zaterdag 18 juli 2026

Piketty: 5000 euro voor iedereen?


    Het plan van Piketty belooft minder dan je eerst zou denken en is bovendien niet realiseerbaar, ook niet tegen 2100. Het goede nieuws: als we de recepten van Piketty niét volgen, zullen er in de wereld van 2100 véél meer mensen een inkomen hebben van 5000 euro, zal de arbeidsduur flink gedaald zijn, en zal er veel meer gelijkheid in de wereld zijn dan nu. Alleen zal de gelijkheid mathematisch niet zo mooi gespreid zijn als Piketty hoopt. Er zullen onder de landen welvaartspioniers zijn en achtergebleven gebieden - hopelijk hoort Europa niet bij die laatste. Ook de grote fortuinen zullen niet verdwenen zijn. En of men goede oplossingen gevonden heeft voor de klimaatopwarming, daar doe ik geen voorspellingen over. 

     Ik las voor het eerst over Pikettys Global Justice Report op de FB-pagina van Frank D’hanis. D’hanis verwijst wel vaker naar economische, sociologische, psychologische en pedagogische studies waar ik nog nooit van gehoord heb. Ik zou hem daarvoor dankbaar moeten zijn. Zo hoorde ik dankzij hem voor het eerst over een studie waarbij men het cortisol-niveau van leraren had gemeten. Dat bleek enorm hoog te zijn omdat voor de klas staan veel stress met zich meebrengt. Dat wist ik al langer, maar dat men dat nu met die cortisol kon bewijzen, dat was nieuw voor mij. Ik wist alleen dat men dat ooit onderzocht had voor maffia-leden. Ook zij hadden er te veel van, van die cortisol, waardoor ze vaak af te rekenen hadden met erectiestoornissen.

       Maar nu die Piketty-studie. D’hanis schreef: 

 Met de technologie van vandaag zouden we meer dan genoeg overschot kunnen creëren om iedereen een goed bestaan te geven. Econoom Thomas Piketty kwam deze week nog in de media met zijn – helaas utopische – voorstel om maar 25 uur per week meer te werken en iedereen een basisinkomen van 5000 euro te geven. Puur technisch zou dit voor het eerst in de menselijke geschiedenis ook kunnen.

     Toen ik dat las, dacht ik: dat kan niet, die cijfers kloppen niet, zo dom is Piketty niet. D’hanis heeft ergens een klok horen luiden, maar weet niet waar de kepel hangt. Zou dat met de andere studies die hij citeert ook zo zijn?
     Ik heb de Piketty-studie dan maar zelf gedownload, afgedrukt en doorbladerd, en inderdaad, wat D’hanis schrijft klopt niet. Het is geen 5000 euro, het is niet voor iedereen, en het is ‘technisch’ niet mogelijk, althans niet vandaag.
     Hieronder heb ik wat opmerkingen verzameld aangaande het Global Justice Report, over de reacties die het heeft uitgelokt, en over de ideologische aannames van Piketty zoals die blijken uit recente interviews. Losse opmerkingen lijken mij vandaag de dag een verdedigbare werkwijze om een stuk te schrijven. Ik had ook een brede weerlegging vanuit een liberaal perspectief bij Grok of ChatGPT kunnen bestellen, maar sommige dingen doe ik nog altijd liever zelf. 

Tegen 2100
     De studie van Piketty beweert niet, zoals D’hanis aanneemt, dat de mondiale norm van 5000 euro nu reeds 
technisch mogelijk is. Die 5000 euro is een projectie voor het jaar 2100. Ik ben niet tegen dergelijke projecties als denkoefening, maar in 75 jaar tijd kan er veel gebeuren.

BBP en Inkomen
      De 5000 euro van Piketty gaat niet over  een inkomen of loon van 5000 euro maar over een BBP per inwoner van die omvang. Een BBP van 5000 euro per inwoner zal inderdaad vaak ongeveer even hoog zijn als wat we in België de loonkost noemen, maar wat we het bruto loon noemen zal snel 1000 euro lager liggen.

 Bruto en netto
     Het Piketty-plan rekent in brutobedragen. Er wordt een gemiddelde toekomstige belastingdruk van 50 % gesuggereerd. Dan blijft er van die 5000 euro in het beste geval nog maar de helft meer over, en waarschijnlijk minder.

Niet voor iedereen
     Er wordt, in tegenstelling tot wat D'hanis denkt, geen uniform 
basisinkomen’ voorgesteld waar iedereen van geniet. Het plan voorziet voor de netto inkomens een spanning van 1 tot 5. Dus laat ons zeggen netto inkomens van 1000 tot 5000 euro, of van 2000 tot 10.000 euro. 

Productiestijging
     Het plan gaat uit van een verdrievoudiging van de huidige wereldproductie over een periode van 75 jaar. Dat is een bescheiden groei. De wereldproductie per capita is de laatste 75 jaar bijna verzesvoudigd. Alleen lijkt zelfs de bescheiden groei die het plan voorstelt moeilijk te bereiken als men ook nog eens de arbeidsduur verkort, goedkope fossiele brandstoffen onbenut laat, de productiefste sectoren relatief inkrimpt, en de klassieke economische stimulansen afbouwt.

Klimaat 
    
Met het plan streeft men ruw gesproken drie doelstellingen na. De eerste daarvan is het afremmen van de klimaatopwarming. Over die eerste doelstelling zwijg ik, aangezien ik te weinig afweet van exacte wetenschappen en technologie. Wel hebben critici opgemerkt dat de klimaatprognoses van Piketty sterk gelijken op het extreme RCP8.5 scenario, waar weinig wetenschappelijke consensus over bestaat.  

Ongelijkheid
     De twee andere doelstellingen zijn 1) het verminderen van de gelijkheid tussen de rijke en de arme landen; en 2) het verminderen van de ongelijkheid tussen rijke en arme burgers binnen de landen zelf. Die twee doelstellingen zijn met elkaar verbonden: de inkomens en de vermogens van de rijke burgers worden in het plan afgeroomd om de kloof tussen de rijke en de arme landen te dichten.

‘Stijgende ongelijkheid’
     In een gesprek tussen Piketty en Ilja Leonard Pfeijffer (De Morgen 11/7) zegt die laatste dat de mondiale ongelijkheid ‘schrikbarend’ toeneemt. Dat is flagrant onjuist, althans voor de inkomens, en nochtans wordt de uitspraak niet tegengesproken door de econoom die beter zou moeten weten. Daarom doe ik het maar. In de laatste 50 jaar is de ongelijkheidsindex in de wereld gedááld van 0,73 naar 0,65. Dát is de trend over een betekenisvolle periode. Als je zoekt, vind je wel gebieden waar de ongelijkheid toeneemt, maar als je de ongelijkheid tussen de landen én de ongelijkheid binnen de landen samen neemt is er een dáling. Waarmee ik niet zal ontkennen dat de ongelijkheid tussen het inkomen van een Vlaamse en een Congolese leraar nog altijd heel groot is. 

Basiskennis
     
De mondiale trends van de laatste 50 jaar zouden basiskennis moeten zijn:

  • wereldproductie per inwoner: x 2,5; 
  • extreme armoede in de wereld: van 50 % naar 10 %; 
  • ongelijkheid in de wereld: van 0,73 naar 0,65. 

     Als men nog op zoek is naar kennisdoelen voor het lager onderwijs, dat zijn er al drie, al zou ik de ongelijkheid niet met de gini-coëfficiënt aanduiden. Dat lijkt mij meer iets voor het middelbaar.

Ontwikkelingshulp
     Het Piketty-plan is eigenlijk een soort massale ontwikkelingshulp. De grote verschillen zijn: de omvang (10 % van het Wereld BBP in plaats van 0,3 %), de inkomsten (via mondiale belastingen op hoge inkomens en grote fortuinen) en de financieringswijze (een Wereldfonds dat investeert en dividenden uitkeert).
     Economen gaan ervan uit dat de ontwikkelingshulp tot nu toe géén grote bijdrage heeft geleverd aan de economische vooruitgang van de arme landen. Ontwikkelingshulp lijkt beter te renderen als humanitaire noodhulp dan als motor voor robuuste economische groei. 

Wereldfonds 
   
 Het idee van het Wereldfonds bewijst, wat we anders zouden vergeten, dat Piketty een econoom is. Het ingezamelde geld wordt niet meteen uitgedeeld, maar geïnvesteerd, zodat het fonds aangroeit, en er steeds meer kan worden uitgedeeld. Hoe men (wie is ‘men’?) ervoor zal zorgen dat het geld succesvol geïnvesteerd wordt, is niet helemaal duidelijk.  Een criticus schreef dat Piketty van plan is om geld in te zamelen als een Jozef Stalin en het te investeren als een Milton Friedman. Je kunt betwijfelen of die twee werkwijzen zich laten verzoenen.

Algebra
     Het Piketty-plan lijkt meer op een algebra-vraagstuk dan op een economisch plan. Welke mondiale belastingschalen moeten we toepassen op de hoge inkomens en de grote fortuinen om tegen 2100 een inkomensspanning van 1 op 5 te bereiken en een vermogensspanning van 1 op 10. Hoeveel financiële middelen levert dat op? Hoeveel leveren die middelen jaar na jaar op als we uitgaan van een voorspelbaar rendement? Maak je berekeningen op een kladblad. Vat je oplossingen samen in enkele tabellen en grafieken.
 
      Maar de economie is in de eerste plaats een gedragswetenschap. Bijvoorbeeld. Hoe gaan rijken reageren op een forse verhoging van belastingen? Welke slimmerik zal het eerst een gat in welke markt ontdekken? Welke innovatie zal de toekomst bepalen, en welke andere zal een dood spoor lijken? Economisch handelen bestaat in de eerste plaats in het zoeken naar nieuwe oplossingen en opportuniteiten, niet uit het becijferen van voorspelbare kosten en inkomsten.

Confiscatie van grote vermogens
     Zal de geleidelijke, maar volledige*, confiscatie van de grote vermogens door mondiale belastingen er niet voor zorgen dat de bron opdroogt? Als de grote vermogens eenmaal helemaal weg zijn, kunnen ze ook niet meer worden belast, nietwaar? In de algebra van Piketty is dat echter niet noodzakelijk zo. Als alle fortuinen uiteindelijk in beslag genomen zijn en in het Wereldfonds zijn ondergebracht, kan het systeem verder werken als een perpetuum mobile. Algebraïsch gesproken dan. 

Belastingen tot 90 % op hoge inkomens
      Dezelfde redenering geldt niét voor de mondiale belastingen op de hoge inkomens. Piketty wil voor de heel hoge inkomens belastingen van 80 en 90 %. Dat zijn geen percentages op de hoogste inkomensschijven maar effectieve belastingen op het hele bedrag.
     Piketty verwijst soms naar de hoge belastingpercentages (tot 91 %) die in de VS na WO II geheven werden. Maar dat waren marginale aanslagen. De effectieve belastingpercentages voor de 1 % rijksten in de VS waren geen 91 procent maar ongeveer 40 %. Maar nu stelt Piketty
 effectieve belastingen van 90 % voor.
      Voor zijn plan heeft dat een dubbel gevolg: de nagestreefde gelijkheid komt inderdaad snel dichterbij. Maar als de grootverdieners besluiten om het dan maar wat kalmer aan te doen, en minder te gaan verdienen, omdat ze er toch zo weinig aan overhouden, dan komt de financiering van het Wereldfonds wel in de problemen. Men riskeert, zoals Thatcher het ooit samenvatte, ‘running out of other people’s money.’

Dubbele belasting
     Het is in het Piketty-plan niet helemaal duidelijk hoe de verhouding geregeld wordt tussen mondiale en nationale belastingen. Komen die mondiale belastingen bovenop de nationale belastingen? In dat laatste geval zou men wel eens tot samengetelde belastingtarieven kunnen komen van boven de 100 %. Wie gelooft dat dat onmogelijk is, moet maar denken aan de belastingtarieven in Zweden van 50 jaar geleden. Astrid Lindgren, de auteur van Pippi Langkous, moest in die tijd 102 % belasting betalen op haar hoogste inkomenschijf. Ze schreef er het sprookje van Pomperipossa in Monismania over. Zou het Piketty-team in zijn ruwe mondiale schets beter zijn in het vermijden van dergelijke rekenfouten dan de Zweedse belastingspecialisten die zich maar met één land moesten bezighouden?

Belastingen en netto inkomen
     Naast de mondiale belastingen, stelt Piketty voor om de nationale consumptie van materiële goederen af te remmen door extra belastingen. Hij is geen voorstander van hogere indirecte belastingen op consumptiegoederen.  In plaats daarvan stelt hij voor om (nog) hogere nationale inkomensbelastingen in te voeren, waardoor de burgers zelf individueel minder kunnen consumeren, en waardoor er middelen ingezameld worden om meer collectieve voorzieningen te financieren. Dat betekent dus dat in de landen die al een hoge belastingdruk hebben, de nieuwe percentages ver boven de 50 procent zouden uitkomen, met alle gevolgen van dien voor het netto inkomen. 

 Morele en politieke overwegingen
     In de algebraïsche oefening van Piketty worden de gegeven grootheden ingevoerd op grond van morele en politieke overwegingen. Welke inkomensspanning is moreel aanvaardbaar? Hoe moeten we de belastingschalen vastleggen zodat een meerderheid van de bevolking er direct voordeel uithaalt?  Het allereerste politieke programma van de PVDA (1979) was ook op die manier tot stand gekomen. Het bevatte een belastingschema dat nadelig was voor de 10 procent hoogste inkomens, en voordelig voor de 90 procent lagere inkomens. Algebraïsch gesproken dan. Eigenaardig genoeg haalde de PVDA met dat programma geen 90 maar slechts 1 procent van de stemmen. De kiezers geloofden blijkbaar niet dat het schema realistisch was. Dat geloofden de PVDA-leiders zelf ook niet. Piketty daarentegen lijkt wél te geloven in zijn schema
s. 

Populisme
     ‘Populisme vind ik een problematisch begrip,’ zegt Piketty, ‘omdat het label op heel verschillende fenomenen wordt geplakt, zowel op een figuur als Donald Trump als op iemand als Bernie Sanders.’ Het hangt er inderdaad maar vanaf wat men onder populisme verstaat. Eén betekenis is die van demagogie: beloften doen waarvan men weet dat ze niet realiseerbaar zijn. In die betekenis is Piketty geen populist want hij gelooft dat zijn beloften wel realiseerbaar zijn.
     Maar in een andere betekenis is Piketty wel een populist: iemand die vindt dat de meerderheid haar wil moet kunnen opleggen en haar belangen moet kunnen doordrukken, ongehinderd door gevoeligheden en belangen van minderheden, en zonder zich iets aan te trekken van traditionele instituties en grondrechten. In die zin zijn zijn voorgestelde belastingschalen 
‘in het belang van 99 % van de bevolking’ wel degelijk ‘populistisch’.

Politieke meerderheid
 
     Er bestaat in Europa geen enkel land waar vandaag een democratische meerderheid voor het Piketty-plan mogelijk is. Elke centrumpartij, met inbegrip van de sociaal-democraten, en in het algemeen elke partij die ooit aan een regering heeft deelgenomen, zal het plan als onrealistisch verwerpen. Bij de links-populisten zal men het ecologische luik overdreven vinden, en bij veel ecologisten zal men het herverdelingsluik te radicaal vinden. Voor rechtspopulisten gaat de mondiale herverdeling helemaal tegen de eigen volk eerst-ideologie in. Piketty mag beweren dat zijn plan de belangen van 99 % van de bevolking dient, het zal nooit een democratische meerderheid opleveren. Ik behoor sociologisch ook tot die 99 % maar ik zou er niet aan denken om voor Piketty te stemmen mocht hij opkomen in mijn kiesdistrict.

Snel of traag
     Piketty vindt zijn eigen plan ‘gradualistisch’ en ‘bescheiden’ (‘arguably too moderate and gradualist’). Daarmee bedoelt hij dat hij zijn egalitaire doelstelling slechts wil bereiken binnen 75 jaar, in 2100. Maar die deadline lijkt mij een hels tempo op te leggen.
      Ten eerste moeten de radicale hervormingen niet over 75 jaar gespreid worden, maar onmiddellijk worden doorgevoerd om binnen 75 jaar het gewenste effect te hebben. En vervolgens leert de geschiedenis ons dat een snelle productiestijging veel realistischer is dan een snelle stijging van de gelijkheid. In ons land is de productie sinds 1830 ongeveer vertwintigvoudigd. In dezelfde periode is de ongelijkheid slechts gehalveerd (van een gini-index van ongeveer 0,5 tot een van 0,26). De verdwijning van de armoede kwam vooral door de productiestijging, en slechts heel gedeeltelijk door ‘herverdeling.’ Met alleen ‘herverdeling’ ging het inkomen van de armen x 2, met productiestijging x 20, en met een combinatie van de twee x 40.
        (Die 
herverdeling is trouwens zowel door kapitalistische als door socialistische mechanismen tot stand gekomen.)

Utopisch en ondemocratisch
 
     De reacties op het Piketty-plan zijn verdeeld. Links van de sociaaldemocratie waren tal van bewonderaars; bij rechts en linksliberaal vond men het plan utopisch en niet realiseerbaar binnen een liberale democratie. Paul De Grauwe (De Morgen 20/6) vertolkt de mening van veel economen: ‘Dat is pure utopie … Hoe ga je dat organiseren, dat niemand meer dan 5.000 euro verdient, en dat iedereen maar 25 uur per week mag werken … Dat komt dus neer op de invoering van een dictatuur.’ **
     Ik geloof echter dat die kritiek op de linkse bewonderaars weinig indruk zal maken. Ze hebben als het erop aankomt liever een dictatuur dan een democratie, dat wil zeggen een ecologistische, herverdelende, welwillende dictatuur in plaats van een manipuleerbare, kortzichtige en egoïstische democratie. En dat een plan ‘utopisch’, vinden ze al evenmin een bezwaar. Bij zulke mensen hoor je vaak de kreet: ‘We moeten weer durven dromen,’
     Ook op Piketty zal de kritiek niet veel indruk maken. Hij ontkent namelijk dat zijn plan utopisch en ondemocratisch is. Hij heeft het allemaal uitgerekend en de algebra klopt. 

Niet communistisch’
      Paul De Grauwe zegt over het Piketty-plan nog: ‘Dat is pas communisme.’ Dat is alweer een kritiek die op linkse bewonderaars weinig indruk zal maken. Het échte communisme, geloven ze, is nog nooit uitgeprobeerd. En Piketty zelf ontkent dat zijn plan communistisch is, omdat het geen alomvattend gecentraliseerde economie veronderstelt. Hij ziet het gewoon als een ruimere toepassing van de welvaartsstaat zoals die in de Noord-Europese landen functioneert. Van 50 % overheid naar 65 % overheid, terwijl sommigen van ons zich afvragen of de 50 % nog lang houdbaar is. Trouwens sommige van Piketty’s principes – de confiscatie van de fortuinen, een officiële loonspanning van 1 op 5 – zijn tot nu toe inderdaad alleen toegepast geworden in communistische regimes, van Lenin tot Brezjnev.

Noord-Europese landen
     Over het hele rapport verspreid vindt men tientallen verwijzingen naar de Noord-Europese landen. Die landen vertegenwoordigen voor Piketty een voorbeeld van gelijkheid, productiviteit, welvaartsstaat, openbare voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg. Maar die landen hebben dat resultaat niet bereikt langs de weg van een Wereldfonds zoals Piketty voorstelt. Ook zouden ze zelf nog grondige veranderingen moeten ondergaan om aan Piketty’s ecologische model te voldoen. 

Ongelijkheid en welvaart
     Piketty wijdt een hele sectie van hoofdstuk 2 aan de stelling dat ongelijkheid niet nódig is om een grote productiviteit te bewerkstellingen. Hij bewijst dat onder andere door, zoals gewoonlijk, te verwijzen naar de Noord-Europese landen die een grote gelijkheid aan een hoge productiviteit koppelen.
 
    Het klopt natuurlijk dat ongelijkheid op zich geen hoge productiviteit met zich meebrengt. Geen enkele liberale econoom beweert zoiets. Wat zo’n econoom beweert is iets anders: dat de welvaart het snelst groeit als de markt vrij is, ook al leidt die vrijheid tot een ongelijkheid waarvan de precieze hoogte niet kan, mag of moet worden vastgelegd. Het liberalisme voorspelt zelfs dat die ongelijkheid – zeker in consumptie en inkomen, minder in bezit – uiteindelijk redelijk laag zal zijn. ‘A society that puts freedom before equality,’ zei Milton Friedman, ‘will get a high degree of both.’

Immateriële sectoren
     Centraal in het Piketty-plan staat de omschakeling van materiële productie en consumptie naar een grote immateriële sector. De tewerkstelling in die sector is vandaag goed voor 25 % in de hele EU, voor 30 % in België, en voor 35 % in Noord-Europa. Piketty wil dat overal naar 43 % krijgen. De reden is dat immateriële sector – gezondheid, onderwijs, zorg, cultuur – minder belastend is voor het milieu en meer voldoening schenkt. Voor de arme landen wordt er nog altijd materiële vooruitgang voorzien, maar voor de rijke landen komt het neer op degrowth: kleiner wonen, minder verre reizen, geen auto, geen biefstuk – kortom de levensstijl van de armste tien procent nu. Dat wordt in de ogen van Piketty voldoende gecompenseerd door het gestegen immateriële welzijn.

Bureaucratie
     Piketty wil dus de grootste tewerkstelling realiseren in in de immateriële sector. Ik vraag mij af hoeveel van die tewerkstelling uit bureaucratische structuren zou bestaan. Ik bedoel: niet in het utopische plan, maar in de werkelijke wereld. 

Arbeidsduurvermindering, productiviteit en AI
      Voor wie niet graag werkt, is een van de aantrekkelijkste kanten van het Piketty-plan het terugbrengen van de arbeidsduur tot 25 uur. Minder sympathiek is dan weer dat langer dan 25 uur werken verboden zou worden. Of zou men toch ruimte laten voor flexi-jobs?
      Maar die verkorting van de arbeidstijd stelt een nog ander probleem. In het verleden is die altijd mogelijk geweest door stijging van de productiviteit. Maar productiviteitsstijging gebeurt precies in de materiële sector, met automatisering en robotisering. In het onderwijs en de zorg is die veel moeilijker te realiseren. De kans is dus groot dat de productiviteit onvoldoende stijgt om dit onderdeel van het plan – de arbeidsduurvermindering – te realiseren.
     Ik weet overigens niet of Piketty daarvan wakker ligt. De productiviteitsstijging wordt in zijn plan als een gegeven aangenomen, maar niet als doel nagestreefd. De meestbelovende piste voor een verhoogde productiviteit en een verlaagde arbeidsduur is vandaag de ontwikkeling van Artificiële Intelligentie. En wat zegt Piketty in De Morgen

 Ik heb geen probleem met AI, zolang het maar redelijk blijft qua ecologische voetafdruk. Maar op dat vlak ziet het er natuurlijk niet goed uit. Als we over de hele wereld datacenters gaan bouwen, zullen we het probleem van de opwarming van de aarde zeker niet oplossen.

     Als het zo zit, vrees ik dat de drie doelen van Piketty – stijgende wereldproductie, radicale ecologie en arbeidsduurvermindering – onmogelijk samen kunnen worden gerealiseerd.

5000 euro revisited
     Het is tijd om de 5000 euro voor iedereen opnieuw te bekijken in het licht van

  • het verschil tussen BBP per inwoner het het mediane bruto loon (in de Belgische betekenis)
  • de verhouding bruto / netto
  • de nagestreefde loonspanning van 1 op 5
  • de verschuiving van economische activiteit naar de immateriële en collectieve sector
  • de stijging van de directe belastingen om materiële consumptie te ontraden
  • de vergrijzing van de bevolking die zich doorzet onafhankelijk van het Piketty-plan 
      Ik denk dat we met die gegevens, en met de algemene filosofie van het Piketty-plan, uitkomen op nettolonen van 1250 tot 6250 euro, aangevuld met 1000 euro aan cheques (vouchers) die kunnen worden gebruikt voor onderwijs, gezondheid, zorg, organisch voedsel, openbaar transport en cultuur, en uiteraard ook aangevuld met een groter aantal gratis openbare voorzieningen. Om dat in ons land met werkweken van 25 uur te realiseren zou de algemene productiviteit en efficiëntie met 100 procent moeten toenemen en in de materiële sector wellicht met 150 procent. Uiteraard is wat ik hier schrijf ook niet meer dan algebra.
     Er zullen binnen de ecologische beweging zeker mensen bestaan voor wie een dergelijke toekomst als muziek in de oren klinkt, zeker als die ook op wereldschaal zou worden gerealiseerd. Maar het is toch iets anders dan ‘5000 euro voor iedereen.

Geopolitiek
     Ik wou mijn stukje niet beginnen met het gemakkelijkste tegenargument. Ik wil er wel mee eindigen. Het plan van Piketty gaat uit van een grote bereidheid van alle landen en mogendheden om elke rivaliteit te laten varen. Goed, ik wil die mogelijkheid niet uitsluiten voor 2100, maar voor Piketty moet dat mogelijk zijn in 2030 of 2035. Dat is een illusie.
 

 

 

* De grootste vermogens worden belast aan 10, 15 en 20 %, en dat jaar na jaar. Zo smelten de fortuinen weg tot ze het uiteindelijk het niveau van 1.106.000 euro bereiken. Daarna vallen ze niet meer onder de mondiale vermogensbelasting. Grappig is wel die vermogensspanning van 1 op 10. Ik kan begrijpen hoe je de fortuinen door confiscatie kunt beperken tot 1.000.000 maar hoe kun je de kleinverdieners verplichten om minstens 100.000 euro te sparen?

** De hele polemiek van De Grauwe tegen Piketty heb ik hier overgenomen. 

     Wat vindt u van het nieuwe idee van de Franse econoom Thomas Piketty? Hij wil globale herverdeling: wij verdienen nog maximaal 5.000 euro per maand en storten een groot deel van onze welvaart in het Globale Zuiden.

     “Dat is een pure utopie. Ik ga akkoord dat we moeten herverdelen. Bepaalde excessen van ongelijkheid kunnen we fiscaal bestrijden. Ik vond zijn eerste boek ook interessant, over hoe kapitaal sneller groeit dan de economie. Maar nu zit hij ernaast. Ten eerste creëer je geen rijkdom in Afrika door gewoon geld te storten. Daarvoor zijn in die landen politieke hervormingen nodig. Ten tweede: hoe ga je dat organiseren, dat niemand meer dan 5.000 euro verdient, en iedereen maar 25 uur per week mag werken? Dát is pas communisme.” 

     Hoe komt hij daarbij?v

     “De denkfout die Piketty maakt, heeft altijd bestaan. Al sinds Plato denken intellectuelen dat zij alle wijsheid in pacht hebben en weten hoe je de wereld moet organiseren. Dat komt dus neer op de invoering van een dictatuur. Voor het plan van Piketty heb je een dictator nodig die bepaalt hoeveel je mag werken. Veel mensen hebben een toffe job en willen helemaal niet minder werken. En intellectuelen weten het absoluut niet beter.”

     Welke denkfout zit daarachter?

     “Het zijn twee denkfouten. Eén: hebben filosofen of intellectuelen de wijsheid in pacht? Ik zie niet in waarom dat zo zou zijn. Twee: wijsheid kun je sowieso niet centraliseren. Ik ben nogal doordrongen van het idee van de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek: kennis is altijd verspreid, zit in alle hoekjes van de maatschappij, en het marktsysteem is het beste mechanisme om al die kennis te kunnen gebruiken. Filosofen zoals Plato in De ideale staat, maar ook Thomas More in Utopia, dachten dat je kennis kon centraliseren.”

     In een soort dictator, dus.

     “Dat idee heeft een lange traditie in het westerse denken. Het is altijd populair geweest, ook in sommige academische kringen. Veel intellectuelen wantrouwen de markt, omdat ze denken dat ze alles beter weten. Econoom Joseph Schumpeter schreef dat in 1943 in zijn boek Kapitalisme, socialisme en democratie: het kapitalisme moet opboksen tegen de afkeer van intellectuelen. Want eigenlijk zegt de markt: je hebt al die intellectuelen niet nodig.”

     Armoede uit de wereld helpen, dat kan dus ook alleen de markt?

     “Daarvoor hebben we groei nodig en instellingen die inclusiviteit bevorderen. Wij hebben het goed in het Westen, dankzij de markt. Het zou nogal arrogant zijn om tegen die andere 7 miljard mensen te zeggen dat het nu wel volstaat met die groei. Die mensen willen ook allemaal een huis en een auto, die zullen dus nog minstens 50 jaar moeten groeien, zoals wij de voorbije 50 jaar.”

vrijdag 17 juli 2026

De Genuese villa van ILP, e.a



Genuese villa
      
Ilja Leonard Pfeijffer vindt, in een gesprek met Piketty dat De Morgen publiceerde, dat we allemaal best wat armer mogen worden, als er maar meer gelijkheid is. Maarten Boudry antwoordt daarop  

Is er iets bespottelijker (om niet te zeggen degoutanter) dan vanuit je parmantige palazzo in Genua pleiten voor collectieve verarming en de uitroeiing van ongelijkheid? “Wij moeten er niet bang voor zijn, zegt Pfeijffer, om armer te worden, want armoede maakt niet ongelukkig. Alles is relatief. Het enige dat ongelukkig maakt, is armer zijn dan anderen.” Wel Ilja, niemand houdt je tegen om 90% van je inkomen (verdiend dankzij kapitalisme) weg te schenken aan armoedebestrijding. Volgens je eigen logica zal je er al je buren dolgelukkig mee maken (niet mij hoor, het weze je gegund, want je hebt dat geld eerlijk verdiend). 

    Daarop antwoordt professor Jos Joosten (Radboud Universiteit Nijmegen):

 Pfeijffer zegt de laatste jaren steeds vaker politiek zeer verstandige dingen, waar iemand met een democratisch-humanistische kijk op de wereld het alleen maar van harte mee eens kan zijn. Gênant in dat licht is de kritiek van de Belgische kardinaal Rik Torfs en zijn hulpbisschop Maarten Boudry op een interview dat Pfeijffer in ‘De Morgen’ hield met Thomas Piketty … Boudry raast: ‘Is er iets bespottelijker …’ Om op die laatste te vraag te antwoorden: eh...ja! Nóg bespottelijker (om niet te zeggen degoutanter) is wat jij hier doet, namelijk helemaal niet ingaan op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) te berde brengt en zijn opmerkingen reduceren tot zijn eigen woonsituatie … Om te beginnen zegt Pfeijffer niet: iedereen moet meer belasting betalen behalve ik (want reken maar dat hij zelf flink zal moeten betalen als het ooit zover komt).

     Ik heb begrip voor de twee meningen. Boudry sluit aan bij een lange traditie van mensen die vinden dat je ‘consequent’ moet zijn. Als je de herverdeling predikt, begin dan met je eigen rijkdom te herverdelen, anders heb je geen recht van spreken. ‘Luister naar hun woorden, maar zie niet naar hun daden,’ zei Jezus over de Farizeeën.
      Maar dat consequent zijn interesseert mij niet zo erg. Ik ben het zelf ook niet altijd. Ik ben een groot voorstander van een economie die voortgestuwd wordt door ondernemers, maar ik heb in mijn hele leven nooit iets in die richting geprobeerd.
       Ik heb trouwens hetzelfde jeugdtrauma opgelopen als Joosten. Hij schrijft:

 Ik moet denken aan mijn conservatieve katholieke middenstandsouders, voor wie Joop den Uyl de baarlijke duivel in persoon was. Ergens hadden ze iets opgevangen over zijn woonhuis. Steevast zodra Den Uyl wat dan ook te berde bracht zei mijn moeder: die heeft makkelijk praten vanuit zijn grote villa in Buitenveldert.

     Dat was iets wat mijn ouders ook deden. Afgeven op de socialisten die mooie praatjes hadden terwijl ze in de luxe leefden. Mijn vader was vooral gebeten op de saloncommunisten. Ik heb hem daarin nooit gevolgd. Eerst vond ik dat met name die saloncommunisten gelijk hadden, ook al verbleven ze in salons en leefden ze in luxe; later vond ik dat ze ongelijk hadden, maar dat kwam niet door die salons of die luxe, maar omdat ze niet goed nadachten. Dan had ik liever dat ze zich in hun salons opsloten in plaats van opstanden aan te voeren.
     Ik heb met andere woorden altijd vooral het eerste deel van Jezus’ oproep ter harte genomen: ‘Luister naar hun woorden.’ En als ik over die woorden iets te zeggen heb, dan zal ik dat ook doen, en de woonsituatie van wie dat zegt – een antieke villa of een protserig interieur –, dat zal ik er buiten laten.
      Toch ben ik het ook niet helemáál met Joosten eens. Dat Pfeijffer af en toe iets verstandig zegt, geloof ik, maar het halfbakken communisme dat hij in in het gesprek met Piketty verdedigde, hoort niet bij die verstandige dingen. En vooral, Joosten stelt het voor alsof iemand met een ‘democratisch-humanistische kijk op de wereld’ niet anders kan dan het met dat halfbakken communisme eens te zijn. Dat roept bij mij een beeld op van jaren-50 retoriek: ‘Een democraat en een humanist kan vandaag niet anders dan een communist zijn.’ Je hoort het dichter Mark Braet met vaste stem verkondigen op een bijeenkomst van gelijkgezinden.
      In polemiek kan ik wel wat hebben. Goed, het is kinderachtig om de uitval van Boudry – ‘bespottelijk en degoutant’ - tegen hemzelf te gebruiken. ‘Alles wat je zegt, ben je zelf’ past beter bij een kleuter dan bij een professor. Maar voor één keer kan het. Ook is het wreed om een hardnekkige vrijdenker als Boudry de ‘hulpbisschop van kardinaal Torfs te noemen.’ Eigenlijk is zo’n polemische wreedheid maar gerechtvaardigd als er iets grappig mee gebeurt, en of dat hier zo is moet de lezer maar beoordelen.
      Erger – in de zin van bespottelijk, niet in de zin van dégoutant – is het volgende. Joosten verwijt Boudry dat hij ‘niet ingaat op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) te berde brengt.’ Terwijl Boudry heel vaak en heel uitgebreid, in boekvorm en op de sociale media, geargumenteerd heeft tegen degrowth-ideologie van Pfeijffer. Naar mijn smaak vertoont Boudry zelfs de neiging om die expliciete argumentatie té vaak te herhalen. Misschien weet Joosten dat niet maar hij zou zoiets toch even moeten controleren voor hij het schrijft. Vandaag kun je zoiets aan een chatbot vragen.
      En in het tegenargument van de professor is er sprake van een misverstand. Hij zegt dat Pfeijffer voor zichzelf geen uitzondering vraagt op de belastingregeling die hij propageert. Maar dát was niet het argument van Boudry. Die stelde de argeloze vraag waarom Pfeiffer niet onmiddellijk de herverdelingsprincipes toepast door zijn vermogen en inkomen nú al met anderen te delen. In plaats van te wachten op de Piketty-belastingen en daarbij het risico te lopen dat ze nooit worden ingevoerd. Dan kan Pfeijffer toch beter het zekere voor het onzekere nemen. Toch?


The Odyssey
     Ik heb de nieuwe verfilming van de Odyssea gezien in de IMAX-zaal in Brussel. Ik zat pal in het midden van de eerste rij – de enige plaats die nog vrij was toen ik op de dag van de première een ticket kocht. Ik kan die zitplaats voor een IMAX-voorstelling aan iedereen afraden. Anderzijds moet ik toegeven dat het gevoel van misselijkheid na een kwartier weer verdwijnt. 
    De film bevat veel gevechten. Die worden helemaal anders gekadreerd en gemonteerd dan in Troy (2004): minder overzichtelijk, minder gestileerd, meer ruwe chaos. 
Meer Géricault dan Louis David. Meer de Le radeau de Méduse dan Les Sabines. Bij de stills van Troy kon je er geloof ik de vechtende figuurtjes met een schaar uitknippen. Dat zou met de film van Christopher Nolan, met al dat gewriemel van lijven en ledematen, niet lukken, met uitzondering misschien van de scène met de Laestrygonen, de geharnaste reuzen die je op de reclameposter ziet afgebeeld.
 
     Door die poster had ik trouwens een vooroordeel tegen de film: die harnassen waren naar mijn smaak te middeleeuws en de helm van Odysseus te Romeins. Maar in de film valt het mee: er worden zoveel stijlen door elkaar gemengd – zoals in Game of Thrones – dat je je er al snel niet meer aan stoort. Agamemnon heeft een mantel als Darth Vader en een helm als Batman, en het werkt. Het Odysseus-verhaal is een sprookje, en is dat altijd geweest.
     Ook aan de zwarte Helena heb ik mij veel minder gestoord dan ik had verwacht. Het was maar een heel kleine rol, en het was tenminste geen zwarte Anne Boleyn; want dat is, ik ben daar streng in, mijn rode lijn. Maar dat de aanpak van een historische film mee evolueert met de conventies van het tijdperk, daar kan ik niet te zwaar aan tillen. Het was zo in de jaren 50, en het is vandaag nog altijd zo – maar anders. De fantasy-wereld van Nolans Odyssey lijkt in meer dan een opzicht – thematiek, psychologie, moreel universum, taal – op de westerse wereld van vandaag. Die is anders dan de Myceense beschaving van 1200 voor Christus, anders dan de Ionische beschaving van 700 voor Christus, en anders dan de Hollywood-beschaving van 1950 na Christus.
      In de film wordt de raciale diversiteit van de westerse wereld van vandaag gewoon overgeplant naar de half-mytische wereld van de Achaeërs – die in de film trouwens ook niet ‘langharig’ zijn zoals ze nochtans door Homeros worden genoemd. Helena is zwart, haar zus Clytaemnestra is zwart, Athena en Agamemnon zijn niet blank, en de mannen van Odysseus vormen een bont allegaartje. De film opent met een zwarte rapsode die een primitieve versie van het Troje-epos declameert.
      Het is, lijkt mij, een kwestie van proporties. Die rapsode en die manschappen, daar zal bijna niemand over vallen; Helena en Clytaemnestra in die bijrollen, tot daar aan toe*; een zwarte Odysseus of Penelope daarentegen, dat zou een knieval voor woke, een bewuste provocatie, en een commerciële blunder geweest zijn.
     Eigenlijk gelijkt The Odyssey heel goed op de sandalenfilms van mijn kindertijd, alleen is alles beter gemaakt: de toon is waardiger, de vertelling is subtieler, de interieurs zijn beter doordacht, de karakters zijn genuanceerder, de dialogen – hoe plechtig ook –  klinken natuurlijker, en wat de special effects betreft, op dat vlak is er geen vergelijking mogelijk. Die minotaurussen en vechtende skeletten van 60 jaar geleden zijn nu niet meer om aan te zien; en dat waren zij bij het verschijnen van die films ook al niet. Als kind werd ik door schaamte bevangen als ik het ‘brandend braambos’ of de ‘splitsing van de Rode Zee’ op het scherm zag. Special effects zijn trouwens niet alleen een kwestie van techniek, maar ook van goede smaak. Stel: je moet een enogige cycloop opvoeren. Hoe vermijdt je dat het wezen er belachelijk uitziet in plaats van angstaanjagend?
      Twee scènes die ik gemist heb zijn de ontmoeting met Nausicaa en het gesprek tussen Odysseus en Achilles in de onderwereld. In beide gevallen begrijp ik waarom Nolan de scènes heeft laten vallen en moet ik hem gelijk geven: de samenhang van het verhaal wint bij de weglating. Uit de bekende scène met de hond heeft hij dan weer het grootst mogelijke emotionele effect gehaald.
     Een eindoordeel over de film schort ik op. Ik wil hem eerst eens zien in een gewone bioscoop vanop achterste rij. Maar je ziet dat er over alles is nagedacht. Dat is het voordeel van iets te maken dat al vaak gemaakt is. Dat paard, hoe moet er dat uitzien? Primitief gesculpteerd zoals in de verfilming met Steve Reeves (1961)? Of duidelijk samengesteld uit wrakstukken zoals in de film van Wolfgang Petersen? Laten we er iets moois van maken moet Nolan gedacht hebben, iets geheimzinnigs waarvan je niet goed ziet of het van brons of van hout gemaakt is. En waarom zouden we het niet laten steigeren? Ja, waarom niet? En dan begraven we het half in het zand. En dan naar de stad laten slepen, zonder wielen eronder. Dat zal cool zijn.

.* In de Odyssea-verfilming van 1997, die ik zo vaak met mijn zoon gezien heb toen hij een jaar of acht was, werd Calypso ook al gespeeld door een zwarte actrice, Vanessa Williams.      


Conservatieve krant
     Op het VTM-nieuws hoorde ik dat de oproep om Westerse politici te doden was verschenen in een ‘conservatieve Iraanse krant.’ Zo hadden de Duitsers indertijd ook hun 
conservatieve kranten zoals de Völkischer Beobachter en Der Stürmer en Der Angriff. 


Godsbewijs van Gödel
     Van het kosmologisch, het teleologisch en het moreel godsbewijs blijft er door de vooruitgang van de wetenschap niet veel meer over. Maar tegen het ontologisch godsbewijs heeft de fysica minder in te brengen. In de versie van Gödel gaat dat als volgt: áls God mogelijk is, bestaat hij ook, met een wiskundig bewijs om de stelling te ondersteunen. Let wel: Gödel heeft die eerste stap, de mogelijkheid, niét proberen te bewijzen.


De school en het leven
     In de auto luister ik al eens naar chansons van Serge Reggiani – altijd dezelfde waardoor de muziek tot achtergrond wordt en de tekst niet meer tot mij doordringt. Af en toe hoor ik eens een lied dat ik nog niet kende, Le prof, bijvoorbeeld dat eigenlijk van Sylvain Lebel is. Dan dringt de tekst wel door. ‘A huit heures pile, il entrait dans la classe / comme d’autres montent à l’échafaud’ en ‘Sa vie n’était qu’une longue défaite.’ 
     Het is de zoveelste anti-school tirade. De leraar is een sukkel. Hij vertelt onbelangrijke dingen over aardrijkskunde en geschiedenis, over de bolvorm van de aarde, onze voorouders de Galliërs en de nederlaag van Napoleon bij Waterloo. De leerlingen die zich voor zulke zaken interesseren zijn ‘des lèche-culs’. De zanger besluit zijn lied als volgt: 

                Je suis parti voir la gueule de la vie
                Il n'en avait jamais parlé.

     Het is de bekende kritiek van Seneca: ‘Non scholae sed vitae.’ We zouden op school dingen moeten leren die in het leven – het échte leven – belangrijk zijn. Daar heb ik allerlei vragen bij. Moeten we snotapen laten bepalen wat in het leven belangrijk is? Is het ‘la gueule de la vie’ – kleine criminaliteit, prostitutie, het vreemdelingenlegioen – zoveel beter dan een leven gewijd aan studie? En vooral: moeten leraren de boel verpesten door levenslessen mee te geven die men beter zelf kan ontdekken op straat en in de voetbalclub? 


Vertalen
     Een van de bekendste liedjes van Reggiani – eigenlijk van Patrick Bruel -  is ‘L’italien’. Er bestaat ook een Italiaanse versie van. De titel luidt: Il francese.


‘Witte mannen naar achteren’ 
    
 Het is alweer bijna een maand geleden en bij ons is er niet veel ophef over gemaakt. Op 20 juni riep zangeres Sophie Straat iets opvallends op een Nederlands festival: 

‘Ben je een vrouw? Ben je queer? Ben je van kleur? Naar voren! Witte mannen naar achteren. Ik herhaal: witte mannen naar achteren.’ 

Op de sociale media kwamen er natuurlijk felle reacties.
     Ik kom bij dat soort berichten altijd in gewetensnood. Moet ik daar iets over schrijven? Ben ik laf als ik het niet doe? Maar ik kan toch moeilijk doen alsof ik mij beledigd voel, terwijl wat ik echt voel alleen maar een soort vermoeide verbazing is. Alweer? Nog steeds? 
     Het is, vind ik, aan de linkse en progressieve mensen om te reageren. Zulke stupide uitspraken zouden bij hen sterkere emoties moeten oproepen dan bij mij. Boosheid, bijvoorbeeld, omdat hun eigen kamp weer eens belachelijk wordt gemaakt.
      Maar misschien is het plaatsvervangende schaamte die overheerst, en daarover iets schrijven – dat weet ik uit ervaring – is moeilijk. Dan zwijgt men liever. En daarom klaagde de zangeres achteraf dat ze zich door de progressieve media onvoldoende gesteund voelde toen de felle reacties kwamen. Die progressieve media zwegen liever. Behalve geloof ik de VPRO.


Reynebeau
     Een heel eenvoudige maatregel die De Standaard zou kunnen nemen om haar kwaliteit te verbeteren is om de columns van Reynebeau tweewekelijks in plaats van wekelijks te publiceren. Er zijn veel betere maatregelen denkbaar, maar die zouden ofwel meer geld kosten, ofwel meer denkwerk en oordeelsvermogen vragen.


Investeren en controleren
     Wie moet investeren in innovatie? Almachtige techmiljardairs of almachtige regeringen? In beide gevallen stelt zich het probleem van de controle. De regeringen worden onder controle gehouden door verkiezingen, de techmiljardairs worden onder controle gehouden door consumptiegedrag van hun uiteindelijke klanten. De twee – verkiezingen en consumptiegedrag – kunnen worden gemanipuleerd.


D’hanis over de pijn van het zijn
     In een stukje over de duistere machten die onder het kapitalisme ons leven beheersen betreurt D’hanis het lot van de ‘99 %’ die voortsnellen in een ‘steeds nauwere pijplijn school-studie-werk-pensioen-dood.’ Het vat mijn leven goed samen. Alleen de laatste episode ontbreekt nog. Ondertussen zijn er natuurlijk ook wel eens leuke dingen gebeurd. 


Tocqueville over gehoorzaamheid en verkiezingen
     Sinds ik een humeurig stukje geschreven heb over de AI-slop van History After Dark zie ik die memes minder vaak verschijnen op mijn tijdlijn. Ik had toen onder andere aanstoot genomen aan een pseudo-quote van Tocqueville over democratische verkiezingen die gemanipuleerd worden door de rijken, de media, en de grote bedrijven. ‘You are not choosing your government; you are choosing which face the government wears for the next four years.’ Dat was niet Tocquvilles appreciatie van de democratie.
     Ik heb het boek ondertussen helemaal uitgelezen en uiteindelijk iets gevonden wat aanleiding kan hebben gegeven tot de meme. In het tweede boek, deel IV, hoofdstuk VI schrijft Tocqueville over de graad van gehoorzaamheid die een moderne overheid eist van haar onderdanen. 
‘Dans ce système, les citoyens sortent un moment de la dépendance pour indiquer leur maître, et y rentrent.’ Maar dat is nog altijd een heel andere redenering dan die van History After Dark.


De stijl van George Orwell
  
     Ergerlijk is ook de stijl van de History After Dark-memes. Je kunt dat eens grappig vinden, maar wat moet je bijvoorbeeld denken van de volgende woorden die Orwell wordt zou gericht hebben aan de paus? You live in a massive, solid-gold palace, guarded by men with swords, and you toss a completely meaningless copper coin to a starving beggar.’ Dat is niet grappig meer, en wel omdat juist Orwell onophoudelijk een nuchtere, feitelijke, waarachtige stijl aanprees en toepaste. Iedereen weet dat het paleis van de Paus niet uit massief goud bstaat. Er heeft nooit in de geschiedenis een paleis van massief goud bestaan. Orwell zou nooit zoiets schrijven, en al zeker niet als dichterlijke overdrijving.


Koude hand
     In het vierde jaar gaf ik mijn leerlingen heel wat korte verhalen van Herman-Pieter De Boer te lezen. Als je iets uitlegt over narratieve structuren, kun je dat evengoed aan de hand van een leuk verhaal doen. In een van de verhalen jaagt een meester de kinderen in de klas angst aan doordat hij de dood voorstelt als een koude hand. Ondertussen, maar te laat, heb ik een passende illustratie gevonden bij dat verhaal. 



 

dinsdag 14 juli 2026

Subsidies voor naaktloperij

 



     Het is niet makkelijk om in de staatsuitgaven te bepalen wat subsidies, investeringen, structurele uitgaven enzovoort zijn. De federale overheid, zegt men, geeft 66 miljard euro aan subsidies. De Vlaamse overheid geeft 18 miljard. Met een iets andere definitie, krijg je grotere en kleinere bedragen. Voor een libertair als ik mogen de meeste van die subsidies eigenlijk verdwijnen. Maar ik kan er niet goed tegen dat men doet alsof zoiets slechts een kwestie is van vijf minuten politieke moed.
      Van de week zag ik op de sociale media voortdurend dat bedrag van 18 miljard Vlaamse subsidies voorbijkomen, gekoppeld aan een filmpje van twee naakte dansers op de dijk van Oostende. Het was geloof ik een culturele protestactie tegen koning Leopold II (1835-1909) en ze was georganiseerd door het kunstencentrum KAAP. Als je dat bedrag en die dansers naast elkaar ziet, denk je eerst dat dat dansoptreden 18 miljard gekost heeft, en daarna dat die 18 miljard wel allemaal naar vergelijkbare activiteiten is gegaan. Dat is geloof ik niet zo. KAAP ontvangt 2 miljoen subsidies per jaar. Hoeveel daarvan zou naar die naakte artiesten gegaan zijn? Een paar honderd euro?
     Ik ben best bereid een voorzichtig protest tegen deze vorm van openbare zedenschennis te laten horen, maar aan die paar honderd euro wil ik niet te zwaar tillen. Ofwel schrap je alle subsidies voor alle kunstencentra, en dan spaar je inderdaad vele miljoenen, maar haal je je de woede van allerhande kunstliefhebbers op de hals. Ofwel stel je extra controleurs aan om onzinnige, zedenschennende projecten te schrappen, en dan zal je vele miljoenen extra nodig hebben om die controleurs te betalen. 


Van Dalsum en Bette Davis

    De beroemde Nederlandse acteur Albert van Dalsum (1889-1971) ken ik alleen omdat Karel van het Reve hem ergens ter sprake brengt. Karel schrijft dat hij een bepaalde vondst van Annie M.G. Schmidt nog nooit ergens in de wereldliteratuur is tegengekomen, namelijk dat een personage gespeeld door een acteur iets zegt … over die acteur. 

Dus laat ons zeggen een Nederlands stuk uit 1950, waarin als het doek opgaat Jansen, gespeeld door Albert van Dalsum, met zijn vrouw uit de Gijsbrecht thuiskomt en bij het uitrekken van zijn jas zegt: ‘Hoe vond jij die Van Dalsum nou? Ik vond dat hij het er wel erg dik op lei.

    Ik ken de hele wereldliteratuur niet, maar ik weet wel dat het in één geval niet veel gescheeld heeft of die vondst had zijn weg naar het repertoiretoneel gevonden. Sommige van mijn lezers herinneren zich misschien de eerste replieken uit Who’s Afraid of Virginia Woolf

  • Martha: What a dump. Hey, what’s that from? ‘What a dump!’
  • George: How would I know what …
  • Martha: Aw, come on! What’s it from? You know …
  • George: … Martha …
  • Martha: What’s it from, for Christ’s sake?
  • George: What’s what from?
  • Martha: I just told you; I just did it. ‘What a dump!’ Hunh? What’s that from?
  • George: I haven’t the faintest idea what …
  • Martha: Dumbell! It’s from some goddamn Bette Davis picture  … some goddamn Warner Brothers epic …
  • George: I can’t remember all the pictures that …
  • Martha: Nobody’s asking you to remember every single goddamn Warner Brothers epic … just one. Bette Davis gets peritonitis, and she’s married to Joseph Cotton or something …      

     De hilarische dialoog gaat nog even door, over Bette Davies die ‘comes home from a hard day at the grocery store’ en Bette Davis die ‘walks into the modest living room of the modest cottage modest Joseph Cotton has set her up in.’  De lezer heeft het ondertussen begrepen. Het heeft niet veel gescheeld of het was Bette Davis die de rol van Martha had gespeeld in de film en die dus zou blijven zeuren zijn over Bette Davis. De auteur van het stuk had het heel graag gewild, en Bette Davis zelf ook. Maar de regisseur besliste dat het Elizabeth Taylor moest zijn.


 

maandag 13 juli 2026

Israël: feiten en cognitieve dissonantie

     Raar is het wel dat er over Gaza zo bitter geruzied wordt terwijl de grote feiten door niemand worden ontkend. Op 7 oktober werden bij een raid ongeveer 1.200 Israeli’s gedood en ongeveer 250 Israëli’s gegijzeld. Op 8 oktober lanceerde Israël een oorlog waarbij 70.000 Palestijnen omkwamen, waarvan ongeveer 2/3 burgers, en waarvan 1/3 minderjarigen. Ik ken weinig Israël- of Palestina-mensen die déze feiten betwisten. Er wordt veel gespeculeerd over de motieven, bijvoorbeeld of het Israëlisch leger een speciaal beleid had om zoveel mogelijk kinderen te doden, maar dát er veel kinderen door kogels, granaatscherven en instortende gebouwen omgekomen zijn, wordt door iedereen aangenomen.
      Natuurlijk zijn er ook meningsverschillen over de feiten zelf. Zo geloof ik niet, in tegenstelling tot mijn vriend M.L., dat het Israëlisch leger waterputten vergiftigd heeft. Of, belangrijker, ik geloof niet dat er een massaal voedseltekort geweest is met duizenden hongerdoden tot gevolg. Maar dat zijn, vergeef mij de uitdrukking, details in het grote geheel. Wat de feiten betreft, geloof ik ongeveer hetzelfde als M.L., F.D., Y.D. en P.V.O.
     De grote feiten worden dus door niemand ontkend. Iets anders is echter de neiging om bepaalde feiten te negeren of onbewust te vergeten. Dat doet men om cognitieve dissonantie te voorkomen als die feiten het eigen verhaal zo flagrant tegenspreken dat men ze geen plaats kan geven. Zelf krijg ik vaak het verwijt dat het anti-Palestijns geweld op de Westbank niet verenigbaar is met mijn geloof in Israël als liberale democratie. Ik zie echter geen tegenspraak. Een land kan best vrije verkiezingen hebben en de burgerlijke vrijheden respecteren en tegelijk optreden als een schurk buiten de eigen grenzen.
     Voor de cognitieve dissonantie in het Palestina-kamp kijken we spontaan naar de slachtpartij van 7 oktober en de ideologie van Hamas. Dat zijn inderdaad zaken waar de Palestina-mensen niet graag over spreken en die ze liever zouden negeren. Maar ik veronderstel dat de meesten van hen die feiten zonder al te veel moeite in hun algemeen beeld kunnen integreren. Zij kunnen die feiten wel degelijk ‘erkennen’ als ze er maar niet te veel over moeten nadenken. Bijvoorbeeld: ‘Ja, Hamas is ook slecht, maar dat is geen verantwoording voor de veel grotere misdaden van het Israëlisch leger.’ Die redenering moet voor veel Palestina-mensen volstaan om er weer tegenaan te kunnen.
       Er is iets anders wat voor hen veel moeilijker integreerbaar is. Wat de Gaza-oorlog verder nog moge geweest zijn, het was óók een oorlog, dat wil zeggen een gewapend conflict tussen twee strijdmachten: het Israëlisch leger en de Hamas-milities.  Ik ken weinig Palestina-mensen die dát onder ogen willen zien. Als je daarover spreekt, beginnen ze onmiddellijk over iets anders, zonder het feit eerst even in hun brein toe te laten. Ik heb één iemand gekend die het anders deed en de oorlogssituatie radicaal ontkende: hij had, zei hij, op televisie nog geen enkel beeld van gevechten gezien. 
      Slechts heel af en toe kom je een flauwe poging tegen om de cognitieve dissonantie met een expliciete redenering weg te werken. Ik vond er een bij de Italiaanse historicus Enzo Traverso*:

Gezien de ongelijkheid tussen de IDF (het Israelische leger) en Hamas hebben we hier niet te maken met twee legers, maar met beulen en slachtoffers, een leger en een burgerbevolking – precies de omstandigheden die gepaard gaan met genocide. 

     Die redenering berust op een flagrante non sequitur:          

  1. Het leger van Hamas was militair zwakker dan dat van Israël
  2. Dus het leger van Hamas was geen leger
  3. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking 

    Dan levert het impliciet negeren van het militaire karakter van de oorlog een betere redenering op.

  1. (Er wás helemaal geen oorlog tegen Hamas-milities**)
  2. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking***. 

    Alleen kun je de eerste stap van de redenering niet uitspreken, niet neerschrijven, en liefst ook niet dénken. 

* Enzo Traverso’s boek Gaza Faces History wordt, samen met andere Palestina-propaganda, besproken door Matti Friedman, ‘Introduction tot Gazology’, gepubliceerd op 21 april 2026 op Thefp.com. Een vertaling vindt men op de FB-pagina van Geraard Goossens.

** Ook mooi is natuurlijk de kettle logic in dit verband. Er wordt niet gevochten tegen Hamas-milities en bovendien worden de Hamas-milities juist sterker als reactie op de Israëlische agressie. 

*** Ten overvloede: ik wil hier niet die conclusie – het IDF voerde oorlog tegen de burgerbevolking – weerleggen; ik wil alleen de redenering tegenspreken die tot die minstens eenzijdige conclusie leidt.

  

zaterdag 11 juli 2026

De leek, de kritikaster en Demir, e.a.

 


De leek, de criticaster en Demir
     
Voor wie zich op de sociale media begeeft om maatschappelijke commentaar te geven staan verschillende wegen open.  Een frisse scheldpartij kan deugd doen aan het hart. Een kreet van verontwaardiging kan de ziel tot rust brengen. Met fijne ironie kan men het gevoel van eigenwaarde een boost geven. Voor mezelf helpt het om wat scherper na te denken over zaken waar ik toch vanzelf al over nadenk. En dat nadenken doe ik uitdrukkelijk als de leek die ik ben. Ik wil wel iets lezen over een kwestie, een paar cijfers memoriseren, een paar drogredenen weerleggen, maar ik moet daarbij altijd oppassen dat ik niet te hoog van de toren blaas.
     Als je te hoog van de toren blaast, word je al snel, zoals onze hoofdartikelschrijvers, een criticaster of, wat ongeveer hetzelfde is, een pseudo-expert. Ik ben voor een republiek der letteren waarin de leek en de expert de degens kruisen, maar ieder in zijn rol, en met wederzijds respect. De leek moet kennis nemen van wat de expert te vertellen heeft, en de expert moet zich af en toe uitdrukken in de taal van de leek. Dat is wat vaak fout liep tijdens de corona-discussies. Leken gebruikten de experts als omgekeerd kompas, en experts drukten zich uit in de taal van de kleuterjuf.
     Voor de leek is het al veel als hij beseft hoe complex de problemen zijn. Ik las laatst op een FB-pagina een vrij redelijk stuk over de federale subsidies. Die waren te hoog, vond de leek van dienst. 66 miljard euro, dat kon gerust met 10 miljard minder. Ik denk dat die leek gelijk heeft. Hij wilde ook wel eens nadenken op welke posten er kon worden bespaard. Op onderzoek en ontwikkeling kon men beter niet besparen, maar onderwijs, dat moest toch goedkoper kunnen. Met enkele krantenknipsels in de hand had de leek vanuit zijn keukentafel, op de achterkant van een gebruikte enveloppe, uitgerekend dat 0,7 tot 1,5 miljard kon worden bespaard door onder andere een rationalisering van parallelle netten en administratie.
     Ik geloof dat de logica van dat commentaar juist zit, en de achterkant-van-de-enveloppe-cijfers lijken mij ook plausibel. Wellicht moeten we die richting uit. Wat me dan weer minder bevalt is dat ik bij dezelfde auteur, in een ander stukje, de volgende uitval tegen Zuhal Demir aantref:

Op onderwijs gedraagt Demir zich als een olifant in een porseleinenwinkel. In snel tempo volgen nieuwe hervormingen, ingrepen, schaalvergrotingen en besparingsoperaties elkaar op … Alles moet efficiënter, strakker en beter meetbaar.  … Achter termen als “flexibilisering” en “efficiëntere organisatie” ziet het onderwijsveld vooral harde besparingen. Grotere klasgroepen, graadklassen en schaalvergroting betekenen in de praktijk minder individuele aandacht voor leerlingen.  … Levensbeschouwelijke vakken zijn vaak één van de laatste plaatsen waar nog ruimte bestaat voor gesprekken over twijfel, geweten, verantwoordelijkheid, dood of zingeving. Dat net die ruimte wordt afgebouwd, is bijzonder zorgwekkend.

      Zo is het nooit goed. Zelfs een elementaire rationalisering van de levensbeschouwelijke vakken wordt van tafel geveegd met algemeenheden die naast de kwestie zijn aangezien niemand de vakken wou afschaffen. Maar hoe kun je langs je neus weg de afschaffing van de parallelle netten voorstellen en tegelijk vasthouden aan de absurde toestanden van klassen met één leerling die het vak Protestantse Godsdienst volgt. Ik heb ooit lesgegeven in een klein Atheneum waar ik voor Nederlands een klas van 36 leerlingen had, dat wil zeggen het volledige vierde jaar. Ik ben vergeten in hoeveel groepen die klas uiteenviel voor levensbeschouwing, maar het waren er veel.
     En dan: grotere klasgroepen is volgens onze leek ook al geen goed idee. Misschien heeft hij gelijk. Maar aangezien hij de hoge kostprijs van het Vlaamse onderwijs graag afzet tegen andere landen waar het zuiniger toegaat, mag er ook eens gewezen worden op de grotere klassen die in die andere landen gangbaar zijn.
     Ik zeg niet dat dat FB-stukje dat op Demir afgeeft onredelijk is, al valt het niet goed te rijmen met wat de auteur elders schrijft over efficiëntie, rationalisering en besparing. Op zich echter vat het stukje goed samen wat andere criticasters in het onderwijs en in de pers tegen Demir inbrengen. Alleen heb ik iets tegen stukjes waarvan je voelt dat de auteur op geen enkel moment de andere kant van het verhaal heeft overwogen en gewoon alles overneemt wat in zijn polemisch kraam past. Of in dit geval: nogal gemakkelijk aanneemt dat er geen andere kant bestaat omdat die in de pers niet aan bod komt.
      Zo schrijft de auteur ook: ‘Scholen, leerkrachten en directies krijgen almaar minder ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken.’ Dat geeft de zaak verkeerd weer, en ik spreek dit keer niet als leek en buitenstaander, maar als gewezen leerkracht. In werkelijkheid is de ‘ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken’ gedurende eerdere decennia afgebouwd, en werd éénzelfde nefaste pedagogische keuze opgelegd door ministerie, koepel, en inspectie, vaak met de medeplichtigheid van directies. Dat Demir nu ruimte creëert voor een ándere pedagogische keuze maakt haar voor mij de beste Onderwijsminister van de laatste 50 jaar.  



Derde Wereldoorlog

     Jo Komkommer vertelt in een autobiografisch stukje over een gesprek tussen zijn vader en garçon Vincent van restaurant De Linde.

Op een keer dwaalde, tijdens het opnemen van de bestelling, het gesprek af en kwam de oude vader van Vincent ter sprake. “Die man heeft toch veel meegemaakt. De Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog,…” Mijn vader – die hoopte dankzij de Russen alsnog het einde der tijden te mogen meemaken – voegde er triomfantelijk aan toe: “En binnenkort de Derde Wereldoorlog!” Vincent noteerde de bestelling van de avond en antwoordde bedachtzaam: “Als alles goed loopt natuurlijk, meneer Komkommer…”’     

Annie M.G. Schmidt maakt een vergelijkbaar grapje in háár autobiografie.

Toch vind ik het interessant om zo’n groot stuk eeuw te hebben meegemaakt. Twee wereldoorlogen en als ze een beetje opschieten nog een derde.

     Er bestaat geloof ik een beperkt areaal aan mogelijke grappen, die dan door verschillende mensen op verschillende tijdstippen zelfstandig ontdekt worden. Gelukkig is de taal zo soepel dat die grappen iedere keer weer een lichtjes anders ingekleed worden.


Fietsslot 
   Ook al staat mijn fiets in Oostende in een gesloten fietsstalling, toch doe ik hem voor de zekerheid op slot. Als ik mij voorover buig om het slot los te maken denk ik altijd heel even aan de film Barney’s Version (2010), meer bepaald aan een vroege scène met Barney en zijn vrienden op een caféterras in Italië. Ik geloof nochtans niet dat er in die scène een fiets, een fietsslot of een fietsstalling voorkomt.