vrijdag 11 september 2026

Leesvaardigheid: Demir, Verhoeven, D'hanis


Karel Verhoeven 
     Bij een van mijn jongste blogstukjes kreeg ik een interessante vraag. Een lezer had opgemerkt dat ik mij vaak kritisch over De Standaard uitlaat. Hij vroeg zich af of ik in staat zou zijn een goed stuk in De Standaard te prijzen zonder mitsen of maren. Ik denk dat ik dat in het verleden wel eens gedaan heb, maar bij de commentaren blijft het moeilijk. In De Standaard worden die geschreven vanuit een welbepaalde ideologie. Zelfs als ik het eens ben met de algemene strekking, is er altijd wel minstens één linksliberale slak waar ik graag wat conservatief-liberaal zout over strooi.
   
     Met het laatste stuk van Karel Verhoeven (DS 10/9) ligt het enigszins anders. Daar slaat de hoofdredacteur zelfs een conservatieve toon aan en hij heeft zelfs zuinige lof over voor Zuhal Demir, terwijl die overal elders in de pers vooral kritiek te slikken krijgt.

                                                    ***

     Die Demir-kritiek kan overigens gemakkelijk met uitlatingen van ontevreden leraren worden geïllustreerd. Leraren zijn altijd ontevreden over hun minister en over ‘Brussel’ in het algemeen. Ik heb één leraar gekend die iets positiefs zei over een directeur van de Guimardstraat. Dat was toen Mieke van Hecke. Zij zag eruit, vond hij, als een katholiek van de oude stempel. Zelf heb ik tweemaal iets positief geschreven over Hilde Crevits omdat die althans in haar uitspraken voorzichtig tegen de centraal opgelegde nivellering van de jaren ervoor. En Weyts, vond ik, probéérde ten minste om de scholen open te houden tijdens Covid. Maar wie zegt iets positiefs over Demir behalve haar ex-leraar Grieks, mijn FB-vriend ‘Mel Bergbewoner’?
      Een mooi voorbeeld van negatieve commentaar was de lezersbrief van lerares en zij-instroomster Annelies Pandelaers (DS 3/9). Zij heeft recht van klagen want ze ze vindt geen vaste baan. Vorig schooljaar fladderde ze van de ene vervangingsopdracht naar de andere. Nu heeft ze, begin september, ondanks talloze sollicitaties weer geen werk. Op veel scholen werd ze niet eens uitgenodigd, en op andere scholen moest ze het afleggen tegen kandidaten met meer anciënniteit. Ik prijs mij gelukkig dat ik dat niet heb moeten meemaken, 35 jaar geleden.
      De lerares neemt dan drie maatregelen van Demir op de korrel. Ik heb ze in onderstaand citaat genummerd:

(1) Door de hogere inschrijvingskosten voor ‘hobby-opleidingen’ in het volwassenenonderwijs  vloeiden vastbenoemde leerkrachten terug naar het middelbaar. (2) De besparingen op werkingsmiddelen voor scholen noopten directies ertoe grotere klassen te vormen – weer minder leerkrachten nodig. (3) Met allerlei ‘leerkrachten terug voor de klas’-initiatieven werden mensen uit verlofstelsels en terbeschikkingstellingen gehaald. En de jonge, frisse krachten in het onderwijs? Wij vallen uit de boot.

      De conclusie van de briefschrijfster is dan ook letterlijk: ‘Hou nu eens op over dat lerarentekort.’ En verder: ‘Met een aantal besparingen heeft … Zuhal Demir het lerarentekort in het onderwijs opgelost.’ Het is als kritiek bedoeld, maar ondertussen weet ik het nu ook, zonder dat het ooit het hoofditem op Het Nieuws geweest is. Ik had er zelf nooit aan gedacht dat het snoeiwerk in de hobby-opleidingen – ik volg er zelf een – en de besparingen op werkingsmiddelen het zo vaak bejammerde lerarentekort zou verminderen.
      Een ander voorbeeld van de negatieve commentaar vond ik op FB-pagina Wims opinie over binnenlandse en buitenlandse politiek. Wim is net als ik een conservatief-liberaal, maar met een groter schipper-aan-wal gehalte. Zijn stuk van 30 augustus – volgens Pangram 24 % Wim en 76 % chatbot – heeft de veelzeggende titel: ‘Zuhal Demir, de grootste brokkenpiloot van de N-VA.’ 

                                                                  ***    

     Maar terug nu naar Karel Verhoeven. De lerares en Wim en de de chatbot sommen allerlei Demir-maatregelen op maar besteden weinig aandacht aan de context en de algemene lijn. En dat is nu precies wat Verhoeven wel doet: hij plaatst de maatregelen in de context van de digitale media en van de verminderde leesvaardigheid die er het gevolg van is. Hij gelooft terecht dat niet alleen de aandachtsspanne, maar ook de cognitieve mogelijkheden en culturele attitudes in het geding zijn*. 
      De conclusie van Verhoeven kan ik in elk geval zonder mitsen en maren bijtreden: 

 Defaitisme is geen optie. Dat is het wervende aan de tegenbeweging waarmee minister van Onderwijs Zuhal Demir het hele onderwijsveld op sleeptouw neemt. De remedie is om het onderwijs van veertig jaar geleden terug te brengen. Meer orde, structuur, discipline, tucht, kennis en prestatiedruk. Het ‘kennisrijk curriculum’ is nu onbetwist het doel. Als dat het beste idee is, vooruit dan. Misschien wordt dat wel de houding die we op veel plekken in onze cultuur moeten stimuleren. Hard werken om een autonomie van denken te ontwikkelen als antidotum tegen algoritmes en AI.

     We kunnen even schrikken als een progressieve hoofdredacteur met zoveel woorden durft zeggen dat we de klok veertig jaar moeten terugdraaien. Ik hoorde mijn directie altijd beweren dat de klok niét kon worden teruggedraaid. Maar Verhoeven heeft gelijk. Conservatisme dient niet alleen om al te snelle vooruitgang af te remmen, zodat het wat draaglijk wordt voor de mensen, het kan ook dienen als, zoals hij dat noemt, een antidotum. Een antidotum is niet hetzelfde als een rem. Het is een compensatie, een antwoord op een nieuw probleem waarvoor men  enigszins paradoxaal  naar een oude remedie teruggrijpt. Een oude traditie krijgt een nieuwe betekenis en wint aan belang door de veranderde context. Als we alleen nog tikken op klavieren, zou het bijvoorbeeld interessant kunnen zijn om op school weer meer aandacht te besteden aan schoonschrift. Ik zeg maar iets. En als AI alles makkelijker maakt, moeten we het onszelf en onze kinderen moeilijk durven maken. 
     Er is nog iets anders dat verwonderlijk aan de woorden van Verhoeven. Hier hebben we vooraanstaand lid van de links-liberale elite ouderwetse deugden als ‘orde, structuur, discipline, tucht, kennis en prestatiedruk’ aanprijst. Maar zó verwonderlijk is het ook weer niet. Die mensen hebben altijd die deugden zelf beoefend, want zonder discipline, tucht en kennis hadden ze het nooit tot vooraanstaand lid van de elite gebracht. Mensen als Verhoeven geloven van nature dat je hard moet werken om in het leven te slagen. Alleen hebben ze dat lange tijd niet durven zeggen of te denken omdat het haaks stond op hun egalitarisme. Ze waren bang – misschien niet helemaal ten onrechte – dat ‘harteloos rechts’ de redenering zou omdraaien en iedereen die niét slaagde in het leven zou verwijten niet hard genoeg gewerkt te hebben. Ze waren bang om elitèèèr*** over te komen. Ze waren bang om van victim blaming beschuldigd te worden.
      Maken we een nu een kentering mee? Zal de elite weer durven de deugden te propageren waar ze zelf naar leeft? Dat de krant waarin Guy Tegenbos gedurende zoveel jaren de onderwijsnivellering predikte het vandaag opneemt voor het kennisrijk curriculum en de prestatiedruk, vind ik hoopvol. De school kan niet zo verschrikkelijk veel doen aan het algemeen ‘welbevinden’ van de leerlingen, nog aan de kloof tussen slim en dom en tussen arm en rijk***. Maar kennis doorgeven kan ze wel. Ze heeft dat in het verleden bewezen. 

Op de FB-pagina van Geraard Goossens vindt men bijvoorbeeld een grondige tekst van filosoof Martin Lenz over sociale media-teksten die volgens hem meer met de orale dan met de schrift-cultuur te maken hebben. En wat Pinker over lees- en beeldcultuur vertelt, heb ik eerder al geciteerd: zie hier.

** Uiteraard heeft de ‘democratisering’ van het onderwijs één soort kloof gedicht tussen arm en rijk. Maar dié kloof kan maar één keer gedicht worden. 

*** De schrijfwijze leen ik van FB-vriend Herman Jacobs. 


Frank D’hanis en de leesvaardigheid
     Ook D’hanis zou graag hebben dat de jonge mensen meer lezen. Hij stimuleert zijn zoon om te lezen en zal hem daarom tot aan zijn puberteit geen gsm geven. Hij heeft de directrice van de lagere school van zijn zoon een ‘gsm-pact’ proberen aan te praten: een oproep aan alle ouders om hun kind geen ontlezing veroorzakende gsm te geven. Als het op lezen aankomt, is Frank dus ook een soort conservatief. Maar hij kijkt verder.

De conservatieve onderwijsomwenteling zal het lezen niet redden. Wat wel zou helpen is een sterke overheid, één die zich richt op het wegwerken van grote sociale ongelijkheid en durft om grote bedrijven die met schadelijke technologie veel geld verdienen ook echt aan te pakken.

     Dat aanpakken bevalt mij niet. Wat moet er precies gebeuren? Moeten de grote bedrijven zwaarder belast worden zodat ze minder geld verdienen? Of moeten ze meteen onteigend worden? Moet de schadelijke technologie vervangen worden door een onschadelijke technologie? Wat is hier een schadelijke en onschadelijke technologie? Is het algoritme waardoor ik elke dag stukjes van D’hanis te lezen krijg schadelijk? Of gaat hij uit van de redelijke veronderstelling dat alle sociale media voor jonge kinderen schadelijk zijn?
     Ergens begrijp ik de wanhoop van D’hanis: als de ouders en de directie niet vrijwillig meegaan in zijn gsm-pact, kunnen we maar beter een sterke overheid inschakelen? Ik heb indertijd zelf voor een sociale media-verbod voor kinderen gepleit, maar ik ben ondertussen gaan twijfelen. Is het niet beter als het initiatief van onderuit komt, zoals van bezorgde vaders die een gsm-pact voorstellen aan schooldirectrices en dan geduldig de andere ouders van de school proberen te overtuigen?
     Maar het waren niet die gsm’s en dat aanpakken dat mij in D’hanis
 tirade het meest was opgevallen. Het was veeleer het stukje over de B-stroom in het onderwijs. Eerst ontkent D’hanis dat de leerplannen minder zwaar zijn dan vroeger en minder kennis bevatten. 

Dat is totale onzin. Het grootste probleem is ook hier ons sterk sociaal gesegregeerd onderwijs. Kort gezegd: er zijn de scholen met vooral kinderen uit middenklassemilieus en er zijn de scholen met kinderen uit worstelende sociale milieus. Zuhal Demir wil ook kinderen “met gouden handen” maar ze vertelt er bijna nooit bij dat kinderen op hun twaalf jaar in de B-stroom worden geduwd. Kiezen voor een beroep zou een positieve keuze moeten zijn, geen beslissing die wordt opgedrongen. 

     De kinderen worden in de B-stroom … geduwd. D’hanis had nog sterkere woorden kunnen gebruiken: kieperen, smijten, dumpen, afvoeren … Of : die kinderen worden in de B-stroom getrapt, en de beslissing wordt hun door de strot geramd. Hij heeft zich, we moeten het toegeven, ingehouden. Maar los van de woordkeuze blijft de vraag: wie is hier degene die duwt, of die opdringt? Vroeger wees men wel eens de PMS-centra – het huidige CLB – als boosdoeners aan. Kinderen die goed presteerden in het lager onderwijs werden, zo wordt verteld, vanwege hun afkomst naar het beroepsonderwijs gestuurd.
     De laatste tijd hoor ik die beschuldiging minder. Ze staat ook zo ver af van de realiteit zoals die mij door collega’s uit de B-stroom werden verteld, of door mijn schoonzus die al twintig jaar lesgeeft in 1B. Of neem het getuigenis van Kenneth Lammers, leraar mechanica in het beroepsonderwijs in Antwerpen (DS 10/9) 

Een kind mag in Vlaanderen naar 1B zodra het twaalf is. Ook als het maar tot het vierde leerjaar is geraakt is, ook al leest het op het niveau van het tweede leerjaar. Bijna een kwart van de kinderen in 1B omt daar zo binnen, ‘op leeftijd’ zoals dat heet. Dan zit dat kind twee jaar in de B-stroom, en daar kun je in de praktijk niet blijven zitten, want wie veertien is, mag naar 2B, wat er ook op het rapport staat. En wie daarna vijftien is, mag door naar het derde jaar, naar mij … 

     Die kinderen zijn niet naar de B-stroom geduwd, ze zijn cognitief niet bekwaam en niet gemotiveerd om in een andere richting mee te kunnen, meer zelfs, ze zijn ook niet in staat om aan de normen van het beroepsonderwijs te voldoen en worden dan maar ‘op leeftijd’ toegelaten tot een hoger jaar.
     Er zijn veel slachtoffers van dat systeem: de leraar, die cognitief zwakke leerlingen zelf, én de leerlingen die, zoals D’hanis dat formuleert, ‘een positieve keuze voor een beroep maken. Ik citeer nogmaals Lammers:

 En dan is er die andere jongen in mijn klas. De jongen die bewust voor mechanica gekozen heeft, die op zijn twaalfde al aan brommers prutste en die naar school komt omdat hij iets wil kunnen. Hij merkt dat de les trager gaat, dat ik na het voorbeeld stop, dat hij zit te wachten op klasgenoten die de opgave niet kunnen lezen. Al na een paar weken zie ik hem denken: waarom zou ik mijn best doen, als die naast mij niets doet en toch mee overgaat?

     Als ik dat lees ben ik, contra D’hanis, geneigd om te pleiten voor méér segregatie. Zodat de jongen die een positieve keuze maakt voor mechanica in een andere klas terechtkomt dan degene die op zijn vijftiende amper kan lezen. Ik begrijp dat D’hanis het een ‘onrecht’ vindt dat een jongen van vijftien niet kan lezen. Ik vind dat eigenlijk ook.  Mocht die jongen, met dezelfde cognitieve capaciteiten, geboren zijn in een gezin van hersenchirurgen zou hij ongetwijfeld wél kunnen lezen. Ook heb ik begrip voor D’hanis’ linkse oplossingen  al zijn het de mijne niet –, namelijk meer sociale gelijkheid en meer financiële middelen voor het onderwijs, zodat veel meer hulp op maat mogelijk wordt. De middenklasse betaalt.
      Maar dat zou allemaal minder soelaas brengen dan een utopist als D’hanis zich voorstelt. Er zullen leerlingen blijven binnenstromen met IQ’s van 75 en andere van 125. Het verschil in motivatie zal niet verdwijnen. Kinderen zullen nog altijd andere basisvaardigheden en rolmodellen meekrijgen van thuis. Sommigen zullen beter met stress om kunnen dan anderen. Er zullen nog altijd ouders zijn die noodgedwongen of vanuit hun temperament meer of minder tijd investeren in hun kinderen. En het kan nog generaties duren voor sommige migrantenmilieus definitief overschakelen naar Nederlands als thuistaal.
     En dan rijst de vraag hoe men, met beperkte of met ruime middelen, het beste kan maken van die ongelijkheid. Daarop antwoord ik dat de piste van Demir – meer orde, structuur, discipline, tucht, kennis en prestatiedruk – iets ten goede kan veranderen. Wellicht had Bourdieu gelijk toen hij zei dat die waarden beter aansluiten bij de welvarende middenklassegezinnen. Maar het zijn de kinderen uit de arbeidersgezinnen, die waar D’hanis zich zorgen over maakt, die er het meeste nood aan hebben.  

* Over sociale media-verbod voor jongeren, zie mijn longread hier. 

dinsdag 8 september 2026

Saksen-Anhalt, e.a.

 


Saksen-Anhalt
     Mijn vader werd tijdens de oorlog gedeporteerd naar Plauen in Saksen. Hij vond het daar vreselijk. ‘Norse mensen,’ zei hij. Het was een van de redenen waarom hij naar Zwitserland heeft proberen te vluchten, waar hij helaas in de buurt van de grens werd opgepakt. Die ongelukkige wending kreeg een gelukkig staartje, want na zijn gevangenisstraf, mocht hij in Zuid-Duitsland blijven. Daar vond hij het wel fijn. ‘Vriendelijke mensen,’ zei hij.
     Nu ik op de kaart van Duitsland gekeken heb, weet ik dat Saksen en Saksen-Anhalt twee verschillende deelstaten zijn. Of de mensen in Saksen-Anhalt ook zo nors zijn als hun buren weet ik niet. Wel weet ik dat een groot deel van hen op de radicaal-rechtse AfD gestemd hebben, en een niet onbelangrijk deel op de radicaal-linkse partijen Die Linke en BSW.
      AfD, ook dat weet ik, is een partij die zich tegen immigratie uitspreekt, terwijl men daar in Saksen-Anhalt minder mee te maken heeft dan in andere deelstaten. Het probleem lijkt er veeleer de emigratie te zijn, maar dan van jong, geschoold en dynamisch talent. Maar ook een minder grote immigratie kan ook voor ongenoegen zorgen, en nog meer voor ongerustheid dat het ‘zo erg’ zou worden als elders.
      Die ongerustheid en dat ongenoegen worden niet altijd goed gemeten door sociologisch onderzoek. De Hochshule Magdeburg-Stendal heeft vorig jaar aan 1.101 inwoners van Saksen-Anhalt gevraagd wat zij spontaan als de grootste problemen zagen. Ze mochten er maximaal drie opgeven. Dit is het resultaat. 

  • 38,5% noemde economie, werk en lonen
  • 30,0% noemde infrastructuur, personeelstekort, gemeenten of winkelmogelijkheden
  • 22,7% noemde asiel of immigratie 
  • 21,7% noemde onderwijs, school, kinderopvang, kinderen/jongeren    
    77,3 procent noemde dus asiel of immigratie niét, of niet spontaan. En toch stemde 44 procent op AfD. Ik kan daar allerlei redenen voor bedenken. Een ervan is dat kiezers wellicht geloven dat het probleem van de migratie redelijk makkelijk kan worden opgelost als de politici dat willen. Economie, werk en lonen zijn ‘belangrijker’ maar ik geef de kiezers geen ongelijk als ze geloven dat ‘de politiek’ daar niet zo heel veel aan kan doen.
   
     Politici denken over de haalbaarheid van een anti-migratiebeleid helemaal anders. Tijdens de regeringsonderhandelingen hebben Bart De Wever en Theo Francken naar het schijnt enkele voorstellen tot migratiebeperking op tafel gelegd. Die werden haast onmiddellijk verworpen als ‘juridische sciencefiction’.


‘Stigmatiseren’ en ‘minimale politiek’
     In een lezersbrief (DS 8/9) over het vaderschap, komt onderzoeker in de Publieke Gezondheid Arno van Hootegem nogmaals terug op Van Doesburgs uitspraken over het moederschap: 

Critici wezen er terecht op dat haar ervaring niet voor alle moeders geldt, en dat haar opmerkingen stigmatiserend kunnen zijn. 

     Die opmerking over stigmatiseren sluit mooi aan bij wat ik over conservatieve politici schreef in mijn vorig stukje. Conservatieve politici gebruiken wel eens hun politieke functie om een bepaalde levensstijl of -houding te propageren die niet voor iedereen haalbaar of wenselijk is. En wie A propageert, stigmatiseert B – al is dat maar impliciet. Als je burgers aanmaant om voor hun gezondheid op hun gewicht te letten, stigmatiseer je degenen die ongezond blijven eten en drinken. Als je kinderen op school prijst omdat ze hun best doen, stigmatiseer je de kinderen die hun best niét doen. En als je iedereen oproept om met de fiets te gaan winkelen, stigmatiseer je degenen die daarvoor de auto nemen.
      Het belangrijkste is dat dat men daarbij de mensen niet te nadrukkelijk schoffeert, en niet van alles verplicht of verbiedt wat tot de privés-feer behoort. Tom Naegels legt het mooi uit:

 Els Van Doesburg is een conservatieve politica. Conservatieve politici hebben conservatieve meningen. Wat had je verwacht? … een oproep doen tijdens een lezing of in een interview is een zeer minimale vorm van “aan politiek doen”. Ze heeft geen wetsvoorstel ingediend, geen beleidsplan geschreven, ze deelt geen subsidies uit aan vrouwen met veel kinderen of neemt er geen af van vrouwen zonder… Het is gewoon maar dat, een oproep, zoals er iedere dag zoveel oproepen in de ether worden geslingerd: we zouden wat meer / minder dit of dat moeten doen. Sporten. Gezond eten. Lief zijn voor elkaar. Kinderen maken. Trots zijn op de eigen cultuur. Stoppen met de mensen te betuttelen. Je privileges onder ogen zien. Naar je eigen lichaam luisteren. Oké. Bedankt voor uw oproep, ik zal er eens over denken.

     Als er maar meer wat meer aan ‘minimale politiek’ werd gedaan in plaats van met wetsvoorstellen, beleidsplannen en subsidies te zwaaien! En als er maar wat meer mensen bij een onwelgevallige boodschap zwegen over ‘stigmatiseren’ en stoïcijns antwoordden dat ze ‘er eens over zouden nadenken.’


La Patate en de planeconomie?
     De Standaard heeft een schrijfwedstrijd georganiseerd om jong talent aan te trekken, en de laureaten mogen nu dagelijks, om de beurt, in de krant hun mening schrijven over iets waar ze een mening over hebben. Er zijn wel eens wat schoolopstellen bij, maar ik werp er toch altijd een snelle blik op.
     Het stuk van gisteren, van Nona De Dier – eerst rechten gestudeerd en nu taal- en letterkunde aan het studeren – hield wat langer mijn aandacht gaande omdat het over La Patate ging. Mijn vrouw heeft mij onlangs nog uitgelegd wie Average Rob was en hoe zijn frituur in Antwerpen eruit zag. Hij vraagt nu aan het brede publiek om hem geld te lenen, maar ik zal nog eerst even de kat uit de boom kijken.
     Voor Nona De Dier steekt La Patate ongunstig af tegen de middenstandseconomie die ze als kind heeft leren kennen in haar geboortestad Aalst. ‘Het kapitaal achter de onderneming komt van bevriende miljonairs.’ ‘40 procent van de aandelen is in handen van een investeervennootschap.’ ‘Geen middenstander in zicht, wel heel veel private equity.’ Dat zal allemaal wel zo zijn. Maar dan komt het: 

Zulke modellen hebben meer weg van een planeconomie dan van een vrijemarktmeritocratie die ons wordt voorgehouden.

      Hier zijn twee misverstanden. De vrije markt is géén meritocratie, al kan ze er wel eens voor zorgen dat mensen met pit het verder brengen dan onpraktische mijmeraars zoals ik*. En ten tweede: bedrijfsplanning – hoezeer die ook kan lijken op een staatsbureaucratie – is géén planeconomie. Op mijn allereerste marxistische scholing vatte B.D. de stelling van Friedrich Engels in de Anti-Dühring helder samen: het kapitalisme brengt orde en planning binnen de ondernemingen, maar wanorde en chaos tussen de ondernemingen. Die wanorde en chaos – weliswaar binnen een wettelijk kader – dát is de vrije markt. La Patate kan in die chaos best failliet gaan. Nu ik erover nagedacht heb, weet ik wel zeker dat ik Average Bob geen geld zal lenen. 
     Een planeconomie daarentegen gaat niet failliet, of toch niet op die manier.

* Ik ben geneigd om te denken dat meritocratie binnen kapitalistische bedrijven een grotere, en zeker een bewustere, rol speelt dan in de kapitalistische economie in zijn geheel. Een bedrijf heeft er alle voordeel bij om de bekwaamste werknemers te rekruteren en te promoveren. Maar begrippen als het Peter Principle wijzen op mechanismen die ook die meritocratische logica ondermijnen. Als die ondermijning te ver gaat, wordt dat weer door de ‘chaotische vrije markt’ afgestraft.


 

zondag 6 september 2026

Van Doesburg over het moederschap, e.a.


Doesburg over het moederschap
     In een interview zei de Antwerpse burgemeester Els Van Doesburg een en ander over het moederschap. Het begon met de Humo-journalist die vroeg hoe het ging met haar zoontje Marcel dat nu 15 maanden is.

 Onlangs zijn we met hem naar zee geweest, zegt Van Doesburg, en het was alsof ook ik de zee opnieuw voor het eerst zag. Ik zie de wereld mee door zijn verwonderde oogjes. Dat is het mooiste wat er is. Ik ben echt heel blij. Tegenwoordig eindig ik mijn speeches, zeker voor een overwegend vrouwelijk publiek, steevast met dezelfde oproep: Niet twijfelen, mensen: maak babys! Zoveel als je kunt! (lacht)

      Van Doesburg vindt dat er veel te vaak gesproken wordt over de lasten van het ouderschap, te beginnen met de slapeloze nachten, en te weinig over het geluk van kinderen te zien opgroeien. Daarop is veel reactie gekomen. Frank D’hanis schreef:

 Als je geld genoeg hebt om een nanny, kinderopvang, pedagogische begeleiding, vakanties, hobbys en dure scholen te betalen, zelf je werktijd mag invullen, een gigantisch huis en een rijke partner hebt, af en toe door een BV in Saint-Tropez wordt uitgenodigd, feminisme niet eens stiekem belachelijk vindt en gelooft in bloed, bodem en de Vlaamsche plicht tot voortplanting.

     Wie het hele interview gelezen heeft, zal wellicht vinden dat Van Doesburgs standpunt over het feminisme niet helemaal rechtvaardig wordt weergegeven. Zelf ben ik vooral geïntrigeerd door het niet aflatende miserabilisme van de auteur. Alsof moeders zonder nanny, kinderopvang, pedagogische begeleiding, vakanties, hobby’s, enzovoort niet gelukkig kunnen zijn door hun kinderen te zien opgroeien.
      Onze buurvrouw 
 haar man werkte als timmerman in een fabriek  had 11 kinderen, waarvan de jongste drie ongeveer van mijn leeftijd waren. Als kind gingen mijn broertjes en ik er graag spelen: ze hadden een clubhuis op zolder, een echte café-biljart, een muziekinstallatie, en een mooie collectie boeken van de christelijke coöperatieve uitgeverij D.A.P. Reinaert. Op woensdagen konden we naar Kapitein Zeppos kijken, want zij hadden wél een tv, en daarna zaten we aan de heel lange tafel, kregen pannenkoeken met een borrel, en zongen liedjes. We kregen er ook, en dat was minder, een lepel levertraan. Pas later leerde ik bij Louis-Paul Boon hoe miserabel dat bestaan was.
     Ik neem aan dat reactie van D’hanis dan nog gunstig afsteekt tegen andere reacties die veel onbeschofter waren, en die ik goddank zelf niet gezien heb. Maar Joël De Ceulaer wond er zich over op, en ook Jeroen Olyslaegers was er niet helemaal gelukkig mee, al heeft hij ook kritiek op Van Doesburg:

 Wat een burgermoeder niet hoeft te doen is haar moederschap te moraliseren en politiseren. Dat is het ambetante aan politiek; het maakt van alles politiek … Dus ook uw moederschap en uw geluk, mevrouw Van Doesburg. Tenminste: wanneer u dat geluk uit en het gebruikt om een punt te maken over deze samenleving. Vind ik sommige boze reacties op uw geluk er nogal over? Zeker. Soms zijn ze gewoon onbeschoft. Maar ze zijn wel politiek.

     Hier maakt Olyslaegers onvoldoende onderscheid tussen twee betekenissen van het woord politiek*. De ene betekenis bestaat uit ‘beleid’: het nemen van maatregelen, die meestal op verplichtingen of verbodsbepalingen neerkomen, of op subsidies die met verplichte belastingen worden betaald. De bierproducent moét op zijn flesjes bier de boodschap afdrukken: ‘Alcohol schaadt de gezondheid’, de roker mág geen sigaret of sigaar opsteken op een terras, en de burger betaalt verplicht mee voor de talencursus die ik en mijn vrouw volgen.
     Voor conservatieven zoals Van Doesburg heeft ‘politiek’ echter nog een andere betekenis. Socialisten zijn voor gelijkheid, liberalen zijn voor vrijheid, en conservatieven zijn voor een zinvol leven – iets wat maar half politiek is, en dat je beter niet afdwingt met verplichtingen, verboden en subsidies. Zo zijn conservatieven ervan overtuigd dat stabiele gezinnen voor de meeste mensen een redelijke garantie zijn op geluk, en dat het opvoeden van kinderen van hen meestal betere mensen maakt. Toen ik, op mijn 40ste, een zoon kreeg, zei mijn vader: ‘Nu zul je weten waarom je leeft.’ Van Doesburg zegt het zo:


 De hoeksteen van de samenleving is het gezin … Ik werd moeder op mijn 36ste en dat was een bevrijding. Ik was lang genoeg het absolute centrum van mijn eigen universum geweest. Het is een heel gezonde evolutie dat er iemand is om wie je onvoorwaardelijk meer geeft dan om jezelf. Dat begint bij je partner, en met een kind breid je die cirkel verder uit.

      Dat is, als je wil, een ‘politieke’ opvatting, maar het is geen partijpolitiek, het is geen middel om stemmen te winnen, en het is evenmin een veroordeling van mensen die, binnen de wet, een ander soort leven kiezen. Het is hoogstens een poging om de soft customs in bepaalde richting te sturen. Literatuur en film laten graag disfunctionele gezinnen zien omdat die, om Tolstoj te parafraseren, allemaal zo verduiveld origineel zijn in hun disfunctionaliteit. Dat is al zo sinds de Oude Grieken. Maar conservatieven als Van Doesburg willen ook wel eens praten over de gelukkige gezinnen die ‘allemaal op elkaar gelijken’.
      De klassieke conservatieven van de katholieke partij en van de latere christendemocratie geloofden ook heel sterk in de gezinswaarden. Maar ze streefden die na met een socialistisch middel: het kindergeld. Moderne conservatieven als Van Doesburg beseffen dat zulke socialistische middelen niet zonder nadelen zijn. Ik lees hier en daar dat N-VA een etatistische partij is. Ik zal dat, als libertair, niet tegenspreken. Maar Van Doesburgs enthousiaste getuigenis over haar geluk als moeder is daar géén voorbeeld van.
 

* Zoals ook het woord ‘moraliseren’ twee verschillende betekenissen heeft: het propageren van een bepaald soort gedrag en het propageren van een bepaald soort opvattingen.


De nieuwe wereldkaart
     ‘De VN stemt voor wereldkaart met eerlijke verhoudigen,’ lees ik op vrt.nws. Dat is rijkelijk laat van de VN. Toen wij pas getrouwd waren, 43 jaar geleden, hebben we een wereldkaart opgehangen in onze slaapkamer, en dat was toen al die van de ‘eerlijke’ Gall-Peeters projectie, met een groot Afrika en een plat Rusland. Ik heb die kaart altijd lelijk gevonden 
 vooral Rusland.  De oppervlakten waren misschien juist berekend, maar de vormen geleken niet op de harmonieuze compositie van de wereldbol.
     Die kaart in de slaapkamer heeft overigens niet geholpen om mijn aardrijkskundige kennis te verbeteren. De provincies van België weet ik ongeveer liggen, alsook de landen van Europa voor de val van het Ijzeren Gordijn. Die stonden in de lagere school op het bord geschilderd, met duidelijke witte strepen. We moesten dat kennen voor het examen. Nu zou je denken dat we in het middelbaar nog méér landen zouden leren plaatsen. Misschien zouden we die zelfs leren tekenen, zoals toen mijn vader naar school ging. Maar het liep anders. We leerden over de verschillende klimaattypes en dat soort dingen. Op het examen kreeg je een neerslagdiagram en dan moest je raden over welk deel van de wereld het ging. Het gevolg is dat ik van alle Afrikaanse landen onder de Sahara eigelijk alleen Congo en Zuid-Afrika met zekerheid kan aanduiden.
     Dat de Gall-Peeters projectie een kwestie van ‘eerlijkheid’ is weet ik ook al lang – sinds 2001 om precies te zijn. We keken toen iedere week naar de televisieserie The West Wing, over de dagelijkse beslommeringen in het Witte Huis. Van Trump was nog geen sprake. Amerika werd geregeerd door Martin Sheen, een soort blanke Obama. En hij vond dat zijn staf jaarlijks een dag een pedagogische studiedag moest volgen, met progressieve activisten als lesgevers. Voor de links-liberale medewerkers van de president was het hun eerste kennismaking met woke. Ze kregen onder andere te maken  met de Organization of Cartographers for Social Equality. Als je naar het filmpje kijkt (zie hier) zul je zien dat de VN-kaart slechts een eerste stap is naar een volledig eerlijke kaart. 

 

 


 

zaterdag 5 september 2026

Opkomst en ondergang van woke


      Ik voorspel dat er binnen twee eeuwen nog altijd studies zullen verschijnen over de opkomst en de ondergang van woke. Misschien is woke op dat moment een onooglijk hobbeltje in de curve van de geschiedenis geworden, maar waarom zouden toekomstige onderzoekers geen studies wijden aan onooglijke hobbeltjes? Ze doen het nu toch ook, en als de hyperspecialisatie verder toeneemt, zullen ze het in de toekomst nog vaker doen. In een moeite voorspel ik dat die toekomstige onderzoekers het net als nu niet eens zullen zijn over de definitie en het belang van woke, de gunstige dan wel kwalijke invloed ervan, en de redenen waarom de beweging is opgekomen en ondergegaan. Wie van polemiek houdt, zal ook binnen twee eeuwen aan zijn trekken komen.
     Voor die polemiek moet ik overigens geen 200 jaar wachten. Zo heb ik met enige nieuwsgierigheid kennis genomen van het meningsverschil tussen Nathan Cofnas en Richard Hanania. Onze kwaliteitskranten De Morgen (20/8) en De Standaard (29/8) brachten allebei een foto van van Cofnas, Hanania en ene Curtis Yarvin arm in arm. Die foto hoorde bij lange stukken over radicaal-rechtse ‘netwerken’ – het soort artikels dat altijd al het handelsmerk is geweest van slim-links. Te onzent werd het genre geïntroduceerd door Walter De Bock, de grootste linkse slimmerik van allemaal. Maar De Bock had meestal niet zulke mooie foto’s.
    Ik vind die netwerk-artikels heel vermoeiend en oninteressant*, maar vaak zijn de vermelde feiten wel correct en zijn de veralgemeningen die er rond geweven worden niet helemáál fout. Zo kun je inderdaad zeggen dat Hanania en Cofnas tot hetzelfde anti-woke kamp behoren. Als er zo’n kamp bestaat, dan behoor ik er ook toe. Maar dan moeten we minstens toegeven dat dat kamp –  evenmin als woke zelf – geen centraal comité of politiek bureau heeft, dat een eensgezind optreden dicteert. Hanania bijvoorbeeld schrijft ergens: ‘Als Cofnas en de zijnen werkelijk zouden overwinnen, zou dat waarschijnlijk betekenen dat we in een fascistisch regime terechtkomen.’  En Hanania bedoelt met dat ‘fascistisch regime’ niet iets om naar uit te kijken.
 
     Dat Hanania er geen bezwaar tegen heeft om gearmd met Cofnas op de foto te staan komt onder andere hierdoor dat hij zeker weet dat Cofnas niét werkelijk zal overwinnen. Dan is het makkelijker om tolerant te zijn. En Cofnas kan dan weer tolerant zijn omdat hij zeker weet dat hij met zijn ijzeren logica iedereen in het anti-woke kamp uiteindelijk zal kunnen overtuigen – als je het wat tijd geeft. Het is opmerkenswaard dat juist de zekerheid van het eigen gelijk aan eigen kant te hebben, binnen bepaalde perken en gedurende een zekere periode, tot tolerantie kan aanzetten. 
    De juiste volgorde van het debat is (1) Hanania’s boek The Origins of Woke (september 2023), (2) Cofnas’ antwoord (januari 2024), (3) Hanania’s antwoorden op Cofnas (februari 2024 en augustus 2026). Aangezien ik het boek van Hanania niet gelezen heb, en ook niet van plan ben om het te lezen, begin ik in medias res met het antwoord van Cofnas. Dat antwoord is geen peer reviewed artikel, veeleer een soort langgerekte column, met de vermakelijke titel: ‘
Why We Need to Talk about the Right’s Stupidity Problem’. En de titel is niet alleen een lokkertje, want  Cofnas vertelt inderdaad heel uitgebreid over de domheid van rechts. Hij citeert onder andere onderzoek waaruit blijkt dat de gemiddelde racist een merkelijk lager IQ heeft dan de gemiddelde antiracist. Volledige zinnen zouden zo uit de pen van een linkse polemist kunnen komen. Zoals: ‘Dezelfde conservatieven die klagen over immigranten die slecht Engels praten, kennen zelf minder Engelse woorden dan hun progressieve tegenstanders.’ Ook weidt Cofnas uit over de superioriteit van de woke media in het brengen van interessante informatie. Mijn FB-vriend Petrus de Courtrai zal het graag horen.
     De ondertitel van het stuk geeft aan welke conclusie Cofnas uit die vaststelling trekt. Aangezien een groot deel van rechts zo vreselijk dom is, wordt het tijd om de slim-linkse elite te overtuigen en te rekruteren, en dat kan maar op één manier: 

Om de [intellectuele] elite voor zich te winnen, moet rechts de Grote Leugen ontmaskeren die aan de grondslag van woke ligt: de stelling dat iedereen gelijke capaciteiten heeft.**

     Oorspronkelijk was die stelling over de gelijke capaciteiten geen Grote Leugen. Het was een begrijpelijke misvatting van degenen die een rechtvaardige strijd voerden tegen rassendiscriminatie. Daarover schrijft Cofnas:

De burgerrechtenbeweging riep terecht veel sympathie op voor de benarde positie van zwarte Amerikanen, die lange tijd zwaar waren onderdrukt. Tegen de tijd dat in de jaren zestig de belangrijkste burgerrechtenwetten werden aangenomen, was vrijwel iedereen uit de gevestigde, respectabele kringen ervan overtuigd geraakt dat het gelijkstellen van de wettelijke rechten van zwart en blank het rassenprobleem zou oplossen.

     De redenering gaat als volgt. Sinds de Verlichting heeft de overtuiging dat alle mensen, en alle ‘rassen’, gelijke capaciteiten hebben, steeds meer veld gewonnen. Wanneer men in de jaren 50-60 vaststelt dat de zwarte bevolking, 100 jaar na de afschaffing van de slavernij, nog altijd armer is dan de blanke bevolking, dan moet dat aan discriminerende wetten liggen. Als die wetten worden afgeschaft, dan zal na enige tijd de zwarte en blanke bevolking even welvarend zijn.
      Maar in de jaren 60 wérd de wettelijke discriminatie afgeschaft en toch bleef de zwarte armoede bestaan. Men had dus nood aan nieuwe verklaringen –  white privilege, micro-agressie, verborgen, onbewust of structureel racisme – en nieuwe remedies – positieve discriminatie, identity politics, dekolonisering van de geesten, diversiteitstraining, verwijderen van foute standbeelden, antiracistische wiskunde, enzovoort.
 
     Volgens Cofnas zijn die nieuwe verklaringen en remedies ook logisch, zolang men een andere verklaring niet onder ogen wil zien: de verschillende capaciteiten van de verschillende bevolkingsgroepen. Woke is dus intellectueel superieur aan de liberale en conservatieve ideologie van ‘kleurenblindheid’ en trekt dáárom de intellectuele elite aan. Met andere woorden: woke heeft gelijk … behalve als het ongelijk zou hebben op één punt: dat van de gelijke capaciteiten. En dát is geen kwestie van politiek, maar van wetenschap. En die wetenschap kan worden ingezet om de elite te overtuigen.
     Het interessante van de redenering is dat ze niet alleen een verklaring biedt voor de doelstellingen van woke – een beter bestaan voor de minderheden – maar specifiek voor de excessen van de beweging die er volgens mij de essentie van uit maken. Hanania echter schijnt dat niet te zien, en wel omdat hij het argument van Cofnas verkeerd begrijpt. Hij schrijft:  ‘We kunnen zeggen dat Cofnas’ theorie uit een eenvoudige redenering in vier stappen bestaat:  

  1.  Zwarte en witte mensen verschillen om genetische redenen van elkaar in cognitieve en gedragsmatige eigenschappen; die opvatting kunnen we rassenrealisme noemen
  2. De gevestigde intellectuele wereld ontkent dit.
  3. Als je rassenrealiteit ontkent, is het logisch dat je uitkomt bij een woke-linkse positie
  4. Woke zal nooit worden verslagen zolang mensen geen rassenrealisten worden.

      Maar daarmee heeft Hanania de belangrijkste stap in de redenering gemist: de mogelijke verklaringen van de  welvaartverschillen tussen blank en zwart – die hij op andere plaatsen in zijn tekst wel goed aangeeft. Die verklaringen zijn

  1. Legale discriminatie
  2. Structureel racisme (als onderdeel van andere vormen van structurele discriminatie)
  3. Culturele verschillen
  4. Genetische verschillen
  5. (Andere)***

      Daarmee kan het argument van Cofnas veel duidelijker worden weergegeven. Activistisch ingestelde mensen konden tot in de jaren 60 de legale discriminatie als boosdoener aanduiden, maar toen die verdwenen was, moesten ze kiezen tussen de hard-wetenschappelijke verklaring van de genetica, de sociologische verklaring van de cultuurverschillen, of de excessieve verklaring van het structureel racisme. Genetische en culturele verschillen kun je niet met regeringsmaatregelen of met ‘actie’ bestrijden, dus werd logischerwijze voor het exces gekozen.
     De argumentatie van Cofnas is deels wetenschappelijk, deels strategisch; die van Hanania is uitsluitend strategisch. De wetenschap - of die genetische verschillen er nu zijn of niet – interesseert hem niet zo. Hij schrijft: 

Afgaand op mijn eigen ervaringen en op wat ik via-via opvang, zou ik zeggen dat misschien de helft van de slimste conservatieve en libertaire auteurs op zijn minst vermoeden dat er genetische IQ-verschillen tussen bevolkingsgroepen bestaan— of dat ze dat zelfs als vanzelfsprekend beschouwen.

     Je krijgt de indruk dat Hanania tot die helft behoort, maar dat hij het, zoals de meeste anderen van die helft, niet verstandig vindt om daar al te veel nadruk op te leggen. Shut Up About Race and IQ is de titel van een van de essays****. Zijn keuze om in een discussie met Cofnas de zaak strategisch te bekijken is overigens terecht. Ook diens argumentatie gaat over de middelen om een doel te bereiken: woke verslaan. En hij wil dat in de eerste plaats bereiken door de ideeënstrijd te winnen.
 
     Hanania gelooft dat je door gepraat over ras en IQ alleen het dom-racisme versterkt terwijl je geen enkele verstandige wokist zult kunnen overtuigen. Woke heeft zijn wortels niet in een verkeerde wetenschap, maar in emoties: 

Het is niet zo dat mensen eerst een wetenschappelijke theorie over ongelijkheid ontwikkelen en vervolgens op basis daarvan maatregelen gaan steunen om die ongelijkheid te verkleinen. Het begint andersom: ze hebben eerst een afkeer van ongelijkheid en nemen vervolgens de wetenschappelijke theorieën over die hun goed uitkomen — meestal pas achteraf.

     Volgens Hanania heeft Cofnas

 … een verkeerd beeld van de manier waarop ideeën in de loop van de tijd veranderen … Zijn onderliggende beeld van historische verandering is dat we allemaal deel uitmaken van een soort debatclub, en dat de zaken evolueren doordat de ene verzameling ideeën de andere rechtstreeks verslaat. Maar volgens mij boeken activistische bewegingen vooral succes door langs hun tegenstanders heen te praten. Mensen raken enthousiast over een idee — individuele vrijheid, nationalisme, de communistische revolutie — en weten op basis daarvan getalenteerde en energieke mensen te mobiliseren. Uiteindelijk winnen ze daarmee terrein. Wanneer ze wel ingaan op de belangrijkste argumenten van hun tegenstanders, doen ze dat meestal slechts indirect en impliciet. Hun uiteindelijke doel is niet zozeer om de tegenstander in een intellectueel debat te overtuigen, maar om hem op het politieke strijdtoneel te verslaan.

     In dié ruzie tussen Cofnas en Hanania wil ik mij niet moeien*****. Wel geef ik Hanania gelijk als hij stelt dat het beter is om woke in bedwang te houden dan om het te verpletteren, dat woke slechts één van de vele politieke problemen van vandaag is, en dat een eenzijdige fixatie op woke kan leiden tot rechtspopulisme.
     Woke is overigens niet alléén slechts één van de politieke problemen van vandaag, het is ook slechts één van de verschijningsvormen van elitair activisme. Mocht je woke kunnen verslaan met hard-wetenschappelijke argumenten, dan komt het activisme terug op een ander terrein waar hard-wetenschappelijke argumenten minder zwaar wegen. Er is keuze genoeg: het klimaat, de dierenrechten, Palestina, de datacenters …  Er komt geen grote, definitieve omslag in de krachtsverhoudingen. Daarom is de ‘hereditarian revolution’ die Cofnas predikt net géén ‘revolutie’, althans niet in de maatschappelijke zin van het woord******.
     En nog iets anders. Cofnas kan gelijk hebben dat de aanhangers van woke tot het intelligentere deel van de bevolking behoren, maar dat betekent nog niet dat ze openstaan voor een discussie met wetenschappelijke argumenten. Sommige overtuigingen en praktijken van woke zijn zo absurd en fanatiek – weg met Zwarte Piet, de genderneutrale voornaamwoorden, de ‘witte’ in plaats van ‘blanke’ mensen – dat elke rationaliteit zoek is. Hoogstens kun je zeggen dat de intelligentste aanhangers dat zelf allemaal niet geloven en alleen meedoen uit lafheid, luiheid, opportunisme, onverschilligheid, naïviteit en – soms – wereldvreemdheid. Men kan ook met een hoog IQ nogal wereldvreemd zijn. Zou dat eigenlijk niet het geval zijn met Cofnas? Hij redeneert zuiverder dan Hanania, maar Hanania kent zijn wereld.
 
     Eén argument dat Hanania niét gebruikt is het volgende.  Om te werken zou de strategie van Cofnas moeten worden omgekeerd: éérst woke verslaan zodat het rassenrealisme daarna acceptabel wordt. De intellectuele elite heeft – net als ik – geen benul van de nieuwste bevindingen in de genetica, en weet  misschien nog net dat Cofnas in die materie een minderheidspositie inneemt, of heeft ergens gelezen dat zijn stellingen 
definitief weerlegd’ zijn. Waarom zou men dan een een onwelgevallige definitief weerlegde minderheidspositie volgen in een hoogst technische materie die men niet zelf kan onderzoeken?
     Bij mijn weten is het biologisch-genetisch onderzoek vandaag nog niet ver genoeg gevorderd om definitieve besluiten te trekken over ras en ancestrale populaties. Als dat waar is, dan is de strategie van Cofnas voorbarig. Dan moet men wachten tot het onderzoek verder gevorderd is. Omgekeerd is het ook mogelijk dat het onderzoek wel ver genoeg gevorderd is, maar houden de topwetenschappers zich op de vlakte, vermijden ze land- en zeemijnen, weigeren ze de logische conclusies uit hun eigen onderzoek te trekken, en stemmen ze hun openlijke uitspraken af op de woke vooroordelen van de intellectuele elite. Dan zou je eerst de vooroordelen van de intellectuele elite op een ándere manier moeten kunnen wegnemen voor de genetische wetenschap zich ondubbelzinnig durft uitspreken.
     En hoe zou Cofnas dat aanpakken?


* Over complottheorieën van slimlinks, zie mijn stukje hier.

** Cofnas verwijt liberalen en conservatieven dat ze geen bruikbare definitie van ‘woke’ hebben. Zijn eigen definitie vind ik onbevredigend, maar ze heeft het voordeel dat woke-aanhangers ermee akkoord zullen gaan.  Wokism is what happens when people are serious about the equality thesis.’ Zelf heb ik verschillende keren iets geschreven over die defintie, o.a. hier en hier. Over de aard en de geschiedenis van woke heb ik op mijn blog een essay overgenomen van Paul Graham (hier)

*** De categorie van de ‘andere’ verklaringen laat ik hier buiten beschouwing. Mijn eigen mening, als leek, is dat de drie verklaringen – genetica, cultuur, structurele discriminatie – elkaar niet uitsluiten en elkaar zelfs kunnen beïnvloeden. Cultuurverschillen kunnen IQ-verschillen als oorzaak of als gevolg hebben, zoals ze ook oorzaak en gevolg kunnen zijn van discriminatie. ‘Stucturele discriminatie’ is wat Charles Murray ‘soft custom noemt’ en hij schrijf daarover: ‘My speculative proposition here is that once legal prohibitions and hard custom ar no longer an issue, soft custom has a short half-life.’ 

**** Hanania geeft het toe: voor iemand die vindt dat men beter over ras en IQ zou zwijgen, schrijft hij er zelf opvallend vaak over. Hij behoort tot de ‘individuals who love to talk about race and IQ, in addition to talking about talking about race and IQ, and talking about talking about talking about race and IQ.’

*****  Hoe het komt dat een bepaalde ideologie op een bepaald moment veel invloed krijgt, is een ingewikkeld vraagstuk. Natuurlijk hangt het af van de mogelijkheid om talentvolle en energieke individuelen te mobiliseren maar dat hangt op zijn beurt af van andere factoren, met inbegrip van wat wetenschappers beweren of ontdekken – Adam Smith, Darwin, Marx, Keynes, Watson en Crick, Robert Trivers … Voor wat de praktische politiek betreft, heeft Hanania natuurlijk gelijk. Elke spindoctor zal je uitleggen dat het weerleggen van argumenten weinig oplevert. Gelukkig heb ik met de praktische politiek niets te maken.*

****** Het begrip ‘hereditarian revolution’ kan zowel naar naar een maatschappelijke revolutie als naar een zuiver wetenschappelijke revolutie verwijzen. In het tweede geval zou het betekenen dat de gedragswetenschappen meer op biologie gaan steunen, zoals biologie op chemie steunt, chemie op fysica, en fysica op wiskunde. 

 

dinsdag 1 september 2026

Enkele films en series



Ook de afgelopen maand heb ik 
’s avonds wel eens naar een film of serie gekeken

 True Detective Sz 2 (2015)
     Het tweede seizoen van True Detective kreeg minder goede kritieken dan de andere. Toch is het, door omstandigheden, het seizoen dat ik twee keer heb gezien. Vince Vaughn speelt zijn rol van gangster erg gemaniëreerd, met een beperkt repertoire aan mimiek en gestiek. Ik veronderstel dat de meesten van ons een beperkt repertoire hebben, en bij sommigen is dat repertoire wat nadrukkelijker aanwezig. Karikaturen komen voor zowel in de film als in het leven.
     In de vierde aflevering komt er een heel opwindende shoot-out. Zoiets valt mij altijd op, omdat ik in het algemeen niet van shoot-outs in films hou. De eerste seconden van de scène zijn het sterkst, als de politiebende over straat wandelt, nog voor één schot is gelost (hier). Ik heb daarna de shoot-out in Peaky Blinders S4E5 opnieuw bekeken (hier), maar die was niet zo mooi als in mijn herinnering
Het waren vooral 15 seconden die in mijn geheugen waren blijven hangen: in het fragment 3:00-3:15.

 

Sugar (2024-2026)

     Men moet geen fan zijn van Collin Farrell om hem te appreciëren in de neo-noir reeks Sugar. Critici prezen de serie, vooral het eerste seizoen, om haar verfijnde ‘stijl’. Ik begrijp dat. Farrel draagt mooie kostuums, rijdt met een mooie wagen en woont op een mooi appartement. Dat is aangenaam om naar te kijken. Het gaat niet om een cinematografische stijl zoals als neorealisme of nouvelle vague; veeleer om wat men aanduidt met het woord design


 


Il Falsario (2025)

     Over een Italiaanse kunstvervalser Toni die in de jaren ‘70 terechtkomt in het gangstermilieu. Het waren de anni di piombo – de loden jaren – : corruptie in de politieke wereld, in het Vaticaan, terrorisme van extreemlinks, terrorisme van extreemrechts ... Wanneer de christendemocratische leider Aldo Moro wordt ontvoerd door de Rode Brigades, moet Toni een vervalst communiqué opstellen.
     Een aantal critici vonden de film mislukt omdat er geen personages in voorkwamen waar je enige sympathie voor kon opbrengen. Dat was niet mijn indruk. De relatie tussen Toni en zijn jeugdvrienden –  een priester en een geradicaliseerde arbeider – vond ik best gevoelig uitgewerkt. 

 


Ace in the Hole (1951)

     Van grootmeester Billy Wilder. Een ambitieuze journalist, Kirk Douglas, wil ten koste van alles munt slaan uit een dramatisch ongeval. De film bevat geen personages waar ik enige sympathie voor kan opbrengen. 

 


Nouvelle vague (2025)

     Over het maken van A bout de souffle (1960). Ik heb die klassieker twee keer gezien, en de film óver de klassieker vier keer. Bij het typen van deze regels, realiseer ik mij dat ik vanavond een vijfde keer zal kijken. Feelgood voor filmliefhebbers. Ik citeer even wat ik schreef toen de film uitkwam en besproken werd in De Standaard

Ik ben er zeker van dat Ruben Aerts een groot filmliefhebber is, maar in zijn recensies kan hij dat goed verbergen. Als hij een film prijst of afkraakt,  doet hij dat altijd om de verkeerde redenen. Maar zijn lof voor de nieuwe film van Linklater Nouvelle Vague is anders. Hier kun je niet meer twijfelen: hij heeft van die film genoten.

 


Summertime (1955)

     David Lean, Katherine Hepburn, Venetië … what’s not to like. Desalniettemin, vóór het midden van de film al gestopt met kijken. 

 


The Tailor of Panana (2001)

      John Boorman, John le Carré, Geoffrey Rush, spionage, de edele kunst van het kleermaken … Desalniettemin, ook hier vóór het midden van de film gestopt met kijken. Rush, die de kleermaker is van hooggeplaatste politici in Panama, zit in financiële moeilijkheden. Hij maakt een MI-6 agent – een onuitstaanbare Pierce Brosnan – wijs dat hij op de hoogte is van geheime regeringsplannen, en hij wil die voor veel geld verkopen. Dan wil ik toch liever niet weten hoe dat verder afloopt. Zou ik die andere versie van het verhaal, Our Man in Havana (1959) nog een kans geven? 

     En ja, toen ik achteraf las dat de oude Harold Pinter en de jonge Daniel Radcliffe elk een kleine rol in de film hadden, heb ik even teruggespoeld uit nieuwsgierigheid.

 


Song Sung Blue (2025)

     Biografische film, eigenlijk een soort weekendfilm, niet over Neil Diamond, maar over een Neil Diamond-tributeband. Mijn vrouw vond de optredens te bombastisch. Ze liet mij videoclips zien van de echte Neil Diamond, met optredens die inderdaad veel ingetogener zijn. ChatGPT vertelt mij dan weer dat er op Youtube vooral filmpjes te zien zijn van de látere optredens van de artiest, terwijl zijn vroegere optredens wél bombastischer waren. 

 


Return to Dust (Yin ru chen yan) (2022)

     Het Chinese platteland. Een oudere man en vrouw vinden steun bij elkaar nadat ze door hun familie zijn verstoten. Later moeten ze toezien hoe hun woning vanwege een bureaucratische regel vernietigd wordt. De vrouw verdrinkt en de man pleegt – zo kunnen we vermoeden – zelfmoord. De in China vertoonde versie is optimistischer en eindigt met een korte tekst: ‘Ma Youtie verhuisde naar zijn nieuwe appartement in de winter van 2011 en begon een nieuw leven met de hulp van de regering en de goedhartige dorpelingen.’ Deze zin is gecensureerd in de Westerse versie van de film. 

 


Brooklyn (2015)

     Ierland in de jaren 50. Eilis, een jonge vrouw vertrekt naar Amerika om daar een nieuw leven op te bouwen. Mijn vrouw heeft zoals altijd het boek gelezen en had zich de Ierse situatie armoediger voorgesteld. Ze vond dat je nu amper begreep waarom Eilis uit Ierland weg moest. De enthousiaste critici begrijp ik niet. Ze noemen de film ‘klassiek gemaakt’. Dat is waar. Hij bevat geloof ik geen enkele originele vondst. Als de regisseur een notitieboekje heeft waarin hij zijn invallen noteert, dan moet het dit keer blanco zijn geweest. 

 


In the Hand of Dante (2025)

     Hedendaagse gangsters zijn op zoek naar het manuscript van Dantes Commedia, aangevuld met fragmenten uit Dantes leven. ‘Vondsten’ genoeg, maar geen film. 

 


Priscilla (2023)

     Kort na elkaar Priscilla en Elvis (2022) opnieuw bekeken. Ik was verrast dat Priscilla zoveel beter was. 

 


A Serious Man (2009)

     Een joodse professor krijgt te maken met de ene tegenslag na de andere. Van de Coen-broers. Zéér joods en zéér mooi. 

 


Saturday Night Live (2024)

     Ik heb hier al iets geschreven over die film. De film nu opnieuw bekeken met mijn zoon, en hem voortdurend uitgelegd wie die mensen waren: Chevy Chase, Dan Ackroyd, John Belushi … Voor het eerst beseft dat Jim Belushi niet dezelfde persoon is als John Belushi, en dat het die laatste is die meespeelt in The Blues Brothers (1980). 

 


Cape Fear (2026)

      Mij bij deze serie voortdurend afgevraagd of ik de oorspronkelijke thriller van 1962, met Robert Mitchum, ooit gezien heb. Verwar ik die film niet met The Night of the Hunter (1955)? En heb ik dié wel gezien. Ik ben echter heel zeker dat ik de Cape Fear van 1991 niét gezien heb, en de reclamespots wel.

 


The Devil Wears Prada 2 (2026)

     Iets minder, maar alweer charmant.

 


The Sunset Limited (2011)

     Verfilmd toneel naar een script van Cormac McCarthy. Eén kamer, twee acteurs. Een leerling zei mij 15 jaar geleden dat het de beste film was die hij ooit had gezien. Ik was dus al 15 jaar aan het wachten op een gelegenheid om om die mededeling te controleren. Conclusie: een goede film, maar ik geloof dat mijn oudleerling er ondertussen al betere heeft gezien. (Zie ook hier.)



A Hidden Life (2019)
     Het was weer enige tijd geleden dat ik nog een film van Terence Malick had gezien en nu had mijn vrouw A Hidden Life ontdekt hij bij het aanbod van VRT-Max. Een diepgelovige Duitse boer tijdens de Tweede Wereldoorlog weigert om de eed van trouw af te leggen aan de Führer. Omdat het over een boer ging, wist ik dat we ons aan prachtige natuurbeelden mochten verwachten, en omdat het Terence Malick was, wist ik dat we ons aan een poëtische impressie mochten verwachten. Een gewone film bestaat uit een 50-tal scènes op één locatie en binnen één tijdsperiode. Mijn indruk na de film was dat we enkele honderden korte scènes hadden gezien. Maar mijn chatbot heeft mij uitgelegd waarom dat een slechte karakterisering is.

 Bij een conventionele publieksfilm heb je vaak: scène scène scène volgende plotontwikkeling. Bij Malick is het eerder: moment beeld beweging fragment van gesprek natuurbeeld voice-over ander moment herinnering terug naar de handeling. De grenzen tussen scènes worden daardoor veel minder duidelijk.

    Dat is inderdaad veel preciezer. Het resultaat van die werkwijze is eerder lyrisch dan dramatisch. De enige scène die bij mij dramatisch overkwam was een monoloog van Bruno Ganz die als rechter een laatste poging waagt om de gelovige boer tot een meer opportunistische houding te verleiden, een beetje zoals de duivel dat deed met Jezus in de woestijn. 
     De indruk dat de film uit honderden fragmenten bestaat houdt trouwens niet lang aan. Na enkele uren beginnen de fragmenten in je herinnering samen te klonteren tot scènes en sequenties.