dinsdag 1 september 2026

Enkel films en series

Ook de afgelopen maand heb ik ’s avonds wel eens naar een film of serie gekeken


 True Detective Sz 2 (2015)

     Het tweede seizoen van True Detective kreeg minder goede kritieken dan de andere. Toch is het, door omstandigheden, het seizoen dat ik twee keer heb gezien. Vince Vaughn speelt zijn rol van gangster erg gemaniëreerd, maar op een of andere manier heb ik er mij niet aan gestoord. In de vierde aflevering komt er een heel opwindende shoot-out. Zoiets valt mij altijd op, omdat ik in het algemeen niet van shoot-outs in films hou. De eerste seconden van de scène zijn het sterkst, als de politiebende over straat wandelt, nog voor één schot is gelost (hier). Ik heb daarna de shoot-out in Peaky Blinders S4E5 opnieuw bekeken (hier), maar die was niet zo mooi als in mijn herinnering.

 

Sugar (2024-2026)

     Men moet geen fan zijn van Collin Farrell om hem te appreciëren in de neo-noir reeks Sugar. Critici prezen de serie, vooral het eerste seizoen, om haar verfijnde ‘stijl’. Ik begrijp dat. Farrel draagt mooie kostuums, rijdt met een mooie wagen en woont op een mooi appartement. Dat is aangenaam om naar te kijken.


 


Il Falsario (2025)

     Over een Italiaanse kunstvervalser Toni die in de jaren ‘70 terechtkomt in het gangstermilieu. Het waren de anni di piombo – de loden jaren – : corruptie in de politieke wereld, in het Vaticaan, terrorisme van extreemlinks en van extreemrechts. Wanneer de christendemocratische leider Aldo Moro wordt ontvoerd door de Rode Brigades, moet Toni een vals communiqué op te stellen. Een aantal critici vonden de film mislukt omdat er geen personages waar je enige sympathie voor kon opbrengen. Dat was niet mijn indruk. De relatie tussen Toni en zijn jeugdvrienden –  een priester en een geradicaliseerde arbeider – vond ik best gevoelig uitgewerkt. 

 


Ace in the Hole (1951)

     Van grootmeester Billy Wilder. Een ambitieuze journalist, Kirk Douglas, wil ten koste van alles munt slaan uit een dramatisch ongeval. De film bevatte geen personages waar ik enige sympathie voor kon opbrengen. 

 


Nouvelle vague (2025)

     Over het maken van A bout de souffle (1960). Ik heb die klassieker twee keer gezien, en de film óver de klassieker vier keer. Bij het typen van deze regels, realiseer ik mij dat ik de film vanavond een vijfde keer zal zien.

 


Summertime (1955)

     David Lean, Katherine Hepburn, Venetië … what’s not to like. Desalniettemin, vóór het midden van de film al gestopt met kijken. 

 


The Tailor of Panana (2001)

      John Boorman, John le Carré, Geoffrey Rush, spionage, de edele kunst van het kleermaken … Desalniettemin, ook hier vóór het midden van de film gestopt met kijken. Rush, die kleermaker is van hooggeplaatste politici in Panama, zit in financiële moeilijkheden. Hij maakt een MI-5 agent – een onuitstaanbare Pierce Brosnan – wijs dat hij op de hoogte is van geheime plannen die hij voor veel geld wil verkopen. Dan wil je toch liever niet weten hoe dat verder afloopt. Zou ik die andere versie van het verhaal, Our Man in Havana (1959) nog geen kans geven? 

     En ja, toen ik las dat de oude Harold Pinter en de jonge Daniel Radcliffe elk een kleine rol in de film speelden, heb ik even teruggespoeld om hun personages op te sporen.

 


Song Sung Blue (2025)

     Biografische film, niet over Neil Diamond, maar over een Neil Diamond-tributeband. Mijn vrouw vindt de optredens van Hugh Jackman te bombastisch, en laat mij videoclips zien van de echte Neil Diamond die veel ingetogener zijn. ChatGPT vertelt mij dan weer dat er op Youtube vooral filmpjes te zien zijn van de latere optreden van de artiest, terwijl zijn vroegere optredens wél bombastisch waren. 

 


Return to Dust (Yin ru chen yan) (2022)

     Een oudere man en vrouw vinden steun bij elkaar nadat ze door hun familie worden verstoten. Later moeten ze toezien hoe hun woning vanwege een bureaucratische regel vernietigd wordt. De vrouw verdrinkt en de man pleegt – zo kunnen we vermoeden – zelfmoord. De in China vertoonde versie is optimistischer en eindigt met een korte tekst: ‘Ma Youtie verhuisde naar zijn nieuwe appartement in de winter van 2011 en begon een nieuw leven met de hulp van de regering en de goedhartige dorpelingen.’

 


Brooklyn (2015)

     Ierland in de jaren 50. Eilis, een jonge vrouw vertrekt naar Amerika om daar een nieuw leven op te bouwen. Mijn vrouw heeft zoals altijd het boek gelezen en had zich de Ierse situatie armoediger voorgesteld. Ze vond dat je nu amper begreep waarom Eilis uit Ierland weg moest. De enthousiaste critici begrijp ik niet. Ze noemen de film ‘klassiek gemaakt’. Dat is waar. Hij bevat geloof ik geen enkele ‘inval’.

 


In the Hand of Dante (2025)

     Hedendaagse gangsters zijn op zoek naar het manuscript van Dantes Commedia, aangevuld met fragmenten uit Dantes leven. ‘Invallen’ genoeg, maar geen film. 

 


Priscilla (2023)

     Kort na elkaar Priscilla en Elvis (2022) opnieuw bekeken. Ik was verrast dat Priscilla zoveel beter was. 

 


A Serious Man (2009)

     Een joodse professor krijgt te maken met de ene tegenslag na de andere. Van de Coen-broers. Zéér joods en zéér mooi. 

 


Saturday Night Live (2024)

     Ik heb hier al iets geschreven over die film. De film nu opnieuw bekeken met mijn zoon, en hem voortdurend uitgelegd wie die mensen waren: Chevy Chase, Dan Ackroyd, John Belushi … Voor het eerst beseft dat John Belushi niet dezelfde persoon is als Jim Belushi. 

 


Cape Fear (2026)

      Mij bij deze serie voortdurend afgevraagd of ik de oorspronkelijke thriller van 1962, met Robert Mitchum, ooit gezien heb. Verwar ik die film niet met The Night of the Hunter (1955)? En heb ik dié wel gezien. Ik ben echter heel zeker dat ik de Cape Fear van 1991 niét gezien heb, en de reclamespots wel.

 


The Devil Wears Prada 2 (2026)

     Iets minder, maar alweer charmant.

 


The Sunset Limited (2011)

     Verfilmd toneel naar een script van Cormac McCarthy. Eén kamer, twee acteurs. Een leerling zei mij 15 jaar geleden dat het de beste film was die hij ooit had gezien. Ik was dus al 15 jaar aan het wachten op een gelegenheid om om die mededeling te controleren. Conclusie: een goede film, maar ik geloof dat mijn oudleerling er ondertussen al betere heeft gezien. (Zie ook hier.)



A Hidden Life (2019)
     Het was weer enige tijd geleden dat ik nog een film van Terence Malick had gezien en nu had mijn vrouw A Hidden Life ontdekt hij bij het aanbod van VRT-Max. Een diepgelovige Duitse boer tijdens de Tweede Wereldoorlog weigert om de eed van trouw af te leggen aan de Führer. Omdat het over een boer ging, wist ik dat we ons aan prachtige natuurbeelden mochten verwachten, en omdat het Terence Malick was, wist ik dat we ons aan een poëtische impressie mochten verwachten. Een gewone film bestaat uit een 50-tal scènes op één locatie en binnen één tijdsperiode. Mijn indruk na de film was dat we enkele honderden korte scènes hadden gezien. Maar mijn chatbot heeft mij uitgelegd waarom dat een slechte karakterisering is.

 Bij een conventionele publieksfilm heb je vaak: scène scène scène volgende plotontwikkeling. Bij Malick is het eerder: moment beeld beweging fragment van gesprek natuurbeeld voice-over ander moment herinnering terug naar de handeling. De grenzen tussen scènes worden daardoor veel minder duidelijk.

    Dat is inderdaad veel preciezer. Het resultaat van die werkwijze is eerder lyrisch dan dramatisch. De enige scène die bij mij dramatisch overkwam was een monoloog van Bruno Ganz die als rechter een laatste poging waagt om de gelovige boer tot een meer opportunistische houding te verleiden, een beetje zoals de duivel dat deed met Jezus in de woestijn. 
     De indruk dat de film uit honderden fragmenten bestaat houdt trouwens niet lang aan. Na enkele uren beginnen de fragmenten in je herinnering samen te klonteren tot scènes en sequenties. 


Fauci - covid - racisme

      De zaak Fauci heeft een oude discussie weer doen opflakkeren. Waar was het SARS-CoV-2-virus ontstaan? Sommigen beweerden dat de virusvariant ontstaan was op een Chinese markt waar wilde ratten en honden als vlees worden verkocht; anderen waren er zeker van dat het uit een Chinees laboratorium was ontsnapt.
      Lieden die het niet konden weten maakten op de sociale media ruzie met andere lieden die het ook niet konden weten. En toevallig: wie in het laboratoriumlek geloofde, geloofde niet in de vaccins, en wie in de vaccins geloofde, geloofde niet in het laboratoriumlek. Als je het vandaag aan Chat-GPT vraagt is de waarschijnlijkheid van de markthypothese 55 à 70 procent en die van het laboratoriumincident 20 à 30 procent.
     Wat mij bij de discussie – en bij andere corona-discussies – opviel waren de wonderlijke argumenten die werden aangehaald. Apoorva Mandavilli, wetenschapsjournaliste bij de New York Times, postte in 2021:

Vroeg of laat zullen we stoppen met spreken over het laboratoriumlek en toegeven dat dat verhaal voortkomt uit racisme. Maar zover zijn we helaas nog niet.

     Het antwoord van Nelli Bowles van The Free Press vond ik grappig: ‘Hoe kan het nu racistischer zijn om te zeggen dat de ziekte in een Chinees onderzoekslabortarium ontstaan is in plaats van op een Chinese markt waar vieze dieren worden verkocht om op te eten?’




 

Verzamelde kortjes

Sophie Straats neofascisme
     Bij een optreden in Genk riep de Nederlandse zangeres Sophie Straat vanop het podium: ‘Ik leef in een neofascistisch kutland, en jullie eigenlijk ook.’ Een bedenking. Wat bedoelt ze hier precies met eigenlijk? Dat Vlaanderen eigenlijk nog altijd iets minder neofascistisch is dan Nederland.  Of moeten we het vergelijken met een zinnetje als: ‘We leven hier eigenlijk in een neocommunistisch kutland.’


De harteloosheid van Knack
  
  
     In mijn postbus zie ik volgende kop van Knack verschijnen: ‘Geen eclipsbril in huis? Zo kijkt u veilig naar de zonsverduistering.’ Maar toen ik de kop aanklikte, bleek dat het artikel zich achter een betaalmuur bevond. Knack liet hier dus uit inhaligheid de kans liggen om duizenden, misschien zelfs tienduizenden, Vlamingen te behoeden voor permanente blindheid!


Mamdani’s gesubsidieerde supermarkten
     Men spreekt veel kwaad van Doorbraak, terwijl het toch erg goede stukken heeft. Dat over Mamdani die 5 gesubsidieerde supermarkten in New York wil invoeren, heb ik graag gelezen (zie hier). Ik weet niet of ik met een stuk over dat onderwerp even nuchter was gebleven. 


Socialisme 2.0 in de VS
     Socialisme 1.0 bestond in de VS vooral uit de kleine maar invloedrijke communistische partij. Nu gaat het om een nieuwe generatie politici die actief zijn binnen de Democratische partij. Wat Roeland Termote schrijft in De Standaard (21/8) lijkt de situatie goed samen te vatten: ‘De meeste socialistische politici staan het sterkst bij stedelijke kiezers met een hoog opleidingsniveau, maar een laag inkomen.’


The Economist en De Standaard 
    
Gisteren maakte ik mij vrolijk over een stuk in De Standaard: ‘The Economist opent aanval op topeconoom Daren Acemoglu.’ Vandaag zie ik dat  het Engelse weekblad een stuk brengt over Yuval Noah Harari die tekortkomingen ziet in de visie van Elon Must. Zou het niet enig zijn als De Standaard nu een stuk zou schrijven met als kop : ‘The Economist opent aanval op topondernemer Elon Musk.’


‘Links’ en ‘rechts’
     Ondanks al hun tekortkomingen vind ik de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ nog altijd bruikbaar om over politiek te spreken. Zou men bijvoorbeeld niet kunnen zeggen, om ons tot 1976 te beperken, dat Rocky een rechtse film, en Taxi Driver een linkse film is?

 

Hamsun en Reve
     Ben ik nu de enige die vind dat er wel wat gelijkenis in toon is tussen Honger (1890) van Kunt Hamsun en De avonden (1947) van Gerard Reve? 


Inflatie
     Voor inflatie worden verschillende verklaringen gegeven. Eén ervan is dat er teveel geld gecreëerd wordt vergeleken met het aantal goederen en diensten. Ik las laatst een andere verklaring in de vorm van een meme: ‘Inflatie: oligopolies die in concurrentie zijn wie de hoogste prijs kan vragen.’ Het lijkt mij logisch dat oligopolies – met een beperkt aantal bedrijven – hogere prijzen kunnen vragen dan op een echt vrije markt. Maar als ze met elkaar in concurrentie gaan, dan is het om de láágste prijs te kunnen aanbieden. Dat ze die prijs graag zo hoog mogelijk hebben, heeft er niets mee te maken. Dat is ook zo op een vrije markt.


De Standaard opent aanval op AI*
     ‘Chatbots lijken misschien gratis,’ schrijft Ruben Mooijman (DS 22/8). ‘Maar we betalen ze dus dubbel en dwars terug via het woonkrediet.’ Die formulering zou de indruk kunnen wekken dat een deel van wat we aan interesten betalen naar de AI-industrie afvloeit. Maar zo is het natuurlijk niet. Het gaat erom dat voor de investering in AI veel geld wordt geleend, waardoor het aanbod aan geld kleiner wordt en de rente dus hoger. In de vooringenomen taal van Mooijman wordt dat:

Om de steeds megalomanere datacenters te kunnen blijven financieren die de AI-industrie denkt nodig te hebben, wordt er tegen de sterren op geleend.

     Ik moet denken aan de megalomanen die indertijd overal ter wereld spoorwegen hebben aangelegd. In elk geval: we moeten hopen dat Mooijman geen gelijk krijgt, dat de datacenters een goede investering zijn en geen uiting van megalomanie, en dat de AI-industrie dat geld allemaal kan terugbetalen. Anders is de verhoogde hypotheekrente het minste van onze problemen.

* Mijn titel verwijst naar een kop in De Standaard: The Economist opent de aanval op topeconoom Daren Acemoglu. 


Subsidies voor opera
        ‘Als we geen subsidies krijgen, moeten we voor tickets prijzen vragen van 500 euro of meer,’ zegt Jan Vandenhouwe, artistiek directeur van Opera Ballet Vlaanderen.’ (DS 21/8).  Nu kosten die tickets tussen 26 en 140 euro. Het nadeel van niet de reële kostprijs in het ticket te verrekenen is dat de gewone economische wetten niet meer opgaan. Algemeen directeur Benedikt Spierings geeft een mooi voorbeeld: 

 Een extra voorstelling kost meer dan ze oplevert. Daarom kunnen we van succestitels als ‘Carmen’ minder opvoeringen plannen dan er een publiek voor is.

     In het algmeen zou men, na het maken van de vaste kosten, meer winst moeten maken naarmate men meer voorstellingen organiseert. In de 19de eeuw kon je makkelijker rijk worden met toneelstukken en opera’s dan met romans. Je moest heel wat investeren in een productie en als je na enkele voorstellingen moest stoppen, maakte je verlies. Maar als je het stuk maandenlang kon laten opvoeren, zat je op rozen.


 Clement en Laurent
     Wie vorige week veel op de sociale media heeft gescrold maakt veel kans om volgende geestige koppen te hebben zien voorbijkomen: ‘Belgian car salesman becomes prince after royal parentage confirmed’ (BCC) of ‘… after DNA test proves royal parentage.’
     Dat is een prachtig voorbeeld van Angelsaksische humor, en de truc, als je wil, bestaat erin om géén humoristisch effect na te streven. De humor is een neveneffect van de zakelijkheid en bondigheid. De kop is bij wijze van spreken niet kwaad bedoeld. Daarbij moet je voor ogen houden dat het Britse of Amerikaanse publiek nog nooit gehoord heeft van prins Laurent, Wendy Van Wanten en hun liefdeskind, en dus best wat achtergrondinformatie kan gebruiken. Mocht
Het Laatste Nieuws de kop ‘Autohandelaar wordt prins na DNA-test’ brengen, dan zou dat grove satire zijn.
    Zelf was ik overigens gerustgesteld toen ik op Het Nieuws vernam dat Clément weliswaar prins werd, maar niet als mogelijke troonopvolger in aanmerking kwam. We weten sinds Willem de Veroveraar hoe het kan lopen als een bastaard op de troon komt. 




maandag 31 augustus 2026

De scholierenstaking van vorig jaar

Net nu het schooljaar herbegint vind ik een oud stukje terug over de scholierenstaking van vorig schooljaar dat ergens in een ander blogstukje verstopt was.

      Theoloog Hans Geybels (DS 21/1) steunt de scholierenstaking. ‘Mijn zoon van veertien gaat staken en ik steun hem daarin.’ Die vaderlijke trots siert hem. Ik ken een moeder wier dochter niet staakt, en die er als lid van de leerlingenraad in geslaagd is om de staking in haar school te vermijden. Die moeder is daar ook trots op.

      Geybels en ik denken verschillend over allerlei zaken. Zo schrijft hij:

‘Als leerlingen beter aanvoelen dan de meeste inrichtende onderwijsinstanties dat er te veel staatsinmenging is in het onderwijs, dan is er iets mis.’

      Maar is dat ‘aanvoelen’ de reden waarom leerlingen willen staken? Of is het omdat ze gehoord hebben dat ze vrije dagen zouden verliezen, omdat ze de opwinding van een stakingsdag verkiezen boven een doordeweekse same-old-same-old schooldag, omdat ze van hun leraren iets gehoord hebben over de waarde van lange deliberaties, of omdat ze niet gewapend zijn tegen drogredenen als ‘er moet iets gedaan worden aan het lerarentekort en daarom moeten de pedagogische studiedagen behouden blijven.’ Ik heb op twitter een paar stakingsoproepen van leerlingen gezien, en die jongens leken mij van het type dat ‘zijn voet in brand zou steken om een dag geen les te moeten volgen.’ 
     In elk geval, toen ik veertien jaar was, voelde ik in de verste verte niet aan wat er fout kon lopen in het nationaal onderwijsbeleid, en toen mijn zoon veertien jaar was, had hij in dat aanvoelen niet meer vorderingen gemaakt dan ik op zijn leeftijd. Mijn zoon had een uitgesproken oordeel over wat er op het menu moest staan in het schoolrestaurant, en over welke leraren goed of slecht les gaven, maar over algemeen onderwijsbeleid zou hij mij hebben nagepraat, totdat hij op zijn zestiende bij mijn wijsheden vraagtekens ging zetten – een neiging tot kritisch en zelfkritisch scepticisme die mij deugd deed toen ik ze vaststelde.
     Er zijn ook zaken waar Geybels en ik hetzelfde over denken. Hij heeft een hekel aan oppervlakkige invulboekjes. Ik ook. Hij betreurt de nadruk die in het verleden werd gelegd op ‘vaardigheden’. Ik ook. Hij beweert dat de kwaliteit van het onderwijs decennialang achteruit is gegaan. Dat beweer ik ook. Geybels wil net als Zuhal Demir ‘kwaliteitsvol onderwijs. ‘Alleen,’ zo schrijft hij, ‘lopen de meningen van de minster en die van mij over kwaliteit nogal uiteen.’
     Waar gaat het meningsverschil over?  Geybels vreest dat onze minister aanstuurt op ‘strenge scholen waar tucht en discipline heersen’, en dan doemt voor hem het angstaanjagende beeld op van de autoritaire Juf Bulstronk uit Matilda en van de sadistische directrice Dorothea Omber uit Harry Potter*. Ik heb begrip voor die angst. Ik heb ook zo’n angsten die voortkomen uit films. Uit Entre les murs (2006) bijvoorbeeld, of uit de Netflix-serie Adolescence (2025). Wij kunnen allemaal akkoord gaan dat een school het juiste evenwicht moet vinden tussen vrijheid en discipline. De vraag is in welke richting de meeste scholen vandaag afwijken. Zelf denk ik dat Demir gelijk heeft als ze het in de richting van meer discipline zoekt**. Maar het blijft een moeilijke discussie, en we kunnen ze niet oplossen door met angstaanjagende films te zwaaien.
      Verder is Geybels bang dat Demir het onderwijs stuurt in een eenzijdig technocratische richting. 

Geen algemene en brede vorming, maar nuttige kennis. De klemtoon ligt alleen op wiskunde, wetenschappen en taal. Volgens de minister dragen de levensbeschouwelijke vakken niet bij aan de kwaliteit van het onderwijs. In het verslag van de Onderwijscommissie van 8 januari beweert ze daarover: ‘Ik wil duidelijk meegeven dat dit voor mij geen prioriteit is. Ik heb andere katjes te geselen, die veel belangrijker zijn.’ Leerkrachten van levensbeschouwelijke vakken hoeven ook niet meer in de klassenraden te zitten, en ook lichamelijke opvoeding, kuntzinnige en literaire*** vakken verdwijnen naar de achtergrond.

     Ik interpreteer die uitspraak van Demir helemaal anders. In de eerste plaats wil ze de oude discussie over de levensbeschouwelijke vakken niet oprakelen: moet het vak Godsdienst autonoom blijven of opgaan in een breder vak Levensbeschouwing? Ten tweede wil ze de kwaliteitsverhoging niet gelijktijdig over de hele lijn doorvoeren, maar in een eerste fase in de genoemde vakken. De reden kan gedeeltelijk technocratisch zijn, maar het heeft zeker ook te maken met de meetbare ravages die in die vakken zijn aangericht. Ten derde is de vrijstelling van sommige leerkrachten om klassenraden bij te wonen een kwestie van gezond verstand. Die leerkrachten geven een beperkt aantal uren, moeten op te veel klassenraden aanwezig zijn, en hun vakken hebben weinig belang bij de toekenning van A-, B- of C-attesten****, en evenmin voor het kiezen van een verdere studiecarrière. Dat betekent helemaal niet dat die vakken niet belangrijk zijn.
     Geybels brengt nog een andere, veel moeilijker, kwestie ter sprake.

Worden leraren er in de toekomst werkelijk vrolijker van om door de staat geleide programma’s uit te voeren? Zonder eigen inspiratie, zonder de mogelijkheider iets van zichzelf in te leggen? …  Ik ben bezorgd over de controlerende wijze waarop het ministerie zich opdringt aan het werkveld. Nooit in het verleden is de inmenging op scholen zo groot … geweest … Zoals iedere ouder wil ik mijn kinderen de beste mogelijke opvoeding geven. Daarvoor denk ik terug aan mijn eigen schooltijd en aan de leraren die mij het meest zijn bijgebleven. Dat waren vaak degenen met een dikke, zelfgeschreven cursus (kennis!) met veel gezag (zonder autoritair te zijn), maar vooral degenen van wie ik voelde dat ze bevlogen waren, dat ze hun job graag deden omdat ze er nog een eigen invulling aan konden geven. Hun bevlogenheid gaf mij vleugels*****.

     Ik weet niet of ik als leraar ‘bevlogen’ was, veel ‘gezag’ had, of mijn leerlingen ‘vleugels gaf’. Zeker is dat ik heel dikke, zelfgeschreven cursussen gebruikte en dat ik mijn job alleen graag deed als ik mijn eigen invulling kon geven. Ik heb daar veel last mee gekregen van de kant van doorlichtingsteams en directieleden die vonden dat ik te veel afweek van de vakoverschrijdende eindtermen, te veel aandacht besteedde aan literatuur, de Algemeen-Pedagogische Richtlijnen in de wind sloeg, en de leerplannen alleen consulteerde om te weten wát ik moest geven, en niet om te weten hoe ik dat moest aanpakken. De tyrannieke inmenging die ik ondervond bracht er mij soms toe om tegen mijn zoon te zeggen: ‘Je mag later alles worden wat je wilt, maar als je voor het onderwijs kiest, sla ik je dood.’
     En nu denkt Geybels dat Demir die tirannieke inmenging nog verder wil opdrijven. Ik denk dat het anders is. Gedurende 50 jaar is vanuit het ministerie en vanuit de koepels een schadelijke onderwijsstijl opgedrongen aan scholen en leraren. Dat is een langzaam proces geweest, met af een toe een stroomversnelling, en met veel weerstand van leraren die koppig de oude kwaliteitsnormen nastreefden. Vandaag wil Demir met de haar kenmerkende voortvarendheid de tegenovergestelde richting uit. Ze wil zoals dat heet ‘de tanker keren’. Dat is ook een vorm van ‘inmenging’ en de uitdaging lijkt mij om die inmenging te verzoenen met tegelijk een grotere autonomie van de leraren. Dat moet mogelijk zijn als drie voorwaarden vervuld zijn. De discipline in de scholen moet verbeteren zodat leraren zich in het klaslokaal meer kunnen permitteren******. Doorlichtingsteams moeten focussen op resultaten en niet op het volgen van pedagogische regeltjes.  En je mag niet alle vakken tegelijk willen hervormen’; begin met duidelijk omschreven domeinen zoals … wiskunde, wetenschappen en talen.
      Tot slot, mocht ik leraar zijn van een levensbeschouwelijk vak, dan zou ik het fijn vinden dat mijn vak met rust gelaten werd. Ik weet dat er collega’s zijn die daar anders over denken. Hoe meer richtlijnen ze krijgen voor hun vak, hoe meer ze gecontroleerd worden, hoe liever ze dat hebben. Ze beschouwen die richtlijnen en controle als een bewijs dat hun vak ernstig wordt genomen. Dat is iets wat ik nooit zal begrijpen.

* Scholen en directies zoals geschetst in de Matilda- en Harry Potter-films hebben misschien echt bestaan, maar ik heb er persoonlijk geen ervaring mee gehad. De scholen en klassen van mijn jeugd geleken meer op die van films als Doubt en The Holdovers. Voor een nog verder verleden denk ik aan The Browning Version en Goodbye Mr. Chips. 

** Over discipline op school, zie mijn stukjes hier en (terloops) hier. Over het Demir-plan waar de leerlingen tegen willen staken, zie mijn stukje hier. Mijn eerste bedenkingen bij de scholierenstaking staan hier.

*** Ik geloof niet dat er in het middelbaar ‘literaire vakken’ bestaan die onafhankelijk van de taalvakken worden onderwezen. 

**** Ik heb altijd gevonden dat mijn eigen vak Nederlands ook niet erg belangrijk was voor het toekennen van die attesten. 

***** Ik heb een aantal woorden en zinnen weggelaten die verwijzen naar kwesties die ik hier niet wil behandelen: de verhouding tussen ‘kennis’ en ‘vorming’, en de rol van ‘inspraak’. Voor wie naar mijn mening nieuwsgierig is: ik zie weinig voordelen in ‘inspraak’ en ik geloof dat ‘vorming’ op school grotendeels impliciet langs ‘kennisverwerving’ verloopt. Wel geloof ik dat de levensbeschouwelijke vakken bij die ‘vorming’ een aparte en belangrijke plaats innemen. Ik wil hier graag toegeven dat godsdienst het enige vak was waar ik in het middelbaar goede punten voor haalde. 

****** Een gedisciplineerde omgeving creëert ruimte voor types zoals John Keating in Dead Poets Society … waar ik nooit veel sympathie heb gehad.    

 

 

zaterdag 29 augustus 2026

De universiteit zuiveren van ...


     
Al kan ik bij gebrek aan academische titel de internationale petitie niet ondertekenen, ben ik toch tegen de sancties die men nu neemt, of in de toekomst zal nemen, tegen Nathan Cofnas. We weten niet wat uit het tuchtonderzoek naar voren zal komen, maar de brief van Petra De Sutter bevat voor mij voldoende aanwijzingen. Ik volg dan ook de argumenten die professor Andreas De Block ontwikkelt in De Morgen (29/8)*: 

  • dat het linkse overwicht aan de universiteiten te eenzijdig de vragen bepaalt waar het wetenschappelijk onderzoek zich op richt 
  • dat onderzoek ‘in de marge’ moet worden getolereerd en niet onmiddellijk als pseudowetenschap moet worden weggezet 
  • dat de vraag naar een biologische basis voor het IQ-verschil tussen etnische groepen nog niet beslecht is**
  • dat er een verschil bestaat tussen een academicus niet-aannemen en een academicus schorsen en ontslaan 
  • dat Cofnas in de kwestie van Jason Arday geen ‘klokkenluider’ was in de juridische maar wel in de brede zin van het woord, en dat hij in grote lijnen gelijk had
  • dat de kwestie Arday strikt genomen niet het ‘motief’  maar wel de ‘aanleiding’ voor de schorsing en het onderzoek was 
  • dat het gezien de geplogenheden in het departement filosofie belachelijk is om Cofnas te verwijten dat hij zich ook met ander onderzoek bezighield dan omschreven in de opdracht [blij dat iemand het eens zegt]
  • dat beledigende polemische taal zoals die van Cofnas betreurenswaardig is, maar in de academische wereld geen uitzondering vormt 
  • dat het argument van het ‘welzijn’ van de studenten hoogstens kan worden ingeroepen in verband met onderwijs en niet in verband met onderzoek [ook niet inzake onderwijs wat mij betreft]
  • dat het argument van de onrust die Cofnas veroorzaakt zéér problematisch is 
  • dat de maatschappelijke schade die het onderzoek van Cofnas zou kunnen teweegbrengen hoogstens een argument is om het onderzoek niet te financieren maar niet om het te verbieden***

    Het is mij allemaal wat te voorzichtig, maar misschien dat een voorzichtige stem in dit debat zwaarder weegt, dan luid geroep. 


                                                                    ***


     Dat  betekent nu ook weer niet dat ik veel medelijden heb met Cofnas. Als ik medelijden wil voelen, dan denk ik aan een poes die bij de dierenarts een dodelijk spuitje moet krijgen. Nou ja, ik heb een interview met Cofnas gezien waarbij hem gevraagd werd of hij nog altijd zo’n harde kritiek op Jason Arday zou hebben, als hij wist dat zoiets tot zijn tragische dood zou leiden.  Je kon de kortsluiting in Cofnas’ hersenen bij die contrafactuele vraag bijna zién. Toen had ik wel medelijden.
     Cofnas, heb ik ondertussen begrepen, is zowel een wetenschapper als een cultural warrior. In die laatste rol deelt hij klappen uit, en moet hij maar klappen kunnen incasseren. Als een van de partijen de spelregels overtreedt, dan voel ik geen medelijden maar verontwaardiging. En met spelregels bedoel ik hier niet de procedures maar de fundamentele regels: academische vrijheid aan de universiteit en vrije meningsuiting in een liberale democratie. Voor zover ik kan beoordelen worden die regels hier door de U-Gent overtreden. (Ik ken de tegenargumenten, maar dié discussie is voor mij afgesloten.)


                                                                     ***


       Ik heb gisteren een leuke tekst van Cofnas over woke gelezen****. Dat was geen wetenschappelijk, peer-reviewed artikel, veeleer een soort column maar dan één van 20 bladzijden. Toch heb ik er enkele interessante gedachten in teruggevonden. Volgens Cofnas moeten we de wortels van woke zoeken in de Civil Rights beweging:

The civil rights movement aroused justified sympathy for the plight of blacks, who had been seriously oppressed. By the time major civil rights legislation was passed in the 1960s, respectable people had almost unanimously embraced the fantasy that legal equality would solve the race problem.

     De redenering gaat als volgt. Sinds de Verlichting domineert de overtuiging dat alle mensen, en zeker alle ‘rassen’ gelijke capaciteiten hebben. Wanneer men in de jaren 60 vaststelt dat de zwarte bevolking, 100 jaar na de afschaffing van de slavernij, nog altijd armer is dan de blanke bevolking, dan moet dat aan discriminerende wetten liggen. Als die wetten worden afgeschaft, dan zal na enige tijd de zwarte en blanke bevolking even welvarend zijn.
      Maar het liep anders, en dus had men nood aan nieuwe verklaringen –  white privilege, micro-agressie, verborgen, onbewust of structureel racisme – en nieuwe remedies – positieve discriminatie, identity politics, dekolonisering van de geesten, diversiteitstraining, verwijderen van foute standbeelden, antiracistische wiskunde, enzovoort. Volgens Cofnas zijn die nieuwe verklaringen en remedies ook logisch, zolang men een andere verklaring niet onder ogen wil zien: de verschillende capaciteiten van de verschillende bevolkingsgroepen. Woke is dus intellectueel superieur aan de liberale en conservatieve ideologie van ‘kleurenblindheid’ en trekt daarom de intellectuele elite aan. Met andere woorden: woke heeft gelijk … behalve als het ongelijk zou hebben op één punt: dat van de gelijke capaciteiten. En dát is geen kwestie van politiek, maar van wetenschap.

                                                                        ***

     Ik zou tegen deze analyse van woke veel kunnen inbrengen, maar alweer: dat is niet de kwestie die mij bezighoudt. In plaats daarvan wil ik liever iets zeggen over een conclusie van Cofnas – die overigens niet uit zijn voorafgaande betoog volgt.

 Our institutions are brimming with delusional — and in many cases mentally ill — true believing Red Guard thugs who were appointed to maintain the ideological status quo. Many of these people will fight to the gates of hell to defend the woke system, and won’t accept evidence for hereditarianism no matter what. We need to find legal ways to remove these people from positions of authority: get rid of fake grievance-studies departments at universities; revoke the tenure of pseudo-scholars who were hired in job searches that illegally discriminated against whites, Asians, and men.

     Dat is de klassieke oproep tot ‘onverdraagzaamheid tegen de onverdraagzamen’, waar helaas het argument van de logica machteloos tegenover staat, en alleen het argument van beschaving en proportie voor enig soelaas kan zorgen. Ter verschoning van Cofnas zij opgemerkt dat hij die organisatorische maatregelen ondergeschikt maakt aan de ideeënstrijd; omgekeerd gaat hij in zijn voorstellen veel verder dan de maatregelen die nu tegen hem genomen en overwogen worden: sluiten van hele faculteiten, afdanken van vastbenoemde professoren, rechtzetten van positieve discriminatie met terugwerkende kracht. Het zijn allemaal maatregelen die alleen door een compromisloze, radicaal-rechtse regering zouden kunnen worden genomen, en we weten niet weten hoe ver die in haar zuivering precies zou gaan. Ik zal dan ook altijd voor centrumpartijen kiezen die het spel niét zo hard willen spelen: niet zo hard als Petra De Sutter en Co, en niet zo hard als Cofnas en Co*****.
     Ja, maar wat is het alternatief? Zelf geloof ik dat Cofnas in zekere mate gelijk heeft dat er te veel woke is aan de universiteiten, dat er hele studierichtingen zijn die er beter niet zouden zijn, en dat er bijvoorbeeld over migratie-gerelateerde onderwerpen veel linkse pseudowetenschap wordt verkocht. Moet aan die woke invloed dan niets gedaan worden? Moeten we ons beperken tot vrome wensen over een universiteit waarin IQ-wetenschappers en multiculturele taalsociologen elkaar verdragen, waar wetenschappelijk werk met wetenschappelijke criteria wordt beoordeeld, en waar intellectueel eerlijke polemiek op de publieke tribune met intellectueel eerlijke polemiek wordt beantwoord op dezelfde tribune? Welja, dat zijn niet meer dan vrome wensen, maar het is altijd beter dan niets. En de meeste commentaren die ik lees gaan ook niet veel verder.

                                                                    ***

     Ik heb in een vorig stuk commentaar gegeven bij het voorstel van Andreas De Block om voor meer politiek evenwicht te zorgen bij benoemingen in de menswetenschappen. Dat heeft voor- en nadelen. Theoretisch zou een politieke overtuiging bij benoemingen géén rol mogen spelen, en het stuit tegen de borst om zon criterium schaamteloos een plaats te geven in het selectieproces. Praktisch kan het voor evenwichtiger onderzoek zorgen. Maar als Cofnas gelijk heeft dat de woke-mensen aan de universiteiten hun posities zullen verdedigen ‘to the gates of hell’, dan is het voorstel tot evenwichtige benoemingen niet meer dan een vrome wens. 
     Hetzelfde kan worden gezegd over de pleidooien voor een waardevrije menswetenschappen, in de traditie van Max Weber, en op FB welsprekend verdedigd door Geraard Goossens******.  Ik las ergens een reactie van professor Jan Dumolyn die in dezelfde richting ging. Dumolyn vertelde wat hij de laatste tijd aan het doen was: examens verbeteren, middeleeuwse documenten lezen, en hopen dat die vervloekte pseudo-wetenschappers als Cofnas enerzijds en de woke-departementen anderzijds zo snel mogelijk van de universiteit werden verwijderd. Alleen weet ik niet zeker of Dumolyn als marxist zijn eigen wetenschappelijk werk als ‘waardevrij’ zou karakteriseren. Sommige van zijn ideologische tegenstanders zullen dat zeker niét doen. In elk geval: als een wonderlampgeest mij een wens liet doen voor de universiteiten zou ik niet vragen dat de rassenrealisten, de wokisten, de taalsociologen en de migrantologen in rook opgingen, maar dat ze zich zouden inspannen om waardevrij aan wetenschap te doen. Sommigen zouden dan wellicht hun studiegebied verleggen.
      Bij Rik Torfs komen we de vrome-wens-logica in zijn zuiverste vorm tegen.

Een brede discussie over de toekomst van onze universiteiten is broodnodig, zowel in als buiten de universiteit. Hopelijk breekt weldra het moment aan waarop universitaire bestuurders zich uit hun bureaucratische en ideologische logica bevrijden en ze, met de nodige zelfkritiek, over hun eigen toekomst durven na te denken, voorbij.

     Daar is ze weer, de ‘brede discussie’. Anderzijds: we kunnen daar cynisch over zijn, maar het is ten minste iets wat we zélf kunnen doen. Ik doe er in elk geval aan mee. Dit is reeds mijn vierde Cofnas-stukje. Misschien is die Cofnas een vieze jongen, en de sancties zijn zeker een vieze zaak, maar ik haal er mijn neus niet voor op. Ik gooi me in het gewoel.
     Iemand die dan weer helemaal niets van vrome wensen moet hebben, is – wie anders ?– professor Mark Elchardus. ‘Altijd maar praktisch, anders geen doel,’ zei een bekende stripfiguur in de jaren 70. Elchardus sluit zich (DM 22/8) met enkele retorische uitspraken aan bij de analyse dat de universiteit te veel naar woke-links uitwijkt. En hij vertrouwt de universiteiten niet dat ze dat zelf kunnen rechttrekken. Daarom stelt hij voor: ‘Depolitiseer de universiteiten, politiseer het universitair beleid.’ 

Nodig zijn externe evaluatieorganen, samengesteld uit wetenschappelijk gekwalificeerde mensen, maar divers, dat wil zeggen ideologisch evenwichtig, representatief voor de in de samenleving aanwezige politieke opvattingen. Dat is nodig om de politieke en ideologische eenzijdigheid van de universiteiten, vooral van de afdelingen mens- en sociale wetenschappen, te doorbreken. Die commissies kunnen op basis van steekproeven de selectie- en promotiecommissies evalueren, het toewijzen van onderzoeksgeld screenen, cursusmateriaal toetsen, publicaties en proefschriften controleren op integriteit en kwaliteit. Zij kunnen ons zo een betrouwbare kijk geven op de stand van het universitair onderwijs en onderzoek. Indien nodig kunnen zij verbeterprojecten, het opheffen van schabouwelijke programma’s of het afdanken van onbekwamen voorstellen.

    Professor Bart Deygers heeft op Elchardus geantwoord (DM 26/8). Hij vindt diens diagnose verkeerd. Er is amper een probleem van linkse bias en woke onderzoek, zegt hij, en hij ondersteunt zijn antwoord met cijfers, wat Elchardus voor één keer had nagelaten. Maar wat als – louter hypothetisch -  de diagnose van Elchardus wél correct is? Is dán een ingreep van de democratisch verkozen politici de juiste remedie? Het is zeker geen ideale situatie, want onafhankele universiteiten, onafhankelijke pers, onafhankelijke rechtbanken, onafhankelijke ambtenaren en onafhankelijke voetbalclubs zijn een traditionele dam tegen de tirannie. Maar wat moeten we doen wanneer die instellingen zich keren tegen de wil of de belangen van de democratische meerderheid? Hebben we dan alleen nog de keuze tussen een revolutionaire ingreep zoals Cofnas die voorstelt enerzijds, en een reformistische aanpak zoals Elchardus die voorstelt anderzijds?
     Voor een harde libertariër is er natuurlijk nog een andere oplossing dan Cofnas
 machtsovername, Elchardus bureaucratische hervorming om over de gemakzuchtige status-quo nog te zwijgen. Schaf die universiteiten af en vervang ze door private onderzoeks- en onderwijsinstellingen die gefinancierd worden door  inschrijvingsgelden en bedrijfscontracten. Elke niet-libertariër, en elke libertariër eigenlijk ook, zal onmiddellijk een paar nadelen van zo’n regeling kunnen opsommen. Ik wil mij hier beperken tot enkele vragen. Zouden veel van die onafhankelijke instellingen curricula aanbieden in dekolonisatie? Zou de migrantologie nog altijd vertrekken van de open-grenzen-bias? Zou de criminologie nog altijd ijveren voor minder gevangenissen? Het antwoord op die en soortgelijke vragen is geloof ik: nee. Maar op een veel belangrijker vraag ken ik het antwoord niet: zou het onderzoek en onderwijs aan deze instellingen beter aanknopen bij de traditie van het waardevrije onderzoek en onderwijs in de menswetenschappen zoals dat ooit aan de universiteiten als ideaal werd nagestreefd ? Ik weet het echt niet. 


* Het interview met Andreas De Block staat hier. Het boek van Andreas De Block over de linkse dominantie aan de universiteiten heb ik eerder uitgebreid besproken: hier.

** Over de IQ-verschillen tussen verschillende etnische groepen zegt De Block: “[Die bestaan en] zijn goed gedocumenteerd, zeker in de VS. De verschillen zijn zelfs tamelijk groot, al worden ze de laatste decennia een beetje kleiner. De vraag is wat de oorzaken zijn. Bij individuele verschillen spelen genen zeker een rol. Bij groepsverschillen zijn de meeste onderzoekers van oordeel dat het te maken heeft met omgevingsfactoren, zoals dieet en opleiding, bijvoorbeeld. Maar, en dit is belangrijk: de meeste gedragsgenetici zeggen dat de instrumenten waarmee je de genetische oorzaken van individuele verschillen verklaart, ten gronde ongeschikt zijn om verschillen tussen groepen te verklaren. … In ieder geval gaat Cofnas lijnrecht in tegen wat de belangrijkste autoriteiten in die domeinen zeggen. En ik denk persoonlijk dat zijn conclusies onjuist zijn …Is het pseudowetenschap, of wetenschap in de marge, fringe science? Die vraag is nog niet beslecht. Daarover kunnen redelijke mensen van mening verschillen. Ik vind dat we bijzonder tolerant moeten zijn voor de marge.” 


*** Over de vraag of onderzoek verboden moet worden als het maatschappelijke schade kan toebrengen, zie mijn stukje hier.  


**** De tekst van Cofnas staat hier. De meer spectactulaire titel luidt: ‘Why we need to talk about the right’s stupidity’ … over de domheid van rechts dus. Cofnas citeert onder andere onderzoek waaruit blijkt dat de gemiddelde racist een merkelijk lager IQ heeft dan de gemiddelde antiracist. Volledige zinnen zouden zo uit de pen van een linkse polemist kunnen komen. Zoals: ‘The same conservatives who complain about immigrants not speaking proper American know fewer English words than liberals.’ Ook weidt hij uit over de superioriteit van de woke media – The New York Times, e.a. – in het brengen van interessante informatie.


***** Zie ook mijn stukje over het Vlaams Belang dat pleit voor rechts machtsmisbruik: hier.


****** Voor een pragmatische verdediging van de waardevrijheid in de economische wetenschap: zie het essay van P.J. Boettke: hier

woensdag 26 augustus 2026

Zonsverduistering

     Iedereen heeft de zonsverduistering beleefd op zijn eigen manier ,en is dus een anekdote rijker om later aan kinderen en kleinkinderen te vertellen. Zelf stelde ik er mij niet veel van voor. Ik had de zonsverduistering van 1966 al meegemaakt. De meester had het verschijnsel in de klas grondig uitgelegd. We moesten een glasplaatje zwart maken met roet door het boven een brandende vetkaars te houden. En toen het grote moment was aangebroken mochten we op de speelplaats door het plaatje gaan kijken. Ik vond er niet veel aan.
     Desondanks wilde ik vorige week woensdag graag een eclipsbrilletje bemachtigen. Als iedereen eentje heeft, dan ik ook. Ik ging dus naar een plaatselijke supermarkt die op FB had aangekondigd dat ze een grote voorraad hadden die vanaf woensdag 13.00 u aan de kasse te koop zou worden aangeboden. Ik fiets dus naar die supermarkt, wil meteen doorlopen naar de kassa en merk dan pas dat er zich een lange rij van wachtenden door de rayons van de supermarkt slingert, misschien een halve kilometer lang. De rij schiet echter goed op en ik heb al enkele honderden meter afgelegd als wordt omgeroepen dat de voorraad brilletjes uitgeput is. Ook niet erg.
     ’s Avonds kunnen we genieten van ons uitzicht op het strand waar honderden mensen zijn samengetroept om naar de eclips te kijken die, daar ben ik zeker van, esthetisch in het niets verdwijnt vergeleken met een doordeweekse zonsondergang in zee. Ik besluit dan maar naar een film te kijken die een zonsondergang bevat: King Solomons Mines – de versie van 1937, met Paul Robeson die enkele keren in zingen uitbarst. De versie van 1950, zonder zonsverduistering, heb ik als kind gezien. Op Youtube staat een schreeuwerige trailer van die film met Stewart Granger en Deborah Kerr. Ik hoop dat de schat met juwelen te zien zal zijn en jawel, die is te zien. Mijn vrouw kijkt mee en zegt: ‘Het zijn precies snoepjes.’ Dat doet mij plezier, want dat was ook mijn reactie 60 jaar geleden.