woensdag 13 februari 2019

Stakers en de psychologische wetenschap

     Staken doen de mensen om allerlei redenen. Leraar Peter Van Menen, lees ik in Het Nieuwsblad, staakt vanwege zijn ‘gevoel dat leraars te weinig respect krijgen’. Dat gevoel ken ik. Anderen doen het misschien uit opstandigheid, uit solidariteit of om een overleden vader of moeder te eren die hen geleerd heeft ‘never to cross a picketline’. Over dat soort persoonlijke gevoelens heb ik niets te melden.
    Mij gaat het hier om lui die zeggen hun ‘koopkracht’ te willen verdedigen. Die koopkracht heeft onder andere te maken met de hoogte van de lonen en die wordt in ons land afgesproken bij onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Maar de staat legt bij die onderhandelingen een ‘marge’ op voor mogelijke verhogingen– dit keer een marge van 0,8 procent.  De vakbonden vinden dat te weinig en zelf vind ik het ook niet veel.
     Maar eigenlijk vind ik die hele staatstussenkomst maar niks. Ik vind het verkeerd als bedrijven door de staat verplicht worden om loonsverhogingen toe te kennen – bij indexoverschrijding – maar ik vind het ook verkeerd als het aan bedrijven verboden wordt loonsverhogingen toe te kennen boven een zekere marge. Anderzijds zal zo’n dubbele aanpak ook wel zijn voordelen hebben. Voor de werknemer telt in elk geval alleen het eindresultaat, zijn koopkracht, waarin hij, zoals iedereen, graag een stijgende lijn ziet.
     En is die lijn nu stijgend of dalend? Om dat te weten moet er gerekend worden. Lonen – en in mindere mate uitkeringen – zijn sinds 2013 flink gestegen, maar de prijzen zijn ook flink gestegen.  Je moet die prijsstijgingen dus aftrekken van de inkomensstijging om de verandering in koopkracht te kennen. Dat is allemaal erg ingewikkeld. In zo’n geval kijk ik naar de consensus binnen de wetenschap, want dat moet van Tom Naegels. De economen van het planbureau hebben uitgerekend dat de gemiddelde koopkracht sinds 2013 gestegen is met 3,5 procent*. En econoom Philip Defeyt heeft uitgerekend dat de koopkracht sinds 1998 gestegen is met 16 procent. (hier) Die cijfers betreffen dus de netto stijging van de inkomens, nadat de prijsstijgingen zijn afgetrokken.
     Maar als onze koopkracht gestegen is, waarvandaan komt dan het gevoel bij de stakers, en bij de anderen, dat die gedaald is? Daarmee komen we aan de psychologische wetenschap. Amos Tversky en Daniel Kahneman beschreven voor het eerst het verschijnsel van ‘loss aversion’. Dat verschijnsel houdt in dat we meer verdriet hebben als we een briefje van 50 euro verliezen, dan vreugde als we een briefje van 50 euro vinden. Ik heb als student ooit een briefje van 2000 frank verloren en als ik daaraan terugdenk voel ik nog altijd de pijn.

     Veronderstel dat ik boeken verzamel van Jean Ray. Ik bezit een mooie eerste uitgave van Les contes du Whisky en een andere verzamelaar wil er mij 120 euro voor betalen. Ik denk er niet aan om het boek te verkopen. Wat later zie ik bij De Slegte, in de glazen kast, een mooie eerste uitgave van Les derniers contes de Canterbury. Die zou ik eigenlijk nog liever hebben, maar de prijs schrikt mij af: 100 euro. Ik koop het boek dan maar niet. Dat is heel irrationeel van mij. Had ik die Canterburyverhalen gékocht en mijn Whiskyverhalen vérkocht, dan had ik nog 20 euro over om mij een goedkope uitgave van Le grand nocturne aan te schaven.
     Die ‘aversion loss’ maakt het voor een regering moeilijk om beleid te voeren. De tax shift was een gezond economisch beginsel. Voor werknemers betekende het een broekzak-vestzakkwestie. We betalen minder directe belastingen, en meer indirecte belastingen – in de vorm van prijsstijgingen. Wat we winnen aan de ene kant, verliezen we aan de andere kant. Maar, en daar gaat het over, ook al is het bedrag dat we winnen en verliezen hetzelfde, het verlies weegt psychologisch zwaarder. Voor wie prijsbewust door het leven gaat, is het nog erger, want zo iemand ziet zijn winst één keer per maand op zijn loonbriefje, maar hij voelt het verlies elke keer opnieuw als hij naar de winkel gaat.
      Mijn vrouw heeft een grote, luxueuze firma-auto met tankkaart. Er is sprake van dat die auto’s worden afgeschaft en vervangen door een gelijkwaardige geldelijke vergoeding. Verstandelijk bekeken is dat voor ons een verbetering. We kunnen dan zelf beslissen of we met dat geld weer een grote luxueuze auto kopen, of omgekeerd voor een goedkoop karretje kiezen dat ons even goed van A naar B brengt. Met het geld dat we over hebben gaan we dan naar New York. Maar iedere keer dat we met de nieuwe auto bij de benzinepomp staan – zonder tankkaart – zal dat een steek zijn door ons hart.
     Bij onze koopkracht speelt nog een ander pschychologisch verschijnsel. Hans Rosling noemt het ons ‘grootte-instinct’, dat een onderdeel is van ons ‘drama-instinct’. We zijn bijzonder onder de indruk van grote getallen en spectaculaire veranderingen. Bij de prijsstijgingen van de laatste 20 jaar zijn nogal wat van die grote getallen: elektriciteit: + 97 procent, brandstof + 95,7 procent, brood + 69, 1 procent, groenten + 47,1 procent. Maar dat zijn de uitschieters. We moeten die zien in het geheel van onze aankopen, en daarvan zijn de prijzen veel, veel minder snel gestegen, en soms zelfs gedaald. Maar gevoelsmatig hebben we dat overzicht niet. Wij zijn blind voor gemiddeldes.
    En daarom moeten we ons verlaten op de ‘consensus binnen de wetenschap’.

    

* Die 3,5 procent is een gemiddelde en is vooral representatief voor de middeninkomens. De 10 procent rijksten kregen er maar 3,1 procent bij, en de 10 procent armsten maar 0,7 procent. Dat laatste houdt, geloof ik, verband de regeringspolitiek die meer belang gaf aan lonen dan aan uitkeringen.

 ** De vakbond aanvaardt die consensus niet, verwijst naar de jaren 2016 en 2017 en haalt er de indexsprong bij. Misschien denkt de vakbond dat een niet gekregen loonstijging hetzelfde is als een loondaling.  Of dat het planbureau en Defeyt die overgeslagen loonindexering niet in rekening hebben gebracht.

zondag 10 februari 2019

De leugen van Joke Schauvliege

     Als ik minister was van iets en ik deed een domme uitspraak waarmee ik half Vlaanderen over mij heen kreeg, dan was ik geloof ik liever bij N-VA dan bij CD&V. Misschien heeft Wouter Beke gedaan wat in zijn vermogen lag om zijn partijgenote Joke Schauvliege te steunen, maar dan is dat vermogen eerder beperkt.
    Maar misschien moeten we verder kijken dan de beperkte vermogens en de wat zwakke ruggengraat van de huidige CD&V-leiders. Walter Pauli van Knack is iemand die verder heeft gekeken. Hij veronderstelt dat CD&V in de zaak Schauvliege meer belang hechtte aan ‘algemene regels’ dan aan het eigen partijbelang, wat bij N-VA anders zou zijn. Dat zou mooi zijn van CD&V, maar ik geloof er niet veel van. Anderen denken dat CD&V het niet eens zo erg vond om een zwakke vakminister af te voeren. Dan heeft de partij daar zo kort voor de verkiezingen een ongelukkig moment voor gekozen. En of Schauvliege nu echt zo’n zwakke minister was, weet ik niet. De journalisten schrijven dat, maar weten zij dat zelf wel zo goed?

     Er is een derde verklaring die ik oorspronkelijk de meest aannemelijke vond. Schauvliege heeft zich met haar uitspraken tégen de klimaatbetogers uitgesproken, terwijl CD&V die jongens en meisjes liever te vriend hield en zeker niet wou afstoten als mogelijke kiezertjes. Dat zou geen slechte strategie zijn. De betogers prijzen voor hun bezorgdheid en hun idealisme en daarna heimelijk de ecorealistische koers voeren die N-VA meer openlijk voorstaat. Maar dan kwam Beke achteraf verklaren dat de klimaatbeweging ‘gekaapt werd door extreemlinks’. Zo hou je die beweging natuurlijk niet te vriend.
     Ja maar Clerick, zul je zeggen, die Schauvliege heeft toch gelógen. Heeft dat er dan niets mee te maken?
     Nou ja, gelogen ... Het gebeurt inderdaad wel eens dat onze politieke vertegenwoordigers wat – hoe zal ik het zeggen – lichtzinnig omspringen met de waarheid: loze beloftes, halve waarheden, slechte rekenkunde, grootspraak, misleidende woordkeuze, leugentjes om bestwil, spreken zonder nadenken, eigen twijfels die overschreeuwd worden, vermoedens die als zekerheid worden voorgesteld, een doelpubliek dat naar de mond wordt gepraat. Je mag dat van mij allemaal ‘leugens’ noemen. Zelf weerleg ik liever iets wat ik onwaar vind, dan luid te roepen dat de ander een vuile leugenaar is.* Ik las bij Liesbeth van Impe dat de beschuldiging van ‘leugenaar’ altijd geschrapt wordt uit de verslagen van het Parlement. Dat lijkt mij een goede gewoonte.
    Want wat heeft Schauvliege ook weer gezegd: ‘Er zit meer achter dan alleen een spontane actie voor ons klimaat. Ik weet wie achter heel die beweging zit, zowel de zondagse betogingen als de spijbelaars op donderdag. Men heeft mij dat ook verteld vanuit de Staatsveiligheid.’
     We weten ondertussen dankzij CD&V en De Tijd ongeveer wie Schauvliege bedoelde als ze sprak over ‘wie achter heel die beweging zit’: organisaties als Climaxi, Climate Express, Act for Climate Justice, Greenpeace, De Wereld Morgen, Hart boven Hard … En in die organisaties zijn of waren mensen actief als de anarchist Arno Kempynck en PVDA-leden Nathalie Eggermont en Wiebe Euyekman.
     Wiebe Eekman! Ik kom met een plons terecht in het zwembad van mijn jeugdherinneringen. Daarin is Wiebe een hele lange kerel, met een luide stem, een goed humeur, een overvloedige rode bos haar** en een rode baard. Hij werkt als scheepshersteller of zoiets en spreekt met een Hollands accent. Misschien is hij wel een Fries. Hij ziet er in elk geval uit als een Viking. En die Wiebe zit achter de klimaatbetoging?
     Ach, volgens mij doen Wiebe en die anderen weinig terzake. Anuna De Wever en haar vrienden moesten hun ‘bezorgdheid voor het klimaat’ niet halen bij Greenpeace en de PVDA. Het klimaatalarmisme wordt hun al jaren bijgebracht door wat ze lezen in de krant, horen op televisie en studeren voor de lessen Aardrijkskunde, Godsdienst, Zedenleer en straks Burgerzin. Ook kunnen radicaallinkse groepjes zo’n grote actie niet afdwingen. Ik weet dat, want in mijn radicaallinkse jeugd was ik samen met mijn kameraden voortdurend in de weer om ‘massa-acties op poten te zetten’: vergaderen, brochures schrijven, vlugschriften uitdelen … niets werkte. Af en toe was er wel een grote actie, maar zo’n actie barstte los en ging voorbij als een regenbui. Wij hadden daar weinig invloed op. Gedurende die actie konden we voorop lopen, organiseren, toespraken houden, nog meer brochures schrijven, nog meer vlugschriften uitdelen. Sommigen van ons werden beschouwd als ‘leiders’ van de actie. Maar na enkele dagen of weken was het afgelopen en was het ook gedaan met dat leiderschap. Er restte ons niets meer dan nog wat leden te werven voor ons groepje.
     Als Schauvliege dus zegt dat de klimaatbetogingen geen spontane beweging zijn maar het werk van duistere lieden achter de schermen, dan bewijst ze daarmee dat ze in elk geval geen radicaallinks verleden heeft, anders zou ze wel beter weten. Het is juist wél een spontane beweging. Zulke grote acties kun je beter beschrijven met de onvoorspelbaarheden van de chaostheorie, dan verklaren vanuit sluwe politieke machinaties.

     En dat van die Staatsveiligheid van wie Schauvliege haar informatie gekregen had? Ja, dat was natuurlijk onzin. De Staatsveiligheid rapporteert niet aan de minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Maar misschien heeft het arme schaap alleen maar gedácht dat de Staatsveiligheid zich met de zaak bezighield, of zich zou moeten bezighouden. Of misschien heeft ze niets gedacht, dat kan ook. Of misschien heeft ze iemand anders iets over de Staatsveiligheid horen zeggen. Of heeft ze haar informatie gekregen van de christelijke werknemersorganisatie Beweging.net, maar wou ze die bron niet vermelden in een toespraak voor het Algemeen Boerensyndicaat. Je kunt die bewering in elk geval geen ‘fake news’ noemen, want het was juist níet de bedoeling dat die woorden in het nieuws zouden komen. Die zijn maar in het nieuws gekomen omdat haar vijanden van Climaxi de toespraak hebben gefilmd en online gezet.
     Kijk, wij kunnen ons ook een ander scenario voorstellen. Schauvliege geeft een interview aan De Standaard en vertelt daarin dat de klimaatbetoging gemanipuleerd wordt door mensen achter de schermen. De journalist vraagt terecht wat haar bronnen zijn. Als ze daarop antwoordt ‘Ik weet dat van de Staatsveiligheid’, dan is dat voor mij een andere zaak. Dan zou ik het naast een domheid, blunder, flater of stommiteit ook nog een leugen noemen. Maar meestal probeer ik voorzichtig om te gaan met dat woord in een politieke context.


* Ik herinner mij een bespottelijk  stuk waarin moraalfilosoof Loobuyck zich in de titel afvroeg wat men moest doen met ‘politici die liegen’. Zuhal Demir en Liesbeth Homans hadden onvriendelijke woorden gesproken over Unia. Als je het stuk las, was het echte verwijt van Loobuyck aan Demir en Homans dat ze aan ‘stemmingmakerij’, ‘polarisering’ en ‘grofbekkerij’ deden. Zo verliest het woord ‘leugen’ zijn oorspronkelijke betekenis van ‘opzettelijke onwaarheid’ en verwordt het tot een trucje in de polemiek.

** Jan Van Duppen stelt het epiteton ‘helmboswuivend’ voor. Dat geeft het kapsel van de jonge Wiebe aardig weer. Op recente foto’s vallen de haren helaas naar beneden en zijn ze grijs geworden. Ook herinnert Jan mij eraan dat Wiebe slechts één handdruk van Lenin verwijderd is aangezien zijn oma nog op de thee geweest is bij de leider van het wereldproletariaat.

zaterdag 9 februari 2019

Boon, Boni, Beethoven

     Toen ik in de voorlaatste klas van het middelbaar zat, moesten we een werkje maken over een onderwerp naar keuze. Ik besloot om iets te schrijven over Louis-Paul Boon. Ik had gelezen dat dat een linkse rakker was en op de foto zag hij eruit als een echte proletariër. Mijn plan was om eerst alle boeken van die auteur te lezen. Ik heb daar toen zoveel tijd aan besteed dat ik er geen meer over had om dat werkje zelf te schrijven. Forever reading, never to be read.
     Die boeken van Boon te pakken krijgen, was in die tijd geen sinecure. We leefden toen in een gepolariseerde maatschappij. In mijn geboortestad had je vier katholieke bibliotheken, maar daar vond je vooral boeken van de zeer eerwaarde Armand Boni, en niks van de viezentist Louis Booni. Bij de liberalen was het beter. Die hadden de zolder boven hun café als bibliotheek ingericht en je vond er, onder de hanenbalken, in bruin papier gekafte deeltjes van Wapenbroeders en De bende van Jan de Lichte.

     En bij de socialisten vond je nog meer. Hún bibliotheek bevond zich in een soort schuurtje áchter hun café. Ook daar was Boon gekaft in bruin papier: De voorstad groeit, Vergeten straat, Blauwbaardje en andere grimmige sprookjes voor verdorven kinderen. Dat laatste boek werd mij door de rode bibliothecaris warm aanbevolen. En het dikste boek dat ze daar van Boon hadden was : Zomer te Ter-Muren. Ik wist toen nog niet dat dat een vervolg was op het beroemdere Kapellekensbaan, waardoor ik dus deel 2 las vóór ik aan deel 1 begon. Later overkwam mij iets soortgelijks met The Godfather 1 en 2.
    Jan heeft laatst geprobeerd om de eerste bladzijden van De Kapellekensbaan te lezen. Zijn diagnose – als bachelor in de medicijnen – was dat de auteur toen hij dat schreef herstellende was van een hersenbloeding. Ik vond dat nogal faciel. Hij had moeten doorlezen, vind ik, want het moet niet altijd makkelijk zijn. Toen ik die boeken las, vond ik ze ook niet makkelijk.

     Neem nu dat eerste hoofdstuk uit Zomer. ‘Voor Elise’ heet het.  Het gaat over Ondineke die met haar twee vlechtjes op de rug komt aangetippeld over de Kapellekensbaan. ‘Trippeltippel tippel-tip,’ schrijft Boon. Ze gaat naar de beek van het kasteel om te zwemmen en doet haar hemdje uit. Van achter de haag wordt ze begluurd door een viezerik die Peperbus heet. ‘Dedoemedoem’ schrijft Boon. En hij betreurt het ook nog dat hij geen Beethoven is. Ik begreep die tippeltip en die doemedoem niet en ook niet wat Beethoven ermee te maken had.
     Later breidde ik mijn zoektocht naar Boon uit tot de grote bibliotheek van het naburige Wevelgem. Daar ging men uit van brede beginselen. De boeken waren niet bruin gekaft, maar je vond er zowel Boni, A. als Boon, Louis-P. En ze hadden ook een platenafdeling waar ik onder de B. van Beethoven een stuk vond dat ‘Für Elise’ heette. Zó zat dat dus in elkaar. Het zilveren trippeltippel-tip van Ondineke stond voor de hoge noten mi-re-mi-re-mi** en de doemedoem Peperbus stond voor de lage noten la-mi-la.
     Ik heb daarna maandenlang ‘Für Elise’ het mooiste stukje muziek ter wereld gevonden.



 * Lezers van De Kapellekensbaan denken nu misschien aan het hoofdstuk ‘dubo-dubon-dubonnet’.
 
** Re-kruis, bedoel ik, maar het klinkt niet erg mooi als je het rijtje zo uitspreekt.
 

donderdag 31 januari 2019

De klimaatbijlage van De Standaard


Who thinks greenhouse gases have no effect and therefore we all need
new jobs. Anyone - Ter illustratie van het begrip 'intentieproces'
    Je ziet vaak mensen van rechts die zich boos maken op de berichtgeving in de kranten en op de televisie. Ik vind dat altijd een beetje raar. Zou het hélpen als we ons boos maken? Of als we ons héél boos maken? Ik geloof het niet. Veel van die persjongens en -meisjes leunen nu eenmaal naar links. Daar is niet veel aan te doen; die zullen niet zo gauw veranderen. Zelf wacht ik geduldig tot de hoofdredacteuren zelf ook begrijpen dat er wat meer evenwicht nodig is en ondertussen laat ik er mijn goed humeur niet door bederven.
     Maar soms voel zelfs ik een lichte ergernis en kan ik het niet laten er een opmerking over te maken. Neem nu de klimaatbijlage van De Standaard.  Ik heb die nog niet helemaal gelezen, maar een deel ervan werd overgenomen in Het Nieuwsblad. De hoofdredactrice van die laatste krant, Liesbeth van Impe wijdt er haar commentaar aan. De klimaatwetenschap is meer dan wat alarmistisch giswerk, schrijft ze. ‘Over het grootste deel van de diagnose zijn ernstige wetenschappers het eens en is de weerstand marginaal. De aarde warmt op en ze doet dat bijzonder snel. Dat is voor een groot deel het gevolg van menselijk gedrag. Over de modellen en toekomstvoorspellingen kan je altijd blijven discussiëren, maar over de grote lijnen bestaat evenveel consensus als een rigoureus wetenschappelijke opstelling toelaat.’
     Ik ben het misschien niet met elk woord eens, maar ’t is een redelijk standpunt en ’t is redelijk verwoord. De ‘weerstand onder ernstige wetenschappers’ waar Van Impe naar verwijst, blijkt uit afwijkende publicaties die drie tot negen procent bedragen van het totale aantal bedragen. Je kunt dat als je wil gerust ‘marginaal’ noemen.* Van Impe roemt de ‘rigoureuze wetenschappelijke opstelling’ van de klimaatwetenschap. Dat die ‘opstelling’ rigoureus ik betwijfel ik niet. Dat maakt overigens niet dat die klimaatwetenschap zelf een erg rigoureuze discipline is. De woordkeuze van Van Impe laat vermoeden dat ze die nuance begrepen heeft.**
     In de informatieve bijlage in dezelfde krant wordt echter uit een ander vaatje getapt. ‘Zoveel wetenschappers,’ schrijft wetenschapsjournalist pvd, ‘zijn het daarover eens dat de enkelingen die nog tegenspartelen tot de franje gerekend moeten worden, of tot de omgekochten … Lange tijd kregen ze onevenredig veel aandacht omdat […] ze niet werden tegengesproken door de andere wetenschappers.’
     Dat is de omgekeerde wereld. De journalistieke traditie laat toe dat een commentaarschrijver zich eens een keertje laat gaan, maar in informatieve stukken hoort een auteur zich sober op te stellen. Maar hier is het omgekeerd. De commentaarschrijfster kijkt behoedzaam naar links en naar rechts vooraleer ze oversteekt naar de volgende alinea, terwijl de wetenschapsjournalist wild met de armen staat te zwaaien op het midden van de rijweg: gekleurde woorden (‘tegenspartelen’, ‘franje’), intentieproces (‘omgekocht’), subjectieve beoordeling (‘onevenredig veel aandacht’), halve waarheden (‘niet tegengesproken’).



* Het aantal wetenschappelijk klimaatpublicaties die de rol van het menselijk gedrag bespreken in de klimaatwijzing is trouwens maar een kleine fractie van het totale aantal van die publicaties.

** Ik heb indertijd een scriptie gemaakt over het lidwoordgebruik in het Spaans. Ik heb daarbij rigoureuze definities gebruikt, vijf controleerbare parameters en betrouwbare statistische methodes. Maar ik heb er geen idee van hoeveel parameters er een rol spelen die ik níet in rekening heb gebracht. Ik zal taalkunde daarom niet bij de rigoureuze wetenschappen rekenen, ook al gebruikt ze rigoureuze methodes.

dinsdag 29 januari 2019

Het klimaat - bedenkingen van een zuurpruim

* Oudere heren die schimpen op de jonge klimaatbetogers doen mij denken aan Statler en Waldorf van de Muppetshow. Ik vind ze vermakelijk en kan mijn sympathie voor die zuurpruimen moeilijk onderdrukken. Maar aan volwassen beleidsmakers die hun ‘respect’ en ‘bewondering’ uitspreken voor de jonge mensen erger ik mij. Hoezo respect? Ik respecteer iedereen? Hoezo bewondering? Ik heb ook veel bewondering voor jonge mensen, bijvoorbeeld voor leerlingen van mij die iets bijzonders kunnen zoals zingen, dansen, een muziekinstrument bespelen, voetballen … Maar betogen!
* Ik ben van nature redelijk sceptisch ingesteld, maar als je een een pistool tegen mijn hoofd duwt en mij verplicht een grote som geld in te zetten op een toekomstscenario, dan zou ik toch maar gokken op de gemiddelde voorspelling van de gemiddelde klimaatexpert, ook al betrouw ik die mensen niet helemaal.
* Het klimaatdebat zou voor leerlingen van het middelbaar een goede oefening zijn om eufemismen en dysfemismen te leren ontdekken: klimaatnegationisme, klimaatalarmisme, klimaatscepticisme, ecorealisme … Zelf gebruik ik voor de groene jongens graag de lichtjes denigrerende term ‘milieumensen’, als eerbetoon aan Multatuli’s ‘toneelmensen’ en Elsschots ‘assurantiemensen’. 
* ‘Wijzen op urgentie’ klinkt positiever dan ‘alarm slaan’ maar het gaat in wezen om hetzelfde. De woordkeuze bewijst niet dat die urgentie een feit is, noch dat dat alarm overbodig is.
* God heeft bij zijn schepping van de aarde, geloof ik, geen ideale temperatuur vastgelegd. Twee graden meer of twee graden minder heeft zowel voor- als nadelen. En liever twee graden meer dan twee graden minder, als het van mij afhangt. Die afkoeling van de aarde waar geleerden in de jaren 70 mee dreigden is er gelukkig niet gekomen.
* Iets anders is de adaptatiekost. Onze geografische spreiding, onze huizenbouw, onze landbouw … zijn ondertussen berekend op een bepaalde temperaturen. Elke verandering zal aanpassingen vragen en elke aanpassing zal inspanningen vragen. Die inspanningen kunnen wij uitdrukken als een percentage van het wereldinkomen. Volgens het IPCC zou dat binnen vijftig jaar kunnen gaan om 0,2 % tot 2 % van dat wereldinkomen. Misschien is het nog meer (hier).
* De klimaatbetogers vinden dat de regering eindelijk iets moet dóen aan het klimaat. Maar ze vergeten geloof ik dat de regering nu al heel veel dóet. De jonge betogers zullen dat merken als ze later een huis bouwen. Wie een huis bouwt, betaalt gemakkelijk 25 % meer om aan allerlei milieunormen te voldoen. Moet dat 50 % worden? Mij raakt het niet. Wij hebben al een huis en hebben het recent nog laten isoleren.
* Die isolatiewerken hadden we overigens nooit laten uitvoeren als ze niet tegelijk een aanzienlijke verfraaiing betekenden: mooi grijs-blauw raamwerk in plaats van een saaie aluminiumkleur en de illusie van dikke, stevige muren.
* Op het vtm-nieuws van vorige week leerde ik dat ik mijn ‘ecologische voetafdruk’ met 25 % kan verminderen door niet meer met het vliegtuig te reizen. Een kwart, dat is veel, en je hoort van verschillende zijden dat er hoge vliegtaksen moeten komen. Anderzijds is de luchtvaart van de hele wereld goed voor maar 2 % van de CO2-uitstoot. Hoe zit het nu, vraag ik mij af. Zal ik ooit New York nog terugzien? Op de trappen van Times Square zitten? Spaghetti eten bij Tony’s? Een show zien op Broadway? Rondwalen in Greenwich Village? Als ik aan die 25 % denk, raak ik in paniek. Als ik aan die 2 % denk, wordt mijn hartslag weer normaal.
* Mark Elchardus somt in De Morgen van 26 januari op wat een echte beperking van de CO2-productie kan betekenen: ‘minder vrije markt, een meer sturende overheid, strakkere regulering, zwaardere belastingen voor iedereen en minder consumptie’. Ik geloof dat er mensen bestaan die zo’n toekomst aantrekkelijk vinden. Jan Van Duppen noemt ze de ‘flagellanten’, naar de middeleeuwse zelfgeselaars.
* Een streng groen-links milieubeleid zou de middenklasse en de laagste klasse elk op een verschillende manier treffen. De middenklasse zou vooral meer belastingen en taksen moeten betalen. De laagste klasse zou vooral een areaal van goedkope importproducten zien verdwijnen. De PVDA zou geloof ik een oplossing vinden waarbij het hele feest door de superrijken wordt betaald.

* Antikernenergiemensen haalden vroeger vaak het veiligheidsrisico aan als argument. Dat argument zal altijd een zeker succes hebben. Ook al is de kans op een nucleaire meltdown à la Tsjernobyl bij een moderne centrale teruggebracht tot 1 op 10 miljoen jaar, er zullen altijd genoeg mensen zijn die die éne kans veel te veel vinden.
* De laatste tijd hoor je de kernenergietegenstanders vooral spreken over de hoge kostprijs van kerncentrales. Als ik in hun plaats was, zou ik dat niet doen. Het is immers niet moeilijk zijn om dan andere studies te vinden met andere beginvoorwaarden (aantal centrales, hoeveelheid geproduceerde energie, levensduur, risicoberekening …) die totaal andere cijfers opleveren. Dat wordt een moeilijke discussie. Als ik tegenstander was, zou ik blijven hameren op de mogelijke ongelukken.

zondag 27 januari 2019

Ik ben een klimaatoptimist

     Vanmorgen aan de ontbijttafel kwam het gesprek op de klimaatbetoging van vandaag. Jan dacht dat er wel honderdduizend deelnemers zouden zijn. Om te beginnen zouden al die spijbelende scholieren er zeker bij zijn, zei hij, al was het maar om te bewijzen dat het hen niet om een wekelijks dagje vrij te doen was. Wel twijfelde hij eraan of Brussel groot genoeg was om honderdduizend betogers te omvatten. Mijn vrouw wees erop dat de rakettenbetoging van 1983 wel vierhonderdduizend mensen naar Brussel kreeg. Dat is waar. Ik heb ze met eigen ogen gezien.
     Mij maakt het eigenlijk niet veel uit hoeveel betogers er voor het klimaat op straat komen. Als het er maar honderd zijn, en ze hebben gelijk, dan doet hun kleine aantal niets van dat gelijk af. En als het er een miljoen zijn, en ze hebben ongelijk, dan wordt dat ongelijk niet verholpen door hun grote aantal. De grote geestdrift in de middelleeuwen voor heksenverbranding zegt niets over de waarschijnlijkheid dat excentrieke vrouwen omgang hebben met de duivel. Hoogstens kunnen wij uit zo’n massale geestdrift besluiten dat er onder de bevolking misschien wel een brede consensus bestond of bestaat over die heksen, die raketten en dat klimaat. Maar als maatstaf voor de waarheid is zo’n consensus waardeloos.
     Anders is het gesteld met een wetenschappelijke consensus. Rond het klimaat is een wetenschap ontstaan die een beroep doet op bevindingen uit de biologie, chemie en fysica en verder op metingen allerhande. Op die gegevens worden statistische analyses losgelaten die een verklaring opleveren van wat er recent met het klimaat gebeurd is, en wat er in de toekomst zal gebeuren. Een aantal van die gegevens zijn
  • CO2 heeft de eigenschap om stralingswarmte te absorberen; die eigenschap werd in 1869 al vastgesteld door de Engelse natuurkundige John Tyndall
  • de aanwezigheid van CO2 in de atmosfeer is gestegen: van 0,03 % in 1959 tot 0,04 % in 2016
  • jaarlijks zorgt industriële activiteit voor een CO2-uitstoot van 0,0004 % van de atmosfeer en de menselijke ademhaling voor één van 0,00003 %*
  • de temperatuur op aarde is nu 0,9 % hoger dan in 1880
    Zelfs een leek ziet met die cijfers dat er minstens een mogelijk verband is tussen de menselijke activiteit, de stijging van CO2-concentratie en de stijging van de temperatuur. Er is zelfs een verklaring voor dat verband. CO2 functioneert als het glas van een serre of broeikas, die de warme zonnestralen binnenlaat, maar daarna in die kleine ruimte vasthoudt. Die broeikastheorie, toegepast op de hele aarde, laat toe om voorspellingen te doen, en die dan te testen. Zo moet volgens het model de stijgende temperatuur in de lagere atmosfeer samengaan met een dalende temperatuur in hogere stratosfeer. Men heeft dat gecontroleerd en het klopt, beweren de geleerden.
     Dát soort voorspellingen zijn eigenlijk hypothesen. Men kan die onmiddellijk testen door experimenten of metingen. Andere voorspellingen gaan écht over de toekomst. Hoeveel zal de temperatuur verder stijgen? Wat zullen de gevolgen zijn voor de zeespiegel, de vegetatie, de windkracht? Die voorspellingen kan men niet onmiddellijk testen. Wij moeten de gebeurtenissen afwachten om zekerheid te hebben, en als die dan catastrofaal blijken te zijn, is het misschien te laat. Die laatste gedachte is het, geloof ik, die vandaag Anuna De Wever, Tine Hens en Tom Naegels op straat brengt. 
     Zelf ben ik optimistischer. Om te beginnen zijn die klimaatgeleerden het ook niet allemaal met elkaar eens. Er is een ruime mate van consensus, maar de voorspellingen van temperatuurstijging van nu tot 2100 variëren van 0 °C tot 1,4 °C volgens IPCC-cijfers.** Bijna iedereen is het ermee eens dat menselijke activiteit een invloed heeft op de temperatuurstijging, maar daarmee is nog niet gezegd hoe gróót die invloed is. En ook die invloed zelf wordt volgens metastudies nog altijd aangevochten door 3 à 10 % van de klimatologen.***
          Het relatieve karakter van de consensus is begrijpelijk. Klimaatwetenschap is niet vergelijkbaar met fysica, waarbij het verband wordt onderzocht tussen een klein aantal grootheden zoals snelheid, massa en energie. Het is een toegepaste wetenschap waar heel veel – soms moeilijk meetbare – gegevens een rol spelen: andere broeikasgassen zoals damp, zonneactiviteit, aerosolen, vulkaanuitbarstingen, vegetatie, CO2-uitwisseling tussen atmosfeer en oceaan**** en nog veel, veel meer.
     Al die gegevens worden ingebracht in computermodellen. Dat is een prima methode want er is geen alternatief. Maar die computermodellen hebben dezelfde nadelen als elke statistische analyse. Je weet nooit helemaal zeker of je voldoende dan wel te veel gegevens hebt ingebracht en of je wel de juiste gegevens gekozen hebt. Wetenschappen die sterk van statistiek afhankelijk zijn, lijken mij daarom kwetsbaar voor eenzijdigheid, subjectiviteit, vooroordelen en conformisme – eventueel ook voor tegendraadsheid. Bovendien opereert de klimaatwetenschap in een gebied waar publieke opinie, beleidsmakers en internationale bureaucratie zich laten gelden. Bij mij komt dan als vanzelf de vergelijking op met wetenschappen als epidemiologie, criminologie of – maar nu overdrijf ik misschien – pedagogie.
         Aan de andere kant is de klimaatwetenschap het beste wat we hebben. Die mensen kunnen  best gelijk hebben***** en dan ziet het er maar slecht uit. Elchardus somt in De Morgen op wat een echte beperking van de CO2-productie betekent: ‘minder vrije markt, een meer sturende overheid, strakkere regulering, zwaardere belastingen voor iedereen minder consumptie’.****** Of concreter: als we niet in de marge willen rommelen met een isolatiepremie hier en een fietspremie daar, zit er niets anders op dan iedereen in een levensstijl te dwingen die ver onder de huidige armoededrempel ligt: klein appartementje, geen bad, geen douche, geen vlees, geen reizen, geen auto, geen nieuwe kleren – want helemaal plaatselijk gefabriceerd en dus duur – en weinig verwarming. China en Indië moeten stoppen met groeien en Afrika moet blijven zoals het is. Elchardus betwijfelt overigens of het zover zal komen. ‘Als dat tot iedereen doordringt, is de kans groot dat mensen zich de vraag gaan stellen wat nu het pijnlijkste is: de gevolgen van de opwarming of de gevolgen van de het beleid nodig om de opwarming te beperken? Misschien opteren sommigen voor het leren leven met opwarming.’ ‘Misschien’, schrijft hij, en ‘sommigen’, maar dat is wel heel voorzichtig.
     Gelukkig sta ik voor mijn optimisme op vastere grond. Dat zit zo. Ik ben al geruime tijd voorstander van meer kernenergie. Ik heb mij laten overtuigen dat dat de goedkoopste en efficiëntste energievorm is. Tot voor enkele maanden was ik pessimistisch omdat én de publieke opinie én de klimaatmensen er tegen waren. Maar nu wordt kernenergie langzamerhand ontdekt door de klimaatmensen zelf omdat ze er een werkbaar alternatief in zien voor de CO2-uitstotende brandstofenergie. Wat zie ik vandaag bijvoorbeeld op de voorpagina van De Zondag? Professor De Grauwe die in grote letters verklaart: ‘Ik ben voor kernenergie vanuit milieuoverwegingen.’ Dat is realistisch bekeken van de professor.
     Op dit ogenblik wordt 87 % van de energie in de wereld geleverd door fossiele brandstof, 7 % door waterkracht en slechts 4 % door kernreactoren.  Op dat laatste terrein is echter veel meer mogelijk en dat wordt nu al bewezen door landen als België, Frankrijk, Oekraïne en Hongarije die meer dan 50 % van hun elektriciteit uit kernenergie halen. Er is eigenlijk geen reden waarom dat, ook op wereldvlak, geen 100 % kan worden. Dan zijn we er nog niet, want dan moeten transportmiddelen, verwarming, hoogovens en dergelijke ook nog op die door kernenergie opgewekte elektriciteit overschakelen, maar ‘t is al een hele stap naar een échte daling van onze CO2-productie. Helemáál weg krijgen we CO2 nooit, want we blijven ademen natuurlijk. Bij leven en welzijn.

* Die cijfers als percentage van de atmosfeer heb ik zelf uitgerekend rekening houdend met een totale hoeveelheid van CO2 van 708 gigaton en een industriële productie die goed is voor 7,56 gigaton en een collectieve ademhaling van 0,6 gigaton. Hopelijk heb ik geen rekenfouten gemaakt.

 ** Dit zijn cijfers die uitgaan van een sterke vermindering van broeikasgasuitstoot. Wikipedia spreekt van een temperatuurstijging op Aarde van 1,6 °C (0,9-2,3 °C) hoger vergeleken met de periode tussen 1850 en 1900. Ik heb van die cijfers de 0,9 °C afgetrokken die sinds 1880 heeft plaatsgevonden.

 *** Cook (2013) geeft 3 % dissidenten. Verheggen (2014) geeft 9 % dissidenten (zie hier). Slechts een minderheid van de klimatologische artikels behandelen overigens de rol van de mens in de klimaatwijziging.

 **** De jaarlijkse CO2-uitwisseling tussen oceanen en atmosfeer is 10 keer zo groot als de uitstoot veroorzaakt door de mens. De uitwisseling tussen atmosfeer en vegetatie is 12 keer zo groot. (Zie hier)

***** Mijn zuivere klimaatscepticisme dat mij ooit kwam aangewaaid, kreeg flinke tegenwind toen ik een keer een namiddag heb doorgebracht op de polemische maar goed gemaakte site van skepticalscience. (Zie hier en hier)

****** Zouden er mensen bestaan die zo’n toekomst in abstracto aantrekkelijk vinden? Ik geloof bijna van wel.



zondag 20 januari 2019

De humanitaire visa van Theo Francken

     Je kunt van de politieke vijanden van Francken en N-VA niet verwachten dat ze nu zwijgen over de humanitaire visa-zaak. Die visa werden uitgereikt door zijn kabinet en, naar het zich laat aanzien, door een Syrische christen, tevens N-VA-lid, verkocht aan andere Syrische christenen die bloot stonden aan vervolging door fanatieke moslims. Francken had met andere woorden goede bedoelingen maar is naïef geweest en heeft zich laten misbruiken door een gewetenloze schurk met een partijkaart. Naïviteit is een fout, in de politiek is het een zware fout, en voor een staatssecretaris is het een heel zware fout.
     De goede kant van de zaak, dat zal iedereen toegeven, is dat die Syrische christenen gered zijn; de slechte kant is dat die redding gepaard ging met misdadige corruptie. Die is nu gelukkig aan het licht gekomen. Hopelijk wordt de dader, indien schuldig bevonden, streng gestraft en kunnen de slachtoffers nog enigszins schadeloos gesteld worden. Francken en N-VA moeten nu even de ‘‘walk of shame’ lopen, maar we weten uit Game of Thrones dat daarmee het spel niet is uitgespeeld.

     Zelf til ik niet zwaar aan onbedoelde fouten van anderen of van mezelf. Ik ben van het principe dat we ervan moeten leren. Het mag een geluk heten dat ik leraar ben, en geen chirurg. Ik kan een dt-fout op het bord schrijven en als een leerling mij daarop betrapt, zeg ik dat ik mij diep schaam, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Over fouten van naïviteit kan ik mij al helemaal niet druk maken, hoeveel details men er ook bijsleurt. Zo’n Frank Van den Broucke die als SP-voorzitter illegaal verworven geld in de partijkas aantreft, en dat laat verbranden … Zo’n Kris Peeters die een niet helemaal koosjere Jood op zijn kieslijst plaatst … ik word er niet warm of koud van. Ook ben ik niet fanatiek als het over de ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ gaat. Toen Dutroux ontsnapte, of toen het Heizelstadion instortte, hoorde ik bij degenen die níet vonden dat de minister van Justitie of van Binnenlandse Zaken ontslag moest nemen. Het verbaasde mij dat anderen daar oprecht anders over dachten.
     Wat mij dan weer niet verbaast, is dat gemaakte fouten rijkelijk worden benut om een politieke vijand te schaden. De partijen van centrumlinks (Groen en Sp.a) en centrumcentrum (CD&V, Open Vld) weten ook wel dat ze bij het N-VA-publiek weinig stemmen kunnen terugwinnen, visa of geen visa. Maar als zo’n zaak een paar procenten van de centrumrechtse N-VA-kiezers kan doen verschuiven naar het radicaalrechtse Vlaams Belang is dat prima voor hen. Als N-VA wat kleiner wordt, worden zij relatief gesproken wat groter. Ook hier zit ik anders in elkaar. Ik hou noch van de Sp.a noch van de PS, en ik zie die partijen graag zo klein mogelijk. Maar ik zou nooit inzetten op een strategie om kiezers van die centrumlinkse partijen te laten overlopen naar het radicaallinkse PVDA-PTB.
     Waar ik eigenlijk het meeste bang voor ben, is dat de zaak zal worden aangegrepen om de huidige visum-procedure en visum-filosofie in vraag te stellen.* In het verrassend leesbare boek Continent zonder grens van Theo Francken en Joren Vermeersch, staat een interessant stuk over de rol van het visum bij de asielprobleem. Francken ziet het zo: je kunt maar Europees asiel aanvragen als je met een humanitair visum naar Europa reist, en dat visum wordt uitgereikt als ‘een niet afdwingbare gunst’**. De regering reikt een visum uit in de stijl van de Franse koningen: ‘car tel est son bon plaisir’. Ik ben het daar helemaal mee eens. Maar een nadeel van een gunsten-systeem is dat je ook een mogelijkheid schept om gunsten te verkópen. Het gevaar van corruptie loert om de hoek. Voor mij is dat een reden om iedereen die bij het uitreiken van visa betrokken is, goed in de gaten te houden. Dat is van toepassing op ambtenaren, maar nog meer op bereidwillige medewerkers ter plaatse. Francken zal die les nu ook wel geleerd hebben.
    Zoals ik het zie moet Europees asiel in de toekomst weer een uitzondering worden, bedoeld voor heel specifieke individuen of groepen die om ideologische of etnische redenen gevangengenomen of gedood kunnen worden in de landen waar ze wonen.*** Ik denk hierbij aan de Russische anarchisten van de negentiende eeuw, de Joden van de jaren 30, de Chileense communisten van de jaren 70, de Iraanse dissidenten van de jaren 90, en in het algemeen ‘verbrande’ opposanten in dictatoriale landen. Nu is er in de wereld veel dictatuur, maar veel minder oppositie, en een groot deel van die oppositie wil ter plaatse blijven om … euh … oppositie te voeren. Toch kan iedereen die vanuit een arm Afrikaans, Arabisch of Centraal-Aziatisch gebied naar Europa wil emigreren zich voor een opposant uitgeven.**** In zo’n situatie zal slechts één op de duizend asielaanvragers behoren tot de specifieke individuen of groepen die ik hierboven aanhaalde, maar het zal ook bijzonder moeilijk zijn om die ene te onderscheiden van die 999 andere.
     Sommigen denken dat je dan vooral moet zoeken naar een sluitende, transparante procedure met objectieve criteria die zullen toelaten om dat onderscheid wel te maken. Maar dat zal nooit werken. Als je de criteria zo streng maakt dat je de meerderheid van de schijnopposanten tegenhoudt, is de kans groot dat je ook die ene échte opposant niet binnenlaat. En als je criteria zo toeschietelijk zijn dat die ene echte opposant níet wordt tegengehouden – wat geloof ik vooral de Groenen willen – moet je er ook tientallen of honderden andere erbij nemen. Een zekere willekeur is dan nog het beste. Je zoekt actief uit welke individuen of groepen de grootste kans op vervolging lopen, en je stelt die discreet in de mogelijkheid om een visum en asiel aan te vragen.  Dat af en toe een schurk van die werkwijze misbruik maakt, is geen reden om de werkwijze zelf te verwerpen.
     Willekeur bij beslissingen roept vanzelfsprekend ook weerstand op, want ze schept, zoals gezegd, mogelijkheden voor corruptie. We hebben daarom openbare aanbestedingen bedacht, en vergelijkende examens om promotie te maken binnen de ambtenarij, en eindeloze wetteksten onderverdeeld in artikels, leden en paragrafen. En zo hoort het. Maar we kunnen die mate van objectieve en voorspelbare criteria, bedoeld om de burgers van een land te beschermen tegen willekeur van de staat niet toepassen op elk domein en op elke schaal.***** Ik geloof dat je er op dit moment niet ver mee komt in de migratieproblematiek.

       In het Marrakesh-pact wordt nochtans op zulke objectieve en transparante criteria aangedrongen. In punt 23 (‘Objective 7’) lezen we dat irreguliere immigranten individueel geëvalueerd moeten worden om een reguliere status te verkrijgen, en dat op basis van ‘clear and transparent criteria’. Het is een van de passages die ik driftig onderstreept heb. Maar als de regels dan toch ‘clear and transparent’ moeten zijn, dan zou ik er één voorstellen, namelijk dat er in Europa géén asielzoekers meer worden toegelaten. Géén. De tweede regel die ik voorstel is dat een regering om humanitaire redenen uitzonderingen kan maken op die regel, en wel ‘selon son bon plaisir’. Maar die uitzonderingen zullen dan helaas niet voldoen aan de Marrakesh-vereisten van duidelijkheid en transparantie. Je kunt niet alles willen.

 
* Dat is waar onder andere Bart Eeckhout in De Morgen op aanstuurt. Zijn argument is dat de huidige procedure tot misbruik  kan leiden. Dat is waar en het is nu ook bewezen. Maar ik zou niet elke procedure afschaffen alleen omdat die tot misbruik kán leiden. Je moet ook de voordelen van de procedure in rekening brengen, en de nadelen van het alternatief. Bovendien komen de misbruiken in een democratie uiteindelijk aan het licht, zodat ze in de tijd beperkt blijven. Ook dat is nu bewezen.
De essentiële willekeur bij het uitreiken van visa betekent overigens niet dat een kabinet of administratie geen interne richtlijnen of werkwijzen kan afspreken, of zich moet onttrekken aan alle externe controle. Maar de verantwoordelijkheid doorschuiven naar ngo’s of de VN is niet noodzakelijk een betere garantie voor een efficiënte en billijke afhandeling dan een zogenaamd ‘eigengereid’ optreden. Interessant daarover is de getuigenis van ex-ambassadeur Mark Geleyn. (hier)


** Uit de 94ste voetnoot van het boek heb ik begrepen dat de huidige Europese Visumcode van 13 juli 2009 weliswaar toelaat dat een visumweigering kan aangevochten worden voor een rechter, maar dat die de beslissing enkel kan vernietigen en het dossier terugsturen naar de administratie voor een nieuwe en beter gemotiveerde beslissing.                                                              
*** Voor grote vluchtelingenstromen – zoals in oorlogssituaties – moeten plaatselijke oplossingen gevonden worden met Europese steun.
 
**** Zouden die mensen dan líegen alleen om een visum te krijgen? Dat denk ik wel. Toen ik begin de jaren 90 voor het eerst naar de VS reisde, moest ik om een visum te krijgen eerst een vragenlijst invullen. Een van de vragen luidde:  ‘Are you or have you ever been a member of the communist party?’ Ik wou heel graag naar de VS en heb toen zonder aarzelen  ‘No’ geantwoord, terwijl ik in het dagelijkse leven niet zo vaak lieg.
 
***** Je kunt ook in een gezin, school, bedrijf of ziekenhuis met enig succes een beroep doen op duidelijke krijtlijnen en transparante criteria. Maar je merkt al snel dat die aanpak op zekere grenzen botst.

zaterdag 19 januari 2019

Wat doet oom Tom als hij boos wordt?

     De best verkopende roman van de 19de eeuw was niet Ivanhoe van Walter Scott, A Tale of Two Cities van Dickens, Oorlog en Vrede van Tolstoj of La bête humaine van Zola. Het was Uncle Tom’s Cabin van de Amerikaanse schrijfster Harriet Beecher Stowe. De roman kwam uit in 1852, op een ogenblik dat in het Zuiden van de Verenigde Staten nog zwarte slaven aan het werk waren in de huizen en op de plantages van de rijken. Stowe stelde die slavernij in een slecht daglicht. Dat had een grote invloed op de publieke opinie in het Noorden, en onrechtstreeks op de burgeroorlog die enkele jaren later over die kwestie zou ontstaan. Toen Stowe aan Lincoln werd voorgesteld zou die gezegd hebben: ‘So, this is the little lady who started the great war’.
     Ik heb het boek ooit in een kinderversie gelezen maar daar kan ik mij niets van herinneren. Van de film van 1965 herinner ik mij ook al niet veel. Eliza die over de ijsschotsen naar Canada vlucht. Zwarten die sentimentele liedjes zingen van ‘Old Man River’. En oom Tom die almaar braaf is.
     Men is die braafheid later als een slechte eigenschap gaan zien, want dat was ‘een eigenschap van de huisnegers’, zei Malcolm X.  ‘Uncle Tom’ werd een scheldwoord voor zwarte Amerikanen die zich netjes kleden, hard werken, niet meedoen aan betogingen en relletjes, en ‘het systeem’ aanvaarden. Op Rational Wiki, een site met de lay-out van Wikipedia en naar eigen zeggen ‘gespecialiseerd in wetenschappelijk denken, scepticisme en kritisch denken’, wordt bijvoorbeeld Thomas Sowell een ‘Uncle Tom’ genoemd, en wel omdat hij kritiek heeft op het Amerikaanse leefloonsysteem. Daaraan zie je in elk geval de soepele betekenis van de term ‘Uncle Tom’ , want wie Sowell ooit op televisie of Youtube bezig heeft gezien, zal hem niet snel ‘braaf’ noemen. Ook loopt hij niet hoog op het ‘het systeem’.
     Maar in de film is oom Tom dus almaar braaf, en misschien wel té braaf. Dat moeten die makers ook beseft hebben, en ze hebben een moment van opstand voorzien. Eén van de slavendrijvers wil iets schandelijks doen – wat dat is weet ik niet meer – waardoor de zwarten, met oom Tom op kop geloof ik, in opstand komen. Die opstand bestaat echter niet uit roepen of vechten of met vuisten zwaaien of met stenen gooien. Zo opstandig zijn ze nu ook weer niet. Nee, ze gaan zingen, en wel van ‘Jesse Fit the Battle of Jericho’*. Ze kijken daarbij zo woedend dat de slavendrijver afdruipt. De scène maakte grote indruk op mij.
     We kregen dat lied ook te horen in de muziekles van André Devolder. Hij wees daarbij op de ‘agressieve syncope’** tussen ‘Jerri’ en ‘cho’. Laatst zocht ik het lied nog eens op in de filmversie (hier). Bij een eerste beluisteren was ik ontgoocheld. Van de zwarte woede die ik mij herinnerde van 53 jaar geleden bleef niet veel over en ook de ‘agressieve syncope’ kwam niet waar ik ze verwachtte. Een paar dagen later luisterde ik opnieuw en toen voelde ik de woede weer wel. Ik had gewoon even tijd nodig gehad.
 
* Misschien zal die veldslag van Jericho, met de instortende muren, weer verplichte leerstof worden in het godsdienstonderwijs nu de bijbelverhalen in het leerplan gerehabiliteerd worden. Dat zou mooi zijn. Dan kan de godsdienstleraar het Jericho-lied laten horen. Ik las ergens dat Jericho de oudste stad ter wereld is - meer dan tienduizend jaar oud. Maar wij Wervikanen hebben ook een oude stad, hoor. Meer dan tweeduizend jaar oud.

** Het vreemde woord ‘syncope’ is, samen met de uitdrukkingen ‘kleine terts’ en ‘grote terts’ het enige wat ik mij van die muzieklessen herinner. Mijn zoon gebruikt het woord wel eens als hij ons aan tafel onderhoudt, zoals studenten dat plegen te doen, over zijn cursus cardiologie.

vrijdag 18 januari 2019

Het telegram van Cary Grant

Gary Grant (18 januari 1904 - 29 november 1986)
     Indien filmacteur Cary Grant nu nog leefde, werd hij vandaag 115 jaar oud. Maar hij is al een poosje dood. Hij was een van de bekendste Hollywoodsterren van de jaren 40-50. Hij speelde zijn rollen met grote waardigheid, ook als die inhielden dat hij zich als indiaan verkleedde en met een groepje kinderen rond een totempaal huppelde, of zich vastklemde aan de oorlel van een president, of gestalte gaf aan de hoofdredacteur van een krant.* Van dat laatste kunnen we ons nu nog moeilijk voorstellen hoe je dat met waardigheid moet doen.
     Over zijn privéleven deden heel wat verhalen de ronde. Hij zou zijn eerste vrouw geslagen hebben. Hij zou LSD gebruikt hebben. Hij zou een homoseksuele relatie gehad hebben met die andere filmacteur Randolph Scott. Van geen van die verhalen is bewezen dat ze waar zijn. Maar het kan.
     Maar het nu volgende verhaal is bijna zeker niet waar. Het gaat zo. Op zekere dag stuurt een journalist een telegram naar de impresario van Cary Grant om te vragen hoe oud de acteur is. Zo’n telegram - ook telegrafisch bericht genoemd - werd doorgeseind naar een kantoor, en werd dan door een bode gebracht naar het adres van de bestemmeling en aan hem overhandigd. Dat was een snelle, zekere, maar ook dure manier om een boodschap door te sturen en de afzender betaalde per woord. Men probeerde de tekst zo kort mogelijk te houden door bepaalde woorden weg te laten. Ik leg aan mijn leerlingen nog altijd uit dat ze géén ‘telegramstijl’ mogen gebruiken.
     Goed, die journalist wil dus weten hoe oud de acteur was. Zijn telegram luidt: ‘How Old Cary Grant?’ De acteur is toevallig op het kantoor van zijn impresario, leest het bericht, en stuurt een telegram terug: ‘Old Gary Grant Fine, How You?’
     Veel moppen werken met een semantische dubbelzinnigheid. De cardioloog die zegt: ‘Hier klopt iets niet’. Maar voor één keer hebben we een mop die werkt met een syntactische dubbelzinnigheid. Wie in de jaren 70, 80 of 90 taalkunde gestudeerd heeft, toen Chomsky nog erg in de mode was, weet dat je die dubbelzinnigheid kunt weergeven in twee verschillende ‘dieptestructuren’. In één daarvan is ‘old’ linksvertakt, in de andere is ‘old’ rechtsvertakt.
     Kijk, een mop goed vertellen is een hele kunst, maar er één verneuken, dat is erg gemakkelijk, vooral als je wat doorgeleerd hebt.
 



* Respectievelijk: Monkey Business, North By North West en His Girl Friday.


 

zondag 13 januari 2019

Dries Van Langenhove en de 'rotte partijpolitiek'

De activist DVL: 'Linkse ratten, rol uw matten'
     Als student in de rechten Dries Van Langenhove verkozen raakt op de Vlaams Belang-lijst*, zal ik mij nog vaak aan hem ergeren. Hij zal dan allerlei dingen vertellen waar ik het niet eens mee ben – wat nooit leuk is – maar hij zal ook allerlei dingen zeggen waar ik het wél mee eens mee ben, en dat is ’t ergste. Ik verwacht van hem veel moraliserende centrum-rechts-gezond-verstand uitspraken, gematigder dan die van Filip De Winter, maar altijd, bij wijze van spreken, op een  Edward Mosley-toon die mij eraan herinnert dat zijn ware agenda rechts van extreemrechts ligt.
     Voor die ware agenda heb ik als bewijs niets meer dan enkele berichten die hij gepost heeft op een besloten internetgroep: een filmpje met een redevoering van Mosley, iets over politiek en lichaamscultus (‘ik kan niet begrijpen hoe iemand dik en rechts kan zijn’), een belofte om supermarkten ‘Golden Dawn-gewijs te zuiveren van halal’, en een voornemen om binnen twee jaar een eigen ‘mobiele brigade’ op te richten die je kunt opbellen als allochtonen luide muziek spelen op de trein. (Zie hier en hier)
     Voor mij is dat bewijs genoeg, maar dat is het niet voor iedereen. Tom Van Grieken beweerde op de televisie dat hij net als iedereen overdonderd was geweest door de heisa rond de pano-reportage, maar dat hij nu, na een paar maanden, vaststelt dat ‘het op geen enkele manier Dries is geweest die walgelijke posts heeft geplaatst, dat hij geen foute uitspraken heeft gedaan’. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind die uitspraken over de ‘mobiele brigades’ en over de supermarktacties meer dan fout, die over ‘dik en rechts’ meer dan bedenkelijk, en ook over het plaatsen van een Mosley-filmpje denk ik, net als Maarten Boudry op zijn Facebookpagina, het mijne. Wanneer een journalist die posts onder Van Langenhove zijn neus duwt, begint die luid en met een klemtoon op bijna elke lettergreep, te oreren over ‘vooringenomenheid’ en ‘flagrante leugens’. Dat overtuigt mij niet.
     Kijk, Van Langenhove mag gerust zeggen dat iemand anders die berichten onder zijn naam geplaatst heeft. Het staat iedereen vrij om dat te geloven. Maar voor mij moet hij eerst klaar, duidelijk en openlijk zeggen dat hij tégen zulke mobiele brigades is, dat die supermarkten best het recht hebben om halal aan te bieden en dat die Mosley een verwerpelijke fascist was. Als hij dát zegt, stijgt zijn geloofwaardigheid bij mij met enkele procenten.
     Zijn er andere aanwijzingen voor de extreem-extreemrechtse agenda van Van Langenhove? Ah ja, die Hitler-parafernalia die zijn S&V-makkers posten, die militair aandoende trainingskampen, dat poseren met wapens, dat driehoekig embleem op het uniformtruitje … dat is allemaal erg indirect. Zelf heb ik mij het meeste druk gemaakt om iets wat hij zei toen hij zijn Vlaams-Belang-kandidatuur bekendmaakte. ‘Dat engagement zal niets veranderen aan mijn afkeer voor de partijpolitiek. Ik zei het vorige week op de Mars voor Democratie en ik zal het blijven zeggen. De particratie is een rot systeem. We moeten de macht die de particratie heeft over het volk doorbreken …’
     Tja, hoe moet je zo’n uitspraak begrijpen? Is dat nu een sluwe manier om het het parlementaire systeem zelf aan te vechten, in de geest van Hitlers ‘Kampf gegen den Parlamentarismus’? Is het een hint dat een meerpartijensysteem in wezen corrupt is en dat het veel beter is als er géén ruziënde partijen zijn, of alleen maar die ene goede? De krachtige taal – ‘rot’ – laat verstaan dat het hele systeem niet hervormd, maar vernietigd moet worden. Of ‘doorbroken’. Eigenlijk geloof ik dat het inderdaad zulke ideeën zijn die in het hoofd van Van Langenhove rondspoken.
     Ik geef het toe, de woorden van Van Langenhove kunnen ook op een andere, minder argwanende worden uitgelegd. Misschien gelooft onze student in de rechten waarlijk dat álle politici van álle partijen omkoopbaar zijn en de belangen van het volk ‘verraden’ om er zelf beter van te worden. Als hij dat gelooft, dan maakt die simplistische veralgemening hem ongeschikt voor de politiek. Of misschien gelooft hij dat zelf niet, maar gelooft hij dat er veel mensen zijn die dat wel geloven, en praat hij die mensen naar de mond. Dan is hij een demagoog zoals vele anderen, niets om je over op te winden, maar zeker ook niets om naar op te kijken. Of misschien heeft hij in de krant gelezen dat politici vaak huichelen, liegen, beloftes breken, eerzuchtig zijn, hard zijn voor elkaar, en idealen verdunnen tot compromissen. Dan hadden de kranten het bij het juiste eind, want politici zijn mensen, en waar mensen zijn wordt gehuicheld en gelogen en is men eerzuchtig en hard. Bij politici komen die ondeugden misschien wat vaker voor dan bij bibliothecarissen, maar je vindt ze overal, en als je goed zoekt vind je er ook enkele bij jezelf.
     Een andere, welwillende, lezing van de ‘particratie is rot’-uitspraak is deze. Van Langenhove is in de eerste plaats een activist, en activisme is een ‘idealistische’, ‘zuivere’ aangelegenheid, in tegenstelling tot de rotte partijpolitiek, het corrupte parlement en de verdorven regering. De echte veranderingen komen er door acties op straat, waarbij de mensen ‘bewust worden gemaakt’. Maar hoe moet ik mij dat voorstellen? Schild en Vrienden houdt een betoging. Van Langenhove loopt voorop, priemt zijn twee wijsvingers in de lucht en roept luid oude slogans van de Vlaamse Militanten Orde: ‘Linkse ratten, rol uw matten’. Wat zal er nu gebeuren? Zullen de linkse mensen hun ‘matten rollen’ en verhuizen? Zullen ze van mening veranderen? Zal het publiek niet meer op linkse partijen stemmen, maar op rechtse? Dat laatste is in elk geval alweer partijpolitiek. Er is niets op tegen als men door vreedzame acties de publieke opinie probeert te overtuigen van een of andere goede zaak. Hopelijk zal die publieke opinie dan ook invloed hebben op partijpolitiek en de besluitvorming. Als dat niet het geval is, heeft het activisme geen zin. Is dat wel het geval, en houdt de partijpolitiek wél rekening met de publieke opinie, dan is ze, alles samen genomen, zo ‘rot’ nog niet.
     Van Langenhove zijn uitval tegen rotte partijpolitiek kan nog op een derde manier worden opgevat. Die redenering gaat dan als volgt. In een democratie moet de macht bij het volk liggen, en bij zijn verkozen vertegenwoordigers. In werkelijkheid ligt die bij de partijbesturen. Die besturen bepalen wie op de verkiezingslijst komt en op welke plaats. Ze bepalen dus in grote mate wie verkozen wordt. Ook bepalen ze wie minister, burgemeester of schepen wordt. In ruil daarvoor moeten verkozenen zich bij stemmingen houden aan de partijdiscipline en moeten ministers, burgemeesters en schepenen uitvoeren wat het partijbestuur beslist.
     Misschien speelt hier mijn marxistisch-leninistisch verleden, maar ik zie niet zoveel kwaads in die partijdiscipline. Toen er in het Parlement gestemd werd over het Marrakesh-akkoord, keurden álle CD&V’ers en VLD’ers die pro-migratietekst goed. Dat vond ik niet fijn, want ik was tégen en ik geloof dat een aantal van die CD&V’ers en VLD’ers heimelijk ook tégen zijn. Maar álle N-VA’ers hebben dan weer wel tegengestemd, wat ik heel fijn vond, terwijl daar misschien best een paar heimelijke voorstanders bij kunnen zijn. Bij de volgende verkiezingen weet het publiek jammer genoeg niet zeker welke kandidaten écht voor en welke écht tegen het Marrakesh-akkoord zijn. Maar het publiek kent wel het standpunt van de partijen en kan daar rekening mee houden als het wil. Dat is al heel wat.
     Eén zaak geef ik in elk geval graag toe: in ons land ligt inderdaad veel politieke macht bij de partijbesturen. Maar niet alle macht. Er ligt ook macht bij de koning, bij de eerste minister, bij kernkabinetsleden, bij eigenzinnige parlementsleden, bij Europese instellingen, bij nationale en supranationale rechtbanken, bij de administratie, bij de vakbonden, bij invloedrijke studiebureau’s, bij drukkingsgroepen, bij VRT-journalisten. Het is best mogelijk dat bij ons het evenwicht zoek is. Dat is wat professor Wilfried De Wachter beweert in zijn boek over particratie. Je kunt dan allerlei hervormingen doorvoeren om de macht van partijbesturen te beperken: wetgeving over de interne werking van partijen, afschaffing van subsidies, rechtstreekse verkiezingen van uitvoerende functies, open lijstvorming, getrapte verkiezingen, beperking van de herverkiesbaarheid, lagere kiesdrempels, hogere kiesdrempels, kleinere kieskringen, grotere kieskringen. Als we naar andere landen kijken, zien we dat al die regelingen al uitgeprobeerd zijn, en dat ze op hun beurt hun eigen nadelen hebben.
     We hebben van Montesquieu en de Amerikanen geleerd dat een vrije samenleving best gebaat is met een spreiding van de macht over verschillende instellingen. En we hebben van Popper geleerd dat het niet zo belangrijk is wélke instelling de meeste macht heeft, op voorwaarde dat die macht weer kan worden afgepakt zonder bloedvergieten. Die laatste voorwaarde is heel erg van toepassing op de partijbesturen. Het bestuur van een regeringspartij heeft een aanzienlijke macht in handen; het bestuur van een oppositiepartij heeft niets in handen, of teert in het beste geval op de machtsrestjes van een vroegere bestuursdeelname. De periodieke verkiezingen zorgen voor een periodieke aflossing van de wacht, wat Nozick de “zigzag of politics” noemt, en de Fransen de ‘alternance’.
     Veel mensen vinden spontaan die idee van ‘alternance’ aantrekkelijk. Zij zien in alle partijen goede punten, en vinden het leuk dat die beurtelings aan bod komen. Ik heb dat niet. Ik kan bijvoorbeeld niet begrijpen wat goeds er kan voortkomen uit een regeringsdeelname van groenen of socialisten. Wát er waardevol is in het programma van die partijen, vind ik ook wel met enig zoeken terug in de partijen van mijn voorkeur. Van karakter sta ik dus open voor de totalitaire verleiding om alle politieke heil van één kant te verwachten. Maar ik wil graag in goede verstandhouding samenleven met de mensen om me heen. Sommige van mijn beste vrienden zijn groen of socialist.  Ik wil hun partijen tolereren als zij de mijne tolereren. En dan is er nog iets. Die partijen van mijn voorkeur – die voorkeur slaat wel eens om – blijven mensenwerk. Als zo’n partij, ook al is het die van mijn voorkeur, te lang aan één stuk door aan de macht blijft, is dat niet goed voor haar morele gehalte. ‘Power corrupts,’ zei lord Acton, ‘and absolute power corrupts absolutely.’
     Om kort te gaan, als Van Langenhove nog eens uitvalt tegen de ‘rotte partijpolitiek’ zou ik graag hebben dat hij nuanceert en preciseert, dat hij in een adem door zijn steun toezegt aan het beginsel van een meerpartijenstelsel, en dat hij tegelijk ook uitlegt welke structurele hervormingen hij voorstelt om de werking van het stelsel te verbeteren. Zo niet, zal ik zijn uitval interpreteren, in het beste geval, als een kwalijke autoritaire oprisping, in het slechtste geval, als een blijk van een stiekeme totalitaire ideologie.

* Opkomen op een Vlaams Belang-lijst lijkt mij een Nieuwe Marsrichting, vergeleken met de vorige infiltratiepogingen in N-VA, die ik vroeger al eens becommentarieerd heb.