Verslavende algoritmes
Zuckerberg en Musk, hoor ik soms, hebben Facebook en X uitgerust met verslavende algoritmes. Ik moet dan altijd glimlachen. Dat is dan zoals snoepfabrikanten die suiker en vet toevoegen om hun product ‘verslavend te maken’. Natuurlijk is dat product verslavend. De producent biedt de klant wat hij wil, en als die klant zwak is treedt er verslaving op. Als er chocolade in huis is, eet ik die in korte tijd allemaal op.
De algoritmes van Facebook en X gaan ook zo te werk: ze geven mij als klant wat ik vraag, behalve de reclame natuurlijk, maar dat laatste is de prijs die ik betaal om gratis van hun diensten gebruik te maken. Maar verder schotelen ze mij berichten voor die ik lekker vind: omdat ik ermee akkoord ga, omdat ze mij provoceren, omdat ze mij doen lachen, omdat zij mij boos maken – en ook dat is een lekker gevoel.
Maar vaak krijg ik ook berichten die ik op geen enkele manier lekker vind, terwijl de algoritmes al lang zouden moeten weten dat ik ze niet lust, bijvoorbeeld omdat ik bij die berichten niet lang stil sta of er niet op reageer. En toch blijf ik die berichten krijgen.
Dat komt geloof ik omdat die algoritmes twee zaken nastreven: dat ik langer blijf stilstaan bij elk afzonderlijk bericht, maar ook dat ik zo lang mogelijk blijf scrollen naar steeds nieuwe berichten. En dat laatste bereik je niet door alleen maar lekkers op te dissen. Een spelletje spelen waarbij je altijd wint, wordt snel vervelend. Gokautomaten zijn verslavend omdat je niét altijd wint: elk verlies zet je aan op opnieuw te spelen zodat je je verlies kunt goedmaken. Als je bij patience elke keer je kaarten allemaal kunt leggen, is er geen donder aan.
Ik heb over de kwestie een goed gesprek gehad met ChatGPT. De bot wilde mij allerlei overbodige nuances aansmeren, maar moest uiteindelijk toegeven dat de sociale media een systeem hanteren met ‘variabele beloning’ waardoor ik langer blijf scrollen. Facebook en X houden mij goed in de gaten en bestuderen mijn scrolgedrag. Als ik alleen heel interessante berichten krijg, dan zal ik na het tiende bericht afhaken en een boek gaan lezen dat nóg interessanter is. Maar als interessante berichten worden afgewisseld met minder interessante, dan blijf ik langer ‘hangen’.
D’hanis en Debruyne tegen AI-slop
Na twee of drie boekrecensies op Dissonant.be gelezen te hebben, had ik begrepen dat ik met AI-gegenereerde teksten te maken had. Bij andere teksten twijfel ik soms, want er bestaan ook mensen die écht saai en zielloos schrijven. Maar dit was duidelijk. Ik heb echter geen reden gehad om mij zorgen te maken want na een poosje verdween Dissonant.be vanzelf van mijn feed.
Schrijfster Heleen De Bruyne had wél een goede reden om zich zorgen te maken, want de site plaatste een slechte recensie van haar boek Aline. Ze heeft dan samen met haar lief Frank D’hanis de zaak uitgezocht en van die zoektocht heeft ze een verslag geplaatst in Knack van 23/9. Het begint dus met die slechte recensie.
‘Moet je dit lezen!’ Ik roep Frank mijn lief. ‘Oei,’ zegt Frank. ‘Oei oei … Zeg, maar dit stuk is wel eigenaardig … Het is zo saai geschreven. Drammerig.’ Ik merk het ook. De andere besprekingen op het platform hebben ook last van eenzelfde vlakke taal en voorspelbare opbouw. Zou het AI zijn, opper ik. Hij knikt. ‘Vermoedelijk wel. Kijk, hoeveel besprekingen er al op die site staan, terwijl het platform nog maar pas bestaat. Dat kan geen mensenwerk zijn.’ AI-detector Pangram bevestigt ons vermoeden.
De Bruyne en D’hanis hebben helemaal gelijk om die AI-slop van Dissonant.be, dat nu Librar heet, met Pangram te lijf te gaan en aan te klagen. Ze zijn er achter gekomen dat de recensenten van Dissonant.be niet bestaan. De namen zijn verzonnen, de foto’s zijn getrukeerd, en de zwendel is hoogstwaarschijnlijk opgezet om gratis recensie-exemplaren te ontvangen en om een bedrijfje van print-on-demand te ondersteunen.
Kijk, ik heb er niets op tegen dat men AI als schrijfassistent gebruikt voor allerlei soorten teksten, maar niét voor een recensie. Dat hoort een bij uitstek persoonlijk genre te zijn, geschreven door een mens van vlees en bloed. Van Emile Zola komt de beroemde zin: ‘Une œuvre d’art est un coin de la création vu à travers un tempérament.’ Hetzelfde geldt voor een recensie die reageert op ‘une œuvre d’art.’
Ik vind dat eigenlijk ook van opiniestukken. Je kunt natuurlijk een reeds vaststaande opinie in prompts te gieten en dan AI het handen-en-voetenwerk te laten doen, maar een opiniestuk is alleen interessant, vind ik, als de auteur bij het schrijven op zoek gaat naar wat zijn opinie eigenlijk is – een opinie die niet los staat van de manier waarop ze uiteindelijk geformuleerd wordt. Natuurlijk heeft de opinieschrijver op voorhand al een mening over het neoliberalisme, de begroting, of het zionisme, maar als hij geen algemeenheden wil schrijven en zichzelf niet voortdurend wil herhalen, moet hij tijdens het schrijven, of tijdens een lange wandeling die aan het schrijven voorafgaat, op zoek gaan naar een invalshoek, naar een onderbelichte kant van de zaak, naar een stekelig kantje waar hij niet meteen een oplossing voor heeft.
Ik vraag mij soms af hoe dat met de opiniestukken van D’hanis zelf zit. Bijna dagelijks heeft hij weer een nieuwe wervende tekst op FB terwijl hij nog helemaal niet met pensioen is. Dat lange stuk van gisteren bijvoorbeeld, over Zuhal Demir, heeft hij dat nu werkelijk helemaal alleen geschreven? Het is natuurlijk leuker geformuleerd dan de slop van Dissonant.be, maar toch twijfel ik. Wat zou AI-detector Pangram daarover zeggen?
DS en het lerarentekort
Ik heb al vaker gemerkt dat er iemand op De Standaard de taak heeft gekregen om mijn blogstukjes uit te pluizen naar suggesties voor kwaliteitsverbetering. Laatst schreef ik dat ik in de krant nog nooit een kop gezien had over het slinkende lerarentekort. Vandaag, 23 september, grote kop op de voorpagina: ‘Lerarentekort is minder nijpend, starters belanden op reservelijst.’
Toxisch leiderschap
Zoals Pieter Laleman schreef op zijn FB-pagina: ‘Toxisch leiderschap is als beschuldiging zelf toxisch.’ Als het woord op het juiste moment valt, en het bevat 10 procent waarheid, dan heb je geen verweer meer. Het heeft dezelfde kracht als ooit het woord ‘heks.’ Ik zal niet snel een post liken – en soms doe ik dat nochtans ondoordacht – waarin bijvoorbeeld een politieke tegenstander als Marc Van Ranst beschuldigd wordt van toxisch leiderschap. En ik zal het ook niet doen als een politieke vriend als de Oostendse N-VA-schepen Charlotte Verkeyn ervan beschuldigd wordt.
Dat betekent niet dat toxisch leiderschap niet bestaat. Mensen die ik ken en wier oordeel ik vertrouw, vertellen mij soms bloedstollende verhalen over hun werkplaats. Maar evengoed heb ik van dichtbij beschuldigingen meegemaakt waarvan ik de onredelijkheid zelf kon beoordelen. Ik heb indertijd op de personeelsraad van mijn school oppositie gevoerd tegen het pedagogisch beleid van de toenmalige directie. Die directie was ook om andere redenen dan haar pedagogische beleid niet erg populair bij veel collega’s. Had het woord toen bestaan, dan hadden die collega’s hun strenge oordeel welhaast zeker met de term toxisch leiderschap samengevat. Maar dat strenge oordeel was vaak eenzijdig, subjectief gekleurd en onrechtvaardig. Ik besefte dat toen al, en nu nog beter.
Retorische onwetendheid
Als ik over een moeilijk onderwerp schrijf, wijs ik vaak op mijn beperkte kennis ter zake. Ik krijg dan als verwijt dat die onwetendheid strategisch, voorgewend en selectief is, en dat ze wordt ingezet als retorisch trucje. Maar onwetendheid voorwenden, of als retorisch trucje inzetten, lijkt mij veel minder erg dan het omgekeerde: expertise en zekerheid voorwenden en dáár je retoriek aan ophangen.
Hedwig Speliers
‘Hedwig Speliers is dood,’ zegt mijn vrouw. ‘O nee,’ zeg ik, ‘de man die mijn Streuvels-beeld aan diggelen sloeg toen ik zestien was, met Omtrent Streuvels (1968) en Afscheid van Streuvels (1971).’ Was me dat een revolutie in de wereld van de literatuur! Het was een gespreksonderwerp op de speelplaats! Mijn vrouw, die zes jaar jonger is dan ik, kan die onmogelijk bewust hebben meegemaakt.
Maar ondertussen vraag ik mij af of ik die boeken indertijd wel gelezen heb. Misschien. Filip De Pillecyns boek Stijn Streuvels en zijn werk (1943) heb ik toen zéker gelezen. Dat stond gewoon in de boekenkast van mijn vader.





