woensdag 5 augustus 2026

The Odyssey: alle stukjes verzameld


Eerste indruk
    
Ik heb de nieuwe verfilming van de Odyssee gezien in de IMAX-zaal in Brussel. Ik zat pal in het midden van de eerste rij – de enige plaats die nog vrij was toen ik op de dag van de première een ticket kocht. Ik kan die zitplaats voor een IMAX-voorstelling aan iedereen afraden. Anderzijds moet ik toegeven dat het gevoel van misselijkheid na een kwartier weer verdwijnt. 
    De film bevat veel gevechten. Die worden helemaal anders gekadreerd en gemonteerd dan in Troy (2004): minder overzichtelijk, minder gestileerd, meer ruwe chaos.
Meer Géricault dan Louis David. Meer de Le radeau de Méduse dan Les Sabines. Bij de stills van Troy kon je er geloof ik de vechtende figuurtjes met een schaar uitknippen. Dat zou met de film van Christopher Nolan, met al dat gewriemel van lijven en ledematen, niet lukken, met uitzondering misschien van de scène met de Laestrygonen, de geharnaste reuzen die je op de reclameposter ziet afgebeeld.
 
     Door die poster had ik trouwens een vooroordeel tegen de film: die harnassen waren naar mijn smaak te middeleeuws en de helm van Odysseus te Romeins. Maar in de film valt het mee: er worden zoveel stijlen door elkaar gemengd – zoals in Game of Thrones – dat je je er al snel niet meer aan stoort. Agamemnon heeft een mantel als Darth Vader en een helm als Batman, en het werkt. Het Odysseus-verhaal is een sprookje, en is dat altijd geweest.


Multiraciale casting
     Aan de zwarte Helena heb ik mij veel minder gestoord dan ik had verwacht. Het was maar een heel kleine rol, en het was tenminste geen zwarte Anne Boleyn; want dat is, ik ben daar streng in, mijn rode lijn. Maar dat de aanpak van een historische film mee evolueert met de conventies van het tijdperk, daar kan ik niet te zwaar aan tillen. Het was zo in de jaren 50, en het is vandaag nog altijd zo – maar anders. De fantasy-wereld van Nolans Odyssey lijkt in meer dan een opzicht – thematiek, psychologie, moreel universum, taal – op de westerse wereld van vandaag. Die is anders dan de Myceense beschaving van 1200 voor Christus, anders dan de Ionische beschaving van 700 voor Christus, en anders dan de Hollywood-beschaving van 1950 na Christus.
      In de film wordt de raciale diversiteit van de westerse wereld van vandaag gewoon overgeplant naar de half-mytische wereld van de Achaeërs – die in de film trouwens ook niet ‘langharig’ zijn zoals ze nochtans door Homeros worden genoemd. Helena is zwart, haar tweelingszus Clytaemnestra
zelfde actrice is zwart, Athena en Agamemnon zijn niet blank, en de mannen van Odysseus vormen een bont allegaartje. De film opent met een zwarte rapsode die een primitieve versie van het Troje-epos declameert.
      Het is, lijkt mij, een kwestie van proporties. Die rapsode en die manschappen, daar zal bijna niemand over vallen; Helena en Clytaemnestra in die bijrollen, tot daar aan toe*; een zwarte Odysseus of Penelope daarentegen, dat zou een knieval voor woke, een bewuste provocatie, en een commerciële blunder geweest zijn.


Waardigheid en originaliteit van de esthetiek
     Eigenlijk gelijkt The Odyssey heel goed op de sandalenfilms van mijn kindertijd  meestal met Steve Reeves in de hoofdrol – alleen is alles beter gemaakt: de toon is waardiger, de vertelling is subtieler, de interieurs zijn beter doordacht, de karakters zijn genuanceerder, de dialogen – hoe plechtig ook –  klinken natuurlijker, en wat de special effects betreft, op dat vlak is er geen vergelijking mogelijk. Die minotaurussen en vechtende skeletten van 60 jaar geleden zijn nu niet meer om aan te zien; en dat waren zij bij het verschijnen van die films ook al niet. Als kind werd ik door schaamte bevangen als ik het ‘brandend braambos’ of de ‘splitsing van de Rode Zee’ op het scherm zag. Special effects zijn trouwens niet alleen een kwestie van techniek, maar ook van goede smaak. Stel: je moet een enogige cycloop opvoeren. Hoe vermijdt je dat het wezen er belachelijk uitziet in plaats van angstaanjagend?
     Twee scènes die ik gemist heb zijn de ontmoeting met Nausicaa en het gesprek tussen Odysseus en Achilles in de onderwereld. In beide gevallen begrijp ik waarom Nolan de scènes heeft laten vallen en moet ik hem gelijk geven: de samenhang van het verhaal wint bij de weglating. Uit de bekende scène met de hond heeft hij dan weer het grootst mogelijke emotionele effect gehaald.
     Een eindoordeel over de film schort ik op. Ik wil hem eerst eens zien in een gewone bioscoop vanop achterste rij. Maar je ziet dat er over alles is nagedacht. Dat is het voordeel van iets te maken dat al vaak gemaakt is. Dat paard, hoe moet er dat uitzien? Primitief gesculpteerd zoals in de verfilming met Steve Reeves (1961)? Of duidelijk samengesteld uit wrakstukken zoals in de film van Wolfgang Petersen? Laten we er iets moois van maken moet Nolan gedacht hebben, iets geheimzinnigs waarvan je op het eerste gezicht niet goed ziet of het van brons of van hout gemaakt is. En waarom zouden we het niet laten steigeren? Ja, waarom niet? En dan begraven we het half in het zand. En dan naar de stad laten slepen, zonder wielen eronder. Dat zal cool zijn.

.* In de Odyssee-verfilming van 1997, die ik zo vaak met mijn zoon gezien heb toen hij een jaar of acht was, werd Calypso ook al gespeeld door een zwarte actrice, Vanessa Williams.


Tweede indruk: slim en lichtjes vervelend
     Ik heb de film nu twee keer gezien, één keer vanop de eerste rij in de IMAX-zaal in Brussel*, en één keer vanop de laatste rij in een gewone zaal. Bij de IMAX-projectie kun je bijvoorbeeld gelijktijdig het atelier van Penelope zien én daaronder de feestzaal van het paleis, een van de talrijke briljante vondsten van Nolan. Bij de gewone projectie op een breed rechthoekig scherm is dat minder indrukwekkend omdat men bovenaan of onderaan bijna de helft van het beeld heeft weggeknipt. Je wordt dat snel gewoon en na een poosje let je er niet meer op.
     Hoe meer ik over de film nadenk, door alle commentaren te lezen, hoe beter ik hem vind. Of misschien niet beter, maar slimmer. Nolan is zoals Odysseus een man van honderd listen en duizend vondsten. Maar misschien ligt daar ook zijn zwakste punt. Bij het nadenken valt de film geweldig mee, bij het kijken is hij lichtjes vervelend. Dat vond ik al de eerste keer, en die indruk was nog sterker de tweede keer.
      Veel recensenten hebben het gebruik van de flashbacks geprezen. Terecht. De flashbacks zijn naadloos, voelen volstrekt logisch aan, en verhelderen het verhaal. Ik zou mij geloof ik zonder die flashbacks onnoemelijk – in plaats van lichtjes – verveeld hebben. Even vakkundig is de parallelmontage, een zwak punt in veel epische films. Bij de Star Wars-saga voelde ik ergernis iedere keer dat de actie verlegd werd van de ene planeet naar de andere. Maar Nolan schakelt over van Odysseus’ schip, naar Telemachus’ reis, en naar Penelopes paleis op precies het juiste moment en op precies de juiste manier.
     De episode met Circe vat de sterke en zwakke punten van Nolans verfilming goed samen. Helder verteld, spannend opgebouwd, meesterlijk gemonteerd, en uitstekend  geacteerd door Samantha Morton. Nolan heeft een aantal keuzes gemaakt die de eenheid van toon verzekeren, zoals de weglating van de humor en de erotiek. Hij heeft de transformatie van mannen in varkens met visuele spitsvondigheid uitgewerkt. En hij heeft Circe een geloofwaardig motief gegeven voor haar gebruik van magie: ze haat mannen, en vooral soldaten, die elke gelegenheid te baat nemen om vrouwen te verkrachten. Men kan dat een nodeloze ‘actualisering’ vinden, maar ten eerste: rondzwervende soldaten hébben altijd vrouwen verkracht, en ten tweede, vrouwen zullen dat ook 3000 jaar geleden niet prettig gevonden hebben. Dat zijn allemaal sterke punten. Waarom, vraag ik mij af, blijft het toch allemaal lichtjes vervelend? Is het omdat kinderachtige sprookjes mij niet zo erg interesseren?
     Nolan zelf moet dat gevaar van kinderachtigheid onder ogen hebben gezien. De sprookjesachtige elementen probeert hij over het algemeen kort en bondig te behandelen en een volwassen thema mee te geven: de sirenen, Scylla en Charybdis, de Laestrygonen, zelfs de cycloop. Het helpt, maar niet voldoende, en bij de naturalistische episodes verliest hij zich dan weer in epische wijdlopigheid.
     Voor ik de film gezien had, was ik erg benieuwd naar de scène van de onderwereld. Zou Odysseus werkelijk neerdalen in een wijds decor zoals beschreven door Vergilius en Dante? Dat was niet het geval. Nolan heeft de goede smaak gehad om dicht bij de homerische tekst te blijven met de kuil en het bloedoffer, en hij heeft een filmische oplossing gevonden voor het ‘verschijnen’ van de geesten. Hij heeft de sombere visie op het hiernamaals en de sfeer van gevaar nog aangescherpt, en het levert de op een na beste scène van de film op. Het was tevens een van de twee scènes die bij een tweede visie meer indruk maakten dan bij de eerste. 


De verwoesting van Troje
   
 De beste scène is de plundering en de brand van Troje. Dat is een waar meesterstuk waar gedurende de hele film naartoe wordt gewerkt en als het eindelijk zover is, wordt de kijker verpletterd door de wreedheid van de Griekse overwinnaars, die spaarzaam in beeld wordt gebracht, maar krachtig wordt onderstreept door de muziek. Het wreedste moment is de onthoofding van een standbeeld en het angstige gezicht van een Trojaanse priesteres. Odysseus is geschokt door wat hij ziet gebeuren. Met de vernietiging van Troje weten we eindelijk waarom Matt Damon de hele film lang met een vermoeid en gekweld gezicht zijn avonturen beleeft.
     Maar is het realistisch dat een vechtjas na tien jaar oorlog plots medelijden krijgt met de vijand, al zijn het dan burgers? Hij heeft veel van zijn makkers weten sneuvelen onder de pijlen, speren en zwaarden van de Trojanen. Waarom zou hij geen recht hebben op meedogenloze wraak? Waarom zou hij, vol van adrenaline, niet ongeremd deelnemen aan verkrachting, brandstichting en massamoord, zoals hij dat ongetwijfeld in het verleden heeft gedaan?
      Kijk, ik was er niet bij, maar ik vind het niet onmogelijk dat een homo sapiens van 3.000 jaar geleden te midden van het zoveelste routineuze bloedbad plots wél wordt aangegrepen door hetzelfde medelijden en dezelfde weerzin als de kijker in de zaal 3000 jaar later. Ik acht het niet uitgesloten dat iemand die al veel geweld heeft meegemaakt en gepleegd, plots door de schaal en de omstandigheden van wreedheid wél gedegouteerd raakt zoals Odysseus in de film. Als een volle emmer kan overlopen door één bijkomende druppel, waarom dan niet als er een hele kan wordt bijgegoten?  En omgekeerd, als zo’n onverwacht inzicht niét te rijmen valt  met een normale psychologie, als we met een soort goddelijke ingreep te maken hebben, wint de scène dan niet aan kracht? 
   
 Het is ondertussen zeker dat de menselijke neiging tot empathie en medelijden ook in de homerische tijd bestond. Er is een bekende passage in de Odyssee waarin de tranen van Odyssee vergeleken worden met die van een vrouw die slachtoffer is van oorlogsgeweld. Aan het hof van Alcinoüs vertelt een rapsode over de val van Troje:

 En nu zong de zanger, hoe het heilige Ilium verwoest werd door de Grieken … En weemoed vervulde Odysseus, zodat zijn wimpers nat werden van tranen, die hem rolden langs de wangen. Zo ook weent een vrouw, als ze toesnelt op haar geliefde man, die viel voor de muren van zijn stad, waar hij streed voor zijn volk. Heel de dag vocht hij om stad en kinderen van een wrede vernieling te redden. En nu ziet ze hem worstelen met de dood, en al snikkend werpt zij zich op hem en weeklaagt en schreit. Achter haar dringen de vijanden op, slaan haar bruut op de rug met hun lansen, grijpen haar bij haar schouders, binden haar vast en voeren haar weg als slavin naar een leven vol jammer en ellende, waar weldra haar blozende wangen verwelken. Zo deerniswekkend sloeg ook Odysseus aan ’t schreien.

      Homerus zegt niét dat Odysseus schreit vanwege het ongelukkige lot van de vrouw, maar door het naast elkaar plaatsen van zijn en haar tranen, lijkt het wel of hij schreit om het wereldleed, waar zijn beproevingen, het lot van de ongelukkige vrouw, en de vernietiging van Troje één geheel vormen.
      Na de vernietiging van Troje als emotioneel hoogtepunt, kon de rest van de film – de terugkeer in het paleis – niets anders dan een anticlimax worden. Dat hoefde geen bezwaar te zijn. Alleen heeft Nolan met het gevecht tussen Odysseus en de vrijers de geweldorgie in Troje nog proberen te overtreffen. Dié eindeloze vechtpartij vond ik een van de vervelendste stukken van de film. Een snelle afhandeling van die onverkwikkelijke zaak had volgens mij beter gewerkt. Liefhebbers van geweldscènes denken daar misschien anders over.


Woke casting als marketing
     In een pseudo-homerische stijl maakt boekhandelaar Steven van Ammel (DS 1/8) zich vrolijk over ‘bozige oude mannen’ die zich opwinden over de zwarte Helena in Nolans verfilming. 

Vertel, o muze, over een complexe man. Hoe hij in zijn burcht alle hexameters najaagt met zijn wijsvinger, op zoek naar een eeuwenoud gelijk. De Odyssee zal wit zijn, of niet zijn. Woke is een monster met meer koppen dan Scylla, te bestrijden met een computerklavier en een woordenboek Oudgrieks … Bozig [gaat hij na] hoe blank Helena wel niet was.

      Ik heb veel bewondering voor oude mannen die nu de moeite doen om de Odyssee in het Oudgrieks te lezen. Tien jaar geleden zou ik het misschien ook hebben geprobeerd, met behulp van de digitale Tufts University uitgave, maar daar ben ik nu te ongeduldig voor geworden. Ongeduld is vrees ik een groter gebrek bij oude mannen dan voortdurende bozigheid.
     Maar zelf heb ik mij dus, zoals ik hierboven uitlegde, veel minder aan de zwarte Helena en de zwarte Clytaemnestra gestoord dan ik had verwacht. Ik geloof trouwens, net als Van Ammel, dat de kleine provocatie van Nolan een marketingstunt was, zij het perfect gedoseerd. Achteraf kunnen we alleen vaststellen dat de gok met de zwarte Helena heeft geloond. Elon Musk is erin getuind en heeft met enkele boze tweets gezorgd voor extra reclame.
      Waar ik mij wel aan heb gestoord – lichtjes, want ik wil niet bozig overkomen – is aan de manier waarop sommigen de multiraciale casting mordicus wilden verdedigen. De redenering van Mary Beard, de bekende Britse classica, kan ik nog volgen. Ik heb een interview met haar gezien, en ik hoor haar liever praten dan dat ik haar lees. Ze wijst op de de multiracialiteit van de Homerische wereld. Daar zit iets in. Waarom zouden Agamemnon en Menelaus eigenlijk niet getrouwd kunnen zijn met Ethiopische prinsessen? Het klopt niet met de mythologie, maar Ethiopiërs maakten wel degelijk deel uit van het wereldbeeld. Helemaal in het begin van de Ilias, herinner ik mij, is Zeus met alle goden vertrokken van de Olympus voor een twaalf dagen durend feest bij de ‘voortreffelijke Ethiopiërs’.
     Ik word wel zenuwachtig als dichter bij ons professor Nadia Sels, gespecialiseerd in mythologie, er een principekwestie van maakt. In De Morgen schrijft ze:

Verder denk ik ook dat Nolan bewust voor een actrice van Afrikaanse afkomst kiest, omdat hij Helena in beeld wil brengen als een buitgemaakte vrouw, iemand die met geweld is meegesleept. Volgens mij is het geen vrijblijvende keuze, en wil hij de link leggen met de koloniale geschiedenis.

     Nu, om de naïviteit van Sels kunnen we nog lachen, maar het lachen vergaat mij als de gewiekste classica en Homerus-vertaalster Emily Wilson zich in het debat mengt: 

De kleurblinde casting werd in sommige kringen natuurlijk afgekeurd. Maar er is niets progressiefs aan. De meeste niet-witte acteurs – Zendaya, Lupita Nyong’o, Himesh Patel, Corey Antonio Hawkins, Travis Scott – spelen varianten van de ‘Black Best Friend’, wiens enige rol in het drama is om de blanke protagonist te helpen … 

    Wilson verwoordt het slim. Nolan is met zijn kleurblinde, multiraciale casting niet ‘progressief’ genoeg geweest. Maar wat had hij dan wél moeten doen? Had hij meteen enkele niet-blanken moeten kiezen voor de hoofpersonages? Een zwarte Odysseus? Een zwarte Penelope? Een Telemachus van gemengde afkomst? Is dat wat bedoeld wordt met een een echte progressieve kleurblinde (‘race-neutral’) casting? Misschien, maar Wilson laat het achterste van haar tong niet zien. 


Politieke boodschap?
     Als de casting van een zwarte Helena voor sommige lieden van rechts genoeg was om boos te reageren en de film in zijn geheel aan te vallen als woke, dan waren juist die reacties voor sommige lieden van links, waaronder recensenten, columnisten en academici, genoeg om de film in zijn geheel te verdedigen. Men ging de film daardoor, vanuit twee kampen, evalueren op een veronderstelde politieke boodschap. Zoiets is altijd mogelijk. Met een beetje fantasie kun je in The Odyssey een anti-Trump film zien zoals ik met enige fantasie in Lincoln van Spielberg een pro-Obama film zag.
  
     Het is waar: The Odyssey bevat tal van vaak vederlichte verwijzingen naar eigentijdse politieke thema’s zoals oorlog, migratie, feminisme, pacifisme, handelsroutes, internationale rechtsorde, post-traumatic stress disorder, decadentie, standverschil, integer leiderschap …  Over geen van die kwesties wordt echter een woke of anti-woke boodschap meegegeven. De verwoesting van Troje is een hartverscheurende illustratie van generaal Shermans adagium: war is hell. Die boodschap is niet woke of anti-woke.
     Of neem migratie. Het is verleidelijk om Nolans voortdurende verwijzing naar de  Griekse gastvrijheid – de wet van Zeus – te beschouwen als een pleidooi voor open grenzen en een kritiek op xenofobie. Columniste Merel van Vroonhoven schreef in De Volkskrant (22/7):

 Xenofobie … is het tegendeel van het oud-Griekse gastvrijheidsideaal. Asielzoekers die worden weggezet als loslopende criminelen of vrouwenbelagers. Arbeidsmigranten die hutjemutje in een kamertje worden gepropt en onder mensonterende omstandigheden rotklussen doen waar we zelf de neus voor ophalen. Laat dat de vreemdeling maar doen … Wat me in de film raakt is het besef dat wanneer gastvrijheid niet wordt nageleefd, het broze weefsel van vredig samenleven afbrokkelt.

     Ik weet niet of die asielzoekers en die arbeidsmigranten veel met de oude Grieken of met Nolans film te maken heeft. De intrige van de film berust vooral op het misbruik van gastvrijheid door de vrijers in het paleis. Wie wil kan in de film evengoed een waarschuwing tégen migratie en overrompeling zien. En de grote misdaad, de vernietiging van Troje, heeft weinig met de thematiek van gastvrijheid of migratie te maken. Die vernietiging is een uiting van barbaarse wreedheid, een gevolg van wraakzucht dan wel van hebzucht, een flagrant misbruik van de gemeenschappelijke godsdienst, en een gebrek aan fairplay, fairplay die Odysseus wél aan de dag legt bij de hertenjacht. Maar die vernietiging heeft niets met migratie te maken.
       Ook de morele boodschappen in de film, van rationaliteit, van loyaliteit, van traumaverwerking, van verantwoordelijkheidszin, van huwelijkstrouw, van zelfbeheersing, van dankbaarheid en ondankbaarheid, van zelfredzaamheid en de grenzen ervan, ze overstijgen allemaal de tweedeling woke – anti-woke. Dat verklaart waarom veel conservatieven en progressieven niét in de val zijn getrapt om The Odyssey politiek-ideologisch te framen. Een columnist van de NYT noemde de film ‘conservatief met een kleine c’, dat wil zeggen het soort conservatisme waar ook veel mensen van links zich in kunnen herkennen.


Declinisme
     Tom Naegels ergert zich op zijn FB-pagina aan het ‘patina van declinisme over de film’. De omschrijving zelf is juist. De personages in de film voelen dat een beschaving ten einde loopt. Eerst ziet men de bedreiging in een vijand van buitenaf – de volkeren van de zee – maar bij Odysseus rijpt het inzicht dat de ondergang er komt doordat men de eigen waarden niet meer respecteert. Naegels noemt dat ‘pompeuze grootspraak.’
       Ik zie dat anders. Ten eerste vind ik dat een episch verhaal een beetje pompeus mag zijn. Ten tweede heb ik mijn epische verhalen liever melancholisch dan louter heroïsch en het thema van de ondergang helpt bij die toonzetting. Vandaar mijn liefde voor latere westerns zoals The Man Who Shot Liberty Valence,  The Wild Bunch, Judge Roy Bean en The Shootist, of voor de romans van James Fenimore Cooper die de ondergang van de Frontier-beschaving vertellen.
      Ten derde heeft Nolan het fatsoen gehad om geen moderne politieke interpretatie op te leggen. Wie gelooft dat onze beschaving binnenkort ten val komt mag dat na het bekijken van de film nog altijd wijten aan de klimaatopwarming, de migratie, de maatregelen tegen de migratie, de opkomst van extreem-rechts of extreem-links, de artificiële intelligentie, de ongebreidelde economische groei, de degrowth ideologie, enzovoort.
     En ten vierde is declinisme een thema dat Nolan blijkbaar na aan het hart ligt. Ook in Interstellar beschrijft hij een beschaving die door gebrek aan morele kracht tot ondergang gedoemd lijkt. Ik hou van auteurs en regisseurs die een thema zo ernstig nemen dat ze er telkens op terugkomen, zo lang ze niet beginnen te zeuren.
      Is onze moderne beschaving ook ten dode opgeschreven zoals die van de bronstijd? Wie zal het zeggen? Niemand behalve Tiresias kan de toekomst voorspellen, al durf ik wél voorspellen dat er altijd en in elk tijdperk mensen zullen zijn die door dat ondergangsgevoel gekweld worden. En anderen die vinden dat het zo’n vaart niet loopt. En nog anderen die vinden dat die beschaving zo weinig voorstelt dat ze best ten onder mag gaan.


Historische accuratesse en ecclectisme 
    
  Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Als cultuurbarbaren van rechts, zoals Elon Musk – met alle respect –, weinig politieke argumenten vinden tegen Nolans film, gaan ze verwijten bovenhalen over het gebrek aan historische accuratesse. En van de weeromstuit gaan scribenten van links, die onder andere omstandigheden misschien dezelfde verwijten zouden hebben geformuleerd, nu uitvoerig uitleggen dat historische accuratesse bij een verfilming onmogelijk is.
       Die scribenten van links hebben in dit geval gelijk. We kunnen ons wel een historisch accurate muziekopvoering voorstellen, of misschien zelfs een historische accurate Shakespeare-opvoering, maar we kunnen ons geen historisch accurate verfilming voorstellen. Een correcte weergave van de antieke of middeleeuwse mentaliteit en esthetiek zoals die in een eeuwenoud literair werk zijn vervat, dat is een onmogelijke opdracht voor een publieksfilm. Eric Röhmer heeft het geprobeerd met de kunstfilm Perceval le Gallois, waarin de decors gelijken op geschilderde miniaturen en de personages de verzen van Chrétien de Troyes declameren. Maar de middeleeuwers die zouden kunnen beoordelen of die poging geslaagd is, zijn allemaal dood.
      Het hoogste wat men in een publieksfilm zou kunnen nastreven zijn gebouwen en kostuums die overeenstemmen met de archeologische vondsten. In het geval van The Odyssey zou de regisseur dan ook nog eens een keuze moeten maken tussen de Myceense tijd waarin de gebeurtenissen verondersteld worden plaats te vinden en de homerische tijd waarin de gebeurtenissen verondersteld worden op schrift te zijn gesteld. Nolan heeft het tegenovergestelde gedaan en sommige van zijn keuzes zijn zo opvallend anachronistisch dat het aan een expert of pedante leek geen voldoening meer schenkt om er op te wijzen.
      Men kan Nolan verwijten dat hij door zijn aanpassingen te weinig respect heeft opgebracht voor één canonieke tekst, maar de kwestie is veeleer dat hij uit een heel brede canon heeft geput: de Ilias, de Odyssee, de Griekse tragici, de Aeneïs, en verder de scènewisseling van Shakespeare, de horror van Goya, de cinematografie van de western, de ernst van Hollywood sandalenfilms, de iconografie van Amerikaanse comics. En dan rijst de vraag: heeft de regisseur voldoende artistieke, narratieve en stilistische kracht in huis om die hutspot als één consistent geheel te laten overkomen? Ik vind van wel, maar dat is een kwestie van smaak.
    Het is ook de artistieke kracht die maakt of men de onvermijdelijke anachronismen kan verteren. Telemachus die zijn vader aanspreekt als ‘dad’. Menelaüs die spreekt over de ‘controle over de handelsroutes.’ Op een bepaald moment valt de zin: ‘Our age of bronze is coming to an end.’ Dat is een heel flagrant anachronisme, want Odysseus kan evenmin weten dat hij in de bronstijd leeft, als de vissen van David Foster Wallace kunnen weten dat ze in het water zwemmen. En toch heeft de zin mij amper gestoord, dankzij, geloof ik, de natuurlijke dictie en de context.


De ‘voorhoofse’ verhaallijn
     De classica Mary Beard betreurde dat de film loads and loads and loads and loads of violence bevatte. Dat is een begrijpelijke kritiek. Die loads of violence zijn eigenlijk meer iets van de Ilias dan van de Odyssee.
 
     Er zijn nogal wat verschillen tussen die twee homerische epen ook al ligt er tussen hun definitieve neerslag misschien maar enkele decennia. Men kan het enigszins vergelijken met het verschil tussen de tussen de voorhoofse en de hoofse ridderroman waar ik vroeger les over gaf. De voorhoofse ridderroman – type Chanson de Roland – is een verhaal over ruzies en veldslagen, en niet veel meer. De hoofse ridderroman daarentegen is een episodisch avonturenverhaal, gaat over een zwerftocht, bevat erotische motieven en sprookjeselementen, voert draken en monsters ten tonele – zoals de Odyssee dus. De ontvangst van Odysseus aan het hof van de voorbeeldig gastvrije koning Alcinoüs – weggelaten in Nolans verfilming – verloopt volgens een etiquette die aan Carduel of Camelot doet denken. De vrijers in het paleis van Ithaka gedragen zich als onhoofse ‘chevaliers couards’. Bij de Telemachus-episode is er zelfs als je wil een element van Bildung aanwezig.
      Met veel overdrijving zou je kunnen zeggen dat Nolan door toevoegingen en weglatingen een nogal ‘voorhoofse’ versie van een nogal ‘hoofs’ verhaal heeft gemaakt.


Een ‘brave’ Odysseus 
   
 De Odysseus van Homerus is weliswaar een morele barbaar, maar hij is toch méér dan een eerzuchtige vechtmachine als Achilles, Ajax en Diomedes. Hij is nieuwsgierig. Hij is een handig vakman. Hij is sterk én slim én kwetsbaar. Hij is vaak de verliezende partij die het er op de valreep nog goed vanaf brengt. Hij staat in zijn moraal en gedrag ver van ons, maar is toch al een beetje een moderne mens. Hij is een held, maar toch al een beetje een antiheld. Maar Nolan gaat in dat antiheldendom veel verder – heel veel verder.
     Meer dan één criticus heeft opgemerkt dat de Odysseus van Nolan meer gelijkt op de plichtsgetrouwe Aneas van Vergilius dan op het homerische personage. Of om de vergelijking dichter op ons te betrekken: de Odysseus van Nolan is meer een christen dan een heiden. Dat was de oorspronkelijke Odysseus helemaal niet. Karel van het Reve schrijft: 

Die helden van Homerus zijn eigenlijk een stelletje dieven en moordenaars. Als Odysseus wegvaart van Troje, blaast de wind hem naar het land van de Kikonen. Daar verwoest hij zonder aanleiding, zuiver uit moord- en roofzucht, een stad. De mannen vermoordt hij, de vrouwen neemt hij mee. Hij vertelt dat later alsof het volkomen vanzelf spreekt dat als je aan een vreemde kust landt en er ligt een vreemde stad, dat je die stad dan verwoest, de mannen uitmoordt en de vrouwen rooft … Als Odysseus een bezoek brengt aan de onderwereld ontmoet hij daar Agamemnon, die toen hij hem voor het laatst zag nog leefde. Odysseus informeert hoe Agamemnon aan zijn einde is gekomen. Ben je soms met schip en al verzopen door toedoen van Poseidon? Of ben je door vijandige mannen om zeep gebracht toen je bezig was runderen te stelen of schapen? … Voor de helden van Homerus is het stelen van runderen of schapen of vrouwen een volstrekt legitieme bezigheid. De huichelarij, die sinds de invoering van het christendom als een waas over de Europese literatuur hangt – iedereen doet of hij zich streng aan de tien geboden houdt – ontbreekt hier helemaal.

      In de versie van Nolan is de Kikonen-episode anders. Odysseus zint op een vreedzame bevoorrading, maar de Kikonen zijn gevlucht nadat ze eerst hun huizen en voorraden in brand hebben gestoken om de plunderaars voor te zijn. De brave Odysseus is eraan voor de moeite.
     Moreel is de Odysseus van Nolan naar moderne normen goed aanvaardbaar. Plichtsbetrachting, berouw en verlangen naar huis en gezin, dat zijn zijn voornaamste drijfveren. De wreedheden die hij ná Troje begaat, zoals het afslachten van de vrijers, zijn het gevolg van een rationele keuze. De enige keer dat we de wrede Odysseus van Homerus te zien krijgen is als hij zonder reden een pijl afschiet op de weerloze Cycloop – het filmische equivalent van de sadistisch-komische tirade over de naam ‘Niemand’ die Nolan heeft weggelaten.
     Welke andere keuze had Nolan voor Odysseus’ karakter kunnen maken? Had hij er een cynische spotter moeten van maken? Een sympathieke schurk? Een wellustige vrouwenjager? Een onkwetsbare James Bond misschien? Ik vond het verstandig van Nolan om een voorbeeld te nemen aan getormenteerde helden zoals Jason Bourne, die een klap die hij ontvangt ook voélt. En Jason Bourne was ook sterk en snel en slim als het erop aankwam. Welke acteur speelde ook al weer die rol?
     Een keuze die niét openstond was die om de oorspronkelijke Odysseus ongecensureerd weer te geven met alle onbeschaamde wreedheid van de antieke beschaving, een Odysseus bijvoorbeeld die meedogenloos alle slavinnen laat ophangen omdat ze zich afgegeven hadden met de vrijers? De impuls om zulke vrouwen te straffen is sinds de oudheid niet verdwenen. Daarvoor moeten we maar denken aan de manier waarop meisjes en vrouwen behandeld werden die zich tijdens de oorlog hadden afgegeven met Duitse soldaten. Maar de ‘waas van huichelarij’ maakt dat zulke zaken in een film niet kunnen worden getoond worden zonder op zijn minst afkeuring van die behandeling te laten blijken.
     Een moderne kijker zou bij de terechtstelling van de slavinnen niets dan weerzin ervaren, en ik kan moeilijk geloven dat het opwekken van weerzin de bedoeling van Homerus was. Wij kunnen de instelling van de slavernij onmogelijk bekijken door de ogen van de antieken. We lezen Tacitus over de Romeinse keizers alsof hij een moderne historicus was die schrijft over Stalin. En dan schrijft hij een verloren zinnetje over slaven die gefolterd worden na de moord op hun meester, een moord waar ze niets mee te maken hebben. Tacitus lag van het lot van de slaven niet wakker, Clive James, een bewonderaar van Tacitus, kon er niet van slapen.
     Karel van het Reve vond het verfrissend dat de homerische helden niet beladen waren met morele scrupules. Hebzucht, eerzucht en wraakzucht lijken de grote drijfveren tot handelen, aangevuld met bevelen van de goden, familiebanden, sluwe berekening, buien van goed en slecht humeur, en intuïtieve sympathieën en antipathieën. Karel zou geloof ik weinig begrip gehad hebben voor de traumaverwerking die de centrale drijfveer is in Nolans versie.
     Dat betekent overigens niet dat de homerische helden geen morele normen of grenzen kennen. Ze zien een groot verschil tussen moed en lafheid, tussen trouw en verraad. Hun lichtgeraakte egoïsme wordt in bedwang gehouden door enerzijds een nogal wankele hiërarchie en anderzijds door onwankelbare tradities, zoals de reeds vermelde plicht tot gastvrijheid. Alleen heeft Nolan van die gastvrijheid – elke gast in je huis kan een vermomde godheid zijn – een anachronistisch symbool gemaakt van, geloof ik, burgerfatsoen, solidariteit, internationaal recht en rechtstatelijkheid. Zelfs als koning staat Odysseus niet boven de wet, en aanvaardt hij ballingschap als straf voor zijn nochtans gerechtvaardigde wraak op de gasten die zich in zijn paleis bevonden. Ook deze verhaallijn is strijdig met de geest en de letter van Homerus’ boek.


Leren van de klassieken
     Een wat discretere cultuurstrijd betreft de plaats van de Griekse oudheid in onze cultuur en in het schoolsysteem. Velen verheugen zich erover dat de interesse voor de Griekse oudheid een boost kreeg door Nolans film. Anderen vinden dat er van de oude Grieken weinig te leren valt. Richard Hanania schrijft zoiets
met de nodige nuance op zijn substack-pagina:

 Ik vind het prima dat de Odyssee en de Ilias worden behandeld als kernonderdelen van de Westerse traditie. Het is goed om gemeenschappelijke culturele referentiepunten te hebben, en er is iets inspirerends aan het lezen van hetzelfde verhaal dat mensen al bijna drieduizend jaar vertellen. Maar we moeten Agamemnon en zijn mede-verkrachters in geen geval benaderen als morele gelijken. Als je alle gevechtsscènes in de Ilias gaaf vindt, moet dat worden begrepen als een guilty pleasure, net zoals het genieten van achtervolgingen in een actiefilm. En we moeten niet doen alsof er een hogere waarde schuilt in het eren van het antieke verleden; in plaats daarvan moeten we onze eerbied bewaren voor hoe ver we in de afgelopen eeuwen zijn gekomen. De beste les die Homeros kan geven, is dankbaarheid dat we niet meer in zijn wereld leven. 

    De kritiek is niet nieuw. Ook de klassiek-liberale Frédéric Bastiat (1801-1850) wilde in het onderwijs van zijn tijd liever minder eerbied voor de klassieke oudheid op school. Door het lezen van Caesar en Livius, vond hij, werden de jonge hoofden gevuld met militarisme.
     Die visie correleert met de stelling van Stephen Pinker – die Hanania’s stuk aanbeveelt – dat we door de eeuwen heen een grote morele vooruitgang hebben geboekt. Als we zo’n morele vooruitgang hebben geboekt, kunnen we dan nog iets leren van literatuur die honderden of duizenden jaren oud is?
     Zelf vind ik het een uitstekend idee om de klassieke literatuur als ‘guilty pleasure’ te lezen. Maar als die literatuur op school onderwezen wordt, moet de leraar er ook iets over zeggen. Hij kan inderdaad, zoals Hanania, uitleggen hoeveel morele vooruitgang we gemaakt hebben in onze mentaliteit, regels en gedrag. Hij kan ook passages eruit halen die belichten hoe de menselijke natuur met haar vermogen tot wreedheid en medelijden, tot volharding en zelfbeklag, in 3000 jaar eigenlijk niét veel veranderd is – ondanks de evoluerende conventies. Een bijzonder sympathieke conventie in Homerus’ tijd is in elk geval dat de vijanden – de Trojanen – als gelijkaardige en gelijkwaardige mensen worden voorgesteld. Men zoekt de eigen wreedheid niet te rechtvaardigen door de vijand te demoniseren. Daar kan onze moderne tijd iets van leren. 


De academische reactie
    
De lijst van verschillen tussen Homerus’ Odysee en Nolans verfilming is eindeloos. Achilles in de onderwereld is weggelaten, Sinon is eraan toegevoegd, Athena is van Godin getransformeerd in een traumatische hallucinatie, en Calypso krijgt de strandscène van Nausicaä. De leek ziet enkele tientallen van die verschillen en is trots op zijn ontdekkingen, de academische classicus ziet er enkele duizenden en zucht vermoeid.
      Men zou verwachten dat de classicus zich boos zou maken over de veranderingen die Nolan heeft aangebracht. Maar het is best meegevallen. Sommigen gaan zelfs enthousiast op zoek naar gelijkenissen en echo’s die vanuit het origineel in de film terechtgekomen zijn. Men is Nolan dankbaar omdat hij de interesse voor Griekse oudheid aanwakkert, men is bescheiden over de eigen kennis van het filmvak, en men is bang om als pedante pretbederver te worden weggezet.

De elegantie van Emily Wilson
 
     Een opvallende uitzondering in de academische wereld was professor en Homerus-vertaalster Emily Wilson. Die is geloof ik van aanleg niet erg dankbaar, bescheiden of bang. Ze is vooral heel slim en hanteert meesterlijk de suggestie. Ik heb in mijn vorig stuk haar mening geciteerd over de mulitraciale casting: dat Nolan lang niet ‘progressief’ genoeg is geweest, waarbij ze mooi in het midden laat wat de regisseur dan wel had moeten doen.
       Het stuk van Wilson is gepubliceerd in de Londen Review of Books*, bevat meer dan 4.000 woorden, en is een briljante mengeling van eruditie, politieke ideologie, morele principes, esthetisch oordeel en literaire interpretatie. Ik heb het graag gelezen. Het is elegant geschreven. Neem als voorbeeld haar conclusie over de film.

It lacks psychological, emotional, political and ethical depth. Its narrative structure is gimmicky. The writing is abysmal. None of the characters has convincing motivation for their actions or words. There are no sex scenes, and all the food looks horrible.

     Dat is ritmisch proza, van iemand die zich jaren getraind heeft door Homerus te vertalen in jambische pentameters. Maar het is ook een heel onrechtvaardig oordeel en de stijlspanning berust vooral op  overdrijvingen. Wilson noemt Odysseus ergens een reluctant warlord en spreekt over de earthy vigour van Circe. Dat zijn twee treffende typeringen. Maar dan schrijft ze over dezelfde Circe:

She uses a labour-intensive form of plastic surgery to turn Odysseus’ greedy men into the pigs they already are.     

      Zoiets is het effectbejag. Plastic surgery … Een essayist mag zoiets schrijven, maar hij moet de vondst bij herlezing schrappen. En wat moeten we denken van de volgende beschrijving: 

 There are … technically impressive episodes in which buildings are engulfed in flames and vehicles explode.

     Een andere classicus, Theo Nash, merkte daarover op dat er in de hele film geen enkel voertuig ontploft, en hij vraagt zich af of Wilson wel dezelfde film gezien heeft als de rest van het publiek. Ik stel mij een andere vraag. Is Wilson het soort auteur dat zich laat meeslepen door polemisch enthousiasme en daarbij veel van haar zin voor nauwkeurigheid, nuance en zelfkritiek verliest?


Flauwe complimentjes en suggestieve kritiek
      Het einde en het begin van Wilsons stuk bevatten wat flauwe complimentjes voor de film – haar kinderen hebben hem graag gezien, hij is niet vervelend, het was lekker koel in de zaal, de bioscopen en de klassieke studies kunnen er wel bij varen – maar het hele middenstuk is zo negatief dat haast elk neutrale vaststelling die erin voorkomt onvermijdelijk op kritiek gaat lijken, en wellicht ook zo bedoeld is. Ze schrijft bijvoorbeeld over de rol van rapper Travis Scott:

Scott, as the Ithacan bard, Phemius, yells a few words and pounds a stick, but does not get to sing, tell a story or play the lyre.

     Daarmee stelt Wilson een zoveelste verschil vast tussen de tekst van Homerus en de film van Nolan. Maar door de negatieve context zweemt die vaststelling naar kritiek, en het vastgestelde verschil wordt op die manier een gebrek. Nolan had Scott moeten laten vertellen, zingen en op de lier spelen, suggereert Wilson, alleen schrijft ze het niet; en ze heeft gelijk dat ze het niet schrijft. We kunnen ons gemakkelijk voorstellen hoe oubollig zo’n scène met zang, declamatie en lier zou zijn geweest. Stanley Kubrick heeft het geprobeerd in Spartacus, zonder al te veel succes.
      De eerlijkheid gebiedt mij eraan toe te voegen dat de zojuist geciteerde zin over Travis Scott gevolgd wordt door één van de drie échte complimentjes voor Nolan. Wilson schrijft:

The most melodic note in the percussive soundtrack comes from the plucking of Odysseus’ bow, a beautiful sonic image of the archer as musician, borrowed from the poem.

      Het tweede complimentje is als ze schrijft over het ‘clever set design that separates the women’s quarters from the main hall.’  En het derde complimentje betreft een ‘favourite moment’ als de godin Athena zegt: ‘Who doesn’t understand thunder? Fire?’ De rest van de film deugt niet. Het paard is kitsch, de hond van Odysseus wordt beter geregisseerd dan de acteurs, en het eten ziet er, zoals reeds aangehaald, walgelijk uit.


‘Het complexe origineel, de simplistische adaptatie’
     Wilson schrijft terloops dat ze ook de andere films van Nolan, die niet over haar vakgebied gaan, maar matig kan appreciëren. Het is goed dat ze dat toegeeft. Zelf ben ik ook geen onverdeelde bewonderaar van Nolan. The Prestige vond ik bij een eerste visie vervelend, en bij een tweede visie aangrijpend. Bij Batman Begins was dat omgekeerd. Ik heb daar geen verklaring voor. Wilson daarentegen heeft verklaringen in overvloed.
     Haar aanpak is dubbel. Enerzijds wil ze de film beoordelen op zijn eigen merites, maar anderzijds kan ze het niet laten om voortdurend te vergelijken met het ‘origineel.’ Die dubbele aanpak leidt tot steeds dezelfde conclusie: de film is oppervlakkig, hol en inconsistent, terwijl het ‘origineel’ meerlagig, complex en samenhangend is.
      Het begint al bij de titel van het essay: An Uncomplicated Man terwijl Wilsons eigen vertaling begint met de spitsvondige jambische pentameter ‘Sing, O muse, of a complicated man.’ Ze vindt het karakter van Homerus’ Odysseus ‘complex’ en dat van Nolans Odysseus ‘underdevelopped’. In werkelijkheid is het omgekeerd. Het is de ‘originele’ Odysseus die complexiteit mist omdat Homerus niet erg geïnteresseerd is in zoiets moderns als de psychologie van de personages. Odysseus krijgt gewoon per scène de karaktertrekken en motivaties die nodig zijn voor een of andere handeling, en die handelingen komen op hun beurt uit heterogene sprookjes die eeuwenlang werden doorverteld alvorens ze in één mozaïek werden samengebracht. De Odysseus van Nolan daarentegen is waarlijk een
complexe man in een typisch moderne betekenis van het woord: gekweld**.
    Wilson heeft het talent van de literatuurwetenschapper om in de homerische personages – vooral de vrouwen –  van alles te lezen wat er niet staat. Als Penelope haar droom vertelt over de terugkeer van haar man weent ze. Wilson schrijft de tranen toe aan tegenstrijdige gevoelens over die terugkeer. Ik zou niet weten waarom. Die personages van Homerus schreien gewoon nogal gemakkelijk. Ook hier zie ik het omgekeerd. Het is Anne Hathaway vind ik die met weinig middelen enige tegenstrijdigheid en zelfs opstandigheid in de houding van Penelope weet te leggen.
      Of neem de Calypso-episode. Wilson had, zoals Mary Beard, in die scène liever wat stomende seks gezien. Ze betreurt dat Calypso’s klacht over de dubbele seksuele moraal is weggevallen: mannelijke goden mogen seks hebben met vrouwelijke stervelingen, maar als godinnen seks willen hebben met mannelijke stervelingen, komt er uiteindelijk een verbod van Zeus.
     Ik kan mij inderdaad goed voorstellen dat de klacht over de dubbele moraal ook al in Homerus’ tijd bestond. Nolan heeft die weggelaten omdat hij Calypso een heel andere rol toebedeelt. Maar dan gaat Wilson uitleggen dat Calypso’s klacht bij Homerus ook een komisch accent heeft. Hier wreekt zich het feit dat Wilson niet alleen de klassieken bestudeert en vertaalt, maar ook onderwijst. Het is één ding om in de aula te wijzen op tegenstrijdigheden in een tekst, tegenstrijdigheden die, zo men wil, komisch zijn; het is iets helemaal anders om te veronderstellen dat die tegenstrijdigheden ook een komisch effect hadden voor de contemporaine toehoorders.


Geen overtuigende boodschap
      Wilson stelt vast dat Nolan enkele thema’s van Homerus bewust of onbewust overneemt, maar vindt dat de uitwerking ervan ondermaats is.

But the film’s vision is too confused … Nolan’s Odyssey lacks many of the elements that make the poem great. It has nothing convincing to say about time, memory, history, war, or about the relationship between one warrior’s glorious return and the lives of his family, adversaries, comrades, friends and neighbours.

      Wat moet ik mij voorstellen bij een film die iets ‘overtuigends’ te zeggen heeft over bijvoorbeeld oorlog? Heeft  Im Westen nichts Neues iets ‘overtuigends’ over oorlog te zeggen. Of Paths of Glory? Of Loin du Vietnam? En heeft de Odyssee zelf iets ‘overtuigends’ te zeggen? Ik zou niet weten wat. Als ik de laatste zinnen van het epos correct interpreteer is de ‘boodschap’ dat ruzie allemaal goed en wel is, maar dat er op een bepaald moment een einde aan moet komen. Is dat een ‘overtuigende’ boodschap? 
     In het verwijt dat de film niets ‘overtuigends’ te zeggen heeft over een of ander ‘thema’, horen we weer de stem van de universitaire docente. Ze leest met de studenten een tekst, of kijkt met de studenten naar een film, naar dan moet er daarna iets over die tekst of film gezégd worden, liefst over een ‘thema’ dat erin voorkomt. Als er in die tekst of film bijvoorbeeld legers met elkaar slaags raken, dan kan daarover een socratisch gesprek rond het thema ‘oorlog’ worden opgezet. Ik deed dat zelf ook als het in mijn les over Shakespeares Henry The Fifth ging.
      In zo’n socratisch gesprek, of ex cathedra doceer-moment, komen dan allerlei ‘overtuigende’ argumenten en analyses naar voren, en dat is prima. Maar die hebben weinig met de tekst of met de film te maken. Het ‘thema’ of de
‘boodschap is meestal het minst interessante aspect van een boek of film, maar het is wel het gemakkelijkste om over te praten. En eigenlijk praat je dan over wat je bij Clausewitz of Mearsheimer of desnoods Tom Sauer gelezen hebt. Tekst of film zijn slechts de aanleiding voor een uitleg.


‘De goden zijn weggelaten’
     Wilson heeft ook een groot aantal tegenstrijdigheden ontdekt in Nolans film. Sommige wil ze nog erkennen als ‘moral dilemma’s’ of ‘moral contradictions’ die de regisseur vergeten heeft om uit te werken. Maar voor andere is ze strenger, zoals die in de behandeling van de godenwereld: 

It’s a challenge to represent deities on film without veering into Clash of the Titans silliness, so Nolan may have been sensible to leave them out. Even Zendaya’s underwritten Athena turns out to be a vulnerable victim of war, or perhaps a projection of Odysseus’ conscience – not a scheming and bloodthirsty war goddess. Other goddesses appear in cameo – Calypso, the seal-lady Sirens, Circe, Scylla and Charybdis – but there is no sign that we are supposed to realise they are goddesses. Poseidon, Hermes and Helius do not appear in person, although there are some scary storms and shipwrecks … But the film wants to have it both ways. There are no gods, and yet shipwrecks and death are presented as the inevitable consequence of blinding the son of Poseidon and devouring the Cattle of the Sun. Zeus’ law is portrayed as being crucially important, and yet there is no Zeus.

      ‘The film wants to have it both ways …’ Dat is alweer een onredelijke kritiek. Vooreerst, het was de Griekse mythologie zelf die vol contradicties zat. Hun goden waren tegelijk helden en natuurkrachten, wetgevers en sprookjesfiguren, moralisten en egoïsten, raadgevers en tirannen. En dan leverden ze ook nog eens de verklaring voor menselijke handelingen. Ik kan mij bij die goden niets voorstellen en ik weet ook niet welke voorstelling de Grieken zich van die goden maakten. Zagen ze een gele schijf als ze naar de zon keken, of leek die voor hen echt een beetje op een brandende strijdwagen? Hoe moet ik mij de riviergod Xanthos in boek XXI van de Ilias visueel voorstellen?  Een man met een baard? Een overstroming die báng is van vuur?
 
     De visie van Nolan schept orde in die chaos. De sprookjesfiguren blijven behouden: monsters, sirenen, waarzeggers, geesten en tovenaressen. Maar of de ontketende natuurkrachten die Odysseus bedreigen werkelijk een straf van de goden zijn, blijft in het midden. De Grieken geloven het, Odysseus gelooft het half, en de kijker in de zaal is al lang blij dat de realistische beelden van een storm niet verknoeid worden door ‘Clash of the Titans silliness’.
     Wilson interpreteert de godin Athena terecht als een metafoor voor Odysseus’ geweten en als een symbool van de oorlogsslachtoffers. Ze had Nolan voor die vondst minstens kunnen feliciteren, én voor de emotionele kracht van het moment waarop de betekenis van het symbool duidelijk wordt. In plaats daarvan noemt Wilson de rol van Athena ‘underwritten’***. De academica gelijkt hier op een diva die het belang van een toneelrol afleest uit het aantal lijnen die ze op het podium mag debiteren. Van iemand die zoveel kritiek heeft op het ongeremde spektakel dat Nolan brengt – ‘unrestrained lights and noise’ –  hadden we enige appreciatie mogen verwachten voor de gehanteerde understatement die Zendaya’s rol niet minimaliseert maar juist extra in de verf zet.

‘Het perspectief van de slachtoffers ontbreekt’
     Niet elke kritiek van Wilson is geheel en al onredelijk. Zo schrijft ze over de vernietiging van Troje: 

 We are not shown that war or killing are bad, only that good men sometimes feel bad about it – a very different point … Serious depiction of violence, ancient or modern, must show the perspectives of the victims as well as the perpetrators … The Trojans are dehumanised by their masks; we know none of them by name or face. We feel no pity or horror at the deaths of the victims, whether Trojans, giants, suitors or slaves.

     Het is mooi verwoord – ‘that good men sometimes feel bad about it’ – en met die helmen als maskers heeft Wilson misschien een punt. Maar als ze de emotionele impact van de slachtpartijen aangericht onder de schaamteloze vrijers en onder de onschuldige Trojaanse burgers aan elkaar gelijkstelt, zullen weinig kijkers haar kunnen volgen, ondanks het manipulerende ‘we feel’. Wat had Wilson gewild? Dat we vóór de Griekse aanval een aantal taferelen hadden gezien van liefdevolle Trojaanse gezinnen gezeten rond het haardvuur? Ik ben blij dat Nolan dat cliché vermeden heeft.
     In werkelijkheid kun je onrecht en wreedheid zowel overbrengen vanuit het standpunt van de slachtoffers (Saïdjah en Addinda), vanuit het standpunt van een geschokte getuige (Small Things Like These) of vanuit het standpunt van de dader (Zone of Interest). Het is aan de schrijver en regisseur om daarover te beslissen en het is aanmatigend van de criticus om voor te schrijven welke keuzes hadden moeten worden gemaakt. ‘Must show the perspective of the victims’ … lijkt mij in een artistieke context niet meer dan een woke dogma.

‘De gekoloniseerde cycloop’
     Zonder het woke paradigma blijven sommige verwijten van Wilson trouwens moeilijk te plaatsen. Ik had het eerst moeilijk om te begrijpen waar ze naartoe wilde met wat ze schrijft over de cycloop. 

 In the movie Odysseus doesn’t have to outwit Polyphemus because the Cyclops is a puppet who has no wits. Nolan’s grunting one-eyed giant is referred to as ‘it’, barely speaks, doesn’t get drunk and has neither neighbours nor a favourite sheep.

     Maar Polyfemus is een mensenetende reus! Had Nolan hier ook al een genuanceerd personage van moeten maken? Hebben we hier het zoveelste verwijt dat de film onvoldoende overeenstemt met alle details van het boek? Welnee, het heeft blijkbaar met de woke ideologie te maken.
      In 2020, tijdens de Black Lives Matter-betogigen, gaf Wilson een interview aan een studententijdschrift van de University of Pensylvania waar ze lesgeeft. De titel van het interview verraadt al iets van de strekking. ‘The Translation and Reception of BIPOC Voices in Classical Literature,’ waarbij BIPOC de afkorting is van Black, Indigenous, and People of Color****. Wat Wilson over haar vertaalwerk vertelt, is interessant en genuanceerd*****, maar als ze het over de receptie van de klassieken heeft, wordt duidelijk hoever ze in de woke waanzin meegaat.         

 So, for example, in creating my version of Book 9 of the Odyssey, I felt very conscious that this is a text about a quasi-colonial encounter, between an indigenous person (the Cyclops) and an armed invader, who perceives his culture as superior to that of the native inhabitant … I have noticed that first-time readers, even the brilliant Penn undergraduates I’ve taught, often seem to gloss over the ethical and narratological complexities of this encounter. I tried to make sure nobody … [is] looking only through Odysseus’ perspective, [viewing] the indigenous cave-dweller … unambiguously [as] a fairy-tale monster, not a person.  The Cyclops is very terrifying, because he eats people; but he’s not a monster.  He’s a person, and he’s defending himself and his home against invaders.

      Hier gaapt een kloof tussen Wilsons en mijn reactie. Ik zie Nolans cycloop en denk: tiens die heeft een verticaal oog, en Wilson ziet de cycloop en denkt: kolonialisme******. Ik heb er niets op tegen dat Wilson in haar vertaling spreekt over de cycloop als een ‘mens’, maar de gedachte dat de studenten nu worden lastiggevallen met een dekoloniserende lezing van een oud sprookje stemt mij droevig. Vroeger moesten ze de klassieke literatuur leren lezen door een marxistische bril, later door een freudiaanse bril met veel Oedipus-, Electra- en Orestes-complexen, en nu is het dít.

Literaire vertaling versus filmadaptatie
     Ik prijs mij gelukkig dat de woke-ideologie uiteindelijk zo’n kleine rol speelt in Wilsons negatieve recensie. Haar belangrijkste motieven moeten we geloof ik ergens anders zoeken. Slecht karakter misschien – altijd beter dan woke –, de wil om te schitteren – een zeer vergeeflijk gebrek dat ik met Wilson deel – en verder de gewoonten van een docente die zich in de aula wat kan permitteren, en de traditie binnen de literatuurwetenschap om te blijven zoeken en graven naar verborgen betekenissen. Een heel eerbaar motief is dat ze de film gewoon niet graag heeft gezien. Ik denk niet dat ze daarover liegt.
     Wat Wilson ook de parten speelt is dat ze Homerus en andere klassieke auteurs vertááld heeft. Ze beseft dus heel goed hoe moeilijk het is om getrouwheid aan het origineel te verzoenen met een onvermijdelijk eigen interpretatie van de tekst. Ze heeft talloze keren voor moeilijke keuzes gestaan die ze naar eer en geweten moest oplossen, en wel op zo’n manier dat het eindresultaat coherent was. Het heeft haar in haar ogen wellicht de expertise bezorgd om ook de interpretaties en keuzes van Nolan te beoordelen.
     Maar dat is een misverstand. De keuzes die moeten worden gemaakt bij een filmadaptatie zijn van een andere aard dan die bij een vertaling. De stap van hexameters naar pentameters, en de weglatingen en veranderingen in tempo die daar het gevolg van zijn, dat is allemaal veel minder radicaal dan de eis om een cycloop te tónen, of de noodzaak om honderden bladzijden met lange monologen te condenseren tot een drie uur durende film met korte replieken.
      En ook de coherentie-eisen voor een film zijn van een andere aard. Wilson spreekt over de Odyssee als kenner, maar over The Odyssey als leek. Ze schijnt niet te begrijpen dat de film tot het sandalen-genre behoort en dat zo’n genre bepaalde regels heeft. Je kunt enkele regels overtreden, zoals een Amerikaans accent geven aan de acteurs, maar je kunt niet alle regels tegelijk overtreden. Je moet oppassen met humor. Je kunt geen seksscènes in de film gooien, behalve in een pornografische parodie*******. En boven alles moet je het edele karakter van de protagonist respecteren, of het nu Ben-Hur of Spartacus of Maximus is. Je kunt je Odysseus niet modelleren, zoals Wilson elders voorstelde, aan Matt Damon in The Talented Mr. Ripley. Dat is een ander genre. Een vurige, impulsieve, ongecompliceerde protagonist als Brad Pitts Achilles kan wel werken in een episch genre. 


    Zei ik al dat Wilsons stuk een briljante mengeling is van eruditie, politieke ideologie, morele principes, esthetisch oordeel en literaire interpretatie, dat het elegant geschreven is en dat ik het graag gelezen heb? Dat vind ik nog altijd. Je persiste et je signe. 

 

 

* Het hele stuk van Wilson staat hier.

** Ik vind ‘complicated man’ een móóie vertaling. Inhoudelijk zou ik de homerische Odysseus een ‘veelkantige’ man noemen, maar zulke woorden moet je in een vertaling niet te vaak gebruiken.

*** Dat geldt ook voor de andere vrouwelijke rollen – Helena, Clytaemnestra, Calypso, Penelope – die Wilson allemaal schromelijk ‘underwritten’ vindt. 

**** Het interview met Wilson in de Black Lives Matter-context staat hier.

***** Vanuit woke standpunt vindt ze de homerische samenleving onrechtvaardig. Dat brengt haar ertoe om in haar vertaling de zaken scherp te formuleren in plaats van te verbloemen. Ze kiest bijvoorbeeld voor het woord ‘slaven’ in plaats van voor ‘knechten en meiden’. Dat is een zeer verdedigbare keuze. 

****** En zijn de Laestrygonen dan anti-imperialistische verzetsstrijders? vraag ik mij af. Als het moet kan ik mij ook door polemisch enthousiasme laten meeslepen. En dan mogen we blij zijn dat Wilson niets zegt over het gender-ambiguous karakter van Athena, wat ze wel doet in het interview met de studentenpublicatie. Overigens: Athena wás in de mythologie nogal ambigu. 

*******Men haalt wel eens aan dat de homerische Odysseus vaak ‘lustvol het bed deelt’ met verschillende vrouwen, waaronder Penelope zelf. Maar dat zijn bondige verwijzingen naar seks, zoals je die ook in de bijbel vindt. Voor anatomische details moet je naar de gevechtsscènes gaan, waarbij gespecificeerd wordt welk orgaan juist doorboord wordt. 



       

dinsdag 4 augustus 2026

The Odyssey: een academische reactie



     
De lijst van verschillen tussen Homerus’ Odysee en Nolans verfilming is eindeloos. Achilles in de onderwereld is weggelaten, Sinon is eraan toegevoegd, Athena is van Godin getransformeerd in een traumatische hallucinatie, en Calypso krijgt de strandscène van Nausicaä. De leek ziet enkele tientallen van die verschillen en is trots op zijn ontdekkingen, de academische classicus ziet er enkele duizenden en zucht vermoeid.
      Men zou verwachten dat de classicus zich boos zou maken over de veranderingen die Nolan heeft aangebracht. Maar het is best meegevallen. Sommigen gaan zelfs enthousiast op zoek naar gelijkenissen en echo’s die vanuit het origineel in de film terechtgekomen zijn. Men is Nolan dankbaar omdat hij de interesse voor Griekse oudheid aanwakkert, men is bescheiden over de eigen kennis van het filmvak, en men is bang om als pedante pretbederver te worden weggezet.
      Een opvallende uitzondering is professor en Homerus-vertaalster Emily Wilson. Die is geloof ik van aanleg niet erg dankbaar, bescheiden of bang. Ze is vooral heel slim en hanteert meesterlijk de suggestie. Ik heb in mijn vorig stuk haar mening geciteerd over de mulitraciale casting: dat Nolan lang niet ‘progressief’ genoeg is geweest, waarbij ze mooi in het midden laat wat de regisseur dan wel had moeten doen.
       Het stuk van Wilson is gepubliceerd in de Londen Review of Books*, bevat meer dan 4.000 woorden, en is een briljante mengeling van eruditie, politieke ideologie, morele principes, esthetisch oordeel en literaire interpretatie. Ik heb het graag gelezen. Het is elegant geschreven. Neem als voorbeeld haar conclusie over de film.

It lacks psychological, emotional, political and ethical depth. Its narrative structure is gimmicky. The writing is abysmal. None of the characters has convincing motivation for their actions or words. There are no sex scenes, and all the food looks horrible.

     Dat is ritmisch proza, van iemand die zich jaren getraind heeft door Homerus te vertalen in jambische pentameters. Maar het is ook een heel onrechtvaardig oordeel en de stijlspanning berust vooral op  overdrijvingen. Wilson noemt Odysseus ergens een reluctant warlord en spreekt over de earthy vigour van Circe. Dat zijn twee treffende typeringen. Maar dan schrijft ze over dezelfde Circe:

She uses a labour-intensive form of plastic surgery to turn Odysseus’ greedy men into the pigs they already are.     

Zoiets is het effectbejag. Plastic surgery … Een essayist mag zoiets schrijven, maar hij moet de vondst bij herlezing schrappen. En wat moeten we denken van de volgende beschrijving: 

 There are … technically impressive episodes in which buildings are engulfed in flames and vehicles explode.

     Een andere classicus, Theo Nash, merkte daarover op dat er in de hele film geen enkel voertuig ontploft, en hij vraagt zich af of Wilson wel dezelfde film gezien heeft als de rest van het publiek. Ik stel mij een andere vraag. Is Wilson het soort auteur dat zich laat meeslepen door polemisch enthousiasme en daarbij veel van haar zin voor nauwkeurigheid, nuance en zelfkritiek verliest?
      Het einde en het begin van Wilsons stuk bevatten wat flauwe complimentjes voor de film – haar kinderen hebben hem graag gezien, hij is niet vervelend, het was lekker koel in de zaal, de bioscopen en de klassieke studies kunnen er wel bij varen – maar het hele middenstuk is zo negatief dat haast elk neutrale vaststelling die erin voorkomt onvermijdelijk op kritiek gaat lijken, en wellicht ook zo bedoeld is. Ze schrijft bijvoorbeeld over de rol van rapper Travis Scott:

Scott, as the Ithacan bard, Phemius, yells a few words and pounds a stick, but does not get to sing, tell a story or play the lyre.

     Daarmee stelt Wilson een zoveelste verschil vast tussen de tekst van Homerus en de film van Nolan. Maar door de negatieve context zweemt die vaststelling naar kritiek, en het vastgestelde verschil wordt op die manier een gebrek. Nolan had Scott moeten laten vertellen, zingen en op de lier spelen, suggereert Wilson, alleen schrijft ze het niet; en ze heeft gelijk dat ze het niet schrijft. We kunnen ons gemakkelijk voorstellen hoe oubollig zo’n scène met zang, declamatie en lier zou zijn geweest. Stanley Kubrick heeft het geprobeerd in Spartacus, zonder al te veel succes.
      De eerlijkheid gebiedt mij eraan toe te voegen dat de zojuist geciteerde zin over Travis Scott gevolgd wordt door één van de drie échte complimentjes voor Nolan. Wilson schrijft:

The most melodic note in the percussive soundtrack comes from the plucking of Odysseus’ bow, a beautiful sonic image of the archer as musician, borrowed from the poem.

      Het tweede complimentje is als ze schrijft over het ‘clever set design that separates the women’s quarters from the main hall.’  En het derde complimentje betreft een ‘favourite moment’ als de godin Athena zegt: ‘Who doesn’t understand thunder? Fire?’ Al de rest van de film deugt niet. Het paard is kitsch, de hond van Odysseus wordt beter geregisseerd dan de acteurs, en het eten ziet er, zoals reeds aangehaald, walgelijk uit.
     Wilson schrijft terloops dat ze ook de andere films van Nolan, die niet over haar vakgebied gaan, maar matig kan appreciëren. Het is goed dat ze dat toegeeft. Zelf ben ik ook geen onverdeelde bewonderaar van Nolan. The Prestige vond ik bij een eerste visie vervelend, en bij een tweede visie aangrijpend. Bij Batman Begins was dat omgekeerd. Ik heb daar geen verklaring voor. Wilson daarentegen heeft verklaringen in overvloed.
     Haar aanpak is dubbel. Enerzijds wil ze de film beoordelen op zijn eigen merites, maar anderzijds kan ze het niet laten om voortdurend te vergelijken met het ‘origineel.’ Die dubbele aanpak leidt tot steeds dezelfde conclusie: de film is oppervlakkig, hol en inconsistent, terwijl het ‘origineel’ meerlagig, complex en samenhangend is.
      Het begint al bij de titel van het essay: An Uncomplicated Man terwijl Wilsons eigen vertaling begint met de spitsvondige jambische pentameter ‘Sing, O muse, of a complicated man.’ Ze vindt het karakter van Homerus’ Odysseus ‘complex’ en dat van Nolans Odysseus ‘underdevelopped’. In werkelijkheid is het omgekeerd. Het is de ‘originele’ Odysseus die complexiteit mist omdat Homerus niet erg geïnteresseerd is in zoiets moderns als de psychologie van de personages. Odysseus krijgt gewoon per scène de karaktertrekken en motivaties die nodig zijn voor een of andere handeling, en die handelingen komen op hun beurt uit heterogene sprookjes die eeuwenlang werden doorverteld alvorens ze in één mozaïek werden samengebracht. De Odysseus van Nolan daarentegen is waarlijk een 
complexe man in een typisch moderne betekenis van het woord: gekweld**.
    Wilson heeft het talent van de literatuurwetenschapper om in de homerische personages – vooral de vrouwen –  van alles te lezen wat er niet staat. Als Penelope haar droom vertelt over de terugkeer van haar man weent ze. Wilson schrijft de tranen toe aan tegenstrijdige gevoelens over die terugkeer. Ik zou niet weten waarom. Die personages van Homerus schreien gewoon nogal gemakkelijk. Ook hier zie ik het omgekeerd. Het is Anne Hathaway vind ik die met weinig middelen enige tegenstrijdigheid en zelfs opstandigheid in de houding van Penelope weet te leggen.
      Of neem de Calypso-episode. Wilson had, zoals Mary Beard, in die scène liever wat stomende seks gezien. Ze betreurt dat Calypso’s klacht over de dubbele seksuele moraal is weggevallen: mannelijke goden mogen seks hebben met vrouwelijke stervelingen, maar als godinnen seks willen hebben met mannelijke stervelingen, komt er uiteindelijk een verbod van Zeus.
     Ik kan mij inderdaad goed voorstellen dat de klacht over de dubbele moraal ook al in Homerus’ tijd bestond. Nolan heeft die weggelaten omdat hij Calypso een heel andere rol toebedeelt. Maar dan gaat Wilson uitleggen dat Calypso’s klacht bij Homerus ook een komisch accent heeft. Hier wreekt zich het feit dat Wilson niet alleen de klassieken bestudeert en vertaalt, maar ook onderwijst. Het is één ding om in de aula te wijzen op tegenstrijdigheden in een tekst, tegenstrijdigheden die, zo men wil, komisch zijn; het is iets helemaal anders om te veronderstellen dat die tegenstrijdigheden ook een komisch effect hadden voor de contemporaine toehoorders.
      Wilson stelt vast dat Nolan enkele thema’s van Homerus bewust of onbewust overneemt, maar vindt dat de uitwerking ervan ondermaats is.

But the film’s vision is too confused … Nolan’s Odyssey lacks many of the elements that make the poem great. It has nothing convincing to say about time, memory, history, war, or about the relationship between one warrior’s glorious return and the lives of his family, adversaries, comrades, friends and neighbours.

      Wat moet ik mij voorstellen bij een film die iets ‘overtuigends’ te zeggen heeft over bijvoorbeeld oorlog? Heeft  Im Westen nichts Neues iets ‘overtuigends’ over oorlog te zeggen. Of Paths of Glory? Of Loin du Vietnam? En heeft de Odyssee zelf iets ‘overtuigends’ te zeggen? Ik zou niet weten wat. Als ik de laatste zinnen van het epos correct interpreteer is de ‘boodschap’ dat ruzie allemaal goed en wel is, maar dat er op een bepaald moment een einde aan moet komen. Is dat een ‘overtuigende’ boodschap? 
     In het verwijt dat de film niets ‘overtuigends’ te zeggen heeft over een of ander ‘thema’, horen we weer de stem van de universitaire docente. Ze leest met de studenten een tekst, of kijkt met de studenten naar een film, naar dan moet er daarna iets over die tekst of film gezégd worden, liefst over een ‘thema’ dat erin voorkomt. Als er in die tekst of film bijvoorbeeld legers met elkaar slaags raken, dan kan daarover een socratisch gesprek rond het thema ‘oorlog’ worden opgezet. Ik deed dat zelf ook als het in mijn les over Shakespeares Henry The Fifth ging.
      In zo’n socratisch gesprek, of ex cathedra doceer-moment, komen dan allerlei ‘overtuigende’ argumenten en analyses naar voren, en dat is prima. Maar die hebben weinig met de tekst of met de film te maken. Het ‘thema’ of de 
‘boodschap is meestal het minst interessante aspect van een boek of film, maar het is wel het gemakkelijkste om over te praten. En eigenlijk praat je dan over wat je bij Clausewitz of Mearsheimer of desnoods Tom Sauer gelezen hebt. Tekst of film zijn slechts de aanleiding voor een uitleg.
     Wilson heeft ook een groot aantal tegenstrijdigheden ontdekt in Nolans film. Sommige wil ze nog erkennen als ‘moral dilemma’s’ of ‘moral contradictions’ die de regisseur vergeten heeft om uit te werken. Maar voor andere is ze strenger, zoals die in de behandeling van de godenwereld: 

It’s a challenge to represent deities on film without veering into Clash of the Titans silliness, so Nolan may have been sensible to leave them out. Even Zendaya’s underwritten Athena turns out to be a vulnerable victim of war, or perhaps a projection of Odysseus’ conscience – not a scheming and bloodthirsty war goddess. Other goddesses appear in cameo – Calypso, the seal-lady Sirens, Circe, Scylla and Charybdis – but there is no sign that we are supposed to realise they are goddesses. Poseidon, Hermes and Helius do not appear in person, although there are some scary storms and shipwrecks … But the film wants to have it both ways. There are no gods, and yet shipwrecks and death are presented as the inevitable consequence of blinding the son of Poseidon and devouring the Cattle of the Sun. Zeus’ law is portrayed as being crucially important, and yet there is no Zeus.

      ‘The film wants to have it both ways …’ Dat is alweer een onredelijke kritiek. Vooreerst, het was de Griekse mythologie zelf die vol contradicties zat. Hun goden waren tegelijk helden en natuurkrachten, wetgevers en sprookjesfiguren, moralisten en egoïsten, raadgevers en tirannen. En dan leverden ze ook nog eens de verklaring voor menselijke handelingen. Ik kan mij bij die goden niets voorstellen en ik weet ook niet welke voorstelling de Grieken zich van die goden maakten. Zagen ze een gele schijf als ze naar de zon keken, of leek die voor hen echt een beetje op een brandende strijdwagen? Hoe moet ik mij de riviergod Xanthos in boek XXI van de Ilias visueel voorstellen?  Een man met een baard? Een overstroming die báng is van vuur?
 
     De visie van Nolan schept orde in die chaos. De sprookjesfiguren blijven behouden: monsters, sirenen, waarzeggers, geesten en tovenaressen. Maar of de ontketende natuurkrachten die Odysseus bedreigen werkelijk een straf van de goden zijn, blijft in het midden. De Grieken geloven het, Odysseus gelooft het half, en de kijker in de zaal is al lang blij dat de realistische beelden van een storm niet verknoeid worden door ‘Clash of the Titans silliness’.
     Wilson interpreteert de godin Athena terecht als een metafoor voor Odysseus’ geweten en als een symbool van de oorlogsslachtoffers. Ze had Nolan voor die vondst minstens kunnen feliciteren, én voor de emotionele kracht van het moment waarop de betekenis van het symbool duidelijk wordt. In plaats daarvan noemt Wilson de rol van Athena ‘underwritten’***. De academica gelijkt hier op een diva die het belang van een toneelrol afleest uit het aantal lijnen die ze op het podium mag debiteren. Van iemand die zoveel kritiek heeft op het ongeremde spektakel dat Nolan brengt – ‘unrestrained lights and noise’ –  hadden we enige appreciatie mogen verwachten voor de gehanteerde understatement die Zendaya’s rol niet minimaliseert maar juist extra in de verf zet.
     Niet elke kritiek van Wilson is geheel en al onredelijk. Zo schrijft ze over de vernietiging van Troje: 

 We are not shown that war or killing are bad, only that good men sometimes feel bad about it – a very different point … Serious depiction of violence, ancient or modern, must show the perspectives of the victims as well as the perpetrators … The Trojans are dehumanised by their masks; we know none of them by name or face. We feel no pity or horror at the deaths of the victims, whether Trojans, giants, suitors or slaves.

     Het is mooi verwoord – ‘that good men sometimes feel bad about it’ – en met die helmen als maskers heeft Wilson misschien een punt. Maar als ze de emotionele impact van de slachtpartijen aangericht onder de schaamteloze vrijers en onder de onschuldige Trojaanse burgers aan elkaar gelijkstelt, zullen weinig kijkers haar kunnen volgen, ondanks het manipulerende ‘we feel’. Wat had Wilson gewild? Dat we vóór de Griekse aanval een aantal taferelen hadden gezien van liefdevolle Trojaanse gezinnen gezeten rond het haardvuur? Ik ben blij dat Nolan dat cliché vermeden heeft.
     In werkelijkheid kun je onrecht en wreedheid zowel overbrengen vanuit het standpunt van de slachtoffers (Saïdjah en Addinda), vanuit het standpunt van een geschokte getuige (Small Things Like These) of vanuit het standpunt van de dader (Zone of Interest). Het is aan de schrijver en regisseur om daarover te beslissen en het is aanmatigend van de criticus om voor te schrijven welke keuzes hadden moeten worden gemaakt. ‘Must show the perspective of the victims’ … lijkt mij in een artistieke context niet meer dan een woke dogma.
     Zonder het woke paradigma blijven sommige verwijten van Wilson trouwens moeilijk te plaatsen. Ik had het eerst moeilijk om te begrijpen waar ze naartoe wilde met wat ze schrijft over de cycloop. 

 In the movie Odysseus doesn’t have to outwit Polyphemus because the Cyclops is a puppet who has no wits. Nolan’s grunting one-eyed giant is referred to as ‘it’, barely speaks, doesn’t get drunk and has neither neighbours nor a favourite sheep.

     Maar Polyfemus is een mensenetende reus! Had Nolan hier ook al een genuanceerd personage van moeten maken? Hebben we hier het zoveelste verwijt dat de film onvoldoende overeenstemt met alle details van het boek? Welnee, het heeft blijkbaar met de woke ideologie te maken.
      In 2020, tijdens de Black Lives Matter-betogigen, gaf Wilson een interview aan een studententijdschrift van de University of Pensylvania waar ze lesgeeft. De titel van het interview verraadt al iets van de strekking. ‘The Translation and Reception of BIPOC Voices in Classical Literature,’ waarbij BIPOC de afkorting is van Black, Indigenous, and People of Color****. Wat Wilson over haar vertaalwerk vertelt, is interessant en genuanceerd*****, maar als ze het over de receptie van de klassieken heeft, wordt duidelijk hoever ze in de woke waanzin meegaat.         

 So, for example, in creating my version of Book 9 of the Odyssey, I felt very conscious that this is a text about a quasi-colonial encounter, between an indigenous person (the Cyclops) and an armed invader, who perceives his culture as superior to that of the native inhabitant … I have noticed that first-time readers, even the brilliant Penn undergraduates I’ve taught, often seem to gloss over the ethical and narratological complexities of this encounter. I tried to make sure nobody … [is] looking only through Odysseus’ perspective, [viewing] the indigenous cave-dweller … unambiguously [as] a fairy-tale monster, not a person.  The Cyclops is very terrifying, because he eats people; but he’s not a monster.  He’s a person, and he’s defending himself and his home against invaders.

      Hier gaapt een kloof tussen Wilsons en mijn reactie. Ik zie Nolans cycloop en denk: tiens die heeft een verticaal oog, en Wilson ziet de cycloop en denkt: kolonialisme******. Ik heb er niets op tegen dat Wilson in haar vertaling spreekt over de cycloop als een ‘mens’, maar de gedachte dat de studenten nu worden lastiggevallen met een dekoloniserende lezing van een oud sprookje stemt mij droevig. Vroeger moesten ze de klassieke literatuur leren lezen door een marxistische bril, later door een freudiaanse bril met veel Oedipus-, Electra- en Orestes-complexen, en nu is het dít.
     Ik prijs mij gelukkig dat de woke-ideologie uiteindelijk zo’n kleine rol speelt in Wilsons negatieve recensie. Haar belangrijkste motieven moeten we geloof ik ergens anders zoeken. Slecht karakter misschien – altijd beter dan woke –, de wil om te schitteren – een zeer vergeeflijk gebrek dat ik met Wilson deel – en verder de gewoonten van een docente die zich in de aula wat kan permitteren, en de traditie binnen de literatuurwetenschap om te blijven zoeken en graven naar verborgen betekenissen. Een heel eerbaar motief is dat ze de film gewoon niet graag heeft gezien. Ik denk niet dat ze daarover liegt.
     Wat Wilson ook de parten speelt is dat ze Homerus en andere klassieke auteurs vertááld heeft. Ze beseft dus heel goed hoe moeilijk het is om getrouwheid aan het origineel te verzoenen met een onvermijdelijk eigen interpretatie van de tekst. Ze heeft talloze keren voor moeilijke keuzes gestaan die ze naar eer en geweten moest oplossen, en wel op zo’n manier dat het eindresultaat coherent was. Het heeft haar in haar ogen wellicht de expertise bezorgd om ook de interpretaties en keuzes van Nolan te beoordelen.
     Maar dat is een misverstand. De keuzes die moeten worden gemaakt bij een filmadaptatie zijn van een andere aard dan die bij een vertaling. De stap van hexameters naar pentameters, en de weglatingen en veranderingen in tempo die daar het gevolg van zijn, dat is allemaal veel minder radicaal dan de eis om een cycloop te tónen, of de noodzaak om honderden bladzijden met lange monologen te condenseren tot een drie uur durende film met korte replieken.
      En ook de coherentie-eisen voor een film zijn van een andere aard. Wilson spreekt over de Odyssee als kenner, maar over The Odyssey als leek. Ze schijnt niet te begrijpen dat de film tot het sandalen-genre behoort en dat zo’n genre bepaalde regels heeft. Je kunt enkele regels overtreden, zoals een Amerikaans accent geven aan de acteurs, maar je kunt niet alle regels tegelijk overtreden. Je moet oppassen met humor. Je kunt geen seksscènes in de film gooien, behalve in een pornografische parodie*******. En boven alles moet je het edele karakter van de protagonist respecteren, of het nu Ben-Hur of Spartacus of Maximus is. Je kunt je Odysseus niet modelleren, zoals Wilson elders voorstelde, aan Matt Damon in The Talented Mr. Ripley. Dat is een ander genre. Een vurige, impulsieve, ongecompliceerde protagonist als Brad Pitts Achilles kan wel werken in een episch genre. 

    Zei ik al dat Wilsons stuk een briljante mengeling is van eruditie, politieke ideologie, morele principes, esthetisch oordeel en literaire interpretatie, dat het elegant geschreven is en dat ik het graag gelezen heb? Dat vind ik nog altijd. Je persiste et je signe. 

 

 

* Het hele stuk van Wilson staat hier.

** Ik vind ‘complicated man’ een móóie vertaling. Inhoudelijk zou ik de homerische Odysseus een ‘veelkantige’ man noemen, maar zulke woorden moet je in een vertaling niet te vaak gebruiken.

*** Dat geldt ook voor de andere vrouwelijke rollen – Helena, Clytaemnestra, Calypso, Penelope – die Wilson allemaal schromelijk ‘underwritten’ vindt. 

**** Het interview met Wilson in de Black Lives Matter-context staat hier.

***** Vanuit woke standpunt vindt ze de homerische samenleving onrechtvaardig. Dat brengt haar ertoe om in haar vertaling de zaken scherp te formuleren in plaats van te verbloemen. Ze kiest bijvoorbeeld voor het woord ‘slaven’ in plaats van voor ‘knechten en meiden’. Dat is een zeer verdedigbare keuze. 

****** En zijn de Laestrygonen dan anti-imperialistische verzetsstrijders? vraag ik mij af. Als het moet kan ik mij ook door polemisch enthousiasme laten meeslepen. En dan mogen we blij zijn dat Wilson niets zegt over het gender-ambiguous karakter van Athena, wat ze wel doet in het interview met de studentenpublicatie. Overigens: Athena wás in de mythologie nogal ambigu. 

*******Men haalt wel eens aan dat de homerische Odysseus vaak ‘lustvol het bed deelt’ met verschillende vrouwen, waaronder Penelope zelf. Maar dat zijn bondige verwijzingen naar seks, zoals je die ook in de bijbel vindt. Voor anatomische details moet je naar de gevechtsscènes gaan, waarbij gespecificeerd wordt welk orgaan juist doorboord wordt.