‘Ras bestaat niet’
Op de opiniepagina’s van De Standaard (2/10) stond een groot stuk geschreven door vier biologische experts onder de titel ‘Ras bestaat niet, behalve als sociale constructie.’ Het is in de eerste plaats een les in genetica. Daar valt niets op aan te merken. Het stuk vat goed samen wat ik elders over de zaak gelezen heb, en helpt me om het beter te begrijpen. Maar het stuk heeft ook een polemische inslag. Hier en daar valt een beledigend woord. Cofnas wordt een ‘rassenfabulist’ genoemd en professor Mortier heeft een formulering gebruikt ‘waar een geneticus achterover van valt.’ Zoiets valt ruim binnen de grenzen van het welvoeglijke, evenals de andere kunstgrepen waar – zij het matig – gebruik van wordt gemaakt: een milde stropopredenering, een vage veralgemening, een sluwe suggestie en een gemakzuchtige verzwijging. Niemand kan het de polemisten kwalijk nemen dat ze – zij het matig – gebruik maken van die kunstgrepen. En niemand zal het hopelijk kwalijk nemen dat ik op die kunstgrepen wijs.
Professor Mortier heeft inderdaad de claim van Cofnas en Co over IQ-verschillen tussen ‘rassen’ ongelukkig geformuleerd door te spreken van ‘verschillende huidskleur’. De experts antwoorden dat huidskleur eigenlijk alleen te maken heeft met de hoeveelheid zonlicht in de streek waar iemands verre voorouders leefden. We mogen veronderstellen dat Mortier dat ook wel wist, maar in een informeel praatje een wat korte bocht nam.
Verder, en meer ten gronde, leggen ze uit dat er maar één menselijk ‘ras’ bestaat, dat we binnen dat ene ras alleen verschillende ‘populaties’ kunnen onderscheiden, dat die populaties, gedeeltelijke verschillen in DNA vertonen, dat die gedeeltelijke verschillen geen scherpe begrenzing toelaten, en dat de variatie binnen de populaties groter is dan die tussen de populaties onderling. Dat zijn allemaal stellingen die niet alleen onweerlegbaar zijn, maar ook pertinent in de discussie.
De conclusie die uit al die stellingen volgt is deze: ‘Ras bestaat niet’ en ‘afkomst is een statistische reconstructie.’ Het tweede deel van de conclusie is scherp en precies, maar het eerste deel lijkt mij een vage veralgemening, zoals ‘de vrije markt bestaat niet’, of ‘de oorlog in Gaza was disproportioneel, of ‘de anti-Israël protesten zijn antisemitisch.’ Zelfs als die conclusies juist zijn, dekken ze niet de volledige feiten, noch de redenering die eraan voorafgaat.
Ter illustratie verwijs ik Charles Murray’s Human Diversity waar de auteur uit de statistische reconstructie een tegenovergestelde – en in zekere zin evenmin gefundeerde conclusie trekt: ‘ras bestaat wel.’ Murray vertrekt van de genetische analyse uitgevoerd door Li, Absher, Tang, et al. (2008). Je stopt allerlei gegevens van het Human Genome Diversity Project in een de computer en dan vraag je die onbevooroordeelde computer om de gegevens op te delen in een aantal (K) clusters volgens afkomst en zonder al te veel mengvormen. Het resultaat is het volgende
2 K: Zwart Afrika, Oost-Azië
3 K: + ‘Kaukasisch gebied’
4 K: + Amerika (oorspronkelijke bewoners)
5 K: + Oceanië
6 en 7 K: ‘Kaukasisch gebied’ valt uiteen in
Europa
Midden-Oosten en Noord-Afrika
Centraal- en Zuid-Azië
Die zeven groepen die de computer onderscheidt lijken redelijk goed overeen te komen met wat Murray noemt de categorieën van ‘self-identified race and ethnicity.’ Ze komen te goed overeen om de thesis ‘ras is alleen maar een sociale constructie’ zonder meer aan te nemen. Maar anderzijds zijn er in de zeven groepen te veel mengvormen en overlappingen om ‘ras’ tot een onwrikbare biologische realiteit te verheffen.
En uiteraard kun je de computer ook een om een opsplitsing in 12, 33, of 79 groepen vragen. Je kunt, lees ik bij Murray , de analyse blijven verfijnen. Als je de Europese bevolking analyseert met 100 of 1000 genetische kenmerken blijft ze homogeen, maar met 100.000 kenmerken ontstaan redelijke grenzen om Italianen, Spanjaarden, Duitsers en Roemenen af te zonderen, terwijl bijvoorbeeld de grenzen tussen Britten, Nederlanders, Zweden en Ieren redelijk vaag blijven. Enzovoort.
Met hun uitleg over ‘ras’ hebben de experts in zekere zin een stropop bevochten: een onnauwkeurige formulering van professor Mortier, en een stelling die academische rassenrealisten niét verdedigen. Het pleit voor de experts dat ze dat beseffen en dat ze ook een sterkere versie van de bestreden stelling onder handen nemen. Ze schrijven:
Daarmee is de centrale claim van de rassenrealist, of liever rassenfabulist, nog niet helemaal van tafel. Hij of zij kan immers antwoorden: laat die grove categorieën als ‘zwart’ en ‘wit’ dan achterwege en vergelijk beter omschreven populaties. Kunnen verschillen in gemeten intelligentie tussen zulke populaties dan wel deels genetisch zijn?
Ook in dat verband brengen ze een aantal onomstreden bevindingen in herinnering. Dat intelligentie niet alleen afhangt van genetica, maar ook van omgevingsfactoren. Dat de erfelijkheid van intelligentieverschillen binnen de populaties niet bewijst dat de intelligentieverschillen tussen populaties óók erfelijk zijn. Dat er weinig doorgedreven genetisch onderzoek bestaat over Afrikaanse populaties, waar de variatie heel hoog is. En ten slotte: dat de genetische component van intelligentie onnoemelijk complex is. Daarom besluiten ze:
Het eerlijke wetenschappelijke antwoord is niet dat genetische verschillen tussen populaties onmogelijk zijn. Wel dat we niet weten of ze bestaan, hoe groot ze zouden zijn of in welke richting ze zouden werken.
De hele tekst suggereert iets anders, maar mij lijkt het dat de auteurs hier wezenlijk hetzelfde zeggen als wat professor Mortier zei: ‘dat de uitspraak vals is, is nooit aangetoond. En het tegendeel, dat ze waar is, ook niet.’ In tegenstelling tot de algemene suggestie die hun tekst kleurt, schrijven de experts hier dat de wetenschap het (nog) niet weet.
Nu is het op zich redelijk om deze onwetendheid als argument te gebruiken tegen de ‘rassenfabulisten’. ‘De claim aan de basis van het hele debat,’ schrijven de experts, ‘vindt in de genetica geen steun.’ Maar daarmee wordt een ander type onderzoek verzwegen dat wél in de richting wijst van een genetische basis voor groepsverschillen in IQ. The Bell Curve (1994) indertijd trok de aandacht op het vrij grote verschil in IQ-testresultaten – 10 à 15 procent om het wat eenvoudig uit te drukken – tussen Amerikanen van Europese en Afrikaanse afkomst**.
De cijfers van die de Bell Curve citeerde waren onweerlegbaar, en de auteurs ondernamen een uitgebreide poging om ze statistisch te analyseren. De mogelijke bias van de IQ-test werd onderzocht. De sociale, culturele en andere factoren die de testresultaten konden beïnvloeden, werden een voor een onderzocht en uit de cijfers gefilterd. De auteurs concludeerden dat een genetische component waarschijnlijk, maar niet bewezen was.
Op de argumentatie van de Bell Curve is veel en grondige kritiek gekomen, maar lang niet alles werd onomstotelijk of volledig weerlegd, zodat mensen als Cofnas nog altijd op dat soort onderzoek – en het moderne vervolgonderzoek – kunnen voortbouwen om hun eigen constructies op te zetten. Of ze daarin te voortvarend zijn, of meegesleept worden door vooroordelen, kan ik niet inschatten. Ik beweer alleen dat hun hypothese – misschien is het voor hen een dogma – niet alléén afhangt van het biologisch-genetisch onderzoek.
Achteraf beschouwd hebben de auteurs van de Bell Curve zich over minstens één zaak grondig vergist. Ze voorspelden dat hun IQ-onderzoek binnen enkele decennia achterhaald zou worden door de biologische genetica. Het is niet zo gegaan. Het menselijk genoom blijkt ingewikkelder in elkaar te zitten dan ze hadden gedacht.
* Over professor Mortier, zie mijn stukje hier.
** Uiteraard is er ook een gemeten IQ-verschil tussen de Afro-Amerikanen en de Afrikanen in Afrika. Bij die laatste kan met grote zekerheid aangenomen worden dat de sociale omstandigheden – o.a. de armoede – een zeer grote rol spelen. Tussen haakjes: de genetische variatie tussen de Afro-Amerikanen is veel minder groot dan die onder de Afrikanen op het Afrikaanse continent.
Overlastplegers in Antwerpen
De Standaard (8/10) bericht over een interne nota van de korpschef van de Antwerpse politie, Serge Muyters. Hij vraagt dat men overgaat tot bestuurlijke arrestaties wan overlastplegers ook als ze op dat moment geen aanleiding daartoe geven. Daarmee worden mensen bedoeld die opgenomen zijn in een app van de politie omdat ze bekend staan voor openbare dronkenschap, druggebruik, vechtpartijen, bedelarij, vuilstorten, lastig vallen van voorbijgangers enzovoort.
De richtlijn is geïnspireerd door het kabinet van burgemeester Els van Doesburg. ‘Onze doelstelling is dat Antwerpenaren niet worden lastiggevallen door agressieve, aanklampende (vaak illegale) lavelozen,’ zegt een woordvoerder. ‘Volgens het kabinet,’ schrijft De Standaard, ‘trof de politie de voorbije weken tbc, schurft, een een vleesetende bacteren aan tijdens verschillende acties.’
Het zal altijd een delicate oefening blijven: het evenwicht bewaren tussen ‘vrijheid’ en ‘law and order,’ het recht van iedereen om te gaan en staan waar hij wil, en het recht van de brave burger om zich veilig te voelen. De kwestie wordt wel eens aangeraakt in Amerikaanse films over de jaren 30: hobo’s met een pet of slappe hoed op, die door de politie worden achternagezeten terwijl ze op dat moment geen misdaad hebben begaan, behalve dan de victimless crime van zich in een goederentrein te verstoppen om gratis mee te reizen.
Aan de andere kant, men begrijpt waarom de ordehandhavers in die materie graag zelf ook wat vrijheid hebben om preventief op te treden. Moeten ze echt wachten tot met geijkte procedures is vastgesteld dat de de have- of laveloze weer een burger heeft lastiggevallen? Wat als deze have- of laveloze zich koest houdt zolang de politie zichtbaar in de buurt, en daarna weer in zijn storende gedrag vervalt? De Standaard van de dag erop (9/10) laat buurtbewoners aan het woord die opgelucht zijn dat er iets gebeurt, dat er ‘een grens getrokken wordt’, en dat de veiligheid ‘iets beter’ is geworden.
Natuurlijk zit er nog altijd een interne paradox in zo’n preventieve arrestatie. Als men een moderne landoper zonder directe aanleiding voor 12 uur kan opsluiten, kan men hem dan na zijn vrijlating, als hij een tiental meter verder gewandeld is, niet opnieuw zonder directe aanleiding opsluiten? Hij voldoet immers nog altijd aan de richtlijnen voor administratieve arrestatie. Maar in de praktijk zal men het wel zo ver niet drijven.,
Terwijl ik het moeilijk heb om hier een standpunt in te nemen, en eigenlijk overhel naar law and order, heeft Karel Verhoeven geen moeite om resoluut voor het andere kamp te kiezen. Misschien helpt het dat de maatregel een N-VA-stempel draagt. Hij hekelt het gebrek aan wettelijk kader. Het Antwerpse beleid zou volgens hem de herinvoering van de oude wet op landloperij verreisen. Ik weet niet of dat waar is en of men een aanhouding van 12 uur kan gelijkstellen aan een langdurige opsluiting in Meksplas.
Verder schrijft Verhoeven de Antwerpse burgermeester de waangedachte toe dat de overlastbezorgers ‘na 12 uur cel rap zullen veranderen.’ Dat zou zeker een illusie zijn. Maar geldt dat ook niet voor de oplossing die hij zelf suggereert: meer hulpverlening?
Hoe het leven waar die mensen aan lijden weer een beetje rechter te trekken, de hardnekkige verslavingen, de jaren van miserie, geestelijke en lichamelijke ziektes, armoede, isolement, dat is niet meer aan de orde.
Tegen die hulpverlening als wonderzalf zijn veel bezwaren in te brengen. Een van die bezwaren heeft Verhoeven in een vorige alinea vermeld, waar hij de overlastplegers karakteriseert als ‘mensen die elke hulpverlening weigeren.’




