donderdag 12 februari 2026

Liegen óver Trump


     
In zijn boek Waarheid houdt Rik Torfs ons voor dat liegen helemaal zo slecht niet is als moralisten beweren. Zijn argumenten ben ik vergeten, maar een aantal voorbeelden staan mij nog bij, vooral die die ik al eens ergens anders gelezen had. Dat je mag liegen tegen de Gestapo over de Joden die je op de zolder verborgen houdt, enzovoort. Zelf ben ik van oordeel dat je eigenlijk nooit mag liegen, maar er zijn zoveel dingen die je eigenlijk niet mag doen.
        De laatste dagen kwam mij tientallen keren een meme onder ogen met een uitspraak die Trumps Home Secretary Kirsti Noem gedaan had naar aanleiding van de Superbowl en de traditionele half time show. Die werd dit keer verzorgd door de Trump niet welgezinde in het Spaans zingende artiest Bad Bunny. Volgens de meme verklaarde Kirsti Noem aan de pers: 

If Jesus wanted America to speak Spanish and have the Superbowl half time Show in a foreign language, he wouldn’t have written the Bible in English.

     Ik heb onder die meme honderden reacties gelezen van mensen die geloofden dat die meme de letterlijke woorden van Noem weergaf. Die mensen geloofden dat écht, terwijl de meme alleen een oud mopje recycleert over domme Amerikanen die geloven dat de bijbel in het Engels geschreven was. Wellicht bestaan er zulke Amerikanen, en die zijn dan inderdaad niet erg snugger; maar Europeanen die de Kirsti Noem-meme letterlijk geloven zijn ook niet erg snugger.
      Mogen we die meme als een leugen beschouwen? Op het eerste gezicht niet. De meme bevat voldoende aanwijzingen dat de boodschap niet ernstig bedoeld is. Als je goed kijkt zie je overal op de foto in kleine lettertjes de boodschap @Mrs Putin en een paar keer zelf @Mrs Putin Satire. In een iets grotere letter wordt de afgebeelde dame voorgesteld als Kirsti No-aim, Homelad Suckretary. Het is dus satire, en we kunnen het erover eens zijn dat satire geen leugen is.
      Maar wat als de makers van de meme er nu op speculeerden dat een meerderheid van het publiek de boodschap wel letterlijk zou nemen? Dan is het natuurlijk wél een leugen. Dan heeft de maker van de meme dus opzettelijk gelogen, en heeft hij zich met enkele aanwijzingen ingedekt tegen de beschuldiging, zoals een valsemunter een foutje aanbrengt in zijn nagemaakte bankbriefjes. In het andere geval heeft hij zijn publiek overschat, een fout die je niemand erg kwalijk kunt nemen.
     Ik ben niet goedgelovig als het over spectaculaire memes gaat, maar wel als ik intenties moet inschatten. De intentie tot satire is voor mij geloofwaardiger dan de intentie om te liegen. Maar ik interesseer mij ook voor een andere vraag. Als het dan toch een leugen is, kan die dan op een of andere manier vergoeilijkt worden? Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat het waar had kunnen zijn. Of dat in de strijd tegen Trump en zijn aanhangers alle middelen geoorloofd zijn. Of dat Trump en zijn aanhangers zelf ook voortdurend liegen. Of dat wat letterlijk een leugen is, op een hoger niveau veel waarheid bevat: over de domheid van de Amerikanen, over hun religieus fanatisme, en over het taalracisme van de Trump-aanhangers.
       Je kunt dan over de meme zeggen wat men zegt over Trump: you don’t have to take it literally, but you have to take it seriously. Maar dat is geen excuus, vind ik. 




woensdag 11 februari 2026

Strak vijfjarenplan voor het klimaat, e.a.


Strak vijfjarenplan voor het klimaat
      Lieven Sioen maakt zich zorgen dat Europa zijn CO2-uitstoot minder snel zou afbouwen (DS 11/2). Hij haalt terecht aan dat ‘zelfs erg liberale economen’ in een koolstoftaks de effciëntse manier zien ‘om een economie klimaatneutraal te maken.’ Als klimaatneutraliteit de overheersende ambitie is moet die koolstoftaks inderdaad zo hoog mogelijk zijn. Als die klimaatneutraliteit echter tegen andere ambities moet worden afgewogen, ziet de zaak er anders uit.
     Sioen gebruikt echter ook een erg discutabel argument.

Nochtans vormden net ambitieuze regelgeving en strakke langetermijnplanning de strategie waarmee China het groen technologisch leiderschap van Europa overnam. De Green Deal heet daar gewoon vijfjarenplan.

       Ik betwijfel of strakke vijfjarenplannen de oplossing zijn. In elk geval, de ‘erg liberale economen’ die een koolstoftaks bepleiten, doen dat precies om die strakke planning te vermijden.


Park Chan-wook over het kapitalisme
       Over No Other Choice, de laatste film van Park Chan-wook, schreef ik eerder: ‘Wie wil kan in het verhaal een satire op het kapitalisme zien, maar je wordt daar op geen enkel moment toe verplicht.’ En nu lees ik in een kort interview in De Standaard (11/2) wat de regisseur er zelf van vindt:

 Ik kan niemand verbieden om de film als antikapitalistisch te bestempelen, maar ik vraag mij vooral af of het veel zin heeft om tegen het kapitalisme tekeer te gaan. Ik zie niet zo gauw wat we er dan voor in de plaats zouden willen. Ik wilde vooral laten zien dat het systeem zijn mankementen heeft.

     Wat die mankementen zijn, wordt in de film duidelijk gemaakt. Man-su, het hoofdpersonage in de film, heeft van de productie van hoogwaardig papier zijn passie gemaakt. Terwijl hij als arbeider in een papierfabriek werkte, heeft hij zich door avondonderwijs moeizaam bijgeschoold tot papier-ingenieur. En dan wordt hij wegens fusies en en verregaande automatisering met AI afgedankt. Hij wordt in de tweede helft van zijn leven het slachtoffer van de creative destruction die hem in de eerste helft van zijn leven tot welstand heeft gebracht. Daarom begint hij andere ingenieurs te vermoorden om zelf weer een betrekking te krijgen.
      Wordt Man-su nu door het monsterachtig systeem gedwongen om zelf een monster te worden en aan het moorden te slaan? Zoals Antonio Ricci in Ladri di biciclette gedwongen wordt om een fiets te stelen? Park Chan-wook vindt dat een ‘erg gemakkelijk verwijt.’

 Man-su kiest er helemaal zelf voor om zich zo te gedragen. Wat hem overkomt praat dat niet goed. Hij weet dat hij ook tijdelijk rekken kan gaan vullen, dat hij desnoods zijn huis kan verkopen en soberder kan gaan leven.  Je kunt het systeem wel met de vinger wijzen, maar uiteindelijk blijf je zelf verantwoordelijk voor wat je doet.

        Wat een gemoraliseer! Je gelooft je oren niet! Hoe unzeitgemäss! Behoort een regisseur met zulke ouderwetse ideeën eigenlijk wel tot de cultuursector? Heeft hij dan niets geleerd van zijn hippe collega’s in Hollywood?


Deportaties ... naar Rusland
     Laatst schreef de voortreffelijke Paul Cordy in zijn dagelijkse FB-post over het McCarthyisme in het Amerika van de jaren 50. Het McCarthyisme, schreef hij, was de twééde Red Scare, want na Wereldoorlog I was men in de Verenigde Staten al eens in paniek geweest voor het Rode Gevaar. Wat ik niet wist was de manier waarop dat gevaar in die tijd werd bezworen. Gevaarlijke communisten werden gedeporteerd … naar Rusland – een erg wrede straf. Ik ken al heel mijn leven het argument: ‘Als het onder het communisme zoveel beter is, waarom ga je er dan niet wonen?’  Ik wist niet dat de praktische Amerikanen het argument ooit in de praktijk hebben gebracht.


‘Vechten’
     De burgemeester van Minneapolis en de gouverneur van Minnesota worden gedagvaard voor een Grand Jury omdat ze hebben opgeroepen om te ‘vechten’ tegen de uitwijzing van illegalen. Men wil nagaan of dat van de burgemeester en de gouverneur geen ‘oproep tot geweld’ inhield. Dat is natuurlijk een waanzinnige beschuldiging omdat iedereen weet dat ‘vechten’ in een politieke context een metaforische betekenis heeft. Men ‘vecht’ voor beter onderwijs. Men ‘vecht’ voor een begroting in evenwicht. Men ‘vecht’ om in Brussel een regering tot stand te brengen. Mag ik desalniettemin voorstellen om de krijgshaftige metafoor in het vervolg niet meer te gebruiken. Dat is iets waar ik voor wil … ach nee.


Samenzwering – consensus – welvaartstaat
     Een extremist ziet overal een verstikkende consensus, behalve in zijn eigen kleine dissidente hoekje. En als die extremist ook nog eens fanatiek is, kan hij die consensus enkel verklaren als een gevolg van lobbywerk, samenzwering en propaganda. De extremistische klimaatmens ziet overal subsidies voor fossiele brandstoffen. Die subsidies worden in stand gehouden door het lobbywerk van de petroleumindustrie.  De extremist aan de andere kant van de straat ziet overal maatregelen die de CO2-uitstoot nodeloos beperken. Die zijn er gekomen door de machinaties van subsidieslurpende think tanks en van bedrijven die windmolens, zonnecellen, batterijen en elektische auto’s produceren.
      Zelf ben ik een libertariër. Dat is in de huidige constellatie een extreem standpunt. Ik denk dat de herverdelende welvaartstaat de welvaart veeleer afremt dan bevordert. Maar rondom mij stel ik vast dat ongeveer iedereen het tegenovergestelde denkt, van De Wever die de welvaartstaat wil ‘redden’ tot de PVDA die de hele economie tot een sociale sector wil omvormen. Waar komt dié verstikkende consensus vandaan?
      Eén antwoord bestaat erin om te wijzen op de vele bureacratieën – politieke en andere – die bij het bestaan van de welvaartstaat garen spinnen: de mutualiteiten, de vakbonden die werkloosheidsvergoedingen uitkeren, een groot deel van het ambtenarenapparaat, de politici die hun electoraat goedkope en gratis voorzieningen beloven.  Die instanties zijn zo omvangrijk, wijdvertakt en met elkaar verbonden dat samenzweren niet eens nodig is om de idee van welvaartstaat als orthodoxie op te leggen. Op dagen dat ik slecht gehumeurd ben, is dat de uitleg die ik zelf ook geloof.
      Maar meestal ben ik goed gehumeurd. Dan denk ik niét dat de consensus over de welvaartstaat het gevolg is van de druk die egoïstische bureaucratieën uitoefenen. Een groot deel van de bevolking zelf ziet heel wat reële voordelen in de welvaartstaat. Een staat die – in ruil voor torenhoge belastingen – voor je zorgt van je wieg tot je graf, heeft voor veel mensen iets aantrekkelijks. Ze betwijfelen of een vrijere economie vergelijkbare of grotere voordelen zou kunnen bieden. Ikzelf denk van wel, maar ik begrijp de twijfel. Zo zeker ben ik nu ook weer niet van mijn stuk. Ik kijk dus met een zekere gelijkmoedigheid naar de consensus van publiek, politiek, bureaucratie en media. Ik ben al blij als men iets doet aan die onderdelen van het welvaartstaatssysteem die overduidelijk het tegenovergestelde bewerkstelligen dan waar ze voor bedoeld zijn.


2 + 2 = 5: Orwell, de film
     De linkse filmregisseur Raoul Peck heeft een lange documentaire gemaakt waarin hij de ideeën van Orwell toetst aan de hedendaagse politiek. De titel 2 + 2 = 5 verwijst naar Orwells kritiek op totalitaire regimes die geen objectieve waarheid erkennen en berichten, slogans, en analyses alleen afstemmen op het nut dat ze opbrengen. De ene keer zeggen de totalitaire dictators  ‘2 + 2 = 4’, een volgende keer ‘2 + 2 = 3’ en nog een andere keer ‘2 + 2 = 5’ . Die drie uitspraken staan voor hen op gelijke hoogte. De objectieve waarheid van de eerste uitspraak heeft geen voorrang op de twee ‘alternatieven’. De objectieve waarheid heeft geen waarde op zich. De objectieve waarheid bestaat niet.
     De regisseur lijkt die kritiek van Orwell verkeerd te begrijpen. Hij denkt dat het een kritiek is op politieke leugens. Maar politieke leugens zijn van alle tijden en komen zowel in democratische als totalitaire regimes voor. De kritiek van Orwell gaat specifiek over de totalitaire leugen zoals hij onder het stalinisme werd toegepast. Die leugen 

  1. is schaamteloos – ook als die door feiten wordt tegengesproken die iedereen zelf kan controleren
  2.  gaat terug op een relativistische ideologie of filosofie die objectieve waarheid ontkent
  3. wordt met dwang opgelegd.

     De regisseur heeft gelijk om het schaamteloze liegen van Trump in verband te brengen met Orwells dystopie. Dié vergelijking is alvast terecht. Het tweede kenmerk, namelijk het relativisme – waar het Orwell echt om te doen is – is iets moeilijker. Het is een kwestie waar ik hier liever niet op inga*. Erg belangrijk is echter het derde kenmerk: de leugen wordt met dwang opgelegd en wordt ‘waarheid’ genoemd. Daar wil ik wél iets over zeggen.
     De film klaagt aan dat er op de sociale media leugens worden verspreid, dat eigenaars van de sociale media zoals Zuckerberg niets doen om die leugens tegen te houden, en dat de overheid zelf tekort schiet om die leugens in de kiem te smoren**. Maar een instantie die de macht krijgt om leugens in de kiem te smoren, heeft ook de macht om de waarheid in de kiem te smoren. Er bestaat een naam voor zo’n instantie: Big Brother, en die naam werd door Orwell zelf gemunt.
     2 + 2 is niets meer dan een beeld voor een eenvoudige waarheid. In werkelijkheid is de waarheid vaak niet eenvoudig en gaat het om sommen waarvan men niet weet of 3, 4 of 5 de uitkomst is. Er bestaat dan misschien een juiste uitkomst en een objectieve waarheid, maar niemand heeft ze in pacht. 

2 + 2 = 5: de korte versie
     In een vrije maatschappij valt de boodschap ‘2 + 2 = 5’ onder het beginsel van de vrije meningsuiting. Niemand mag ze verbieden, en niemand mag verbieden dat ze wordt tegengesproken.

 

* Ideologieën die objectieve waarheid ontkennen of relativeren vinden we terug bij allerlei soorten mensen, van diepzinnige filosofen als Richard Rorty tot eenvoudige kerkjuristen als Rik Torfs, van de marxisten met hun proletarische waarheid tot de nazis met hun Arische wetenschap, en de wokies met hun standpoint theory. Rorty gaat in zijn boek Contigency, Irony and Solidarity dieper in op het relativisme dat wordt opgeroepen door het 2 + 2 = 5-probleem. Zie daarover mijn blogje hier.

** De eis om leugenachtige informatie te censureren wordt in de film overgebracht door Alexandria Ocrasio-Cortez.


dinsdag 10 februari 2026

Trump en Mussolini


     Er verschenen kort na elkaar twee stukken waarin Trump werd vergeleken met de Italiaanse dictator Mussolini, een van historicus Brecht Declercq en een van filosofe Tinneke Beeckman. De auteurs verwijzen niet naar Mussolini met polemische bedoelingen, zoals dat gebruikelijk is, maar proberen uit de vergelijking enig inzicht te halen. 

                                                                          *** 

    Declercq bijt zich vast in de wispelturigheid van Mussolini en Trump. Politiek is voor hen geen kwestie van doctrine, schrijft Declercq ‘maar van wil, krachtsverhoudingen en opportuniteit.’ Daar zit iets in. Maar tegelijk zou je denken dat de mééste succesvolle politici – loodgieters als Jean-Luc Dehaene bijvoorbeeld – zich laten leiden door ‘wil, krachtsverhoudingen en opportuniteit’ en niet door  ‘doctrines’.
     We moeten hier echter denken aan een graadverschil. De meeste politici hebben wel degelijk enig idee in welke richting de samenleving zou moeten evolueren. Mussolini had zo’n idee achter zich gelaten, Trump heeft zo’n idee nooit gehad. 

De ‘koers' van Trump en Mussolini is: … niet de bestemming telt, maar de beweging zelf, het gevoel dat er schot in de zaak komt …  Het gevolg [is] een beleid dat voortdurend van richting [kan] veranderen. Voor de aanhangers [is] dat geen afknapper maar een genot om naar te kijken. [Iemand neemt] het heft in handen, de anderen moesten maar reageren en voortdurend hun pionnen verzetten.

     Je ziet dat ook bij de Europese Trump-bewonderaars. Trump trekt naar Davos en schudt aan de boom. Wat hij precies zegt doet niet ter zake. Maar men geniet van de verbijstering die hij bij de Europese leiders nalaat. Wat een stumperds! Trump gaf weer iedereen het nakijken!
     In mijn jeugd heb ik mij ooit door zo’n energiek activisme aangetrokken gevoeld. Ik kan mij dat nu niet meer voorstellen. Als je dat ideaal doortrekt, denk ik nu, kom je in de slechtste van de mogelijke werelden terecht: oorlog om de oorlog, zoals Marinetti propageerde, en revolutie om de revolutie, wat Mao als het hoogste ideaal zag.

                                                                        ***

      Tinneke Beeckman gaat verder door op de vergelijking van Declercq. Waar die laatste vooral voorbeelden gaf uit het buitenlands beleid, neemt zij de grote ideologieën voor haar rekening. De reactionairen willen terug naar het verleden, de conservatieven willen de verandering temperen door tradities, de liberalen willen de individuele vrijheid vergroten, en de socialisten willen de gelijkheid hier op aarde realiseren*. Maar wat wilde Mussolini realiseren? Wat wil Trump realiseren? Make Italy Great Again? Make America Great Again? Maar hoe moet die Italiaanse of Amerikaanse grootheid worden opgevuld? Met het verleden, met tradities, met gelijkheid, met vrijheid? Mussolini wou uit dat menu geen duidelijke keuze maken en Trump evenmin.

                                                                       ***

     Nu vraagt de lezer: is de meest opvallende gelijkenis (en het grootste gevaar) niet dat Mussolini en Trump allebei de liberale democratie verwerpen**? Mussolini heeft dat gedaan door een staatsgreep te plegen. Trump, zo lees ik bij een warmbloedige maar verstandige FB-vriend, heeft de VS omgevormd tot een fascistoïde staat 

die een deel van de eigen bevolking terroriseert en protesterende burgers neerschiet en … onder het mom van rechtshandhaving de instellingen van een democratische rechtsstaat ontmantelt, kritische stemmen van burgers, journalisten, academici en kunstenaars smoort en het hele systeem van checks-and-balances ondermijnt.

     Of de karakterisering van Trump-Amerika hier correct en evenwichtig is, laat ik in het midden, maar het verwerpen van de liberale democratie vloeit niet rechtstreeks voort uit het kenmerk dat Declercq en Beeckman in Mussolini en Trump analyseerden. Ook fanatieke reactionairen, conservatieven, socialisten en liberalen kunnen om hun ideaal te realiseren de liberaal-democratische grenzen willen overschrijden.


* Beeckman had hier nog het nazisme kunnen aan toevoegen met zijn ideaal van raszuiverheid.

** Mussolini poneerde daarbij de supprematie van de staat boven het individu; veel Europeanen vrezen veeleer dat Trump de macht van de staat zal beperken waardoor het recht van de sterkste vrij spel krijgt.

   

 

maandag 9 februari 2026

Trump - ICE - fascisme


     De optreden van de immigratiepolitie in de VS heeft er de laatste weken voor gezorgd dat bedachtzame mensen het woord ‘fascisme’ in de mond namen: Christophe Bush, Bart Eeckhout, Geert Mak, Conner Rousseau, Quinten Jacobs, Jeroen Olyslaegers, Jan de Zutter … Enkele bedenkingen.   

Fascistisch regime
     Haast niemand omschrijft de Verenigde Staten zoals ze nu zijn als een ‘fascistisch regime’. Zover wil men niet gaan. Men spreekt over 
fascistische praktijken, over een afglijden in of overhellen naar, over een ‘point of no return dat binnenkort wordt bereikt, enzovoort.

Historische of ruime betekenis
     In zijn historische betekenis slaat de term ‘fascisme’ alleen op de beweging en de dictatuur van Mussolini. Maar mensen van allerlei strekkingen gebruiken de term veel ruimer en spreken van 
fascisme bij elke tendens die zich radicaal verwijdert van de liberaal-democratische rechtstaat. Hayek schreef bijvoorbeeld: ‘No doubt an English “fascist” system would greatly differ from the Italian and German models.’ Hij zette het woord weliswaar tussen aanhalingstekens, maar zag er toch min of meer een synoniem in voor het begrip dat hij meestal gebruikt: totalitarisme.
      Zelf probeer ik zuinig te zijn met het woord, maar ik heb er geen groot bezwaar tegen dat anderen spreken van MAGA-fascisme, islamofascisme, ecofascisme, woke fascisme, links fascisme, enzovoort, zolang het woord gebruikt wordt om een discussie op gang te brengen, niet om ze af te sluiten. 

Wannabee fascist
     Ik lees vaak dat Trump een ‘wannabee fascist’ is. Dat lijkt mij een geloofwaardige omschrijving. Het is erg waarschijnlijk dat Trump graag zou willen regeren zonder grondwet, zonder verkiezingen, zonder oppositie, zonder kritiek in de media. Maar met zo’n definitie lopen er onder de politici veel wannabee fascisten rond. Omdat ze een minder grote mond hebben dan Trump, kunnen we niet weten wie ze zijn, maar dát ze er zijn, daar ben ik nogal zeker van. Een grondwet zoals de Amerikaanse is opgesteld vanuit de veronderstelling dat de politieke wereld vergeven is van wannabee fascisten die met checks and balances onder controle moeten worden gehouden.

Hellend vlak
     Ook geloofwaardig is de bewering dat de VS zich op een hellend vlak bevinden dat naar het fascisme kan leiden. Elke liberale democratie bevindt zich op een hellend vlak dat naar het fascisme kan leiden. Het vergt echter een grondiger analyse om na te gaan welke beleidsmaatregelen een land rechtstreeks – of onrechtstreeks, door een contraproductief effect – in het fascistisch moeras doen belanden.

Afvinken in het Fascist Playbook
     Professor Ive Marx vond in De Afspraak van 30/1 dat men overdrijft als men de term ‘fascisme’ gebruikt om de recente gebeurtenissen in de VS te omschrijven. Conner Rousseau antwoordde dat in Trump-Amerika alle hokjes van het ‘Fascist Playbook’ waren aangevinkt. Hij was bereid om dat mij onbekende standaardwerk naar de professor op te sturen.
     Ik veronderstel dat Rousseau ongeveer evenveel afweet van de VS als ik, dat wil zeggen: honderd keer minder dan Ive Marx, maar het behoort tot mijn credo dat ook een absolute leek iets waardevols aan een debat kan bijdragen. Maar wat Rousseau voorstelt is niet erg waardevol. Je kunt een verschijnsel als fascisme niet benaderen met een lijst kenmerken die al dan niet worden afgevinkt. Elk kenmerk moet immers worden gewogen. ‘Politiebrutaliteit’ is zeker een kenmerk van fascistische regimes. Maar je vindt het kenmerk jammer genoeg ook terug in zelfs de meest liberale democratieën. En als het erop aankomt om zo’n kenmerk te wegen, heb ik meer vertrouwen in Ive Marx dan in Rousseau.

Wie was Alex Petti?
     Wie was Alex Petti die doodgeschoten werd door een ICE-agent? Volgens Conner Rousseau was het ‘een verpleger die andere mensen hun leven redt’ en volgens Ive Marx was het ‘iemand die zich moeide met een arrestatie terwijl elke Amerikaan weet dat zoiets buitengewoon onverstandig is.’ De twee omschrijvingen zijn allebei waar natuurlijk, maar de ene legt een beter causaal verband met het doodschieten dan de andere.

De vragen van Mark Elchardus
     Mark Elchardus benadert de fascisme-kwestie aan de hand van vragen die de lezer zelf moet beantwoorden. Ik vat die vragen samen en voeg er zelf nog twee aan toe. Is er sprake van fascisme 

  1. als een staat wettelijk bepaalt onder welke voorwaarden buitenlanders zich in het land mogen vestigen?
  2. als een staat overgaat tot de deportatie van buitenlanders die die voorwaarden schenden en illegaal het land binnenkomen?
  3. als die deportaties gepaard gaan met ‘opsporen, identiteitscontroles, huiszoekingen, aanhoudingen, opsluitingen, dwang, getrek en geduw’?
  4. als een regering kiest om de deportaties niet discreet te houden maar uit te voeren met ‘spektakel en straffe taal’, zodat toekomstige kandidaat-immigranten worden afgeschrikt? 
  5. als een regering kiest voor haast boven voorzichtigheid, en daarbij vlug-vlug agenten recruteert die niet geschikt zijn voor de taak en niet goed opgeleid worden?
  6. als er bij de deportaties en bij de acties ertegen af en toe doden vallen door ongerechtvaardigd politiegeweld?
  7. als de regering over die dodelijke slachtoffers leugenachtige verklaringen aflegt? 
  8. als de regering een gerechtelijk onderzoek start tegen de bugemeester van Minnneapolis en tegen de gouverneur van Minnesota omdat ze oproepen tot geweldloos verzet tegen de deportaties?

     Alles wat hierboven wordt opgesomd is toepasselijk op de recente gebeurtenissen in de VS. Veel – maar niet noodzakelijk alles – is verwerpelijk. Het impliciete antwoord van Elchardus op zijn eigen vragen is dat de eerste zes kenmerken onvoldoende zijn om van fascisme te spreken. 

De kracht van het woord
     Op zijn FB-pagina legt Jeroen Olyslaegers uit waarom sommige mensen liever niet het woord ‘fascisme’ gebruiken om de Amerikaanse toestanden te omschrijven:

De reden is simpel: de meerderheid in deze samenleving heeft een hekel aan fascisten, aan geweld op straat tegen wie ook, en allicht simpelweg aan bullebakken. En dat weten de fascisten en daarom zullen ze zich altijd verzetten tegen het woord en dus niét willen argumenteren, lak hebben aan definities en luid blijven opiniëren.

     Die redenering kan natuurlijk gemakkelijk omgedraaid worden; dan verklaart ze waarom anderen het woord ‘fascisme’ juist wél gretig gebruiken: omdat ‘de meerderheid in onze samenleving een hekel heeft aan fascisten’. Door het woord te gebruiken hoef je niet eens meer te argumenteren. Waarmee ik natuurlijk niet wil zeggen dat de Trump=fascisme-mensen nooit argumenteren.

                                                                            ***

      Jan de Zutter volgt op zijn FB-pagina dezelfde redenering als Olyslaegers. Wie bij beschuldigingen van fascisme over de definitie discussieert, doet aan

definitional deflection of definitional evasion … een bewuste afleiding waarbij de aandacht wordt verlegd van wat er feitelijk gebeurt naar de vraag of het juiste etiket wel mag worden gebruikt. Het gaat niet over een onschuldige poging om de dingen juist te definiëren, maar het is een vorm van machtsuitoefening via taal.

      Ook hier kan de redenering gemakkelijk worden omgedraaid, en kan je evengoed zeggen dat diegene die het woord fascisme wél gebruikt, zich bezondigt aan ‘machtsoefening via taal.’ De Zutter schrijft nog:

Volgens de taalfilosofe Judith Butler zijn woorden als fascisme, oorlogsmisdaad of genocide ‘drempelbegrippen’, die een punt markeren waarop schouderophalen niet meer mogelijk is. Wie voortdurend dit soort begrippen verwerpt omdat ze ‘toch eigenlijk niet helemaal correct zijn’ doet aan threshold denial. Dat houdt in dat er vaak wel erkend wordt dat er allerlei foute tot hele foute dingen aan de hand zijn, maar dat de ‘drempel’ nog niet bereikt is. Je hoorde dat in de discussies over de genocide: Ja wat er in Gaza gebeurt, is verschrikkelijk, maar is ‘juridisch’ géén genocide. Deze houding zorgt ervoor dat dringende actie kan worden uitgesteld, want ‘de drempel’ is nog niet overschreden.

     De vraag die hier rijst is wat we moeten verstaan onder ‘dringende actie’. Als er ‘allerlei foute tot hele foute dingen aan de hand zijn’ dan moet daar natuurlijk dringende actie tegen worden ondernomen, onafhankelijk van welk woord voor die foute dingen wordt gebruikt.  Maar met het woord ‘fascisme’ geven we aan dat normale democratische oppositie, kritiek in de pers, betogingen, spandoeken, vlugschriften en boodschappen op de sociale media niet meer volstaan. Als het om ‘fascisme’ gaat, is clandestien verzet en burgerlijke ongehoorzaamheid aan de orde, en is, behalve voor pacifisten, gewelddadige actie moreel geoorloofd.
     Nu zal ik niet ontkennen dat er situaties zijn waarin clandestien verzet, burgerlijke ongehoorzaamheid en gewelddadige acties moreel geoorloofd zijn. Maar óf zo’n situatie zich voordoet kun je niet beslissen door een ‘drempelbegrip’ te gebruiken (of te ontkennen).

Extreemlinkse analytische hygiëne
      Eigenaardig genoeg komt ook vanuit extreemlinkse hoek wel eens kritiek op de losse manier waarop centrum-links spreekt over de 
fascisering in de VS. Op de FB-pagina van Ludo De Witte kun je de volgende waarschuwing lezen:

Er waart door progressieve middens een spook: het doembeeld dat de VS op de drempel van het fascisme staat, zo niet dat het al gewoon een fascistische staat geworden is. Het lijkt me echt niet wijs om vandaag te beweren dat de VS ‘fasciseert’; dat het land op weg is naar fascisme; dat ‘de jaren dertig’ zich herhalen. De laatste in de rij die daarmee applaus oogst, is Christophe Busch (Hannah Arendt Instituut), in een FB-post (25/1/26), en ook in De Afspraak op Canvas.

     Dan volgt een lange persoonlijke aanval op Christophe Bush, waarna De Witte overgaat tot de eigenlijke argumentatie. 

Wie zoekt, vindt altijd wel parallellen tussen Trump II en de jaren dertig – precies zoals je dat ook kunt tussen Mussolini, Hitler, Xi, Poetin, Al Sharaa, Orban, Vander Leyen, Meloni en ga zo maar door. Maar een regering of regime karakteriseren als ‘fascistisch’, of spreken over een vage 'fascisering', zonder precies te definiëren wat fascisme is, is niet ernstig: in dat geval hebben we te maken met een banale toepassing van de Wet van Godwin.

       Dat is geen slecht argument. Ik zou zelf zonder veel problemen zoiets durven schrijven in ongeveer dezelfde woorden. Maar ik heb ook begrip voor de benadering van Jan De Zutter. Die schrijft, niet geheel onterecht, ‘dat het nauwelijks mogelijk is om fascisme definitief en ondubbelzinnig te definiëren’ en dat ‘het fascisme zich overal op een andere wijze aandient.’
     De rest van Dewittes tekst roept herinneringen op aan de theologische discussies in het extreem-linkse milieu van 50 jaar geleden. De mao-stalinisten zoals wij zagen in ons land overal tekenen van ‘fascisering’, terwijl de smerige trotskisten een onderscheid maakten tussen ‘fascisme’, ‘bonapartisme’, ‘cesarisme’ en ‘militaire dictatuur’. Dat onderscheid vind ik dus vandaag terug bij De Witte, die trouwens ook uitgebreid Trotski citeert.
     In essentie komt het hierop neer dat je maar van ‘fascisme’ kunt spreken als het gaat om een ‘massabeweging’ zoals die van zwarthemden van Mussolini of de bruinhemden van Hitler. Die knokploegen waren iets helemaal anders dan de 25.000 ICE-agenten die onderdeel zijn van het Amerikaanse overheidsapparaat. De Witte haalt aan dat de ICE-politie op Belgische schaal zou neerkomen op een vreemdelingenpolitie van 300 à 350 agenten. ‘Good luck als je daarmee het fascisme wil invoeren,’ schrijft De Witte.
     De Wittes kritiek op Christophe Bush en consorten is niet alleen een kwestie van ‘analytische hygiëne’, ze heeft ook te maken met de politieke strategie van een bepaald soort extreemlinks. Wat gebeurt er volgens De Witte als we spreken over de fascisering onder Trump II? Dan 

  1. ontkennen we dat Trump onder druk van de acties ondertussen al zware toegevingen heeft moeten doen
  2. duwen we progressieven in de richting van de Democratic Party, ‘de andere partij van het kapitaal’
  3. vergeten we dat Obama en Biden ook tot honderdduizenden immigranten per jaar gedeporteerd hebben
  4. miskennen we het ware doel van de deporaties: niet álle illegalen deporteren, niet de hele bevolking angst aanjagen, maar de overblijvende illegalen gemakkelijker als goedkope arbeidskrachten inzetten
  5. vergeten we dat ‘de razzia’s van ICE verbleken’ als je ze vergelijkt met ‘de Europese pushbacks van Frontex’
  6. leiden we de aandacht af van het werkelijke gevaar dat de burgerlijke democratie bedreigt: de sluipende houdgreep van de tech miljardairs op de deep state, en de surveillance maatschappij die in de steigers wordt gezet.
     Over dat gevaar van een surveillance maatschappij heeft De Witte gelijk, maar dat is dan vooral als de nieuwe technologie van de miljardairs in de houdgreep zou komen van de overheid, en als de commerciële doelstellingen plaats zouden moeten maken voor politionele controle en repressie van dissidenten. 


zondag 8 februari 2026

Filmfestival Oostende 2026


      We hadden na veel gepuzzel een heel ambitieus lijstje samengesteld voor het Filmfestival van Oostende*. Het kwam erop neer dat we vijf films per dag zouden zien. Dat bleek moeilijk vol te houden. Het heeft geen zin om vijf films te kiezen als je tijdens de vertoning indommelt. We hadden bovendien allebei last van een verkoudheid. Uit de 100 films die werden aangeboden hadden we er 38 bij elkaar gepuzzeld; uiteindelijk hebben we er maar 25 gezien.
    
     Bij zo’n festival kies je uit gulzigheid ook altijd films die je ’s avonds thuis, uit een ruimer streaming-aanbod, misschien links zou laten liggen. Dan kun je je wel eens in de zaal vervelen. Bij sommige films verveel ik mij vooral het eerste halfuur en wordt mijn interesse eindelijk gewekt tijdens de third act. Bij actiefilms – maar daar waren er weinig van het op het festival – is het vaak omgekeerd: dan begin ik mij te vervelen wanneer de personages stoppen met praten, en in plaats daarvan beginnen rond te rennen en te schieten.
      Als ik de zaal verlaat na het zien van een film, gonst het in mijn hoofd van commentaren. Na enkele dagen schiet daar gelukkig niet veel meer van over. Wat bleef hangen, heb ik hier verzameld.  

Árva – Orphan (2024). Hongaarse film. Het verhaal speelt zich af kort na de mislukte anticommunistische opstand van 1956. Over een Joodse moeder en haar zoon. De moeder had tijdens de oorlog kunnen onderduiken – tegen betaling – bij een slager, die ook de vader is van het kind. Die slager gelijkt een beetje op Anthony Hopkins. Hij is een joviale bruut, vol levenskracht, egoïstisch en grofbesnaard. De jongen is veertien jaar. Ik hou in het algemeen niet van films waarin gekwelde kinderen van die leeftijd het hoofdpersonage zijn. Prachtige cameravoering. Het gezin leeft gelukkig niet in een communistische woonkazerne, maar in enkele kamers van een vroeger herenhuis.

Vissers uit Oostende  Pêcheries à vapeur (2025). Documentaire. Als toekomstige Oostendenaren wilden we die graag zien. België was naar het schijnt een van de eerste landen die om aan visvangst te doen overschakelden op stoomboten. In de marge werd ook de ‘sociale kwestie’ behandeld. De vissers waren vroeger heel arm en dat is geleidelijk aan verbeterd. De documentaire zelf legt de nadruk op de filantropische initiatieven van de redersfamilie Bauwens. Een professor die niet erg gespecialiseerd leek in de visserij sprak in algemene woorden over het belang van organisatie en syndicale strijd – ‘die niet ontstond in de grote industrie maar in de kleine bedrijven’ – en een andere professor die wel gespecialiseerd leek legde uit dat de rijke redersfamilie de vissers ‘aan het bedrijf wilden binden door hen betere voorwaarden aan te bieden.’

Broken English (2025). Interviews met en over Marianne Faithfull, ingekaderd in een fictief kaderverhaal. Intelligent verteld, knap gemonteerd, zeer goede keuze uit wat getoond en niet getoond wordt. We zien korte flitsen uit een vrt-uitzending waarin Faithfull geïnterviewd werd door deejay Zaki. Dat interview herinner ik mij. Toen Zaki, tegen de afspraken in, een vraag stelde over Faithfulls relatie met Mick Jagger, stond de zangeres op en liep kordaat weg. En dat incident – dat niet paste in het ritme van het verhaal – wordt niét getoond. Wat wel getoond wordt, is onder andere een aangrijpend stuk uit The Seven Deadly Sins. Ik word altijd emotioneel als ik onverwacht een fragment van Kurt Weill hoor dat ik niet ken, maar wel hérken.

Los Domingos (2025). Spaanse film over een meisje dat graag non wil worden in een slotklooster. Haar alleenstaande vader is een gemakzuchtige slappeling, haar atheïstische tante verzet zich als een Spaanse furie. De moeder-overste van het klooster is perfect gecast. Ze is verstandig, wijs, standvastig en begrijpt dat er in de wereld ook atheïsten zijn die je niet kunt overtuigen. Ze is kortom onuitstaanbaar.  ‘Ik weet weer waarom ik zo tegen nonnen ben,’ zei mijn vrouw na afloop. In het beste geval kan een film over zo’n afwijkende levenskeuze vragen wakker maken bij degenen onder ons die een meer conventioneel leven leiden. Maar dáárvoor ga je beter kijken naar Ida (2013), een Poolse film die een gelijkaardig verhaal vertelt.

Mad Bills to Pay (2025). Een (legaal) migrantengezin in de Bronx. Ik veronderstel dat het tot de bottom-10 van de maatschappij behoort. Geen auto, wel een aangename, nette woning. Vader verdwenen met de noorderzon. Moeder werkt hard. Dochter gaat naar school. Zoon verkoopt alcoholische drankjes op het strand. Hij heeft een 16-jarig meisje zwanger gemaakt dat komt inwonen bij het gezin. Dan gaat de zoon proberen om meer reguliere baantjes te combineren: toiletten schoonmaken en tafels afruimen in een fast food restaurant. Van de moeder en de dochter kun je het niet weten, maar de zoon en het meisje zijn echt niet snugger. Ze hebben een heel beperkte tijdshorizon. Je kunt je moeilijk voorstellen dat ze ooit uit de bottom-10 weggeraken. In de hele film wordt een luchtige toon aangehouden. Men maakt wel eens ruzie, maar die is even snel weer vergeten. Don’t worry, man, zegt de zoon, of woorden van die strekking.

Plainclothes (2025).  New York in de jaren 90. Een jonge politieagent moet homoseksuele mannen verleiden in openbare toiletten, waar ze dan gearresteerd worden voor zedenschennis. Meestal valt me na de film wel iets te binnen om aan mijn vrouw te zeggen, maar dit keer ben ik alleen gegaan. Er is mij niets te binnen gevallen.

Ky Nam Inn (2025). Vietnam in de jaren 90. Vreemde tinten van blauw. Volgens mijn vrouw was het géén turquoise. Een jonge literair vertaler neemt zijn intrek in een druk appartementsgebouw. Hij wordt verliefd op een van de bewoners, de weduwe van een anti-communistische officier. Zij wordt ook verliefd op hem geloof ik, maar ‘sy konden by malkander niet komen’. Het thema van onvervuld verlangen doet onvermijdelijk denken aan In the Mood for Love, maar de Vietnamese film is gezelliger, minder claustrofoob. 

Primavera (2025). Venetië in de vroege 18de eeuw. Antonio Vivaldi wordt aangetrokken om in een weeshuis het meisjesorkest te dirigeren. De meisjes hebben maar twee toekomstmogelijkheden: hun hele leven opgesloten blijven in het weeshuis, of trouwen met een rijke Venetiaan op zoek naar een jonge vrouw. De keuze wordt vóór hen gemaakt.
     Het hoofdpersonage van de film, de getalenteerde violiste Cecilia, is een ander lot beschoren: het geplande huwelijk gaat niet door, en ze wordt uit het weeshuis gezet. Volgens de voice-over wacht haar de vrijheid. Maar welke vrije keuzes kon zo’n weeskind in de vroege 18de eeuw maken? Socialisten en sociaal-liberalen zullen zeggen dat ze alleen een ‘negatieve’ vrijheid krijgt, zonder veel kansen om die vrijheid ‘positief’ in te vullen. Het is moeilijk om de socialisten en sociaal-liberalen hier ongelijk te geven. Veel mooie muziek overigens. Vergeleken met films als  Le roi danse (2000), Tous les matins du monde (1991) en Amadeus (1984) is Primavera een lichtgewicht.

In the Mood for Love (2000). Hongkong 1962. Meneer Chow en mevrouw Chan raken hopeloos op elkaar verliefd, maar om onduidelijke redenen blijft de verhouding platonisch. De herinneringen die ik aan de film had, bleken accuraat: de melancholie, de claustrofobie, de elegantie, de indringende muzikale score**. Toen ik de film 20 jaar geleden zag, heb ik vooral op de dassen en de herenmode gelet. Bij het herbekijken had ik meer oog voor de damesmode: uniforme jurken van dezelfde snit maar met telkens andere kleuren en kleurpatronen. Ik had de film toen ook aan mijn vader aangeraden, maar tot mijn verbazing hield hij er niet van. Dat altijd hetzelfde stukje straat getoond werd, vond hij een zwaktebod. 

Dead Man’s Wire (2025). VS 1977 – waargebeurd. Tony Kiritsis voelt zich opgelicht door een verzekeringsmakelaar en gijzelt de ceo van het bedrijf. Spannende thriller die de ‘maatschappijkritische insteek’ vermijdt.

The Testament of Ann Lee (2025). 18de eeuw. Ann Lee ontvlucht Engeland en sticht de religieuze Shakers-beweging in de VS. De wilde gebaren waar de Shakers zich bij hun vieringen aan overgaven, worden herhaaldelijk in een moderne choregrafie gegoten, waardoor de film uiteenvalt in een psychologisch drama en een musical. De Shakers bouwden sobere, smaakvolle huizen waar ze in communeverband samenleefden. Ik had altijd gedacht dat de Shaker-beweging in de 19de eeuw tienduizenden mensen aantrok, en als een storm over het land trok, maar blijkbaar telde ze op haar hoogtepunt slechts een goede drieduizend leden. Dat kwam ook omdat seks en voortplanting verboden waren, omstandigheden die de aangroei beperkt hielden.

Rental Family (2025). Een in Japan wonende Amerikaanse acteur wordt door een moeder ingehuurd om zich voor te doen als de vader van haar dochter. Acteur Brendan Fraser gelijkt af en toe op Bart De Wever toen die nog dik was. Onderhoudend, oppervlakkig-komisch en sentimenteel. Beter dan een doorsnee sitcom. Het thema van een bedrijf dat acteurs inzet om tijdelijk rollen te spelen in het leven van klanten werd al diepgaander uitgewerkt in andere films, zoals Pfau. Bin ich echt? (2024) die op het FFO van vorig jaar te zien was. 

The History of Sound (2025). Begin 20ste eeuw. Lionel en Josh leren elkaar kennen aan het conservatorium in Boston. Ze worden verliefd op elkaar en in de vakantiemaanden trekken ze van dorp tot dorp om opnames te maken van oude volksliedjes***. Daarna verliezen ze elkaar uit het oog. Voor wie van het genre houdt: een ingetogen film over gekwelde personages. De beste stukken van de film komen in het begin. De kennismaking in de pianobar is erg goed. De vanzelfsprekende manier waarop de seksuele relatie begint heeft iets ontroerends. 

The President’s Cake (2025). Irak in de jaren 90. Ter gelegenheid van Saddam Husseins verjaardag moet elke school een taart bakken, maar de ingrediënten zijn nergens te vinden. De 9-jarige Lamia moet er in haar eentje op uit om in de grote stad enkele eieren, suiker, bloem en bakpoeder te vinden: een ware Odyssee.  Bij het bekijken van zo’n film vraag je je onwillekeurig af hoe het vandaag met Lamia gesteld is. Ze zou nu 40 jaar zijn. Het Iraakse BBP schommelde in 1995 rond de 1000 dollar per inwoner. Vandaag schommelt het rond 6000 dollar.

A Magnificent Life. (2025). Animatiefilm over het leven van Marcel Pagnol. Als bewonderaar van de toneelstukken Topaze, Marius, Fanny en César had ik hier veel van verwacht. Het werd een ontgoocheling: een inspiratieloze chronologische vertelling, een kinderachtig kaderverhaal, personages die nooit tot leven komen, een banale jaren-zestig tekenstijl. Wie al iets wist over Pagnol leerde niets nieuws, wie nog niets wist over Pagnol kon amper volgen.

It’s Never Over - Jeff Buckley. (2025) Mijn vrouw is een grote fan, maar de film biedt weinig extra. Er bestaat amper beeldmateriaal van optredens of interviews waar een regisseur mee aan de slag kan. Veel fotos waarop wordt ingezoomd. 

Magellan (2025). Over de beroemde ontdekkingsreizigers. De film bestaat uit een aaneenrijging van stilstaande beeldkaders die variëren van 15 tot 150 seconden, zonder muzikale ondersteuning en met weinig dialoog. Slechts aan het einde van de film gebeurt er iets, maar dan heeft een deel van het publiek de zaal al verlaten.
     Wat is dat toch met die films over de vroege kolonisatie? De kritiek bejubelt films als Magelan en Zama (2017)****, maar ik vind alles even vervelend. Ik had dat al met Aguirre, der Zorn Gottes (1971), maar toen deed ik nog mijn best om zoiets mooi te vinden. Ook bij de conventionele films over het thema kan ik mij trouwens geen voorbeelden voor de geest halen die ik graag gezien heb: The Mission (1986), Silence (2016), 1492: Conquest of Paradise (1992). Die laatste heb ik zelfs niet uitgekeken. 

Renoir (2025). Japan, 1987. De 11-jarige Fuki heeft het niet gemakkelijk. Haar vader is terminaal ziek en haar moeder heeft een slecht humeur (dat verbetert na het overlijden van haar man). Gelukkig is alles heel mooi gefotografeerd en gemonteerd. Op zeker moment koopt het meisje een reproductie van La petite fille au ruban bleu, vandaar de titel. 

Eojjeolsuga eobsda – No Other Choice (2025). Film van Park Chan-Wook. Een welvarend Koreaans gezin komt in moeilijkheden als de vader bij een herstructurering wordt afgedankt. Hij is een hooggeschoold technicus met als specialisatie én passie de productie van hoogwaardig papier. De enige manier om nog aan een job te geraken in de sector bestaat erin andere hooggeschoolde technici uit de papierwereld te vermoorden. Een verrukkelijke zwarte komedie. Wie wil kan in het verhaal een satire op het kapitalisme zien, maar je wordt daar op geen enkel moment toe verplicht.

Pillion (2024). Britse film die zich afspeelt in het milieu van kinky bikers. De brave homo Colin wordt het seksslaafje van de onweerstaanbaar knappe Ray. De kinky bikers lijken een vrij bestaan te leiden, maar in werkelijkheid onderwerpen ze zich zoals kloosterlingen aan een strikte ascese. Ze ontzeggen zich allerlei eenvoudige genoegens en moeten met zichzelf strijd leveren om niet toe te geven aan de verlokkingen van een burgerlijk bestaan. Deze moeilijke keuze wordt in een ingenieuze verhaallijn uitgewerkt. De dramatiek en de heroiek van een zelfgekozen alternatieve levensstijl komen in deze film véél beter tot hun recht dan in het slappe Los Domingos, over het meisje dat zo graag naar het klooster wil.

Radeju zesilet v divocine –  Better Go Mad in the Wild (2025). Tsjechische film. Over tweelingbroers die al hun hele leven samen een armoedige boerderij uitbaten. Het is een soort documentaire, want de broers spelen zichzelf, ze beelden scènes uit die zich in hun dagelijkse leven afspelen. Ze kibbelen als een oud echtpaar, filosoferen als oosterse wijzen en fantaseren als kunstenaars. Ooit kregen ze van de regering een hoge onderscheiding voor hun verzet tegen de communistische dictatuur. Het is niet helemaal duidelijk of hun ‘alternatieve’ levensstijl zelfgekozen is. Wellicht gedeeltelijk. Het is ook niet duidelijk of ze gelukkig zijn. Wellicht ook gedeeltelijk.

Straight Circle (2025). Brits absurd drama. Twee imaginaire operette-staten sluiten vrede, waarop ze elk een soldaat afvaardigen die een grenspost in de woestijn moeten bewaken. De twee soldaten zijn erg verschillend, maar na verloop van tijd zijn ze niet meer te onderscheiden. Wie denkt dat er in de film ‘niets gebeurt’ heeft het verkeerd voor. De makers hebben zich suf gezocht naar originele ideeën, maar geen van die ideeën is erg interessant. Wat vooral onbreekt zijn sterke dialogen à la Wachten op Godot

Tre ciotole (2025). Marta is lerares en Antonio is kok en ze betrekken samen een appartement in Rome. Ze hebben geen kinderen. Helemaal aan het begin van de film besluiten ze uit elkaar te gaan. Daarna krijgt Marta te horen dat ze aan een terminale vorm van kanker lijdt. Men kan min of meer voorspellen welke scènes zo’n film zal bevatten. Het pleit voor de makers van de film dat ze van elke scène visueel of narratief iets interessants proberen te maken en daarbij een waardige en lichte toon weten te treffen. De film is nooit spannend, maar wel boeiend. Eigenlijk is er niets wat je tegen de film kunt inbrengen; toch maakte hij geen grote indruk. Volgens mijn vrouw lag het aan actrice Alba Rohrwacher. ‘Die heeft voor mij ook het laatste seizoen van L’amica geniale verpest,’ zei ze.

Is This Thing On? (2025).  Van Bradley Cooper, dus ik keek ernaar uit. Ook hier begint de film met een relatiebreuk, maar dit keer zijn er wel kinderen in het spel. De man begint na zijn werk op te treden als stand-up comedian; de vrouw was een vroegere volleyball-kampioene en wordt coach van het Olympische team. Leg je de film naast Tre ciotole, waarmee hij enkele verhaallijnen deelt, dan zie je het verschil: kracht, energie, tempo, close-ups, ellipsen. Er worden meer keuzes gemaakt, er is minder opvulling. Halverwege de film besef je dat het verhaal in twee richtingen kan kantelen. Maar de toon van de film laat niet toe om te voorspellen welke richting het wordt. Either would do

Orwell: 2 + 2 = 5 (2025). Amerikaanse documentaire over George Orwell. Ik wist dat ik mij aan een linkse lezing van Orwell mocht verwachten. Fair enough, dacht ik, want Orwell wás natuurlijk links, al heeft hij veel bijgedragen tot mijn huidige rechtse denkbeelden. Het eerste deel van de documentaire is veeleer biografisch: gezin, school, Indië, de Spaanse burgeroorlog. Het blijft aan de oppervlakte maar je krijgt wel een goed beeld waar Orwells engagement vandaan kwam.
     In het tweede deel wordt de totalitaire dystopie van Orwell getoetst aan hedendaagse toestanden, bijvoorbeeld een parallelmontage van een fictieve Big Brother-toespraak uit een film en een echte Trump-toespraak op televisie. Ik vond die aanpak niet erg Orwelliaans, omdat hij louter emoties opwekt: verontwaardiging bij Trump-aanhangers, euforie bij Trump-tegenstanders. Geen van beide kampen wordt uitgenodigd tot nadenken. Orwell zelf betrachtte altijd de rationele analyse en hield zich in zijn essays ver van emotionele demagogie. Dat verklaart, geloof ik, dat hij ondanks zijn duidelijke partijdigheid, zowel rechtse als linkse lezers kan aanspreken.
      Potsierlijk vond ik het stukje over het verhullend taalgebruik van rechts. Er werden veel voorbeelden gegeven. Dat rechtse taalgebruik was dan bijvoorbeeld ‘inflatie’ en daarna werd de ‘echte’ betekenis geprojecteerdz 
zoiets als, ik parafraseer: ‘de praktijk van meedogenloze kapitalisten die producten duurder maken om superwinsten binnen te rijven.’ 

     Over de titel 2 + 2 = 5, schrijf ik later wel eens een kortje.  


* Over het filmfestival van vorig jaar, zie mijn bedenkingen hier.

** Het muzikale leidmotief van In the Mood for Love heet Yumeji’s Theme en staat onder andere hier:


*** Mijn vrouw en en ik dachten allebei terug aan een documentaire over Alan Lomax die met zijn vader in de jaren 30 Amerika doorkruiste om volksliedjes op te nemen.


**** De filmkritiek geeft natuurlijk goede punten als de film het kolonialisme ontmaskert, maar er is meer aan de hand.

 


woensdag 4 februari 2026

Enkele films

 Hamnet
     Ik hou van Shakespeare verfilmingen, maar ook van films waarin Shakespeare als personage meespeelt: Shakespeare in Love (1998) is sentimenteel, maar vaart en enthousiasme maken veel goed. Anonymous (2011) propageert een bekende samenzweringstheorie, maar is bij een eerste visie goed genietbaar. All is True (2018) is beperkt van opzet maar subtiel in de uitwerking. De film was al halverwege voor ik acteur Kenneth Brannagh herkende. In Oliviers Henry V (1944) loopt op het podium een bebrild mannetje rond in een renaissance-kermispak dat Shakespeare moet voorstellen.  Soms denk ik dat dat mannetje misschien nog het meest op de historische figuur lijkt, zoals het bescheiden theatertje in de film ook beter op The Globe gelijkt dan wat we in modernere producties zien.

     Ik keek dus al een poosje halsreikend uit naar het moment dat Hamnet in onze zalen zou komen. Maar vanaf het eerste beeld – twee bomen gefilmd vanuit kikvorsperspectief – wist ik dat het niets voor mij zou zijn. Zoals ik vanaf het eerste beeld van Brannaghs Henry V (1989) – een lucifer die aangestoken wordt – wist dat het wél iets voor mij zou zijn. 


F-1. The Movie
 
     Ik zie dat de autorace-film F-1. The Movie onverwacht genomineerd is voor Beste Film-oscar. Ik vind dat helemaal terecht. Het is een van de allerbeste Spielbergfilms die ik gezien heb, nu al twee keer, al heeft Spielberg er niets mee te maken. De film hangt aaneen van de clichés. We hebben het allemaal al vele keren gezien. Het is Top Gun of The Color of Money, maar met auto’s in plaats van vliegtuigen of biljarttafels. De clichés zijn altijd dezelfde, maar is er iets dat meer ontroert dan een perfect uitgewerkt cliché, waarin vakmanschap, timing, en liefde voor het medium samenkomen?
      Een regisseur die clichés aaneen wil rijgen moet een goed psycholoog zijn. Hij moet geen inzicht hebben in de ziel van zijn personages; hij moet inzicht hebben in de ziel van zijn publiek. En hij moet nieuwe manieren vinden om oude dilemma’s op te lossen. 
     Veel van die dilemma
s hebben te maken met de rivaliteit tussen de oude ervaren racer Sonny, gespeeld door Brad Pitt, en zijn talentvolle teamgenoot Joshua, gespeeld door Damson Idris. De truc voor een feel-good movie is dan om bij de kijker sympathie op te wekken voor de twee personages, maar net iets meer voor de oudere Sonny. 
     Op zeker ogenblik zitten Sonny en Joshua aan de pokertafel. Het moment breekt aan dat ze all-in gaan: alles of niets. Joshua laat zijn pair of fives waarop Sonny teleurgesteld zijn kaarten neergooit. Hij heeft verloren. Nu weet elke kijker dat de kaarten van Sonny die we niet gezien hebben, eigenlijk de betere kaarten zijn, maar dat hij Joshua láát winnen. Als zo’n scène verkeerd wordt uitgewerkt is de kijker boos. Maar de scène wordt schitterend uitgewerkt.
     Ander dilemma. Het publiek heeft Sonny eerst leren kennen als een racer die grote risico’s neemt. Maar dan komt het moment dat hij Joshua beveelt een risico te vermijden. Joshua is koppig, neemt het risico, gaat over kop en komt in het ziekenhuis terecht. De moeder van Joshua denkt dat het ongeluk de schuld is van de roekeloze Sonny en scheldt hem langdurig uit. Dilemma: als Sonny zichzelf verdedigt en de schuld bij Joshua legt, is hij op dat moment harteloos tegenover de moeder; als Sonny zich niét verdedigt is de kijker boos omdat de waarheid niet aan het licht komt. Probeer dat maar eens elegant op te lossen. Je komt er niet met een slimme ‘vondst’, je moet het oplossen met ‘stijl’.
     Het grootste dilemma betreft de afloop van de film. Het is een happy-end film en het team van Sonny en Joshua moet dus winnen. Maar wie van de twee racers komt het eerst over de finish? De kijker heeft twee tegenstrijdige verlangens. Hij wil graag dat Sonny wint, maar hij wil ook graag dat Sonny edelmoedig is en de overwinning gunt aan zijn jonge teamgenoot. Hoe los je dat op? Mijn zoon zei: ‘Als ze daar de verkeerde keuze hadden gemaakt, dan was ik beginnen roepen!’


The Rip
     Ik had scenarist Paul Baeten over de radio horen zeggen dat de nieuwe Netflix-film The Rip niet zo goed was en in elk geval niet zo goed als de Netflix-reeks Adolescence. Die laatste titel sprak hij uit met een klemtoon op de tweede lettergreep, zodat ik het woord pas begreep toen hij het de derde keer uitsprak. Maar Baeten heeft gelijk. De film is niet zo goed. Dat heeft onder andere met de casting te maken. De plot veronderstelt dat de kijker niet goed weet wie de goeien zijn, en wie de slechteriken. Maar je moet als kijker niet veel ervaring hebben om te zien tot welk kamp Matt Damon en tot welk kamp Kyle Chandler behoren. Je moet alleen maar naar hun gezicht kijken en dan weet je het al.


The Beast in Me
     De Standaard (21/2) prijst de Netflixserie The Beast in Me. ‘Onderhoudende thriller met een zoals altijd goede Claire Danes, en een geweldige Matthew Rhys.’ De drie omschrijvingen zijn correct. De thriller is onderhoudend, Claire Danes is goed, en Matthew Rhys is geweldig, vooral in de eerste afleveringen.


Nuremberg
      Over het proces van Nuremberg is al eens eerder een aardige miniserie gemaakt in 2000, met Brian Cox en Alec Baldwin. Nu is er een nieuwe film met Russel Crowe die de rol van Göring speelt. Fien Meynendonckx (DS 27/1) noemt het een popcornfilm. Ik heb de trailer gezien in de bioscoop, en ik geloof dat ze gelijk heeft. Meynendoncks stelt zich in dat verband de prangende vraag of zo’n aanpak ‘gepast’ is. Ze vindt van niet.

 Zeker omdat de regisseur ons met lepe trucjes tot vijf keer toe hardop laat lachen om situaties die niet grappig zijn.

     Om dat zinnetje heb ik dan weer hardop moeten lachen.
     ‘Gniffelen met Göring, kan dat wel?’ vraagt Meynendonckx zich af. In vind van wel. Het is moeilijk om nooit te gniffelen met gangstertypes als Göring, Stalin, Mao en keizer Tiberius. Wie gniffelt er niét bij het lezen van Tacitus of Milovan Djilas? Het is veel moeilijker om te gniffelen bij de ideologisch gedrevenen als Robespierre, Hitler of Lenin, al lachte die laatste zelf uitbundig als hij zijn cynisme kon laten zien aan buitenlandse gasten. En met die eerste, Robespierre, moet ik lachen om de manier waarop hij geportreteerd wordt in Napoleon van Abel Gance.