donderdag 25 juni 2026

De gepolitiseerde hittegolf, e.a.

 


De gepolitiseerde hitte-golf
     Mensen van rechts storen zich bij de huidige hittegolf minder aan de warmte dan aan wat zij als een overdreven dramatische berichtgeving erover ervaren. Zij zien er een verborgen agenda in om de klimaatopwarming als politiek thema te promoten – een soort groen-linksliberaal ‘hondenfluitje’. Verder storen ze zich aan de flauwdoenerij en de betuttelende raadgevingen: veel water drinken, de centrale verwarming een graadje lager zetten, de gordijnen toedoen en elke sportbeoefening vermijden in de volle zon.
     Als die rechtse rakkers van mijn generatie zijn, vinden ze bovendien dat vroeger alles beter of straffer was. In de weerberichten werd niet zo flauw gedaan. Nu ja, Armand Pien waarschuwde ook wel eens voor een zonnesteek, maar toch niet zo vaak, menen we ons – misschien verkeerd – te herinneren. En hebben wij de zomer van 1976 niet overleefd? Wij zeurden niet over enkele warme dagen na elkaar, wij waren er blij om. We fietsten naar het openluchtzwembad en luisterden op ons transistorradio’tje naar Abba.
      Nou ja, zelf fietste ik ik niet naar dat openluchtzwembad, want ik was mijn paracommando-opleiding aan het voltooien. Dat sportbeoefening in de volle zon moest worden vermeden, stond niet in het handboek van het regiment. En de heetste dag was geloof ik de dag van de testen, met de gevreesde speed march net op het ogenblik dat de loden ploert op zijn hoogste punt stond. Na de speed march ben ik trouwens met kramp en hyperventilatie opgenomen in het ziekenhuis. Gelukkig hadden ze bij het regiment van die inspuitingen die ze nu niet meer maken. Na enkele uren was ik weer op de been, en kon ik de dag erop de speed march nog eens overdoen, maar dan binnen de tijdslimiet.
     Ach, ik maak er een karikatuur van, maar het is waar dat ik mij als rechtse rakker stoor aan de hitterecordberichtgeving, en aan de opvoedende campagnes over water drinken, en insmeren, vooral als men mij dan ook nog vertelt, zoals in De Standaard van 24/6, dat ik geen airco mag installeren*. ‘Er zijn alternatieven,’ schrijft De Standaard. Dat is waar. Zowel in Keerbergen als in Oostende hebben we geen airco en zorgen we op een andere manier voor verkoeling. Maar bij zo’n educatief stuk krijg ik zin om alsnog een A/C te bestellen voor Keerbergen én Oostende.
      Die opvoedingscampagnes werken niet alleen op mijn zenuwen, ik ben er ook helemaal van overtuigd dat ze niets uithalen. Als ik eerlijk ben, moet ik echter toegeven dat die overtuiging op niets dan vooroordeel teruggaat. Het is een soort wishfull thinking: ik hóóp dat ze niet werken. Toch blijkt uit heel veel wetenschappelijk onderzoek dat opvoedingscampagnes wél werken, zij het niet bij iedereen en niet altijd. Een van de beste voorbeelden is de Europese hittegolf van augustus 2003. Er stierven tijdens die canicule 2003 in Frankrijk 15.000 mensen extra door de hitte. Men heeft toen een overheidscampagne uitgewerkt met registratie van kwetsbare personen, meer airco in zorginstellingen, en heel veel ‘bewustwordingscampagnes’ voor burgers en zorgpersoneel. Het resultaat was dat bij de hittegolf van 2019 het aantal extra doden slechts 1/10 was van dat van 2003.
    En mijn andere ergernis is dus de hitterecordberichtgeving. ‘De warmste dag sinds het begin van de metingen.’ ‘Alweer een hittegolf.’ ‘Bijna een hittegolf.’ Nu zou ik makkelijk kunnen antwoorden dat die hittegolven tot het ‘weer’ behoren en niet met het ‘klimaat’, maar dan zou ik toch van slechte wil zijn. Alleen heb ik zoals altijd een hekel aan geïsoleerde cijfers. Geef mij globale cijfers. De laatste 50 jaar is de temperatuur in de wereld met 1 graad toegenomen. Dat is duidelijk. In West-Europa is de temperatuur zelfs 2 graden toegenomen. Dat is ook duidelijk. Maar als ik hoor dat er nu tien keer meer tropische dagen zijn dan 50 jaar geleden dan vind ik dat misleidend. Tien keer meer, stel je voor!  Terwijl het in werkelijkheid betekent dat er 9 dagen van 28 of 29 graden vervangen zijn door dagen van 30 graden. Dat is al heel wat anders dan ‘tien keer meer.’ 

* Over airco staat dan weer op de opiniepagina van dezelfde Standaard een genuanceerd, relativerend, hoogst informatief en bovendien goedgeschreven stuk. Met enkele wijzigingen kon het stuk van pagina 7 naar de opiniesectie verhuizen, en omgekeerd. Maarten Boudry schreef voorspelbaar een geëngageerd en goed gedocumenteerd pleidooi om de levensreddende rol van airco te benadrukken, zoals hij indertijd de levensreddende rol van de corona-maatregelen bezong. Het staat hier. Frank D’hanis beweert dat hij dat pleidooi zelf ook had kunnen schrijven, als hoax en als parodie, maar ik geloof hem niet helemaal. En nu ik erover nadenk: heb ik vroeger zelf niet iets over airco geschreven? Ik zoek het op, en jawel, op 6 november 2015 plaatste ik een badinerend stukje over dat onderwerp (zie hier). Ik zie dat het een foutje bevat. Ik nam toen aan dat het aantal hittedoden in de arme landen groter is dan in Europa. Het is omgekeerd, onder andere omdat het gebruik van airco in Europa politiek niet correct is. 


De genocide-discussie (2)
      Elke keer als ik het woord ‘genocide’ zie opduiken in verband met de Gaza-oorlog, voel ik een onberedeneerde ergernis. Ik probeer nu even dat gevoel te onderdrukken. Wat kan iemand bedoelen als hij over de ‘genocide in Gaza’ spreekt. Laten we ons een beschaafde discussie voorstellen tussen een Israël- en een Palestina-sympathisant. Beiden zijn het over enkele zaken eens. De Israëlische oorlog was een antwoord op de Hamas-raid, en op de beschietingen door Hamas de voorbije jaren.  Er zijn door bombardementen en schietpartijen ongeveer 70.000 Palestijnse doden gevallen. Veel van die doden waren burgerslachtoffers, journalisten, vrouwen en kinderen. Er zijn hoogstwaarschijnlijk oorlogsmisdaden begaan door Israëlische soldaten. In die beschaafde discussie zal de Palestina-sympathisant het woord ‘genocide’ gebruiken en de Israël-sympathisant zal dat woord verwerpen. Wat kan de Palestina-sympathisant met het woord bedoelen?  De zes lagen die ik in een vorig stukje introduceerde maken verschillende betekenissen mogelijk, al kunnen ze ook allemaal gecombineerd worden.

  1. Een meerderheid van juridische experts noemen de oorlog ‘genocide’
  2. Het aantal en de weerloosheid van de slachtoffers maakt een historische vergelijking mogelijk met de holocaust, de massamoord in Rwanda, of de slachtpartij in Srebrenica waarbij meer dan 8000 mannen vanaf 14 jaar werden werden geselecteerd en geëxecuteerd omdat ze moslim waren
  3. 90 tot 95 procent van de slachtoffers waren burgers die die vielen bij bombardementen en schietpartijen op scholen, hospitalen en woonwijken
  4. De intentie van het Israëlisch leger en de Israëlische regering was om zoveel mogelijk burgerslachtoffers te maken, hetzij als wraak, hetzij om het gebied vrij te maken voor Joodse kolonisatie
  5. Zelfs als het aantal burgerslachtoffers slechts 65 à 70 procent bedroeg, blijft de oorlog misdadig na afweging tegen een onmogelijk te bereiken militair doel: de uitschakeling van Hamas
  6. De oorlog in Gaza had als bedoeling de oprichting van een gedekoloniseerde staat tussen de rivier en de zee onmogelijk te maken. 


‘Kinderen in Gaza opzettelijk vermoord’
     De UN Independent International Commission of Inquiry on the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem heeft op 23 juni een rapport gepubliceerd over het lot van de kinderen tijdens de oorlog in Gaza. Ik geef eerlijk toe dat ik enig wantrouwen koester tegen zulke rapporten nog voor ik ze ingekeken heb.
      Er wordt rond de Gaza-oorlog een propaganda-oorlog gevoerd, van beide kanten uiteraard*, en bij de anti-Israël propaganda zie je een opdeling van slachtofferschap zodat de gruwel nooit uit de actualiteit verdwijnt: de Palestijnse journalisten, de Palestijnse vrouwen, het Palestijns medisch personeel, de Palestijnse hongerdoden, en nu dus de Palestijnse kinderen, dat wil zeggen dat deel van de bevolking onder de 18 jaar.
     Maar laat ik mijn vooroordeel opzijzetten en het rapport toch maar eens doorbladeren. De Commissie noemt zichzelf immers ‘Onafhankelijk’. Maar ‘onafhankelijk’ betekent hier geloof ik niet zozeer dat de commissieleden zich neutraal opstellen als wel dat ze namens zichzelf spreken, en niet namens de VN.
      De eindconclusie van het rapport heeft in elk geval het redactioneel van De Standaard gehaald (24/6). Koen Vidal citeert:

De Israëlische autoriteiten en veiligheidsdiensten stellen opzettelijk handelingen die de dood en ernstig lichamelijk en geestelijk letsel hebben toegebracht aan honderdduizenden Palestijnse kinderen. Er zijn redelijke redenen om te concluderen dat deze daden deel zijn van een opzettelijke strategie om de toekomst van de Palestijnen in Gaza te vernietigen door hun kinderen tot doelwit te maken.’     

     Vidal vat andere conclusies van het rapport als volgt samen. ‘Snipers en dronepiloten mikken op de vitale organen van de kinderen in Gaza.’ ‘Het onderzoek legt de systematiek bloot achter de dood van 21.280** Palestijnse kinderen, en stelt zo de verantwoordelijkheid van de Israëlische regering zwart-op-wit vast.’
     Over dat ‘zwart-op-wit’ heb ik enige twijfel. Het rapport bevat, zoals dat gebruikelijk is, enkele case studies gebaseerd op getuigenissen**. Artsen vertellen over hun dode patiënten, ouders vertellen over hun dode kind, enzovoort. Het engagement van de enen en het verdriet van de anderen dwingt eerbied af. Maar dat betekent niet dat die mensen het best geplaatst zijn om alle omstandigheden van de tragedie te beoordelen. Ze hebben de kogel gezien, en wat die heeft aangericht, maar over het schot zijn ze meestal, zoals iedereen, tot geloofwaardige en minder geloofwaardige speculaties veroordeeld. Er zijn geen getuigenissen van executies of fusillades, wel van het meedogenloze neerschieten van jongeren die, bewust of vanwege een misverstand, een bevel negeerden. Dat is een situatie die we ‘kennen’ van films over urban warfare. Denk aan Bradley Cooper die in American Sniper een kind neerschiet dat de rules of engagement overtreedt***.
       Maar ik hou beter op met vitten over de case studies. De VN-mensen moesten roeien met de riemen die ze hadden. En de feiten staan – in hun grote lijnen –  niet ter discussie. Er zijn meer dan 20.000 Palestijnse kinderen en jongeren gedood, er hebben tijdens de oorlog bombardementen en beschietingen plaatsgevonden waarvan de autoriteiten redelijkerwijs moesten weten dat er, gezien de demografie****, veel slachtoffers onder de 18 jaar zouden vallen, en het is meer dan redelijk om aan te nemen dat de volledige Palestijnse jeugd – de ‘honderdduizenden’ van het VN-rapport –  getraumatiseerd uit de oorlog is gekomen.
      Over deze feiten zijn er twee speculatieve verklaringsmodellen gangbaar. Het eerste verklaringsmodel is dat Israël een militaire vijand wilde uitschakelen en zich daarbij niet liet weerhouden door de gedachte aan talrijke burgerslachtoffers, waaronder, aangezien de helft van de bevolking minder dan 18 jaar is, bijzonder veel kinderen en jongeren. Het tweede verklaringsmodel is dat van de VN-commissie en van Vidal. Israël wilde ‘de toekomst van de Palestijnen in Gaza vernietigen’ en heeft daarbij geprobeerd zoveel mogelijk kinderen te doden, te verwonden en te traumatiseren.
     De ene verklaring sluit de andere niet uit. Als wordt aangenomen dat er tientallen kinderen opzettelijk zijn doodgeschoten door schietgrage of sadistische soldaten, hebben we te maken met oorlogsmisdaden. Als wordt aangenomen dat er duizenden kinderen – daarom niet alle 21.280 – zijn doodgeschoten of doodgebombardeerd als bewuste strategie om de Palestijnse jeugd uit te dunnen, dan hebben we te maken met ‘genocide’.
     Ik begrijp dat elke gebombardeerde school een argument is voor de genocide-hypothese. De anti-zionisten zullen overigens ook wel weten dat er voor die bombardementen andere verklaringen bestaan. Omgekeerd kan elk gefaciliteerd voedselkonvooi, en elke waarschuwing om te evacueren, als argument worden ingebracht tegen de genocide-hypothese. 
      Er zijn in de Gaza-oorlog meer dan 70.000 Palestijnen omgekomen, gedood, vermoord of afgeslacht. Welk woord we gebruiken verandert niet veel aan het onvoorstelbaar menselijk leed. Als humanist zeg ik: elke dode was er een te veel. Als gematigd zionist zeg ik: het hadden er veel minder kunnen zijn. Als cynicus zeg ik: het hadden er veel meer kunnen zijn – als de Israëlische autoriteiten het opzet hadden gehad dat de VN-onderzoekscommissie hun toedicht.

* Het volledige rapport van de Commissie staat hier. Propaganda van de ‘andere’ kant vindt men op de site van het Jerusalem New Syndicate hier. Een vrij grondig antwoord op het rapport werd geformuleerd door UN Watch (hier en vooral hier). Kritische commentaren vindt men in het artikel van The Spectator hier en op de FB-pagina van Siegfried Tempels (hier en hier). Gelukkig had ik geen van die stukken gelezen toen ik mijn eigen stukje schreef, anders was het veel langer geworden.  

** Ik weet niet precies waar Vidal zijn cijfer van 21.280 vandaan heeft gehaald. Het rapport spreekt van 20.179 jonge slachtoffers.

*** Veel critici in Israël zelf vonden de rules of engagement in de Gaza-oorlog te eenzijdig gericht op de bescherming van de eigen soldaten ten koste van de veiligheid van de Gazaanse burgers. 

**** De helft van de Gazaanse bevolking is minder dan 18 jaar. Als de Israëlische bombardementen en schietpartijen volledig at random hadden plaatsgevonden, waren er 35.000 kinderen en jongeren gedood. Als speciaal de jeugd was geviseerd, was het nog meer geweest. Deze redenering wordt ontwikkeld op de FB-pagina van Siegfried Tempels. Daaronder staan ook enkele reacties van antizionisten die de redenering tegenspreken. 

maandag 22 juni 2026

De genocide-discussie e.a.


De genocide-discussie
     Een beroemd verhaal van Raymond Carver heet What Do We Talk About When We Talk About Love? Daar moet ik aan denken als ik de zoveelste online-discussie zie over de genocide begaan door het Israëlische leger. Waar discussiëren we over als we discussiëren over genocide? Alhoewel  discussiëren meestal niet het goede woord is voor de dovemansgesprekken over de tienduizenden burgerslachtoffers in de Gaza-oorlog.
         Laat ik eens proberen om enkele lagen te onderscheiden.

  1. Juridisch: wat is de juridische definitie van het woord en wie spreekt daar een ultiem oordeel over uit?
  2. Semantisch: wat is de betekenis van het woord ‘genocide’ in relatie tot het aantal slachtoffers, de historische connotaties, en de omstandigheden, de frequentie en de intensiteit van begane wreedheden …
  3. Feitelijk: o.a. wat is verhouding tussen het aantal militaire en burgerslachtoffers onder de Gazanen?
  4. Speculatief: wat zijn de onmiddellijke en de ultieme intenties van de Israëlische regering en het Israëlische leger in Gaza?
  5. Moreel: zijn die intenties moreel aanvaardbaar en zijn de gebruikte middelen proportioneel?
  6. Polemisch: in welke mate wordt het woord gebruikt als afkorting van een politiek-ideologische sympathie, overtuiging of agenda?


Journalistiek en sociaal engagement

      Het is altijd een goed idee om álle journalistiek – vanwege de intrinsieke kenmerken van het medium – met wantrouwen tegemoet te treden. Zelfs de oorsprong van het woord – journal – verwijst meer naar de waan van de dag dan naar waarheidsvinding vanuit diep inzicht en breed perspectief. Maar vandaag is dat wantrouwen, lijkt mij, groter dan vroeger. Mensen op rechts én op links wantrouwen de mainstream media als een soort regime-pers.
      Het wantrouwen op rechts is recenter. Conservatieve lezers van een zekere leeftijd ergeren zich aan de linksliberale oriëntatie van de media, en aan de nadrukkelijkheid waarbij die oriëntatie wordt beleden. Ze hebben de indruk dat de kwaliteitsmedia in vroeger tijden een neutralere opstelling nastreefden. Zelf kan ik die indruk niet controleren omdat ik vroeger amper kranten las en dus niet weet ‘wie es recht eigentlich gewesen ist.’
     Behalve enkele complotdenkers, beseft iedereen dat de linksliberale opstelling van de media nogal spontaan tot stand gekomen is. Daar was niet veel sturing voor nodig. Maar de keuze voor een meer neutrale of een meer geëngageerde opstelling is geloof ik wel een bewuste keuze van hoofdredacteurs. Ik kan mij voorstellen dat Karel Verhoeven over zo’n kwestie lang en diep nadenkt. Hij moet daarbij rekening houden met zijn eigen geweten, de modetrends, de concurrentie en de verkoopcijfers.
    Die modetrends interesseren mij. Is er in de laatste 100 jaar een ononderbroken evolutie geweest van neutrale naar geëngageerde berichtgeving. Of hebben we hier, zoals zo vaak, met een slingerbeweging te maken. En waar bevond zich de slinger in de jaren 50 van vorige eeuw?
     De film
 Teacher’s Pet (1958) gaat over die verschuiving van modes. Clark Gable is iemand van de oude school: de journalist is voor hem een vakman die de feiten moet achterhalen en die ze beknopt en zakelijk moet weergeven. Doris Day daarentegen ziet de journalist als een intellectueel die het nieuws met een sociale interpretatie en humane boodschap moet verrijken. Zij lijkt de nieuwe mode te vertegenwoordigen. Maar is die mode werkelijk nieuw? Ze spiegelt zich vooral aan haar vader die van een nog oudere school is dan Gable, en dié school had dan weer heel veel sociale boodschap te brengen, zij het met minder intellectuele pretenties. 


De ondergang van mens en beschaving
     Als we echt vinden dat de beschaving ten onder gaat – aan het neoliberalisme, het rechtspopulisme, het militarisme, de consumptieverslaving, de staatsschuld, de belastingdruk, de massamigratie, de groene waanzin, of de feminisering van alle waarden – hoe moeten we daar dan mee omgaan? Frank D’hanis op FB heeft zijn keuze gemaakt. ‘Ik heb zelf niet de persoonlijkheid om stilzwijgend en waardig de val van de beschaving te aanschouwen. Dan liever roepend en schreeuwend tot het laatst.’
  
     Dat is inderdaad een kwestie van persoonlijkheid en stijl – die zich niet alleen stelt bij de ondergang van de beschaving in zijn geheel, maar ook bij de ondergang van elk mens afzonderlijk. Velen zullen hierbij denken aan het gedicht van Emily Dickinson aan de ene kant, en dat van Dylan Thomas aan de andere kant. 

Because I could not stop for Death -
He kindly stopped for me -
The Carriage held but just Ourselves -
And Immortality.

versus

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.


Alice and Steve (2026)
     De lof van Sam De Wilde voor de televisieserie Alice en Steve (DS 17/6) is terecht. Alice is een carrièrevrouw en haar beste vriend Steve is een kapper die beroemdheden onder zijn klanten heeft. Het loopt fout als Steve een relatie krijgt met de 26-jarige dochter van Alice. De Wilde: ‘Net wanneer de soms wel erg zwarte humor een tikkeltje te donker of venijnig dreigt te worden, verrassen de makers met onverwachte opflakkeringen van oprechte tederheid.’ Dat is een mooie typering.
     In een van de afleveringen leert Steve de vrienden van zijn jonge geliefde kennen. Alice is er ook bij en wrijft Steve een aantal van zijn vorige uitspraken onder de neus: dat Woody Allen, die nochtans van iets beschuldigd wordt, mooie films gemaakt heeft, dat het niet zeker is of recyclage wel echt werkt, en dat China het ook niet nauw neemt met de ecologie … De vrienden van zijn jonge geliefde reageren gechoqueerd en verontwaardigd. Kritiek op China vinden ze zelfs ronduit racistisch.
      Als ik zulke scènes zie in een film, voel ik mij tegelijk bedreigd en machteloos. Bedreigd, omdat ik als boomer, in een onbewaakt ogenblik, dezelfde dingen zou kunnen zeggen als Steve; machteloos omdat die gechoqueerde vrienden zulke lieve sympathieke en verstandige mensen zijn, geen idiote, congenitale fanatici.

 

White Collar (2009-2014) en ’Allo ’Allo! (1982-1992)
     White Collar is een nogal flauwe politiereeks waar ik op dode momenten, vóór de komst van Netflix, toch heel wat afleveringen van heb gezien. Onlangs zag ik heel toevallig de eerste aflevering van de reeks – de pilot. Die bevatte in vijftig minuten ongeveer alle verhaallijnen, tics, gimmicks en leidmotieven die dan daarna over zes seizoenen werden uitgesmeerd.
 
    Dezelfde ervaring heb ik ooit gehad met de serie Allo, allo. Flauwe reeks, maar toch heb ik op dode momenten zeker 20 van de 85 afleveringen gezien, met altijd dezelfde grappen. Maar op een keer zag ik toevallig de pilot, en die vond ik onwaarschijnlijk grappig. Alle grappen die ik al twintig keer had gezien waren in die eerste aflevering onverwacht levendig en fris. Waarom eigenlijk? 


Servant (2019-2023)
     De serie Servant is te langdradig om alle seizoenen uit te kijken. Het stempel van Shyamalan en de inspiratie van Polanski zijn overal zichtbaar, tot in het dodelijk trage tempo toe. Maar het is knap gefilmd hoor, en Lauren Ambrose als geobsedeerde moeder speelt iets klaar dat ik nog nooit eerder gezien heb. Het personage is onsympathiek over de hele lijn, zonder daarom erg slecht te zijn. Ze is banaal, narcistisch, gevoelloos, ijdel, bazig, labiel, hysterisch en hypocriet.  Ze heeft geloof ik geen enkele redeeming quality. En toch kijk je er geboeid naar, zonder je te ergeren. Er zit een nauwelijks merkbare ironie in haar portrettering die haar palatabel en zelfs interessant maakt. 


The Mastermind (2025) en O Agente Secreto (2025)
     Hoewel ík de films gekozen had, zijn het toch meer films voor mijn vrouw. Ik hou van een zekere voorspelbaarheid in de plot en in de emotionele opbouw, waardoor je beter kunt letten andere zaken zoals de vorm. Maar arthouse films als The Mastermind en O Agente Secreto werken zónder klassieke plotelementen. Ze laten niet zien wat je gewoonlijk ziet, en ze laten wel zien wat je gewoonlijk niet ziet. Je ziet gebeurtenissen, maar herkent geen verhaal. Dan ben je bent verplicht om op de vorm te letten. Dat vind ik meestal minder fijn.


Nuremberg (2025)
     Nuremberg is een film voor wie wel al van Adolf Hitler, maar nog nooit van Hermann Göring of Julius Streicher gehoord heeft. Russell Crow is een degelijke, charismatische Göring. De film is een beetje dom door een teveel aan klassieke plotelementen. Men wil er een rechtbankdrama van maken, met een sluwe aanklager en een sluwe beklaagde. Göring herhaalt met een mengeling van overtuiging, cynisme en aplomb dat hij niet op de hoogte was van de Jodenuitroeiïng. De aanklager moet een list bedenken, iets als in A Few Good Men, waar Tom Cruise het zo moet aanleggen dat Jack Nicholson uiteindelijk in de rechtszaal roept: ‘You can’t handle the truth,’ en daarmee zichzelf verraadt.
 
     De list in Nuremberg is kinderachtig voor iemand die iets van het nazisme afweet. De welbespraakte Göring houdt eerst goed stand. Maar dan is er een half clandestiene afspraak tussen de psychiater die Göring moet opvolgen en een van de aanklagers. Een groot geheim wordt geopenbaard. De aanklager komt te weten dat Göring nooit in het publiek afstand zal nemen van Hitler! In de rechtszaal blijkt dat die nieuwe informatie goud waard is. Het is de deus ex machina waardoor alles nog goed komt, behalve voor Göring natuurlijk.

vrijdag 19 juni 2026

Bussen voor het buitengewoon onderwijs

 


     Op mijn vorige stukje over Aumann kreeg ik een leuke reactie van een PVDA-vriend: ‘Interessant maar ik had een verdediging verwacht van een nieuw dieptepunt van je N-VA-vrienden, namelijk de besparing van 11 miljoen euro op de schoolbussen voor kinderen met een beperking.’ De besparing is ondertussen afgevoerd, maar dat doet er nu niet toe.
     
  De ironische spot van de boodschap was mij liever dan de gebruikelijke morele verontwaardiging. Maar verdedigen? Ik denk er niet aan. Elke besparing op dat busvervoer is een argument voor de vijanden van goed onderwijs, zoals Bart Brinckman van De Standaard. Die grijpen dat aan om overal het buitengewoon onderwijs te vervangen door ‘inclusief’ onderwijs.
      Bovendien is elke besparing op het buitengewoon onderwijs heel slechte publiciteit voor de partij. Als ik lid was van N-VA, had ik de voorbije dagen in paniek iedereen opgebeld, geschreven en gemaild dat ze die maatregel onmiddellijk moesten doen intrekken*. En als ik spindoctor van de partij was, had ik voorgesteld om die 11 miljoen te halen bij het cultuurbudget van Caroline Gennez.
     Maar ik ben geen N-VA-lid. Ik heb niets te verdedigen of te veroordelen of – ook mooi – te begroeten. Die werkwoorden moeten geloof ik in de wij-vorm worden vervoegd. De veel te vroeg gestorven PVDA-journalist Wim D. schreef zo. Hij ging op reportage naar Marokko, kwam terug met straffe verhalen die hij op café vertelde, maar in de partijkrant werd dat al gauw: ‘We begroeten de heldhaftige strijd van het Polisariofront voor de algehele bevrijding van de westelijke Sahara.’ Ik zie het mij al doen. ‘Wij begroeten vanachter ons klavier de heldhaftige strijd van kameraad Annick De Ridder om de uitgaven voor het openbaar vervoer onder controle te krijgen.’
     Nee, verdedigen, ik begin er niet aan. Maar relativeren, minimaliseren, contextualiseren, normaliseren, dat kan ik als de beste, bijvoorbeeld door de recente besparing in een ruimer tijdsperspectief te plaatsen. Het budget waarvan sprake bedroeg 

  • in 2021: ca. 76 miljoen 
  • in 2025: ca. 150 miljoen
  • in 2026: ca. 140 miljoen (ondertussen weer 150 miljoen)

     Het leerlingenaantal in het buitengewoon onderwijs is in dezelfde periode ook toegenomen, maar slechts met ca. 15 %. Ook de gedachte dat de kwetsbaarste leerlingen ‘in de steek worden gelaten’, is voor relativering vatbaar. De vervoerssubsidie bedraagt per kind ca. 2.500 euro per jaar;** het onderwijs zelf voor die kinderen kost gemiddeld het dubbel van het regulier onderwijs: 22.500 euro per jaar. Die ruimere subsidiëring is overigens volkomen terecht, maar spreekt tegen dat hier iemand ‘in de steek wordt gelaten.’
     Voor het drama van de lange busritten die kinderen in het buitengewoon onderwijs moeten afleggen, ben ik niet ongevoelig, zolang men de kwestie niet aangrijpt om te overdrijven, zoals Frank D’hanis dat doet. Ik heb zijn stuk daarover zoals altijd snel gelezen. In de inleiding beschrijft hij het droeve lot van de leerling in het reguliere onderwijs. De schooluren zijn immers niet afgestemd op de biologische klok van pubers, en als ze dan ook nog eens uren onderweg zijn van en naar school zijn de leerlingen vrijdagnamiddag het laatste lesuur zo uitgeput als 19-eeuwse proletariërs na een 14-urige werkdag.
      Daar is iets van. Ik heb 25 jaar elke vrijdagnamiddag van het schooljaar lesgegeven tijdens dat laatste uur. De leerlingen waren dan ofwel loom ofwel rumoerig. Ik had in beide gevallen medelijden. Maar als ze medelijden met zichzelf hadden (‘Mijnheer, ’t is vrijdag’) raadde ik hen aan om in het leven nooit de rol van loser te kiezen. En bij te rumoerige klassen gaf ik elke vrijdagnamiddag een leerzame toets die een lesuur duurde. Dat leverde voor mij veel verbeterwerk op, maar voor de leerlingen was het uur pedagogisch gesproken ten minste niet verloren.
     Maar die busritten. Mijn zoon had geluk. Wij woonden op 10 kilometer van de school. 25 minuten fietsen of 35 minuten bus. Meestal koos hij het laatste. Bij de leerlingen in het buitengewoon onderwijs ligt de school meestal veel verder. Er zijn veel minder van die scholen en niet alle ouders kunnen verhuizen om dichter bij de school te gaan wonen. Dan zijn langere busritten een noodzakelijk kwaad. Een enkele rit duurt dan 

  • minder dan 1 uur: ca. 67 % van de leerlingen
  • tussen 1 uur en 1,5 uur: ca. 27 % van de leerlingen
  • meer dan 1,5 uur: ca. 6 % van de leerlingen    
    Die 6 % zijn dus in zekere zin de kwetstbaarsten van de kwetstbaarsten, waar een fatsoenlijke maatschappij, volgens filosoof John Rawls, de meeste aandacht en de meeste zorg aan moet besteden. Maar er is geen formule om uit te rekenen hoevéél aandacht en hoe gróót de zorg precies moet zijn. Ik hoor dat de PVDA te keer is gegaan in het Vlaams Parlement over de kwestie. Ik begrijp dat. Een vermindering van een budget lokt het bekende verschijnsel van verliesaversie uit. Was het budget altijd 140 miljoen geweest, en de PVDA had 10 miljoen te besteden, dan had ze het misschien aan een ander sociaal project gegeven. En nog iets anders. Is de PVDA eigenlijk tevreden met die 150 miljoen? Moet dat eigenlijk geen 300 miljoen zijn? Of 600 miljoen, overgeheveld van het Defensiebudget, zodat álle leerlingen van het buitengewoon onderwijs met een enkele rit van een half uur ter bestemming komen. Een half uur is eigenlijk nóg lang.
    140 miljoen, 150 miljoen, 300 miljoen, 600 miljoen … de filosofie van Rawls biedt zoals gezegd geen formule om een bedrag te berekenen. Uiteraard is Rawls geen demagoog die gelooft dat het geld onbeperkt vanuit Defensie of vanuit de bankrekening van enkele miljonairs kan worden overgeheveld. De zorg voor de zwaksten en kwetsbaarsten is iets wat bekostigd wordt door de hele samenleving en vooral door de belastingbetalende middenklasse. Het is een nulsom spel. Wat je uitgeeft aan het buitengewoon onderwijs, kun je niet uitgeven aan het reguliere onderwijs.
      Alleen zou ik als liberaal de collectieve oplossing – busvervoer – minder opdringen. Je kunt de gezinnen met kinderen een bepaald onvoorwaardelijk budget toekennen waarmee ze zelf aan de slag kunnen. Willen ze daarmee een busabonnement kopen, dat is één mogelijkheid. Willen ze een woning huren dichter in de buurt van de school: ook goed. Willen ze deeltijds werken, zodat ze zelf hun kind naar de school kunnen brengen: dat is ook een mogelijkheid.

***

     Ik noemde Bart Brinckman hierboven een vijand van goed onderwijs vanwege zijn redactioneel van 18 juni in De Standaard. Dat redactioneel stak ongunstig af tegen het genuanceerde stuk van Bart Eeckhout van 17 juni in De Morgen. Brinckman legt de volle nadruk op 
inclusief onderwijs als alternatief: als de kinderen die nu buitengewoon onderwijs volgen in een reguliere school terecht konden was het vervoerprobleem opgelost.
     Dat kun je op twee manieren doen: je gooit die leerlingen zonder meer in de gewone klassen. Ik had het als leraar niet graag meegemaakt. In het beste geval wordt dan in die inclusieve klassen rekening gehouden met de speciale noden van die leerlingen, ten koste van de andere leerlingen***. Ofwel pas je de gewone scholen aan, met bijvoorbeeld extra leerkrachten, orthopedagogen, psychologen, zorgoverleg,  schoolbrede bijscholingen, gespecialiseerde apparatuur, en zijn de kosten van dat alles nog hoger dan die van het buitengewoon onderwijs, verplaatsingen inbegrepen****.
      In een beperkt aantal gevallen kan de integratie  in het reguliere onderwijs overigens wél gebeuren zonder dat één van de partijen daarbij nadeel van moet ondervinden. Voor leerlingen met autismespectrum, waarvan sommigen nu in het buitengewoon onderwijs terechtkomen, schijnt traditioneel klassikaal onderwijs beter geschikt dan de chaotische werkvormen die lang in de mode zijn geweest. En dat traditioneel klassikaal onderwijs is ook beter voor de andere leerlingen.


* Met loyalere coalitiepartners en een N-VA-vriendelijke pers was ik misschien minder in paniek geraakt.

** Die 2500 euro is als je alle kinderen in het Buitengewoon Onderwijs telt. Als je alleen die kinderen telt die ook echt gebruik maken van de bussen is het geloof ik 5000 euro per kind.

*** Soms is een kleine aanpassing voldoende, en dan heb ik geen bezwaar tegen ‘inclusiviteit’. Ik maakte mijn cursus op in lettertypte Times New Roman 9,5 pt. Leerlingen met dyslexie konden desgewenst een exemplaar krijgen afgedrukt op  Arial 14 punt met grotere interlinie. De cursus was drie keer zo dik en vier keer zo onoverzichtelijk. Maar in de geest van het inclusieve M-decreet destijds kreeg ik van mijn directie te horen dat álle leerlingen zo’n Arial 14-punt exemplaar moesten krijgen. Zie ook mijn stukje over het M-decreet hier.  


**** Ik stel het hier nu wat scherp. In de praktijk kan inclusie van sommige leerlingen in het basisonderwijs inderdaad het beste compromis zijn, zowel op het vlak van de kosten als op dat van de pedagogische mogelijkheden. 

Discussiëren: Leibnitz, Bayes, Aumann


   Tot voor kort had ik nog nooit gehoord van die technische term, maar nu ik weet ongeveer wat common knowledge betekent. Als Jan en Mieke allebei onafhankelijk van elkaar weten dat het regent, hebben ze elk apart private knowledge. Als Jan toevallig van Mieke weet dat die op de hoogte is van de regen, en omgekeerd, hebben hebben ze reciprocal knowledge. Het wordt pas common knowledge als Jan weet dat Mieke weet dat het regent en Mieke weet dat Jan weet dat zij het weet, en Jan weet dat Mieke weet dat Jan weet dat Mieke het weet … Enzovoort. Om die oneindige reeks* te bereiken is het meestal voldoende dat Jan tegen Mieke zegt: ‘Het regent,’ waarop Mieke antwoordt, ‘Ja, ik weet het.’
      De drie tekeningen hieronder illustreren de verschillende vormen van kennis. Bij de tweede tekening reciprocal knowledge – zien Jan en Mieke allebei het figuurtje, en door een sleutelgat zien ze ook elkaar,  maar dát ze door de andere ook gezien wórden, dat weten ze niet. 
Private knowledge

Reciprocal knowledge

Common knowledge


     In de vierde tekening zie je de oneindige kennisreeks van Jan: hij weet dat Mieke weet dat hij weet dat Mieke weet … enz. 

De oneindige ketting van common knowledge

     
      Over die common knowledge heeft Steven Pinker een heel boek geschreven. Ik heb het gelezen
de tekeningen hierboven komen uit het boek en telkens als ik iets niet goed begreep was daar mijn chatbot die het voor mij in nóg simpeler woorden uitlegde, en die bereid was om geduldig al mijn domme vragen te beantwoorden. Men zegt soms dat er geen domme vragen bestaan, maar dat is omdat men mij niet kent.
     Met het begrip common knowledge kunnen we bijvoorbeeld beter begrijpen hoe een taboe werkt. Taboe-kennis is iets wat iedereen weet, en iedereen kan vermóeden dat iedereen het weet, maar omdat niemand erover spreekt weet je nooit zeker of de anderen weten wat je weet, en omgekeerd. Zo’n taboe situatie heeft zijn voor- en nadelen. Sommige zaken blijven beter onuitgesproken.
     Het sprookje van de keizer zonder kleren laat verder zien hoe een taboe kan worden doorbroken. Je denkt: hé de keizer heeft geen kleren aan, maar je weet niet of degene die naast je staat weet dat je dat denkt. Alleen als de kleine jongen dat luidop, openlijk en expliciet zegt wat iedereen al wist, wordt de naaktheid van de keizer
common knowledge. Dan weet iedereen dat iedereen weet dat …, enzovoort.
     Men begrijpt meteen dat common knowledge belangrijk is bij meningsverschillen en discussies. Het is in zulke gevallen goed dat misverstanden vermeden worden, dat de gesprekspartners elkaars standpunt en argumenten zo goed mogelijk kennen, dat ze van elkaar weten dat ze elkaars standpunt kennen, enzovoort.
Common knowledge is in zekere zin het tegenovergestelde extreem van een misverstand.

***

      Pinker had mij pas goed bij mijn nekvel toen hij de stelling van Aumann begon uit te leggen. Die gaat namelijk over iets dat mij al langer interesseert: als we met elkaar discussiëren, zouden we dan in een ideale wereld niet tot een gemeenschappelijke conclusie moeten komen? Zouden we, naar het woord van Leibnitz, die gemeenschappelijke conclusie niet kunnen uitrekenen? Of is de hoogst denkbare conclusie van een beschaafd gesprek: let’s agree to disagree. Aumann heeft met wat elementaire formules bewezen dat de conclusie let’s agree to disagree vanuit wiskundig oogpunt gezien irrationeel is. Hij heeft er de Nobelprijs voor gekregen.
      Over feiten kun je niet discussiëren, over semantiek moet je niet discussiëren, over veralgemeningen mag je niet discussiëren en over morele kwesties kun je eindeloos discussiëren. Maar de stelling van Aumann gaat over iets anders: over veronderstellingen, over plausibiliteiten, over speculaties**. Is het dan niet beschaafd en logisch om elkaars speculaties – waar niemand zekerheid over heeft – te respecteren? Beschaafd misschien, zegt Aumann, maar niet logisch.
       Om de redenering uit te leggen worden de bayesiaanse termen prior, evidence en posterior gebruikt.  

  • Prior: de eerste inschatting, gebaseerd op voorkennis en vooronderstellingen
  • Evidence: nieuwe informatie
  • Posterior: de tweede inschatting, na rekening gehouden te hebben met de nieuwe informatie 

    Dit is de stelling zoals ik ze ongeveer begrepen heb: twee rationele gesprekpartners die op de hoogte zijn van elkaars rationaliteit en die vertrekken van dezelfde inschatting (priors), maar die vanuit verschillende nieuwe feiten (evidence), hun conclusies verschillend hebben bijgesteld (posteriors), die mensen zouden na discussie weer dezelfde inschatting moeten maken. Hun posteriors zouden dezelfde moeten zijn. Dit is de stelling, genoteerd in een vorm die ik nooit zal begrijpen.

     En dit is het bewijs: 



     Grok hielp mij met een eenvoudig voorbeeld om de stelling te begrijpen. Ik heb daarna nog enkele uren dóórgevraagd.  

 Alice en Bob zijn meteorologen met dezelfde achtergrondkennis. Ze delen een prior dat de kans dat het zal regenen, op basis van historische data en algemene modellen, 50 % is. Alice kijkt ’s ochtends uit het raam en ziet donkere wolken en voelt vochtige lucht. Haar private evidence suggereert: regen. Ze stelt haar voorspelling bij tot 70 %***. Bob checkt een lokale radar-app die een lichte storing toont die waarschijnlijk wegtrekt. Zijn private evidence suggereert: geen regen. Hij update naar 30% kans op regen. Als ze elkaar nu opbellen met hun nieuwe inschattingen, móeten ze, na een reeks opeenvolgende bijstellingen, weer tot een gemeenschappelijke inschatting komen.

     De stelling van Aumann (en de toepassing ervan op onze weerkundigen Alice en Bob) heeft een aantal verrassende kantjes waar ik verder niet op inga – ook al omdat ik ze niet helemaal begrijp. 

  1. Er wordt eenstemmigheid voorspeld over iets zo onzekers als een weervoorspelling
  2. Alice en Bob moeten niet noodzakelijk op de hoogte zijn van de inhoud van elkaars nieuwe evidence (donkere wolken, radar); het loutere feit dat de andere zijn mening heeft bijgesteld is op zich al nieuwe evidence en dus een reden om de eigen mening bij te stellen***
  3. Alice en Bob zouden elkaars bijgestelde conclusie op een andere manier kunnen afleiden dan door rechtstreeks contact: dan werkt de stelling niet want er is geen common knowledge
  4. De uiteindelijke gemeenschappelijke inschatting van Alice en Bob heeft niets te maken met een compromis tussen de twee eerdere standpunten.

     Hoe dan ook, in de werkelijke wereld zijn de gesprekspartners nooit volledig rationeel: Bob kan jaloers zijn op Alice; Alice kan inschikkelijk van aard zijn, of juist koppig. Het zou zelfs irrationeel zijn mocht  Bob of Alice ervan uitgaan, zonder bewijs, dat de andere volledig rationeel is. En het zou naïef zijn om aan zichzelf volledige rationaliteit toe te dichten.

***

      Eén voordeel van Aumanns stelling is dat ze de aandacht trekt op het belang van de priors, de initiële aannames, en van de voorkennis, de vooronderstellingen en de vooroordelen waar die op teruggaan. Ik gebruik hierna die woorden zonder veel onderscheid door elkaar.  In mijn vocabulaire wordt de stelling van Aumann dus: twee rationele gesprekspartners die van hetzelfde vooroordeel vertrekken moeten bij een meningsverschil tot dezelfde conclusie komen*****. 
  
 En dan blijkt dat niet alleen de volmaakte rationaliteit van Alice en Bob problematisch is. Ook hun voorkennis of hun vooroordeel zal meestal niet gelijk zijn. Misschien zijn Alice en Bob naar een andere school voor weerkundigen geweest, of was de ene een vlijtige en de andere een luie student. Dan is de stelling niet van toepassing.
     In politieke materies laat een en ander zich nog scherper voelen. Het komt niet vaak voor dat mensen alléén van mening verschillen over nieuwe evidence. Neem de rare groet van Musk: was dat nu een nazigroet of niet? Je kunt discussiëren over het precieze gebaar, over de kansen dat een cryptofascist voor draaiende camera’s zijn geheim verraadt, en over de keren dat andere mensen onbedoeld zo’n gebaar maken, enzovoort. Maar de ruzie begint daar niet. De ruzie begint met een verschillende inschatting van welk soort persoon Musk is, een inschatting die gebaseerd is op andere informatie, op andere vooroordelen, op andere veronderstellingen, misschien zelfs op een andere opvatting van wat fascisme juist inhoudt.
    Pinker geeft toe dat hier een probleem is:

Waarom zouden jij en ik vertrokken zijn van dezelfde priors? Ik kom misschien van een andere cultuur, behoor misschien tot een ander ras of geslacht, heb misschien een verschillende levenservaring, ben misschien een onverbeterlijke optimist, een verstokte conservatief of een eeuwige rebel.

     Voor een rationalist als Pinker is dat echter geen onoverkomelijke moeilijkheid. Al die priors kunnen met feiten, bayesiaanse statistiek en rationele discussie worden bijgesteld, althans in theorie. ‘A prior today is just a posterior from yesterday,’ schrijft hij. Maar dat is gemakkelijk gezegd.
     Ten eerste is het voor iedereen onbegonnen werk om ál zijn vooroordelen te expliciteren******. Mijn gesprekspartner kan dat niet, en ik kan dat niet. En het wordt het nog moeilijker als het om elkáárs vooroordelen gaat*******. Als ex-linkse voel ik de denkwereld van links enigszins aan********. Dat bezorgt mij in discussies een comfortabel gevoel want ik discussieer niet graag als ik niéts begrijp van de motieven van mijn opponent. Maar ik begrijp natuurlijk lang niet alles van wat linkse mensen vandaag drijft, en ik wil ook niet alles weten, want men voelt vaak een zekere vermoeidheid en ongeduld bij het aanhoren van een opvatting die men achter zich heeft gelaten.
      Bovendien is het onbegonnen werk om al te veel vooroordelen in het gesprek te betrekken. Ofwel verloopt de discussie dan van de hak op de tak, waarbij nu eens het ene en dan weer de andere vooroordeel in het vizier komt. Ofwel proberen de gesprekspartners hun vooroordelen systematisch en bondig uiteen te zetten, en blijken die zó ver uit elkaar te liggen dat de enige beschaafde slotsom inderdaad is: let’s agree to disagree. 
   
 Het is natuurlijk goed om in discussies enig respect te tonen voor de vooroordelen van onze gesprekspartner en voor hoe die zijn tot stand gekomen. Soms raak ik in discussie met iemand die de hele wereld heeft bereisd, of die contacten heeft gehad in alle rangen en standen van de samenleving. Zoiets zou mij nederig moeten stemmen. Of ik zie op tv een expert die iets uitlegt, terwijl hij poseert voor een uitpuilende boekenkast. Hij heeft die allemaal gelezen en ik geen enkele ervan, of hoogstens twee of drie. Had ik die boeken allemaal wél gelezen, dan vond ik misschien niét dat de expert uit zijn nek kletste. Misschien lagen onze aannames dan dichter bij elkaar en zouden we, als we elkaar tegenkwamen, een vruchtbare discussie kunnen hebben waarna we allebei onze conclusies bijstelden.
      Met dat inzicht zou ik in toekomstige polemieken dus meer aandacht moeten besteden aan de vooronderstellingen van degenen die ik op de korrel neem, in plaats van aan hun gebrekkige logica, wat ik meestal doe. Gebrekkige logica is bijna nooit de échte verklaring van een onredelijk standpunt.
       Aan de andere kant wil ik niet al te véél respect hebben voor de onzichtbare vooroordelen die voortkomen uit de levenservaring of de eruditie van een opponent. Als iemand in het zichtbare stuk van zijn redenering al te haastig veralgemeent, feiten uit de context haalt, ongefundeerde conclusies trekt, of mijn argumenten niet begrijpt of wil begrijpen – wegens slechte leesvaardigheid of slechte wil – dan is er geen reden om aan te nemen dat zijn onzichtbare vooronderstellingen wél op een soliede manier tot stand zijn gekomen, ook al is hij dan een wereldreiziger of heeft hij veel boeken gelezen. Misschien heeft hij de verkeerde boeken gelezen. Of heeft hij de juiste boeken verkeerd gelezen. Is het dan niet leuker om alleen een kiezelsteentje in zijn raderwerk van vooronderstellingen te gooien: een fout, een ugly fact, een punt van logica? 
    
Op één argumentatiefout werpt de stelling van Aumann een bijzonder licht: de stropop, dat wil zeggen de redenering waarbij het standpunt van de tegenstander verkeerd (meestal overdreven) wordt weergegeven. Iedereen begrijpt dat zoiets lui en oneerlijk is. Maar de stelling van Aumann toont twee andere nadelen. Als ik het standpunt van een tegenstrever verkeerd weergeef ondermijn ik zijn geloof in mijn rationaliteit en, nog erger, wordt de ketting van common knowledge voortijdig afgebroken. Mijn tegenstrever weet of begrijpt iets en misschien weet ik dat hij dat weet of begrijpt, maar door mijn stropopredenering laat ik hem het tegenovergestelde vermoeden. Hij kan niet weten dat ik weet wat hij weet of begrijpt. Dan zijn we nog heel ver van huis. 

* Voor common knowledge moet de reeks echt oneindig zijn. Een voorbeeld van een oneindige reeks krijg je in Yes, Prime Minister. Voor een beter leesbare versie van de dialoog: klik op het plaatje.


** Voor een vruchtbare discussie zou het altijd duidelijk moeten zijn waarover men wil discussiëren: feiten, semantiek, veralgemeningen, morele kwesties of speculaties.

*** Alice heeft dat op bayesiaanse wijze berekend. Als de algemene kans op regen 50 % is, de kans dat regen gepaard gaat met donkere wolken 95 % en de kans dat er hoe dan ook donkere wolken zijn  (België!), ook zonder regen, 67 % procent, dan krijg je de formulen 0,5 x 0,95 / 0,67 = 0,7, d.w.z. 70 procent kans op regen. 

**** Het kan geen kwáád dat Alice en Bob op de hoogte zijn van elkaars nieuwe evidence. Het zal in de werkelijke wereld zeker helpen als Bob weet dat Alice donkere wolken heeft gezien en dat Alice weet dat Bob iets op de radar heeft gezien, en dat ze van elkaar weten enzovoort. Maar voor de stelling van Aumann is het niet nodig. Anderzijds, hoe minder Alice en Bob elkaar rationaliteit en voorkennis vertrouwen, hoe belangrijker het is dat minstens hun evidence tot common knowledge verheven wordt. 

***** En dan zitten we al dicht bij het maxime van Gérard de Rohan-Chabot: Une discussion n'est vraiment possible qu'entre gens qui sont du même avis. 

****** Zie Michael Oakshot, o.a. Rationalism in politics.

******* Tactisch heeft het in een discussie niet veel zin om op een onuitgesproken vooroordeel van de opponent te wijzen. Het antwoord is dan meestal: ‘Dat heb ik niet gezegd.’

******** Ik verwijs graag naar mijn links verleden zodat mijn linkse opponenten zouden weten dat ik bij benadering weet wat ze denken. En omdat ik het vaak genoeg herhaal weet ik dat zij dat weten, en weten zij dat ik dat weet dat zij dat weten … enzovoort. Dat gaat al een heel eind in de richting van common knowledge