekken? Ik verklaarde mij onbevoegd en gaf de raad om Marc Ernst te contacteren. Maar nu we onder ons zijn, wil ik wel even kort speculeren over de redenen waarom die verkozenen de partij verlaten*. 

       Die mensen moeten om te beginnen meer dan de helft van hun inkomen afstaan aan de partijkas. Dat is al 70 procent van de verklaring. 10 procent van de afvalligheid komt door politieke meningsverschillen, 10 procent door de te strakke partijdiscipline en 10 procent door andere redenen. Je moet altijd een categorie ‘andere redenen’ voorzien. 


    Die financiële kwestie is voor de PVDA een vervelende zaak**. De partij kan daar weinig aan veranderen. Ze heeft van het ‘arbeidersloon’ van hun parlementsleden een kwestie van principe én van propaganda gemaakt. Het is een tot de verbeelding sprekende  illustratie van een radicaal-egalitaire ideologie en van een radicaal, compromisloos engagement. Het maakt de PVDA anders dan alle andere partijen. Omgekeerd kan de partij rond de financiële motivatie van de afvalligen niet al te veel heisa maken. Dat zou overkomen als rancuneus natrappen, en zoiets kan een partij die zich uit de marginaliteit wil vechten moeilijk veroorloven. Het is een geniale zet geweest van Raoul Hedebouw om de rancuneuze communistische ideologie met een schaterlach te verkopen.


      Dan de discipline. Geen enkele politieke partij kan functioneren zonder enige discipline. In Engeland 
– zo leerde ik op school, en het werd bevestigd in Yes Minister – stelden de partijen een ‘whip’ aan, die figuurlijk de zweep hanteerde als een parlementair afweek van de partijlijn. Maar daarnaast tolereren de meeste partijen enige ruimte voor meningsverschillen, een ruimte die redelijk breed is voor interne partijvergaderingen, en redelijk beperkt voor externe communicatie. Door die ruimte te tolereren slagen de partijen erin om mensen met verschillende opvattingen aan de partij te binden, ten koste van wat men polemisch een ‘spreidstand’ noemt. Maar zon spreidstand is een gymnastiek die aan de PVDA, met haar stalinistische origine, niet besteed is. Het onderscheid tussen de PVDA en andere partijen is hier op het eerste gezicht geen verschil in beginsel maar een in gradatie. Maar zoals de dialectiek van Hegel, Stalin en Mao ons leert kan kan een kwantitatief verschil omslaan in een kwalitatief verschil. 


     Ook de politieke meningsverschillen zijn interessant. Veel afvalligen vinden de PVDA uiteindelijk te ‘radicaal’. Dat is begrijpelijk want de partij is nogal radicaal, en wel op verschillende manieren. Het ideologisch programma – dat bij andere partijen ook wel eens radicaal kan zijn – is bij de PVDA het allerradicaalst: de partij wil een complete breuk met het kapitalisme van de laatste 200 jaar, ook in zijn sociaaldemocratische versie van de laatste 80 jaar***.
      Een niveau onder het ideologisch programma, heb je het verkiezingsprogramma. Dat van de PVDA bevat onder andere een onmiddellijke verlaging van de pensioenleeftijd, een 30-urenweek zonder loonverlies, en een genereus beleid in verband met langdurige werkloosheid en ziekte. Met zo’n beleid, zou je denken, blijven er onvoldoende gewerkte uren over om al het nodige te produceren voor de werklozen, de zieken, de gepensioneerden en de werknemers-die-geen-loonverlies-geleden-hebben****. 
    Het Federaal Planbureau, journalisten van De Tijd en academische analisten hebben aangetoond dat het verkiezingsprogramma van de PVDA moeilijk uitvoerbaar, juridisch problematisch en financieel onhaalbaar is. Die kritiek getuigt van academische naïviteit. Die analisten gaan ervan uit dat de PVDA haar eigen programma serieus neemt. Dat is niet zo. De partij wil zogezegd allerlei sectoren nationaliseren, en dan rekenen de academici braaf uit dat dat nationaliseren zoveel en zoveel miljard zou kosten. Alsof de partij overweegt om die sectoren te kópen!
     Dat verkiezingsprogramma’s onhaalbare voorstellen bevatten, is niet uitzonderlijk. Zoiets geldt in mindere mate ook voor verkiezingsprogramma’s van andere partijen. Die partijen weten dat. Hun programma’s hebben een dubbele functie. Ze dienen als propaganda-instrument naar hun kiespubliek toe, én als uitgangspositie voor regeringsonderhandelingen. De onderhandelaars zijn dan stiekem blij dat ze een aantal van hun onrealistische voorstellen zullen moeten loslaten door de veto’s van anderen. 
    Bij de PVDA is dat anders. De partij zal met vuur en met cijferwerk betogen dat hun voorstellen wél haalbaar zijn, maar tegelijk is de onhaalbaarheid van hun voorstellen een bewuste keuze. Het programma móet onhaalbaar zijn onder het kapitalisme, want dat is juist de eerste waarheid die de PVDA wil bewijzen: dat die leuke voorstellen maar mogelijk zijn onder het socialisme 2.0*****. Hier en daar kan een programma-punt gedeeltelijk worden ‘afgedwongen’ door stakingen, betogingen, bezettingen en een occasionele parlementaire meerderheid. Dat bewijst dan de tweede waarheid: ‘alleen massa-actie loont’. 
    Je hoort PVDA-afvalligen soms klagen dat de partij principieel weigert om een regeringsdeelname te overwegen, dat ze niets meer wil zijn dan een zweeppartij aan de zijlijn. Maar zo zit dat niet in elkaar. Natuurlijk wil de PVDA op termijn wat graag deelnemen aan een linkse volksfrontregering, maar dan wel binnen een scenario van sociale onrust, algemene stakingen, dagelijkse betogingen, politieke instabiliteit, en brede radicalisering en polarisering. In zo’n geval wil ze best deel uitmaken van een regering. Ze wil als het even kan die die regering zelfs leiden. 

     En wat zou zo’n regering dan doen?  Zou ze de grote vermogens een belasting van 2 of 3 procent opleggen zodat ze 98 of 97 procent van hun miljoenen of miljarden kunnen behouden? Daar geloof ik niets van. Dan worden die grote vermogens meteen aan 20 of 30 procent belast, als opstapje naar een belasting van 100 procent. Waarom zou je überhaupt grote vermogens nodig hebben onder het socialisme? 2 of 3 procent is propaganda, 20 of 30 procent is een tijdelijk compromis, 100 procent is het einddoel. La lutte finale.



* Pieter Laleman speculeerde op zijn FB-pagina over de omgekeerde vraag: waarom PVDA-leden wél bij de partij blijven. Volgens Laleman zijn de blijvers vooral wereldvreemde idealisten, arrivisten-op-kleine-schaal, arme drommels, vermomde islamisten, en antimeritocraten-zonder-merites. Zie hier.


** Mijn vorige stukjes over de financiële bijdragen binnen de PVDA staan hier en hier.


*** Het retorisch antwoord hierop ken ik: het is het ‘neoliberalisme’ zelf dat al 40 jaar het sociaaldemocratische kapitalisme afbreekt. Dat is een antwoord dat voldoet voor een televisiedebat, maar niet bestand is tegen de feiten en de logica. De feiten: met een overheidsbeslag van 55 procent en een zeer lage ongelijkheidscoëfficiënt (23) is ons kapitalisme ook vandaag zeer ‘sociaaldemocratisch’ en weinig neoliberaal. De logica: men kan uit een tirade tegen het ‘neoliberalisme’ hoogstens een argument halen om terug te keren naar een meer sociaaldemocratisch kapitalisme, en niet om het kapitalisme af te schaffen.


**** Men zou kunnen denken dat de PVDA hier in haar vorige verkiezingsprogramma visionair anticipeerde op een door AI en robots gestuurde productie. Maar dan zullen de Europese miljonairs de komende jaren eerst heel veel geld moeten investeren in de ontwikkeling van AI en van robots.


***** Het socialisme 1.0 was het Russische en het Chinese socialisme. Als communisten spreken van ‘socialisme’ verwijzen  ze naar wat in het gewone spraakgebruik ‘communisme’ heet. 

 



 

De Internationale van de PVDA 


    Ik weet niet of het vandaag nog zo is, maar de PVDA heeft op de eerste mei lang een eigen versie van de Internationale gezongen. De canonieke vertaling in het Nederlands is van dichteres Henriette Roland-Holst. Ik citeer het eerste vers en het refrein.


            Ontwaakt, ontwaakt verworpen der aarde!
            Ontwaakt, verdoemd’ in hongers sfeer!
            Reed’lijk willen stroomt over de aarde
            En die stroom rijst al meer en meer.
            Sterft, gij oude vormen en gedachten!
            Slaafgeboornen, ontwaakt, ontwaakt!
            De wereld steunt op nieuwe krachten,
            Begeerte heeft ons aangeraakt!

            Makkers, ten laatste male, tot de strijd ons geschaard!

            De Internationale zal morgen heersen op aard!

     Tante Jet heeft mooiere gedichten geschreven. De tekst is niet zo geschikt om te zingen, en mist de directheid van het Franse origineel. Daar staat tegenover dat hier de term ‘slaafgeboornen’ meer dan een eeuw vóór woke in circulatie werd gebracht. Ook heeft het slotvers ‘begeerte heeft ons aangeraakt’ een poëtische kwaliteit die het Franse origineel niet heeft. 

     Dat Franse origineel  ‘nous ne sommes rien, soyons tout’ – had dan weer een historisch bewezen propaganda-effect. De vondst was in de aanloop van de Franse revolutie gebruikt door Sieyès in zijn pamflet Quest-ce que le Tiers-Etat. Sommigen beweren dat de formule hem was ingefluisterd door Chamfort.

     Maar de PVDA had dus een eigen versie, met twee strofen. 

 

            Vooruit, gij werkers van de wereld.
            Het eigen lot in eigen hand.
            Wij vechten voor de revolutie,
            En de tijd staat aan onze kant
            Weg met alle krachten die verknechten,
            Kameraden, vooruit, vooruit!
            Als wij bereid zijn om te vechten
            Is er geen kracht die ons nog stuit.

            Bal de vuisten, kameraden, tot de eindstrijd bereid
            En d
Internationale, zal heersen wereldwijd.


            Er is een kracht die ons moet leiden
            de partij van het proletariaat
            Arbeiders, werkers sluit de rijen
            Want het uur der eindstrijd slaat
            Ja, voor het kapitaal en voor zijn gieren
            Komt het einde naderbij
            Dan bouwen wij een sterke, fiere
            Arbeidersstaat en wij zijn vrij.

 

     De website die alternatieve versies van de Internationale* publiceert vermeldt: Vlaams – België: versie PvdA België - ? Met dat vraagteken wordt aangegeven dat de auteur onbekend is. Ik heb mij indertijd laten vertellen dat Guido Van Meir die onbekende auteur is. Dat is mogelijk, maar dan toch niet van de tweede strofe: ‘Er is een kracht die ons moet leiden / de partij van het proletariaat’. Die Van Meir, heb ik mij indertijd ook laten vertellen, was immers een ‘spontaneïst’. De tweede strofe moet het werk geweest zijn van een partijkader. 

     Dat zit zo. In de maoïstische beweging van de jaren 60-70 was er een voortdurende ‘strijd tussen de twee lijnen’. Er was op elk moment een juiste lijn en een verkeerde lijn. Zeker ogenblik ging de strijd tussen de spontaneïsten  de verkeerde lijn  en de partijopbouwers  de juiste lijn. De spontaneïsten vonden dat de arbeiders zichzelf moesten bevrijden. Zij konden hun inspiratie halen bij het tweede vers van Franse versie:

 

            Il nest pas de sauveurs suprêmes

            Ni Dieu, ni César, ni tribun,
            Producteurs, sauvons-nous nous-mêmes
            Décrétons le salut commun

 

     De partijopbouwers haalden hun inspiratie bij Lenin en Que Faire, en konden die woorden sauvons nous nous-mêmes maar matig appreciëren. Ze maakten er in de vertaling ongeveer het tegenovergestelde van.


     Wat ik mij dus afvraag: zingen de PVDA-ers vandaag nog altijd hun eigen versie (zonder de tweede strofe natuurlijk) of hebben ze ondertussen de canonieke versie van tante Jet overgenomen? Ik denk dat laatste. 


     

* Die alternatieve versies staan hier. Andere Nederlandse versies zijn die van Theun de Vries, Jacques-Firmin Vogelaar en Jaap van der Merwe. 

zondag 26 april 2026

Verzamelde kortjes

Monopolie in de entertainment business
     Een van de sterke a priori argumenten tegen het ongebreideld kapitalisme is dat het leidt tot monopolies die slechte kwaliteit aanbieden tegen veel te hoge prijzen. Maar daar zie ik nooit voorbeelden van. Welke producten zijn ten gevolge van monopolievorming te duur? Krielaardappelen? Computers? Piano’s? Gisteren kreeg ik op Het Nieuws eindelijk een voorbeeld. Door de samenwerking van Live Nation an Ticket Master was er een concertgigant ontstaan die te hoge prijzen aanrekende voor tickets. ‘Dat is waar,’ zei mijn vrouw, ‘zulke tickets kosten makkelijk 100 of 200 euro.’ Maar is dat te duur? vroeg ik mij af. Zo’n concert organiseren brengt aardig wat kosten mee. De Standaard (17/4) van de dag erna bracht het antwoord: experts van de Amerikaanse overheid hebben betoogd dat de Ticketmaster gemiddeld 1,72 dollar per ticket te veel aanrekende.’ Niet veel meer dan 1 procent dus. Hoe ze het hebben uitgerekend weet ik niet, maar die experts waren er niet op uit om de prijsverhoging zo klein mogelijk voor te stellen.


Planlast in het onderwijs
     Schooldirecteur Dimitri Meurrens (DS 17/4) schrijft een filosofische bezinning over de onderwijshervormingen. De titel is misleidend: ‘Hoe maak je van planlast planlust?’ Ik had het stuk daarom bijna overgeslagen. Maar het bevat juist een heel goede opsomming van wat de moderne planlast in het onderwijs inhoudt:  

Leerlingenvolgsystemen, de toenemende juridisering, online platformen waarop van alles moet worden geregisteerd, allerlei actieplannen die moeten worden opgesteld … Kortom, veel schrijfwerk, en dus ook veel leeswerk. Maar waarom wordt dat alles doorgaans als een last ervaren? … Onderwijsmensen zijn meestal plichtsbewust en doen wat ze denken dat van hen wordt verwacht, ook als die inspanningen niet in verhouding staan tot het beoogde effect.

     De lijst is redelijk volledig. Er ontbreekt nog ‘vergaderwerk’. Zelf geef ik toe dat ik het ‘leeswerk’ de laatste jaren van mijn carrière wat verwaarloosd heb, ook al werd het ‘schrijfwerk’ van mijn collega’s daardoor nog een fractie nuttelozer.  

Naegels over 'problemen' en 'symbolen'

     Tom Naegels en ik hebben dezelfde commentaar bij de verkiezingsnederlaag van Viktor Orban, maar dan omgekeerd.  We denken allebei dat er geen alleenzaligmakende strategie bestaat om een dam op te werpen tegen extreem, radicaal, autoritair of illiberaal rechts. Ik betwijfelde in een stukje* of een verenigd front van links de beste garantie op succes is, en Naegels drukt dezelfde twijfels uit over een verenigd front van centrumrechts (DS 18/4). We hebben, geloof ik, allebei gelijk, wat niet moeilijk is zolang je je beperkt tot algemene wijsheden**.
      Verder geef ik Naegels ook gelijk als hij schrijft dat progressieven hun idealen niet moeten opgeven vanwege een politieke strategie: ze moeten niet toegeven aan de chantage dat ze met hun idealen extreemrechts ‘provoceren’. Zo moeten ook rechtsliberalen en conservatieven niet toegeven aan de chantage dat ze met hun politiek extreem-recht ‘nabootsen’ of ‘in de kaart spelen’.
     Verder houdt Naegels natuurlijk vast aan de overtuiging dat de activisten aan de linkerkant de goeien zijn, terwijl de activisten aan de rechterkant een soort beroepsmalcontenten zijn. Eerst legt hij uit wat het ‘feministische, antiracistische, queer of ecologische engagement
 inhoudt: 

Anders dan rechtse mensen vaak denken, draait progressief zijn niet alleen om performatieve signalen uitsturen, zoals de juiste woorden gebruiken of de juiste snor dragen. Progressieven zetten zich in voor echte problemen van echte mensen … 

     Aan de overkant gaat het anders toe: 

Er is ondertussen een hele bibliotheek volgeschreven over het profiel van de radicaal-rechtse kiezers. Ze voelen zich verweesd … Allerlei zaken kunnen symbool gaan staan voor dat gevoel niet meer meetellen, van een bushokje dat wordt afgeschaft over een botte uitspraak van een linkse schrijver tot de aanwezigheid van mensen met een andere huidskleur in de eigen wijk, in een stad niet zo veraf, of op de televisie. Dat zijn begrijpelijke gevoelens, maar er is geen politicus, zelfs geen hele regering, zelfs geen Europese Unie die daar iets aan kan verhelpen***.

       Ik zal het wat scherper formuleren. De progressieve activisten zoeken een redelijke oplossing voor echte problemen van echte mensen. Rechts daarentegen is gefixeerd op symbolen en gevoelens van frustratie, kwesties waar geen oplossingen voor bestaan, en als er oplossingen bestaan, dan zijn het zeker niet die die door rechtse activisten worden voorgesteld.
      Zelf denk ik dat de fixatie op symbolen, reële problemen, en problemen waar ‘een hele regering niets aan kan verhelpen’, nogal gelijk verdeeld is aan beide uiteinden van het politieke spectrum. En over wélke halfslachtige oplossingen de moeite zijn om uit te proberen, verschillen Naegels en ik vermoedelijk óók van mening. 

* Zie mijn stukje hier.

** Welke strategie succesvol is moet min of meer afhangen van de grondstroom in een bepaalde samenleving. In Hongarije is die wellicht niet links-liberaal.

*** Naegels geeft blijk van een scherp inzicht in de ziel van de radicaal-rechtse kiezer: ‘Het meest op de zenuwen van die kiezer werkt de progressief, die de indruk wekt zich als enige goed te voelen in de nieuwe cultuur, en die die zelfs nog verder in de ongewenste richting wil doen evolueren.’ How very true! En omdat ik nogal wat linkse kiezers onder mijn FB-vrienden heb en hun commentaren lees, kan ik verzekeren dat het omgekeerde, mutatis mutandis,  evenzeer waar is: ‘Het meest op de zenuwen werkt de conservatief [c.q. de neoliberaal] die de indruk wekt enzovoort ... ’ 

zaterdag 25 april 2026

Bim bam beieren

     De Standaard viert de Paastijd met een aantal vrije tribunes onder de titel Bim bam beieren. Iedere keer als ik die titel zie moet ik denken aan een reeks Herr Seele-cartoons waarin de uitdrukking ‘Heilige vader, bimbam de klokken’ werd gebruikt. 
     In de bijdrage van 10/4 borduurt dichteres Charlotte Van den Broeck voort op het oorspronkelijke kinderrijmpje: 

                                    Bim bam beieren
                                    de koster lust geen eieren
                                    wat lust hij dan
                                    spek in de pan.’

     Dat is een ritmisch meesterwerkje, met de subtiele metrische verschuivingen en de harde cesuur vóór het laatste vers. Vandenbroeck buigt zich echter niet over de poëtische kwaliteit van het gedicht maar bezint zich over de vraag of dergelijke kinderrijmpjes het traditionele rollenpatroon in het gezin niet al te veel bevestigen: de vrouw die alle huishoudelijke werk op zich neemt. Haar antwoord: 

                                    ‘Bim bam beieren
                                    Man, bak toch gewoon zelf je eieren.’ 

     Dat is een ritmisch onding. Het moet zijn: 

                                    ‘Bim bam beieren
                                    Man bak zelf je eieren.’ 

     Dat is trouwens wat ik vanavond zal doen. Er staat een lekkere pokébowl in de koekast en daar hoort een spiegeleitje bij, vind ik.



 

De functie van de taal

     In de lessen over taalkunde zei ik ook snel iets over de ‘fatische’ functie van de taal: spreken om te spreken, om het communicatiekanaal open te houden, om jezelf en anderen gerust te stellen, om te bewijzen dat je bereid bent te luisteren als wederdienst omdat de andere ook bereid is om naar jou te luisteren. Had Freek Van de Velde toen al zijn column gepubliceerd ‘Praatziek zijn is gezond’ (DS 13/4), dan had ik die zeker in de les gebruikt. Van de Velde legt uit dat taal niet zo goed werkt om informatie over te brengen.

 Als je weleens vanop afstand, door de telefoon, hebt moeten uitleggen hoe je een radiator ontlucht, het oliepeil checkt van een auto, of een papieren hoedje vouwt, dan weet je dat zoiets een uiterst frustrerende activiteit is.

     En dan moet je dat eens proberen in een vreemde taal! Sommige handboeken voor Frans en Engels wilden warempel dat leerlingen instructies konden geven in een vreemde taal, iets wat hun leraren zelf amper konden. Het communicatieve taalonderwijs slaagde erin om de lat tegelijkertijd te hoog en te laag te leggen.
     Ik had de column van Van de Velde ook kunnen gebruiken in andere hoofdstukjes: over het ontstaan van taal, en over het verschil tussen dieren- en mensentaal. Onze taal, schrijft Van de Velde 

 lijkt minder op de waarschuwingskreten van apen dan op een andere activiteit die je bij onze naaste biologische verwanten kunt waarnemen: ze vlooien elkaar. Bij een haarloze soort als de mens is dat lastiger. Dan maar de sociale banden aanhalen door gezellig te beppen.

dinsdag 21 april 2026

Censuur, vrije woord, chatcontrol

De argumenten voor het vrije woord
     Wie argumenten zoekt voor het vrije woord, komt onvermijdelijk terecht bij J.S. Mill, met zijn boekje On Liberty. Ik heb daar in mijn boekenkast een exemplaar van dat toebehoord heeft aan een Labour-politicus A.W.F. Haycock. De uitgave dateert van 1905 maar Haycock heeft het verworven op 3 juli 1913, en hij heeft allerlei aantekeningen in de marge gemaakt. Bij Pinker vond ik een heel elegante samenvatting van de argumentatie.

There are three reasons why an unwelcome opinion should not be suppressed. For all we know, it might be true; even if it’s false, it may contain a grain of truth; and even it’s completely false, showing why it’s false gives us a sounder understanding of what is true.

     Zo'n mooie samenvatting  zou ik het nooit kunnen schrijven dacht ik. Maar ik heb eens in mijn oude stukjes gekeken, en daar vind ik er eentje van 11 oktober 2015 die op die van Pinker gelijkt.  

Dissidenten konden bijvoorbeeld gelijk hebben, zegt Mill, – of half gelijk – je wist maar nooit. En discussie was altijd verrijkend. 


Drie argumenten tegen het vrije woord
     Er worden drie argumenten ingebracht tegen onbeperkte vrije meningsuiting: de mogelijke verspreiding van hate speech, van fake news en van ‘gevaarlijke meningen.’ Bij die gevaarlijke meningen horen: klimaatscepticisme, desinformatie over gezondheid, woke ideeën, ‘verheerlijking van geweld’, subversie, en ‘buitenlandse beïnvloeding’. In vroeger tijden was ketterij de gevaarlijkste mening, want die bracht het zielenheil van de gelovigen in gevaar. 
     Het nieuwste gevaarlijke idee is AI-optimisme. Filosoof Stijn Bruers besluit een stuk in De Morgen als volgt: ‘Mensen die nu even stellig verkondigen dat AI niet zo gevaarlijk is, kunnen zo ook medeverantwoordelijk worden voor een grote ramp.’ Daar moet aan worden toegevoegd dat de argumenten van Bruers over het AI-gevaar helder zijn geformuleerd, en dat hij niet pleit om het AI-optisme als gevaarlijke mening te verbieden in de media of aan de universiteit. Dat deed hij wel met meningen over de Gaza-oorlog die hem niet bevielen*.

* Zie mijn stukjes hier en hier.


De grenzen aan de vrije meningsuiting
     Hoe helder een schrijver zich uitdrukt, kun je vaststellen als hij iets uitlegt wat je zelf ook al hebt proberen uit te leggen. Ik heb al verschillende keren geschreven over de kwestie van het vrije woord, en over de grenzen die daaraan kunnen worden gesteld. De formulering van Pinker in Common Knowledge vond ik bijzonder helder. Hij herhaalt dat het vrije woord ook geldt voor ‘crude, offensive and hateful speech’ en somt drie soorten van uitzonderingen op, terwijl ik er zelf maar twee zag. Ik heb de uitzonderingen van Pinker genummerd: 

  1. misdrijven die door hun aard zelf met woorden worden gepleegd, zoals afpersing, omkoping, laster, fraude en bedreigingen
  2. onmiddellijke aanstichting tot onwettig handelen 
  3. beperkingen op het tijdstip, de plaats en de wijze van uiting (Het Eerste Amendement geeft je niet het recht om om 3 uur ’s nachts je manifest door een luidsprekerwagen in een woonwijk te schallen, of om je zeepkist midden op een drukke snelweg neer te zetten.)

     Pinkers eerste punt verraadt dat hier een getrainde linguïst aan het woord is die weet heeft van de ‘performatieve taaldaden’-theorie.



Democratisch besliste censuur
     Begin januari was er op de opiniepagina’s van De Standaard een polemiek tussen juristen. Advocaat Joris Van Cauter had J.D. Vance gelijk gegeven over de kwestie van de vrije meningsuiting in Europa (DS 6/1). Die wordt volgens Van Cauter en Vance aan banden gelegd. Van Cauter haalde onder andere aan dat de Europese Raad sancties had uitgesproken (inreisverbod, beperking op gebruik van digitale diensten) tegen de Zwitserse oudkolonel Jacques Baud vanwege het verspreiden van pro-Russische standpunten en complottheorieën. Van Cauter noemde een en ander praktijken waar de ‘voormalige DDR alleen maar van kon dromen.’
     Die overdrijving werd meteen tegen hem gebruikt in het antwoord van twee professoren in EU-recht. Ik zou dat ook doen. Je moet geen stroman-argumentatie verzinnen als de opponent zelf een stroman in elkaar flanst. In hun antwoord legden de professoren dus uit dat er een heel verschil is tussen de DDR en de EU.  Binnen de EU worden nieuwe wetten en regelingen, in tegenstelling tot in de DDR vroeger, heel-heel-heel lang besproken in verkozen parlementen en onverkozen commissies. Ook gaven de professoren aan dat die oud-kolonel in beroep kon gaan tegen de beslissing van de Raad. Dan zou het Hof van Justitie nagaan of de kolonel écht, en op gecoördineerde manier, complottheorieën verspreid had.
     Maar dat maakt de zaak er niet veel beter op. Dat een censuurregeling veel tijd vergde en democratisch werd beslist, en dat sancties op grond van die regeling worden gecontroleerd door een gerechtelijke instantie, dat verandert niets aan de censuur zelf. Democratische en rechtstatelijke censuur is óók censuur.
     De professoren geven toe dat de EU met haar nieuwe regelgeving rond ‘verspreiden van desinformatie en Russische propaganda’ vragen doet rijzen zoals

‘hoe de scheidingslijn moet worden getrokken tussen informatie, misinformatie en desinformatie, maar dat is iets helemaal anders dan niet wenselijk geachte meningen sanctioneren.’

     Dat is helemaal niet iets anders! Het is precies hetzelfde. In een vrije maatschappij maakt noch de wet noch de rechter onderscheid tussen een informatie, misinformatie en desinformatie*. Er is geen censuur tegen wat sommigen desinformatie vinden, en anderen niet. Het enige aanvaardbare argument voor censuur is dat van de nationale veiligheid die bedreigd wordt door buitenlandse subversie**, en zelfs dat argument schept een gevaarlijke opening naar verdere censuur over andere onderwerpen.

* Een interessante uitzondering is wanneer een burger door een andere burger beschuldigd wordt van opzettelijke desinformatie en daarom een proces wegens laster inspant. Dan moet de rechter natuurlijk wel het onderscheid maken tussen informatie en desinformatie. Zie daarvoor de film Denial (2016) over holocaust-negationisme.


** Uiteindelijk is buitenlandse subversie ook het argument van de EU tegen de Zwitserse oud-kolonel, en de zaak bewijst hoe makkelijk dat argument kan worden misbruikt.



Chatcontrol als hefboom voor censuur
    
 Van Cauter had  in De Standaard (6/1) naar digitale supervisie via ChatControl verwezen als een hefboom voor censuur. Daar kwam een antwoord op van twee professoren in EU-recht die vonden uitlegden dat er verschillende niveaus van digitale supervisie bestaan. Zo bestond er volgens hen onder andere een verschil tussen het rondsturen 
van pedofiel beeldmateriaal en het verspreiden van discriminerende boodschappen’.
     Zeker is daar een verschil in, maar ik vraag mij of dat de professoren dat verschil erkennen. Mijn indruk is dat ze dat pedofiel beeldmateriaal en die discriminerende boodschappen allebei onder de noemer ‘onwettelijk’ samenbrengen. Vanuit hun vak hebben zij gelijk. Maar vanuit de liberale principes zou het eerste verboden moeten zijn en het tweede niet.
     En daar komt nog iets bij. V
oorstanders van de vrije mening zijn bang dat de technische mogelijkheden om pedofiele beelden te superviseren, later zullen worden aangewend om ‘discriminerende boodschappen’ te superviseren, plus eventueel andere niet wenselijk geachte meningen die na heel-heel-heel lange besprekingen in verkozen parlementen en onverkozen commissies aan de lijst van misdadige desinformatie worden toegevoegd.