Ik ontbijt weer voor het eerst sinds lang met een opgengeslagen Standaard (29/8) naast mij. Op bladzijde 20 staat een stuk van Ruben Mooijman: ‘The Economist opent aanval op topeconoom Daron Acemoglu.’ Dat is fijn. Heb ik voor een keer een stuk in dat prestigieuze weekblad gelezen, en dan schrijft De Standaard een stuk over dat stuk. Het gaat in allebei de gevallen om polemiek: The Economist is kritisch voor Acemoglu, en Mooijman is kritisch voor The Economist.
Ik vind het stuk in The Economist beter. In de inleiding wordt de reputatie van Acemoglu geschetst – Nobelprijs*, artikels, boeken, ranking, invloed, algemene lof van collega’s – en gaat dan verder. ‘Maar trakteer een econoom op een paar drankjes, en sommigen van hen durven we wel eens hun echte mening over de grote man te geven.’
Zoiets mag je als journalist alleen schrijven op twee voorwaarden. Dat je echt op café hebt gezeten met een redelijk bekende econoom die na enkele glazen kwaad begon te spreken over Acemoglu. En dat je in de rest van het artikel probeert duidelijk te maken wat het nu precies is wat sommigen tegen Acemoglu inbrengen. Het eerste, van dat café, kan ik niet weten. Het tweede, de inhoud van de kritiek weergeven, wordt in het artikel min of meer waargemaakt. Na het lezen wist ik ongeveer wat men Acemoglu verweet, en ook, wat nog beter is, hoe hij zich tegen die verwijten verdedigt. Woord en wederwoord. De argumenten worden niet uitgediept, maar dat kan ook niet in een stuk van 1400 woorden.
Het stuk van Mooijman telt maar 800 woorden, maar dat lijkt mij geen excuus: je komt nauwelijks iets te weten over de inhoud van de controverse, behalve dat allerlei mensen niet ingenomen zijn met wat The Economist geschreven heeft. Alleen in de laatste alinea krijgen we een sprankel informatie, en dan nog in de vorm van een intentieproces. Eerst hadden we al een citaat gekregen van macro-econoom Geert Langenus die zei ‘dat het stuk met kwade bedoelingen geschreven lijkt te zijn,’ en dan haalt Mooijman zelf concretere speculaties over die bedoelingen aan.
Op sociale media vielen verschillende theorieën te lezen over de beslissing van The Economist om de aanval op Acemoglu in te zetten. Een ervan is dat Acemoglu kritisch is over AI, en daardoor de techbedrijven tegen de haren in strijkt, naast het argument dat The Economist het moeilijk heeft met Acemoglu's kritiek op het liberale establishment.
Goed, The Economist en Acemoglu denken anders over AI, maar moet daarom meteen geïnsinueerd worden dat het weekblad geen kritiek aanvaardt die ‘de techbedrijven tegen de haren in strijkt’? En waarom wordt het liberalisme hier het ‘liberale establishment’ genoemd?
***
In zijn stuk opinieert Mooijman niet in eigen naam maar door de keuze van degenen die hij interviewt. Het zijn drie mensen die iets van economie afweten, en alle drie hebben ze vooral kritiek op The Economist. Lode Cossaer is de meest genuanceerde.
Het debat over Acemoglu's werk is al een tijdje aan de gang. Nog niet zo lang geleden is er een metapaper verschenen over zijn bekendste wetenschappelijke theorie rond arme en rijke naties. Daaruit bleek dat er zich nog geen wetenschappelijk consensus heeft gevormd. Er zijn goede argumenten langs beide kanten. Het is volstrekt normaal dat een wetenschapper kritiek krijgt, [maar] de conclusie van The Economist dat hij zijn status niet verdient, is niet terecht.
Maar eigenlijk zegt The Economist niet dat Acemoglu ‘zijn status’ niet verdient. Wat het weekblad daarover schrijft is een beetje anders. Men laat een anonieme getuige aan het woord die Acemoglu ‘obviously a genius’ noemt en dan verder gaat:
De vraag is of Acemoglu’s reputatie aan de absolute top van de economische wetenschap – en de intellectuele invloed die ermee gepaard gaat – gerechtvaardigd is door zijn wetenschappelijk werk.
De absolute top … the very apex … Ik interpreteer dat als volgt: de door de The Economist geciteerde bron vindt niet dat Acemogly thuishoort in de top-3 aller tijden, maar veeleer in de top-20 van de hedendaagse economen. Dat komt dan overeen met hoe Mooijman de strekking van het stuk samenvat:
The Economist betwist de academische verdiensten van Acemoglu niet, maar vermeldt wel een reeks wetenschappers die in de loop der jaren kritiek hebben gehad op zijn werk of op aspecten ervan.
Naast Cossaer citeert Mooijman ook professor Ive Marx.
The Economist is volgens mij niet goed bezig. Voor zo’n aanval moet je toch met sterkere argumenten komen dan ze hier presenteren. Dat collega’s kritiek hebben op de kwaliteit van je data of je modellen, is in de wetenschap schering en inslag. De onderbouwing van het artikel is zwak. Het gebeurt wel vaker dat ik stukken lees die ik minder goed vind.
Als trouwe lezer van The Economist is Marx veel beter geplaatst dan ik om te beoordelen of het polemische stuk over Acemoglu past bij de hoogstaande traditie van het weekblad, dan wel representatief is voor een recente terugval in kwaliteit. Als het stuk bedoeld was om ‘een aanval’ in te zetten op het wetenschappelijk werk van Acemoglu, dan is het artikel inderdaad héél zwak. Maar die ‘aanval’ is een interpretatie van Marx. Als het artikel daarentegen niet meer wil zijn dan een verkennende ronde aangaande de ‘kritiek die collega’s hebben op de kwaliteit van data en modellen’ van Acemoglu, dan doet het artikel precies wat het moet doen. Wellicht situeert de bedoeling van het stuk zich ergens tussen die twee uitersten.
De hardste kritiek die Mooijman citeert komt van de al eerder vermelde Geert Langenus:
The Economist speelt in het artikel echt op de man. En dat op basis van bronnen die deels anoniem zijn, en deels van economen die niet bepaald zwaargewichten zijn in het vakgebied.
Zou Langenus begrijpen dat argumenten in diskrediet brengen door de bedenkers ervan ‘niet bepaald zwaargewichten in het vakgebied’ te noemen niet erg fraai is. Meer nog: het is een goed voorbeeld van ‘echt op de man spelen.’ Die niet-bepaald-zwaargewichten zijn de volgende : David Albouy, Jesús Fernández-Villaverde, Tyler Cowen, Francis Fukuyama, Lawrence Summers, en Noah Smith. Misschien kent de lezer wel een of meer van die namen, of hij kan ze opzoeken. En ja, Noah Smith is máár een blogger-met-een-PhD; toch lees ik hem graag.
***
De grote wetenschappelijke verdienste van Acemoglu is dat hij een goede redenering gevonden heeft om het juiste causale verband te leggen tussen ‘instituties’ en economische groei. ‘Inclusieve’ instituties – democratie, billijke wetten, onafhankelijke rechtbanken – bevorderen de welvaart, beweert Acemoglu. Maar hoe kun je bewijzen dat het niet omgekeerd is? Dat het niet de welvaart die ervoor zorgt dat men zich die inclusieve instituties kan permitteren?
Daarvoor heeft Acemoglu een vernuftige omweg bedacht: door te onderzoeken hoe nieuwe instituties ontstonden in gekoloniseerde gebieden. Zijn ei van Columbus: de relatie onderzoeken tussen, ten eerste de lage of hoge mortaliteit onder de kolonisten, ten tweede de ‘inclusieve’ dan wel ‘extractieve’ instituties die daarbij ontstonden, en ten derde de huidige welvaart of armoede in de betrokken gebieden. De volledige uitleg kun je makkelijk aan ChatGPT vragen.
Met Acemoglu’s methodologie en conclusie was een belangrijke stap gezet in de economische wetenschap. Instituties bepalen welvaart en niet omgekeerd. Iedereen was onder de indruk, ook al omdat Acemoglu daarna degelijk onderzoek bleef publiceren. En met zijn populaire bestseller Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm raakte hij zelfs bekend bij het grote publiek.
Het is in die omstandigheden niet meer dan normaal dat er ook kritiek ontstaat. Hoge bomen vangen veel wind. The Economist noemt dat ‘fame-induced scrutiny’, en voegt eraan toe dat een vastberaden criticus, na veel ‘prodding and probling’ zwakke plekken kan vinden in het werk van vrijwel elke onderzoeker. En het zijn die zwakke punten die het weekblad summier samenvat, en die in het artikel van Mooijman onvermeld blijven:
- Niet alle mortaliteitscijfers in het onderzoek blijken voldoende onderbouwd (Albouy);
- Historisch onderzoek is niet noodzakelijk relevant om de huidige economie te begrijpen (Fernández-Villaverde);
- De politieke conclusies die Acemoglu trekt uit de primauteit van instituties zijn ‘underwhelming’;
- Het is tautologisch om instituties te verklaren vanuit voorafgaande instuties (Cowen)**;
- Het model van Acemoglu kan moeilijk de evolutie in China verklaren (Fukuyama);
- Acemoglu onderschat andere onafhankelijke factoren die welvaart bepalen, zoals technologische innovatie;
- Hij onderschat met name de productiviteitswinst die uit AI kan voortvloeien (Summers).
Een kritiek die ontbreekt is de volgende. In zijn boek Waarom sommige landen rijk zijn gaat Acemoglu in op de vraag of er naast ‘instituties’ ook niet naar ‘cultuur’ moet worden gekeken om de welvaartsstijging te verklaren. Het antwoord is: nee, het zijn de instituties en alleen de instituties. Ik herinner mij dat die argumentatie mij bij het lezen van het boek niet overtuigde. Ik vond ze, in de treffende uitdrukking van The Economist: ‘odly unconvincing.’ En recent las ik in de Substack-memoires van Gérard Roland, ex-Amadees en professor emeritus van Berkerley, een soortgelijke reserve.
Douglas North maakte een onderscheid tussen formele instituties — die op schrift zijn vastgelegd en worden gehandhaafd door het staatsapparaat — en informele instituties, zoals sociale normen. Die laatste worden gehandhaafd door groepsdruk, maar ook door de overtuigingen van mensen over wat, vanuit hun waarden, goed en fout is; met andere woorden: wat hun leven betekenis geeft. Waarden en overtuigingen vormen in brede zin wat we cultuur noemen. Dat is iets heel anders dan definities van cultuur die gebaseerd zijn op culinaire en kledinggewoonten en folklore (hoewel folklore uiteraard wel door cultuur wordt beïnvloed).
Roland zelf had vooral nagedacht over de verschillende snelheid waarmee de politiek-legale instituties en de culturele normen evolueren. Die laatste worden doorgegeven van ouders op kinderen en veranderen over het algemeen veel trager. Het verwondert hem dat Acemoglu alleen de politiek-legale instituties economisch relevant vindt. Hij vertelt over een conferentie in 2005 waar hij zijn ideeën uitlegde en veel kritiek kreeg.
De meeste economen wezen destijds het belang van cultuur nog steeds van de hand, en dat was ook tijdens die conferentie het geval. Acemoglu en Robinson, die meer dan wie ook hadden gedaan om het belang van instituties voor economische ontwikkeling te benadrukken, beperkten zich tot formele instituties en verwierpen openlijk het idee dat cultuur, naast formele instituties, een belangrijke rol zou kunnen spelen.
Maar die discussie over ‘instituties’ en ‘cultuur’ is niet wat The Economist bezig houdt. Hier zit Langenus op het juiste spoor. Mooijman:
Langenus oppert dat Acemoglu’s meest recente boek mogelijk de aanleiding was om de aanval te openen. In Wat is er gebeurd met de liberale democratie? is Acemoglu kritisch voor de ideologie waarvan The Economist het uithangbord bij uitstek is: het liberalisme. Die stroming is volgens Acemoglu onvoldoende opgewassen tegen uitdagingen als ongelijkheid, sociale ontwrichting en de digitale samenleving.
Over het artikel van The Economist verspreid, vindt men inderdaad opmerkingen die verwijzen naar het oude debat tussen liberalisme en socialisme. Dit is bijvoorbeeld wat een ‘bekende econoom’ over Acemoglu te zeggen heeft:
Veel van zijn theoretische werk is nuttig, maar hij gebruikt zijn modellen om populistisch beleid te onderbouwen dat al eerder is uitgeprobeerd en heeft gefaald.
Het is heel aannemelijk dat met ‘populist policies’ inderdaad verwezen wordt naar socialistische herverdelingsmaatregelen. Wie denkt dat economische welvaart inderdaad vooral bepaald wordt door bewust ontworpen ‘instituties’ in plaats van door de onpersoonlijke krachten van de markt, komt gemakkelijk uit op half of heel socialisme. En dan gaat dat niet alleen over morele keuzes, maar ook over de correcte inschatting van de causale verbanden, met andere woorden over wetenschap. The Economist schrijft:
Power and Progress, een boek uit 2023 dat hij samen met Simon Johnson schreef, beschouwt duizend jaar innovatie grotendeels als een verhaal van toe-eigening door elites en van onbedoelde gevolgen. De katoenmachine ondersteunde de slavernij, terwijl het Haber-Bosch-proces de wapenproductie mogelijk maakte. Gewone mensen profiteerden blijkbaar pas wanneer zij kapitalisten ertoe konden bewegen rekening te houden met hun belangen. Het boek doet daarmee een veel overtuigender argument tekort: dat technologische vooruitgang op zichzelf de gemiddelde burger vele malen rijker heeft gemaakt dan in het pre-industriële tijdperk.
Ik heb Acemoglu’s boek Power and Progress niet gelezen, maar a priori geloof ik The Economist: dat technologische vooruitgang meer heeft bijgedragen aan de algemene welvaart dan de druk van het volk op de elites. Dat de technologische vooruitgang zelf afhankelijk is van inclusieve instituties en tradities geloof ik dan weer wel.
Acemoglu heeft ondertussen zelf toegegeven dat hij de invloed van AI op de productiviteit verkeerd berekend had. Maar zijn retoriek over ‘pro-worker AI***’ en over ‘de maatschappelijke noodzaak om de AI-ontwikkeling te sturen’ stemt mij achterdochtig. Ook hier maakt Acemoglu zich blijkbaar vooral zorgen over de institutionele omkadering van AI, terwijl ik vooral hoop dat die omkadering de vooruitgang niet afremt en de concurrentiestrijd met China niet ondermijnt.
***
Ik stel vast dat ik tot hier 2000 woorden nodig had om mijn bedenkingen in schriftelijke vorm te gieten. Ik moet The Economist bewonderen omdat het zoveel informatie en redenering kwijt kon in 1400 woorden. Maar mijn kritiek op De Standaard blijft: zelfs met 800 woorden hadden we meer informatie en minder algemeenheden mogen verwachten. Ook had Mooijman, bij gebrek aan wederwoord van The Economist, ten minste één bron kunnen citeren die het wél voor het weekblad opnam. En de titel van het het stuk — ‘opent de aanval’ — lijkt mij voorbarig. Alsof The Economist nu een jarenlange oorlog met Acemoglu begonnen is.
* Acemoglu deelde de prijs met Simon Johnson en James Robinson. Ook elders vermeld ik alleen Acemoglu wanneer het nochtans om onderzoek gaat dat hij samen met anderen deed.
** Bij een eerste lectuur van het artikel, vóór ik De Standaard onder ogen kreeg, had ik naast deze kritiek aangaande tautologie al meteen enkele vraagtekens geplaatst.
*** De socialistische reflex is om bij innovatie te denken aan de gevolgen voor de mens als arbeider; de liberale reflex is om te denken aan de gevolgen voor de mens als consument. Het gaat natuurlijk twee keer om dezelfde mens.



