zondag 7 maart 2021

Politiek asiel


      Moet een asielzoeker als Puigdemont worden uitgeleverd aan Spanje? Dat is een politieke, diplomatieke, juridische en morele kwestie in één. De beschuldigingen tegen de Catalaan wegen licht, namelijk het gebruik van staatsgeld voor het organiseren van iets wat niet in de Spaanse grondwet is voorzien: een referendum. Ik neem aan dat onze regeringen het laatste jaar ook allerlei zaken hebben georganiseerd die niet in de grondwet zijn voorzien en dat ze daarvoor staatsgeld hebben gebruikt. Moeten Wilmès, Decroo en Vandenbroucke daarom in de gevangenis? Ik vind van niet, al zijn sommigen van mijn Facebookvrienden een andere mening toegedaan.
     Uitlevering van asielzoekers is altijd een ontvlambare materie geweest. We kunnen denken aan de Afghaanse regering die weigerde om Osama bin Laden uit te leveren en zo een oorlog veroorzaakte die al 20 jaar duurt. Of we kunnen verder teruggaan in het verleden, naar 1848, toen in heel wat landen op het Europese continent republikeinse revoluties uitbraken en mislukten. De verslagen opstandelingen vluchten naar België of andere veilige landen. Alexis de Tocqueville was toen minister van Buitenlandse zaken in Frankrijk, en vertelt er onderhoudend over in zijn Souvenirs.
     Neem Zwitserland. Het land kreeg in die tijd tussen de tien- en twaalfduizend asielzoekers te slikken, uit Duitsland, Frankrijk en Italië. De uitlevering van de leiders, die nog altijd bezig waren snode republikeinse plannen te smeden, die uitlevering dus werd geëist door Pruisen en Oostenrijk, en door Rusland, dat verder nergens mee te maken maar zich overal mee moeide. Die drie landen dreigden dat ze Zwitserland zouden binnenvallen. Tocqueville probeerde te onderhandelen en hield de Zwitsers voor dat ze best enkele revolutionaire konden uitleveren om een oorlog te vermijden. Het hielp niet. ‘Elke Zwitserse boer was ervan overtuigd,’ schrijft hij, ‘dat zijn land perfect in staat was om alle koninkrijken van de wereld in de pan te hakken.’
    Tocqueville pakte het toen anders aan. Hij sloot de grens met Zwitserland en stelde voor dat de andere buurlanden hetzelfde zouden doen. Daardoor zaten de Zwitsers permanent opgescheept, niet alleen met enkele gevaarlijke leiders, maar met een heel leger van duizenden vluchtelingen, waarvan de meesten alleen nog naar de Verenigde Staten wilden emigreren. Zwitserland moest ze allemaal huisvesten, voeden en geld toestoppen. Zoiets kon niet blijven duren. ‘Het waren de meest republikeinse kantons,’ schrijft Tocqueville, die het eerst eisten dat de republikeinse leiders uit het land werden gezet … Men begreep in een klap de nadelen van het asielrecht.’ Welja, de Zwisters hielden van hun republikeinse idealen, van hun vrijheid, van hun onafhankelijkheid, maar nog het meest van hun centen.
     Rond dezelfde tijd waren de Hongaren in het geweer gekomen tegen hun Oostenrijkse meesters. Die konden het  niet alleen aan en riepen de hulp in van de Russische moeial. De opstand werd neergeslagen en de leiders, waaronder Dembinski en Kossuth vluchtten naar … Turkije. Weer werd de uitlevering geëist. De Turkse regering weigerde, tot grote woede vooral van de Russen. Rusland had een dure oorlog gevoerd waar alleen bondgenoot Oostenrijk voordeel bij had gehad.  Dat was oneerlijk, vonden ze. De oorlog moest toch iets opbrengen voor de henzelf, al was het maar wraak op de verslagen vijanden, vooral omdat sommigen onder die lui ook Polen waren, erfvijanden dus, zoals Dembinski, die de Hongaarse opstandelingen hadden geholpen. De Tsaar stond onder grote druk van de publieke opinie om Turkije de oorlog te verklaren. De Franse ambassadeur in Rusland schreef aan Tocqueville: ‘Onder de soldaten en het volk leeft een woest, geëxalteerd gevoel van nationale eigenliefde. De tsaar moet rekening houden met de wil van de massa.’
     Tocqueville begreep dat het gekwetste eergevoel van de Russen een even grote oorlog kon ontketenen als gelijk welk geostrategisch belang. Hij wou zich gematigd opstellen, maar werd tegen zijn zin meegesleept in een spel van ultimatums waarmee Engeland en Frankrijk het tegen Rusland opnamen. Uiteindelijk werd de situatie gered door de Turkse diplomatie die zowel principieel als nederig was, en die de Oostenrijkers en de Russen de kans bood om zonder gezichtsverlies hun dreigementen in te trekken. De sultan zei dat hij afkeurde wat de Hongaarse rebellen hadden gedaan, maar dat hij in hen nu niets anders kon zien dan ongelukkige stakkers die aan de dood probeerden te ontsnappen. ‘Dat was gesproken als beschaafd mens en christen, schrijft Tocqueville, terwijl de ambassadeurs van de overzijde antwoordden als Turken.’ De Fransman was dit keer tégen uitlevering.
     Het zou ongepast zijn om in een stukje waarin Tocqueville ter sprake komt, veel lessen te trekken uit het verleden. Dat is iets waar de Franse staatsman streng voor waarschuwde. Elke omstandigheid, hield hij voor, is nieuw en gelijkt hoogstens oppervlakkig op een die zich vroeger heeft voorgedaan. Nu bijvoorbeeld bestaat een Europees uitleveringsverdrag dat in 1848 niet bestond. En Spanje dreigt niet met oorlog als we Puigdemont niet uitleveren, wat het scherpe kantje eraf haalt.
     Wat wel gelijk blijft zijn de motieven die meespelen in de beoordeling van asielkwesties: politieke sympathie en antipathie, geostrategische overwegingen, publieke opinie, berekening, huichelarij, eergevoel, principes, waardenhiërarchie, persoonlijke en collectieve trots, en materieel belang. Aangezien echter de verhoudingen tussen die ingrediënten kunnen verschillen, en alleen het uiteindelijke standpunt duidelijk zichtbaar is, ontstaat de indruk dat vaak met twee maten en twee gewichten wordt gewerkt. Dat is een beetje onrechtvaardig. In werkelijkheid worden er veel meer maten en gewichten gebruikt dan alleen maar twee.


vrijdag 5 maart 2021

Ongenadig portret


      Ik heb eerder al eens reclame gemaakt voor de televisiereeks The Crown (zie hier). Ik zal dat hier niet dunnetjes overdoen. De pastoor doet geen twee missen voor één geld. Trouwens, iedereen kent de reeks nu al met zijn ondertussen vier seizoenen.
     Het eerste seizoen vond ik het beste. De koningin was nog jong, de wereld lag voor haar open en aan haar voeten, en die schavuit van een Churchill kwam wekelijks op bezoek. Dat is altijd goed voor een monkellach. Als men in december 1952 een nationale ramp wil afkondigen omdat er een dodelijke vuile mist over London hangt, zegt hij geïrriteerd: ‘It’s weather. Weather! We get a great deal of it on this island.’  t Is humeur en humor in één.
     Churchill is wel al heel oud in de reeks, en is lichamelijk en geestelijk niet meer zo scherp. Dat komt, geloof ik, omdat hij nooit aan sport had gedaan. Voor zijn tachtigste verjaardag bestelden de Britse parlementsleden bij kunstschilder Graham Sutherland een portret van de grote staatsman, en dat portret  viel, zoals men dat noemt, ‘ongenadig’ uit. Churchill zag er eindeloos oud en moe uit, met een half ingeslapen geest. Je kunt moeilijk raden wat hij denkt, maar veel zal het niet geweest zijn. Misschien iets als: ‘Zie mij hier zitten op mijn wc-pot’. Het portret komt eerst in de kelder van de Churchills terecht, en wordt later verbrand. De hele geschiedenis wordt uit de doeken gedaan de televisiereeks.
     Wat niet in de reeks komt, is hoe die schilder, Sutherland, zijn carrière begonnen was, namelijk met landschappen en stillevens. Dan kreeg hij de kans om een portret te schilderen van de beroemde schrijver Somerset Maugham. Ook dat was een ‘ongenadig’ portret geweest. Maugham schrok even hard als later de Churchills, toen hij zichzelf zag in die kamerjas met die rode sjaal en die hooghartige, lege blik. Een vriend vond dat hij eruitzag als ‘a madam of a brothel in Shangai’. Maar de schrijver gaf toe dat hij ook in de werkelijkheid wel eens hooghartig voor zich uitkeek, zoals op het portret. Hij heeft het toen een poosje opgehangen in zijn villa aan de Middellandse Zee, tussen zijn Picasso’s, Gaugins en Toulouse-Lautrecs. Uiteindelijk kwam het toch in de kelder terecht, want, vond Maugham, het ‘paste beter in een museum dan in een huiskamer’. En hij hád geen museum.
     Sutherland had afgesproken met Maugham dat hij voor het schilderij 500 pond zou krijgen, maar kreeg uiteindelijk maar 300 pond omdat hij in contanten werd betaald, en, legde Maughams secretaris-minnaar uit, 300 pond zwart geld zonder belastingen was evenveel waard als 500 pond wit geld mét belastingen. Dat was waar, en die 300 pond werden ook het begin van een mooi fortuin: het portret van Maugham werd afgedrukt in Time Magazine, trok de aandacht, en bracht bestellingen binnen voor andere portretten, tot en met één van de Britse premier.



donderdag 4 maart 2021

Dekolonisering van het denken


      Op zijn Facebook-pagina heeft de immens erudiete Geraard Goossens twintig recente uitspraken verzameld uit de academische, culturele en literaire wereld waar voortdurend woorden als ‘dekolonisatie’, ‘dekoloniseringstraject’, ‘colonial frameworks’, ‘koloniale restanten’ en ‘koloniaal denken’ in voorkomen. Wie voor het eerst op ontdekkingsreis gaat (oei) in dat culturele oerwoud (ai) is dan enigszins verbaasd. Is die dekolonisering, vraagt hij zich af, niet iets van rond 1960, zestig jaar geleden dus? Veel mensen die toen leefden zijn al dood. Maar zo goedkoop kom je er niet vanaf. De Westerse slavenhandel is iets van tweehonderd jaar geleden en toch is het ‘thema’ nu ‘brandend actueel’. Bovendien gaat het om de ‘decolonization of the mind’, en wat zich in de menselijke geest afspeelt, je wilt het soms liever niet weten.
     Nu is ook de dekolonisering van de geest en van het denken geen nieuwe kwestie. Toen ik een jaar of zestien was probeerde ik het boek van Frantz Fanon te lezen De verworpenen der aarde. Erg ver ben ik er niet in gekomen en dat zal nu niet meer veranderen. Op mijn leeftijd besef je dat je niet meer alle boeken kunt lezen die ooit geschreven zijn, en dat je ze eigenlijk ook niet allemaal wilt lezen. Maar ik had toen, vijftig jaar geleden, toch begrepen dat Fanon zich bezighield met de ‘psychologische gevolgen van het kolonialisme’.
     Ik geloof graag dat die gevolgen erg groot waren. De blanke man arriveerde met zijn tropenhelm op het zwarte continent, onderwierp de plaatselijke bevolking aan zijn gezag, en voelde zich cultureel, intellectueel, moreel en religieus oneindig superieur. De inboorlingen dienden zich gewillig op te stellen, in het besef van hun minderwaardigheid. Ze waren in het beste geval kinderen die, als ze flink hun best deden, konden hopen om ooit een beetje op blanken te gelijken. In Congolese scholen zeiden de leerlingen, naar het schijnt, hun lesjes op over ‘onze voorvaderen, de Oude Belgen’, of misschien was het eerder over 
nos ancêtres, les Gaulois.
     Dat zijn ongetwijfeld zaken die hun sporen hebben nagelaten, maar dan niet zozeer in Europa als wel in Afrika zelf. Daar moeten de ex-gekoloniseerden, hun kinderen, hun kleinkinderen en hun achterkleinkinderen gaan uitzoeken hoe ze met dat verleden willen omgaan. Willen ze met nostalgie terugblikken op florerende plantages, stipt betaalde lonen, goed onderhouden wegen – dan is dat hun zaak. Willen ze zich verbitterd opwinden over de hautaine bevelen, de chicotte en al de plekken die voor zwarten niet toegankelijk waren – mij ook goed. Willen ze uit wraakzucht de blanke multinationals buitengooien en de Chinese binnenhalen – waarom niet? Willen ze, om de Britten een loer te draaien, niet meer in het Engels schrijven, maar in een Afrikaanse taal, zoals Ngugi wa Thiong’o? Prima. Willen ze ondanks voorgaande verklaringen toch in het Engels blijven schrijven, zoals Ngugi wa Thiong’o? Ook prima. Willen ze, op een continent met een heel jonge bevolking – in de meeste landen is de gemiddelde leeftijd lager dan 20 jaar – willen ze dus op zon continent het verleden laten rusten en vooral aan de toekomst denken – misschien is zelfs dat zo dwaas nog niet. Die Afrikanen moeten het in elk geval zelf uitzoeken. Ik of pater Firmin of kameraad Sartre kunnen hen daar niet veel bij helpen. Die twee laatste zijn trouwens dood.
     En de gevolgen van het kolonialisme voor het denken van de Europeaan? Die vallen wel mee, geloof ik. De koloniale mentaliteit had enige invloed op de generatie van mijn ouders. Mijn moeder had een vriendin die non werd en een kloosterschool ging leiden in Congo. Mijn vader had een vriend die pater werd en missioneringswerk deed in Azië. Die non en die pater vertelden wel eens een verhaal dat, vriendelijk gezegd, paternalistisch gekleurd was. In mijn kindertijd heb ik dat paternalisme zelf ook nog enigszins gekend*. Bij onze apotheker stond een spaarpot voor de ‘missies’, in de vorm van een zwart kind. Als je een cent in de gleuf stopte, knikte het kinderkopje dankbaar. Ik zeg niet dat die aldus verzamelde centjes slecht gebruikt werden in Afrika, maar toch vond ik die beeldjes toen al een beetje beschamend. Ik ben blij dat er geen staat bij de apotheker waar ik nu kom.
    Ja maar, en het racisme dan? Ja … het racisme … Kijk, er zal wel een samenhang bestaan tussen tussen het oude koloniale superioriteitsgevoel en het moderne Westerse racisme. Zeker is dat er heel veel studies over bestaan. Maar erg groot kan die samenhang niet zijn. In landen die nooit kolonies hadden zoals Polen of Hongarije zullen heus wel racisten rondlopen. Omgekeerd treft het blanke racisme niet alleen allochtonen die uit ex-kolonies afkomstig zijn. Europa heeft zijn joden gehaat lang voor het kolonies had. En in landen als Duitsland, Nederland en België krijgen ook Turken af te rekenen met racisme, hoewel het Ottomaanse rijk, waar het huidige Turkije uit voortkomt, niet meteen een kolonie was – eerder het omgekeerde. Wie het racisme wil bestrijden en zich beperkt tot het deel dat met koloniaal denken te maken heeft, riskeert 90 procent van zijn doelwit te missen. Dat zou bitter zijn.
     Wat verder opvalt aan het recente antikoloniale discours van de culturele wereld is de stroeve, abstracte taal, de ‘langue de bois’ zoals de Fransen zeggen. Als een dramaturge zegt dat de ‘mentale infrastructuur die de kolonisatie schraagde tot vandaag in stand wordt gehouden’ kan ik niet anders dan mij afvragen wat ze eigenlijk bedoelt. Zou ze het zelf weten? Dezelfde vraag heb ik als iemand anders zegt dat de Brusselse cultuurinstellingen, waar het op dekolonisering aankomt, ‘goed zitten voor de institutionele kant en positionering’ maar dat anderzijds de ‘nieuwe blik nog niet is doorgedrongen in de manier van werken.’ Ik zal nog eerder het woord ‘positionering’ begrijpen dan de uitdrukking ‘manier van werken’.
     Zou het niet allemaal eenvoudiger zijn als er een ‘eisenplatform’ werd opgesteld, een ‘klèr en doidelijk aisenplàtform’ zoals een jeugdvriend van mij dat indertijd verwoordde. Als ik de twintig uitspraken die Goossens bij elkaar sprokkelde met die bril lees, krijg ik er wel een idee van hoe dat eruit kan zien. Meer toneelstukken over de kolonisatie! Meer andersgekleurde acteurs, regisseurs en directeurs! Meer en positievere recensies van boeken over kolonialisme die geschreven zijn door andersgekleurde schrijvers! Een ander vocabularium, met woorden als ‘wit’ in plaats van ‘blank’! Meer geschiedenisles over de wreedheid van het kolonialisme! Verwijdering van alle standbeelden van Leopold II! Onmiddellijke verscheping van alle negerbeeldjes* naar de landen waar ze gemaakt zijn! Vaker het woord ‘dekolonisering’ in de titel van folders, interviews en seminaries! Zoiets ongeveer. Ben ik iets vergeten? En heb ik ongelijk als ik zeg dat het allemaal erg weinig om de hakken heeft?
     In de loop der jaren heb ik mijzelf een trucje aangeleerd om de scherpe kantjes eraf te halen als ik ergerlijke onzin tegenkom. Ik stel mij dan de vraag wat dat voor mij betekent. Neem nu dat denkbeeldige eisenplatform. Wat heb ik daarmee te maken. Ik ga niet vaak naar theater. Voor boeken ga ik niet af op recensies. Ikzelf blijf ‘blank’ zeggen en schrijven, en niet ‘wit’, en een knappe jongen die mij dat belet. Folders en interviews waar het woord ‘dekolonisering’ in voorkomt, lees ik niet. Dat laat ik aan Geraard Goossens over. Verder ben ik alleen gehecht aan het standbeeld van Leopold I - niet II - in De Panne, een standbeeld dat ik tijdens de zomervakanties van mijn kinderjaren in de verte zag staan als ik even van mijn zandkastelen opkeek.
     Alleen die geschiedenislessen zitten mij, als oud-leraar, dwars. Als men een extra pakket lessen wil toevoegen over kolonisatie en dekolonisatie, naast de lessen die daar nu al over gaan, welke lessen wil men dan afschaffen? Die over de Bourgondiërs? Maar daar gaan de geschiedenislessen al lang niet meer over, terwijl nochtans blijkt, uit de verkoopcijfers van een recent boek, dat daar enige belangstelling voor bestaat.

 * Zie ook hier, waaruit blijkt dat het nog altijd erger kan.

 ** Bijvoorbeeld het beeldje dat zich in de nalatenschap van L-P Boon moet bevinden, ‘een postuurken dat we gekregen hadden van iemand die in Congo had gezeten, een zeer schoon negerinnenkopken uit zwart hout, waar ik 2 volle dagen gelukkig was mee geweest’.

 

dinsdag 2 maart 2021

Epiloog


      20th Century Woman* gaat over een een vijftienjarige jongen die opgroeit in Californië in 1979. De film bevat veel van wat mij niet zo aanspreekt: een puber, Californië, Jimmy Carter, dancings, punkmuziek, Billy Crudup in een van de hoofdrollen  
     Andere zaken bevallen mij wel: een nostalgische sfeer, een moeder die vrolijk blijft ook als ze niet erg gelukkig is, een groot maar enigszins vervallen huis, gezellige maaltijden met veel gasten, een stelletje bohémiens zonder de gebruikelijke pretentie …  Er is zelfs een radicale feministe zonder een zweempje mannenhaat. ‘Féministe, mais pas coupe-couilles,’ zoals mijn vriendin M-X pleegt te zeggen.
     De film evolueert een beetje voorspelbaar, maar niet helemaal. Hij gaat niet ergens naartoe. Aan het einde van de film hebben de moeder, de zoon, het buurmeisje, de fotografe, de automonteur allemaal iets meegemaakt, maar ’t is niet veel, en ze hebben allemaal iets bijgeleerd, maar ook dat is niet veel. En dan volgt iets eigenaardigs: een epiloog waarin droogjes verteld wordt, wat er verder met de personages gebeurt. Zulke epilogen zie je vaak, bijna altijd zelfs, in het biografische, ‘waargebeurde’ genre, maar niet vaak in fictiefilms**.
     In die fictiefilms heb je wel eens een coda, waarin snel even een andere richting wordt ingeslagen. Atonement eindigt met een tijdssprong van enkele decennia en een verandering van toon. In Titanic komt Jack weer tot leven, samen met de bemanning en de passagiers van het schip. In Lalaland krijg je een alternatief einde. Maar dat is niet wat ik onder epiloog versta. Ik bedoel eerder het soort naschrift dat je soms in 19de-eeuwse romans aantreft, met een korte, wat teleurstellende samenvatting van de verdere, meestal banale, gebeurtenissen – wat Walter Scott omschreef als ‘veel suiker en weinig thee’ en Thomas Macaulay als ‘klappen die geen pijn doen en geld waar je niets voor kunt kopen.’
       In de epiloog van 20th Century Woman krijg je klappen noch geld, maar je krijgt ook geen verandering van toon of een alternatief einde. Het verhaal loopt gewoon nog heel even door, in dezelfde stijl, maar versneld. De thee is noch te bitter, noch te zoet.    

* Voor wie terugkijk TV heeft: de film was op 27 september te zien op Canvas.

 ** Ik las achteraf in de recensie van Simon Gelten (hierdat de regisseur zijn film als een semi-autobiografie ziet. Ik had verkeerdelijk gedacht dat het zuivere fictie was die het autobiografische genre pasticheerde, tot en met de epiloog. Een heel rechtlijnig voorbeeld van dat laatste werd onder mijn aandacht gebracht door Mark De Mey. Fargo van de Coens eindigt met de boodschap dat de film gebaseerd is op waargebeurde feiten, terwijl dat niet zo is.

maandag 1 maart 2021

Het libido van de vrouw


     Volgens Baumeister et al. (2001)  heeft de gemiddelde man een grotere behoefte aan seks dan de gemiddelde vrouw. Ik heb de studie niet gelezen, maar de conclusie lijkt mooi overeen te komen met wat evolutiebiologen ‘voorspellen’ zoals dat heet.
     Zelf denk ik dan aan de memorabele dialoog in Eyes Wide Shut tussen Bill (Tom Cruise) en Alice (Nicole Kidman), hoewel die strikt genomen eerder over promiscuïteit dan over libido gaat. Bill denkt dat mannen gemakkelijker over overspel fantaseren dan vrouwen.     

Alice: Why?
Bill: Well, women don’t … they basically just don’t think like that.

Alice: Oh. Millions of years of evolution – right? Right? Men have to stick it in every place they can, but for women it is just about security and commitment and whatever the fuck else.
Bill: A little oversimplified, but something like that.
Alice: Oh, if you men only knew.

     Die laatste repliek spreekt Alice heel traag uit, omdat ze marihuana heeft gerookt en omdat ze onder de indruk is van haar eigen gedachtegang. Ze vindt nu dat juist vrouwen, minstens in hun fantasie, een even grote of zelfs nog grotere hang naar promiscuïteit hebben dan mannen. Dat kan ook natuurlijk, en mocht het zo zijn, dan zullen de evolutiebiologen daar ongetwijfeld opnieuw een mooie verklaring voor vinden, zodat ze ook dat kunnen ‘voorspellen’.
     Ondertussen hebben mannen van vorige eeuwen*, die niet zo met evolutiebiologie bezig waren, zich evengoed een mening gevormd over de potentiële promiscuïteit van de vrouw, en waren ze er een beetje bang van. Montaigne schrijft dat je de geslachtsdaad binnen het huwelijk met een zekere ernst en soberheid moet voltrekken. Je vrouw is tenslotte je minnares niet en je moet haar niet op gedachten brengen.
     Ook hebben die mannen het libido van de vrouw soms onwezenlijk hoog ingeschat. Dat kwam geloof ik door een mengeling van angst, jaloezie, zin voor veralgemening en traagheid van begrip. Freud vroeg zich op het einde van zijn leven ongerust af: ‘Was will das Weib?’ Edmond de Goncourt, die een nymfomane huismeid had, dacht dat zelfs de allerjongste meisjes eigenlijk alleen in seks geïnteresseerd waren. Somerset Maugham vertelt over die professor gynaecologie die zijn eerste college begon met de woorden: ‘Gentlemen, woman is an animal that micturates once a day, defecates once a week, menstruates once a month, parturates once a year and copulates whenever she has the opportunity.’
     Dat was in 1896, in het Victoriaanse Engeland. Het professorale cynisme moet op zijn hoogtepunt zijn geweest, en nergens meer dan in de faculteit der Medicijnen. Maar of de aangegeven frequenties helemaal kloppen, weet ik niet. 

* En mannen van nu die geestelijk nog in vorige eeuwen leven.

 

    

zaterdag 27 februari 2021

Over corona- en ander alarmisme


** Het is min of meer politiek correct om inzake corona en klimaat alarmistisch te zijn, zoals het politiek incorrect is om dat te zijn inzake immigratie, islamisme en terrorisme. Of iets politiek correct is of niet, geeft in al die gevallen slechts een heel zwakke aanduiding van het waarheidsgehalte van de ingenomen positie.

** Tegenover de alarmistische positie bevindt zich de ‘negationistische’, of, minder radicaal, de ‘sceptische’ of ‘kritische’ positie. ‘Kritisch’ betekent in geval van corona en klimaat dat men argwanend aankijkt tegen de mainstream berichtgeving over het verschijnsel. In verband met immigratie en islamisme betekent het dat men kritisch aankijkt tegen het verschijnsel zelf.

** Een interessante tegenvoeter van het alarmisme is het quietisme – de opvatting dat men de zaken beter op zijn beloop laat. Zo’n houding vertrekt van de erkenning van het probleem, de overtuiging dat er niets veel aan te veranderen valt, en de afweging dat de remedies ertegen erger zijn dan de kwaal. Zeker, de aarde warmt nu op, maar drastische verlaging van de CO2 zou de armoede in de wereld doen stijgen. Zeker, er is veel migratie, maar dat is altijd zo geweest en maatregelen ertegen creëren een mentaliteit van racisme en discriminatie. Zeker, corona doodt mensen, maar mensen gaan nu eenmaal dood, en nu vraagt men ons om een of twee jaar menswaardig leven op te offeren vanwege die 1 % kans om dood te gaan in het geval van bejaarden, en die 0,1 % kans in het geval van de andere leeftijdscategorieën.

** Alarmisten dramatiseren de kwestie die hun na aan het hart ligt op verschillende manieren. De interessantste is de omslagpunttheorie. Klimaatalarmisten spreken over een ‘runaway’-effect waarbij de opwarming van de aarde vanaf een bepaalde temperatuur op hol slaat (zie hier);  islamalarmisten spreken over een omslagpunt als 10 procent van een populatie de radicale islam omarmt (1); corona-alarmisten beschouwen een stabiel of licht stijgend aantal besmettingen als een voorbode van de exponentiële explosie die zal volgen (zie hier).

** Je hoort in discussies over bovenstaande kwesties wel eens het verwijt van ‘wetenschapsontkenning’. Dat lijkt mij meestal niet terecht. Je hebt over die dingen zowel (a) echt wetenschappelijk onderzoek, (b) overleg tussen experts-politici-bureaucraten, (c) populariserende wetenschapsjournalistiek, en ten slotte (d) de doe-het-zelf wetenschap van lui die hun eigen grafieken plotten en die uit de stukken en rapporten van de eerste drie een smakelijk menu’tje samenstellen. Ik heb een zekere bewondering voor die vlijtige autodidacten. Ook zij erkennen de basisbeginselen van de wetenschap, al bezondigen ze zich aan cherry-picking. Het is echter naïef om te denken dat zoiets niet voorkomt in de categorieën (b) en (c), en zelfs in (a).

** Het wetenschappelijk onderzoek is genuanceerd en staat meestal niet aan de kant van de extreme alarmisten, maar kan wel leunen in hun richting. Epidemiologen en biostatistici tekenen curves uit die laten zien hoe strenge lockdowns de virusverspreiding tegengaan. Klimaatexperts berekenen de gunstige gevolgen van een verminderde CO2-uitstoot. Dat is fijn voor de alarmisten. Maar diezelfde klimaatexperts gooien dan roet in het alarmistische eten door te pleiten voor kernenergie.

** Het gebeurt ook dat het wetenschappelijk onderzoek zich grotendeels negationistisch opstelt. Dat is het geval van migratie. Een economist als Paul Collier wordt horendol als hij de consensus vaststelt onder onderzoekers naar de effecten van migratie (2). Die consensus heeft volgens hem te maken met de beperkte, strikt economische, invalshoek van de onderzoekers, hun kosmopolitische levensstijl of de links-liberale ideologie waar ze zijn mee zijn opgegroeid. Het is een terrein waarin enkele elementaire cijfers, een beetje gezond verstand (3) en een bereidheid om logica boven sentiment en ideologie te stellen tot betere conclusies leiden dan waar geschoolde economen en sociologen toe in staat blijken.

** Vervelend voor de echte alarmist, scepticus, optimist of quietist is de korte tijdsschaal van de coronakwestie. Elke voorspelling kan binnen enkele weken of maanden gecontroleerd worden. Herman Goossens voorspelde dat ski-toerisme in Italië geen enkele besmetting zou meebrengen. De kans was ‘uiterst, uiterst klein’. Hij was fout. Van Ranst voorspelde dat de pandemie enkele honderden, hooguit enkele duizenden slachtoffer zou maken. Hij was ook fout. Mijn eigen voorspelling rond die tijd was voorzichtiger: ‘tussen 1 500 en 33 000’ (hier) maar informeel verklaarde ik aan vrienden dat 20 000 ‘haalbaar’ moest zijn. De crisis is nog niet gedaan, maar het lijkt voorlopig dat ik toen vrij goed gegokt heb. Mijn meeste andere voorspellingen waren overigens fout. Zo dacht ik dat een vergelijking tussen de verschillende landen binnen enkele weken duidelijkheid zou brengen over de effectiviteit van de verschillende maatregelen.

*  Voor wie vaak verkeerd gokt, heeft Maarten Boudry een uitweg voorzien: de preventieparadox.  Als de coronacijfers uiteindelijk beter meevallen dan je voorspelling aangaf, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat zou gevallen zijn zonder maatregelen. Je kunt de paradox op veel terreinen toepassen. Als het aantal terrorismeslachtoffers uiteindelijk meevalt, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat er zou vallen zonder antiterreurmaatregelen. Voor wie verkeerd gokt betreffende de verre toekomst, stelt het probleem zich niet. Als binnen dertig jaar de wereld niet in brand staat door de klimaatverandering, of heel Vlaanderen niet overstroomd is, dan zal ik er niet meer zijn om die valse profeten uit te lachen. En als ik er wel nog ben, is het lachen mij misschien vergaan om andere redenen.

** Alarmisme heeft vaak te maken met onzekerheid. Je weet niet of je besmet raakt, en niet of die besmetting bij jou tot een erg ziekte leidt. Niemand weet hoe het coronavirus verder evolueert. Niemand weet ook of de islam zich zal aanpassen aan de Europese tradities. We weten niet hoeveel de zeespiegel zal stijgen door de opwarming van de aarde. We weten niet of terroristen er ooit zullen in slagen om een kerncentrale op te blazen, om eens twee kwesties samen in één potje te koken. Die onzekerheid spoort aan tot voorzichtigheid. Maar je ontkomt nooit aan een kosten-batenvergelijking. Bij Russische roulette neem je een nogal groot risico. Maar elke keer als je een auto inhaalt die 60 rijdt waar 70 mag, neem je ook een risico. Je kunt bij dat inhalen frontaal op een tegenligger inrijden die je niet gezien had. Maar lange tijd aan 60 rijden waar 70 werkt op de zenuwen. Ikzelf probeer dan meestal in te halen.

** Alarmisme wordt erg beïnvloed door emotie. De zinloze slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog fascineert mij meer dan de Spaanse Griep die erop volgde. Na een aanslag ben ik banger van een moslim die er in klederdracht, leeftijd en gelaatsuitdrukking ‘geradicaliseerd’ uitziet dan van een gewapende paracommando op straat. Als ik aan corona denk, ben ik banger voor het concrete beeld van een intubatie dan voor het abstracte beeld van dood te gaan. Al die emoties maken helder nadenken moeilijk. Het is beter om af en toe ook naar de cijfers te kijken. Maar alléén de cijfers en tabellen van slachtoffers afwegen, dat gaat ook niet. (zie hier)

** Of cijfers en ratio tot alarmisme aanleiding geven, hangt af van geval tot geval. Voor corona volg ik de redenering van Boudry en De Ceulaer dat vroeg en hard ingrijpen beter is dan laat en langdurig, maar hóe vroeg en hóe hard moet worden ingegrepen weet ik niet. Voor de immigratie volg ik Collier: beter laat dan nooit. En voor het klimaat volg ik de redenering van Lomborg dat laat ingrijpen beter is dan vroeg. We hebben nog even de tijd om na te denken welke maatregelen het beste werken. Er zijn in de wereld problemen die dringender zijn zoals malaria, hiv, ondervoeding en slecht sanitair. Ook mogen we aannemen dat de maatregelen – bijvoorbeeld dammen tegen overstroming – in de toekomst goedkoper zullen zijn dan nu, niet in absolute cijfers, maar als deel van het ondertussen gestegen bruto wereld product.

** De coronakwestie en de klimaatkwestie hebben dan weer gemeen dat wetenschappelijk onderzoek – R&D in het jargon – een belangrijke rol moet spelen. Nieuwe vaccins, antivirale medicijnen, propere en goedkope kernenergie, efficiënte CO2-captatie, het zal er allemaal niet vanzelf komen. Op dat vlak moet niemand mij voor wetenschapsontkenner uitmaken. Of voor quietist.

 

(1) Sam Van Rooy (VB) is heel stellig over het percentage: ‘Niet 8 of 9 procent, maar 10 %’ en hij verwijst naar een studie van het Renselaer Polytechnic Institute.’ (hier)

(2) Zie  hierhierhier, hierhier en hier. 

(3) Gezond verstand is niet onfeilbaar, maar het helpt. Het helpt je om te begrijpen dat mondkapjes wel iets moesten helpen tegen een virus dat zich verspreidt via speekseldruppeltjes, ook al zeiden experts indertijd het tegendeel. Het helpt je om te begrijpen dat als één zieke twee mensen kan besmetten, dat twee er dan vier kunnen besmetten, enzovoort, ook al beweren sommigen dat je wiskundig geschoold moet zijn om die redenering te kunnen volgen. 

donderdag 25 februari 2021

Versoepeling van de knuffelcontactregel


      
 Het mooie weer van de laatste dagen is vast een belangrijke aanjager van de roep om de coronamaatregelen te versoepelen. De zon maakt mensen blij en optimistisch, en verdrijft gedachten aan besmetting, ziekte en dood. Het lentegevoel is er een van vrijheid: fietsen zonder muts op, lichte jurkjes, picknick, terrasjes, het strand. En als kuddedier wil een mens die vrijheid graag in groep beleven. Zo’n licht jurkje draag je niet voor jezelf alleen, een picknick met acht is leuker dan één met vier, en eenzaam en alleen op een terrasje is een droevig tafereel. Een verlaten strand waar je met je geliefde hand in hand kunt wandelen is prachtig, voor één keer, maar voor de rest is het geloof ik evenzeer de mensenzee als de echte zee die de menigten naar de kust lokt. Bij mooi weer dan.
     Een verstrenger als Vandenbroucke kan dus maar beter hopen op barslecht weer voor het overlegcomité van vrijdag. Met grimmige cijfers, tabellen en grafieken alleen zou hij het moeilijk hebben tegen versoepelaars die een zonnige wandeling achter de rug hebben van hun dienstauto naar de vergaderzaal.
     In de krant lees ik dat die versoepelaars - de bepleiters van ‘perspectief’ - zich in alle partijen bevinden. Zou er nu onder hen veel ruzie zijn over wélke versoepelingen er eerst moeten komen? Misschien zijn de Groenen vooral voorstander van consumptieloze maatregelen zoals het optrekken van de buitenbubbel van vier naar acht, en de meer ondernemingsgezinde partijen van de opening van de restaurants. Het eerste is interessant voor studenten die graag met een grotere groep in een bos willen wandelen, en het tweede is fijn voor de meer dan twintigduizend restauranteigenaars, hun personeel, en natuurlijk hun honderdduizenden klanten. De studiediensten kunnen eens opzoeken in hun statistieken of het kiespubliek van hun partij eerder uit boswandelaars dan uit restaurantbezoekers bestaat. Dan is dat goede geld dat ze voor hun big data hebben uitgegeven nog voor iets goed geweest.
     Eén welbepaalde versoepeling heeft, vermoed ik, weinig zin: het optrekken van het aantal toegelaten binnenshuiscontacten - de zogenaamde ‘knuffelcontacten’ -  van één naar twee personen. Wie dat wil doet het nu al*. Niemand kan het controleren. Je moet het, zoals Jean-Marc Nollet van Ecolo, al over de radio verkondigen voor de politie op de hoogte is.
     Dat geval van Nollet illustreert ook mooi de paradox van maatregelen met beperkte pakkans. Nollet verklaarde grootmoedig dat hij bereid was de boete van 250 euro te betalen voor zijn overtreding. 250 euro? Hij heeft naar eigen zeggen zijn knuffelcontacten al enkele weken van een naar twee opgeschaald. Wil hij dan 250 euro betalen per contactmoment, of dekt die 250 euro meteen de hele reeks overtredingen?
     Wat Nollet zei over die boete, doet mij denken aan een verhaal dat verteld wordt over mijn  legendarische dorpsgenoot G. G. is een rijke stinkerd  en op een keer had hij te veel gedronken. Hij parkeerde zijn wagen langs de weg en ging tegen een schutting staan om te wateren. Helaas voor hem werd hij opgemerkt door een politie-camionette, en een agent begon een proces-verbaal op te stellen. G. bekeek de agenten eens, haalde zijn portefeuille boven en vroeg: ‘En, hoeveel moet dat kosten, die camionette van jullie?’
     Of het verhaal over G. waar is, weet ik niet. Het schijnt te overeen te komen met zijn karakter. Mijn vrouw is ooit bij hem thuis geweest op een zaterdagvoormiddag en heeft toen helaas verzuimd om navraag te doen naar de waarheid van het verhaal.


* Dat is niet helemáál waar natuurlijk. Veel brave echtparen van middelbare en hoge leeftijd, die gewoon waren andere brave echtparen van middelbare en hoge leeftijd uit te nodigen, of hun eigen getrouwde kinderen, die nodigen nu niemand uit. Als het verboden is, redeneren ze, zal dat wel een ernstige reden hebben, en aan één toegelaten bezoeker hebben ze niet veel. Mocht het aantal toegelaten binnenshuiscontacten van een naar twee worden gebracht, dan zou dat het aantal gezellige bijeenkomsten in die leeftijdscategorieën flink doen stijgen. 

woensdag 24 februari 2021

De niet gestelde vraag


       In toneel en film spelen revelatiescènes een grotere rol dan in romans of andere verhalende genres. Wie de Ilias wil verfilmen kan bijvoorbeeld beginnen met een gespierde man te tonen die driftig rondstapt voor zijn tent. De kijker stelt zich dan allerlei vragen. Wie is die man? Hoe heet hij? Waarom stapt zij zo driftig in het rond? Het is allemaal erg onduidelijk. Slechts stap voor stap, komt de kijker die informatie te weten, als bijvoorbeeld een bode langskomt die zegt: ‘Gegroet Achilles, zoon van Peleus. Koning Agamemnon nodigt u uit om de vete te begraven die tussen hem en u heerst en die de Achaeërs zoveel nadeel berokkent.’ Wie dat alles in  verhaalvorm neerschrijft, kan onmiddellijk de onduidelijkheid wegnemen, de naam van de held en van diens vader vermelden, en uitleg verstrekken over de vete met Agamemnon. 

       Toneel- en filmmakers hebben de gewoonte om de handicap van onduidelijkheid uit te spelen en zo spanning op te wekken. Er waart een spook rond in de buurt van Elsinor. Waar komt dat spook vandaan? Is het de geest van een overledene? Van wie dan? Een waarom komt het spoken? De kijker zit met een heleboel vragen en krijgt daar op het gepaste moment een antwoord op.
     In de aangrijpende film A Sun pakt de Taiwanese cineast Mong-Hong Chung het anders aan*. De kijker wordt af en toe met onduidelijke toestand opgezadeld, maar die wordt zó ingekaderd door montage en toon dat hij er zich geen vragen bij stelt. De hand van een kok wordt afgehakt. Waarom? Je wilt het eigenlijk niet weten. Iemand krijgt de opdracht om een pistool leeg te schieten op een advocatenkantoor. Voert hij die opdracht uit? Je stelt je de vraag niet. Een gangster is afwezig op de plaats van afspraak. Waar is hij naartoe? Ach wat. De kijker wil bij die scène vooral weten hoe je met doorweekte kleren in een auto kunt plaatsnemen zonder die onherroepelijk smerig te maken.
     En het mooie is: op al die vragen die de kijker zich niet gesteld hebt, krijg hij uiteindelijk toch een antwoord. 
 

 

* De film is op Netflix te bekijken.

dinsdag 23 februari 2021

Coronavrees, nirwana en Xi Jinping


      Zijn coronaverstrengers zoals Boudry en De Ceulaer bovengemiddeld bang om ziek te worden en dood te gaan, en heeft dat invloed op hun mening terzake? Het eerste weet ik niet en het tweede heeft weinig belang, want een mening is juist of fout, onafhankelijk van de onverstoorbaarheid of vreesachtigheid van de meninghebber. Je moet iemand die bezwaren heeft tegen veel immigratie ook niet verwijten dat hij een ‘bange blanke man’ is, of iemand die kritisch is voor de islam verwijten dat hij aan een fobie lijdt.
     Zelf ben ik gemiddeld bang, geloof ik. Bij het begin van de pandemie heb ik eens snel wat berekeningen gemaakt. Daaruit bleek dat ik als 65-jarige ongeveer 1 procent kans had om binnen het jaar te overlijden. Door corona was dat 2 procent geworden, had ik begrepen. Ik ben toen een paar dagen ongerust geweest. Inkopen in de supermarkt probeerde ik te groeperen zodat ik er maar één keer in de week naar toe moest. Heel lang heeft dat echter niet geduurd, en ik fiets er nu weer dagelijks heen. Zo kom ik nog eens buiten. Mijn pianolessen stel ik uit tot na mijn vaccinatie, en verder hou ik mij aan de regels. Dat is het zowat. Als ik wakker lig, is het van andere dingen.
     Bij De Ceulaer is dat anders. In het Humo-interview van 9 februari is hij daar openhartig over. «Ik geef het toe: ik ben nu al bijna een jaar dag en nacht met dat virus bezig. Ik ga ermee slapen en ik sta ermee op. Ik heb er overdreven vaak over getweet, ik heb er overdreven veel over gelezen, en ik heb over bijna niks anders meer geschreven … Eigenlijk is dat niet gezond. Ik had meer afstand moeten nemen.» De Ceulaer heeft in de zomer één keer buitenshuis gegeten, zegt hij, toen dat mocht, en met inachtneming van de strengste voorschriften. Hij voelde zich daar toen niet goed bij. Ik van mijn kant heb in de zomer ook een paar keer buitenshuis gegeten en ik voelde mij daar uitstekend bij. Mensen zijn verschillend.
     Ook Boudry zegt dat hij met een ‘zwaar gevoel in zijn maag’ heeft rondgelopen toen de pandemie uitbrak en er geen maatregelen werden genomen. Toen die wel genomen waren, verdween dat gevoel. Dat lijkt erop te wijzen dat zijn malaise meer van intellectuele aard was. Hij krijgt een knoop in zijn maag als niet de juiste maatregelen worden genomen. Ik had dat vroeger bij personeelsvergaderingen op school als nieuwe pedagogische richtlijnen werden toegelicht.
     Boudry is gespecialiseerd in fallacies, drogredenen. Zijn eigen achterliggende redenering – het is een speculatie van mijn kant – komt het dichtst in de buurt van de nirwana fallacy, de drogreden van de volmaakte oplossing. Eigenlijk zou de mensheid, denkt hij, korte metten kunnen makken met deze pandemie. Het zou volstaan dat mensen overal ter wereld volmaakt rationele wezens waren, met een volmaakte afweging van hun korte en lange termijnbelang, en met een volmaakte burgerzin. Dan kwam gedurende een maand niemand zijn huis uit, niemand zeurde over tijdelijk inkomensverlies, iedereen gebruikte de tijd om leerzame boeken te lezen, droeg ook in bed een mondkapje, en niemand raakte besmet. Een volmaakt werkende overheid liet levensnoodzakelijke goederen zoals toiletpapier huis aan huis bezorgen door mannen en vrouwen in steriele pakken en volgde daarbij het beginsel ‘naar ieder volgens zijn behoeften’. Na een maand keerde de volledige vrijheid terug en werd alles weer zo gezellig als voorheen. Miljoenen mensenlevens waren gered. Wat nog overbleef aan besmetting zou door een perfect test- en traceringsprogramma in geen tijd uitgeroeid zijn.
     Natuurlijk werkt het niet zo en dat weet Boudry ook. Hij is geen nirwana-aanhanger, eerder iemand die, zoals ik het zie, worstelt met de nirwana-verleiding. We leven in een onvolmaakte wereld, met onvolmaakte wezens, met een onvolmaakte overheid. Wat dan bij zo’n coronapandemie overblijft aan keuzes, is een of ander pakket maatregelen dat zich situeert tussen het Zweedse model van Tegnell, met minder dwang en meer slachtoffers, en het Chinese model van Xi Jinping, met meer dwang en minder slachtoffers. En daar komt nog bij dat het moeilijk in te schatten is hoeveel slachtoffers er precies in dat laatste model vermeden worden, en hoe diep de dwangmaatregelen dreigen in te slijten in de mentaliteit van burgers en overheid.
     Wie met de nirwana-verleiding worstelt zal, geloof ik, iets meer in de richting van Xi Jinping loensen. In hun boek schrijven Boudry en De Ceulaer: ‘Xi Jinping - Chinese president die de crisis beter aanpakte dan Donald Trump.’ Het blijft bij loensen natuurlijk, maar toch.

zondag 21 februari 2021

De exponentiële curve als ‘matraque’

 


     Een maand geleden haalde Maarten Boudry zwaar uit naar minister Weyts. Er was in die tijd veel te doen rond de besmettingen in de scholen. Het Journaal en Het Nieuws openden ermee. Ben Weyts wees erop dat in slechts 50 van de 4000 scholen besmettingen waren vastgesteld. Toch nam de druk om de scholen te sluiten nam toe. Boudry schreef toen op zijn Facebookpagina: ‘Mijn inschatting: het is een kwestie van tijd tot de Belgische scholen dichtgaan. ALS dat klopt, dan beter vroeg dan laat. Nu nog even wachten tot de curve helemaal ontploft, is het summum van kortzichtigheid.’
     Op de laatste vijf woorden na, dacht ik toen ongeveer hetzelfde: dat de sluiting van de scholen, al was het dan om politieke redenen, onvermijdelijk was, en dat een snelle korte sluiting beter was dan een die later kwam en langer duurde. Uiteindelijk is de scholensluiting er niet gekomen en met de lente in het verschiet is het niet waarschijnlijk dat ze er nog komt. Het is te laat op het jaar. Boudry en ik hebben ons vergist. Boudry kan zich dit keer niet troosten met zijn theorie van de ‘zelfweerleggende voorspelling’*. Daarvoor moet een maatregel eerst genomen zijn om achteraf nutteloos te schijnen. Maar de maatregel, de sluiting van de scholen dus, ís niet genomen. En misschien is het maar beter ook, want het zou – om nogmaals Boudry’s woorden te gebruiken - geen ‘spijtloze maatregel’** geweest zijn.
     Hoewel ik dus indertijd dezelfde inschatting als Boudry maakte, was ik het niet zo eens met zijn argumentatie die berustte op de exponentiële groei van de besmetting. Hij schreef toen: ‘Stel dat je één balletje in je soep doet, Ben Weyts, en elke minuut verdubbelt het aantal. Hoeveel balletjes heb je dan als je een halfuurtje roert? Een miljard balletjes! … Het is hemeltergend om Weyts op het VRT-journaal te horen. De man heeft werkelijk géén idee van exponentiële groei.’
     Die vergelijking met soepballetjes klopt, geloof ik, niet helemaal. Leerlingen in scholen besmetten elkaar misschien als zich vermenigvuldigende soepballetjes, maar dat is niet noodzakelijk het geval met scholen onderling. Ik vermoed dat Weyts, zoals iedereen die middelbaar onderwijs gevolgd heeft, wél op de hoogte is van het begrip van exponentiële groei, een begrip dat in tegenstelling tot wat Boudry beweert, redelijk goed aansluit bij onze intuïtie en zeker bij de mijne***. Het probleem was niet dat Weyts rekening moest houden met een exponentiële groei – dat moest hij – maar dat hij ook moest afwegen hoe groot de kans was op zo’n groei. Boudry schrijft in zijn pandemieboek: ‘Een exponentiële curve kan eerst onschuldig lijken, een beetje zoals een lineaire curve, maar dan plots exploderen.’
     Ik heb het woordje ‘kan’ gecursiveerd omdat het ons brengt bij de kwestie van de proportionaliteit. De mogelijkheid van de explosie bestond, maatregelen waren nodig – maar welke maatregelen waren proportioneel? Moesten alle scholen dicht, of was het voldoende om de veiligheidsmaatregelen te verstrengen, meer testen in te voeren, en buitenschoolse activiteiten te verminderen, waardoor kinderen van de ene school minder gemakkelijk kinderen van een andere school zouden aansteken? Dat is geen eenvoudige afweging.
     Maar het hele begrip ‘proportionaliteit’ wordt door Boudry en De Ceulaer in vraag gesteld. ‘[H]oed u bij dreiging van een pandemie voor het woord proportionaliteit,’ schrijven ze. ‘Tegen een probleem dat exponentieel uit de hand kan lopen, moet je preventief harder optreden dan je in ‘normale’ – zeg maar: niet-exponentiële – omstandigheden zou kunnen verantwoorden.’****
     Het exponentiële karakter van de pandemie wordt hier naar mijn smaak teveel als troefkaart gebruikt. De auteurs vertellen de parabel van het schaakbord en de rijstkorrel. Als je op het eerste vakje van dat bord 1 korrel legt en dat bij de volgende vakjes telkens verdubbelt, heb je eerst 2 korrels, 4 korrels, 8 korrels en op vakje 64 niet minder dan 18.446.744.073.709.551.615 rijstkorrels, ‘[g]enoeg om heel het Indische continent onder een rijstlaag van een meter dik te bedelven.’ Dat is een mooi verhaal dat ik ken van de lagere school, maar die extreem hoge cijfers trekken niet alleen de aandacht, ze vertroebelen ook de blik.
     Als je in ons land het coronavirus ongehinderd laat razen, dan ga je geen 18,5 triljoen doden hebben, en ook geen 11 miljoen. De coronadodentol heeft geen exponentiële cúrve, maar een exponentiële fáse, zoals Boudry ergens anders terecht opmerkt. Je eindigt bij 30 000 doden, of 50 000 doden of 100 000 doden en die cijfers zijn niet meer dan veronderstellingen. En tegenover díe hypothetische cijfers weeg je de maatregelen af – niet tegenover een exponentiële abstractie die als een komeet door de ruimte schiet.
     De manier waarop Boudry over de exponentiële curve spreekt doet mij denken aan mijn jeugdjaren, zoals tegenwoordig alles mij doet denken aan mijn jeugdjaren. Een groot deel van die jaren was ik geëngageerd in de marxistische partij Amada, later PVDA, een organisatie die toen geleid werd door Ludo Martens. Die laatste was niet alleen een ideoloog, een pedagoog en een demagoog, maar ook, zoals veel politici, een intrigant. Het gebeurde meer dan eens dat hij basisgroepen ging opstoken tegen hun plaatselijke leiders. Die plaatselijke leiders gebruikten dan citaten van Marx en Lenin om zich tegen hun basisgroep te verdedigen. Waarop Martens antwoordde dat die leiders het marxisme gebruikten als matraque. En hij kon het weten, want hij deed het zelf wel eens.
    Hetzelfde denk ik nu bij Boudry: dat hij de exponentiële curve gebruikt als wapenstok, als matraque. Terwijl hij zou moeten weten dat het, naar het woord van Lenin, aankomt op de ‘concrete analyse van de concrete situatie’, en naar het woord van Karel van het Reve, op ‘moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties’. Een discussie over een scholensluiting los je niet op met soepballetjes en rijstkorrels maar met ‘concrete’ reproductiegetallen, ‘concrete’ besmettingskanalen en, jawel, proportionele ingrepen.


 * Ook ‘preventieparadox’ genoemd in het boek van Boudry en De Ceulaer: ‘Door slecht nieuws te voorspellen, zorg je ervoor dat mensen actie ondernemen, waardoor je eigen voorspelling niet uitkomt.’

 ** ‘Spijtloze maatregelen. Maatregelen die achteraf nutteloos of onnodig kunnen blijken, maar die nooit tot grote spijt zullen leiden. Winkelkarren ontsmetten is zo’n maatregel, mondmaskers afraden niet.’

 *** De enorme getallen die de curve uiteindelijk opleveren zijn wél anti-intuïtief.

**** De redenering doet mij denken aan de tipping points van de klimaatalarmisten die op dezelfde manier de proportionaliteitskaart overtroeven. Zie ook hier.

zaterdag 20 februari 2021

De coronacijfers zijn nooit hoog genoeg

 


     Net zoals de maatregelen tegen corona voor Boudry en De Ceulaer nooit streng genoeg zijn, achten ze de cijfers van slachtoffers nooit hoog genoeg. Nochtans zijn de cijfers op zich al erg genoeg. Bij het begin van de coronacrisis hadden onze virologen veel lagere cijfers voorspeld. Ze kwamen toen nog niet dagelijks op de televisie, maar als ze af en toe de krant haalden,  spraken ze over enkele honderden, maximaal enkele duizenden doden. Het zijn er ondertussen 20 000. Je kunt dat cijfer wat naar beneden krijgen door  een onderscheid maken tussen ‘sterven aan corona’ en ‘sterven met corona’, maar dan kun je nog altijd niet om de ondubbelzinnig oversterfte heen in de categorie van de 65-plussers: meer dan 17 000.
     Ook kun je het cijfer proberen weg te zetten door te verwijzen naar de hoge leeftijd van veel van de slachtoffers.  Maar dan blijkt dat die doden gemiddeld ongeveer 13 levensjaren verloren hebben. Boudry en De Ceulaer geven geen uitleg bij dat hoge cijfer dat ingaat tegen onze intuïtie, en daarom doe ik het maar. We gaan er teveel van uit dat bij een gemiddelde levensverwachting van 80 jaar, een 75-jarige nog 5 jaar te leven heeft, en een 80-jarige nog 0 jaar. Dat is natuurlijk niet zo. De 75-jarige heeft gemiddeld nog 12 jaar te goed, en een 80-jarige nog 8,9 jaar. Als je toch zover geraakt bent, kunnen er best nog wat jaartjes bij.
     Die reële hoge cijfers – 20 000 doden, massale oversterfte, 13 verloren levensjaren – zijn voor Boudry en De Ceulaer echter onvoldoende. Ze dikken de coronaschade verder aan met hypothetische cijfers. Zo spreken ze vaak en uitgebreid over het aantal slachtoffers dat er zou geweest zijn zonder lockdown. Ze komen dan aandragen met uitdrukkingen als ‘vijf keer zoveel’ en ‘50 000 tot 100 000 doden’. Dat lijkt erg veel, maar als je goed zoekt en geduld hebt vind je nóg hogere cijfers. Op 6 februari, enkele dagen na de verschijning van het boek, citeert Boudry op zijn facebookpagina een studie van Nature die spreekt over 120 000 doden die er in België geweest hadden kunnen zijn tegen 4 mei 2020. Dat is ‘15 keer zoveel’, voegt Boudry er tevreden aan toe, als het aantal werkelijke doden op dat moment. Ik ben blij dat Boudry die studie van Nature nog niet kende toen hij zijn boek schreef. Of ze toch niet citeerde. Ik werd al zenuwachtig van die ‘5 keer zoveel’.
     Wat ik verder eigenaardig vind, is dat de neiging om maximale, pessimistische cijfers te kiezen voor de coronadodentol, dat die neiging zich ook uitbreidt naar andere domeinen. Zo spreken de auteurs van de 40 miljoen dodelijke slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Wij leerden op school over 20 miljoen doden;  en.Wikipedia spreekt van 15 tot 22 miljoen (hier). Ook citeert Boudry de gevolgen van Corona voor de wereldarmoede. Hij geeft eerst de cijfers van de Wereldbank: 150 miljoen extra mensen in extreme armoede, wat best mogelijk is. Maar daarna citeert hij nogal onvoorzichtig de Verenigde Naties die vrezen dat covid ‘letterlijk decennia van vooruitgang zal wegvagen’. Hier heeft Boudry niet goed nagedacht. Wie zoals hij goed weet welke vooruitgang er op dat terrein gedurende de laatste decennia gebeurd is, kan moeilijk geloof hechten aan het ‘letterlijk’ wegvagen van die vooruitgang. Zo’n evolutie zou trouwens in tegenspraak met zijn voorspelling in de epiloog dat de wereld na corona vrij snel zou kunnen normaliseren.
     Het lijkt wel of de ene overdrijving de andere oproept en zelfs Boudry tot een inconsequentie verleidt.

 

vrijdag 19 februari 2021

De wetenschappelijke consensus en de kritische burger


      Voor ik hun boekje las, was ik bang dat Boudry en De Ceulaer* op elke bladzijde het argument van de ‘wetenschappelijke consensus’ zouden gebruiken . Dat is niet het geval. Dat komt vast omdat ze de beperkingen van dat argument inzien, maar ook omdat ze betreffende corona zelf wat buiten de consensus staan. Hun crash-the-curve is nog altijd controversieel, en mensen als Yaneer Bar-Yam en Nassim Nicholas Taleb waar zij zich achter scharen, geven niet de grondtoon aan binnen de epidemiologie. Die laatste is zelfs geen epidemioloog, en meestal heeft Boudry het niet graag als wetenschappers sterke uitspraken doen over een domein waar ze niet in gespecialiseerd zijn, vooral als die uitspraken hem niet zinnen. Ook is de consensus rond corona vaak fout geweest: over de mondkapjes, over de aërosolen, over de besmetting van de kinderen en op scholen.
    In plaats dus van eenzijdig de wetenschappelijke consensus in te roepen, huldigen de auteurs een gezond scepticisme. Zo schrijven ze onder meer: ‘Toch kunnen kritische burgers [die geen specialisten zijn] helpen om het kaf van het koren te scheiden en om experts uit te dagen, op voorwaarde dat ze [de burgers] deugdelijk redeneren en zich zo goed mogelijk informeren over wetenschappelijke inzichten.’ Daar ben ik het grondig mee eens. En dat die burgers ook zelfkritisch moeten zijn, ook dáár ben ik het mee eens. Als leraar kreeg ik dikwijls richtlijnen van hogerhand dat ik mijn leerlingen ‘kritische zin’ moest bijbrengen. Ze moesten meningen ‘in vraag leren stellen’. Dat vond ik ook, maar dan toch zeker ook hun eigen meningen.
     Boudry geeft in het boek een verklaring waaróm geïnformeerde leken de zaken soms scherper zien dan de specialisten, namelijk omdat ze niet bezwaard zijn door oude kennis die niet van toepassing is op een nieuwe situatie. Er kan zelfs een woordje van lof af voor de sociale media: ‘Wie tijdens deze pandemie betrouwbare informatie over mondmaskers wilde, kon die haast makkelijker op sociale media vinden dan in de landelijke kranten of op de tv-zenders.’
     En zelfs die sociale media heb je niet altijd nodig. Helemaal bij het begin van de coronacrisis heeft een collega op school mij uitstekend voorgelicht. Dat covid geen griepje was. Dat de ‘collateral damage’ aanzienlijk kon zijn als men de gewone gezondheidszorg zou terugschroeven. En dat de grote besmettelijkheid van corona wees op mogelijke verspreiding door aërosolen. Dat was allemaal ongeveer het tegenovergestelde van wat de experts toen beweerden.  Hun bewering dat mondkapjes niet werkten, beantwoordde mijn collega met een krachtig: tarara! Verder wist ik ook zonder haar uitleg dat scholen wel degelijk een ‘hulpmotor’ bij virusverspreiding kunnen zijn. Ik heb wel eens op een schoolbus gezeten.
     Naast de ‘burden of knowledge’ zijn er nog veel meer redenen waarom wetenschappers zich kunnen vergissen. Ze kunnen uit de grote hoeveelheid feiten, cijfers en studies geneigd zijn om die te kiezen die hen het beste uitkomen. Misschien is de kwestie gepolitiseerd en speelt hun politieke overtuiging mee. Misschien beleven zij een ‘moment de gloire’ en gaan ze spreken als beleidsmensen in plaats van als wetenschappers. Misschien willen ze de aandacht trekken door een extreem standpunt in te nemen, of door iets anders te zeggen dan hun collega’s.
     Wat dat laatste betreft: ik geloof dat het omgekeerde vaker voorkomt en dat experts hun status proberen te verhogen door vooral hetzelfde zeggen als hun collega’s. De Ceulaer noemt dat ‘rally around the flag’. Hij bespreekt dat in verband met de pers, maar er is geen reden waarom het niet ook op wetenschappers van toepassing zou zijn. Het zou af en toe wel eens de verklaring kunnen zijn van een of andere ‘wetenschappelijke consensus’. Er is in de psychiatrie heel lang een consensus geweest over de waarde van Freuds dromentheorie. Kritiek kwam van buitenstaanders als Karel van het Reve en Vladimir Nabokov, die achteraf gelijk bleken te hebben.
     In hedendaagse polemieken lees je soms het woord ‘wetenschapsontkenner’. Dat lijkt mij, naast een scheldwoord, ook een veralgemening te zijn. Er zijn namelijk verschillende wetenschappen en ze hebben een verschillende graad van zekerheid. Die van wiskunde is groter dan die van sociologie. Zo interpreteer ik toch
 het liedje van Tom Lehrer, al moet eraan toe worden gevoegd dat Lehrer zelf een wiskundige was, en zich niet noodzakelijk objectief opstelde in de materie. Zo is er, geloof ik, ook een afnemende zekerheidsgraad als we van microbiologie, over virologie en epidemiologie, naar ‘algemene gezondheidswetenschappen’ afdalen.
     Als regel vermindert de zekerheidsgraad van een wetenschap naarmate ze afhankelijk is van statistische modellen met veel variabelen. Boudry geeft een goed voorbeeld van wat wetenschap met wél een hoge zekerheidsgraad vermag: ‘Binnen enkele weken na de uitbraak, op 10 januari 2020, kenden wetenschappers het volledige genoom van SARS-CoV-2, tot op de laatste letter. Niet meer dan vijf dagen later werd het eerste vaccinontwerp ontwikkeld.’ Dat kan de wetenschap dus wel, en er volgt niet veel ‘ontkenning’ op. Maar een jaar na de uitbraak, heeft men nog altijd de grootste moeite om de dodentol van België, Zweden en Noorwegen met elkaar te vergelijken. Hoeveel moeilijker moet het dan niet zijn om ook nog eens met enige mate van zekerheid uit te maken waarom die dodentol in die drie landen zo verschillend is?
     Boudry en De Ceulaer geven de ‘kritische burger’ een aantal adviezen om zich te oriënteren tegenover de schijn van wetenschappelijke consensus, en tegenover de werkelijkheid van wetenschappelijke onzekerheid. De auteurs formuleren vuistregels voor het deugdelijk denken. Zo moeten we een bepaalde coronamaatregel niet verwerpen omdat hij niet erg effectief is. Het is niet de maatregel op zich maar de combinatie van maatregelen die het hem doet. De auteurs noemen dat het Zwitserse Kaasmodel, omdat één plakje vol gaten zit en alles doorlaat, maar als je er een stapeltje van maakt worden de gaten van het ene plakje afgedekt door een volgend plakje met ándere gaten. Hoe dikker het stapeltje, hoe minder er wordt doorgelaten. Toegepast op corona: er kan altijd een extra maatregel bij, dan zal het nóg veiliger zijn. 
     Helaas is er een probleem met vuistregels en algemene beginselen. Als je wat zoekt, vind je er wel een andere, die ook meteen een ander resultaat oplevert. Neem bijvoorbeeld het beginsel van de afnemende meeropbrengst: volgens dat  beginsel zal elke extra maatregel minder extra veiligheid opleveren, zodat bij teveel maatregelen de kostenbaten verhouding uiteindelijk negatief wordt. Je kunt dus, met dat beginsel voor ogen, makkelijk verder met een of twee maatregelen minder, zonder dat je al te veel veiligheid verliest. Kort gezegd: als het om vuistregels en beginselen gaat, komt het erop aan ze goed te kiezen.
     En ook je experts moet je goed kiezen. Wat doe je bijvoorbeeld als de ‘officiële virologen en epidemiologen van een land een - naar je mening - te slappe aanpak van corona voorstaan. Dat is wat in België gebeurde volgens De Ceulaer. Dan moet je ze met ‘lastige vragen’ overvallen. Je moet de ‘overheid uitdagen, schijnbare vanzelfsprekendheid ter discussie stellen en het debat aanzwengelen. Niet met complotgekkies of wetenschapsontkenners. Wel met bonafide stemmen, vaak uit het buitenland, die met de plaatselijke experts van mening kunnen verschillen.’ Dat is mooi. Maar wanneer is iemand een ‘bona fide stem’? Ik denk: als die ongeveer hetzelfde zegt als De Ceulaer.  De Zweed Anders Tegnell is dat niet, maar Yaneer Bar-Yam en Nassim Nicholas Taleb zijn dat wel. De eerste is een wetenschappelijke ‘spookrijder’, en de andere twee rijden op hetzelfde baanvak als Boudry en De Ceulaer. Met wetenschappers doe je zoals je bij kersen doet: je begint met degene die meest in de smaak beloven te vallen.
    Ik doe dat zelf ook natuurlijk. Ik had daar het voorbeeld van Boudry en De Ceulaer niet voor nodig. In de wetenschappen met lage zekerheidsgraad zijn er lui  die praatjes hebben die mij aanstaan, en anderen die praatjes hebben die mij niet aanstaan. De eerste probeer ik zo goed mogelijk te begrijpen, de tweede laat ik wat links liggen en ik probeer ze, uit beleefdheid, zo min mogelijk als ‘spookrijders’, ‘grote roergangers’ of ‘niet bona fide wetenschapsontkenners’ te omschrijven.

 

* Ik heb over het boekje van Boudry en De Ceulaer al twee stukjes geschreven: hier en hier. Begin maart van vorig jaar heb ik als ‘kritische burger’ volgend stuk geschreven: hier.

donderdag 18 februari 2021

Boudry en De Ceulaer: achterafklap vanuit station 3


     Het corona-boekje van Boudry en De Ceulaer* kun je best omschrijven als een reeks luchtige columns, opgebouwd rond een hondertal alfabetisch gerangschikte trefwoorden. Er komen geen tabellen in voor, slechts zes grafieken, en ook met cijfers zijn de auteurs spaarzaam. Dat is prima. Ik heb indertijd gevraagd aan onze virologen om wekelijks zo’n column voor leken te schrijven waarin ze elke week iets anders zouden uitleggen over corona, in plaats van dagelijks hetzelfde te vertellen op televisie*. Boudry en de Ceulaer zijn geen virologen, maar ze hebben wel een boekje geschreven in de vorm die ik gevraagd had. Ik heb het dankbaar gelezen.
     Ik heb weer een en ander bijgeleerd. Nu weet ik dat die mist die ik bij vriesweer uitblaas eigenlijk mijn aerosolen zijn die voor één keer zichtbaar worden. En dat je de bevolkingsdichtheid van zo ongelijke landen als België en Zweden kunt vergelijken door het grondgebied te rasteren in stukjes van één vierkante kilometer, en dan alleen de vakjes mee te tellen waar mensen wonen.** En dat vleermuizen een kwart van alle zoogdieren op aarde uitmaken.
     Het boekje is anders geen neutrale samenvatting van de huidige kennis inzake corona, maar een verzameling van argumenten, redeneringen en principes die bruikbaar zijn om de kwestie te benaderen, en dan vooral om een heel streng anticoronabeleid te rechtvaardigen. Je hebt in heel grote lijnen drie kampen. Degenen die alleen de risicogroepen in de maatschappij willen afschermen van besmetting (‘omgekeerde lockdown’), degenen die de besmettingsgraad voldoende laag willen houden zodat de ziekenhuizen niet overbelast worden (‘flatten the curve’) en ten slotte degenen die de besmettingsgraad tot ongeveer nul willen terugbrengen zodat er niemand ziek wordt of overlijdt (‘crush the curve’). Als ik het goed heb, bevindt het treintje van onze televisievirologen zich ergens op de lijn tussen de tweede en de derde oplossing plaatsen, terwijl dat van Boudry en De Ceulaer al lang in station 3 staat.  
     Vanuit station 3, hebben ze veel kritiek op de blunders uit het verleden: de regering aarzelde te veel, kwam te laat met maatregelen en te vroeg met versoepelingen, de virologen susten, de communicatie was te geruststellend. Dat vat het zowat samen. Wie het daar allemaal niet mee eens is, zal door het boekje niet overtuigd worden. Iemand overtuigen is op zich al moeilijk en in kwesties waar pro en contra moeten worden afgewogen is het nog veel moeilijker. Laat ik het zo zeggen: de argumenten van Boudry en De Ceulaer zijn subtiel genoeg om de zwakke broertjes van het andere kamp te weerleggen, maar helaas kunnen die zwakke broertjes weinig aan met subtiliteit. En de sterke broertjes van het andere kamp hebben zelf ook subtiele argumenten.
      Zelf behoor ik in die materie tegen mijn gewoonte in tot geen enkel kamp. Maar als ik de beleidsblunders overloop die Boudry en De Ceulaer aanklagen, zijn er dat die ik ongetwijfeld ook allemaal zou hebben begaan, of andere die nog erger waren. Er is slechts één blunder die ik had vermeden omdat hij niet met mijn natuur strookt. Toen de gunstige berichten over de vaccinontwikkeling binnenkwamen zou ik niet te lang getreuzeld hebben en ik zou niet te scherp onderhandeld hebben over de prijs (zie ook hier). Ik zou daarentegen gulzige hoeveelheden van álle vaccins besteld hebben. Met die zekerheid van grote bestellingen, konden de farmaceutische firma’s grotere financiële middelen inzetten voor een massalere en snellere productie dan nu het geval is***. Als er uiteindelijk een of twee vaccins bij waren die niet werkten, dan kon ik ze nog altijd weggooien. En als ik met een overschot zat, zou ik die, na het inenten van de eigen bevolking, gratis verstuurd hebben naar de arme landen.
     Ik zou natuurlijk te veel hebben betaald, maar dat verlies stelt weinig voor vergeleken met de winst van een economie die één, twee of drie maand vroeger had kunnen opstarten. De winst en het verlies zouden, om het met de woorden van Boudry en De Ceulaer te zeggen, ‘asymmetrisch’ zijn geweest.  De EU is voor één keer te zuinig geweest, stel je voor. Alleen komt díe onbetwistbare blunder in het boekje niet ter sprake. Het moet grotendeels geschreven zijn toen de vaccinontwikkeling minder ver gevorderd was dan nu. Daardoor valt het voor mij nu wat onder de noemer  ‘achterafklap’, wat ook het trefwoord is waar de auteurs mee beginnen****.    

 

* Over het coronaboekje van Boudry en De Ceulaer heb ik hier al iets geschreven. Over mijn voorstel voor coronacolumns voor leken: zie hier. Over mijn vaccinatie-ongeduld: zie  hier.

** De bevolkingsdichtheid in België is vijftien keer hoger dan die in Zweden. Maar volgens de rastermethode is ze maar vijf keer hoger – wat nog altijd een groot verschil is.

*** Post scriptum. Het probleem blijkt niet te liggen, zoals ik bij het schrijven van dit stukje dacht, bij de karige dan wel gulzige bestelling. In Het Nieuwsblad van 5 maart lees ik dat Europa 3.600 miljoen vaccins bestelde voor 355 miljoen inwoners en de Verenigde Staten 700 miljoen voor 260 miljoen inwoners. Toch hebben Trump en Biden kunnen zorgen voor een snellere vaccinatie. Dat komt door het invoeren van een oorlogseconomie: de staat die rechtstreeks ingrijpt om de productie van vaccins op te drijven. 

**** De auteurs gebruiken het woord in de betekenis van ‘I told you so’. Ik gebruik het in de betekenis van ‘mosterd na de maaltijd’.