vrijdag 19 juni 2026

Discussiëren: Leibnitz, Bayes, Aumann


   Tot voor kort had ik nog nooit gehoord van die technische term, maar nu ik weet ongeveer wat common knowledge betekent. Als Jan en Mieke allebei onafhankelijk van elkaar weten dat het regent, hebben ze elk apart private knowledge. Als Jan toevallig van Mieke weet dat die op de hoogte is van de regen, en omgekeerd, hebben hebben ze reciprocal knowledge. Het wordt pas common knowledge als Jan weet dat Mieke weet dat het regent en Mieke weet dat Jan weet dat zij het weet, en Jan weet dat Mieke weet dat Jan weet dat Mieke het weet … Enzovoort. Om die oneindige reeks te bereiken is het meestal voldoende dat Jan tegen Mieke zegt: ‘Het regent,’ waarop Mieke antwoordt, ‘Ja, ik weet het.’
      De drie tekeningen hieronder illustreren de verschillende vormen van kennis. Bij de tweede tekening reciprocal knowledge – zien Jan en Mieke allebei het figuurtje, en door een sleutelgat zien ze ook elkaar,  maar dát ze door de andere ook gezien wórden, dat weten ze niet. 
Private knowledge

Reciprocal knowledge

Common knowledge


     In de vierde tekening zie je de oneindige kennisreeks van Jan: hij weet dat Mieke weet dat hij weet dat Mieke weet … enz. 

De oneindige ketting van common knowledge

     
      Over die common knowledge heeft Steven Pinker een heel boek geschreven. Ik heb het gelezen
de tekeningen hierboven komen uit het boek en telkens als ik iets niet goed begreep was daar mijn chatbot die het voor mij in nóg simpeler woorden uitlegde, en die bereid was om geduldig al mijn domme vragen te beantwoorden. Men zegt soms dat er geen domme vragen bestaan, maar dat is omdat men mij niet kent.
     Met het begrip common knowledge kunnen we bijvoorbeeld beter begrijpen hoe een taboe werkt. Taboe-kennis is iets wat iedereen weet, en iedereen kan vermóeden dat iedereen het weet, maar omdat niemand erover spreekt weet je nooit zeker of de anderen weten wat je weet, en omgekeerd. Zo’n taboe situatie heeft zijn voor- en nadelen. Sommige zaken blijven beter onuitgesproken.
     Het sprookje van de keizer zonder kleren laat verder zien hoe een taboe kan worden doorbroken. Je denkt: hé de keizer heeft geen kleren aan, maar je weet niet of degene die naast je staat weet dat je dat denkt. Alleen als de kleine jongen dat luidop, openlijk en expliciet zegt wat iedereen al wist, wordt de naaktheid van de keizer
common knowledge. Dan weet iedereen dat iedereen weet dat …, enzovoort.
     Men begrijpt meteen dat common knowledge belangrijk is bij meningsverschillen en discussies. Het is in zulke gevallen goed dat misverstanden vermeden worden, dat de gesprekspartners elkaars standpunt en argumenten zo goed mogelijk kennen, dat ze van elkaar weten dat ze elkaars standpunt kennen, enzovoort.
Common knowledge is in zekere zin het tegenovergestelde extreem van een misverstand.

***

      Pinker had mij pas goed bij mijn nekvel toen hij de stelling van Aumann begon uit te leggen. Die gaat namelijk over iets dat mij al langer interesseert: als we met elkaar discussiëren, zouden we dan in een ideale wereld niet tot een gemeenschappelijke conclusie moeten komen? Zouden we, naar het woord van Leibnitz, die gemeenschappelijke conclusie niet kunnen uitrekenen? Of is de hoogst denkbare conclusie van een beschaafd gesprek: let’s agree to disagree. Aumann heeft met wat elementaire formules bewezen dat de conclusie let’s agree to disagree vanuit wiskundig oogpunt gezien irrationeel is. Hij heeft er de Nobelprijs voor gekregen.
      Over feiten kun je niet discussiëren, over semantiek moet je niet discussiëren, over veralgemeningen mag je niet discussiëren en over morele kwesties kun je eindeloos discussiëren. Maar de stelling van Aumann gaat over iets anders: over veronderstellingen, over plausibiliteiten, over speculaties*. Is het dan niet beschaafd en logisch om elkaars speculaties – waar niemand zekerheid over heeft – te respecteren? Beschaafd misschien, zegt Aumann, maar niet logisch.
       Om de redenering uit te leggen worden de bayesiaanse termen prior, evidence en posterior gebruikt.  

  • Prior: de eerste inschatting, gebaseerd op voorkennis en vooronderstellingen
  • Evidence: nieuwe informatie
  • Posterior: de tweede inschatting, na rekening gehouden te hebben met de nieuwe informatie 

    Dit is de stelling zoals ik ze ongeveer begrepen heb: twee rationele gesprekpartners die op de hoogte zijn van elkaars rationaliteit en die vertrekken van dezelfde inschatting (priors), maar die vanuit verschillende nieuwe feiten (evidence), hun conclusies verschillend hebben bijgesteld (posteriors), die mensen zouden na discussie weer dezelfde inschatting moeten maken. Hun posteriors zouden dezelfde moeten zijn. Dit is de stelling, genoteerd in een vorm die ik nooit zal begrijpen.

     En dit is het bewijs: 



     Grok hielp mij met een eenvoudig voorbeeld om de stelling te begrijpen. Ik heb daarna nog enkele uren dóórgevraagd.  

 Alice en Bob zijn meteorologen met dezelfde achtergrondkennis. Ze delen een prior dat de kans dat het zal regenen, op basis van historische data en algemene modellen, 50 % is. Alice kijkt ’s ochtends uit het raam en ziet donkere wolken en voelt vochtige lucht. Haar private evidence suggereert: regen. Ze stelt haar voorspelling bij tot 70 %**. Bob checkt een lokale radar-app die een lichte storing toont die waarschijnlijk wegtrekt. Zijn private evidence suggereert: geen regen. Hij update naar 30% kans op regen. Als ze elkaar nu opbellen met hun nieuwe inschattingen, móeten ze, na een reeks opeenvolgende bijstellingen, weer tot een gemeenschappelijke inschatting komen.

     De stelling van Aumann (en de toepassing ervan op onze weerkundigen Alice en Bob) heeft een aantal verrassende kantjes waar ik verder niet op inga – ook al omdat ik ze niet helemaal begrijp. 

  1. Er wordt eenstemmigheid voorspeld over iets zo onzekers als een weervoorspelling
  2. Alice en Bob moeten niet noodzakelijk op de hoogte zijn van de inhoud van elkaars nieuwe evidence (donkere wolken, radar); het loutere feit dat de andere zijn mening heeft bijgesteld is op zich al nieuwe evidence en dus een reden om de eigen mening bij te stellen***
  3. Alice en Bob zouden elkaars bijgestelde conclusie op een andere manier kunnen afleiden dan door rechtstreeks contact: dan werkt de stelling niet want er is geen common knowledge
  4. De uiteindelijke gemeenschappelijke inschatting van Alice en Bob heeft niets te maken met een compromis tussen de twee eerdere standpunten.

     Hoe dan ook, in de werkelijke wereld zijn de gesprekspartners nooit volledig rationeel: Bob kan jaloers zijn op Alice; Alice kan inschikkelijk van aard zijn, of juist koppig. Het zou zelfs irrationeel zijn mocht  Bob of Alice ervan uitgaan, zonder bewijs, dat de andere volledig rationeel is. En het zou naïef zijn om aan zichzelf volledige rationaliteit toe te dichten.

***

      Eén voordeel van Aumanns stelling is dat ze de aandacht trekt op het belang van de priors, de initiële aannames, en van de voorkennis, de vooronderstellingen en de vooroordelen waar die op teruggaan. Ik gebruik hierna die woorden zonder veel onderscheid door elkaar.  In mijn vocabulaire wordt de stelling van Aumann dus: twee rationele gesprekspartners die van hetzelfde vooroordeel vertrekken moeten bij een meningsverschil tot dezelfde conclusie komen****. 
  
 En dan blijkt dat niet alleen de volmaakte rationaliteit van Alice en Bob problematisch is. Ook hun voorkennis of hun vooroordeel zal meestal niet gelijk zijn. Misschien zijn Alice en Bob naar een andere school voor weerkundigen geweest, of was de ene een vlijtige en de andere een luie student. Dan is de stelling niet van toepassing.
     In politieke materies laat een en ander zich nog scherper voelen. Het komt niet vaak voor dat mensen alléén van mening verschillen over nieuwe evidence. Neem de rare groet van Musk: was dat nu een nazigroet of niet? Je kunt discussiëren over het precieze gebaar, over de kansen dat een cryptofascist voor draaiende camera’s zijn geheim verraadt, en over de keren dat andere mensen onbedoeld zo’n gebaar maken, enzovoort. Maar de ruzie begint daar niet. De ruzie begint met een verschillende inschatting van welk soort persoon Musk is, een inschatting die gebaseerd is op andere informatie, op andere vooroordelen, op andere veronderstellingen, misschien zelfs op een andere opvatting van wat fascisme juist inhoudt.
    Pinker geeft toe dat hier een probleem is:

Waarom zouden jij en ik vertrokken zijn van dezelfde priors? Ik kom misschien van een andere cultuur, behoor misschien tot een ander ras of geslacht, heb misschien een verschillende levenservaring, ben misschien een onverbeterlijke optimist, een verstokte conservatief of een eeuwige rebel.

     Voor een rationalist als Pinker is dat echter geen onoverkomelijke moeilijkheid. Al die priors kunnen met feiten, bayesiaanse statistiek en rationele discussie worden bijgesteld, althans in theorie. ‘A prior today is just a posterior from yesterday,’ schrijft hij. Maar dat is gemakkelijk gezegd.
     Ten eerste is het voor iedereen onbegonnen werk om ál zijn vooroordelen te expliciteren*****. Mijn gesprekspartner kan dat niet, en ik kan dat niet. En het wordt het nog moeilijker als het om elkáárs vooroordelen gaat******. Als ex-linkse voel ik de denkwereld van links enigszins aan*******. Dat bezorgt mij in discussies een comfortabel gevoel want ik discussieer niet graag als ik niéts begrijp van de motieven van mijn opponent. Maar ik begrijp natuurlijk lang niet alles van wat linkse mensen vandaag drijft, en ik wil ook niet alles weten, want men voelt vaak een zekere vermoeidheid en ongeduld bij het aanhoren van een opvatting die men achter zich heeft gelaten.
      Bovendien is het onbegonnen werk om al te veel vooroordelen in het gesprek te betrekken. Ofwel verloopt de discussie dan van de hak op de tak, waarbij nu eens het ene en dan weer de andere vooroordeel in het vizier komt. Ofwel proberen de gesprekspartners hun vooroordelen systematisch en bondig uiteen te zetten, en blijken die zó ver uit elkaar te liggen dat de enige beschaafde slotsom inderdaad is: let’s agree to disagree. 
   
 Het is natuurlijk goed om in discussies enig respect te tonen voor de vooroordelen van onze gesprekspartner en voor hoe die zijn tot stand gekomen. Soms raak ik in discussie met iemand die de hele wereld heeft bereisd, of die contacten heeft gehad in alle rangen en standen van de samenleving. Zoiets zou mij nederig moeten stemmen. Of ik zie op tv een expert die iets uitlegt, terwijl hij poseert voor een uitpuilende boekenkast. Hij heeft die allemaal gelezen en ik geen enkele ervan, of hoogstens twee of drie. Had ik die boeken allemaal wél gelezen, dan vond ik misschien niét dat de expert uit zijn nek kletste. Misschien lagen onze aannames dan dichter bij elkaar en zouden we, als we elkaar tegenkwamen, een vruchtbare discussie kunnen hebben waarna we allebei onze conclusies bijstelden.
      Met dat inzicht zou ik in toekomstige polemieken dus meer aandacht moeten besteden aan de vooronderstellingen van degenen die ik op de korrel neem, in plaats van aan hun gebrekkige logica, wat ik meestal doe. Gebrekkige logica is bijna nooit de échte verklaring van een onredelijk standpunt.
       Aan de andere kant wil ik niet al te véél respect hebben voor de onzichtbare vooroordelen die voortkomen uit de levenservaring of de eruditie van een opponent. Als iemand in het zichtbare stuk van zijn redenering al te haastig veralgemeent, feiten uit de context haalt, ongefundeerde conclusies trekt, of mijn argumenten niet begrijpt of wil begrijpen – wegens slechte leesvaardigheid of slechte wil – dan is er geen reden om aan te nemen dat zijn onzichtbare vooronderstellingen wél op een soliede manier tot stand zijn gekomen, ook al is hij dan een wereldreiziger of heeft hij veel boeken gelezen. Misschien heeft hij de verkeerde boeken gelezen. Of heeft hij de juiste boeken verkeerd gelezen. Is het dan niet leuker om alleen een kiezelsteentje in zijn raderwerk van vooronderstellingen te gooien: een fout, een ugly fact, een punt van logica? 
    
Op één argumentatiefout werpt de stelling van Aumann een bijzonder licht: de stropop, dat wil zeggen de redenering waarbij het standpunt van de tegenstander verkeerd (meestal overdreven) wordt weergegeven. Iedereen begrijpt dat zoiets lui en oneerlijk is. Maar de stelling van Aumann toont twee andere nadelen. Als ik het standpunt van een tegenstrever verkeerd weergeef ondermijn ik zijn geloof in mijn rationaliteit en, nog erger, wordt de ketting van common knowledge voortijdig afgebroken. Mijn tegenstrever weet of begrijpt iets en misschien weet ik dat hij dat weet of begrijpt, maar door mijn stropopredenering laat ik hem het tegenovergestelde vermoeden. Hij kan niet weten dat ik weet wat hij weet of begrijpt. Dan zijn we nog heel ver van huis. 

* Voor een vruchtbare discussie zou het altijd duidelijk moeten zijn waarover men wil discussiëren: feiten, semantiek, veralgemeningen, morele kwesties of speculaties.

** Alice heeft dat op bayesiaanse wijze berekend. Als de algemene kans op regen 50 % is, de kans dat regen gepaard gaat met donkere wolken 95 % en de kans dat er hoe dan ook donkere wolken zijn  (België!), ook zonder regen, 67 % procent, dan krijg je de formulen 0,5 x 0,95 / 0,67 = 0,7, d.w.z. 70 procent kans op regen. 

*** Het kan geen kwáád dat Alice en Bob op de hoogte zijn van elkaars nieuwe evidence. Het zal in de werkelijke wereld zeker helpen als Bob weet dat Alice donkere wolken heeft gezien en dat Alice weet dat Bob iets op de radar heeft gezien, en dat ze van elkaar weten enzovoort. Maar voor de stelling van Aumann is het niet nodig. Anderzijds, hoe minder Alice en Bob elkaar rationaliteit en voorkennis vertrouwen, hoe belangrijker het is dat minstens hun evidence tot common knowledge verheven wordt. 

**** En dan zitten we al dicht bij het maxime van Gérard de Rohan-Chabot: Une discussion n'est vraiment possible qu'entre gens qui sont du même avis. 

***** Zie Michael Oakshot, o.a. Rationalism in politics.

****** Tactisch heeft het in een discussie niet veel zin om op een onuitgesproken vooroordeel van de opponent te wijzen. Het antwoord is dan meestal: ‘Dat heb ik niet gezegd.’

******* Ik verwijs graag naar mijn links verleden zodat mijn linkse opponenten zouden weten dat ik bij benadering weet wat ze denken. En omdat ik het vaak genoeg herhaal weet ik dat zij dat weten, en weten zij dat ik dat weet dat zij dat weten … enzovoort. Dat gaat al een heel eind in de richting van common knowledge

donderdag 18 juni 2026

Discussiëren zonder vooroordeel


   Tot voor kort had ik nog nooit gehoord van die technische term, maar nu ik weet ongeveer wat common knowledge betekent. Als Jan en Mieke allebei onafhankelijk van elkaar weten dat het regent, hebben ze elk apart private knowledge. Als Jan toevallig van Mieke weet dat die op de hoogte is van de regen, en omgekeerd, hebben hebben ze reciprocal knowledge. Het wordt pas common knowledge als Jan weet dat Mieke weet dat het regent en Mieke weet dat Jan weet dat zij het weet, en Jan weet dat Mieke weet dat Jan weet dat Mieke het weet … Enzovoort. Om die oneindige reeks te bereiken is het meestal voldoende dat Jan tegen Mieke zegt: ‘Het regent,’ waarop Mieke antwoordt, ‘Ja, ik weet het.’
 
     De drie tekeningen hieronder illustreren de verschillende vormen van kennis. Bij de tweede tekening – reciprocal knowledge – zien Jan en Mieke allebei het figuurtje, en door een sleutelgat zien ze ook elkaar,  maar dát ze door de andere ook gezien wórden, dat weten ze niet. 
Private knowledge

Reciprocal knowledge

Common knowledge


     In de vierde tekening zie je de oneindige kennisreeks van Jan: hij weet dat Mieke weet dat hij weet dat Mieke weet … enz. 

De oneindige ketting van common knowledge

     
      Over die common knowledge heeft Steven Pinker een heel boek geschreven. Ik heb het gelezen 
 de tekeningen hierboven komen uit het boek  en telkens als ik iets niet goed begreep was daar mijn chatbot die het voor mij in nóg simpeler woorden uitlegde, en die bereid was om geduldig al mijn domme vragen te beantwoorden. Men zegt soms dat er geen domme vragen bestaan, maar dat is omdat men mij niet kent.
     Met het begrip common knowledge kunnen we bijvoorbeeld beter begrijpen hoe een taboe werkt. Taboe-kennis is iets wat iedereen weet, en iedereen kan vermóeden dat iedereen het weet, maar omdat niemand erover spreekt weet je nooit zeker of de anderen weten wat je weet, en omgekeerd. Zo’n taboe situatie heeft zijn voor- en nadelen. Sommige zaken blijven beter onuitgesproken.
     Het sprookje van de keizer zonder kleren laat verder zien hoe een taboe kan worden doorbroken. Je denkt: hé de keizer heeft geen kleren aan, maar je weet niet of degene die naast je staat weet dat je dat denkt. Alleen als de kleine jongen dat luidop, openlijk en expliciet zegt wat iedereen al wist, wordt de naaktheid van de keizer
 common knowledge. Dan weet iedereen dat iedereen weet dat …, enzovoort.
     Men begrijpt meteen dat common knowledge belangrijk is bij meningsverschillen en discussies. Het is in zulke gevallen goed dat misverstanden vermeden worden, dat de gesprekspartners elkaars standpunt en argumenten zo goed mogelijk kennen, dat ze van elkaar weten dat ze elkaars standpunt kennen, enzovoort.
Common knowledge is in zekere zin het tegenovergestelde extreem van een misverstand.

***

      Pinker had mij pas goed bij mijn nekvel toen hij de stelling van Aumann begon uit te leggen. Die gaat namelijk over iets dat mij al langer interesseert: als we met elkaar discussiëren, zouden we dan in een ideale wereld niet tot een gemeenschappelijke conclusie moeten komen? Zouden we, naar het woord van Leibnitz, die gemeenschappelijke conclusie niet kunnen uitrekenen? Of is de hoogst denkbare conclusie van een beschaafd gesprek: let’s agree to disagree. Aumann heeft met wat elementaire formules bewezen dat de conclusie let’s agree to disagree vanuit wiskundig oogpunt gezien irrationeel is. Hij heeft er de Nobelprijs voor gekregen.
      Over feiten kun je niet discussiëren, over semantiek moet je niet discussiëren, over veralgemeningen mag je niet discussiëren en over morele kwesties kun je eindeloos discussiëren. Maar de stelling van Aumann gaat over iets anders: over veronderstellingen, over plausibiliteiten, over speculaties*. Is het dan niet beschaafd en logisch om elkaars speculaties – waar niemand zekerheid over heeft – te respecteren? Beschaafd misschien, zegt Aumann, maar niet logisch.
       Om de redenering uit te leggen worden de bayesiaanse termen prior, evidence en posterior gebruikt.  

  • Prior: de eerste inschatting, gebaseerd op voorkennis en vooronderstellingen
  • Evidence: nieuwe informatie
  • Posterior: de tweede inschatting, na rekening gehouden te hebben met de nieuwe informatie 

    Dit is de stelling zoals ik ze ongeveer begrepen heb: twee rationele gesprekpartners die op de hoogte zijn van elkaars rationaliteit en die vertrekken van dezelfde inschatting (priors), maar die vanuit verschillende nieuwe feiten (evidence), hun conclusies verschillend hebben bijgesteld (posteriors), die mensen zouden na discussie weer dezelfde inschatting moeten maken. Hun posteriors zouden dezelfde moeten zijn. Dit is de stelling, genoteerd in een vorm die ik nooit zal begrijpen.

     En dit is het bewijs: 



     Grok hielp mij met een eenvoudig voorbeeld om de stelling te begrijpen. Ik heb daarna nog enkele uren dóórgevraagd.  

 Alice en Bob zijn meteorologen met dezelfde achtergrondkennis. Ze delen een prior dat de kans dat het zal regenen, op basis van historische data en algemene modellen, 50 % is. Alice kijkt ’s ochtends uit het raam en ziet donkere wolken en voelt vochtige lucht. Haar private evidence suggereert: regen. Ze stelt haar voorspelling bij tot 70 %**. Bob checkt een lokale radar-app die een lichte storing toont die waarschijnlijk wegtrekt. Zijn private evidence suggereert: geen regen. Hij update naar 30% kans op regen. Als ze elkaar nu opbellen met hun nieuwe inschattingen, móeten ze, na een reeks opeenvolgende bijstellingen, weer tot een gemeenschappelijke inschatting komen.

     De stelling van Aumann (en de toepassing ervan op onze weerkundigen Alice en Bob) heeft een aantal verrassende kantjes waar ik verder niet op inga – ook al omdat ik ze niet helemaal begrijp. 

  1. Er wordt eenstemmigheid voorspeld over iets zo onzekers als een weervoorspelling
  2. Alice en Bob moeten niet noodzakelijk op de hoogte zijn van de inhoud van elkaars nieuwe evidence (donkere wolken, radar); het loutere feit dat de andere zijn mening heeft bijgesteld is op zich al nieuwe evidence en dus een reden om de eigen mening bij te stellen***
  3. Alice en Bob zouden elkaars bijgestelde conclusie op een andere manier kunnen afleiden dan door rechtstreeks contact: dan werkt de stelling niet want er is geen common knowledge
  4. De uiteindelijke gemeenschappelijke inschatting van Alice en Bob heeft niets te maken met een compromis tussen de twee eerdere standpunten.

     Hoe dan ook, in de werkelijke wereld zijn de gesprekspartners nooit volledig rationeel: Bob kan jaloers zijn op Alice; Alice kan inschikkelijk van aard zijn, of juist koppig. Het zou zelfs irrationeel zijn mocht  Bob of Alice ervan uitgaan, zonder bewijs, dat de andere volledig rationeel is. En het zou naïef zijn om aan zichzelf volledige rationaliteit toe te dichten.

***

      Eén voordeel van Aumanns stelling is dat ze de aandacht trekt op het belang van de priors, de initiële aannames, en van de voorkennis, de vooronderstellingen en de vooroordelen waar die op teruggaan. Ik gebruik hierna die woorden zonder veel onderscheid door elkaar.  In mijn vocabulaire wordt de stelling van Aumann dus: twee rationele gesprekspartners die van hetzelfde vooroordeel vertrekken moeten bij een meningsverschil tot dezelfde conclusie komen****. 
  
 En dan blijkt dat niet alleen de volmaakte rationaliteit van Alice en Bob problematisch is. Ook hun voorkennis of hun vooroordeel zal meestal niet gelijk zijn. Misschien zijn Alice en Bob naar een andere school voor weerkundigen geweest, of was de ene een vlijtige en de andere een luie student. Dan is de stelling niet van toepassing.
     In politieke materies laat een en ander zich nog scherper voelen. Het komt niet vaak voor dat mensen alléén van mening verschillen over nieuwe evidence. Neem de rare groet van Musk: was dat nu een nazigroet of niet? Je kunt discussiëren over het precieze gebaar, over de kansen dat een cryptofascist voor draaiende camera’s zijn geheim verraadt, en over de keren dat andere mensen onbedoeld zo’n gebaar maken, enzovoort. Maar de ruzie begint daar niet. De ruzie begint met een verschillende inschatting van welk soort persoon Musk is, een inschatting die gebaseerd is op andere informatie, op andere vooroordelen, op andere veronderstellingen, misschien zelfs op een andere opvatting van wat fascisme juist inhoudt.
    Pinker geeft toe dat hier een probleem is:

Waarom zouden jij en ik vertrokken zijn van dezelfde priors? Ik kom misschien van een andere cultuur, behoor misschien tot een ander ras of geslacht, heb misschien een verschillende levenservaring, ben misschien een onverbeterlijke optimist, een verstokte conservatief of een eeuwige rebel.

     Voor een rationalist als Pinker is dat echter geen onoverkomelijke moeilijkheid. Al die priors kunnen met feiten, bayesiaanse statistiek en rationele discussie worden bijgesteld, althans in theorie. ‘A prior today is just a posterior from yesterday,’ schrijft hij. Maar dat is gemakkelijk gezegd.
     Ten eerste is het voor iedereen onbegonnen werk om ál zijn vooroordelen te expliciteren*****. Mijn gesprekspartner kan dat niet, en ik kan dat niet. En het wordt het nog moeilijker als het om elkáárs vooroordelen gaat******. Als ex-linkse voel ik de denkwereld van links enigszins aan*******. Dat bezorgt mij in discussies een comfortabel gevoel want ik discussieer niet graag als ik niéts begrijp van de motieven van mijn opponent. Maar ik begrijp natuurlijk lang niet alles van wat linkse mensen vandaag drijft, en ik wil ook niet alles weten, want men voelt vaak een zekere vermoeidheid en ongeduld bij het aanhoren van een opvatting die men achter zich heeft gelaten.
      Bovendien is het onbegonnen werk om al te veel vooroordelen in het gesprek te betrekken. Ofwel verloopt de discussie dan van de hak op de tak, waarbij nu eens het ene en dan weer de andere vooroordeel in het vizier komt. Ofwel proberen de gesprekspartners hun vooroordelen systematisch en bondig uiteen te zetten, en blijken die zó ver uit elkaar te liggen dat de enige beschaafde slotsom inderdaad is: let’s agree to disagree. 
   
 Het is natuurlijk goed om in discussies enig respect te tonen voor de vooroordelen van onze gesprekspartner en voor hoe die zijn tot stand gekomen. Soms raak ik in discussie met iemand die de hele wereld heeft bereisd, of die contacten heeft gehad in alle rangen en standen van de samenleving. Zoiets zou mij nederig moeten stemmen. Of ik zie op tv een expert die iets uitlegt, terwijl hij poseert voor een uitpuilende boekenkast. Hij heeft die allemaal gelezen en ik geen enkele ervan, of hoogstens twee of drie. Had ik die boeken allemaal wél gelezen, dan vond ik misschien niét dat de expert uit zijn nek kletste. Misschien lagen onze aannames dan dichter bij elkaar en zouden we, als we elkaar tegenkwamen, een vruchtbare discussie kunnen hebben waarna we allebei onze conclusies bijstelden.
      Met dat inzicht zou ik in toekomstige polemieken dus meer aandacht moeten besteden aan de vooronderstellingen van degenen die ik op de korrel neem, in plaats van aan hun gebrekkige logica, wat ik meestal doe. Gebrekkige logica is bijna nooit de échte verklaring van een onredelijk standpunt.
       Aan de andere kant wil ik niet al te véél respect hebben voor de onzichtbare vooroordelen die voortkomen uit de levenservaring of de eruditie van een opponent. Als iemand in het zichtbare stuk van zijn redenering al te haastig veralgemeent, feiten uit de context haalt, ongefundeerde conclusies trekt, of mijn argumenten niet begrijpt of wil begrijpen – wegens slechte leesvaardigheid of slechte wil – dan is er geen reden om aan te nemen dat zijn onzichtbare vooronderstellingen wél op een soliede manier tot stand zijn gekomen, ook al is hij dan een wereldreiziger of heeft hij veel boeken gelezen. Misschien heeft hij de verkeerde boeken gelezen. Of heeft hij de juiste boeken verkeerd gelezen. Is het dan niet leuker om alleen een kiezelsteentje in zijn raderwerk van vooronderstellingen te gooien: een fout, een ugly fact, een punt van logica? 
    
Op één argumentatiefout werpt de stelling van Aumann een bijzonder licht: de stropop, dat wil zeggen de redenering waarbij het standpunt van de tegenstander verkeerd (meestal overdreven) wordt weergegeven. Iedereen begrijpt dat zoiets lui en oneerlijk is. Maar de stelling van Aumann toont twee andere nadelen. Als ik het standpunt van een tegenstrever verkeerd weergeef ondermijn ik zijn geloof in mijn rationaliteit en, nog erger, wordt de ketting van common knowledge voortijdig afgebroken. Mijn tegenstrever weet of begrijpt iets en misschien weet ik dat hij dat weet of begrijpt, maar door mijn stropopredenering laat ik hem het tegenovergestelde vermoeden. Hij kan niet weten dat ik weet wat hij weet of begrijpt. Dan zijn we nog heel ver van huis. 

* Voor een vruchtbare discussie zou het altijd duidelijk moeten zijn waarover men wil discussiëren: feiten, semantiek, veralgemeningen, morele kwesties of speculaties.

** Alice heeft dat op bayesiaanse wijze berekend. Als de algemene kans op regen 50 % is, de kans dat regen gepaard gaat met donkere wolken 95 % en de kans dat er hoe dan ook donkere wolken zijn  (België!), ook zonder regen, 67 % procent, dan krijg je de formulen 0,5 x 0,95 / 0,67 = 0,7, d.w.z. 70 procent kans op regen. 

*** Het kan geen kwáád dat Alice en Bob op de hoogte zijn van elkaars nieuwe evidence. Het zal in de werkelijke wereld zeker helpen als Bob weet dat Alice donkere wolken heeft gezien en dat Alice weet dat Bob iets op de radar heeft gezien, en dat ze van elkaar weten enzovoort. Maar voor de stelling van Aumann is het niet nodig. Anderzijds, hoe minder Alice en Bob elkaar rationaliteit en voorkennis vertrouwen, hoe belangrijker het is dat minstens hun evidence tot common knowledge verheven wordt. 

**** En dan zitten we al dicht bij het maxime van Gérard de Rohan-Chabot: Une discussion n'est vraiment possible qu'entre gens qui sont du même avis. 

***** Zie Michael Oakshot, o.a. Rationalism in politics.

****** Tactisch heeft het in een discussie niet veel zin om op een onuitgesproken vooroordeel van de opponent te wijzen. Het antwoord is dan meestal: ‘Dat heb ik niet gezegd.’

******* Ik verwijs graag naar mijn links verleden zodat mijn linkse opponenten zouden weten dat ik bij benadering weet wat ze denken. En omdat ik het vaak genoeg herhaal weet ik dat zij dat weten, en weten zij dat ik dat weet dat zij dat weten … enzovoort. Dat gaat al een heel eind in de richting van common knowledge



dinsdag 16 juni 2026

Tom Wouters, Christophe Vekeman, om Vanja

    Het prachtige boekje van Tom Wouters In mijn hoofd zwemmen vissen kreeg een wat mindere recensie op de literaire podcast De Nieuwe Contrabas. De recensenten ontdekten in de verhalen alleen fantasierijke grappen en vormexperimenten, waarmee ze naar mijn smaak demonstreerden dat ze ofwel een beetje toondoof waren, ofwel dat de ‘klik’ nog moest komen. Auteur Christophe Vekeman drukte zich wat harder uit:

 Twee tot op het bot, in elk mogelijk opzicht, op ieder denkbaar vlak mislukte would-be auteurs zitten tegen elkaar aan te zeiken over dingen waar ze geen verstand van hebben - schoonheid, taal, literatuur, kunst, boeken … 

    Dat deed mij denken aan de uitval van Tsjechovs oom Vanja tegen de grofbesnaarde kunstcriticus Serebrjakov: 

 Nu zie ik alles. Je schrijft over kunst, maar je hebt totaal geen verstand van kunst. Je bent gewoon een oplichter. 

     Ik zie de scène voor mij. Wallace Shawn die als Vanja druk en wanhopig gesticuleert. Hij had een Dostojevski of een Schopenhauer kunnen zijn!  Ik heb dat fragment uit Vanya on 42nd street vaak met mijn leerlingen bekeken. Ik legde dan uit hoe bitter het allemaal was – dat Vanja het natuurlijk niét in zich had gehad om een Schopenhauer te zijn, in geen duizend jaar, maar dat hij anderzijds wellicht gelijk had over Serebrjakov.

* De trailer van de film staat hier 

maandag 15 juni 2026

Peter Thiel en het miljardairsgevaar

    Een stuk in De Standaard (11/6) over techmiljardair Peter Thiel. Volgens Tinneke Beeckman heeft Thiel een slag van de religieuze molen gekregen en interpreteert hij het huidig tijdsgewricht in apocalyptische termen. De Verenigde Staten kunnen de wereld nog altijd redden van een totalitaire toekomst met een wereldregering, maar alleen op voorwaarde dat ze nieuwe technologie en innovatie vrije baan laten - technologie en innovatie die door bedrijven als die van Thiel ontwikkeld worden.
     Door dat stuk van Beeckman word ik weer verplicht om na te denken over de vraag: hoe gevaarlijk is het dat er miljardairs bestaan in de wereld en in de VS? Zij kunnen met hun financiële steun, zoals Thiel deed, een niet geringe invloed uitoefenen op verkiezingsuitslagen. Zon miljardair kan natuurlijk niet eigenhandig zijn kandidaat aanduiden en ervoor zorgen dat die gegarandeerd verkozen wordt – dat is complottheorie –  maar hij oefent wel een veel grotere politieke invloed uit dan een gewone burger met zijn stem en zijn bescheiden donatie.
     En dan: waarvoor gaan die miljardairs hun macht gebruiken? Het is mij niet onwelgevallig dat ze vrije baan krijgen om technologie en innovatie te ontwikkelen. Als ze hun politieke invloed gebruiken om de regelgeving beperkt te houden, vooruit. Maar als ze bezeten raken van excentrieke religieuze ideeën, ben ik er niet gerust op. De geopolitieke situatie is al complex genoeg, met het Chinese ontwaken dat de wereld doet beven. Dan is het beter dat een en ander met een koel, geseculariseerd, hoofd bekeken wordt.
     Een bijkomende vraag: zijn miljardairs vatbaarder voor excentrieke ideeën dan politici? Misschien wel. We kunnen hopen dat al te excentrieke ideeën in het politieke proces vaak  niet altijd natuurlijk  min of meer weggefilterd worden onder druk van compromissen en opiniepeilingen? Terwijl zo’n miljardair tegelijk geniaal en visionair kan zijn in zijn zakelijke strategie, en zo gek als een achterdeur als het over religie en wereldpolitiek gaat.


Beleggen op de beurs

     In De Standaard van 11/7 staat een lezersbrief van Paul Claes, Kessel-Lo, over de gevaren van speculeren op de beurs. We krijgen geschiedenisles over de tulpenbollen in Nederland, John Law in Frankrijk, de Russische obligaties van onze grootouders en het recentere gesjoemel van Lernout & Hauspie. De lezer wordt aangeraden zich niet in het rovershol te wagen. Ik ben dat ook niet van plan. 
   
 Een passage in de lezersbrief zette mij aan het mijmeren: 

De Amerikaanse econoom Hendrik Bessembinder berekende dat 1,5 procent van alle aandelen goed is voor alle winst op de beurs. De voorbije jaren creëerde 98,5 procent van alle wereldwijd noterende aandelen gemiddeld nul waarde winst. De enige winnaars zijn de traders: de beurshandelaren.

      Zo samengevat, kón dat niet helemaal juist zijn, anders waren aandeelhouders wel heel erg te beklagen. Dan had de PVDA niets om naar uit te kijken, want als de meeste aandeelhouders niets verdienen, dan mag men het vergeten om daar veel te belasten.
     Ik heb het dus aan Grok moeten vragen. Het beginsel is correct, leerde ik, dat een heel groot deel van de beurswinst – laat ons zeggen 95 procent of meer – in de laatste 30 jaar gemaakt werd door enkele goede aandelen: Apple, Microsoft, Amazon, Nvidia … Helaas zegt dat niets over de toekomst. De kans dat een bepaald aandeel stijgt of daalt in waarde is ongeveer 50 procent*. Ik kan dus niet gegarandeerd rijk worden door nú Apple-aandelen te kopen.
      Verder is het niét waar dat de andere aandelen niéts opbrengen. Alleen brengen ze gemiddeld niet méér op dan een veilige belegging in obligaties. Dat is al iets helemaal anders dan niéts opbrengen. Men kan het betreuren dat die opbrengst ook nog eens aangevreten wordt door de inflatie, maar dát komt omdat regeringen en centrale banken te veel geld drukken.
     En die traders? Jawel, als er veel met aandelen heen en weer wordt geschoven, kunnen traders daar een mooi percentje van opstrijken, ten koste van de aandeelhouders of ten koste van andere traders. Maar er zijn ook veel aandeelhouders die op lange termijn beleggen. Zeggen dat de traders de énige winnaars op de beurs zijn is absurd.
      Hoeveel van de totale winst die op de beurs gemaakt wordt gaat dan naar de traders? Grok wil geen schatting maken, maar beperkt zich tot ‘veel minder dan hun aandeel in de handel zou doen vermoeden.’ Ik dring aan: 20 %? Nee, veel minder. 10 %? Nu krijg ik wel een voorzichtig antwoord:

In de praktijk houden traders als groep waarschijnlijk minder dan 10% netto over van de structurele beurswinsten… maar ja, 10 % is een plausibele schatting voor het collectieve aandeel van alle traders samen. De rest (90% of meer) gaat naar passieve langetermijnbeleggers die gewoon de markt volgen met lage kosten. 

 

 

* Niet alleen bevat de prijs van een aandeel alle informatie over de gunstige en ongunstige aspecten van het aandeel, die prijs is ook door iedereen gekend, en iedereen weet dat die door iedereen gekend is, en iedereen weet dat de prijs van een aandeel alle informatie bevat ... etc. Het is met andere woorden een voorbeeld van common knowledge. 

zondag 14 juni 2026

Kan asielmigraties beperkt worden?

 


Tom Naegels: ‘Het zal nooit genoeg zijn

    Men zou willen dat alle opiniestukken zo helder en redelijk waren als dat van Tom Naegels in De Standaard (13/6): Zelfs als het migratiepact werkt, zullen we niet merken dat het werkt.*  Ik ben het helemaal eens met de titel, half eens met de redenering, en helemaal oneens met de conclusie. Op zijn FB-pagina heeft Naegels zijn stuk nog eens samengevat: 

In mijn column van vandaag maak ik een punt waar ik al eerder op gehamerd heb: je kunt proberen, met een alsmaar strenger beleid, om de instroom van asielzoekers of migranten in het algemeen te doen dalen. Maar dat is au fond niet het echte doel van dat strengere beleid – het echte doel is dat de kiezers zullen mérken dat die instroom gedaald is, dat ze het zullen waarderen dat hun bezorgdheid serieus genomen is, en dat ze als reactie daarop stoppen met voor uiterst-rechts te stemmen … Maar zo werkt dat niet. Kijk naar de peiling van HLN en VTM van vandaag: het VB blijft de grootste partij, ondanks het feit dat de migratiecijfers gedaald zijn, ondanks het feit dat Anneleen Van Bossuyt daar trots over communiceert, en ondanks het feit dat deze regering erin slaagt om verder van migratie niet zo’n issue te maken. Die kiezers … vinden nog steeds dat er te veel migranten zijn. Kiezers … weten meestal niet welke nieuwe procedures in werking zijn gesteld om de instroom te beperken, en zij weten niet of die procedures doen wat ze moeten doen. Zij weten überhaupt ook niet hoeveel mensen er op een jaar naar België komen, en ze weten dus ook niet of dat aantal gedaald is. En zelfs als ze dat allemaal wél weten: “te veel migranten” is een aanvoelen. 50.000 per jaar kan als te veel aanvoelen, maar 30.000 per jaar kan net zo goed als te veel aanvoelen. Emotioneel zijn dat cijfers van eenzelfde grootte-orde. In je dagelijkse leven merk je het verschil niet …

      En in De Standaard besluit Naegels zijn stuk als volgt:

 Het enige waarop je dan nog kunt hopen, is dat [de kiezers] in hun dagelijkse omgeving zullen merken dat het aantal mensen van kleur zichtbaar vermindert. Maar dat is een demografische evolutie die zelfs het striktste migratiebeleid niet voor elkaar krijgt. 

      Naegels ziet maar één mogelijke drijfveer die redelijke politici ertoe kan brengen om een strikt migratiebeleid te voeren: het tegenhouden van uiterst-rechts. Het is een doelstelling die hijzelf ‘in wezen onderschrijft.’ Er is echter een veel belangrijker reden voor de immigratiebeperking: de integratie van de reeds aanwezige migranten mogelijk maken. Die integratie is onmogelijk zolang de migranten sneller binnenkomen dan ze cultureel geassimileerd raken. Waarschijnlijk zijn er nu al te veel om een assimilatie op middellange termijn mogelijk te maken; het enige waar we nog op kunnen hopen is de héél lange termijn.
     Naegels heeft gelijk als hij stelt dat het brede publiek het niet eens zou merken als de asielinstroom fors daalde. Natuurlijk is dat zo, want het enige dat je met zo’n ‘daling’ zou merken is een verdere tóename, zij het aan een vertraagd tempo. De mensen merken dus geen daling, omdat er geen daling is. Om het in Naegels zijn woorden te zeggen: ook met een strikte migratiebeperking neemt ‘het aantal mensen van kleur in hun dagelijkse omgeving’ tóe.
     Mijn moeder ging dertig jaar geleden in Menen wonen. Er moeten toen enige migranten in het straatbeeld aanwezig zijn geweest, maar mijn moeder merkte die niet, omdat ze zo’n kleine minderheid gewoon was. In Wervik zag je in de jaren 60 ook al wat Algerijnen rondlopen die af en toe de Frans-Belgische grens overstaken. Sommige van hen bezochten onze bioscoop. Maar 15 jaar geleden, naar haar schatting, begon de zichtbaarheid van migranten in Menen snel toe te nemen.
      Die 15 jaar moet een juiste schatting zijn. Ik stond enkele weken geleden bij de bakker op de Menense markt en voor mij was een Pakistaanse vrouw aan het kletsen met de bakkersvrouw. Bleek dat die Pakistaanse in Menen geboren was. Vijftien jaar geleden was ze met haar man naar Pakistan verhuisd om voor zijn zieke vader te zorgen. Haar kinderen hadden Urdu op school gesproken maar in de huiselijke kring werd het Menens dialect in ere gehouden. Nu was ze met haar gezin voor goed naar Menen teruggekeerd. En wat was ze geschrokken: ‘Vijftien jaar geleden waren mijn man en ik hier de enige vreemdelingen.’ 
     Naegels heeft alweer gelijk dat die zichtbaarheid van migranten zelfs met het striktste migratiebeleid nog zal toenemen door de demografische evolutie. Daar valt niets tegen te beginnen. Maar we kunnen hopen op een andere evolutie. Toen de migranten in Menen aankwamen droeg een deel van de vrouwen een hoofddoek en en een vormloze jurk, tot groot ongenoegen van mijn modebewuste moeder. Maar drie of vier jaar geleden begon die hoofddoekdracht plots heel snel toe te nemen. Dat lag niet aan de demografie, maar aan de imams.
     Het appartement van mijn moeder ligt recht tegenover de technische school waar ze zelf ooit nog lesgegeven heeft. ’s Middags en s’avonds ziet ze de meisjes buitenstromen uit de school en zodra ze de schoolpoort voorbij zijn doen ze allemaal snel een hoofddoek om. Drie of vier jaar geleden was dat nog niet zo. Dát is dus óók een zichtbaar proces en we mogen hopen dat het, in tegenstelling tot de demografie, wel omkeerbaar is: dat die meisjes, of hun toekomstige dochters of kleindochters, die hoofddoek weer zullen afdanken. Dat kan bruusk gebeuren in een opwelling van feministische rebellie of als onderdeel van een generatieconflict, dan wel voorafgegaan worden door een langzaam veranderende betekenis van de hoofddoek. ’t Zou in elke geval een vorm van zichtbare integratie zijn.
     Nog twee randbemerkingen. De regering slaagt erin, schrijf Naegels, ‘om van de migratie niet zo’n issue te maken’. Dat is verstandig van de regering. Maar hier kan de linksliberale pers misschien een les uit trekken. Je zou verwachten dat men van die kant evengoed probeert om de migratie- en asielkwestie weg te houden van de voorpagina, zodat uiterstrechts het thema niet niet op een schoteltje aangeboden krijgt. Maar de linksliberale journalisten kunnen hun geëngageerde mond niet houden over één klein onderdeel van de migratiekwestie: de gebrekkige opvang van asielzoekers. Ze zouden die kwestie, als ze er dan toch over moeten schrijven, beter kort en droog behandelen.
     En over de electorale berekeningen van Naegels nog dit. Het is inderdaad onmogelijk om door strenge asielprocedures uit te werken een antimigrantenpartij als Vlaams Belang electoraal te laten verschrompelen. Er zullen altijd mensen zijn die vinden dat er ‘te veel’ migranten zijn, en er zullen onder die migranten altijd voldoende criminelen (of terroristen) zijn om racistische gevoelens op te wekken. Je kunt de aanhang van extreemrechts dus niet wegtoveren of zelfs maar halveren. Maar het afsnoepen van een paar procentjes kan al een heel verschil maken**.
     Daarbij kan het helpen dat Anneleen Van Bossuyt rond migratie ten minste iéts doet en ten minste énig resultaat bereikt, en dat ze in haar communicatie verduidelijkt dat sommige zaken in de goede richting evolueren. En dat kiezers geen acht slaan op de héél lange termijn is niet waar. Als mijn moeder tegen hoofddoeken fulmineert, eindigt ze altijd met de hoop dat haar kleindochters en achterkleindochters die  nooit zullen moeten dragen.
     Is het Europese migratiepact een voorbeeld van zaken die in de goede richting evolueren? Dat weet ik niet. I
k ga dat niet van naaldje tot draadje uitpluizen, maar als ik zie hoe links er zijn gal over spuwt, dan moet er toch iets goed aan zijn. 


*Als men over asielmigratie graag opinies leest, kan men ook terecht bij het laatste stuk van Marc Elchardus in De Morgen. Twee citaten: 

In Europa besteden we meer aan het afhandelen van de asielprocedure dan de VN wereldwijd aan vluchtelingenhulp… en het resultaat is dat negen op de tien asielzoekers hier blijven, legaal of illegaal. 

En de totaalkost voor ons land om asielzoekers uit te wijzen vat Elchardus als volgt samen: 

We besteden dus meer dan een miljard om ongeveer 4.200 mensen die hier niet moeten zijn het land te doen verlaten ... Dat komt neer op een kwart miljoen per opgevolgd uitwijsbevel. 

** Hoe drastisch de asielmigratie moet worden ingeperkt moet niet afhangen van de vraag hoeveel procenten van het VB-kiespubliek kunnen worden afgesnoept. Maar ik vermoed dat de inperking die mij voor ogen staat veel drastischer is dan die die Tom Naegels voor ogen staat.


Martin Sommer: ‘De secundaire machten 

     De vraag die ik hierboven als titel gebruik is misleidend. Het is op die manier dat de kwestie geframed wordt door radicaal-rechts. En het geïmpliceerde antwoord - de traditionele partijen houden de aslielmigratie in stand - is eveneens misleidend. Alsof Bart De Wever of gelijk welke andere politicus s morgens wakker wordt met de vraag: hoe kan ik de asielmigratie in stand houden? Maar de vraag áchter de misleidende vraag is reëel: wat is de reden dat er aan de massale asielmigratie geen einde komt? Dat einde wordt nochtans gewenst door een groot deel van de bevolking, en beloofd door een groot deel van de mainstream politici.
     Een betere kadering van de kwestie vond ik in een stuk van historicus Martin Sommer in EW-magazine. 

Aan de meerderheid in de Tweede Kamer ligt het niet. Maar het hindervermogen van de secundaire machten, van asieladvocaten, journalisten, adviesorganen, hoogleraren en Europese rechters, is ook na een kwarteeuw soebatten helemaal intact.

     Een andere vraag is dan: waarom kan een parlementaire meerderheid die secundaire machten niet opzij schuiven? Daar zijn veel redenen voor. De belangrijkste is dat de mainstream partijen – terecht – de kwestie willen regelen binnen een wettelijk en rechtstatelijk kader. Het opnemen van asielzoekers is een verplichting binnen het EU-recht. Ofwel moet België dus uit de EU treden, ofwel moet dat EU-recht worden aangepast. Misschien moet zelfs de Grondwet worden aangepast. 
   
 Dat alles is in de praktijk niet mogelijk met een eenvoudige meerderheid. En dan botst men op een niet te omzeilen struikelblok. Een niet-onbelangrijke minderheid van de publieke opinie, en een niet-onbelangrijke minderheid binnen de politieke partijen, zijn voor het behoud van massaal toepasbaar asielrecht**. 
     Op termijn moet een hervorming van het EU-recht mogelijk zijn. Het zou mij verwonderen als niet in alle EU-landen – althans in de publieke opinie – een meerderheid te vinden was voor drastische asielbeperking. Dan moet die uiteindelijk toch mogelijk zijn. In het kader van een democratisch compromis met de minderheid zal die beperking misschien niet zó drastisch zijn als sommigen zouden willen, maar toch: drastisch.
     Daarvoor is een zekere mate van Kulturkampf onvermijdelijk. Die asieladvocaten, journalisten, experts en rechters zijn beïnvloed door het linksliberalisme, of preciezer: door een mengeling van christelijk humanisme, liberaal universalisme en socialistisch internationalisme. Maar een strikter asielbeleid kan ook verantwoord worden vanuit een voorzichtig liberalisme, een protectionistische sociaaldemocratie en een cultuurconservatieve christendemocratie. Als het alléén van het nationalisme zou afhangen, zal er in Europees verband nooit iets veranderen. 

* Er bestaan, toegegeven, politici die voordeel halen uit de migratie omdat die een deel van hun kiespubliek levert. Maar dat kan slechts een beperkt voordeel zijn aangezien legale asielmigranten niet zomaar stemrecht krijgen, en illegale, afgewezen asielzoekers al helemaal niet kunnen stemmen. 

** Die mensen willen niet zozeer asielzoekers aantrekken, maar ze vinden het onmenselijk om asielzoekers te weigeren.