zondag 22 maart 2026

Tom Naegels over de Cofnas-kwestie


Tom Naegels over de Cofnas-kwestie

       Ik schreef eerder al iets over de 45 Gentse filosofen die Nathan Cofnas willen uitsluiten van hun universiteit omdat hij onderzoek doet naar de relatie tussen ras en IQ. Ik was tegen die vorm van censuur*. En nu heeft de Grand Old Man van de Amerikaanse filosofie Peter Singer lucht gekregen van de zaak en samen met andere professoren, een open brief opgesteld om de academische vrijheid in deze kwestie te verdedigen. Ik heb dus Singer aan mijn kant. Maar er zijn van de week ook enkele stukjes geschreven die de andere richting uitgaan. Eerst was er Seppe De Meulder in De Wereld Morgen. ‘Heb je dat stuk van De Meulder gelezen?’ vroeg een vriend gisteren met een brede grijns. Ik grijnsde terug**.
      Dan was er het stuk van Tom Naegels in De Standaard, dat een antwoord was op een stuk van Boudry. Bij de stukken van Naegels moet ik meestal niet grijnzen. Dan krijg ik veeleer een denkrimpel. Een beetje kort door de bocht vindt Naegels de academische vrijheid in dit geval schadelijk, nutteloos en onmogelijk. Dat is ook zijn standaardbenadering van de immigratiebeperking: schadelijk, nutteloos én onmogelijk.
    Met de schadelijkheid van het onderzoek heeft Naegels zijn beste argument te pakken. Een onderzoek naar ras en intelligentie, schrijft hij, is geen ‘spielerei’, geen ‘interessante piste’ of geen ‘statistisch model’. ‘Als je zwart bent … staat er veel meer op het spel.’ Naegels werkt het argument niet uit, maar dat hoeft ook niet. Anderen, zoals Chomsky, hebben het al gedaan. Zo’n onderzoek als dat van Cofnas kán tot conclusies leiden die mensen leed berokkenen. Of zoiets kan in elk geval niet worden uitgesloten.
     Ook dat het Cofnas-onderzoek nutteloos is, maakt niet de hoofdlijn van Naegels zijn redenering uit. Hij schrijft het nergens letterlijk, maar hij vergelijkt Cofnas met getuigen van Jehova, met klimaatontkenners en met lieden die beweren dat ‘de Joden doelbewust samenzweren om het blanke ras te verzwakken.’ De lezer kan dan zelf zijn conclusie trekken. Als de U Gent geen geld en middelen besteedt aan de bijbelstudie van de Getuigen, waarom zou ze dat wel doen met even onzinnig onderzoek naar ras en intelligentie?
      Zo geformuleerd vertoont dat argument verschillende zwakheden. Om te beginnen wordt de onzinnigheid van dat onderzoek op voorhand bewezen verondersteld, een werkwijze die men petitio principii noemt. Een belangrijker bezwaar is dit. De nutteloosheid van onderzoek kan in een academische context enkel worden gemotiveerd door een overduidelijk gebrek aan wetenschappelijke methode – zoals bij de bijbelstudie van de Jehova-getuigen – of door een inbreuk op een overduidelijke wetenschappelijke consensus – zoals die over de gemeten temperatuurstijging. Maar dat geldt allemaal niet over het ras-en-IQ-onderzoek. Het onderzoek, waar het gebeurt, gebruikt biologische, statistische of moraalfilosofische redeneringen die allemaal kunnen worden getoetst op hun wetenschappelijke methodiek.
     Bovendien hangt er rond dat onderzoek weliswaar een taboe, maar dat is niet hetzelfde als een consensus. Er bestaat een verpletterende hoeveelheid aan cijfermateriaal over de ongelijke IQ-scores van blanke, zwarte en Aziatische Amerikanen. Over die cijfers zelf is er geen controverse. De discussie gaat onder meer over de vraag óf, en in welke máte, deze verschillen teruggaan op een genetische basis. Op zijn Substack citeert Maarten Boudry bevragingen waaruit blijkt dat een belangrijke minderheid van IQ-onderzoekers en psychologen een zekere mate van genetische invloed niét uitsluiten. Als buitenstaander heb ik de indruk dat de hedendaagse genetica nog niet in staat is om de vraag definitief te beantwoorden. Je kunt uit die omstandigheid zelfs een voorlopig argument puren tegen ras-en-IQ-onderzoek op dit moment: is het niet beter om dergelijk onderzoek uit te stellen en om de genetische onderzoeksmethoden eerst verder te verfijnen aan de hand van minder gevoelige onderwerpen?
     Maar goed, de schadelijkheid en de nutteloosheid van het onderzoek is niet de echte invalshoek van Tom Naegels. Hem is het vooral te doen over de onmogelijkheid ervan. Daarmee bedoelt hij niet dat er geen statistische, biologische of moraalfilosofische methodologie rond het onderwerp mogelijk is, maar hij ziet geen ruimte voor een ‘vruchtbare’ academische discussie. Daarvoor moet er immers voldoende common ground zijn, moet er een sfeer van 
pluralisme, relativering en onthechting heersen, en een mentaliteit van let’s agree to disagree. ‘In deze context,’ schrijft Naegels,

 zou dat iets betekenen als: ‘Als jij accepteert dat ik onderzoek doe naar de lagere intelligentie van zwarte mensen, dan accepteer ik dat jouw onderzoek structureel racisme blootlegt … en daarna drinken we een pint.” 

     Voor mij is dat de ideale wereld, maar Naegels oordeelt terecht dat die mentaliteit vandaag in de verdrukking staat.

 Geen van de beide kampen wil dat [pluralisme]. Ze voelen zich bedreigd door elkaar. En ze verwijten de mensen in het midden, de gematigde progressieven en conservatieven, dat ze geen kant durven kiezen. Voor beide kampen betekent pluralisme lafheid. Wie denkt dat een universiteit zich aan die confrontatie kan onttrekken met een ‘vecht het onder elkaar uit, maar laat ons erbuiten, wij vinden dit gewoon heel erg boeiend’, die maakt zichzelf, weliswaar met een indrukwekkend notenapparaat onderbouwde – blaasjes wijs.

     Ik vind dat onnodig defaitisme. Waarom zouden we ons neerleggen bij een betreurenswaardige situatie? Waarom zouden de mensen in het midden niet terugvechten om het pluralisme te bewaren of te herstellen? Het is niet omdat ze door de extremisten laf genoemd worden dat ze dat ook moeten zijn. En ze hebben allerlei goede troeven. Ze kunnen zich beroepen op een traditie van academische vrijheid. Ze kunnen steun krijgen van een bestuur dat om pragmatische redenen het liefste de twee kampen binnen de universiteit houdt. De wetenschappelijke methodologie biedt een maatstaf om de prestaties van de ‘kampen’ te beoordelen en kan dezelfde functie hebben als de Marquess of Queensberry Rules bij een boksmatch. En er zijn faculteiten waar de discussies nog altijd bestaan uit botsende argumenten, in plaats van botsende waarden en wereldvisies. Waarom zouden de sobere wiskundigen het goede voorbeeld niet kunnen geven aan de filosofen en de sociologen?
      Verder is het niet helemaal duidelijk hoeveel kampen er in het geding zijn. Zijn er slechts twee kampen, rechts tegen woke, of is het ‘onthechte’ midden ook een kamp dat kan meestrijden? Dan is dat laatste, zoals ik hierboven betoogde, niet kansloos.  Maar beter nog lijkt het mij om aan de kampenverdeling een tweede as toe te voegen: die van verdraagzaamheid versus onverdraagzaamheid. Ik volgde enkele maanden geleden de discussie tussen Maarten Boudry en Stijn Bruers over Gaza. De twee namen allebei een radicaal, zo je wil, extreem standpunt in, alhoewel ze dat misschien allebei zullen ontkennen. Ik heb de argumenten van Bruers en Boudry over Gaza zonder opwinding gelezen. Mijn onthechting verdween echter toen Bruers begon aan te dringen op het ontslag van Boudry als hij niet ophield zijn mening te verdedigen.
       Daarmee plaatste Bruers zich in het kamp van de openlijk-onverdraagzamen, zelfs als hij over Gaza misschien gelijk had. Die twee kwesties – Gaza enerzijds en de academische verdraagzaamheid anderzijds – kunnen worden losgekoppeld. Singer, Pinker, Boudry etc. zijn ook tussengekomen in de Cofnas-kwestie zonder zich over de strekking van het onderzoek zelf uit te spreken. Dát is wat een universiteit moet doen. Ze kan zich ‘niet de confrontatie onttrekken,’ ze moet kamp kiezen, en wel voor het pluralisme en verdraagzaamheid***.
     Ten slotte mogen we de lat van het pluralisme gerust wat lager leggen dan Naegels doet: het móet niet altijd, en voor iedereen, en onmiddellijk, leiden tot een ‘vruchtbaar’ gesprek. Ideologische tegenstanders binnen dezelfde universiteit of vakgebied móeten samen geen pint gaan drinken. Ze móeten niet onthecht zijn. Ze mógen vernietigende reviews schrijven waar dan weer vernietigende antwoorden op volgen. De kans dat ze elkaar ‘overtuigen’ is ongeveer nihil. Ze moeten het inderdaad maar onder elkaar uitvechten –  als het kan met argumenten, als het moet met scheldwoorden – want het alternatief is dat je de ‘andere’ kant het zwijgen oplegt. En die censuur is voor de wetenschap erger dan een onvruchtbaar ‘dovemansgesprek.’
      Ik beweer niet dat het waardenvrije wetenschapsideaal van Max Weber binnenkort opnieuw zal overheersen aan onze universiteiten, maar iéts moeten we toch kunnen doen aan de huidige onverdraagzaamheid. Het is één zaak dat progressieve sociologen of neoliberale economen konkelen om geloofsgenoten aan benoemingen te helpen, of dat ze in reviews onrechtvaardig oordelen over de publicaties van hun ideologische tegenstanders. Maar het is een andere zaak als sommigen de onbeschaamdheid zo ver drijven dat ze openlijk benoemingen willen tegenhouden vanwege meningsverschillen, bijvoorbeeld door middel van petities en open brieven. Zo’n openlijke onbeschaamdheid moet openlijk worden aangeklaagd, zoals Peter Singer, Steven Pinker, en die anderen gedaan hebben. Ik had graag gehad dat Naegels dat ook had gedaan.

* Zie mijn stukje hier.

** Over De Meulder zijn stuk durf ik niets schrijven. Hij noemt The Bell Curve een racistisch boek omdat er in de voetnoten naar racistische onderzoekers verwezen wordt. Misschien ben ik nu ook een racist omdat ik op mijn beurt in deze voetnoot naar The Bell Curve verwijs. En dan wordt iemand die mijn blogje deelt ook een racist. Want wie anders dan een racist deelt een blogje van een racist die verwijst naar een racistisch boek waarin naar racisten verwezen wordt? 

*** Ik probeer mij, zo ver als mijn temperament dat toelaat, in het kamp van de verdraagzamen te plaatsen. Onlangs was er aan de VUB een rel rond de aanstelling van de extreem-linkse academicus Harry Pettit. Ik zwijg nu even over diens rare berichten op X, maar ik heb gelezen dat hij onderzoek doet op het gebied van de sociale geografie. Gezien de ideologische meningsverschillen tussen Pettit en mij, verwacht ik dat de conclusies van dat onderzoek ingaan tegen alles waarin ik geloof. Ik zou het daarom fijn vinden als andere sociaal geografen de methodologie van Pettit fileren. Maar ik zou het niet fijn vinden als ze in een moeite door de aanstelling van Pettit betwisten. 


Scholierenkoepel
     Als ik het woord ‘scholierenkoepel’ hoor, wordt de boomer in mij wakker, of eerder nog de Waldorf & Statler. Nochtans heb ik wel eens scholierenkoepelachtige leerlingen in de klas gehad en kon ik het prima met hen vinden. Maar dat hun halfwassen meningen ernstig worden genomen in de pers vind ik onverteerbaar.
      Nu heeft de koepel weer een onderzoek laten uitvoeren naar het welbevinden van de leerlingen. ‘De werkdruk is te hoog,’ zegt voorzitster Lieselore Wouters in De Standaard (20/3). Ach wat! Leerlingen vinden altijd dat ze teveel taken en toetsen krijgen. ‘Er is ook racisme van de leerkrachten,’ zegt een meisje van kleur op tv. ‘Als er rumoer in de klas is, kijkt de leerkracht altijd eerst naar ons.’ Kom nou. Als een leraar een opmerking maakt over een leerling voelt die zich altijd speciaal geviseerd.
     Ergerlijk vind ik het als die jongelui hun mening ventileren over iets waar ze met hun beperkte levenservaring niets van afweten. Voorzitster Wouters:

 Zeker voor het middelbaar denk ik dat er minder mensen zullen kiezen voor het beroep. Als ik zelf leerkracht zou zijn, zou ik me ook niet aangetrokken voelen door wat er vandaag beslist wordt. Door studiedagen af te schaffen en het onderwijs steeds complexer te maken, jaagt men mensen weg uit het beroep. En zo wordt het probleem alleen maar groter.

     Wat weet dat kind nu over de voor- en nadelen van de pedagogische studiedagen? Of neem de kwestie van de digitale deconectie. De Standaard schrijft:

De digitalisering van het onderwijs heeft duidelijk impact op het dagelijkse leven van leerlingen. Zo geeft 42 procent aan wekelijks ook buiten de schooluren berichten of opdrachten te ontvangen via digitale kanalen. Tegelijk zegt 38 procent moeite te hebben om na school het hoofd leeg te maken, om echt los te koppelen. Digitaal niet kunnen deconnecteren speelt een belangrijke rol voor het mentaal welzijn van leerlingen. “Het is de verantwoordelijkheid van de scholen om een goed digitaal kader uit te werken, bijvoorbeeld door telkens in twee dagen te voorzien om te antwoorden of ‘s avonds geen taken meer te posten”, zegt Wouters. “Dit is eigenlijk vrij simpel op te lossen met overleg tussen leerlingen en leerkrachten.”

     Dat de leerlingen moeite hebben om na de school hun hoofd leeg te maken, kan ik best geloven. Ik had daar als leerling de allergrootste moeite mee. De beste manier om van de school te deconecteren, is om onmiddellijk als je thuiskomt je taken te maken, je lessen te leren en je toetsen voor te bereiden. Daarna heb je nog een hele avond om te deconnecteren. Ik deed het als leerling omgekeerd: ik stelde alles uit en daardoor werd de mentale druk altijd maar zwaarder.
      En die digitale stress dan, dat is toch iets nieuws? Zeker, en ik weet precies hoe dat ging toen ik leraar was. Ik zei iets als: ‘Neem je schoolagenda en schrijf in voor volgende week dinsdag …’ en voor ik de zin had afgemaakt zeiden drie leerlingen tegelijk: ‘Ach meneer, zet het maar op Smartschool.’ Ik deed dat dan heel braaf, want ik begreep hen: als leerling schreef ik ook nooit iets in in mijn agenda.

 

Welbespraakte energie-expert
    Michael Liebreich wordt in De Standaard (21/3) een ‘veteraan in de wereld van de groene technologie genoemd.’ Hij vertelt honderduit over de energietransitie. Ik heb daar geen mening over, en ben al lang blij dat hij niet van de degrowth-strekking is. Wat mij wel opviel was het hoge gehalte aan treffende uitspraken. 

**Activisten en groene partijen hebben de problemen goed herkend. Maar je laat ze best die problemen niet oplossen. In het VK zou je ze niet eens vertrouwen om een feestje voor kleuters te organiseren.

**Ik heb met verbazing gekeken hoe iedereen na de oproep van Greta Thünberg plots begon te spreken over de opwarming beperken tot 1,5 graad. En niemand die zei: ‘Oké Greta, we begrijpen wat je wil, en in grote lijnen heb je gelijk, maar we gaan het toch anders doen.’

**China domineert de markt van de zeldzame aardmetalen. Dat is een totale markt van slechts een paar miljard dollar. Als we 10 miljard euro per jaar hadden vrijgemaakt om die strategische industrie te ondersteunen, zaten we vandaag in een andere situatie.

**Geef hernieuwbare energie er niet de schuld van dat kerncentrales dichtgaan. De schuldigen waren domme mensen, die bang waren voor het verkeerde spook. 

**Hiernieuwbare energie is niet goedkoop. Ze is goedkoop om op te wekken zolang je relatief weinig zonne- en windenergie produceert. Maar wanneer je dat aandeel naar 50 procent brengt, is de flexibiliteit op systeemniveau weg.

**Europa is eerst voor groene elektriciteit gegaan, terwijl dat slechts 30 procent van de totale energievraag is.  

**Om de opwarming tot 2 graden te beperken, zou de koolstofprijs kunnen oplopen tot 225 dollar per ton. Maar om tot 1,5 graad te komen zou dat tot 6.050 dollar per ton zijn. 

**Ik heb geen probleem met kernenergie, maar ik denk dat we onszelf voor de gek houden als we denken dat het woord ‘modulair’ het kostenprobleem zal oplossen.

**De enige manier om de kosten van modulaire kerncentrales omlaag te krijgen is dat je er veel – 50 of 100 – van bouwt. 

**Veel conservatieven vinden het niet prettig dat je om iets te doen tegen de klimaatverandering beleidsinterventies nodig hebt. Ze zijn daar zo fel tegen dat ze dan maar besluiten dat klimaatverandering niet bestaat.

 

Misleidende grafieken
     Ik heb zoals iedereen de ‘misleidende grafiek’ van Het Laatste Nieuws over de laatste peiling naar de Vlaamse kiesintenties. De percentages op die grafiek zijn juist weergegeven, maar de balkjes staan niet in verhouding tot de cijfers. Ik dacht: ‘Wat een stomme fout van HLN!’ maar boos opzet sloot ik uit. Ik heb er dan ook niets over geschreven, hoewel ik geïnteresseerd ben in grafieken.
     Het komt hierop neer: ik heb het altijd moeilijk om in boos opzet te geloven. Maar achteraf blijkt dat er met die grafiek inderdaad boos opzet mee gemoeid was, maar dan omgekeerd: iemand had die misleidende grafiek in elkaar geknutseld om dan HLN te kunnen beschuldigen van het plaatsen van een misleidende grafiek.



 
          Ik heb lang geleden het boekje gelezen How To Lie With Statistics. Daar ging het ook vaak over de grafieken. Men kon een stijging of daling groter voorstellen door de Y-as niet op nul te laten beginnen, of door die logaritmisch te maken. Maar dat is meestal geen misleiding; daar zijn vaak goede redenen voor. Bij een andere werkwijze zou het papier te klein zijn om de grafiek op af te drukken. Ik geloof dat er meer ‘gelogen’ wordt met de cijfers zelf, die men dan zorgvuldig uitkiest, dan met de grafische uitwerking. Maar de lezer moet wel aandachtig kijken natuurlijk.
      Ook de keuze van de grafiekvorm – lijn, balk, cirkel – kan een verkeerde indruk geven. Laatst zag ik een grafiek over het aantal gelovigen in Frankrijk. Men wilde het verschil laten zien tussen de verschillende leeftijdsgroepen: hoe ouder, hoe geloviger. Dat komt niet als een verrassing. Maar men had gekozen voor een lijngrafiek. Daardoor kreeg je de indruk dat het aantal katholieken (de groene lijn) aan het stijgen was en het aantal niet-godsdienstigen (de rode lijn) aan het dalen was. Ik kan alweer moeilijk geloven dat zoiets boos opzet is. 



zaterdag 21 maart 2026

Kortjes

Het vermogen tot verontwaardiging
    
      Sinds Ludo De Witte hem een crapuul heeft genoemd, ben ik een zekere sympathie gaan koesteren voor Maxime Prévot. Af en toe zegt de minister dan iets waardoor mijn sympathie nog toeneemt. In De Standaard van 8 maart zegt hij bijvoorbeeld, als antwoord op een vervelende vraag over Theo Francken: ‘Het vermogen van de media om verontwaardigd te zijn zal mij altijd blijven verbazen.’ Jonathan Swift bedankte in zijn grafschrift de dood omdat ze hem van zijn ‘saeva indignatio’, zijn woeste verontwaardiging  had verlost. Maar we kunnen daar al tijdens ons leven wat op oefenen. 


Onverschilligheid
     Men kan de gelijkmoedigheid beoefenen om zelf niet al te ongelukkig te zijn in het leven. Maar Tom Naegels (DS 8/3) ziet er ook ook maatschappelijke voordelen in. ‘Een zekere mate van onverschilligheid is essentieel voor de harmonie en de tolerantie in een samenleving.’ Wijsheid!


Raadsel
      Het schijnt dat er in alle leeftijdsgroepen tussen 23 en 39 jaar meer mannen zonder partner zijn dan vrouwen. Ik zou op eigen kracht nooit de verklaring van dergelijk verschijnsel hebben gevonden. Gelukkig verklapt onderzoekster Laura Robberecht de  reden: ‘Vrouwen zijn geneigd om te daten met mannen die ouder zijn dan zijzelf.’ Dat begrijp ik, al zou ik het met een tekeningetje nog beter begrijpen.


Mooie foto’s
     De communistische landen van weleer prezen zichzelf aan in onvoorstelbaar saaie doctrinaire tijdschriften, zoals Pékin Information, maar ze hadden voor de kameraad in de straat ook glossy magazines waaruit de superioriteit van het socialisme moest blijken. In mijn geboortedorp woonde een oude communist die zulke DDR-publicaties bijhield. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het daar is,’ zei hij. ‘In de fabrieken hangt daar zelfs een rode vlag. Dat zou in ons land onmogelijk zijn.’ Ik herinner mij een foto uit zijn tijdschriftenverzameling. Vrolijke, nieuwsgierige fabrieksarbeidsters hebben zich (in plaats van vlijtig te werken) verzameld rond een collega die partijlid is. Het onderschrift luidde: ‘Na, was gab’s gestern auf der Partei?’


Geen nieuwe dingen
     Als ik stukjes schrijf, wil ik liefst geen ‘nieuwe’ dingen te verzinnen. Ik moet de indruk hebben dat wat ik schrijf geen nieuwe gedachte is, maar iets dat mij al lang bezighoudt, en nu pas aan de oppervlakte komt, bijvoorbeeld omdat ik een stuk van Reynebeau in de krant heb gelezen. Doelbewust op zoek gaan naar iets nieuwsl, speciaal om er een stukje over te schrijven, heeft iets oneerlijks. Het is aanstellerij.


Humor
     Als we in een gesprek iets grappigs zeggen, passen we daarbij altijd dezelfde kunstgrepen toe: overdrijving, understatement, ironie, enzovoort. Dat is niet moeilijk want we hebben in ons leven al honderden voorbeelden van die kunstgrepen waargenomen. Ze maken al bij al een beperkt arsenaal uit. Maar komt het ook voor dat men een kunstgreep op eigen kracht ontdekt, zonder dat men daarvan al voorbeelden had waargenomen? Mijn zoon had ooit een geslaagde bon mot. Een vriendin van mij had hem enthousiast uitgelegd wat het feminisme was, en hij antwoordde: ‘Als het zo zit, word ik morgen ook feminist. Of zeker overmorgen.’ Dat is dezelfde kunstgreep als toen Augustinus tegen God zei: ‘Da mihi castitatem, sed noli modo.’ ‘Geef mij kuisheid, maar doe dat niet onmiddellijk.’ Mijn vraag is nu, heeft mijn zoon dat humoristisch trucje zelf uitgevonden, of heeft hij het van Augustinus? Of van iemand anders?


Slecht
     Als mijn ouders spraken over iemand die ‘slecht’ was, verwezen ze daarmee altijd naar diens seksuele losbandigheid. Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen die seksueel losbandig was, werd als ‘slecht’ bestempeld, maar ik ben er nooit achter gekomen wat de precieze criteria waren. Zeker is dat de zonde van onkuisheid een apart statuut had, een beetje zoals racisme, homofobie en zionisme vandaag.


Hoge hakken
     Omdat mijn moeder nogal klein is van gestalte, heeft ze altijd graag schoenen met hoge hakken gedragen. Zelfs nu ze 98 is, wil ze minstens 3 centimeter hak aan haar schoenen, tot wanhoop van twee van haar kleinkinderen die arts zijn. Die hoge hakken-schoenen stelden haar voor een probleem toen ze nog les gaf in Snit & Naad. Ze vond het toen haar plicht om zo elegant mogelijk gekleed te gaan, als voorbeeld voor de leerlingen die moesten leren hoe men mooie kleren ontwerpt en maakt. Ook de accessoires moesten mooi zijn. En als ze een modieuze nieuwe handtas kocht, moest daar een paar passende schoenen bij. 
     Zoiets was natuurlijk onbetaalbaar, maar gelukkig had mijn grootvader als jongen het vak van schoenmaker geleerd van zijn vader, voor hij naar het conservatorium ging.  Hij kon een damesschoentje maken met heel hoge hakken, waar mijn moeder even comfortabel in liep als waren het pantoffels. Voor elk schoenenpaar dat hij maakte, kocht hij een andere leest, zodat de hoek van de schoen perfect was. ‘Als de schoen niet helemáál juist zit,’ zegt mijn moeder, ‘ga je wiebelen bij het lopen, zoals prinses Elisabeth.’


Relativiteitstheorie
     Zoals iedereen heb ik ooit wel iets gelezen over de relativiteitstheorie en over kwantummechanica. Bij de relativiteitstheorie begrijp ik ongeveer wát ik niet begrijp. Maar bij de kwantummechanica heb ik geen idee wat er te begrijpen valt. Als ik er een vulgariserende uitleg over lees denk ik: wat is daar nu zo moeilijk aan?


Romantiek als kunststroming
     Komiek Jens Dendoncker heeft een zaalshow in elkaar geknutseld over de Romantiek als kunststroming. De recensente van De Standaard is erg kritisch. ‘Dat er aan de romantiek een onfris reukje hangt van nationalistische en conservatieve reflexen wordt hier gemakshalve genegeerd’. Ik neem mij voor om in mijn eigen stukjes de uitdrukking ‘gemakshalve negeren’ of ‘gemakshalve vergeten’ nooit te gebruiken. (Ik heb ooit hetzelfde voornemen gemaakt voor de uitdrukking ‘onder het mom van’ in de polemische betekenis. Zie hier).

 

Lange Walter
     Van de 16 paracommando’s van Peleton B die in juni 1976 hun rode of groene muts behaalden, zijn er ondertussen al drie overleden. Eerst ontviel ons Jan, de meester van de koordenpiste. Hij was niet helemaal representatief voor het regiment, want hij had een baard en rookte. Dan ontviel ons René. René was op geen enkel vlak representatief. En nu is ook Walter ons ontvallen. Hoewel we maar met 16 waren, hadden we twee Walters:  hij was Lange Walter. Met Walter kon ik over films praten. Als ik zei: The Wild Bunch, antwoordde hij: Sam Peckinpah.

     Jammer genoeg hebben we het overlijden van Walter pas een maand later vernomen. Daardoor konden we niet aanwezig zijn op de begrafenis, met onze muts discreet in de jaszak. Makkers, vind ik, moeten naar elkaars begrafenis gaan. 


Galbraith
     Twee keer heb ik proberen iets te lezen van de Amerikaanse econoom Kenneth Galbraith. Toen ik zestien was probeerde ik Kapitalisme en welvaart te lezen. Dat was toen veel te moeilijk. Vijfentwintig jaar later ben ik begonnen in The Culture of Contentment, in de wachtzaal bij de kinesist. Toen waren mijn overtuigingen al zo gevormd, dat de denkwereld van Galbraith mij niet meer kon boeien. Wel herinner ik mij dat hij schreef over het begrip ‘arbeid’ dat volgens hem iets totaal anders betekende voor een arts en een leraar dan voor iemand die op het land of in een fabriek werkt. Die laatste arbeid was voor de meeste mensen onaangenaam.
      Een van die mensen was Walter, onze makker in peloton B. Hij was onmiddellijk na zijn legerdienst gaan werken in een chemiefabriek. Als we later samenkwamen, zei hij vaak: 
 Ik kom er eerlijk voor uit: ik werk niet graag. Ken jij iemand die wel graag werkt?’ Als ik aan mijn fabriekjaren dacht, moest ik hem bijvallen. Zou het dat zijn wat Marx bedoelde met arbeid die ons vervreemdt’ van onszelf? En had Marx daar een oplossing voor?
      Zeker is dat de afkeer voor zware, repetitieve handenarbeid niet bij iedereen even diep zit. Mijn grootvader werkte graag, mijn schoonvader werkte graag, mijn vader werkte niet graag. Maar ik ken geloof ik niemand die minder graag ‘werkt’ dan mijn zoon, al is hij in zijn vak een halve workaholic.

 

Logica-grapjes van Tom Wouters
     Ik smokkel in mijn teksten kleine grapjes over de invloed van Kant op Hegel ‘en omgekeerd’, of over makkers die naar ‘elkaars’ begrafenis gaan. En ondertussen schrijft Tom Wouters tekstjes waarin hij betreurt dat er zo weinig ‘boeken op ware grootte
 bestaan. Als je wat liefhebbert, is het makkelijker om een grootmeester te erkennen. En van de grootmeester verschijnt binnenkort een boek, In mijn hoofd zwemmen vissen, dat op 19 mei wordt voorgesteld in De Groene Waterman.


Hergé en Vandersteen
     De striptekenaars Hergé en Williy Vandersteen hebben van 1948 tot 1958 samengewerkt aan het tijdschrift Tintin/Kuifje. Zoals Hitler grote bewondering had voor Mussolini, en niet omgekeerd, zo had Vandersteen grote bewondering voor Hergé en niet omgekeerd. Toen een van de zonen van Vandersteen midden de jaren 70 de grote Hergé tegenkwam, vroeg die laatste minzaam: ‘Et votre père, est-ce qu’il dessine toujours?’ Ik hoop dat die anekdote is opgenomen in het boek dat Marcel Wilmet aan de samenwerking tussen de striptekenaars heeft gewijd: De reuzen van Beersel, 88 blz. 25 euro. 

donderdag 19 maart 2026

De wapenbeurs, e.a.


De wapenbeurs
      Nu onze uitgaven van defensie gaan verdubbelen, zit de wapenindustrie in de lift. Wie wil beleggen, wordt door zijn bank gevraagd of hij morele bezwaren heeft tegen aandelen in die sector. En in Brussel heeft er een wapenbeurs plaatsgevonden die zich mocht verheugen in hoog politiek bezoek: Mark Rutte, Bart De Wever, Theo Francken … Er werden wapens tentoongesteld alsof het auto’s, keukenkasten, of erotische parafernalia waren. Het kwam allemaal op het televisienieuws. 
   
 Voor de linkse medemens moet de aanblik onverdraaglijk zijn geweest. Men heeft die mensen 
 Rutte, De Wever en Francken – zo al niet hoog zitten, en nu poseren die lui breed lachend bij wapens die – laten we dat niet vergeten   dienen om mensen aan flarden te schieten. En dan zullen de fabrikanten van die wapens er ook nog eens iets aan verdienen, net als de aandeelhouders die aan hun bank geen morele bezwaren te kennen hebben gegeven aangaande die specifieke industriële sector.
     De meeste van de linkse bezwaren kan ik niet delen. Ik vind het niet erg dat er wat winst wordt gemaakt op de verkoop van auto’s, keukenkasten, erotische parafernalia en wapens. En ik vind het jammer maar noodzakelijk dat we wapens kunnen sturen naar Oekraïne om er Russische soldaten mee aan flarden te schieten. Maar bij die breed lachende gezichten heb ik mijn twijfels. Zouden politici niet beter een lijkbiddersgezicht opzetten als ze rondwandelen tussen uitgestalde instrumenten des doods?
    
 Ach, ik weet het. Linksen zijn in zulke kwesties te emotioneel. Dat is niet altijd goed. ‘Rationality is a moral duty,’ prevel ik wel eens voor mijzelf uit. Maar moet er niet af en toe wat meer met de linkse emoties rekening worden gehouden? Het is een kleine moeite: enthousiasme temperen als men tussen wapentuig rondloopt, een wat getormenteerd gezicht opzetten, geen cynische mopjes vertellen, gravitas uitstralen. Hoeveel morele pijn heeft Ronald Reagan het linkse deel van de mensheid niet berokkend toen hij voor de grap een nucleaire countdown deed als microfoontest?


Iraanse leiders uitschakelen
     De Iraans-Amerikaanse historicus Arash Azizi schrijft op X: 

Beseffen we dat het tot voor kort uiterst zeldzaam was dat landen, zelfs landen die met elkaar in oorlog waren, elkaars hoogste politieke functionarissen gewoon uitschakelden? Zijn we klaar voor het idee dat dit het ‘nieuwe normaal’ wordt.(DS 17/3)

     Het is geloof ik geen inzicht waarvan velen wakker zullen liggen. Ik dacht onwillekeurig aan die potsierlijke scène in Ridley Scotts Napoleon, waarbij een Engelse scherpschutter de Franse keizer in het vizier heeft, maar van Wellington het verbod krijgt om te schieten wegens ungentlemanlike.
       Ik wou ook wel eens weten of de Amerikaanse Grondwet nergens een artikeltje had dat de mogelijkheid voorzag om buitenlandse leiders uit te schakelen zonder regelrechte oorlogssituatie. Ik meende mij vaag een stipulering te herinneren waardoor het Congres de toelating kon geven aan kapers en premiejagers om op vijanden van de staat te jagen. Met de hulp van Grok vond ik al snel wat ik zocht: Art. I, Sect. 8 over de Letters of Marque and Reprisal. Maar hoezeer ik ook aandrong, Grok bleef volhouden dat die regeling niet van toepassing was op buitenlandse staatshoofden. Tenminste niet in vredestijd. En in oorlogstijd luistert het niet zo nauw. 


Canabis
     In De Standaard van 17/ 3 wordt een medisch rapport geciteerd dat negatief oordeelt over cannabisgebruik bij psychische klachten. 

‘Het rotinematige gebruik van medicinale canabis zou wel eens meer kwaad kunnen doen dan goed en kan de geestelijke gezondheid verslechteren. Dat komt doordat er een hoger risico is op psychotische symptomen en verslaving.’

     Twintig jaar geleden was het nog politiek correct geloof ik om te zeggen dat canabis niét verslavend was. Politici van Groen vertelden dat in interviews. Als leraar kreeg ik het te horen op bijscholingen. Alcohol, dát was een hard drug. En ook als je er niet nieuwsgierig naar was, werd je omstandig uitgelegd wat er mis was aan de stepping stone theorie. Er was geloof ik een wetenschappelijke consensus dat die theorie ‘al honderd keer weerlegd was.’ Ook al weten we dat in de wetenschap één weerlegging voldoende is.


München
     In verband met Oekraïne wordt soms gewaarschuwd dat we niet dezelfde fout mogen maken als Chamberlain maakte in München 1938. Toegevingen doen aan Hitler heeft diens agressiviteit alleen aangewakkerd. Maar wat was het alternatief voor München? Duitsland de oorlog verklaren en dan twee jaar wachten tot Duitsland besliste om zelf aan te vallen.
     Men denkt te gemakkelijk dat het alternatief voor naïeve vredespraatjes bestaat uit waakzame, solidaire of krijgshaftige praatjes. Maar praatjes blijven praatjes. Het alternatief voor München 1938 was Rijnland 1936. Toen het Duitse leger, ondanks de verdragen, het Rijnland binnentrok, hadden de Fransen en de Engelsen de oorlog moeten verklaren, het Duitse leger verslaan, en het land opnieuw moeten ontwapenen volgens de akkoorden van na de eerste wereldoorlog.
 Toen kon dat nog gemakkelijk. Maar als er in Oekraïne een Rijnlandmoment geweest is, zou ik niet weten wanneer.


Oscars
     Met het oog op de Oscars hebben we zondagavond gekeken naar Sinners, dat ikzelf al gezien had, en maandagavond naar Marty Supreme. Sinners kreeg vier grote Oscars, en Marty Supreme geen enkele. Het had natuurlijk omgekeerd moeten zijn. Wel ben ik blij dat ‘Beste cinematografie’ niét naar Frankenstein is gegaan, en ‘Beste Geluid’ wél naar F1 The Movie. Dan had die laatste film toch iéts gekregen. Ik heb hem met plezier twee keer kort na elkaar gezien, maar een derde keer was er te veel aan: te ging te veel over autoracen.
       One Battle After Another heb ik nu gisteren ook een tweede keer gezien. Ik heb nu beter kunnen zien hoe die baanbrekende autoachtervolging gemaakt is. Verder was ik vooral onder de indruk van mijzelf, dat ik mij na vijf maanden de film nog zo goed herinnerde. Als ik een film na vijf maanden opnieuw zie, zijn minstens de helft van scènes weer compleet nieuw voor mij. En na een jaar is ongeveer alles nieuw. 
     En nu het over mijn falend geheugen gaat. Een paar weken geleden kwam mijn zoon logeren. Fijn dacht ik, dan kunnen we samen naar Sentimental Value kijken. Maar dat plan ging niet door. ‘Maar papa, die film hebben we een maand geleden gezien.’ Toen wist ik het ook weer: een eerste keer gezien met mijn zoon en een tweede keer gezien met mijn vrouw.  
     Dié film had natuurlijk wel wat meer mogen krijgen dan alleen ‘Beste Buitenlandse Film’. 


Lichtbruine huidskleur
     Een aantal van mijn FB-vrienden schrijven fraaie recensies over oude en nieuwe romans: Herman Jacobs, Dirk Ooms, Joachim Stoop, Pascal Cornet, Luc De Coster ... Die laatste schreef gisteren iets over Ian McEwans What We Can Know. Het verhaal speelt zich af in het Engeland van 2120. Hij vergelijkt het boek met Flaubert’s Parrot en Out of Sheer Rage. Bij het lezen van de korte inhoud dacht ik ook aan Possession van A.S. Byatt. Eén zinnetje viel mij op in De Costers recensie: in het toekomstige Engeland ‘zijn de blanke mensen een minderheid; de standaard is een soort lichtbruin.’ Net zoals in de reclamespotjes, dacht ik, die je vandaag in de bioscoop ziet voor de film begint. 


Wat betekent ‘rechts’
     Het politieke begrip rechts kan van alles betekenen: autoritair, katholiek, conservatief, nationalistisch, liberaal … Dat zijn begrippen die elkaar slechts gedeeltelijk overlappen en die elkaar zelfs kunnen botsen. In een interview met KVHV-leiders op Doorbraak las ik dat de organisatie een open debatcultuur had: het ene lid kon al wat meer inspiratie zoeken in het katholicisme, een tweede in het conservatisme en een derde in het nationalisme. Alleen bij het liberalisme werd een rode lijn getrokken. In de kop van het stuk heette het: ‘Liberale NV-A’ers willen we niet.’ 


Rechts in Nederland, N-VA, PVDA
     De partij van Geert Wilders in Nederland zal wel in grote lijnen uit dezelfde succesbron putten als Vlaams Belang bij ons, het Rassemblement National en Frankrijk, en meer van dergelijke partijen in Europa. Maar ik vraag mij soms af wat er aan de hand is met die andere rechtse partijen. Zijn die niet allemaal wat minder serieus dan N-VA bij ons? Wat moet ik bijvoorbeeld denken van Thierry Baudet? Dat is toch een geleerd man. Waarom verliest hij zich dan in marginale ideeën waarmee hij redelijke mensen uit zijn electoraat weg selecteert?
     Mijn eerste gedachte is dat die Nederlanders in het algemeen wat lichtzinniger zijn dan de serieuze Vlamingen. Misschien is dat wel altijd zo geweest. 
Toen Napoleon op zoek was naar bekwame bestuurders voor Nederland had hij naar het schijnt moeite om die te vinden. Bij één gelegenheid moet hij gezegd hebben: ‘Envoyez-moi quelqu’un de sérieux. Envoyez-moi Schimmelpenninck.’ Ze hadden er dan toch één.
     Maar op momenten dat ikzelf in een minder lichtzinnige bui ben, ga ik op zoek naar andere verklaringen voor de lichtheid van JA21, Thierry Baudet, en die Boeren-en-buitenlui-partij. 
Bijvoorbeeld: zou het kunnen dat die partijen vooral degelijke historische wortels missen? N-VA had die wortels wel, met name in de Vlaamse Beweging. Die wortels, met ideologie, tradities, partijkader, kernelectoraat en fonds de commerce, waren een ballast die partij bij de reële politiek hielden, weg van al te zweverige nieuwlichterijen. Als men een verkiezingsprogramma opstelde, moest men rekening houden met de plaatselijke visboer die al zijn hele leven bij elke verkiezing op de Volksunie-lijst stond.
     De hele kwestie  doet mij denken aan de PVDA, die in de beginjaren onder Ludo Martens wortels heeft moeten verzinnen die zijn partij konden verbinden met de communistische wereldbeweging van vorige generaties, en met de ballast van Que faire, Stalin en de buitenlandse politiek van China. Het was esoterische mythologie maar ze hield het kader bij elkaar en behoedde de partij voor avontuurlijke zijsporen. Een Thierry Baudet maakte er geen kans.
      Wat
 Martens presteerde was niet min want in tegenstelling tot de stamboekflaminganten van N-VA, moest hij van nul af aan beginnen.  Waar Bart De Wever bij het opstarten van N-VA kon beginnen met het zoetjesaan afbouwen van verouderde ballast en met het selecteren wat nog leefbaar was, moest Ludo Martens die verouderde ballast eerst bij elkaar harken. Zijn opvolgers konden dan later beginnen met een en ander op te ruimen. Misschien was hun huidige project niet zo succesvol als ze er vroeger aan begonnen waren en het radicaler hadden aangepakt. 

dinsdag 17 maart 2026

BDW en Oekraïne - 21 notities


1. Mocht ik het niet eens zijn met Bart De Wever over Oekraïne, dan zou ik nu in alle talen zwijgen. Maar ik denk – weten doe ik het niet – dat De Wever gelijk heeft. Omdat de discussie vaak gevoerd wordt over één woord (‘normalisering’) geef ik in bijlage een ruimhartiger selectie van De Wevers uitspraken.

2. De essentie van het standpunt is  

  1. De oorlog zal niet eindigen met een Russische militaire nederlaag maar met een ‘gelijkspel’
  2. Europa moet Oekraïne militair blijven steunen zolang de oorlog duurt; 
  3. Europa moet met Rusland de dialoog aangaan; 
  4. Europa moet mee onderhandelen over de vrede; 
  5. Die vrede moet duurzaam zijn, maar rechtvaardigheid is te hoog gegrepen;
  6. Bij die vrede hoort dat Oekraïne een deel van zijn grondgebied verliest; 
  7. Oekraïne moet politiek en militair onafhankelijk blijven;
  8. Oekraïne moet zich bij de Europese Unie kunnen voegen, weg van de Russische invloedssfeer; 
  9. Na het vredesbestand moet Europa de economische betrekkingen met Rusland opnieuw aanvatten; 
  10. Europa moet zich hoeden voor blijvende imperialistische ambities van Rusland.

3. Hoe lang denkt De Wever al op die manier over de controversiële punten (3) - (6) ? Ik vermoed: al vier jaar, aangezien ik er zelf al vier jaar zo over denk en dat ook zo heb geschreven.

4. Waarom heeft De Wever al die tijd over die controversiële punten gezwegen? Wie politiek verantwoordelijk is moet zijn moment afwachten. De Wever heeft de rare gewoonte om op vragen van journalisten een echt antwoord te geven, ook al zegt hij dan iets wat niet opportuun is. Maar hij doet dat ondertussen al zo lang, dat hij goed weet wannéér hij een uitspraak mag doen die niet opportuun is.  

5. De Wever heeft gezegd dat veel Europese collega’s in een gesprek onder vier ogen hetzelfde zeggen als hij. Dat brengt mij weer bij de theorie van Openbare Kennis waar Steven Pinker zijn nieuwste boek over schreef. Volgens die theorie is de wetenschap dat Rusland de oorlog niet zal verliezen – waar of niet – private kennis die circuleert in een bepaald milieu. Het wordt maar Openbare Kennis als die regeringsleiders van elkaar weten dat de anderen het ook weten, en dat ze weten dat de anderen weten dat zij het zelf weten enzovoort.
     Als dat zo is, heeft De Wever een uitspraak gedaan waardoor Openbare Kennis is ontstaan. Het was hetzelfde soort uitspraak dat De Wever deed tijdens de Grandes Conférences Catholiques: ‘Wie in deze zaal gelooft echt dat Rusland de oorlog zal verliezen?’ – ervan uitgaande dat niemand in de zaal dat geloofde. In de diplomatie moet je met zulke uitspraken voorzichtig zijn. Als je te vroeg roept dat de keizer geen kleren aan heeft, riskeer je dat de iedereen verontwaardigd protesteert dat de keizer wél kleren aan heeft.
 

6. Christophe Degreef besluit zijn stuk op Doorbraak met de woorden: ‘Buitenlandminister Maxime Prévot (Les Engagés) fluit de premier voor de bühne terug over diens uitspraken, maar the word is out. Precies: the word is out.

7. Voor alle duidelijkheid: ik zeg niet dat De Wever gelijk had met zijn timing. In DS (18/3) lees ik de mening van Antonio Costa, de voorzitter van de Europese Raad. Costa erkent dat er vroeg of laat gepraat zal moeten worden met Rusland over vrede in Oekraïne, maar nu nog niet.’ Ik probeer niet eens mij een mening te vormen wie gelijk heeft: De Wever of Costa.

8. Als Zelenkist-aan-de-zijlijn heb ik vooral stukjes geschreven tegen Tom Sauer en co die de militaire steun aan Oekraïne wilden stopzetten zodat Europa een ‘neutrale bemiddelaar’ kon worden. Als Europa onderhandelt met Rusland, moet dat zijn als bondgenoot van Oekraïne.

9. Het stuk van Pieter Lagrou in De Standaard (17/3) bevat, op een paar polemische punten na, een degelijke argumentatie tegen De Wever. Lagrou denkt dat Oekraïne de oorlog zal winnen, misschien al in 2026 maar zeker vanaf 2027, en dat er dan in Rusland een regimewissel zal plaatsvinden. Lagrou somt alle sterke punten op van Oekraïne, en alle zwakke punten van Rusland. Ik lees zulke analyses veel liever dan de analyses waarin men, vaak met leedvermaak, alle zwakke punten van Oekraïne opsomt en alle sterke punten van Rusland. Maar wat ik graag lees, heeft weinig invloed op de werkelijkheid.

10. Tim Haesebrouck (DS 16/3) vat het in zijn opiniestuk goed samen: ‘Als we Rusland te zwak inschatten, riskeren we zelfgenoegzaamheid … Tegelijkertijd mogen we Rusland niet als te sterk inschatten, want dan riskeren we moedeloosheid.’ Ja, het beste is als we Rusland helemaal juist inschatten. Gelukkig moet ik dat niet doen.

11. De Oekraïense frontlijn is al bijna vier jaar geblokkeerd, en zonder doorgslaggevende argumenten, ga ik ervan uit dat dat binnen twee jaar nog zo zal zijn, zoals men in de meteorlogie, op kortere termijnen weliswaar, spreekt van de ‘persistentie van het weer’.

12. Het was misschien allemaal anders geweest als het Westen vanaf dag één een veel massaler militaire steun had gestuurd naar Oekraïne, of als het onmiddellijk in één keer een radicale economische boycot had toegepast. Maar ik kan mij allerlei redenen – ook goede – voorstellen waarom dat niet is gebeurd.

13. De situatie zou er voor Oekraïne een stuk rooskleuriger uitzien, mochten de VS zich met hun volle militaire gewicht achter Oekraïne blijven plaatsen. We weten ondertussen dat dat zo niet is. In de VS wordt de analyse gemaakt dat de belangen van Oekraïne slechts heel gedeeltelijk samenvallen met die van de VS.

14. De Europese leiders beseffen wel dat de belangen van Europa en die van Oekraïne grotendeels samenvallen. Dat zijn in de eerste plaats geopolitieke belangen. Oekraïne heeft Europese steun en garanties nodig tegen Rusland. Europa kan zich geen overwinning van Poetin veroorloven, want die zou een aanzet kunnen zijn voor verdere Russische avonturen. De toekomstige veiligheid van Europa zal mee bepaald worden door de kracht van het Oekraïense leger.

15. Er zijn ook verschillen in de belangen van Europa en die van Oekraïne. Voor Oekraïne is de territoriale integriteit van het land een halszaak, voor Europa niet. Voor Oekraïne kan de economische boycot van Rusland niet radicaal genoeg zijn, voor Europa ligt dat anders. Voor Oekraïne heeft de toetreding tot de EU onmiddellijke voordelen; voor Europa zal het in een eerste fase vooral veel geld kosten.

16. Europa moet de militaire en economische steun die het aan Oekraïne geeft niét gebruiken als chantagemiddel om Oekraïne tot een inschikkelijker houding te brengen. Dat zou respectloos zijn tegenover de heldenmoed van het volk. Internationale politiek is ook 20 procent moraal. Maar Oekraïne moet er rekening mee houden dat die steun, bovenop het verlies dat Europa lijdt door de boycot die het zelf organiseert, niet onbeperkt is. Die steun kan misschien nog worden opgevoerd, maar kan realistisch gesproken kan die niet worden verdubbeld of verdriedubbeld.

17. De Europese leiders zijn begrijpelijkerwijze bang van directe onderhandelingen met Rusland. Het is makkelijker om in het Europees Parlement vastberaden taal te spreken tegen Poetin, dan om hem aan de onderhandeltafel tegen te komen. Iedereen weet op voorhand dat Poetin heel veel skin in the game heeft en dus tot de allergrootste koppigheid geneigd zal zijn. Je krijgt de indruk dat sommige Europese leiders bij de gedachte aan onderhandelingen even bang zijn van de koppigheid van Poetin als van hun eigen toegeeflijkheid als het erop aan komt. Maar angst is een slechte raadgever. 

18. Onderhandelingen moeten van twee kanten komen. Wat heeft Europa dat het Rusland kan aanbieden – in samenspraak met Oekraïne: 1) een uitweg uit een uitzichtloze situatie; 2) een min of meer gelijkspel tegenover de bevroren frontlinie dat kan worden verkocht als een overwinning; 3) herstel van economische betrekkingen van wederzijds voordeel.

19. Voor economisch herstel is goedkope energie nodig, en als we die, na een duurzame vrede, uit Rusland kunnen betrekken, moeten we dat niet nalaten. In Knack lees ik: ‘Wie beweert dat Russisch gas goedkoop is, is totaal misleid.’ Dat betwijfel ik, maar ik begeef mij niet in een welles-nietes   discussie over ecologie. We moeten natuurlijk geen duur Russisch gas meer kopen de dag dat we voldoende goedkope windenergie hebben om onze industrie en al de rest draaiende te houden, maar dat zal nog wel even duren.

20. Maakt Europa dezelfde fout als voor de oorlog als het zich zich opnieuw ‘afhankelijk’ maakt van Russisch gas? Daar moet inderdaad  over worden nagedacht. Het is beter om verschillende leveranciers en gediversifieerde energiebronnen te hebben dan maar één leverancier en één energiebron. Maar de kwestie van de afhankelijkheid speelde dubbel. Als Europa geen afnemer was geweest van Russisch gas, had het ook dat Russisch gas niet kunnen boycotten. Poetin kan met zijn gasvoorraad mogelijk chantage uitoefenen op Europa, maar bij de Oekraïne-oorlog kwam de gas-chantage van de twee kanten: Rusland dat soms weigerde te leveren, en Europa dat steeds minder gas wilde afnemen. En mochten we bij een toekomstig conflict weer van goedkoop Russisch gas naar duurdere energie moeten overschakelen, dan is dat geen reden om ondertussen ook voor duurdere energie te kiezen.

21. In de Kamer heeft Magnette een toespraakje gehouden waarin hij de recente uitspraken van Bart De Wever over Oekraïne ‘hallucinant’ en ‘defaitistisch’ noemt omdat ze ‘perfect beantwoorden aan de wensen van Vladimir Poetin en omdat ze België helemaal achter Donald Trump laten aanlopen.’ Het is een mooi voorbeeld van Latijnse retoriek. Zie hier. Het antwoord van Bart De Wever is ook mooi, maar zakelijker, met een echt citaat. Zie hier.


Bijlage
De uitspraken van De Wever in L’Echo en elders

‘Europa is de enige die Oekraïne nog steeds financieel steunt zonder aan de onderhandelingstafel te zitten. We kunnen wel blijven zeggen dat we deze oorlog zullen winnen maar militair gezien is dat niet waar: naar mijn mening zal er een bevriezing komen langs de frontlijn, zoals tussen Noord- en Zuid-Korea. Wat heeft het voor zin om deze oorlog te verlengen zonder een duidelijke en beslissende overwinning?’  

‘We mogen Oekraïne niet in de steek laten. Het moet een soeverein, democratisch land blijven dat zichzelf kan verdedigen, en we moeten het in de Europese familie onderbrengen. Daarover valt niet te onderhandelen. De vraag is wat we Rusland te bieden hebben opdat het dit zou accepteren. Want we kunnen ze niet dwingen, zelfs niet als men ons die illusie probeert te verkopen. Dat zou het geval zijn als het Westen verenigd was, maar dat is het niet, en Poetin weet dat.   

‘De Chinezen profiteren van de toegang tot goedkope fossiele brandstoffen, de Verenigde Staten verdienen geld door ons de wapens te verkopen die aan Oekraïne worden geleverd. We verliezen op alle fronten. Het conflict moet beëindigd worden in het belang van Europa. Zonder naïef te zijn over Poetin. Dat is een fout die we nooit mogen herhalen. We moeten ons herbewapenen en de grens bewapenen. En tegelijkertijd moeten we de betrekkingen met Rusland normaliseren en weer toegang krijgen tot goedkope energie. Dat is gezond verstand. Privé zeggen Europese leiders dat ik gelijk heb maar niemand durft het ook hardop te zeggen.’

 ‘Aangezien we niet in staat zijn om Poetin te bedreigen door wapens naar Oekraïne te sturen en we Rusland niet economisch kunnen versmachten zonder de steun van de Verenigde Staten, blijft er slechts één methode over: een deal sluiten.’



maandag 16 maart 2026

De gehoorzame vrouw, e.a.


De gehoorzame vrouw
       Van de babyboomers, blijkt uit een ondezoek, vindt 13 % van de mannen dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is een kleine minderheid en dat kan kloppen. Ik ben zelf van de babyboomergeneratie en ik heb nooit gedacht dat mijn vrouw mij moet gehoorzamen. Ik heb een vooroordeel tegenover iedereen die zoiets denkt of zegt.
  
     Toen Charlie Kirk was doodgeschoten, heb ik een en ander over die rechtse propagandist opgezocht. Ik zag enkele filmpjes en las enkele van zijn uitspraken, en een ervan was dat een vrouw haar man moest gehoorzamen. Op slag had ik geen interesse meer voor de man. Ik veronderstelde niet eens dat zijn huwelijk ook werkelijk op zo’n eenzijdige gehoorzaamheid gebouwd was – dat kan ik niet weten, every marriage has its secrets   maar alleen het feit dat hij zoiets zéi, niet in 1850 of in 1950, maar in 2020 was voor mij genoeg. Ik heb er geen bezwaar tegen dat men bij een protestants huwelijk de formule preveld van het Book of Common Prayer (1549) met het voorschrift dat een vrouw haar man moet ‘love, cherish and obey’. Maar je kunt die woorden niet herhalen, vind ik, in politieke propaganda.
      Nu lees ik dat van de generatie Z – de generatie van mijn zoon – 31 procent van de mannen vinden dat een vrouw haar man moet gehoorzamen. Dat is problematisch. Komt het door de ‘islamisering’? Is het de invloed van Andrew Tate? Zien we hier een reactie tegen de excessen van woke? Is er een opstand aan de gang van jonge mannen tegen de feminisering van de maatschappij en haar waarden? Dat is allemaal best mogelijk. Maar misschien ook gaat het meer om een leeftijdsverschil dan om een evolutie. De babyboom-antwoorden komen van bezadigde mannen op leeftijd, die van Gen Z van overmoedige jongens die nog niet getemd zijn door het leven en het huwelijk.
     En dan moeten we bij zo’n onderzoek ook nog proberen te raden hoe de respondenten de hun voorgelegde vragen hebben geïnterpreteerd.  Ik legde de vraag voor aan mijn moeder. ‘Een vrouw moet haar man altijd gehoorzamen, ja of nee?’ Ze wist ze niet goed wat ze moest zeggen.  Uiteindelijk zei ze: ‘Man en vrouw moeten samen beslissingen  nemen. Dat is al wat anders dan een antwoord met ‘ja’ of ‘nee’, alhoewel het vanuit de logica een ‘nee’ inhoudt als je doordenkt. Maar mogen we ervan uitgaan dat alle respondenten altijd logisch doordenken?
     Er is nog een andere kant aan de zaak. In het onderzoek werd ook een andere vraag voorgelegd: ‘Een echtgenoot zou het laatste woord moeten hebben bij belangrijke beslissingen in huis, ja of nee?’ Dat is een vraag van een heel andere soort, en toch is er amper een verschil tussen de antwoorden. Nu zegt 33 procent van de babyboomers ‘ja’ op die stelling in plaats van 31 procent. Het lijkt er wel op alsof ze die twee vragen door elkaar halen.
     De vraag over wie het laatste woord moet hebben is vrij moeilijk te beantwoorden. Het antwoord van mijn moeder – ‘samen’ – is hier niet bruikbaar omdat gevraagd wordt wat er moet gebeuren als men er samen niét uitraakt. Je kunt tussen man en vrouw geen democratische stemming organiseren, want ze bezitten elk de helft van de stemmen. Ik meen te weten hoe het er in veel gezinnen aan toe gaat: over sommige kwesties heeft de man het laatste woord, en over sommige kwesties heeft de vrouw het laatste woord.
      Er bestaat een oud cafémopje. Een man zegt: ‘Ik mag alles beslissen over de binnenlandse en buitenlandse politiek, en mijn vrouw over al de rest.’ Maar meestal is de toekenning van het laatste woord een veel ingewikkelder zaak, waarbij gewoontes, karakter, taakverdeling, kennis, humeur van het moment, en ‘skin in de game’ allemaal een rol spelen. Voor de renovatie van ons appartement hebben mijn vrouw en ik samen een hele reeks beslissingen moeten nemen. Vaak wisten we achteraf niet eens hoe we tot die beslissing gekomen waren. Sommige kwesties lieten we over aan de architecte. Maar er waren ook kwesties waarvan ik tegen mijn vrouw op voorhand zei: ‘Ik zal nu eerst zeggen wat ik ervan denk, maar wind je niet op want hierover heb jij het laatste woord.’ Ik kan toch moeilijk mijn mening over keuze van behangpapier even zwaar laten doorwegen als die van mijn vrouw die weken piekert over de verschillende tinten wit en groen in de slaapkamer.
     Ik heb van Steven Pinker geleerd dat een van de manieren om een speltheoretisch dilemma op te lossen erin bestaat om zonder veel nadenken te grijpen naar het meest in het oog springende antwoord. Dat weerspiegelt niet noodzakelijk het werkelijke gedrag van mannen en vrouwen; het is gewoon het gemakkelijkste, meest stereotiepe antwoord, zeker als de vraag theoretisch wordt gesteld en men er niet, zoals ik, een paar uur over nadenkt.
      Mijn veronderstelling is nu dat het traditionele antwoord – ‘de man beslist’ – als eerste opkomt bij alle ondervraagde generaties, als een soort referentiepunt. Maar de babyboomers zijn opgegroeid in een tijd dat vrouwenemancipatie een onbezoedeld ideaal was. Zij verwerpen het traditionele antwoord als gevolg van  een bewuste inspanning. De Gen Z’ers zijn opgegroeid in een tijd dat feminisme allerlei bijbetekenissen heeft gekregen. Sommigen van hen 
 31 tot 33 procent  verwerpen het antwoord van de babyboomers, en dat doen ze eveneens als gevolg van een bewuste inspanning. Maar noch de boomers noch de Z’ers gaan op het enquêteformulier een klein opstel schrijven over hoe het nu echt zit met die beslissingen tussen man en vrouw. 

 

Verkeersdeskundigen
     Van alle deskundigen heb ik het minste vertrouwen in verkeersdeskundigen. Dat komt misschien omdat ik alleen Kris Peeters ken die in die hoedanigheid een column heeft in De Standaard. Die man, heb ik de indruk, streeft niet naar optimaal openbaar vervoer, maar naar maximaal openbaar vervoer. Maar in De Standaard van 12 maart stond nu een column van twee economen dat meer waard was dan tien stukken van Peeters.
      In het begin van hun stuk schrijven de economen dat de politieke discussie zich niet mag beperken tot ‘individuele verhalen van mensen die aangewezen zijn op het openbaar vervoer.’ Welnu, ik heb zelf zo’n individueel verhaal. Indertijd legde ik het traject Menen – Grasheide verschillende keren per jaar af met het openbaar vervoer. Ik raakte tot in Mechelen met de trein, en vandaar was er elk uur een bus naar Grasheide. Ik had meestal 2 tot 3 medepassagiers. Die bus rijdt nu maar twee keer per dag meer, voor jongelui van het platteland die in Mechelen op school willen gaan, en voor jongelui van Mechelen die op het platteland op school willen gaan.  Zelf moet ik voor die verplaatsing een andere regeling zoeken, door bijvoorbeeld mijn agenda af te stemmen op die van mijn vrouw.
     En nu zeggen die professoren dat de politieke discussie niet mag worden beperkt tot mijn verhaal. Ze hebben natuurlijk gelijk. Ze leggen ook uit waar de oplossing ligt: economisch berekenen van optimale tarieven en frequenties, kostprijs afdekken door ticketverkoop, differentiatie tussen spits- en daluren, samenwerking met taxibedrijven en Uber, rekeningrijden voor auto’s. Het heeft geen zin, schrijven zij, om het  algemeen prijs- en frequentiebeleid af te stemmen op de groep van de zeer lage inkomens. Voor hen moet er een specifiek beleid zijn met bijvoorbeeld gerichte toelagen.