woensdag 4 februari 2026

Enkele films

 Hamnet
     Ik hou van Shakespeare verfilmingen, maar ook van films waarin Shakespeare als personage meespeelt: Shakespeare in Love (1998) is sentimenteel, maar vaart en enthousiasme maken veel goed. Anonymous (2011) propageert een bekende samenzweringstheorie, maar is bij een eerste visie goed genietbaar. All is True (2018) is beperkt van opzet maar subtiel in de uitwerking. De film was al halverwege voor ik acteur Kenneth Brannagh herkende. In Oliviers Henry V (1944) loopt op het podium een bebrild mannetje rond in een renaissance-kermispak dat Shakespeare moet voorstellen.  Soms denk ik dat dat mannetje misschien nog het meest op de historische figuur lijkt, zoals het bescheiden theatertje in de film ook beter op The Globe gelijkt dan wat we in modernere producties zien.

     Ik keek dus al een poosje halsreikend uit naar het moment dat Hamnet in onze zalen zou komen. Maar vanaf het eerste beeld – twee bomen gefilmd vanuit kikvorsperspectief – wist ik dat het niets voor mij zou zijn. Zoals ik vanaf het eerste beeld van Brannaghs Henry V (1989) – een lucifer die aangestoken wordt – wist dat het wél iets voor mij zou zijn. 


F-1. The Movie
 
     Ik zie dat de autorace-film F-1. The Movie onverwacht genomineerd is voor Beste Film-oscar. Ik vind dat helemaal terecht. Het is een van de allerbeste Spielbergfilms die ik gezien heb, nu al twee keer, al heeft Spielberg er niets mee te maken. De film hangt aaneen van de clichés. We hebben het allemaal al vele keren gezien. Het is Top Gun of The Color of Money, maar met auto’s in plaats van vliegtuigen of biljarttafels. De clichés zijn altijd dezelfde, maar is er iets dat meer ontroert dan een perfect uitgewerkt cliché, waarin vakmanschap, timing, en liefde voor het medium samenkomen?
      Een regisseur die clichés aaneen wil rijgen moet een goed psycholoog zijn. Hij moet geen inzicht hebben in de ziel van zijn personages; hij moet inzicht hebben in de ziel van zijn publiek. En hij moet nieuwe manieren vinden om oude dilemma’s op te lossen. 
     Veel van die dilemma
s hebben te maken met de rivaliteit tussen de oude ervaren racer Sonny, gespeeld door Brad Pitt, en zijn talentvolle teamgenoot Joshua, gespeeld door Damson Idris. De truc voor een feel-good movie is dan om bij de kijker sympathie op te wekken voor de twee personages, maar net iets meer voor de oudere Sonny. 
     Op zeker ogenblik zitten Sonny en Joshua aan de pokertafel. Het moment breekt aan dat ze all-in gaan: alles of niets. Joshua laat zijn pair of fives waarop Sonny teleurgesteld zijn kaarten neergooit. Hij heeft verloren. Nu weet elke kijker dat de kaarten van Sonny die we niet gezien hebben, eigenlijk de betere kaarten zijn, maar dat hij Joshua láát winnen. Als zo’n scène verkeerd wordt uitgewerkt is de kijker boos. Maar de scène wordt schitterend uitgewerkt.
     Ander dilemma. Het publiek heeft Sonny eerst leren kennen als een racer die grote risico’s neemt. Maar dan komt het moment dat hij Joshua beveelt een risico te vermijden. Joshua is koppig, neemt het risico, gaat over kop en komt in het ziekenhuis terecht. De moeder van Joshua denkt dat het ongeluk de schuld is van de roekeloze Sonny en scheldt hem langdurig uit. Dilemma: als Sonny zichzelf verdedigt en de schuld bij Joshua legt, is hij op dat moment harteloos tegenover de moeder; als Sonny zich niét verdedigt is de kijker boos omdat de waarheid niet aan het licht komt. Probeer dat maar eens elegant op te lossen. Je komt er niet met een slimme ‘vondst’, je moet het oplossen met ‘stijl’.
     Het grootste dilemma betreft de afloop van de film. Het is een happy-end film en het team van Sonny en Joshua moet dus winnen. Maar wie van de twee racers komt het eerst over de finish? De kijker heeft twee tegenstrijdige verlangens. Hij wil graag dat Sonny wint, maar hij wil ook graag dat Sonny edelmoedig is en de overwinning gunt aan zijn jonge teamgenoot. Hoe los je dat op? Mijn zoon zei: ‘Als ze daar de verkeerde keuze hadden gemaakt, dan was ik beginnen roepen!’


The Rip
     Ik had scenarist Paul Baeten over de radio horen zeggen dat de nieuwe Netflix-film The Rip niet zo goed was en in elk geval niet zo goed als de Netflix-reeks Adolescence. Die laatste titel sprak hij uit met een klemtoon op de tweede lettergreep, zodat ik het woord pas begreep toen hij het de derde keer uitsprak. Maar Baeten heeft gelijk. De film is niet zo goed. Dat heeft onder andere met de casting te maken. De plot veronderstelt dat de kijker niet goed weet wie de goeien zijn, en wie de slechteriken. Maar je moet als kijker niet veel ervaring hebben om te zien tot welk kamp Matt Damon en tot welk kamp Kyle Chandler behoren. Je moet alleen maar naar hun gezicht kijken en dan weet je het al.


The Beast in Me
     De Standaard (21/2) prijst de Netflixserie The Beast in Me. ‘Onderhoudende thriller met een zoals altijd goede Claire Danes, en een geweldige Matthew Rhys.’ De drie omschrijvingen zijn correct. De thriller is onderhoudend, Claire Danes is goed, en Matthew Rhys is geweldig, vooral in de eerste afleveringen.


Nuremberg
      Over het proces van Nuremberg is al eens eerder een aardige miniserie gemaakt in 2000, met Brian Cox en Alec Baldwin. Nu is er een nieuwe film met Russel Crowe die de rol van Göring speelt. Fien Meynendonckx (DS 27/1) noemt het een popcornfilm. Ik heb de trailer gezien in de bioscoop, en ik geloof dat ze gelijk heeft. Meynendoncks stelt zich in dat verband de prangende vraag of zo’n aanpak ‘gepast’ is. Ze vindt van niet.

 Zeker omdat de regisseur ons met lepe trucjes tot vijf keer toe hardop laat lachen om situaties die niet grappig zijn.

     Om dat zinnetje heb ik dan weer hardop moeten lachen.
     ‘Gniffelen met Göring, kan dat wel?’ vraagt Meynendonckx zich af. In vind van wel. Het is moeilijk om nooit te gniffelen met gangstertypes als Göring, Stalin, Mao en keizer Tiberius. Wie gniffelt er niét bij het lezen van Tacitus of Milovan Djilas? Het is veel moeilijker om te gniffelen bij de ideologisch gedrevenen als Robespierre, Hitler of Lenin, al lachte die laatste zelf uitbundig als hij zijn cynisme kon laten zien aan buitenlandse gasten. En met die eerste, Robespierre, moet ik lachen om de manier waarop hij geportreteerd wordt in Napoleon van Abel Gance. 



'Meer' Europa

     Als ik iets over Europa schrijf, doe ik dat liefst in de meest algemene termen. Ik zie er tegen op om telkens weer op te zoeken wat het verschil is tussen de Raad van de Europese Unie, de Europese Raad en de Raad van Europa, of tussen het Europees Hof van Justistie en het Europees Hof van de Rechten van de Mens.
     Maar toch wil ik een ‘goede Europeaan’ zijn. Als men mij een enquête-formulier zou toestoppen, zou ik bij de vraag of ik meer of minder Europa wil, de eerste keuze aanvinken. Meer Europese defensie, betere bescherming van de buitengrenzen, meer economische integratie. Uiteraard geldt hier vaak de regel: ‘less is more’. Voor meer economische integratie bijvoorbeeld hebben we geloof ik vooral minder regels nodig, zowel op nationaal als op Europees niveau. Maar die integratie is tot nu toe redelijk succesvol, en kan in de toekomst nog toenemen. Ive Marx (DS 27/1) schrijft:

Om te beginnen zijn de economische verschillen tussen de landen van de EU spectaculair afgenomen. Polen en Tsjechië zullen binnenkort Italië of Frankrijk inhalen in termen van bbp per capita. De werkloosheid in Zuid-Europa is spectaculair afgenomen en ligt vandaag op het niveau van de Scandinavische landen … Economische en budgettaire verschillen tussen de lidstaten hebben altijd verhinderd dat er meer middelen en bevoegdheden naar het Europese niveau gingen. Die vrees kan nauwelijk nog bestaan.

     Dit is misschien té rooskleurig, maar de economische nivellering is een gegeven dat uit harde cijfers kan worden afgeleid – en die nivellering kan slechts héél gedeeltelijk worden verklaard vanuit de ‘transfers’.
     Moet er ook meer Europese ‘democratie’ komen? Dat is een moeilijker vraag. Ik ga al zeker de filosofische kwestie van de nationale soevereiniteit voorzichtig uit de weg. Over het nemen van beslissingen bij unanimiteit dan wel bij gekwalificeerde meerderheid, hou ik mij op de vlakte. Over Europese belastingen zeg ik geen woord. Maar ik wil wel iets kwijt over het Europeese Parlement. Moet dat Parlement zwaarder wegen op de beslissingen?
      Laatst heeft dat Parlement twee keer het beleid van de Europese Commissie afgekeurd. Mercosur werd voor toetsing verwezen naar het Hof van Justitie,  en de handelsdeal met de Verenigde Staten werd uitgesteld. Dat zijn twee betreurenswaardige beslissingen van het Parlement. Moet ik mij nu troosten met de gedachte dat ze ten minste de democratische werking van Europa demonstreren?
     Ik weet natuurlijk dat ik in een democratie niet kan verwachten dat de verkozenen alleen beslissingen nemen die ik goed vind. Maar wie zijn die Europese verkozenen eigenlijk? Waarom worden ze verkozen? Hoe worden ze electoraal afgestraft voor verkeerde beslissingen? Via welke kanalen hebben ze voeling met hun kiezers? Wat maakt dat een politicus de nationale politiek verlaat en voor Europa kiest?
      De Mercosur-stemming kan ik enigszins begrijpen*. De parlementairen hebben een afweging gemaakt op grond van de korte-termijn-belangen van hun land of regio. Maar de handelsdeal met de VS, wat moet ik daarvan denken? De Europese Volkspartij, de Europese Conservatieven en Hervormers, en de Patriotten waren vóór; de sociaaldemocraten, liberalen en Groenen waren tegen. Mag ik dat een eigenaardige verdeling van de stemmen vinden? Welke motieven speelden hier mee? 

* Enigszins, want ik begrijp niet dat zoveel liberalen tegen Mercosur gestemd hebben. 


dinsdag 3 februari 2026

Kortjes

 Reynebeau en Vos
     Sommige van mijn lezers geloven dat ik niets liever doe dan schelden op Marc Reynebeau of Hendrik Vos. Dat is helemaal niet zo. Het stuk van Vos in De Standaard van vandaag (20/1) heb ik niet eens gelezen, alhoewel het onderwerp – de toekomst van het transatlantisme – mij wel interesseert. Maar het klopt dat ik graag polemiseer en graag teksten fileer die ik onzinnig vind. Maar even graag geef ik commentaar naar aanleiding van genuanceerde opiniestukken die in de krant verschijnen: van Tom Naegels, Tinneke Beekman, François Levrau ...


Ereloonsupplementen
      Frank Vandenbroucke heeft alweer een wantoestand ontdekt: ‘Tien procent van de artsen is verantwoordelijk voor 43 procent van de ereloonsupplementen. Die excessen moeten eruit.’ Maar als ik het goed begrepen heb worden die ereloonsupplementen alleen betaald door wie extra wil betalen voor het privilege van een éénpersoonskamer. Die bedragen worden niet terugbetaald door de verplichte verzekering bij een ziekenfonds. Ze kosten niets aan de Sociale Zekerheid. Waar bemoeit Vandenbroucke zich dan mee? 


Hoogmoed
     De korte stukjes van Joke Van Caesbroeck in de krant slag ik nooit over. Ze is ‘niet voor het huishouden geboren’, vertelt ze vandaag. Ook heeft ze moeite met het sms’en omdat ze een pleister rond haar wijsvinger draagt. Ze had met een ‘uit hoogmoed vers geslepen keukenmes’ een topje van haar wijsvinger gesneden. Als je geen talent hebt voor het huishouden, kun je maar beter niet hoogmoedig zijn.


Subsidies
     Een liberaal is natuurlijk tegen ‘subsidies’, maar de term zoals die administratief gebruikt wordt, is dubbelzinnig. Ons onderwijs bijvoorbeeld wordt betaald door de overheid. Salarissen van de leerkrachten rekent men bij de ‘personeelskosten’, terwijl men renovatie van de gebouwen vaak bij de ‘subsidies’ rekent. Maar dat zijn niet noodzakelijk het soort subsidies die ik als liberaal dringend afgeschaft wil zien. De subsidies die ik als liberaal afgeschaft wil zien zijn bijvoorbeeld de ‘renovatiepremies’. Mijn vrouw heeft die altijd stipt aangevraagd en we hebben die in dank aanvaard, maar dat is geen reden om die praktijk te goed te praten.


Studiebeurzen
     De Vlaamse regering bespaart op de studiebeurzen. Vooral studenten die langer over hun studies doen, kunnen hun beurs verliezen. Ik neem aan dat er goede argumenten voor en tegen zo
n maatregel bestaan. Alleen dit. Als die studenten langer over hun studies doen, is dat omdat ze zich niet erg inspannen, of omdat ze niet de nodige talenten hebben voor die studies. Ik heb in het middelbaar een paar keer meegedaan aan een examen om een studiebeurs te verkrijgen. Die werden toen toegekend door door een instantie die in de volksmond het ‘Fonds voor de Meest Begaafden’ heette. Ik hoop dat de huidige maatregel dat ‘meest begaafde’ segment van de studenten ongemoeid laat.


Niets over Trump
     De Oostenrijkse schrijver en journalist Karl Kraus zou gezegd hebben: ‘Over Hitler valt mij niets te binnen.’ Ik heb hetzelfde met Trump. Ik schrijf wel vaker commentaartjes waar de naam Trump in voorkomt, maar eigenlijk gaan die over wat anderen over Trump denken. Als ik dié lees, valt mij van alles te binnen. Maar over Trump zelf: weinig. Is hij een briljant onderhandelaar of een seniele narcist? Zijn we getuige van madness, of is there some system in ’t. Ik weet het niet en het interesseert mij amper. Als men de vraag binnen honderd jaar probeert te beantwoorden in geleerde biografieën, dan zal ik Trump een van de fascinerendste politici van de 21ste eeuw vinden. 


De Nato
     Je hoort en leest dezer dagen overal dat de Nato ‘dood’ is. Dat komt vaak, maar niet altijd, van mensen die de Nato dood wénsen. Ik vraag mij af of hoe letterlijk wij die metafoor moeten nemen. Is de Nato even dood als de papegaai in de beroemde sketch, of bedoelt men gewoon dat de toekomst van de organisatie onzeker is? Wat denken bijvoorbeeld de hoge militairen van de Nato-landen ervan? Ik behoor in elk geval tot degenen die de Nato niet dood wensen. ‘If anyone thinks,’ zei Mark Rutte onlangs, ‘that the European Union or Europe as a whole can defend itself without the US, keep on dreaming.’ Nu is het makkelijk om Rutte uit te schelden omdat hij een slippendrager en een sycophant, maar ik denk wel dat hij hier gelijk heeft.


Achterklep van de auto
      Iedere keer als ik iets uit de koffer van de auto haal, of er iets in leg, beschouw ik het als een overwinning wanneer ik mijn hoofd niet gestoten heb aan de achterklep.


Droom
     Binnenkort geef ik een lezing op de school waar ik vroeger les gaf. Voor de leerlingen van het vijfde jaar, geloof ik. Als voorbereiding heb ik vannacht gedroomd dat ik weer voor de klas stond. Men had mij gevraagd voor een interim-opdracht, en in een droom kan ik nooit nee zeggen. Ik zeg zelfs geen nee als de PVDA mij vraagt om vlugschriften uit te delen. Het eigenaardige was dat de leerlingen mij herkenden – ‘u bent meneer Clerick’ – en ik ook hen herkende. Dat laatste was geloof ik het resultaat van iets wat men gezichtscompositie noemt: 
ons brein dat kenmerken mixt van mensen die we ooit gezien hebben.
     In elk geval, de les verliep vlot. Maar voor het volgende lesuur moest ik mij naar een ander lokaal begeven. Toen raakte ik hopeloos verdwaald. Hoe meer gangen ik inliep, hoe minder ik de omgeving herkende. Ik leek verzeild te zijn geraakt in een verhaal van Tom Wouters.


Mansplaining
     Ik heb in een vorige blogje* het licht misandrische woord ‘mansplaining’ verklaard vanuit de vrouwelijke voorkeur voor rapport-talk boven report-talk. Vrouwen houden minder van uitleg geven en uitleg krijgen dan mannen. Dat geldt echter alleen voor informele contexten. Bij een lezing in een formele context is mijn vrouw aandachtiger en meestal ook enthousiaster dan ik. 

* Dat blogje over mansplaining staat hier. Andere blogjes over dat onderwerp staan hier en hier.

 

Het Europees idealisme van Verhoeven

     Karel Verhoeven (DS 21/1) wil dat Europa opstaat als machtsblok-met-een-ideaal. Een machtsblok dat streeft naar

 Een wereld waarin landen zichzelf niet willen uitbreiden, grondstoffen vrij verhandelbaar zijn, volkeren hun eigen politieke lot kiezen, en vooral alle landen ernaar streven om het gebruik van het geweld af te zweren en dus ontwapenen als hoogste doel te hebben.

      Bij zoveel idealisme rijst de vraag wat een land of blok moet doen als ándere landen of blokken dat ideaal niét nastreven. Verhoeven noemt de agressieve landen en blokken, in navolging van Bart De Wever en Gramsci,  ‘monsters’. Bismarck noemde ze ‘snoeken’ – roofvissen dus. We kunnen onze vraag van hierboven dan in metaforische termen herformuleren. Wat moet je als karper doen in een vijver vol snoeken? De karper-idealen prediken?
      Verhoeven schrijft nog:

Als houvast kunnen documenten van andere existentiële crisissen dienen, zoals het Atlantic Charter dat Franklin D. Roosevelt en Winston Churchill in 1941 ondertekenden, waarin ze de wereld beschreven die ze nastreefden na de overwinning op nazi-Duitsland.

     Daar zit een argument in. Als je een militaire overwinning boekt op je voornaamste vijand, kun je inderdaad proberen je vredelievend ideaal op te leggen aan anderen. Maar dat doe je best zonder al te veel idealistische illusies. Van Roosevelt weet ik het niet, maar Churchill had die illusies in elk geval niet. Tegen het einde van de oorlog eiste hij dat elk lid van zijn kabinet Leopold Schwarzschilds boek Primer of the Coming World zou lezen. In dat boek wordt voorspeld dat de toekomstige wereld, net zoals in het verleden, er een zal zijn van brute krachtsverhoudingen. Schwarzschild raadt aan om niet te veel vertrouwen te schenken aan Verdragen voor een Eeuwige Vrede. Hij raadt het westerlingen aan om zich vooral niet eenzijdig te ontwapenen, er vooral voor te zorgen dat zij hun eigen politieke lot kunnen kiezen, dat zij het slachtoffer niet worden van landen of blokken die zichzelf willen uitbreiden, en dat zij over voldoende grondstoffen beschikken*. 

*Gelukkig heb ik de titel van het boek gecontroleerd, niet door het op te zoeken in mijn bibliotheek, maar op Wikipedia. Ik had eerst geschreven: A Primer of a New World. Ik heb niet gecontroleerd of Schwarzschild ook over grondstoffenbevoorrading schrijft. In elk geval niet in de eerste twee hoofdstukken die ik ongeveer uit het hoofd ken.


AI in het onderwijs

     Ik heb in vorige stukjes al iets geschreven over de voor- en nadelen van AI in het onderwijs. Een groot voordeel is dat je AI kunt manipuleren om een uitleg te geven van verschillende moeilijkheidsgraden, dat je bij een ontoereikend antwoord kunt doorvragen, en dat je de antwoorden kunt gebruiken om je eigen vraagstelling te verbeteren. Je kunt, dankzij AI, van een domme vraag een slimme vraag maken. Zo weet ik nu beter dan vroeger wat DNA is. Daarvoor begon ik met de domme vraag: ‘Als een molecule de kleinste eenheid van een scheikundige verbinding is, wat is dan de kleinste eenheid van DNA?’ Dat was eigenlijk helemaal niet wat ik wou weten. Vijftien vragen later wist ik ongeveer wát ik wel wou weten.
     AI-specialist Tim Brys somt in zijn nieuwe stukje (DS 20/1) een aantal andere voordelen op, maar legt meer klemtoon op de nadelen. Die zijn reëel. Zo schrijft hij: ‘Een samenvatting maken met AI is niet even leerzaam als die samenvatting zelf maken.’ Dat is zeker waar. Je leert meer uit de worsteling om zelf een samenvatting te maken, dan uit het lezen en herlezen van een hapklare AI-tekst. Sterker nog: in het huidige stadium zijn die samenvattingen ondermaats.  Mijn zoon zegt het krachtiger: ‘Die samenvattingen van AI zijn pure shit.’
     Een van die nadelen die Brys opsomt vind ik echter onzin.
 

‘Daar komt nog bij dat AI-chatbots … de ongelijkheid versterken tussen AI-geletterden en AI-ongeletterden.’

        Wat is dat nu voor een nadeel? Het is alsof je zou zeggen dat de uitvinding van het schrift de ongelijkheid versterkte tussen geletterden en analfabeten.
     Ik ben het overigens eens met de conclusie van Brys: 

 Daarom is het essentieel dat onderwijsinstellingen en leerkrachten onderscheiden waar en hoe AI onderwijs ondersteunt, en waar ze dat niet doet. In dat laatste geval wordt AI best verbannen, al besef ik dat zoiets niet makkelijk afdwingbaar is.      

maandag 2 februari 2026

De poortwachter in Dominique Willaert

  Het onderstaande stukje gaat over een commentaar van Dominique Willaert, die ik ten onrechte toeschreef aan de beroemde schrijver Jeroen Olyslaegers. Ik schaam mij natuurlijk voor mijn fout. 

   Dominique Willaert maakt zich op FB kwaad omdat er in De Standaard (30/1) een stukje stond van Ignaas Devisch dat de vergelijking tussen Trump II en het nazisme – ‘de jaren ’30’ – afwees. Ik heb dat stukje van Devisch  gelezen toen het verscheen en er verder niet veel aandacht aan besteed. Er zat in dat stukje geen stukje voor mij in. Over het onderwerp zelf heb ik al veel geschreven, en daardoor ook weinig nieuws te melden. Devisch schreef niets dat ik dringend wou weerleggen, maar ook niets dat ik wou overnemen en parafraseren om het niet te vergeten. Maar Willaert maakt zich dus kwaad. Het stukje is slordig, Devisch heeft veel te veel meningen, en ten slotte: hij mist de moed om de zaken te benoemen, dat laatste uit angst om niet meer uitgenodigd te worden in TV-studio’s.
        Dat is een eerbaar oordeel, dat ikzelf echter niet zo zou durven uitspreken. Mijn eigen stukjes zijn ook soms slordig, ik heb ook veel meningen – ik zou daar eigenlijk beschaamd over moeten zijn – en ik heb ook de neiging om als het even kan gematigde standpunten in te nemen, al is dat niet in de hoop om in TV-studio’s te worden uitgenodigd. Maar mag ik erop wijzen dat Willaert zich in zijn eigen stukje  tegenspreekt. Hij schrijft

 Het stuk [van Devisch] begint met een zachte veeg uit de pan aan Christoph Busch, de directeur van het Hannah Arend instituut … Waarom maakt mij dit kwaad? Om Omdat er in ons intellectuele landschap weinig tot geen generositeit bestaat. Telkens voelt er 'een deskundige' de aandrang om de andere deskundige te komen overbluffen en overtroeven. Vaak met argumenten die enkel en alleen het dweepzieke en narcistische karakter van de auteur versterken, maar niets wezenlijks bijdragen aan het democratische, publieke debat.

       Het is niet erg consequent om Devisch te hekelen voor zijn gebrek aan generositeit jegens Busch, als je daarna je opponent een dweepziek en narcistisch karakter toeschrijft. Willaert verwijt Devisch dat hij niet de mening deelt van Dirk Verhofstadt zoals uiteengezet in diens ‘Dagboek 1933’. Devisch zou dat boek moeten lezen, en en zou naar dát boek verwijzen in publieke tussenkomsten, ‘in plaats van telkens zijn eigen kwakje te komen droppen’.
     Het is niet aan mij om te zeggen hoe Willaert zijn polemiek moet voeren. Ik had liever een weerlegging gelezen van Devisch zijn standpunt, dan een verzameling scheldwoorden, intentieprocessen en gezagsargumenten, aangevuld met morele verontwaardiging. Maar ik ben de eerste om toe te geven dat morele verontwaardiging, een aardig scheldwoord, een boosaardig intentieproces, en af en toe een gezagsargument hun plaats hebben in een woordenstrijd. Ik heb dus weinig reden om mij, zoals Willaert, kwaad te maken. En dat hij tegelijk generositeit eist zonder die zelf te beoefenen is ook al niet iets om zwaar aan te tillen. Wie zelf nooit inconsequent is, werpe de eerste steen.  

   Nee, het is iets anders dat mij dwarszit. Willaert schrijft:

Dergelijke opiniestukken beschouw ik als een vorm van schuldig verzuim. En ook de poortwachter van de opiniepagina's verklaar ik mee schuldig. Omdat dit soort stukjes geschreven zijn door mensen die vanuit een ivoren toren - noch weten, noch voelen, noch begrijpen - wat het voor de honderdduizenden Amerikanen met een migratieachtergrond betekent om  etc. …     

Het is dat ‘poortwachter van de opiniepagina’s’ dat mij dwarszit. Onze pers bestaat in de praktijk uit een oligopolie, en in die omstandigheden heb ik het liefst dat de opinie-pagina’s zonder ideologische poortwachter tot stand komen. Idealiter (klemtoon op de á) zouden er stukken moeten komen die de uitwijzingen van Trump verdedigen als noodzakelijk beleid, naast stukken die ze analyseren als het point of no return op de weg naar het fascisme. Ik begrijp heel goed de bezwaren tegen die twee extreme standpunten. Ik begrijp ook heel goed dat men bezwaren maakt tegen voorzichtige tussenposities zoals die van Devisch. Maar dat men die voorzichtige tussenposities door een poortwachter wil laten tegenhouden, dat geeft blijk van een gevaarlijk hellend vlak – dat trouwens ook zijn plaats verdient op de opiniepagina’s. Ik zou als poortwachter het stuk van Willaert in elk geval niet hebben tegengehouden.     

*** 

    Willaert pleit niet voor een overheidscensuur. Wat hij voorstelt is veeleer een vrijwillig cordon médiatique. Maar waar waar eindigt dat cordon? Je begint met het uitsluiten van ‘fascistische’ standpunten. Goed, je kunt niet alles publiceren. Daarna sluit je standpunten uit die ‘aanleunen’ bij fascistische standpunten. Dat aanleunen is natuurlijk nogal rekbaar. En dan eindig je met het uitsluiten van oproepen tot dialoog met de extremen. Dan is alleen nog de ‘antifascistische’ analyse toegelaten. De discussie over de VS onder Trump II wordt beperkt tot de mening dat het fascistische keerpunt is bereikt, dan wel dat het elk moment bereikt kan worden. Ik zou die twee standpunten op de opiniepagina’s niet willen missen, maar ik wil ook wel eens een ándere mening lezen.

***

     Op een andere FB-pagina las ik een antwoord op Devisch dat rechter op het doel af ging. De auteur stelde de vraag of men de discussie met extreem-rechts moest aangaan. Het antwoord bestond uit twee delen. Ja, men moest een open gesprek aangaan met de ‘rechtse arbeiders’ en zich oprecht interesseren voor hun bekommernissen*. Nee, men moest geen open gesprek aangaan met extreem-rechts vanuit de veronderstelling dat zich daar misschien een deel van de waarheid bevond. Dat standpunt kan ik billijken. Iedereen mag zelf beslissen met wie hij een open gesprek wil aangaan en van welk open gesprek hij redelijkerwijze verwacht dat er Waarheid uit zal voortkomen. Ook wil ik niet graag beslissen waar de grens ligt tussen naïviteit en bekrompenheid. Zelf hou ik het meest van een mengsel van goedgelovigheid en cynisme.

  

* Dat standpunt vindt men reeds terug in documenten van de Communistische internationale van ‘de jaren 30’.


 


dinsdag 27 januari 2026

Doodgeschoten in Minneapolis, e.a.


     Actievoerder Alex Petti werd in Minneapolis doodgeschoten door federale agenten van ICE. Ik hoop dat een gerechtelijk onderzoek de feiten grondig zal uitspitten. Ondertussen citeer ik graag een stuk uit The Free Press dat voorzichtig uitdrukt wat geen redelijk mens kan ontkennen: de Trump-administratie heeft gelogen.

After the killing of Alex Pretti, the Trump administration is taking the American people for fools …The facts may, in the end, prove to be more complicated. But the facts as they are known now are at odds with the Trump administration’s version of events.

          Bij dat alles denk ik vanzelf aan de rechts-libertarische ‘prepper’ Yannick Verdyck die in in 2022 werd doodgeschoten bij een politie-inval in zijn woning in Merksem. Ik leg de kwestie af en toe voor aan AI, en ik heb niet de indruk dat die zaak grondig is uitgespit. De politieman die het dodelijke schot loste, is na onderzoek buiten vervolging gesteld. Dat kan best terecht zijn. De dreiging en de omstandigheden waren naar verluidt van die aard dat de politie zich mocht verdedigen. Maar ondertussen weten we nog altijd niet of Verdyck éérst geschoten heeft, of hij überhaupt geschoten heeft, of zelfs of hij een wapen op de politie gericht heeft. Men noemt het incident een ‘schietpartij’, zoals men vandaag de dag ook gemakkelijk spreekt van een ‘steekpartij’ zelfs als er slechts één iemand een mes gebruikt.
     Terug naar Minneapolis. De volgende opmerking van Jan-Willem Geerinck op zijn FB-pagina vind ik de moeite van het overwegen waard:

Ik ben zelf geen voorstander van ongebreidelde migratie maar kwam al lang geleden tot de slotsom dat als je die migratie tot nul wil herleiden, je dat alleen kan doen met een nazi-achtige politiestaat.

     Die vrees voor een nazi-achtige politiestaat als gevolg van een bruut anti-migratiebeleid is terecht. Om dat te vermijden moeten moeilijke evenwichten worden gezocht: tussen doel en middelen, tussen ontradingsbeleid en grensbewaking, tussen grensbewaking en deportatie, tussen deportatie en naturalisering, tussen xenofobe demagogie en parler-vrai. Trump is ongeveer de minst geschikte president om dat evenwicht tot stand te brengen. Maar je kunt voor een anti-migratiebeleid de lat ook te laag leggen. Steven De Foer citeert de Republikeins-gezinde krant The Wall Street Journal:

Trump kan illegale immigratie ook aanpaken met veel minder mensen, als die louter focussen op criminelen en niet op tuiniers en poetsvrouwen in hotels.

     Misschien is dat goed advies voor de Verenigde Staten, met veel katholieke Latijns-Amerikaanse immigranten die een informele maar substantiële bijdrage leveren aan de economie. Maar voor West-Europa zou het onvoldoende zijn om alleen de immigratie van criminelen te willen stoppen. We kunnen vermoeden dat slechts tussen 5 à 15 procent  van de illegale migranten bij criminele feiten betrokken raken. Maar dat is op zich geen reden om de andere 85 à 95 procent van de illegale immigratie te gedogen. 

* Wat we wel weten is dat Verduyck veel wapens bezat, waarvan sommige met en andere zonder vergunning. Maar ook daarover zijn de details vaag. Had hij bijvoorbeeld een vergunning voor zijn vuurwapens en niet voor zijn messen?  




maandag 26 januari 2026

Netflix voor leefloners


     
Het was een kop in Knack: ‘Een leefloon is niet bedoeld om je Netflix-abonnement mee te betalen.’ Was dat even schrikken. Mocht het nu een uitspraak geweest zijn van een Vooruit-politicus, dan had ik niets dan verontwaardiging gevoeld. Maar het was een uitspraak van de Antwerpse N-VA-schepen Nathalie van Baren. Wat nu? Jan Wostyn schreef op FB:

Wanneer men bij N-VA wil gaan bepalen of iemand die een leefloon ontvangt nog wel een Netflix abonnement mag hebben, moeten zowel de meer liberale als de meer sociale elementen in die partij zich toch beginnen afvragen of ze daar nog wel op hun plek zitten? 

     Dat was een goede typering van de uitspraak: noch sociaal, noch liberaal.
     Maar omdat het dus van een N-VA’er kwam, wilde ik voor een keer de moeite doen om niet alleen de kop, maar ook het artikel eronder te lezen. Van Baren krijgt allerlei ethische en sociologische vragen voorgelegd. Moet een leefloon onvoorwaardelijk worden toegekend, of mag er een tegenprestatie worden verwacht? Is het mogelijk om een substantieel deel van de nieuwe leefloners – de vroegere langdurig werklozen – aan het werk te krijgen? Van Baren kan als schepen van Sociale Zaken het antwoord niet schuldig blijven en antwoordt twee keer: ja. Ikzelf draag geen enkele verantwoordelijkheid en ben dus niet verplicht om te antwoorden, noch om mij grondig over de kwestie te documenteren of er diep over na te denken.
     In het geheel van het interview is de Netflix-passage maar een detail. Ik ben wel blij dat ik nu de context ken.

De hoogte van de leeflonen is federaal bepaald … Wij [het OCMW van Antwerpen] kunnen altijd bijspringen met extraatjes voor onverwachte uitgaven, maar het is niet de bedoeling om een nieuwe hangmat te creëren. Een leefloon is niet bedoeld om je Netflix-abonnement mee te betalen. Een leefloon moet wel dienen om een internetverbinding te bekostigen, zodat je kunt solliciteren.

     Het gaat dus niet om het leefloon zelf, maar over de extraatjes die een leefloner voor een welbepaald doel kan aanvragen. Het OCMW is dan wel bereid om maandelijks de 50 euro extra te betalen die nodig is voor internet, maar niet de 11 euro extra die nodig is voor een Netflix-abonnement.
     Ik probeer mij voor te stellen hoe ik als alleenstaande leefloner de kwestie zou aanpakken. Wellicht zou ik verhuizen naar Wallonië waar een bouwvallig appartementje goedkoper is dan in Vlaanderen. Ik zou dan hopelijk genoeg overhouden voor verwarming, wifi en Netflix.

zondag 25 januari 2026

Onderwijsbeleid en scholierenstaking


Nationaal scholierenprotest tegen Demir
     De scholieren willen op 22 januari staken en betogen tegen de onderwijsplannen van Zuhal Demir. Redfox, de jongerenafdeling van de PVDA publiceerde meerdere Tiktok-video’s waarin kritiek werd geuit op het beleid van Demir. Op die manier speelt radicaal-links vandaag ‘kort op de bal’.
      Toen Redfox nog ‘Kommunistiese Jeugdbond’ heette was dat veel moeilijker. De scholieren kwamen in 1973 op straat tegen de plannen van Defensie-minister Vanden Boeynants. Maar wat was eigenlijk het bezwaar tegen die plannen? VDB wilde het uitstel van legerdienst voor studerende jongeren afschaffen. Iedereen zou voortaan zijn legerdienst doen als ze 18 waren. 
     Eigenlijk zou daarmee een zwaar onrecht uit de wereld zijn geholpen. Wie in de fabriek werkte moest op zijn 18de
 naar de troep, wie studeerde pas enkele jaren later. Hoe kon radicaal-links, dat de mond vol had van ‘Arbeiders – Studenten: Eén Front
 daar nu tegen zijn? Leg dat maar eens uit. We moesten echter twee weken wachten voor de partijleiding een uitgebreide brochure klaar had waar de argumenten tegen het VDB-plan werden uitgewerkt en de slogans onderbouwd. Een van de argumenten was geloof ik dat de toekomstige studenten door hun legerdienst ‘geïndoctrineerd’ zouden worden en dat ze daarna dan aan de universiteit minder opstandig zouden zijn – een nogal geforceerde redenering. Maar het ging ook zonder argumenten, hoor. We riepen: V-D-B / weg-er-mee**.
      Maar nu heeft men dus Tiktok.
     Toch zijn de scholierenstakingen van 1973 en 2026 ook vergelijkbaar. Ook nu is er weer geen echt goede reden om te staken. Men geraakt meestal niet veel verder dan ‘Demir zou eerst iets moeten doen aan het lerarentekort voor ze de pedagogische studiedagen – een verlofdag voor de leerlingen – afschaft.’ Of: ‘Demir luistert niet naar de leerkrachten.’ Voor slogans mag dat echter geen bezwaar zijn. Om ritmische redenen stel ik voor: Zuhál / Demír / Weg-er-mee! De klemtoon op de laatste lettergrepen van Demirs naam en voornaam zorgen voor een agressieve ritmiek. Mijn vrouw stelt voor: De mier / De mier / Weg-van-hier!** Een slogan als Langere deliberaties: Nu! daarentegen scandeert niet zo goed.

***


      In de scholierenstaking van 1973 kreeg ik dus mijn vuurdoop als beroepsagitator****. Met de Kommunistiese Jeugdbond zijn we er toen in geslaagd om in Menen de staking een week lang te rekken. We hadden de eerste stakingsdag voorbereid op een comité-vergadering in een garage. Daar moet toen een luistervink bij geweest zijn, want enkele dagen later zijn mijn vader: ‘Jij was daar ook op die vergadering. Je moet niet denken dat ik dat niet weet. En je hebt voorgesteld om ‘M.L. De Roeck’ te vermelden als verantwoordelijke uitgever.’  Dat was allemaal waar. We mochten voor opruiende pamfletten altijd de verantwoordelijke uitgever van Amada gebruiken, waarvan de initialen M.L. mooi aansloten bij onze marxistisch-leninistische denkbeelden, maar later kwamen we te weten dat ze stonden voor Marie-Louise.
     We beleefden de tijd van ons leven. Wij hielden, tussen twee betogingen door, grote volksvergaderingen in de Vooruit, en onze opruiende taal, versterkt door een professionele geluidsinstallatie, schalde door de zaal. Er zijn echter, vrees ik, geen documenten bewaard gebleven die onze heldendaden vastleggen. Mijn ex-collega Jean-Pierre G. bezit wel nog zo’n document, want ook in Mechelen werd toen gestaakt. De directie van de school schreef toen een prachtige brief. 

Mechelen, 23 januari 1973  

Geachte Ouders, 

Wij stellen tot onze verbazing vast dat Uw zoon [handgeschreven: Jean-Pierre] vandaag [hangeschreven: vanmiddag] in de school afwezig is. Wij vermoeden dat die afwezigheid een gevolg is van een misleidende propaganda die erop gericht is minderjarige leerlingen uit het middelbaar onderwijs om twijfelachtige redenen de straat op te sturen, daar waar ernstige oplossingen slechts door volwassenen bekomen kunnen worden. Wij kunnen ons met deze afwezigheid geenszins akkoord verklaren en zullen ons dan ook verplicht zien eventueel sancties te treffen. Overtuigd dat u onze mening deelt, geven wij U de verzekering van onze bekommernis voor het welzijn van Uw zonen. 

Met de meeste hoogachting, 

L. De Bruyn, directeur

     Als ik zoiets lees, word ik nostalgisch naar een verleden dat, zo verzekert men mij, nooit heeft bestaan ... Op onze school had de directeur ook een dergelijke brief opgesteld, maar dan preventief, en hij maakte de fout om die brief te laten voorlezen in alle hoogste klassen, tijdens het eerste lesuur. Door de brief werd de idee van staking plots een reële mogelijkheid die sommige leerlingen nog niet overwogen hadden. Als protest tegen de brief verlieten de meer opstandige klassen hun lokalen en trokken naar de andere lokalen om ook die klassen tot staken aan te zetten. 
     Zelf werd ik door de staking bijna van school gegooid. Mijn vader had de beslissing van de directeur eerst berustend aangehoord. Pas toen hij straat stond, ontstak hij in woede, keerde op zijn stappen terug, en kon hij door grof gescheld en dreigementen verkrijgen dat de beslissing ongedaan werd gemaakt. Ik heb de hele geschiedenis pas veel later vernomen. Wie denkt dat het verschijnsel van ‘lastige ouders’ helemaal nieuw is, vergist zich. 

* Ik heb in dit stukje hier.uitgelegd waarom ik Demirs plannen een goede zaak vind.


** Andere slogans waren onder andere Tik-tak / Pontiac / Vanden-Boeynants-is-ne-zak! Er was ook een liedje, aangereikt door voetbalsupporters of Chiro-leden: Cheerio / cheerio / In Menen daar zingen ze zo / VDB weg en het leger kapot / Anders krijgen ze het met ons aan de stok. 


*** PS. De dag na de weinig succesvolle staking lees ik in de krant een andere slogan die gebuikt werd: 

            Pas-op / Demír / De-jongeren-zijn-hier!

**** Vanden Boeynants had verklaard dat de stakingen het werk was van beeroepsagitatoren. Dat leverde een mooie slogan op om op straat te scanderen. Wij / zijn / allen / beroepsagitato-o-oren! 



Mislukt
     Waarom is de leerlingenstaking van deze week mislukt? Redfox van de PVDA had het nochtans goed aangepakt met tiktokfilmpjes. Er was een concreet strijdpunt dat makkelijk overdreven kon worden: er zou een dag of twee meer lesgegeven worden. Men kon de verbinding maken (‘de band leggen’, zeiden we vroeger) met een bredere ontevredenheid zoals over het lerarentekort. Men kon zich moreel superieur voorstellen als ‘solidair met de leerkrachten en hun pedagogische studiedag’. Verder gaf de pers de nodige aandacht aan de stakingsoproep. PVDA-parlementslid Amina Vandenheuvel werd voorgesteld als een opstandige scholier. Stef Wauters vertelde op Het Nieuws dat volgens de Grote Bevraging 1 op de 3 scholieren ging staken.
      En toch mislukte het. Misschien was de aanleiding iets te onbeduidend en de uitleg iets te vergezocht. Maar een ding is zeker: een leerlingenstaking op gang brengen is heel moeilijk. Dat hebben we met de Kommunistiese Jeugdbond vaak ondervonden. Je moest geluk hebben. De sterren moesten gunstig staan. En vandaag lijkt het of leerlingen slechts willen staken als ze heel uitdrukkelijk door het establishment – u weet ongeveer wat ik bedoel – gesteund worden. Op mijn school werden leerlingen weliswaar gesanctioneerd als ze wegens een klimaatbetoging onwettig afwezig waren, maar ze werden door de directie ook geprezen en ze mochten voor straf werken aan een klimaatproject. 


Discipline, oorvijgen en alternatieven
     De intentie van minister Demir om meer discipline in de klaslokalen te krijgen, stuit op verzet van wie vreest voor een repressief onderwijssysteem. Het is waar dat in de jaren 60 en 70 nog occasioneel lijfstraffen werden gebruikt. In de lagere school werd ik, zoals iedereen, wel eens met de lat op de vingers getikt. Dat deed pijn. Ik heb met eigen ogen gezien hoe meester D. in het zesde leerjaar een leerling hard tegen de kont trapte. We waren allemaal geschrokken, want zo’n gebrek aan zelfbeheersing waren we van onze meester niet gewoon. In het middelbaar had een van de toezichthouders de gewoonte om met een zware sleutelbos naar een leerling te gooien die iets mispeuterde. Maar die man werd door ook door zijn collega’s als een gevaarlijke gek beschouwd.
     Zelf ben ik geen voorstander van lijfstraffen in het onderwijssysteem. H.L. Mencken heeft die op gloedvolle wijze verdedigd, en Dr. Johnson vóór hem. Er zijn natuurlijk bepaalde voordelen van efficiëntie aan verbonden. Honden die getraind werden om blinden te geleiden, maakten vroeger merkelijk meer kans om voor het moeilijke examen te slagen toen ze tijdens hun opleiding, naast beloning, ook straf kregen met behulp van de  barbaarse wurgketting. Maar efficiëntie is niet alles. Ik schat het gevaar niet hoog in dat de straffende lat, de pedagogische trap tegen de kont, en de levensgevaarlijke sleutelbos weer worden ingevoerd.
      Elke verwijzing naar lijfstraffen is in de polemiek rond discipline dan ook niets meer dan een schromelijke overdrijving. Ik zag een FB-post waarin een leraar liet zien hoe je leerlingen creatief kon laten omgaan met het ‘snelsonnet’. Hij citeerde een werkstuk van een van zijn leerlingen.

      De Mier

      Ik weet, u werkt des winters aan uw plan.
      Onze PISA-ranking moet echt stijgen
      Dat kan, denkt u, met straf en oorvijgen,
      U rekent op gejubel van uw eigen achterban.

      Maar machthebbers moeten, eer levens om te gooien,
      Met ons spreken, voor het aan de pers te strooien.

     De schending van het vijfvoetige jambenschema zou ik als leraar niet aanvaard hebben, maar voor het dwangrijm ‘oorvijgen’ was ik mild geweest. Wel zou ik van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om uit te leggen dat het woord niet letterlijk, maar metonymisch en hyperbolisch dient te worden opgevat. En eigenlijk zou ik opdrachten vermeden hebben die dergelijke politieke materie in de klas brengen, zelfs als de leerlingen daarbij mijn eigen mening overnamen. Ik herinner mij de woorden van mijn vader die zijn poësis en retorica tijdens de oorlog voltooide: ‘We hadden in de klas leerlingen en leraren die Engelsgezind waren en we hadden er die Duitsgezind waren. Daar werd in de klas nooit een opmerking over gemaakt noch in de ene, noch in de andere zin.’ Mijn moeder daarentegen zat toen in het eerste middelbaar met een klasselerares die niet kon ophouden over de politieke actualiteit. Ze herhaalde vaak: ‘Mijn lichaam is hier in deze klas, maar mijn hart is in Duitsland.’
     Er is niemand, denk ik, die gelooft dat Demir de lijfstraffen in het onderwijs weer wil invoeren, of zelfs maar gedogen. Dat zou ook niet nodig zijn, omdat er veel andere manieren bestaan om discipline te verkrijgen, zoals een uniforme aanpak door de collega’s en het consequent afdwingen van formele regels (zoals schooluniformen). Ik heb zelf nooit lijfstraffen toegepast, al heb ik ooit tegen een bank getrapt die daarbij onzacht de borst raakte van een leerling. Hij nam het mij gelukkig niet kwalijk. Wel had ik een aantal regels waar ik mij aan hield – sommige daarvan zijn wellicht alleen toepasbaar voor taalvakken.

  1. Klasopstelling: mijn leerlingen zaten op aangeduide plaatsen, niet naast hun vriendjes ; tussen de banken was er plaats waar de leraar vrij kon wandelen; ik legde aan mijn leerlingen zelfs uit waarom: ‘Je moet altijd de indruk hebben dat ik je een oorvijg kan geven.’ Zelf ging ik nooit zitten achter de lessenaar; ik gaf rechtstaand les en schreef weinig op het bord.
  2. Scenario en tempo: ik probeerde van mijn les een strikt scenario op te stellen, met een hoog tempo, waardoor er geen hiaten konden onstaan; praktische zaken zoals uitdelen en ophalen van toetsen moesten geroutineerd afgehandeld worden; in sommige klassen kon ik mij veroorloven om van het scenario af te wijken en te improviseren.
  3. Nultolerantie voor ‘babbelen’: ook bij de braafste leerlingen maakte ik een opmerking als ze occasioneel iets tegen hun buur zeiden; of ik keek hen doordringend aan.
  4. Stemverheffing: kan zowel je gezag ondersteunen als ondermijnen; ik gebruikte dat alleen bij het begin van de klas om stilte te eisen; als je voor een groot publiek spreekt, is het beter om te wachten tot de stilte spontaan tot stand komt, maar voor de klas had ik daar het geduld niet voor.
  5. Humor: ook met een flauwe grap breng je wat ontspanning waar de leerlingen je dankbaar voor zijn; in een klas die je kort wil houden, moet je met humor zuinig zijn; sarcastische en vernederende humor ten koste van een welbepaalde leerling dien je om humanitaire redenen te vermijden, maar cynische humor bij adolescenten werkt goed; ook leuk zijn discrete, onopvallende grapjes die maar door enkelen worden opgepikt; je creëert er een fanclub mee, wat een zegen is voor de discipline in je klas.
  6. Niet discussiëren: als leerling poogde ik mijn leraren zo vaak als mogelijk tot discussies te verleiden, als leraar ging ik op zulke pogingen niet in; ik probeerde de boodschap uit te stralen dat ik niet betaald werd om te discussiëren; als de leerlingen een of ander verzoek hadden, zoals het verplaatsen van een toets, gaf ik ofwel onmiddellijk toe, ofwel lachte ik het verzoek weg.
  7. Evidentie: als ik voor een opdracht of voor een bepaald gedrag hoge eisen oplegde, stelde ik het als een evidentie voor dat de leerlingen aan die hoge eisen zouden voldoen. 
  8. Lesmethode: veel ex cathedra en weinig groepswerk; tegelijk: ervoor zorgen dat de leerlingen altijd iets moeten dóen – zie de volgende twee punten.
  9. Oefeningen: centraal geleide oefeningen waarbij oplossingen kort genoteerd kunnen worden; liever veel gemakkelijke oefeningen – gemakkelijk bijvoorbeeld door voorafgaande uitleg – dan enkele moeilijke oefeningen waar de leerlingen het zelf moeten uitzoeken, het na enige tijd opgeven, en dan rumoerig worden.
  10. Noteren: systematisch inoefenen en quoteren van het nemen van notities; cursusmateriaal voorzien met speciale ruimte voor notities, zoals eenzijdig bedrukte bladzijden, hand-outs van powerpoints, enzovoort.
     Collegas die anders gebekt waren dan ik, gebruikten andere methodes. Niemand gebruikte oorvegen. Al heeft één collega ooit een emmer water over een leerling uitgekieperd. Je mag zoiets niet te vaak doen, want dat werkt gevaarlijke rebellie in de hand. Denk maar aan de film If ... (1968) waarin een groepje leerlingen, na een pak slaag te veel, zich op het dak opstellen en met mitrailleurs de directieleden, leraren en ouders beschieten. Dat zou Demir niet fijn vinden. 

De stakingsoproep van Hans Geybels
     
Theoloog Hans Geybels (DS 21/10) steunde de oproep tot scholierenstaking. ‘Mijn zoon van veertien gaat staken en ik steun hem daarin.’ Die vaderlijke trots siert hem. Ik ken een moeder wier dochter niet staakt, en die er als lid van de leerlingenraad in geslaagd is om de staking in haar school te vermijden. Die moeder is daar ook trots op.
      Geybels en ik denken verschillend over allerlei zaken. Zo schrijft hij:

‘Als leerlingen beter aanvoelen dan de meeste inrichtende onderwijsinstanties dat er te veel staatsinmenging is in het onderwijs, dan is er iets mis.’

      Maar is dat ‘aanvoelen’ de reden waarom leerlingen willen staken? Of is het omdat ze gehoord hebben dat ze vrije dagen zouden verliezen, omdat ze de opwinding van een stakingsdag verkiezen boven een doordeweekse same-old-same-old schooldag, omdat ze van hun leraren iets gehoord hebben over de waarde van lange deliberaties, of omdat ze niet gewapend zijn tegen drogredenen als ‘er moet iets gedaan worden aan het lerarentekort en daarom moeten de pedagogische studiedagen behouden blijven.’ Ik heb op twitter een paar stakingsoproepen van leerlingen gezien, en die jongens leken mij van het type dat ‘zijn voet in brand zou steken om een dag geen les te moeten volgen.’ 
     In elk geval, toen ik veertien jaar was, voelde ik in de verste verte niet aan wat er fout kon lopen in het nationaal onderwijsbeleid, en toen mijn zoon veertien jaar was, had hij in dat aanvoelen niet meer vorderingen gemaakt dan ik op zijn leeftijd. Mijn zoon had een uitgesproken oordeel over wat er op het menu moest staan in het schoolrestaurant, en over welke leraren goed of slecht les gaven, maar over algemeen onderwijsbeleid zou hij mij hebben nagepraat, totdat hij op zijn zestiende bij mijn wijsheden vraagtekens ging zetten – een neiging tot kritisch en zelfkritisch scepticisme die mij deugd deed toen ik ze vaststelde.
     Er zijn ook zaken waar Geybels en ik hetzelfde over denken. Hij heeft een hekel aan oppervlakkige invulboekjes. Ik ook. Hij betreurt de nadruk die in het verleden werd gelegd op ‘vaardigheden’. Ik ook. Hij beweert dat de kwaliteit van het onderwijs decennialang achteruit is gegaan. Dat beweer ik ook. Geybels wil net als Zuhal Demir ‘kwaliteitsvol onderwijs. ‘Alleen,’ zo schrijft hij, ‘lopen de meningen van de minster en die van mij over kwaliteit nogal uiteen.’
     Waar gaat het meningsverschil over?  Geybels vreest dat onze minister aanstuurt op ‘strenge scholen waar tucht en discipline heersen’, en dan doemt voor hem het angstaanjagende beeld op van de autoritaire Juf Bulstronk uit Matilda en van de sadistische directrice Dorothea Omber uit Harry Potter*. Ik heb begrip voor die angst. Ik heb ook zo’n angsten die voortkomen uit films. Uit Entre les murs (2006) bijvoorbeeld, of uit de Netflix-serie Adolescence (2025). Wij kunnen allemaal akkoord gaan dat een school het juiste evenwicht moet vinden tussen vrijheid en discipline. De vraag is in welke richting de meeste scholen vandaag afwijken. Zelf denk ik dat Demir gelijk heeft als ze het in de richting van meer discipline zoekt**. Maar het blijft een moeilijke discussie, en we kunnen ze niet oplossen door met angstaanjagende films te zwaaien.
      Verder is Geybels bang dat Demir het onderwijs stuurt in een eenzijdig technocratische richting. 

Geen algemene en brede vorming, maar nuttige kennis. De klemtoon ligt alleen op wiskunde, wetenschappen en taal. Volgens de minister dragen de levensbeschouwelijke vakken niet bij aan de kwaliteit van het onderwijs. In het verslag van de Onderwijscommissie van 8 januari beweert ze daarover: ‘Ik wil duidelijk meegeven dat dit voor mij geen prioriteit is. Ik heb andere katjes te geselen, die veel belangrijker zijn.’ Leerkrachten van levensbeschouwelijke vakken hoeven ook niet meer in de klassenraden te zitten, en ook lichamelijke opvoeding, kuntzinnige en literaire*** vakken verdwijnen naar de achtergrond.

     Ik interpreteer die uitspraak van Demir helemaal anders. In de eerste plaats wil ze de oude discussie over de levensbeschouwelijke vakken niet oprakelen: moet het vak Godsdienst autonoom blijven of opgaan in een breder vak Levensbeschouwing? Ten tweede wil ze de kwaliteitsverhoging niet gelijktijdig over de hele lijn doorvoeren, maar in een eerste fase in de genoemde vakken. De reden kan gedeeltelijk technocratisch zijn, maar het heeft zeker ook te maken met de meetbare ravages die in die vakken zijn aangericht. Ten derde is de vrijstelling van sommige leerkrachten om klassenraden bij te wonen een kwestie van gezond verstand. Die leerkrachten geven een beperkt aantal uren, moeten op te veel klassenraden aanwezig zijn, en hun vakken hebben weinig belang bij de toekenning van A-, B- of C-attesten****, en evenmin voor het kiezen van een verdere studiecarrière. Dat betekent helemaal niet dat die vakken niet belangrijk zijn.
     Geybels brengt nog een andere, veel moeilijker, kwestie ter sprake.

Worden leraren er in de toekomst werkelijk vrolijker van om door de staat geleide programma’s uit te voeren? Zonder eigen inspiratie, zonder de mogelijkheider iets van zichzelf in te leggen? …  Ik ben bezorgd over de controlerende wijze waarop het ministerie zich opdringt aan het werkveld. Nooit in het verleden is de inmenging op scholen zo groot … geweest … Zoals iedere ouder wil ik mijn kinderen de beste mogelijke opvoeding geven. Daarvoor denk ik terug aan mijn eigen schooltijd en aan de leraren die mij het meest zijn bijgebleven. Dat waren vaak degenen met een dikke, zelfgeschreven cursus (kennis!) met veel gezag (zonder autoritair te zijn), maar vooral degenen van wie ik voelde dat ze bevlogen waren, dat ze hun job graag deden omdat ze er nog een eigen invulling aan konden geven. Hun bevlogenheid gaf mij vleugels*****.

     Ik weet niet of ik als leraar ‘bevlogen’ was, veel ‘gezag’ had, of mijn leerlingen ‘vleugels gaf’. Zeker is dat ik heel dikke, zelfgeschreven cursussen gebruikte en dat ik mijn job alleen graag deed als ik mijn eigen invulling kon geven. Ik heb daar veel last mee gekregen van de kant van doorlichtingsteams en directieleden die vonden dat ik te veel afweek van de vakoverschrijdende eindtermen, te veel aandacht besteedde aan literatuur, de Algemeen-Pedagogische Richtlijnen in de wind sloeg, en de leerplannen alleen consulteerde om te weten wát ik moest geven, en niet om te weten hoe ik dat moest aanpakken. De tyrannieke inmenging die ik ondervond bracht er mij soms toe om tegen mijn zoon te zeggen: ‘Je mag later alles worden wat je wilt, maar als je voor het onderwijs kiest, sla ik je dood.’
     En nu denkt Geybels dat Demir die tirannieke inmenging nog verder wil opdrijven. Ik denk dat het anders is. Gedurende 50 jaar is vanuit het ministerie en vanuit de koepels een schadelijke onderwijsstijl opgedrongen aan scholen en leraren. Dat is een langzaam proces geweest, met af een toe een stroomversnelling, en met veel weerstand van leraren die koppig de oude kwaliteitsnormen nastreefden. Vandaag wil Demir met de haar kenmerkende voortvarendheid de tegenovergestelde richting uit. Ze wil zoals dat heet ‘de tanker keren’. Dat is ook een vorm van ‘inmenging’ en de uitdaging lijkt mij om die inmenging te verzoenen met tegelijk een grotere autonomie van de leraren. Dat moet mogelijk zijn als drie voorwaarden vervuld zijn. De discipline in de scholen moet verbeteren zodat leraren zich in het klaslokaal meer kunnen permitteren******. Doorlichtingsteams moeten focussen op resultaten en niet op het volgen van pedagogische regeltjes.  En je mag niet alle vakken tegelijk willen hervormen’; begin met duidelijk omschreven domeinen zoals … wiskunde, wetenschappen en talen.
      Tot slot, mocht ik leraar zijn van een levensbeschouwelijk vak, dan zou ik het fijn vinden dat mijn vak met rust gelaten werd. Ik weet dat er collega’s zijn die daar anders over denken. Hoe meer richtlijnen ze krijgen voor hun vak, hoe meer ze gecontroleerd worden, hoe liever ze dat hebben. Ze beschouwen die richtlijnen en controle als een bewijs dat hun vak ernstig wordt genomen. Dat is iets wat ik nooit zal begrijpen.

* Scholen en directies zoals geschetst in de Matilda- en Harry Potter-films hebben misschien echt bestaan, maar ik heb er persoonlijk geen ervaring mee gehad. De scholen en klassen van mijn jeugd geleken meer op die van films als Doubt en The Holdovers. Voor een nog verder verleden denk ik aan The Browning Version en Goodbye Mr. Chips. 

** Over discipline op school, zie mijn stukjes hier en (terloops) hier. Over het Demir-plan waar de leerlingen tegen willen staken, zie mijn stukje hier. Mijn eerste bedenkingen bij de scholierenstaking staan hier.

*** Ik geloof niet dat er in het middelbaar ‘literaire vakken’ bestaan die onafhankelijk van de taalvakken worden onderwezen. 

**** Ik heb altijd gevonden dat mijn eigen vak Nederlands ook niet erg belangrijk was voor het toekennen van die attesten. 

***** Ik heb een aantal woorden en zinnen weggelaten die verwijzen naar kwesties die ik hier niet wil behandelen: de verhouding tussen ‘kennis’ en ‘vorming’, en de rol van ‘inspraak’. Voor wie naar mijn mening nieuwsgierig is: ik zie weinig voordelen in ‘inspraak’ en ik geloof dat ‘vorming’ op school grotendeels impliciet langs ‘kennisverwerving’ verloopt. Wel geloof ik dat de levensbeschouwelijke vakken bij die ‘vorming’ een aparte en belangrijke plaats innemen. Ik wil hier graag toegeven dat godsdienst het enige vak was waar ik in het middelbaar goede punten voor haalde. 

****** Een gedisciplineerde omgeving creëert ruimte voor types zoals John Keating in Dead Poets Society … waar ik nooit veel sympathie heb gehad.    

 



Wouter Duyck vs. Hans Geybels
    
 Het antwoord van cognitief psycholoog Wouter Duyck aan het adres van theoloog Hans Geybels gelijkt hier en daar op het mijne hier boven. Duyck is net als ik een voorstander van kennisgericht onderwijs, en ook van meer ‘structuur’ 
– lees discipline   in de klassen. Maar hij pakt het toch anders aan. Waar ik met de argumenten en verwoordingen van Geybels speel als een jonge kat met een bolletje wol, grijpt Duyck naar ronde taal en naar sarcasme: ‘Men hitst kinderen op om het eigen falen te vergeten’ en ‘In de 21ste eeuw werkt ontwetendheid veel beter!’. Ook kan hij verwijzen naar wetenschappelijk onderzoek dat ik dan weer niet ken. Zo schrijft hij: ‘In de meest recente peilingstoets wiskunde scoorden leerlingen van leraren die zich profesionaliseerden slechter dan van die die opleidingen niet volgde.’ Maar ook zonder wetenschappelijk onderzoek vermoedde ik al zoiets.
     Het grote verschil met mij is dat Duyck recht op het doel afgaat en niet terugschrikt voor een zware beschuldiging. Geybels zijn stuk plaatst hij in de context van een ‘territoriumstrijd’ tussen de onderwijskoepels en het ministerie van Onderwijs. Het gaat niet om de jongeren, schrijft Duyck, maar om macht.’
     Laat ik de ronde taal nog wat ronder maken. Lange tijd zaten het ministerie en de onderwijskoepels op dezelfde lijn. Ze wilden een ‘democratisch onderwijs’ dat steunde op een ‘nieuwe pedagogie’ met een ‘leerlinggerichte aanpak’. Het resultaat was een dramatische daling van het niveau. Omdat iedereen op dezelfde lijn zat, was er geen 
territoriumstrijd nodig. Maar nu Zuhal Demir nadruk wil leggen op kennis, discipline en sturing, was een botsing  met de koepels die aan het oude beleid willen vasthouden onvermijdelijk.
     Duyck verwijst naar de ‘vrijheid van onderwijs’ zoals die in België tot stand gekomen is in het Schoolpact van 1958. De staat moet elk onderwijs onvoorwaardelijk financieren, maar de scholen (en de koepels waarbinnen ze zich verenigd hebben) bepalen vrij welke pedagogische aanpak ze hanteren. Voor de staat geldt dus, zoals Duyck het samenvat: wel betalen, niet bepalen. Het parlement kan theoretische minimumdoelen vastleggen, maar een koepel of school kan een pedagogische aanpak kiezen en opleggen waardoor die minimumdoelen steeds minder worden gerealiseerd.
     De hele situatie illustreert treffend de paradox van macht en vrijheid. De macht van de staat beperkt de vrijheid van de koepels, de macht van de koepels beperkt de vrijheid van de schooldirecties, de macht van de schooldirecties beperkt de vrijheid van de leerkrachten, en de macht van de leerkrachten beperkt de vrijheid van de leerlingen. In zo’n systeem word je vrijheid beperkt door een of ander niveau boven je, maar het niveau daar nog eens boven kan in theorie een stuk van je vrijheid herstellen*.
      Bij dit alles speelde de staatsinspectie een belangrijke maar dubbelzinnige rol. Ze controleerde de scholen namens de staat maar ze bekritiseerde de scholen op basis van de leerplannen en de richtlijnen van de koepels. Scholen kregen negatieve punten op een doorlichtingsverslag omdat er te veel herexamens waren, omdat er te veel toetsen werden afgenomen, of omdat de taalleraren zich niet hielden aan de verhouding 60 % vaardigheden en 40 % kennis, allemaal kwesties waar het parlement zich niet over had uitgesproken. Vanuit die ervaring zou ik de inspecties (en de koepels) niet te veel macht geven: ze moeten niet komen vertellen dat er meer herexamens, meer toetsen en meer kennisonderwijs moet zijn, maar ze moeten zeker het tegenovergestelde niet komen vertellen. Wel kunnen ze nagaan of bijvoorbeeld de minimum vereisten van meetbare kennis worden gerealiseerd.
     Liever dan mij af te vragen wie er in een gezond onderwijssysteem meer macht moet krijgen, vraag ik mij af wie er meer vrijheid moet krijgen. En dan kom ik uit bij de ouders die vrij moeten zijn bij het kiezen van een school, en de bij de leerkrachten die vrij moeten zijn bij het ontwikkelen van een eigen aanpak. En dat is ook het besluit van Wouter Duyck: 

De ouders moeten vrij kunnen kiezen met welk onderwijs hun kinderen zich ontwikkelen, leren lezen en rekenen, mens worden. [De vrijheid van onderwijs] is niet bedoeld voor koepels, maar voor scholen en leraren, die telkens als ik op scholen ga spreken, klagen over hun gebrek aan vrijheid. Door consignes die niet van het parlement komen. De vrijheid van de ouders om alleen te kunnen kiezen voor de eenheidsworst van de achteruitgang is geen vrijheid. De vrijheid van leraren om hetzelfde te moeten doen als 70 procent van de andere leraren, en daar rapporten over te schrijven in het weekend, is geen vrijheid.

     En daarbij kan de vrije schoolkeuze van de ouders de pedagogische vrijheid van de leraren in evenwicht houden. Als leraren van een bepaalde school uit overtuiging of uit gewoonte kiezen voor de pedagogisch inefficiënte methodes van de laatste 30 jaar, dan moeten ze weten dat sommige ouders aan een andere school de voorkeur zullen geven.


* Het ministerie van Onderwijs kan dus, in theorie, de vrijheid van de leraren vrijwaren tegen de dwang van de koepels. 



Lerarentekort
     Het lerarentekort is een serieus probleem. Als leerlingen gedurende vijf maanden geen Franse les krijgen, zullen ze minder goed Frans kennen. Ook is het voor hen niet prettig om vele uren in de studiezaal door te brengen in plaats van in een klaslokaal. Eén keer een uurtje geen les kan prettig zijn, om nog snel wat bij te studeren voor een toets van ander vak, maar zelfs minder schoolse leerlingen hebben doorgaans liever les dan zich in een studiezaal te vervelen.
    Ik ben over dat lerarentekort nogal optimistisch. Als binnenkort een aantal administratieve taken worden overgenomen door AI zullen mensen met theoretische diploma’s wel hun weg vinden naar het onderwijs. Over een andere kwestie ben ik echter pessimistisch. Zullen er voldoende goede leraren zijn? Leraren die én de roeping, én de capaciteiten én de vakkennis hebben om de nieuwe generaties het onderwijs te bieden waar ze nood aan hebben? Daar ben ik heel pessimistisch over. Ik kan moeilijk geloven dat de kwaliteit van de leraren opnieuw het niveau bereikt dat het had in de jaren 60 – en zo ongelooflijk hoog was dat gemiddelde niveau nu ook weer niet.
      In een interessante post op FB legt gewezen leraar ‘Mel Bergbewoner’ uit welke zeven voorwaarden vervuld moeten worden om opnieuw meer goede leerkrachten aan te trekken. De post van ‘Mel’ staat hier.


Reacties: hieronder staan enkele reacties van lezers die ik vanwege reorganisatie van de blogposts  op de oorspronkelijke plaats zal verwijderen.

Anoniem

Ik vraag me af waarom al die knullen in het middelbaar die vooral zo weinig mogelijk les en zo gemakkelijk mogelijke examens willen, ja waarom leren die gewoon niet een stiel? Ik kende een binnenhuisarchitecte die uiteindelijk herscholing voor machinist deed. Goeie verdienste, je kan vroeg beginnen enz.

 

Marcus

Lap! De "ziel van het kind" komt hier weer voorbijgevlogen. Dat was honderd jaar en meer ook al een dooddoener in de discussie rond het thema "wie is de baas in het onderwijs." Voor mij is het eenvoudig: wie betaalt, mag bepaalde voorwaarden stellen. Als de staat - dat wil dus zeggen mijnheer Clerick, ikzelf en ieder belastingbetaler in Vlaanderen - elk jaar 17 miljard in het Onderwijs stopt mag dat wel wat resultaten opleveren waar de gemeenschap iets aan heeft. Het "welbevinden" van de individuele leerling weegt daar zeker niet tegen op. De hele "staking" van vandaag was trouwen een luid klinkende scheet in een fles.
Goed artikel hierover in DS: https://www.standaard.be/opinies/dat-kinderen-meer-vakantie-willen-is-tot-daaraan-toe.-van-ouders-mag-men-meer-verwachten/125745100.html.


Anoniem

Als lesgevers levensbeschouwelijke vakken niet meer mee delibereren dan zal voor een deel hunner volgelingen een A-attest niet in de schoot vallen. In het GO!-onderwijs wedijveren ze om de hoogst mogelijke cijfers toe te kennen. Om een A-attest voor HUN leerlingen durven ze strijden, als een kat om haar jongen.