zondag 12 april 2026

De cijfers van Dikke Freddy

    'Brieven van dikke Freddy’ is een column die in De Standaard verschijnt. Auteur Erik Vlaminck kruipt in de huid van een dakloze die zijn problemen aankaart bij de groten der aarde. Ik ken mensen die fan zijn van die columns. Wellicht zijn die stukjes goed geschreven, maar mijn ideologische vooroordelen maken het voor mij moeilijk om ze te smaken. ‘Dikke Freddy is een dikke demagoog,’ denk ik vaak. Waarom zou trappen naar boven zoveel hoogstaander zijn dan trappen naar onder? Waarom moet een welgestelde auteur in de huid kruipen van een dakloze? In Nederland had je in de jaren 80 de ‘Notities van een bijstandmoeder’. Daar ontstond toen een hele rel toen bleek dat die stukjes niét door een bijstandmoeder geschreven werden. Het hele genre lijkt mij sociaal engagement op doping. ‘Borrowed suffering’ las ik ooit in een sociologische paper.
     Eigenlijk zou ik die Dikke-Freddy-stukjes wat grondiger moeten bekijken. Dat ze graag gelezen worden, bewijst dat ze een gevoelige snaar raken bij de welgestelde krantenlezer. En vaak staan er ook harde feiten in die de moeite waard zijn om te overwegen. In DS van 1 april schrijft Dikke Freddy dat Colruyt een noodvoedingspakket verkoopt dat toelaat om 24 uur te overleven. Prijs van dat pakket: 29,99 euro. Dat is een interessant getal. Vermenigvuldig dat met 30 en je moet concluderen dat een mens 900 euro per maand nodig om zich alleen al te kunnen voeden. Dat is een getal dat we dan moeten leggen naast bijvoorbeeld de bedragen van OCMW-uitkeringen. Dikke Freddy zelf ontvangt trouwens van zijn schuldbemiddelaar exact 50 euro per week. Dat is geen ideologie, dat zijn cijfers.
     Ik heb, terwijl ik toch bezig was, ook eens aan ChatGPT gevraagd hoeveel de Vlaming dagelijks uitgeeft aan voeding alleen. Wie alleen thuis eet en zuinig boodschappen doet, zou toekomen met 8 tot 10 euro per dag. Wie ook af en toe maar niet te vaak op restaurant gaat of take-away maaltijden gebruikt, komt op 12 tot 15 euro per dag. En wat die schuldbemiddeling betreft, daar geeft ChatGPT toe dat Dikke Freddy gelijk heeft. Het is inderdaad mogelijk, zij het uitzonderlijk, dat iemand met zeer zware schulden een leefgeld krijgt van niet meer dan 50 tot 70 euro per week, waarvan, zoals Freddy schrijft ‘niet alleen voeding, maar ook zeep, het wassalon, kleren, schoenen, sigaretten en horecaverbruik’ moeten worden bekostigd. Alleen de vaste kosten (huur, energie, verzekeringen …), weet ChatGPT, worden apart beheerd en betaald door de schuldbemiddelaar.


 

Stromanargumentatie en 'steelmanning'

     Bij stroman-argumentatie verzwak je het argument van je tegenstander door er een karikatuur van te maken. Dan is het makkelijker om het te weerleggen. Ook het tegenovergestelde bestaat: ‘Steelmanning’.  Dat is een manier van argumenteren waarbij je de positie van je opponent zo sterk mogelijk voorstelt, zelfs beter dan die persoon het zelf deed. Popper doet het allebei in The Open Society. Het deel over Plato is een voorbeeld van steelmanning, het deel over Hegel is een voorbeeld van stromanargumentatie.
    Zelf ben ik zuinig met de twee argumentatievormen. Door te stromannen win je aan bondigheid, en kun je de lachers op je hand krijgen, maar je hebt er zelf weinig aan. Als je discussieert om te overtuigen zal je geen stap verder raken, en als je discussieert om te winnen, voelt de zege aan als onverdiend en leeg. Je hebt de pop onthoofd en de kop rolt voor je voeten, maar het blijft van stro. De overwinning is nep.
     Steelmannen is dat weer te hoog gegrepen. Dan zou ik een boek, of minstens een paper, moeten schrijven in plaats van een blogstukje. Ik zou systematisch moeten op zoek moeten gaan naar de geleerdste en vernuftigste argumenten die tégen mijn zaak pleiten. Misschien komen daar zelfs wiskundige modellen aan te pas. Wat zou ik, die noch geleerd, noch vernuftig ben, noch wiskundig aangelegd ben, daar dan nog aan toe kunnen voegen?
    Ik ben hier, zoals in veel zaken, een man van het midden. Ik argumenteer op het niveau van opiniepagina’s in de krant. Dat is lijkt mij, naast een aangename, ook een nuttige bezigheid. Het is in die journalistieke vorm dat allerlei ideeën leven in de hoofden van de krantenlezende middlebrows. En als er in die vorm allerlei tegenstrijdigheden, dubieuze veronderstellingen, slordige redeneringen, en onhoudbare formuleringen ingeslopen zijn, dan mag daar iets over gezegd worden. Het is een aanwijzing dat de onderliggende, gesofistikeerde, beter onderbouwde versie wellicht ook niet helemaal koosjer is.  


zaterdag 11 april 2026

D’hanis, Debruyne, Shriver

    Ik zag op Facebook iets voorbijkomen van Frank D’hanis en Heleen Debruyne. ‘In de nieuwe aflevering van onze boekenpodcast bespreken we A Better Life van Lionel Shriver. De hamvraag: is het een rechts boek*, of net een satire op rechts? We geraakten het niet eens!’
     Ik wist meteen een aantal dingen met grote zekerheid: 

  1. Dat ik die podcast zou beluisteren, terwijl ik niet van podcasts hou
  2. Dat ik mij flink zou ergeren, niet alleen aan de meningen maar ook aan het zelfgekozen tijdverlies
  3. Dat D’hanis degene was die het boek ‘rechts’ vond en dat Debruyne degene was die er een ‘satire op rechts’ in zag
  4. Dat ze allebei gelijk en allebei ongelijk hadden 
  5. Dat ik er een kort stukje over zou schrijven.
       Het gesprek tussen de geliefden verliep rustig, zonder stemverheffing. Debruyne liet D’hanis uitspreken ook als die niet goed uit zijn woorden raakte. Het gemis aan een moderator die het gesprek in goede banen leidde liet zich voelen: de sprekers herhaalden nogal eens zichzelf, vooral wanneer ze niet goed wisten wat ze eigenlijk wilden vertellen, of als ze over iets niet zo veel te vertellen hadden.
      
Hadden ze het mij gevraagd, had ik kunnen helpen bij de vraag of Shriver nu rechts of links was. Shriver schreef zelf ergens dat ze van kamp verandert als ze van continent verandert. In Engeland is ze rechts, maar als ze naar Amerika reist, wordt ze halverwege de Oceaan links. Of anders gezegd: ze is min of meer libertair, ecomisch centrumrechts, cultureel centrumlinks, en nogal gebeten op woke.
      
Het besproken boek gaat over migratie en migranten. Een progressieve New Yorkse neemt een Hondurese migrante in huis, waarop er andere Hondurese migranten volgen, en dat zijn geen lieverdjes. Een aantal van de autochtone Amerikanen in het boek hebben radicale opvattingen over en tegen migranten. D’hanis gelooft dat het boek de vooroordelen van rechts over migratie bevestigt en dat Shriver minstens een aantal van die vooroordelen deelt. Debruyne gelooft dat met die vooroordelen de spot wordt gedreven. Om het zeker te weten zou ik het boek moeten lezen, maar zoals ik Shriver ken is de kans groot dat ze met iederéén spot: met de do-gooders die geloven dat alle Hondurezen lieverdjes zijn, en met de simplistische MAGA-figuren die geloven dat alle Hondurezen criminelen zijn –  terwijl ze ondertussen zelf gelooft dat er best iets tegen de illegale immigratie mag worden ondernomen.
      
In de discussie liet Debruyne zien dat haar snaren wat literatuur betreft fijner zijn afgestemd dan die van D’hanis. Ze aanvaardt bijvoorbeeld de mogelijkheid dat Shriver in ‘een rechtse rabbit hole terecht is gekomen,’ maar dat ze als schrijfster boven haar politieke opvatting uitstijgt en haar personages tegelijk als karikaturen en als mensen neerzet. Wel vindt ze dat de Hondurese personages slecht getroffen zijn. Dat komt, denkt ze, omdat Shriver niet genoeg met Hondurezen heeft opgetrokken. Als ik het boek lees, zal ik dat waarschijnlijk niet merken, omdat ikzelf ook weinig met Hondurezen optrek.
      
D
hanis en Debruyne hebben zich op de podcast voorbereid door commentaren over het boek te lezen, en daar hebben ze allebei iets interessants over te zeggen. D’hanis heeft vooral commentaren op Goodreads gelezen, en daar waren veel vijfsterrenrecensies bij. Hij vond dat verdacht. Vijf sterren werden in zijn ervaring alleen gegeven aan absolute meesterwerken, of aan boeken die een voor de lezer welgevallige politieke strekking hadden. Dat is juist. Zo werkt dat bij het sterrengevend lezerspubliek. Bij allerlei enquêtes naar het meest geliefde boek in de VS komt stelselmatig Ayn Rands Atlas Shrugged naar boven drijven. Ook ken ik veel mensen die een middelmatig-tot-goed boek als Dubbelganger van Naomi Klein een meesterwerk vinden. 
      Eigenaardig genoeg schijnt Dhanis te denken dat hijzelf een uitzondering op die regel is. Zelfkritische reflectie lijkt mij zijn sterkste kant niet. Hij haalt aan dat hij een ongelooflijk rechts boek als Soumission van Houellebecq toch wel goed geschreven en grappig vond. Dat is fijn voor hem, maar het is niet omdat we soms een keer boven onze politieke vooroordelen uitstijgen dat we ons niet meestal door die ballast naar beneden laten trekken in onze beleving van film en literatuur*.
      Wat Debruyne zei was nog interessanter. Het was haar opgevallen dat de meer officiële kritiek het boek heel negatief had besproken. Ze vond dat verdacht. Ze had al vaker gemerkt, zei ze, dat critici hun politieke voorkeuren lieten meespelen. Boeken die zeker niet beter waren dan dat van Shriver kregen heel wat betere kritieken omdat ze binnen de linkse consensus vielen. ‘Heb je daar een voorbeeld van?’ vroeg D’hanis. Zo’n voorbeeld kon Debruyne niet één-twee-drie geven. Je zou zulke voorbeelden telkens als je ze tegenkomt moeten noteren in een klein boekje. 
     Zelf heb ik wat Debruyne vertelt al vaak gemerkt bij filmrecensies. Bij heel lovende of afbrekende filmrecensies probeer ik snel na te gaan of de film niet een of andere ‘maatschappijkritische tendens’ bevat. Dan krijgt hij meestal enkele sterretjes teveel***. Is een film daarentegen niet maatschappijkritisch genoeg, dan merk je dat niet alleen aan de karige sterretjes, maar ook aan de minachtende opmerkingen die de recensent daarover maakt. Ik schrijf zulke voorbeelden niet op in een boekje, maar ik heb er geloof ik al een paar blogstukjes aan gewijd. 


* Ik heb ondertussen min of meer begrepen wanneer we van een rechts boek mogen spreken: als de rollenpatronen worden bevestigd in plaats van bevraagd, als niet duidelijk wordt gemaakt of seksuele contacten consensual zijn, als rechtse opvattingen worden verwoord door sympathieke personages en linkse opvattingen door onsympathieke personages, als een verhaallijn uitnodigt tot rechtse conclusies, en ten slotte, in de ruimere definitie van D'hanis, als het rechts in de kaart speelt.

 ** Zelf ben ik als filmliefhebber zo gewend geraakt aan de links-liberale bias van Hollywood dat het mij niet meer stoort. Mocht dat niet zo zijn, had ik al lang van hobby moeten veranderen. Maar als die bias een keer ontbreekt, is dat voor mij altijd een aangename verrassing.

*** Als het té erg wordt, schrijft de recensent dat goede bedoelingen nog geen goede film maken. 

                                                                                                                                       

Kortjes over film & series

Oscars
     Met het oog op de Oscars hebben we zondagavond gekeken naar Sinners, dat ikzelf al gezien had, en maandagavond naar Marty Supreme. Sinners kreeg vier grote Oscars, en Marty Supreme geen enkele. Het had natuurlijk omgekeerd moeten zijn. Wel ben ik blij dat ‘Beste cinematografie’ niét naar Frankenstein is gegaan, en ‘Beste Geluid’ wél naar F1 The Movie. Dan had die laatste film toch iéts gekregen. Ik heb hem met plezier twee keer kort na elkaar gezien, maar een derde keer was er te veel aan: te ging te veel over autoracen.
       One Battle After Another heb ik nu gisteren ook een tweede keer gezien. Ik heb nu beter kunnen zien hoe die baanbrekende autoachtervolging gemaakt is. Verder was ik vooral onder de indruk van mijzelf, dat ik mij na vijf maanden de film nog zo goed herinnerde. Als ik een film na vijf maanden opnieuw zie, zijn minstens de helft van scènes weer compleet nieuw voor mij. En na een jaar is ongeveer alles nieuw. 
     En nu het over mijn falend geheugen gaat. Een paar weken geleden kwam mijn zoon logeren. Fijn dacht ik, dan kunnen we samen naar Sentimental Value kijken. Maar dat plan ging niet door. ‘Maar papa, die film hebben we een maand geleden gezien.’ Toen wist ik het ook weer: een eerste keer gezien met mijn zoon en een tweede keer gezien met mijn vrouw.  
     Dié film had natuurlijk wel wat meer mogen krijgen dan alleen ‘Beste Buitenlandse Film’. 


Peaky Blinders: The Immortal Man
     Peaky Blinders-film verwent de fans, maar overstijgt de serie niet,’ bloklettert De Standaard (23/3). Verwent de fans? Mijn vrouw is fan. Na het bekijken van The Immortal Man zei ze: ‘Slechtste film ooit.’


Chalamet en Dylan
     Ik heb ondertussen drie keer A Complete Unknown gezien. Tussendoor heb ik ook de Dylan-documentaire van Scorsese gezien: No Direction Home. Dylan viel wat tegen vergeleken met Chalamet. Zoals Patton moest tegenvallen vergeleken met George C. Scott, bedacht ik mij. Ik heb een paar filmpjes met de echte Patton op Youtube bekeken, en inderdaad, de man heeft charisma, maar minder dan Scott. En dankzij die filmpjes weet ik nu ook eindelijk waarom de Slag om de Ardennen in het Amerikaans ‘The Battle of the Bulge’ heet.

 

Harrison Ford in Shrinking
     Ben ik nu de enige die vind dat Harrison Ford zijn beste rol pas speelde toen hij de 80 voorbij was, in de dramedy-serie Shrinking?


De geseksualiseerde non in films
     In de marge van de 
Sancta-controverse publiceert De Standaard (8/4) een stuk over films die kloosterzusters als seksuele wezens voorstelden: Story of a Cloistered Nun, The Nun and the Devil, Behind Convent Walls, Black Narcissus, Viridriana, Benedetta … Alleen de twee laatste films heb ik gezien. 
     Een titel die jammerlijk ontbreekt maar die begin de jaren 70 een groot succes was in Vlaamse bioscopen was De non en haar kind. Ik heb de film niet gezien, maar heb altijd bewondering gehad voor de marketeer die de Vlaamse naam bedacht heeft voor het belegen Spaanse melodrama  El derecho de nacer. Zowel de socialistische bakker als de pilaarbijtende verkoopster van lederwaren, die anders nooit naar de bioscoop gingen, wilden weten hoe dat zat met dat kind en met die non.
     Het stuk in de Standaard gaat ook in op The Devils (1971) van Ken Russell. Blijkbaar heeft de censuur toen een scène geschrapt over nonnen die zich collectief bevredigden op een levensgrote Christus aan het kruis. Zo’n censuur heeft een positieve kant. Mijn katholieke vader – der Raimund ist sehr fromm, zei zijn Zwabische hospita tijdens de oorlog – mijn katholieke vader dus was erg onder de indruk van die film. ‘Indrukwekkend,’ zei hij. Nochtans bevatte de film ook zo al veel choquerende scènes. Maar was de achteraf gecensureerde scène weerhouden gebleven, dan had hij daar anders over gedacht.


De serie waarin het huwelijk wordt gesloopt
     De recensie in De Standaard (8/4) over Something Very Bad Is Going to Happen heeft mij overtuigd: ik zal de serie een kans geven. Recensent Marijn Lems begint zijn commentaar met een gevoel dat ik ook ken:

 Soms zie je een serie die door andere critici zo verkeerd begrepen is, dat je hun ongelijk wel van de daken zou willen schreeuwen.

      Ja, dat gebeurt, ik heb dat ook wel eens voor, alhoewel ik toevallig over Something Very Bad enkele heel lovende recensies gelezen had, zoals die op Roger Ebert.com. Ook ben ik door Lems wat bang geworden want hij schrijft dat de reeks ‘heilige huisjes zoals het huwelijk sloopt tot er niets van overblijft’, terwijl ik hoop dat er van mijn eigen huwelijk binnen enkele jaren nog altijd iets zal overblijven. Lems schrijft ook dat

de metaforische nadruk ligt op het verborgen geweld dat vaak achter de huwelijken van onze ouders en grootouders schuilgaat.

     Van andere ouders en grootouders weet ik het niet, maar als het over de huwelijken van mijn ouders en grootouders gaat, hebben ze dat geweld inderdaad goed verborgen gehouden. Of misschien denkt Lems wel aan mijn generatie en mijn huwelijk, want ik heb de leeftijd bereikt dat ik best zijn vader zou kunnen zijn. Dát geweld heb ik zelfs voor mijzelf verborgen kunnen houden.
     Iets helemaal anders. Lems schrijft dat het ‘geniale’ van de reeks is dat ze lang ‘in het midden houdt of de angsten reëel of ireëel zijn.’ Maar daar is niets geniaals, of zelfs maar origineels, aan. Die langgerekte dubbelzinnigheid is een wezenskenmerk van wat de Fransen ‘le fantastique’ noemen, en waar een groot deel van het horror genre onder valt. Denk voor een klassiek voorbeeld aan Rosemary
s Baby. 


 Love & Death
     De miniserie Love & Death vertelt, zoals wel meer series, een waargebeurd verhaal. Dat heeft enkele voordelen. In dit geval spelen de dramatische feiten spelen zich af in kleinsteeds Texas en we krijgen zaken te zien die in een verzonnen scenario niet gemakkelijk een plaats zouden krijgen. We zien in films wel eens dat een Amerikaans gezin bidt voor het eten, of op zondag naar ter kerke gaat, of de kwestie van de godsdienst is het hoofdthema van de film. Maar hier is het motief van de godsdienst tegelijk bijkomstig en breed uitgewerkt. De hoofdpersonen zijn allemaal nauw betrokken bij het kerkleven:  ze zingen in het koor, ze zorgen voor de financiering, ze bespreken de bouw van een nieuwe kerk, ze maken zich zorgen over de concurrentie met andere kerken … En ze beantwoorden niet aan het traditionele beeld van de Bible Belter. Het gaat om een vrouwelijke dominee, een gedreven advocaat, een doctor in de Wiskunde, een overspelige vrouw zonder schuldcomplex, enzovoort. Er zijn volleybaltoernooien tussen de Methodisten en de Lutheranen
      Bij de verfilming van zulke waargebeurde verhalen rijst een ethische vraag. Jesse Plemons speelt de rol van een, zoals mijn vrouw het verwoordde, ‘lul aan wie het talent van Plemons verspild is.’ Maar de brave man, die duidelijk geen vlieg kwaad zou doen, leeft nog. Kun je hem dan zo ongenadig als een lul voorstellen in een serie? Mijn vrouw dacht dat het geen probleem zou zijn. Als hij echt zo gevoelsarm is als hij in de serie wordt voorgesteld, dan zal het hem niet zoveel kunnen schelen hoe hij wordt voorgesteld, zolang de feiten maar niet worden verdraaid. 


Een Irritant personage in Servant
     Films en boeken hebben een streepje voor als ze erin slagen om sympathieke personages neer te zetten. Maar bij de regel horen een aantal uitzonderingen. Een interessante slechterik kan op zijn manier sympathiek zijn, want dan krijg je een ‘man you love to hate.’ In een komedie kun je aan de slag met irritante nevenpersonages zoals Carmen in F.C. De kampioenen. En in een hálve komedie als Marty Supreme kun je een irritant hoofdpersonage kwijt als hij voldoende redeeming qualities heeft. Maar in Servant, een horrorserie van Night M. Shyamalan, zag ik nu iets wat ik nog niet gezien had: een irritant hoofdpersonage, de moeder, zonder redeeming qualities, en zonder dat je, telkens als ze in beeld is, hoopt op een snelle overgang naar een scène waarin ze niet meespeelt.


Elvis Presley-films
     Ik heb in de jaren zestig heel wat Elvis Presley-films gezien. In Fun in Alcapulco (1963) moest Elvis zijn angst overwinnen om te duiken van een hoge rots en in Kissin’ Cousins (1964) had hij een blonde neef die als twee druppels water op hem geleek. Meisjes van 15 en 16 kwamen massaal naar die films kijken omdat ‘hij’ meespeelde. Een van die meisjes legde mij uit waarom Elvis niet getrouwd was: zo kon ze blijven dromen dat hij ooit met háár zou trouwen. Zelf vond ik die films niet zo bijzonder, die muziek sprak mij niet aan, maar ik was wel telkens opgewonden: omdat er een acteur in meespeelde van wie ik de naam kende, en omdat er iets ongeoorloofds gebeurde. Elvis was eigenlijk een zanger en toch speelde hij mee in een film. Dat gevoel dat er iets ongeoorloofds gebeurde had ik nog sterker toen de film Tintin et les oranges bleues (1964) uitkwam. Kuifje was een stripverhaal, en nu was het een film. Ik was doodzenuwachtig toen de film begon.


Macbeth-verfilmingen
      In 1971 zag ik voor het eerst Macbeth van Polanski. De film bevestigde mij in mijn prille liefde voor Shakespeare-verfilmingen. De leraar Engels had de film ook gezien en vond dat ‘de psychologie van de personages heel grondig was uitgediept.’ Daar ging ik dan weer niet mee akkoord aangezien ik ook toen al tot tegenspreken geneigd was. In elk geval, ik heb de film met de vrij onbekende Jon Finch in de hoofdrol later nog een paar keer gezien, en hoewel Polanski zoals altijd een klein beetje langdradig is, was ik telkens weer gegrepen. Bij alle Macbeth-verfilmingen die ik later op mijn weg vond, heb ik mij verveeld: die met Orson Welles (1948), die met Michael Fassbender (2015), die met Denzel Washington (2021). Bij twee van de drie ben ik in slaap gevallen, en moest ik de film terugspoelen. Ik zie nu op IMDB dat er ook een Macbeth-verfilming is met Ralph Fiennes. Ik kijk er naar uit om die te zien. Fiennes was heel goed in de rol van Coriolanus (2011)*.

* Ik vroeg aan ChatGPT in welke Shakespeareverfilmingen Fiennes allemaal meespeelde. Ik kreeg, naast Coriolanus nog twee andere titels: ‘Hamlet (1996): Fiennes speelt hier niet Hamlet, maar Claudius, de koning en antagonist. The Tempest (2010): hier speelt hij de mannelijke versie van Prospero, tegenover Helen Mirren die Prospera vertolkt.’ Onzin natuurlijk. Ik heb die films gezien. Claudius wordt vertolkt door Derek Jacobi, en Hellen Mirren staat er alleen voor als Prospera. Je vraagt je af wat er in dat hoofdje van ChatGPT omgaat. Die Claudius, tot daar aan toe, maar die Prospero naast Prospera, waar komt dat vandaan 

vrijdag 10 april 2026

De 'Iran wint'-berichtgeving, e.a.


De Iran wint
-berichtgeving
    
 De anti-Amerikaanse media stonden klaar om elke dag opnieuw cijfers van Iraanse burgerdoden te publiceren, maar moeten het ondertussen doen met Trumps waanzinnige dreigement ‘we’re going to bring them back to the Stone Ages.’ Daarmee bewees de president overigens dat hij toch iets van geschiedenis afweet, want hij herneemt daarmee letterlijk een bekende uitspraak van Generaal Westmoreland tijdens de Vietnamoorlog.
        En het was niet de enige keer dat ik dezer dagen een gelijkenis zag met Vietnam. In afwachting van de bombardementen op burgerdoelen, hamert de anti-Amerikaanse berichtgeving nu op een andere spijker: Iran wint! Het stuk van Koert Debeuf (DS 9 april) behoort tot die strekking: door zijn militaire aanval heeft Trump het Iraanse regime van de ondergang gered, dus: Iran wint! Het is een teneur die ik ken van meer dan een halve eeuw geleden. Een in linkse middens heel populair boek was toen dat van journalist Wilfried Burchett: Vietnam Wint! De oorspronkelijke Engelse titel was Vietnam Will Win! In het Frans was het: Pourquoi le vietcong gagne.
 
     Tussen twee haakjes: die laatste titel verraadde een dissident-trotskistische vertaler. De communistische orthodoxie waar Burchett toe behoorde zou zo’n titel niet hebben gebruikt. De Engelse ondertitel luidde, heel diplomatisch: Why the People of South Vietnam have Already Defeated US ImperialismNiet de communisten van de Vietcong, maar ‘het volk van Zuid-Vietnam’ was aan het winnen of had al gewonnen. De orthodoxie probeerde te verdoezelen dat het om een communistische machtsovername ging, de trotskisten waren er trots op. Voor wie de nuance ontgaat, denk aan het verschil tussen: Iran wint, Het Iraanse volk wint, en Het anti-imperialistische en anti-zionistische regime van Iran wint.
     Bij dat alles moeten we niet vergeten dat achter de boodschap Iran wint soms de onuitgesproken hoop schuil gaat dat Iran zál winnen. Bij Vietnam wint was het vaak zo, maar vandaag is het enigszins anders. De meesten van ons moeten even weinig hebben van het Ayatollah-regime als van een oorlog tégen het Ayatollah-regime. We willen niet kiezen tussen Trump en Khamenei. We hebben wel enkele meningen terzake, maar we denken die liever niet tot het einde door.  Mochten we dat doen, zouden we misschien wel moeten kiezen.
     Aan de andere kant is doordenken niet altijd nodig om te kiezen. Sommigen van ons weten wel waar we staan, maar geven het liever niet toe. Of juist wel. Ilja Leonard Pfeijffer bijvoorbeeld schreef: ‘Ik moet bekennen dat ik tijdens de oorlog stiekem voor Iran was.**’ Zo’n eerlijke bekentenis is mooi. Ik wil dat ook proberen: ‘Ik moet bekennen dat ik tijdens de oorlog stiekem tegen Iran was.’
      Nog een woord over het artikel van Debeuf. Het is goed geschreven. Het bevat ook de nodige speculatie. Dat is, gezien het onderwerp, onvermijdelijk. Maar je zou willen dat De Standaard af en toe ándere speculatieve meningen op de opiniepagina’s plaatste. De Morgen gaf het goede voorbeeld door een stuk uit de NYT over te nemen: Nee, Iran is niet aan het winnen*. 

* Het opiniestuk van de NYT staat hier. Ook interessant is de berichtgeving in de NYT over de manier waarop Trump zijn beslissing over de Iran-oorlog genomen heeft. Zie hier.

** Ilja Leonard Pfeijffer schrijft ook: ‘Ik weet wel dat het Iraanse theocratische absolutisme nauwelijks onderdoet voor dat in de Verenigde Staten of Israël.’ Dat is een ronduit idiote bewering. Je kunt die laatste twee landen veel verwijten, en misschien zelfs dat er tekenen zijn van fundamentalisme en theocratie. Maar je kunt niét dat zeggen dat ze in dat domein in de buurt komen van de Ayatollahs. 


Videobeeld- en schriftcultuur
  
     Van de nieuwste verfilming van Wuthering Heights wordt gezegd dat de koortsachtige visuele stijl het verhaal op de achtergrond duwt. Arthur Goemans (DS 26/2) zag er een symptoom in: het was een film voor de jeugd die gewend is geraakt aan korte video-filmpjes en die daardoor hoe langer hoe minder in lange verhalen geïnteresseerd is, zoals die vroeger in geschreven vorm werden verspreid en genoten. Hij betreurt het mogelijk verdwijnen van de geschreven cultuur die ons wetten, wetenschap en kritisch denken heeft geschonken.
      Is Goemans nu een zwartkijker? Beroepsoptimist Steven Pinker schreef op x.com een commentaar die heel nauw bij die van Goemans aansluit.

 Lezen en geletterdheid behoren tot de dingen die goed zijn voor ons, maar cognitief onnatuurlijk. Dat wil zeggen: ze gaan in tegen onze geëvolueerde natuur. We zijn niet geëvolueerd met drukwerk; dat is een recente uitvinding. Lezen is voor velen van ons zo vanzelfsprekend geworden dat we er simpelweg van uitgaan dat het de meest natuurlijke manier is om informatie te verkrijgen.Maar wat we hebben gezien, vooral in de afgelopen tien jaar, is dat veel mensen, in tegenstelling tot ons, veel liever luisteren en kijken dan lezen. Je ziet het gewoon: wanneer ik naar Google ga en een basisvraag stel over hoe ik mijn printer weer aan de praat krijg, krijg ik in een oogwenk vijf video’s te zien. Maar ik wil helemaal geen Seth die mij komt vertellen: “Hallo, welkom bij mijn show. Als je het leuk vindt, abonneer je en geef een like.” Ik wil gewoon mijn probleem zo snel mogelijk oplossen. Maar blijkbaar is er iets ongewoons aan mij, want mensen kiezen voor de video. En de enorme beschikbaarheid van video—van TikTok, van YouTube—betekent dat mensen misschien niet de oefening krijgen of de inspanning leveren voor geletterdheid, waarvan we mogen aannemen dat die een van de drijvende krachten was achter het stijgende IQ van de laatste eeuwen.


Het woningsvraagstuk
     Als liberaal geloof ik dat de vrije markt er redelijk goed in slaagt om productie, consumptie en investering op elkaar af te stemmen. Maar dan werpt men mij het woningsvraagstuk voor de voeten. Friedrich Engels begon daar al mee in 1872 met zijn brochure Zur Wohnungsfrage. Uit liedjes zoals die van Boudewijn de Groot over ‘Woningnood’ en Joop Visser over het ‘Woningbouw-wouwbeleid’ had ik begrepen dat althans in Nederland veel problemen kunnen worden verklaard vanuit staatsinterventie en ambtenarij. Maar het zou dogmatisch zijn om de mogelijkheid van ‘marktfalen’ hier meteen uit te sluiten. Architect Tim Vekemans wijst er op 
(DS 26/2) dat het huisvestingsprobleem zich vooral stelt voor mensen met een middeninkomen tussen 1.900 en 2.900 euro per maand. ‘Het verdienmodel van de markt is niet op hen afgestemd.’ Eén alina in het stuk heb ik aangestreept: 

 Vlaanderen heeft meer dan 2 miljoen onderbentutte woningen, waarin twee of meer hoofdkussens elke nacht onbeslapen blijven. Als we 25 procent van die hoofdkussens zouden ‘activeren’ tegen 2050, dan is onze woonbehoefte opgelost.

     Ik heb inderdaad de indruk dat Vlamingen graag onbenutte slaapkamers hebben ‘voor het geval dat’. In Amerikaanse films is dat anders. Mensen wonen in kasten van huizen, maar zodra er een onvoorziene gast blijft overnachten, moet hij op de sofa slapen.

* Boudewijn de Groot: zie hier. Joop Visser: zie hier.


Bim bam beieren
     De Standaard viert de Paastijd met een aantal vrije tribunes onder de titel Bim bam beieren. Iedere keer als ik die titel zie moet ik denken aan een reeks Herr Seele-cartoons waarin de uitdrukking ‘Bimbam de klokken’ werd gebruikt.
     In de bijdrage van 10/4 borduurt dichteres Charlotte Van den Broeck voort op het oorspronkelijke kinderrijmpje: ‘Bim bam beieren / de koster lust geen eieren / wat lust hij dan / spek in de pan.’ Dat is een ritmisch meesterwerkje, met de subtiele metrische verschuivingen en de harde cesuur vóór het laatste vers. Vandenbroeck buigt zich echter niet over de poëtische kwaliteit van het gedicht maar bezint zich over de vraag of dergelijke kinderrijmpjes het traditionele rollenpatroon in het gezin niet al te veel bevestigen: de vrouw die alle huishoudelijke werk op zich neemt. Haar antwoord: ‘Bim bam beieren / Man, bak toch gewoon zelf je eieren.’
     Dat is een ritmisch onding. Het moet zijn: ‘Bim bam beieren / Man bak zelf je eieren.’ Dat is trouwens wat ik vanavond zal doen. Er staat een lekkere pokébowl in de koekast en daar hoort een spiegeleitje bij, vind ik.


Klimaatproblemen
      Het was mij de laatste tijd ook opgevallen dat de temperatuur overdag en ’s nachts meer verschilt dan we gewoon waren. De Standaard (10/4) heeft de verschillende verklaringen voor dat verschijnsel op een rijtje gezet. Bij de verwoording van een van die verklaringen, moest ik glimlachen. ‘Een hogedrukgebied gaat doorgaans gepaard met prettig weer … De straalstroom is hier de boosdoener.’


Vrije gender-keuze in de rechtsleer
      Jean-Louis de Lolme (1740 – 1806) schrijft in zijn Constitution of England, hoofdstuk X:          

‘It is a fundamental principle with the English lawyers, that Parliament can do everything, except making a woman a man or a man a woman.’ 

     Geciteerd in Tocquevilles De la démocratie en Amérique.  


China en de kernenergie
    Ik ben geboren in het atoomtijdperk, drie jaar voor de wereldexpo in Brussel. Als kind las ik strips van de Jetsons. In de godsdiensles leerde ik dat kernenergie de wereld kon vernietigen, maar de wereld ook kon redden. Ik ben dat geloof van mijn kindertijd trouw gebleven. De ramp in Tjernobyl veranderde mijn mening niet. De Russische televisie verspreidde videobeelden van Andrei Sacharov die toen nog in binnenlandse ballingschap verkeerde. De dissident stond in een telefooncel en legde uit dat de ramp geen reden was om het kernenergieprogramma stop te zetten. Als zelfs Sacharov het zei, kon ik gerust zijn.
 
     Maar later begon men in Europa kernenergie te vervangen door windmolens. Voor mij was dat de schuld van de geitenwollensokkendragers. Ik heb toen mijn blik op het Oosten gericht, waar de toekomst stralend is. In China, dacht ik, zijn er geen geitenwollensokkendragers, daar zullen de autoriteiten zonder complexen voor de beste en de goedkoopste energievorm kiezen. Het was dan ook een tegenvaller toen ik in de krant (DS 10/4) een grafiek zag die de energiemix in China weergaf. Het ging kennelijk alleen over de elektriciteit, en daarvan werd slechts een minuscuul deel opgewekt door kernenergie, naar de grafiek te oordelen niet meer dan 2 procent.
      Ik heb mij dan in paniek tot Grok gewend, die mij geruststelde. De grafiek in de krant gaf de theoretische capaciteit weer. In de reële elektriciteitsproductie vertegenwoordigde Chinese kernenergie 4,5 procent. Er worden jaarlijks kerncentrales bijgebouwd zodat het aandeel binnen tien jaar of vijftien zou kunnen verdubbelen. Op korte en middellange termijn wordt het meest ingezet op zonne- en windenergie omdat die snelst en goedkoopst kan worden ontwikkeld. ‘Voor de allerlangste termijn (na 2040-2050),’ besluit Grok, ‘kan kernenergie nog belangrijker worden.’


Technologie en werkgelegenheid
     Elke technologische vernieuwing in het verleden heeft niet alleen werkgelegenheid vernietigd maar er ook gecreëerd, soms zelfs rechtstreeks. Voor locomotieven had je machinisten nodig, en voor computers computerprogrammeurs. Niemand weet met zekerheid of dat in de toekomst ook zo zal zijn. We kunnen ons makkelijk voorstellen – het is nu al aan de gang – dat robotten worden geproduceerd door robotten en dat artificiële intelligenties wordt ontwikkeld door artificiële intelligentie. 
Ik dacht eerst voor dit verschijnsel het woord ‘kannibalisme’ te gebruiken, maar bij nader inzien gaat het om het tegenovergestelde. 


 Hoe omgaan met Zombies?
     Arthur Goemans schrijft dat hij zich, mocht het zover komen, niet zou verzetten tegen een naderende zombie-massa. Met een jachtgeweer kun je een aantal van die hoofden doen uiteenspatten, maar er zijn altijd weer andere. Dan kun je er beter naar toe gaan en zeggen: ‘Tast toe.’ Hoewel ik sympathiseer met Goemans’ gebrek aan overlevingsdrang, vind ik zijn specifieke remedie weerzinwekkend. Dan zou ik het jachtgeweer liever gebruiken om mijn eigen hoofd te doen uiteenspatten. 

woensdag 8 april 2026

Respect voor zorgtaken, e.a.

Respect voor zorgtaken
  
   
 Een maand geleden was er veel discussie over de pensioenberekening voor vrouwen die thuis zorgtaken op zich namen. Vooral linkse vrouwen gingen heel breed in hun beschouwingen: het ging over de asociale regering, de betaalbare kinderopvang, en de mogelijkheid om vrouwen die thuis blijven een volwaardig zorgloon toe te kennen. Het leek om een centenkwestie te gaan, maar het was in werkelijkheid een vraag om het werk van vrouwen te respecteren.
     Ik vermoed dat die vraag om respect ook de diepere reden van veel egalitarisme is. Men maakt zich geen zorgen over de aandelenportefeuille van Elon Musk. Maar men kan de gedachte moeilijk verdragen dat die Musk zich misschien, vanwege die aandelenportefeuille, beter vindt dan zijn medemens. Het gaat om morele waarden. Het gaat om respect, de op één na hoogste waarde op de piramide van Maslow.
     Het heeft dan ook weinig zin om in discussies over een vrouwvriendelijke pensioenberekening alleen het argument van de betaalbaarheid boven te halen. Ikzelf trap altijd in die val. Eleonara Mingarelli slaagde er in een opiniestuk (DS 14/3) om die val te vermijden. Ze schreef:

De redenering dreigt een fundamenteel onderscheid over het hoofd te zien. Arbeid binnen het gezin is iets anders dan arbeid voor een werkgever. De eerste is ingebed in relaties van zorg, verplichting en genegenheid; de tweede functioneert binnen een logica van contracten, loon en productiviteit. We zorgen toch niet voor onze kinderen om dezelfde redenen waarom we gaan werken, laat staan met het oog op een toekomstig pensioen? … Een gezin functioneert niet op basis van pure berekening. Het is geen uitwisseling van diensten waarbij elke bijdrage precies kan worden gemeten en vergoed. Het gezinsleven volgt, alle tragische uitzonderingen ten spijt, een heel andere morele logica: die van vrijgevigheid, samenwerking en zorg.

     Dat zijn woorden van wijsheid. Je zou kunnen zeggen dat links in de discussie zonder het te beseffen de neoliberale logica overnam.
     Maar aangezien er op de harmonieuze gezinsrelatie ook heel wat ‘tragische uitzonderingen’ bestaan, van echtscheidingen tot vroegtijdig overlijden, zou kunnen overwogen worden om de pensioenrechten van een echtpaar samen te voegen zodat ze, in geval van nood, kunnen worden opgesplitst.


AI en de vrije markt
     Bedreigt AI de vrije markt? Dat is mogelijk, en wel op drie manieren. De eerste bedreiging is van fundamentele aard. We kunnen ons voorstellen dat AI op termijn de verhouding tussen productie, consumptie en investering efficiënter zou kunnen regelen dan de markt. Over die mogelijkheid is al gespeculeerd vóór AI bestond. Men sprak toen van een ‘supercomputer’. De tweede bedreiging is dat de grote techbedrijven samensmelten tot één monopolie en zo de hele markt corrumperen. Als je de huidige concurrentie ziet tussen de VS en China, en binnen de VS, denk ik niet dat dat snel zal gebeuren.

      De derde mogelijkheid is de meest indirecte maar ook de meest imminente: dat de paniek rond AI en de ingrijpende gevolgen die we mogen verwachten, wordt aangegrepen om de oude gedachte van een staatsgeleide economie te doen herleven. Het is de gedachte die ik haast dagelijks in De Standaard aantref. Vandaag nog (8/4) in het commentaarstuk van Hans Cottyn: ‘een doortastende overheid’, ‘regels en beperkingen’, ‘een sterke en vrije democratie die de arbeidsmarkt regelt, de ongelijkheid beteugelt en de winsten doet terugvloeien naar werknemers en gemeenschap.’
     Dat technologische vooruitgang en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke ontwikkelingen nieuwe reguleringen vergen is overigens evident. Anderzijds schept de nieuwe technologie misschien ook de mogelijkheid om oude reguleringen af te bouwen. We kennen de toekomst niet, maar als AI ertoe zou leiden dat nog slechts een minderheid van de bevolking nuttig productief werk kan leveren, dan wordt een universeel basisinkomen een noodzakelijke maatregel -- die veel bestaande welvaartstaatsbureaucratie overbodig kan maken.

 

dinsdag 7 april 2026

Misnoegde Fedasil-ambtenaren, e.a.

Misnoegde Fedasil-ambtenaren
 
     477 van de ongeveer 3000 Fedasil-ambtenaren hebben een protestbrief gestuurd naar minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt. Dat is 15 procent van de werknemers. Die 15 procent komt ongeveer overeen met de 16 procent van de bevolking die voor PVDA-PTB of voor Groen-Ecolo heeft gestemd, en met de 19 procent van de bevolking dat volgens een recente enquête géén voorstander is van een strenger migratiebeleid. Die mensen hebben geloof ik de hele juridische argumentatie van de brief niet nodig om tegen het beleid van Van Bossuyt te zijn. Hun ethische overtuiging zal volstaan hebben.
     Het zou mij overigens niet verwonderen dat er bij Fedasil nog méér werknemers tegen dat beleid zijn, zonder dat ze daarom de brief wilden ondertekenen. Buiten de communisten en de groenen moeten er ook nog heel wat zijn die aansluiten bij de ‘linkervleugel’ van de andere partijen. Die 15 procent ondertekenaars zijn dan alleen het meest overtuigde deel van de misnoegden.
      De meerderheid van de bevolking is voorstander van een rechts asielbeleid. Bij velen ligt de kwestie heel emotioneel. Maar het hoge percentage van Fedasilwerknemers dat de protestbrief tekende, laat zien dat de kwestie ook heel emotioneel ligt aan de andere kant van het spectrum. Een rechts asielbeleid wordt afgeremd door activistische rechters, links-liberale kranten** en Europese technocraten. Maar die weerspiegelen wat leeft bij een niet onbelangrijke minderheid van de bevolking

* Over de juridische argumentatie heb ik zelf niets te melden. Men verwijt Van Bossuyt dat ze haar toevlucht neemt tot juridische spitstechnologie. Dan kan ik mij er beter buiten houden.

** Het is geloof ik geen toeval dat De Standaard 3 april niet minder dan drie stukken aan de Fedasil-kwestie wijdde: de voorpagina, het commentaar op de tweede pagina, en de protestbrief zelf op de opiniepaginas. 



Het loon van de renner
     In de aanloop van de Ronde van Vlaanderen publiceerde De Standaard (3/4) een stuk over de lonen van renners. Als je wilde weten wat het minimumloon was (44.150 euro bruto) of hoeveel Pogacar verdient (8 miljoen bruto, exclusief bonussen en sponsordeals) moest je het artikel lezen. Maar als je wou weten wat je van de vrije markt moet denken, volstond de titel: ‘Een derde is overbetaald en een derde onderbetaald.’ Volgens die redenering is er dus ook een derde dat de correcte vergoeding ontvangt. Hoeveel van de egalitaristische ideologie is terug te brengen tot die basisgedachte: dat het mediane loon het correcte loon is?


Verloop bij de PVDA
     Marc Ernst heeft op SamPol een artikel*geplaatst over het grote verloop onder PVDA-leden en mandatarissen. Hij wijst er terecht op dat zoiets zich ook al voordeed in de beginjaren van de partij, toen ze nog Amada heette. Het grootst was dat verloop helemaal bij het begin, toen de partij nog een ‘beweging’ was. Als je iemand tegenkwam op straat of in de trein, dan was de eerste vraag die je kreeg: ‘Ben je nog bij de beweging?’ of ‘Is die en die nog bij de beweging?’ 

* Zie hier.


Het voordeel van linkse columns
     Zoals veel rechtsliberalen erger ik mij aan de halfslachtigheid van onze regeringen. De noodzakelijke besparingen blijven uit. In het onderwijs is de tanker nog lang niet gekeerd. De asielmigratie is nog lang niet gestopt. Enzovoort. Daarom ben ik blij met de dagelijkse FB-columns van Frank D’hanis die door zijn scherpe aanvallen op het beleid duidelijk maakt dat er toch iets gebeurt.



Verzamelde kortjes

 Lichtbruine huidskleur nu in de toekomst
     Een aantal van mijn FB-vrienden schrijven fraaie recensies over oude en nieuwe romans: Herman Jacobs, Dirk Ooms, Joachim Stoop, Pascal Cornet, Luc De Coster ... Die laatste schreef gisteren iets over Ian McEwans What We Can Know. Het verhaal speelt zich af in het Engeland van 2120. Hij vergelijkt het boek met Flaubert’s Parrot en Out of Sheer Rage. Bij het lezen van de korte inhoud dacht ik ook aan Possession van A.S. Byatt. Eén zinnetje viel mij op in De Costers recensie: in het toekomstige Engeland ‘zijn de blanke mensen een minderheid; de standaard is een soort lichtbruin.’ Net zoals in de reclamespotjes, dacht ik, die je vandaag in de bioscoop ziet voor de film begint. 


‘Rechts’ en liberaal
     Het politieke begrip rechts kan van alles betekenen: autoritair, katholiek, conservatief, nationalistisch, liberaal … Dat zijn begrippen die elkaar slechts gedeeltelijk overlappen en die elkaar zelfs kunnen botsen. In een interview met KVHV-leiders op Doorbraak las ik dat de organisatie een open debatcultuur had: het ene lid kon al wat meer inspiratie zoeken in het katholicisme, een tweede in het conservatisme en een derde in het nationalisme. Alleen bij het liberalisme werd een rode lijn getrokken. In de kop van het stuk heette het: ‘Liberale NV-A’ers willen we niet.’ 


Canabis
     In De Standaard van 17/ 3 wordt een medisch rapport geciteerd dat negatief oordeelt over cannabisgebruik bij psychische klachten. 

‘Het rotinematige gebruik van medicinale canabis zou wel eens meer kwaad kunnen doen dan goed en kan de geestelijke gezondheid verslechteren. Dat komt doordat er een hoger risico is op psychotische symptomen en verslaving.’

     Twintig jaar geleden was het nog politiek correct geloof ik om te zeggen dat canabis niét verslavend was. Politici van Groen vertelden dat in interviews. Als leraar kreeg ik het te horen op bijscholingen. Alcohol, dát was een hard drug. En ook als je er niet nieuwsgierig naar was, werd je omstandig uitgelegd wat er mis was aan de stepping stone theorie. Er was geloof ik een wetenschappelijke consensus dat die theorie ‘al honderd keer weerlegd was.’ Ook al weten we dat in de wetenschap één weerlegging voldoende is.


Hendrik Vos over deportaties
        Naast veel verontwaardiging bevat de nieuwste column van Hendrik Vos (31/3) een aantal expliciete en impliciete stellingen, waarvan ik er hier enkele overneem overneem.

  1. Trump is een smeerlap
  2. De meerderheid van de asielmigranten zijn géén criminelen
  3. Asielzoekers komen van plekken waar het vreselijk leven is
  4. De draagkracht voor migratie is niet eindeloos
  5. Terugkeerbeleid zal nodig blijven
  6. Gedwongen terugkeer (deportatie) is uit den boze
  7. Er bestaat een ondergrens aan wat menselijk aanvaardbaar is bij migratiebeperking
  8. De kernboodschap van het christendom is mededogen, ook met vreemdelingen.

        Ik ga min of meer akkoord met die stellingen, behalve dan met de zesde. Als 80 procent van de afgewezen asielzoekers weigeren om een uitwijzingsbevel op te volgen, moeten ze met dwang worden uitgewezen. Maar met de rest ga ik akkoord. Zó groot zijn de meningsverschillen tussen Vos en mij dus niet.


Raf Njotea over Cofnas
     Op de laatste pagina van De Standaard (2/3) staat een stuk van Raf Njotea met als kop ‘De biologische loterij van Nathan Cofnas’. Ik begon meteen te speculeren over de inhoud. Die Njotea, links als hij is, blijft altijd een man van eer, dacht ik. Die zal niet oproepen tot censuur en die gaat niet doen alsof hij wél weet hoe het nu precies zit met IQ en erfelijkheid en ras. Ik heb het stuk daarna gelezen en mijn vooroodeel bleek juist. Dat komt door dagelijkse oefening.


Jonathan Holslag over Willem Elsschot.
     
Ik heb de hele Elsschot-lezing van Jonathan Holslag nog niet gelezen, maar de fragmenten die mij onder ogen kwamen, overtuigen mij niet:

 ‘Wie de echte geesteswereld van de schrijver wil binnentreden: lees zijn brieven en gedichten. Dit is de Elsschot die mij intrigeert, de strijdmakker die ons aanmoedigt om te putten uit het verleden, te handelen in het heden en verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst. Dit is de patriot die ons oproept onze vrijheid te koesteren, onze soevereiniteit, hoe sterk de tegenstander ook is.’ 

    Ik weet ongeveer aan welke passages Holslag refereert, maar als ik zijn commentaar lees, moet ik meewarig glimlachen. Hier is iemand, geloof ik, aan wie Elsschot is voorbijgegaan. 


Spelling van eigennamen
        
Gisteren wou ik iets schrijven over de auteur Erik Vlaminck. Omdat ik weet hoe zwak ik ben in spelling, heb ik de naam opgezocht op Wikipedia, en de schrijfwijze bestudeerd. Erik met een k, en Vlaminck met ck. Maar in mijn korte-termijngeheugen was geen plaats meer voor de die in mijn versie ae werd. Gelukkig was er een aandachtige lezer die mijn fout opmerkte.


Reclameslogan
          In de jaren dertig van de voorbije eeuw werd voor het populaire aperitief Dubonnet een prachtige slogan bedacht: Dubo Dubon Dubonnet. Louis-Paul Boon vond de slogan zo mooi dat hij hem gebruikte als titel voor een hoofdstuk van de Kapellekensbaan. Thuis hebben we in de bergruimte een koelkast van het merk Liebher. Telkens als ik er kom mompel ik Lieber ein Liebherr.  Zou Boon zijn slogan ook af en toe gemompeld hebben bij het drinken van een aperitief?


maandag 6 april 2026

Welbespraakte energie-expert

    Michael Liebreich wordt in De Standaard (21/3) een ‘veteraan in de wereld van de groene technologie genoemd.’ Hij vertelt honderduit over de energietransitie. Ik heb daar geen mening over, en ben al lang blij dat hij niet van de degrowth-strekking is. Wat mij wel opviel was het hoge gehalte aan treffende uitspraken. 

**Activisten en groene partijen hebben de problemen goed herkend. Maar je laat ze best die problemen niet oplossen. In het VK zou je ze niet eens vertrouwen om een feestje voor kleuters te organiseren.

**Ik heb met verbazing gekeken hoe iedereen na de oproep van Greta Thünberg plots begon te spreken over de opwarming beperken tot 1,5 graad. En niemand die zei: ‘Oké Greta, we begrijpen wat je wil, en in grote lijnen heb je gelijk, maar we gaan het toch anders doen.’

**China domineert de markt van de zeldzame aardmetalen. Dat is een totale markt van slechts een paar miljard dollar. Als we 10 miljard euro per jaar hadden vrijgemaakt om die strategische industrie te ondersteunen, zaten we vandaag in een andere situatie.

**Geef hernieuwbare energie er niet de schuld van dat kerncentrales dichtgaan. De schuldigen waren domme mensen, die bang waren voor het verkeerde spook. 

**Hiernieuwbare energie is niet goedkoop. Ze is goedkoop om op te wekken zolang je relatief weinig zonne- en windenergie produceert. Maar wanneer je dat aandeel naar 50 procent brengt, is de flexibiliteit op systeemniveau weg.

**Europa is eerst voor groene elektriciteit gegaan, terwijl dat slechts 30 procent van de totale energievraag is.  

**Om de opwarming tot 2 graden te beperken, zou de koolstofprijs kunnen oplopen tot 225 dollar per ton. Maar om tot 1,5 graad te komen zou dat tot 6.050 dollar per ton zijn. 

**Ik heb geen probleem met kernenergie, maar ik denk dat we onszelf voor de gek houden als we denken dat het woord ‘modulair’ het kostenprobleem zal oplossen.

**De enige manier om de kosten van modulaire kerncentrales omlaag te krijgen is dat je er veel – 50 of 100 – van bouwt. 

**Veel conservatieven vinden het niet prettig dat je om iets te doen tegen de klimaatverandering beleidsinterventies nodig hebt. Ze zijn daar zo fel tegen dat ze dan maar besluiten dat klimaatverandering niet bestaat.

  

Onderwijs: digitalisering, democratisering

Digitale stress bij leerlingen
    
 Als ik het woord ‘scholierenkoepel’ hoor, wordt de boomer in mij wakker, of eerder nog de Waldorf & Statler. Nochtans heb ik wel eens scholierenkoepelachtige leerlingen in de klas gehad en kon ik het prima met hen vinden. Maar dat hun halfwassen meningen ernstig worden genomen in de pers vind ik onverteerbaar.
      Nu heeft de koepel weer een onderzoek laten uitvoeren naar het welbevinden van de leerlingen. ‘De werkdruk is te hoog,’ zegt voorzitster Lieselore Wouters in De Standaard (20/3). Ach wat! Leerlingen vinden altijd dat ze teveel taken en te moeilijke toetsen krijgen. ‘Er is ook racisme van de leerkrachten,’ zegt een meisje van kleur op tv. ‘Als er rumoer in de klas is, kijkt de leerkracht altijd eerst naar ons.’ Kom nou! Als een leraar een opmerking maakt over een leerling voelt die zich altijd speciaal geviseerd.
     Ergerlijk vind ik het als die jongelui hun mening ventileren over iets waar ze met hun beperkte levenservaring niets van afweten. Voorzitster Wouters:

 Zeker voor het middelbaar denk ik dat er minder mensen zullen kiezen voor het beroep. Als ik zelf leerkracht zou zijn, zou ik me ook niet aangetrokken voelen door wat er vandaag beslist wordt. Door studiedagen af te schaffen en het onderwijs steeds complexer te maken, jaagt men mensen weg uit het beroep. En zo wordt het probleem alleen maar groter.

     Wat weet dat kind nu over de voor- en nadelen van de pedagogische studiedagen? Of neem de kwestie van de digitale deconectie. De Standaard schrijft:

De digitalisering van het onderwijs heeft duidelijk impact op het dagelijkse leven van leerlingen. Zo geeft 42 procent aan wekelijks ook buiten de schooluren berichten of opdrachten te ontvangen via digitale kanalen. Tegelijk zegt 38 procent moeite te hebben om na school het hoofd leeg te maken, om echt los te koppelen. Digitaal niet kunnen deconnecteren speelt een belangrijke rol voor het mentaal welzijn van leerlingen. “Het is de verantwoordelijkheid van de scholen om een goed digitaal kader uit te werken, bijvoorbeeld door telkens in twee dagen te voorzien om te antwoorden of ‘s avonds geen taken meer te posten”, zegt Wouters. “Dit is eigenlijk vrij simpel op te lossen met overleg tussen leerlingen en leerkrachten.”

     Dat de leerlingen moeite hebben om na de school hun hoofd leeg te maken, kan ik best geloven. Ik had daar als leerling de allergrootste moeite mee. De beste manier om van de school te deconecteren, is om onmiddellijk als je thuiskomt je taken te maken, je lessen te leren en je toetsen voor te bereiden. Daarna heb je nog een hele avond om te deconnecteren. Ik deed het als leerling omgekeerd: ik stelde alles uit en daardoor werd de mentale druk altijd maar zwaarder.
      En die digitale stress dan, dat is toch iets nieuws? Zeker, en ik weet precies hoe dat gaat. Toen ik nog les gaf, zei ik net voor het belsignaal: ‘Neem je schoolagenda en noteer voor volgende week dinsdag …’ en voor ik de zin had afgemaakt zeiden drie leerlingen tegelijk: ‘Ach meneer, zet het maar op Smartschool.’ Ik deed dat dan heel braaf, want ik begreep hen: als leerling schreef ik ook nooit iets in in mijn agenda.


Democratisering van het onderwijs
      Het vlag 
democratisering van het onderwijs’ kan verschillende ladingen dekken. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer inspraak van de leerlingen moet komen in het schoolbeleid of dat de leraren hun directeur mogen verkiezen. Maar het vaakst bedoelt men dat het onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle klassen van de bevolking. Arbeiderskinderen moeten evengoed hoogwaardig onderwijs kunnen genieten als de kinderen van dokters, notarissen en fabrikanten.
      Toen uit onderzoek in de jaren 60 bleek dat de barrières voor het onderwijs niet alleen van financiële aard waren, rees bij politiek links het idee dat er ook aan de inhoud van het onderwijs moest worden gemorreld. Bijna niemand durfde dat openlijk zo zeggen, maar in de praktijk kwam het erop neer dat het onderwijs gemakkelijker en minder veeleisend moest worden. Woorden als ‘communicatiever’, ‘procesgericht’, ‘minder theoretisch’, ‘geïntegreerd’ moesten die nivellering camoufleren. 
     Die verwarring vanaf de jaren 70 tussen democratisering en nivellering inspireerde de aardige spotternij ‘Free distribution of diploma’s among the deserving poor.’ Vandaag hebben we de FB-stukjes van leraar Frank D’hanis. Mocht ik mij tot spot aangetrokken voelen, dan zou ik ze samenvatten als ‘Minder taken en makkelijker toetsen voor het werkmanskind.’