donderdag 14 mei 2026

De Standaard: Blijf vrij, e.a.


De Standaard:
 Blijf vrij
      Ik ben deze week twee keer naar de bioscoop geweest, en twee keer werd ik, voor de film begon, getrakteerd op een kort reclametekstje ingesproken door Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard. Het ging over de nieuwe baseline ‘Blijf vrij.’ In de krant (25/4) schreef Verhoeven een uitgebreidere uitleg over die keuzeHet is een soort manifest, zoals Charles Foster Kane er een schreef toen hij zijn krant ging leiden, maar Verhoeven gebruikt meer woorden dan de held uit de film.
     De strekking van het manifest is links-liberaal, wat betekent dat ik het er ten dele eens mee kan zijn. Neem het geopolitieke deel:

Vrijheid is de reden om te herbewapenen, te herindustrialiseren, open markten te beschermen met regelgeving of om meer energie-autonomie na te streven. 
 
      Misschien bedoelt Verhoeven met die ‘regelgeving’ en met ‘energie-autonomie’ iets anders dan ik, maar wat hij schrijft is een brede liberale redenering die ik kan volgen. Voor zijn anti-Amerikaanse accenten kan ik, gezien Trump, enig begrip opbrengen.
     De kern van Verhoevens betoog gaat echter over de rol van de pers. Hij ziet De Standaard als een David die het moet opnemen tegen de vrijheidsbedreigende Goliath van de sociale media.
 
Dat de sociale media en artificiële intelligentie in handen zijn van slechts enkele, aan Trump onderdanige hyperrijken en gigabedrijven, heeft gevolgen. Die technologie wordt wel degelijk gebruikt om politiek te bedrijven … Wij moeten de openheid van de publieke gespreksruimte garanderen, en zo de persoonlijke vrijheid versterken. Dat staat haaks op het libertaire ideaal van Sillicon Valley, dat vrijheid onbegrensd wil uitbreiden, enkel voor eigen lust en baten. 
 

     Hier worden de zaken verkeerd voorgesteld. De sociale media garanderen immers óók  de openheid van de publieke gespreksruimte. Het is waar dat een stuk in De Standaard zowel in de betrouwbaarheid van zijn informatie als in de redelijkheid van zijn opiniëring boven de gemiddelde commentaar op de sociale media uitsteekt. Maar de bandbreedte van de opiniëring en de selectie van de feiten wordt bij De Standaard beperkt door het ‘engagement’ van de krant. En helaas valt die bandbreedte en selectie ongeveer samen met die van de andere grote media in Vlaanderen.

     Vandaag kan ik de informatie van De Standaard aanvullen door bij de chatbots van AI een bredere context van feiten en cijfers op te vragen. Ik kan dankzij de sociale media kennis nemen van meningen die buiten de links-liberale consensus vallen. En vooral kom ik door dezelfde sociale media ándere journalistieke bronnen  vooral buitenlandse  op het spoor die een noodzakelijk supplement zijn op mijn Standaard-dieet. 

     Denk bijvoorbeeld alleen al aan de berichtgeving over Israël-Palestina. In een opiniestuk schreef Brigitte Herremans (DS 25/4) dat ‘het gebrek aan empathie met Israëls slachtoffers gevoed wordt door de dominantie van het Israëlische narratief.’ Van dié dominantie heb ik in De Standaard in elk geval niet veel gemerkt.

      Voor mij staat de publieke gespreksruimte van De Standaard dus niet ‘haaks’ op het libertaire ideaal van de sociale media. Ze vullen elkaar aan. De Standaard wordt aangedreven door engagement en deontologie. Prima. De sociale media worden aangedreven door de winstzucht van gigabedrijven. Ook prima. Omdat die bedrijven zoveel mogelijk winst willen maken, willen ze ook zoveel mogelijk stemmen aan bod laten om een zo groot mogelijk publiek te geven wat het zoekt. Dat heeft zijn nadelen, maar ook zijn voordelen. 




Kinderrijmpjes

     Wat ik in De Standaard der Letteren nooit oversla is de laatste bladzijde, waarin auteurs geïnterviewd worden over hun lievelingsboeken. Soms is daar een boektitel bij die ik herken en dan ben ik trots. In het interview met Sarah Hall (DSL 25/4) herkende ik iets anders. ‘Vaak hoor ik in mijn hoofd,’ zegt ze, ‘hoe mijn moeder rijmpjes zong: Oranges and lemons, say the bells of St Clements.’ Ik ken het rijmpje uit 1984 van Orwell. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ik dat rijmpje stilletjes voor mij uit gepreveld heb, terwijl ik bijvoorbeeld aan het winkelen ben. En ook dat andere rijmpje: Apples and pears, say the bells of St Clares.




De centrum partijen

     Harold Polis bespreekt drie boeken die duiding geven bij crisis die de centrumpartijen overkomt (DSL 25/4). Ze zijn geschreven door  Pepijn Corduwener, door Catherine De Vries en door Adrian Wooldridge. Zouden die auteurs een oplossing hebben voor die crisis? Ik lees: meer verzorgingsstaat, meer aandacht voor het platteland, minder obsessieve efficiëntie, minder globalisme, de burgers beschermen tegen de markt, publieke voorzieningen herstellen, integratie afdwingen, de openbare orde heroveren, big tech temmen, minder fixatie op materiële welvaart. Ik noteer de namen van de auteurs, maar ik denk bij mijzelf: dat zullen weer van die knappe analyses zijn waarbij vooral het laatste hoofdstuk tegenvalt: daar waar de oplossingen worden voorgesteld.




Zwartkijken van Franquin

     Het prachtige album Zwartkijken (Les idées noires)  van Franquin is opnieuw uitgegeven, met een uitgebreide inleiding. In zijn recensie (DSL 25/4) geeft Simon Demeulemeester commentaar bij een grap over mitrailleurs, straaljagers en raketten die veranderen in stront waar de generaals in verdrinken. Ik schrijf wel generaals maar ik ben eigenlijk niet zeker van hun graad. Ik hoop in elk geval dat die onsmakelijke verdrinkingsdood zich slechts vanaf het niveau van generaal voordoet, en dat bijvoorbeeld de kolonels gespaard blijven.  Mijn vroegere buurman was kolonel.
     Maar daar gaat het niet om. Het gaat hierom. De recensent schrijft: ‘Oorlogshitsers in de stront laten zakken, is precies wat een heer van stand hoort te doen.’ Ik kan bij het lezen van die zin niet anders dan even aan Theo Francken denken die door ‘heren van stand’ vaak een oorlogshitser wordt genoemd. Als ik nu een heer van stand was, liet ik Theo dus door de stront zakken.
    En Poetin dan? Maar dát is geen oorlogshitser, dat is een oorlogsvoerder.



Stad en platteland in de VS

     Hoe komt het dat de stedelijke bevolking in de VS grotendeels stemt voor de Democraten en de plattelandsbevolking grotendeels voor de Republikeinen. Ester Meerman (DS 22/4) heeft een sociologische verklaring gevonden: 

  

Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn. 

       Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland? Als ikzelf een grote stad kom – Antwerpen, Brussel, Kortrijk – heb ik altijd de indruk dat iedereen op mij neerkijkt. Vooral het zelfvertrouwen van de tieners intimideert mij. Als mijn vrouw mee is ben ik van niemand bang, maar als ik alleen tussen die mensen loop, voel ik mij niet op mijn gemak. 


Reynebeau over klimaat en migratie

     In zijn wekelijkse column – kan De Standaard die niet op twééwekelijks brengen – pleit Reynebeau, volgens de titel en de inleiding, voor meer nuance in het debat over migratie en klimaat.


 Is klimaat rechts en klimaat links? … Iedereen heeft er belang bij en spreekrecht in. Elke kant heeft baat bij nuance en de tegenspraak die de andere kant brengt.

        Ik heb het stuk snel gelezen en begrepen dat zowel rechts als links in eigen boezem moet kijken. Rechts moet in zijn standpunt over milieu meer nuance brengen en links moet in het debat over migratie voor meer tegenspraak zorgen. 


Lize Spit over plot in literatuur


     Mocht ik vandaag nog Nederlandse les geven in het vierde middelbaar, dan zou ik zeker het essay van Lize Spit over ‘plot in de literatuur’ gebruiken (DSL 2/5).  Spit begint met een mop (en een waarschuwing dat de lezer de mop niet grappig zal vinden): 


Een man graaft een gat in zijn tuin. Zijn buurvrouw vraagt : ‘Waarom graaft u een gat in uw tuin, buurman.’ De buurman antwoordt: ‘Om mijn vis in te begraven.’ ‘Uw vis? Waarom zo’n groot gat dan?’ Waarop de buurman zegt: ‘Mijn vis is opgegeten door uw kat.’

     Het leuke is nu dat Spit enkele alinea’s verder met dat verhaal precies hetzelfde doet als wat ik mijn leerlingen als oefening opgaf: ‘Vat het verhaal samen als story in plaats van als plot.’  Zo’n samenvatting moest dan ongeveer beginnen zoals Spit begint: ‘Een man graaft een gat in zijn tuin om de kat van de buurvrouw te begraven die zijn vis heeft opgegeten.’ De slotzin van Spit past volledig binnen de stilistiek die ik mijn leerlingen probeerde bij te brengen. ‘Waarop de buurman de waarheid zegt.’

     Het verhaal dat ik als eerste oefening gebruikte was iets langer, een bladzijde lang, en ging over een rechter die ontvoerd was door gangsters en over de politie die in verband daarmee een chantage-brief ontving. Het verhaal werd door de auteur natuurlijk in een andere volgorde verteld. De leerlingen moesten de feitelijke volgorde herstellen, de lacunes opvullen, de verbanden expliciet maken en de gebeurtenissen abstracter formuleren. Om ze op weg te helpen bij hun opdracht, dicteerde ik de eerste zin. ‘Een rechter wordt ontvoerd door gangsters.’ 



Kippenvelmoment

     Josse de Pauw besluit zijn stuk in DSL van 2 mei met een korte alinea: ‘Ik las over iemand die goed aliens kan nadoen en vraag me nu al de hele dag af: hoe doe je dat?’ Ik had dat ook gelezen, over die aliens, en me dezelfde vraag gesteld, maar niet de hele dag.

     Verder gaat het stuk alle richtingen uit. Het gaat over de opvoering van Sancta, over Melania Trump, over Anneleen Bossuyt, over het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, over onze kredietwaardigheid en over het woord ‘snoeshaan’. Maar ik word vooral getroffen door volgende alinea:

 

Bij het horen van het woord ‘kippenvelmoment’ word ik een beetje misselijk. Afhankelijk van hoe enthousiast het wordt uitgesproken, kan dat leiden tot braakneigingen, en wanneer de spreker dan ook nog zijn ontblote voorarmen gaat tonen als bewijs, komt het er, ondanks de moeite die ik doe, langs mijn neus uit. 


    Langs zijn neus dan nog! We weten allemaal dat dat erg pijnlijk is. De Pauw stoort er zich aan dat die mensen door naar dat kippenvel te verwijzen over zichzelf praten, over hun gevoeligheid, over hun ontroerbaarheid. Maar is dat nu zo erg? Praat De Pauw nooit over zichzelf? Ik herinner mij nog levendig dat een vriend ooit over een kippenvelmoment sprak en daarbij een voorarm ontblootte om te laten zien dat de haartjes alweer, toen hij er nog maar aan dacht, opnieuw rechtkwamen. Ik vond dat een naïef gebaar, maar toch ook ontroerend. Ik ben dan ook erg ontroerbaar. 




Maar één keer zien


     Naar aanleiding van de film Die My  Love, sprak recensente Fien Meynendonckx (DS 28/4) van ‘onvergetelijke films die je maar één keer wil zien.’ Dat is een treffende omschrijving van een niet onbelangrijke categorie van films. Mijn zoon noemt dat films waarvan hij blij is dat hij ze gezien heeft.’

 

Kunstkritiek en de Hemingway-stijl

     Op de blog van Scott Alexander las ik een interessant stuk over kunst en kunstkritiek. De auteur verwijt de kunstkritiek dat ze zich met bijkomstigheden bezig houdt zoals ‘vernieuwing’ en ‘stromingen’. Het is zoals een culinaire criticus die het vooral heeft over bijkomstigheden zoals de sfeer van het restaurant, de bediening en de presentatie van het voedsel op het bord.


     Die fixatie op bijkomstigheden komt onder andere door het onderwijs. Ik heb zelf literatuur onderwezen aan kinderen van 16, 17 en 18 jaar. Wat ik vertelde bestond bijna volledig uit bijkomstigheden: de literaire stroming waar een boek toe behoorde, de narratologische techniek, de biografie van de auteur, zijn thematiek, de invloeden die hij ondergaan of uitgeoefend had, enzovoort.


     Ik wist natuurlijk dat dáár de verklaring niet lag waarom we graag Austen of Dickens graag lezen, maar wat moest ik dan wél vertellen? Die bijkomstigheden konden helpen om de belangstelling te wekken, niet meer, maar ook niet minder. In de film Lalaland komt een scène waarin Ryan Gosling aan Emma Stone uitlegt hoe Jazz ontstaan is. De uitleg bestaat uit oppervlakkige platitudes, maar met enthousiasme gebracht. Sinds mijn zoon die uitleg gehoord heeft, gaat hij wel eens naar een jazz-concert.


     Bij één nevengedachte van Alexander ervoer ik een schok van herkenning. Hij vraagt zich af waarom je vandaag niet meer kunt schrijven in de stijl van Homeros en weerlegt de al te gemakkelijke verklaringen. Maar dan komt het. De hedendaagse Amerikaanse auteurs en critici, schrijft Alexander, lijken ervan uit te gaan dat  ‘all prose must consist of short and clear sentences vaguely reminiscent of Hemingway.’

     Dat is heel mooi gezegd. Er zijn misschien veel Amerikaanse schrijvers die de Hemingway-stijl niét gebruiken, maar het is wel de archetypische stijl tot op vandaag. Je ziet dat het beste in Hollywoodfilms met fictieve schrijvers als hoofdpersonage. Op een bepaald moment komt er dan scène waarin ze een heel kort fragment uit hun roman voorlezen. Die roman bestaat niet echt natuurlijk, en het fragment bevat maar één of twee zinnen. Maar je herkent de stijl onmiddellijk. Die is meer dan vaguely reminiscent of Heminway. Die is positively reminiscent of Hemingway. 

woensdag 13 mei 2026

Ik droom van Frank D'hanis

    Ik heb onlangs Frank D’hanis ontmoet in een droom. We waren best vriendelijk voor elkaar, maar het vervelende was: zijn naam wilde mij maar niet te binnen schieten. Dat probeerde ik zo goed mogelijk  te verbergen. We praatten ook niet over zijn stukjes die ik maar vluchtig lees. 

     Die stukjes zijn van een miserabilisme dat de vroege Louis-Paul Boon naar de kroon steekt. Werknemers en werkneemsters moeten te vroeg opstaan, moeten te hard werken, worden te weinig betaald, mogen niet ziek zijn, en krijgen hoe langer hoe minder toegang tot werkloosheidsuitkeringen. De rechten van de illegale migranten worden niet gerespecteerd. Het onderwijs is niet afgestemd op kinderen uit de lagere inkomensklassen. 

     Al die miserie zou kunnen worden opgelost met hogere weddes, ruimere verlofstelsels, werkbaar werk, een loon voor thuisblijvende moeders, open grenzen voor asielzoekers, meer leerkrachten, meer tewerkstelling in de zorg, en meer maatschappelijke werkers. En dat zou op zijn beurt allemaal mogelijk zijn als het niet werd tegengehouden door de N-VA, in het bijzonder door de ministers Anneleen van Bossuyt en Zuhal Demir.  

     Gisteren had die laatste het weer bont gemaakt op tv. In de levendige stijl van D’hanis wordt dat:

‘Ouders moeten met hun kinderen naar de bibliotheek gaan,’ briest een ontketende Demir, ‘sommige mensen zijn te weinig bezig met hun kinderen.’ Ik moet toegeven dat mijn brein op dat punt even uitviel van woede.

    Gelukkig kreeg Dhanis geen woede-aanval in mijn droom. We zijn geen van beiden beginnen briesen. Ook van enige ontketening was er geen sprake.

Ons kleuteronderwijs

     Uit onderzoek blijkt dat ons kleuteronderwijs minder bijdraagt aan kennisontwikkeling dan bij onze buurlanden het geval is. Veel heeft te maken met het chaos in de klaslokalen. Maar waar komt die chaos vandaan? De Standaard (6/5) licht een tip van de sluier: ons kleuteronderwijs heeft het ‘voordeel’ dat het ‘bijna alle kleuters bereikt’. Dat is uiteraard ook een ‘nadeel’: niet alleen de gemotiveerde ouders sturen hun kleuters naar de klas. 

     Een andere verklaring is dat de chaos door de opgelegde pedagogiek in de hand wordt gewerkt. De krant citeert leerkracht Hendrickx die ‘efficiënter werken als enige optie ziet.’

Ik heb het kringgesprek ’s ochtends afgeschaft, omdat kinderen veel te lang moesten wachten, zegt ze. Ik geef mijn lessen nu meestal in één keer voor een grote groep. Vroeger gaf ik die vier, vijf keer en wqas ik veel met differentiatie bezig. Ik heb nu meer speeltijd én de kinderen leren meer. 

     Leve juf Hendrickx!

      Ik had indertijd een collega wier dochter voor kleuterleidster studeerde. Ik herinner mij de horrorverhalen. Zo was het heel verkeerd om een verhaaltje voor te lezen terwijl de kinderen stil zaten te luisteren. Dat moest helemaal anders. De juf moest een reeks cd’s branden met allemaal verschillende verhaaltjes, die ter beschikking van de kinderen werden gesteld. En dan moest het kind zelf maar weten wat het op elk moment van de dag wilde doen: rondlopen, knutselen, tekenen, slapen, zich verkleden. Als het een verhaaltje wilde horen, dan moest het op eigen initiatief een cd kiezen, en indien het verhaaltje tegenviel, een andere.   

The Washington Post en Trump

     ‘The Washington Post,’ schrijft De Standaard (6/5), ‘krijgt de Pulitzerprijs voor kritische berichtgeving over Trump.’ Toen de WP werd overgenomen door Bezos las je her en der dat het een Trump-krant zou worden. Ik heb toen geloof ik voorspeld dat de krant, ook na de overname, Trump-kritisch zou blijven.


      Is er dan geen probleem met het vrije woord onder Trump? Toch wel, maar het is belangrijk dat dat juist omschreven wordt, in plaats van dat in algemene termen gesproken wordt over ‘de persvrijheid die enorm onder druk staat.’ Marjorie Miller, die aan het hoofd staat van de organisatie die de jaarlijkse Pullitzerprijzen toekent, vat de bedreigingen nuchter samen:


(1) de rauwheid van het politieke debat;
(2) de beperkte toegang van de media tot het Witte Huis en het Pentagon;
(3) de repressie tegen betogingen;
(4) de rechtszaken tegen kranten en televisiezenders voor ‘smaad en kwaadwilligheid.’ 


     Dat zijn allemaal grensgevallen. Nergens wordt hier, zoals vaak in Europa, het principe zelf van de vrije mening gecontesteerd. Maar naast principes, moeten we ook rekening houden, schrijft Karel van het Reve, met ‘gevoel voor proporties, smaak, fatsoen en redelijkheid.’ Je zou haast denken dat Karel die woorden destijds geschreven heeft met Trump in het achterhoofd. Maar in 1954 was de barbaar amper 8 jaar oud. 

 

dinsdag 12 mei 2026

Zinzen en Depoortere, e.a.

 


Zinzen en Depoortere

     Ik heb het Humo-interview met Walter Zinzen en Johan Depoortere eindelijk gelezen, al heb ik er zijdelings al naar verwezen*. De journalisten hebben o.a. kritiek op de VRT omdat 

  1. de commentaar over Oekraïne te eenzijdig is, en te vaak de Russische visie onvermeld laat 
  2. de berichtgeving over Israël te neutraal is, en te veel rekening houdt met het Israëlische standpunt
  3.  de duiding over defensie en leger te positief is 
  4. de interviews met politici en militairen niet kritisch genoeg zijn
  5.  de aanwezigheid van VB-politici op het scherm genormaliseerd is 
  6. Jonathan Holslag te vaak, en de revolutionaire socialist Ludo De Witte te weinig aan het woord komen 

    Wat die kritische interviews betreft, vind ik dat men niet moet overdrijven. Als men bijvoorbeeld een minister interviewt, moet men hem ook de kans geven om zijn beleid toe te lichten en te verdedigen. De bedoeling is niet a priori om hem te ‘ontmaskeren’. Het beste is om informatieve en kritische vragen af te wisselen. Iemand als Zinzen lijkt ervan overtuigd, en hij straalt het ook uit, dat alleen kritische vragen goede journalistiek zijn. Maar exclusief kritische vragen stellen heeft twee nadelen: het interview kan ontaarden in een tribune voor de journalist en de politicus kan leren hoe hij zichzelf moet redden met vage antwoorden.

      In Yes Minister (Sz1, Ep4) wordt minister Jim Hacker op de rooster gelegd door een scherpe televisie-interviewer. De ene na de andere kritische vraag wordt afgevuurd waarop niets dan vage antwoorden komen. ‘How did it go?,’ vraagt Hacker na afloop aan de journalist. ‘I thought I waffled a bit.’ Waarop de journalist antwoord: ‘Oh no, you stonewalled superbly, Minister.’

***

     Op de vraag waarom de VRT geen Vlaams Belangers mag interviewen geven Zinzen en Depoortere elk een ander antwoord. Zinzen zegt dat ze te vaak liegen:

Vroeger gold er nochtans een heldere regel: we gaan níét live in debat met het Vlaams Blok of Vlaams Belang, want in een live gesprek kun je hun voortdurende stroom van onwaarheden niet meteen checken en weerleggen.

     De Humo-journalist antwoordt gevat ‘Noem mij één politicus die niet liegt.’ Toch zie ik het probleem van Zinzen. Hij ziet een interview als een debat – dat is de functie van de ‘kritische vragen’ – en zo’n debat is gemakkelijker als het zich binnen een welomschreven grenzen afspeelt. Maar als iemand aangaande migratie assertief van andere premissen vertrekt, en niet wil discussiëren over de honderden asielzoekers die geen opvang vinden maar over de duizenden asielzoekers die er elk jaar bijkomen, dan wordt het zelfs voor een verbaal sterke, vlugge geest – en dat is Zinzen plots veel moeilijker om te checken en te weerleggen. De vragensteller begeeft zich op onbekend terrein**. 

     Depoortere geeft een ander antwoord:

 Dat liegen is niet de kern van het probleem. Je moet Vlaams Belang anders behandelen omdat het niet democratisch is. Tegenwoordig wordt dat argument opzijgeschoven met een drogreden: Ze halen veel stemmen, dus we kunnen ze niet negeren.’ Zo herleid je de democratie tot een optelsom van de meeste zetels. Maar de democratie is méér dan dat. Het is een ideologie uit de verlichting, met als beginsel: we laten zoveel mogelijk mensen delen in rechten en welvaart. Wie dat beginsel ondergraaft door rechten te reserveren voor zijn eigen groep en anderen uit te sluiten, is een antidemocraat. 

        Ook dat argument begrijp ik. De liberále democratie is meer dan de wil van de meerderheid. Maar democratie is minstens óók de wil van de meerderheid, en is dus minstens óók de optelsom van de meeste zetels. Slechts monarchisten, anarchisten, fascisten en communisten verwerpen dat beginsel.

      De formule van Depoortere zelf om de democratie af te bakenen helpt ook al niet: ‘we laten zoveel mogelijk mensen delen in rechten en welvaart.’ Zoveel mogelijk … wat bedoelt hij eigenlijk? 

     Als Depoortere vindt dat alle mensen een gelijk deel van de welvaart moeten krijgen, dan is hij een soort radicale socialist, wat een respectabel minderheidsstandpunt is. Als Depoortere vindt dat elke migrant die legaal of illegaal het land binnenkomt gelijke verblijfs- en sociale rechten moet krijgen als de Belgische burgers, dan is hij een open-grenzer, wat alweer een respectabel minderheidsstandpunt is***. Maar ik zie geen reden om het democratisch debat te definiëren binnen de grenzen van dat minderheidsstandpunt  zelfs niet mocht dat ontstaan zijn, samen met andere standpunten, tijdens de Verlichting. Iedereen bepaalt natuurlijk zelf met wie hij wel en niet het debat aangaat. Men mag daarbij zo exclusief zijn als men wil, maar op een overheidszender mag het wat pluralistischer zijn. 


* Over de polemiek van Joël De Ceulaer tegen Zinzen, zie hier.

** Die laatste gedachte heb ik later teruggevonden in een stuk van Marijn Kruk (DS 23/4): Als er de afgelopen jaren iets duidelijk werd, dan is het wel de hulpeloosheid van het establishment in het aanschijn van radicaal-rechts. Ik merkte het eerder bij mijzelf: als je zo lang niet in je overtuigingen wordt uitgedaagd, ga je geloven dat ze een vanzelfsprekende waarheid vormen. Dat ze geen uitleg meer behoeven, geen verdediging - en misschien zelfs geen tegenspraak.’ Dat is een goede verklaring waarom een links-georiënteerde journalist zich machteloos kan voelen tegenover een assertieve, rechtse politicus  een veel betere verklaring dan de precieze hoeveelheid leugens dat die laatste zou vertellen. 

***Als Depoortere niét vindt dat zoveel mogelijk deelnemen aan welvaart en rechten’ een vollédige gelijkheid inhoudt, dan wordt het verschil tussen zijn standpunt en dat van Vlaams Belang een kwestie van proporties, een kwestie die binnen het democratisch debat moet worden opgelost. Overigens is het correct dat het vroegere 70-puntenprogramma van het Vlaams Blok elementen bevatte die strijdig zijn met de brede liberaal-democratische principes . Zie hier. 



Zuhal Demir

     Hoewel Ben Weyts een N-VA’er is, kreeg hij als minister van Onderwijs niet al te veel kritiek in onze pers. Dat maakte mij ongerust. Vandaag, met Zuhal Demir, moet ik mij geen zorgen meer maken. Ik zie een kop van Knack in mijn mailbox: ‘Niemand durft iets te zeggen’: zwijgen is goud in het Vlaamse onderwijs. Met daaronder een foto van een streng toekijkende Demir. In het stuk zelf gaat het over een klimaat van ‘angst’ in de hogere onderwijsregionen maar een smoking gun tref je er niet aan. Er worden wel heel wat oude koeien uit de gracht gehaald. De uitspraak in de kop komt van een vertegenwoordigster van VVS, de Vereniging van Vlaamse Studenten. In mijn tijd was dat een extreem-linkse organisatie en ik kan alleen hopen dat ze ondertussen geëvolueerd is naar gewoon-links.

     Eigenlijk erger ik mij vooral aan de kop. Ik heb er alle begrip voor dat eindredacteurs de aandacht willen trekken met provocatieve uitspraken. Als je zo’n kop ziet in een gedrukte publicatie is dat niet erg. Je overloopt kort de inhoud en je trekt je conclusies. Maar in digitale tijden is dat veranderd. Je wordt op je scherm voortdurend geconfronteerd met die tendentieuze koppen zonder context. Het is alsof je kijkt naar spandoeken in een linksliberale betoging.

 

 

Moraliserende fabels

     Ter gelegenheid van 1 mei werden enkele oude fabels opgefrist. Jean-Marie De Decker schreef een stuk over de nijvere mieren en de potverterende krekels. De nijvere mieren waren, geloof ik, de ondernemers en de kleine zelfstandigen. JMDD haalde een reeks cijfers aan waaruit bleek hoeveel belastingen die mensen wel niet betaalden – ook op hun inkomsten uit kapitaal. Ik vrees dat die cijfers niemand zullen overtuigen die al niet overtuigd is. Ten eerste zal men vanuit linkse hoek terecht opmerken dat inkomsten uit kapitaal, hoe zwaar belast die ook zijn, nog altijd minder zwaar belast worden dan arbeid. En ten tweede zullen die belastingen in de ogen van linkse mensen nooit genoeg zijn. Zelfs al bedroegen ze 70 procent, dan kunnen ze nog altijd op 75 procent worden gebracht.

     Bert Engelaar van het ABVV recycleerde een andere fabel: die van de maatschappij als menselijk lichaam. We leerden die kennen in het tweede middelbaar, toen we De viris illustribus urbis Romae lazen. In het oude Rome gingen de plebejers in staking. Dat was de zogenaamde plebejische secessie. Menenius Agrippa ging naar hen toe en vertelde de fabel van de ledematen die een staking begonnen tegen de maag. Dat was dom van de ledematen, want ook de maag had een functie, al was die niet zo zichtbaar als die van de ledematen. Toen de plebejers dat hoorden gingen ze weer aan het werk.

    Engelaar vult de fabel anders in. Onze maatschappij wordt vergeleken met een zieke man die bij de dokter komt. De dokter – ik geloof dat hiermee de staat wordt bedoeld – heeft alleen oog voor het bovenste deel van het lichaam, tot aan de schouders. Dat deel geniet een régime de faveur. Wat eronder komt wordt verwaarloosd.  Met die verwaarloosde ledematen en organen verwijst Engelaar naar de werknemers die te weinig verdienen en te veel moeten betalen, naar mensen met een burnout, naar alleenstaande moeders met een uitkering, naar langdurig zieken die gecontroleerd worden, naar de poetshulp met versleten handen, naar de leerkracht met wallen onder de ogen. Die laatste intrigeerde mij, maar in plaats van uitleg kreeg ik een metafoor: ‘De spieren van het onderwijs verkrampen.’ Nochtans heb ik zojuist in Knack gelezen (zie hierboven) dat de collega’s van Demir jaloers zijn op haar omdat Onderwijs bij de besparingen ‘grotendeels wordt ontzien.’ 

     Ook deze fabel zal weinig mensen overtuigen om van mening te veranderen.

 

 


Mary Beard

     Van Mary Beard las ik niet zo lang geleden het boek Keizer van Rome. Ik kon toen aan mezelf niet uitleggen waarom dat boek mij niet beviel. Vandaag zie ik op FB een citaat van Beard uit een ander boek voorbijkomen: ‘The history of Rome is not simply a story of great men and heroic deeds; it is also a story of conflict, debate and disagreement.’ Ook hier kan ik aan mezelf niet goed uitleggen wat mij in dat citaat niet bevalt. Is het omdat het een cliché is? Maar ik heb helemaal niets tegen clichés.

 


 

Eric Röhmer en het marxisme

     Mijn zoon kreeg geschiedenis van een lerares van mijn generatie. Hij leerde onder andere dat Marx de grondlegger was van het ‘wetenschappelijke socialisme’. Ze had het een paar keer herhaald: het socialisme van Marx was wetenschappelijk. Wie vijf minuten nadacht over de definitie van ‘wetenschap’ had kunnen weten dat dat onzin was. En wie het marxisme een beetje kende en onafhankelijk nadacht kon zien dat het ‘dialectisch materialisme’ van Friedrich Engels een primitieve metafysica was, en het ‘historisch materialisme’ van Karl Marx in het beste geval een invalshoek van waaruit je naar de geschiedenis kon kijken, niets meer. 

     Maar in de vroege jaren zeventig was onafhankelijk nadenken over die kwestie niet in de mode. Veel jonge intellectuelen hadden een poster ophangen met een tekst van Mao Zedong Tegen de stroom ingaan is een marxistisch principe, maar zelf lieten ze zich liever met de stroom meevoeren. Je kon in die tijd in een beschaafd gezelschap kiezen tussen drie mogelijkheden: je kon zwijgen over het marxisme, je kon jezelf er een aanhanger van verklaren, of je kon – gevaarlijk – er kritiek op hebben. Maar je kon niet zeggen dat het marxisme geen wetenschap was. Dan was je niet alleen een rechtse hond, je was ook dom.

     Je had in die tijd het invloedrijke tijdschrift Cahiers du cinéma. Er wordt een fraai beeld geschetst van de sfeer op de redactie in de film Nouvelle vague. Toen Eric Röhmer zijn film Ma nuit chez Maud had uitgebracht werd hij, die zelf hoofdredacteur van het blad was geweest, geïnterviewd. Geraard Goossens plaatste onlangs een fragment uit dat interview op zijn FB-pagina. Röhmer werd in het interview bekritiseerd omdat hij een marxist ten tonele had gebracht die aarzelde en speculeerde, in plaats van wetenschappelijke analyses te maken. 

 

In een scène uit Ma nuit chez Maud speculeert Vitez over de kansen op de overwinning van het socialisme. Als communist hoort Vitez zich echter te baseren op een wetenschap, het historisch materialisme, dat de komst van het socialisme beschouwt zonder enige weddenschap of speculatie.

Pas op. Het marxisme wedt niet, maar men kan wel op het marxisme wedden. Voor zover het historisch materialisme geen wetenschap is …

Het historisch materialisme is een wetenschap.

Nee. Het is een filosofie. U moet mij niet komen vertellen dat het marxisme een wetenschap is. Dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken, zal niemand ontkennen. Maar het dialectisch materialisme …

Wij zeiden ‘historisch’.

Goed dan, het historisch materialisme — men kan juist de grondslagen ervan ontkennen. Ik bijvoorbeeld ken het geen enkele waarde toe, behalve die van een filosofisch systeem, naast andere. Maar het is geen wetenschap.

 

          De arrogantie waarmee de interviewer tot twee keer toe Röhmer onderbreekt om hem de les te spellen zal ook de jonge lezer opvallen. Maar je moet jaren zeventig gekend hebben om de twee soorten naïviteit te herkennen. De dogmatische naïviteit van de meeloper en de complexloze naïviteit van het kind dat luidop en als enige vaststelt dat de keizer geen kleren aan heeft. Röhmer was misschien geen marxist, maar hij aarzelde geen moment om ‘tegen de stroom in te gaan’,  ook al was die stroom breed genoeg om iedereen te omvatten die ertoe deed: de traditionele communist, de verstokte compagnon de route, de ruige maoïst en de modieuze, pijprokende, jazz-minnende intellectueel in rolkraagtrui. 

     Ik kan mij ongeveer voorstellen welke slechte indruk dat interview op mij zou hebben gemaakt als ik het in 1970 had gelezen, ongeveer het moment dat Ma nuit chez Maud gedraaid werd op het filmforum van mijn college. Iemand die langs zijn neus weg vertelt dat hij aan het marxisme geen enkele waarde toekent’! 

 

 

Ayn Rand en het marxisme

    Ik heb niets met Ayn Rand, al noem ik mijzelf soms een libertariër. Andere libertariërs, waar ik wel iets mee heb, halen wel een deel van hun inspiratie bij Rand. Robert Nozick, die een grondige kritiek op haar ideologisch manifest in Atlas Shrugged formuleerde, noemde haar romans ‘boeiend, levendig, verhelderend en inspirerend.’ En Charles Muray van wie veel opvattingen ‘at outright odds’ zijn met de Randiaanse filosofie is altijd gefascineerd gebleven door de beschrijving van Galt’s Gulch - de libertaire utopie – net het stuk in Atlas Shrugged dat mij het meeste tegenstaat.

     Maar Rand, dat moet ik toegeven, had bepaalde dingen heel goed begrepen. Ik zag een meme voorbijkomen met een Ayn Rand-citaat waarvan ik de authenticiteit niet gecontroleerd heb, maar dat wel de spijker op de kop slaat.

 

“De marxistische economie is grondig onderuitgehaald, weerlegd en in diskrediet gebracht. Toch verhindert dat niet dat mensen diezelfde marxistische economie blijven verdedigen. Waarom? Mensen hangen het collectivisme niet aan omdat zij een verkeerde economische theorie onderschrijven. Zij onderschrijven een verkeerde economische theorie omdat zij het collectivisme aanhangen. Je kunt oorzaak en gevolg niet omdraaien. Je kunt de oorzaak niet vernietigen door het gevolg te bestrijden. Dat is even zinloos als proberen de symptomen van een ziekte te elimineren zonder de ziektekiemen aan te pakken.”

 

     Hoogstens zou een vijand van het liberalisme de redenering mutatis mutandis kunnen omkeren. Ook zou men kunnen opmerken dat het collectivistische instinct niet helemaal samenvalt met het egalitaire instinct.

 


 

Koffiecapsules

     Vergeetachtigheid bij oude mensen zoals ik betreft vooral het geheugen op korte en op zeer korte termijn. ’s Morgens is mijn eerste werk het plaatsen van een capsule in de koffiecupmachine. Ik kan dat als de beste. Maar soms treedt er een complicatie op en is het waterreservoir leeg. Dan moet ik eerst nog het water bijvullen. Ook dat werkje is aan mij wel toevertrouwd. Maar nadat ik het water heb bijgevuld, weet ik niet meer zeker of ik wel een capsule in de machine heb geplaatst. Ik moet dan de machine openen, waardoor de capsule in het vergaarbakje valt, waar ik ze dan weer uit moet opvissen. 

     Vandaag wou ik het anders aanpakken. Het waterreservoir was weer leeg. Ik plaatste een capsule en pauzeerde enkele seconden. Ik liet de handeling goed tot mij doordringen. Als ik dan water had bijgevuld, zou ze mij nog altijd voor de geest staan. Zo gezegd, zo gedaan. Maar toen ik het water had bijgevuld wist ik weliswaar dat ik een capsule had geplaatst, maar ik wist niet meer zeker of het er een met koffie of met deca was. Mijn concentratie had niet geholpen. Es war alles umsonst gewesen.


 

Hail Mary Project

     Behalve de scenes met Sandra Hüller had de film Project Hail Mary weinig dat me kon bekoren. De humor was flauw, de spannende scènes waren niet spannend, en er scheelde iets aan de settings, maar ik weet niet goed wat. De alien van dienst, Rocky, had tegelijk iets van een knuffel, een aapje en R2D2. Hij drukte zich met behulp van een vertaalmachine uit in pidgin Engels. Ik ben zeer ontgoocheld dat onze vrienden van woke in het personage geen aanleiding zagen om kolonialistisch-paternalistische clichés over inheemse volkeren te bekritiseren.  

 

    

 

 

zondag 10 mei 2026

Geweld op school, e.a.


Geweld op school

     Als kind heb ik niet váák gevochten, maar het gebéurde wel. Heel soms kon ik mij in mijn eer gekrenkt voelen, en dan werd ik onredelijk boos. Het is mij de laatste keer overkomen toen ik een jaar of negentien was en in een textielfabriek werkte. De jongen die naast mij stond had mij een keer te vaak gepest, en we lagen rollend over de vloer. Vrijdagmiddag werden we allebei op het kantoor geroepen en werden we ontslagen voor ‘zwaarwichtige reden’. Ik stel mij voor dat vechtende arbeiders in de 19de eeuw minder streng werden aangepakt.

     Maar als kind heb ik dus weinig gevochten. Ik heb één keer – ik was een jaar of twaalf – met een vijand afgesproken na school en kreeg toen een vuistslag in mijn gezicht waar ik erg van schrok. Eigenlijk hield ik niet van al dat vechten, en ik was blij dat er een einde aan kwam na het derde middelbaar. Dat was een hele opluchting. Daarvóór werden vechtpartijen min of meer getolereerd. Leerkrachten kwamen tussen, maar het was niet iets waarvoor je straf moest schrijven. Ook van de leerkrachten zelf werd toen iets meer getolereerd. De meesters in de basisschool gaven stoute kinderen wel eens een schop voor de kont en in de eerste jaren van het middelbaar had je leraren die met een bordenwisser of met een sleutelbos gooiden. Dat kon toen allemaal.

     Er is echter veel veranderd met de vervrouwelijking van het onderwijs. Geweld werd een teken van toxische mannelijkheid. Het kwam in de sfeer terecht van wat politiek niet correct was*. Ouders spraken een kind dat gevochten had streng toe, in plaats van het enkele nuttige tips te geven waardoor het in een volgende vechtpartij als winnaar kon tevoorschijn komen. Daardoor werd nultolerantie voor geweld op school de regel. Maar die regel is volgens mij ook voor politiek correcten niet lang meer vol te houden. Boys will be boys, vooral, naar het schijnt, als het om allochtonen gaat. 

     We mogen ons, geloof ik, aan een heropleving van de tolerantiecultuur verwachten. De politiek correcten zullen zich moeten neerleggen bij redeneringen zoals Frank D’hanis die ontwikkelt. Hij heeft het in een recente FB-column over leerkrachten die gepest worden door leerlingen, en hij merkt om te beginnen op dat slechts 10 procent van hen minstens één keer per maand te maken krijgt met “fysiek geweld, bespuwen, imitatiegedrag en verbale agressie”. Een en ander moet dus ‘behoorlijk genuanceerd’ worden. En als marxist heeft hij daarnaast een klasse-analyse klaar:

 

We mogen nooit vergeten dat leerlingen geen volwassenen zijn, en dat ze niet altijd vanuit hun gezinssituaties meekrijgen hoe je best met conflict en frustratie kan omgaan. Dat geldt trouwens voor alle klassen en origines, al is er in elke groep wellicht een favoriete verschijningsvorm van agressie. Bij de kinderen met emotioneel geconstipeerde zogezegde hogere klasse ouders zie ik bijvoorbeeld veel passieve agressie en stiekem gedrag. Persoonlijk word ik liever in mijn gezicht ‘klootzak’ genoemd.

 

         Dat laatste voel ik anders aan. Ik heb liever dat een leerling in de klas wat passief agressief gedrag vertoont dan dat hij zijn lerares hardop een ‘hoer’ noemt. Binnensmonds is beter. In ruzies ben ik zelf overigens ook wel eens passief agressief. Maar verder heb ik alle respect voor het begrip van D’hanis. Hij pleit voor idealisme, liefde en herstel. Hij vertelt van een lerares die door een trap van een leerling haar arm brak, maar daarna de relatie met de geweldenaar herstelde door samen met hem cupcakes te bakken. Dat is mooi. Maar had de geweldenaar de arm van een medeleerlinge gebroken, dan zou ik er als leraar toch op aangedrongen hebben om die jongen buiten te gooien. ‘Mercy to the guilty,’ zei Adam Smith, ‘is cruelty to the innocent.’

         Is er een oplossing voor de onveiligheid en het geweld op school? D’hanis komt in elk geval snel uit bij zijn bekende recept: meer middelen, het mag iets kosten. Zuhal Demir moet zorgen voor kleinere klassen, meer personeel, meer OKAN-vervolgschoolcoaches en meer levensbeschouwelijke leerkrachten. Het leukste vond ik dat D’hanis in zijn inleiding zelf iets denigrerends gezegd had over een levensbeschouwelijke leerkracht die voor coach speelde.  Dhanis was als 16-jarige leerling ooit fysiek bedreigd geweest, maar de directie had geweigerd de politie in te schakelen. Zijn vader had het moeten oplossen.

 

De school deed de hele tijd quasi niks. Ik geloof dat ze één keer een leerkracht godsdienst afgevaardigden om een gesprek te gaan voeren in de zesde kantoor, waar mijn bedreigers zaten. Die was van het ‘coole’ type leerkracht, met een gitaar en CD’s van Bryan Adams. Ik stel me voor dat hij omgekeerd op een stoel ging zitten en ze aansprak als “homies”. Zijn interventie bracht niks op, uiteraard. 

 

         Maar hoe kan D’hanis garanderen dat het extra personeel dat Demir in dienst moet nemen het veel beter zal aanpakken? Misschien gaan die herstelcoaches ook wel omgekeerd op hun stoel zitten en spreken ze kinderen die behept zijn met eigen ‘favoriete verschijningsvormen van agressie’ aan als ‘homies’. Dan is het allemaal een maat voor niets.  


* Geweld als niet politiek correct: zie over die kwestie ook mijn stukje hier


 

Sociologische studies en de thuistaal


     In De Standaard verscheen een opiniestuk van vier experts, waaronder Wouter Duyck en Dirk Van Damme, over de vraag of de thuistaal van migrantenkinderen moest worden ingezet in het onderwijs. De vier experts vonden dat géén goed idee. Andere experts, taalsociologen bijvoorbeeld, denken daar anders over. Ze halen studies aan die het succes van thuistaalonderwijs documenteren. Maar, schrijven Duyck en co,  die studies zijn niet toepasbaar op onze superdiverse klassen. Ze gaan bijvoorbeeld over Mexicaanse migrantenkinderen in de VS waar kinderen in het Engels en het Spaans onderwezen worden door perfect tweetalige leerkrachten. Conclusie: ‘Dat is in geen enkel geval bruikbaar in Vlaanderen, waar je van leraren niet kunt verwachten de vijftien thuistalen in de klas te beheersen, een voorwaarde voor dat succes.

     Zonder dat te weten van die Mexicaanse kinderen had ik de taalsociologische studies ook niet geloofd*. Sociologie is maar een halve wetenschap. Ze is in staat om de conclusies van ons gezond verstand te bevestigen of te nuanceren, maar niet om ze, zoals de fysica, tegen te spreken. Ik zal nooit veel geloof hechten aan een sociologische studie die huis-tuin-en-keuken logica tegenspreekt. Ik zal er mijn mening niet door omgooien, maar hoogstens, na zelfonderzoek, wat bijstellen. Of het zou moeten gaan om héél grootschalig onderzoek dat op héél transparante wijze tot héél dwingende conclusies leidt. 

     Bij de economische wetenschap is dat anders. Het gezond verstand vertelt ons dat een land rijk is als het veel goud in de schatkist heeft, of meer uitvoert dan het invoert. Adam Smith toonde aan dat dat niet zo was. Het gezond verstand vertelt ons dat een land niets moet invoeren wat het zelf beter kan produceren. Ricardo toonde aan dat dat niet altijd opgaat. Het gezond verstand vertelt ons dat een ordelijk geleide economie beter functioneert dan de chaos van de vrije markt. Mises toonde aan dat het omgekeerd was.

     Laatst vond ik in de mémoires die Gérard Roland op substack publiceert een treffende illustratie van dat verschil tussen economie en sociologie. Roland heeft intensief bestudeerd hoe de overgang van socialisme naar kapitalisme verliep in Oost-Europa en China. Het is op zich niet erg logisch dat de invoering van de vrije markt in het ene geval tot economische groei, en in het andere geval tot economische achteruitgang leidt. Als econoom slaagde Roland erin om verfijnde modellen uit te werken die dat verschil verklaren. Die modellen, daar zou ik nooit opgekomen zijn.

     Maar na 20 jaar modelbouw wilde Roland eens iets anders proberen. Hij wilde zijn geluk proberen met empirische studies die een meer sociologische methodiek vergen. Zo wou hij weten wat de voorwaarden waren voor het ontstaan van ondernemerschap. Welk soort mens werd een ondernemer? Welk soort mens werd een succesvol ondernemer? En wat bleek uit zijn uitgebreid onderzoek? Vooral kinderen van ondernemers werden ook ondernemer. En vooral slimme ondernemers waren succesvol. Beroepskeuze was gelinkt aan familie en succes was gelinkt aan intelligentie. Had Roland het tegenovergestelde ontdekt, dan had ik moeite gehad om hem te geloven.
     ‘We found no smoking gun,’ schrijft hij. Precies. Sociologische studies die wel een ‘smoking gun’ vinden zijn verdacht. Om nog te zwijgen van psychologische studies, waar ‘smoking guns’ schering en inslag waren tot de replicatiecrisis van 2015 iedereen weer met beide voetjes op de grond zette.

 

* Ik heb in het verleden al enkele stukjes gewijd aan de ‘thuistaal’-kwestie. Zie o.a. hier, hier, hier en hier.   

zaterdag 9 mei 2026

Michael Jackson: de film, e.a.

 


Michael Jackson: de film.

     Toen ik in 1978 in Leuven arriveerde was ik vijf jaar ouder dan mijn medestudenten. Dat was een heel verschil. Zij bijvoorbeeld dweepten met een zanger die Michael Jackson heette. Ik herinner mij precies in welk café ik zat toen ik de naam voor het eerst hoorde. Linda was erbij, en Hedwig, en Eric. Ze studeerden alle drie economie en plaagden elkaar met hun passie. Ik van mijn kant had van de zanger nog nooit gehoord en had niet de minste neiging om die blinde vlek in mijn culturele ontwikkeling in te kleuren. Later hoorde ik af en toe ongewild een meezinger die van Jackson bleek te zijn: Beat it, Billy Jean, Bad … Ik zag hem ook wel eens in een tv-clip, toen hij bijvoorbeeld danspasjes uitvoerde met Mick Jagger, iemand die wél bij mijn generatie hoorde.

     Het is inderdaad een kwestie van generaties. Toen Jackson in 2009 overleed, schreef Thomas Sowell, die nog ouder is dan ik, dat de ‘king of pop’ overleden was, sterker nog, dat die al 20 jaar overleden was, en dat zijn naam Sammy Davies Jr. was.

     Maar de film wou ik wel zien. Antoine Fuqua, de regisseur, heeft in het verleden wel eens een film gemaakt die ik aardig vond. En ik was geïntrigeerd door de verschillende respons. Op IMDB gaven de kijkers een waardering van 7,7 terwijl de critici gemiddeld op 3,9 uitkwamen. Mia Doornaert had de zaal al zingend verlaten, ‘alle zedenprekers ten spijt’ terwijl Fien Meynendonckx van De Standaard de film 2 sterren op vijf gaf. Nou ja, ze gaf toe dat ook zij zingend de zaal uitliep.

     Een groot bezwaar van de critici was dat de film niets te melden had over de vermeende pedofilie van Jackson. Daar waren juridische redenen voor. Zelf vond ik die lacune geen bezwaar want ik was op de hoogte van de beschuldigingen, wil niet door een film gemanipuleerd worden om die beschuldigingen al dan niet te geloven, en heb verder niemand nodig om mij ervan te overtuigen dat seksueel misbruik van kinderen heel verkeerd is.

     Ik heb de film ondertussen gezien en vond hem schitterend. Ik kreeg verschillende keren tranen in de ogen van ontroering. De invalshoek was die van het maniakale streven naar perfectie – zowel bij de vader van Michael als bij hemzelf – en het mirakel dat plaatsvindt als die perfectie, om redenen die niemand kan verklaren, ook werkelijk tot stand komt.

     Critici schreven dat Jackson in de film wordt voorgesteld als een heilige. Zo heb ik dat niet aangevoeld. Hij wordt voorgesteld als een griezel – een zachtaardige griezel, een gedreven griezel, een geniale griezel, een goedbedoelende griezel –  maar, een griezel.  We krijgen geen inzicht in wie hij was als mens, klagen de critici. Dat is misschien zo, maar welk soort inzicht willen die mensen eigenlijk? Als ik Hamlet lees, krijg ik ook geen inzicht in dat mysterieuze personage ‘als mens’. Dat krijg ik pas als ik de inleiding van Willy Courteaux lees. En Courteaux schrijft misschien wel aardig, maar toch is Shakespeare de betere auteur van de twee.

     En het is ook nooit goed. Meynendonckx schrijft:

 

Elke gebeurtenis uit Jacksons leven krijgt in de film een simplistische oorzaak-gevolg-logica. Doordat zijn dominante vader en latere manager Joe regelmatig zijn riem gebruikte wanneer Michael niet de juiste toonaard haalde, begint zijn obsessie met (lichamelijke) perfectie. De jongen vindt troost in een prentenboek van Peter Pan, alsof dat Jacksons kindse naïviteit, liefde voor dieren en latere optrekje Neverland volledig verklaart.

 

     Is het niet veeleer zo dat Meynendonckx zelf die simplistische oorzaak-gevolg-logica aan de gebeurtenissen oplegt? Ik heb die dominante vader, die obsessie met lichamelijke perfectie, dat prentenboek en die kindse naïviteit ook gezien, maar het kwam niet bij mij op om daar een oorzaak-gevolg in te zien. 

 


 

Verbod op tabak, vapes en transvetten


     In Engeland wordt een generationeel rookverbod ingevoerd. Wie geboren is vóór 2008 mag blijven roken, wie geboren is na 2008 zal nooit, ook al wordt hij honderd jaar oud, legaal sigaretten kunnen kopen. Zo’n uitdoofbeleid* wordt ingegeven door overwegingen van menselijkheid en efficiëntie. Het zou wreed zijn om de huidige generatie van honderdjarige rokers hun sigaret te ontnemen – ze zouden toch niet gehoorzamen – maar de komende generaties van honderdjarigen, en die zullen door het rookverbod omvangrijker zijn, die zullen nooit weten wat ze missen of niet missen.

     Bij ons heeft het ministerie van Volksgezondheid het op de vapers gemunt. De vapes met een vieze tabakssmaak blijven toegelaten, maar die met de heerlijke smaak van kersen of appels komen in de illegaliteit terecht. Men beroept zich geloof ik op een variant van de stepping stone theorie, die 40 jaar geleden in progressieve publicaties achterhaald werd genoemd, maar nu zijn het die progressieve publicaties die achterhaald zijn. Men vreest dat een 18-jarige eerst verleid wordt door exotische vapes met kiwi-passievruchten-guava smaak om dan via een occasionele sigaar te eindigen bij de hard core Marlborough. Of erger.

     Mijn zoon heeft dat vapen natuurlijk al lang uitgeprobeerd, maar als arts is hij voorstander van een verbod. Je zou van dat vapen een of andere rare ziekte kunnen krijgen waar ik nog nooit van gehoord heb. Artsen zijn als het over gezondheid aankomt, geen aanhangers van het libertarisme. De mensen moeten beschermd worden tegen zichzelf. Als iets schadelijk is voor de gezondheid moet het verboden worden. Wat kan ik daar tegenin brengen? Dat de Amerikaanse drooglegging van honderd jaar geleden mislukt is? De mensen bleven alcohol drinken, desnoods industriële alcohol die opzettelijk door de staat werd vergiftigd. Dat er zulke mooie foto’s bestaan van schrijvers, artiesten, acteurs en actrices die elegant een sigaret roken? Geraard Goossens postte vroeger vaak dergelijke foto’s met als bijschrift: ‘Omdat het leven meer is dan afwassen en onverdraagzaamheid alleen.’

     Eigenlijk zou ik mijn zoon het liefst een kort verhaal in handen stoppen dat ik lang geleden – misschien 50 jaar geleden – gelezen heb in Humo of in een of andere sciencefiction omnibus. Het speelt zich af in een nabije dystopische toekomst in de buurt van New York. De overheid heeft alle ongezonde voedsel verboden. Er ontstaat een zwarte markt, en er wordt een voedselpolitie opgericht, met agenten in burger die zich voordoen als gretige klanten om dealers en verslaafden in de val te lokken. Het verhaal zoals ik het mij herinner gaat over een verslaafde die in de val wordt gelokt. Ik vroeg aan Grok welk verhaal dat was en de bot suggereerde ‘Lipidleggin’ van F. Paul Wilson, gepubliceerd in 1978. Dát verhaal gaat over boter en eieren, terwijl het in mijn herinnering over boerenbrood en biefstuk ging. Ook de plottwist is anders dan in mijn herinnering. 

     Maar het is een mooi verhaal. In een later geschreven inleiding verwijst de auteur naar de wetgeving in Californië waar het sinds 2010 verboden is om in restaurantkeukens transvetten te gebruiken. De auteur had niet verwacht dat zijn verhaal werkelijkheid zou worden. In ons land zijn we zo ver nog niet. Vorige week nog aten we friet in een restaurant dat op de kaart vermeldde: ‘Gebakken in ossenwit’. Het was een smaak van mijn jeugd.


* Zo’n uitdoofbeleid doet denken aan de manier waarop de slavernij in sommige Amerikaanse staten werd afgeschaft. Wie als slaaf geboren was - of voor wie dat liever hoort: wie als slaafgemaakte geboren was - bleef slaaf. Men vond het blijkbaar onmenselijk om slavenhouders in één klap te ontrieven. Maar de kinderen van de slaven waren vrij vanaf de geboorte.