zondag 14 juni 2026

Tom Naegels en het asielbeleid

 


    Men zou willen dat alle opiniestukken zo helder en redelijk waren als dat van Tom Naegels in De Standaard (13/6): Zelfs als het migratiepact werkt, zullen we niet merken dat het werkt.*  Ik ben het helemaal eens met de titel, half eens met de redenering, en helemaal oneens met de conclusie. Op zijn FB-pagina heeft Naegels zijn stuk nog eens samengevat: 

In mijn column van vandaag maak ik een punt waar ik al eerder op gehamerd heb: je kunt proberen, met een alsmaar strenger beleid, om de instroom van asielzoekers of migranten in het algemeen te doen dalen. Maar dat is au fond niet het echte doel van dat strengere beleid – het echte doel is dat de kiezers zullen mérken dat die instroom gedaald is, dat ze het zullen waarderen dat hun bezorgdheid serieus genomen is, en dat ze als reactie daarop stoppen met voor uiterst-rechts te stemmen … Maar zo werkt dat niet. Kijk naar de peiling van HLN en VTM van vandaag: het VB blijft de grootste partij, ondanks het feit dat de migratiecijfers gedaald zijn, ondanks het feit dat Anneleen Van Bossuyt daar trots over communiceert, en ondanks het feit dat deze regering erin slaagt om verder van migratie niet zo’n issue te maken. Die kiezers … vinden nog steeds dat er te veel migranten zijn. Kiezers … weten meestal niet welke nieuwe procedures in werking zijn gesteld om de instroom te beperken, en zij weten niet of die procedures doen wat ze moeten doen. Zij weten überhaupt ook niet hoeveel mensen er op een jaar naar België komen, en ze weten dus ook niet of dat aantal gedaald is. En zelfs als ze dat allemaal wél weten: “te veel migranten” is een aanvoelen. 50.000 per jaar kan als te veel aanvoelen, maar 30.000 per jaar kan net zo goed als te veel aanvoelen. Emotioneel zijn dat cijfers van eenzelfde grootte-orde. In je dagelijkse leven merk je het verschil niet …

      En in De Standaard besluit Naegels zijn stuk als volgt:

 Het enige waarop je dan nog kunt hopen, is dat [de kiezers] in hun dagelijkse omgeving zullen merken dat het aantal mensen van kleur zichtbaar vermindert. Maar dat is een demografische evolutie die zelfs het striktste migratiebeleid niet voor elkaar krijgt. 

      Naegels ziet maar één mogelijke drijfveer die redelijke politici ertoe kan brengen om een strikt migratiebeleid te voeren: het tegenhouden van uiterst-rechts. Het is een doelstelling die hijzelf ‘in wezen onderschrijft.’ Er is echter een veel belangrijker reden voor de immigratiebeperking: de integratie van de reeds aanwezige migranten mogelijk maken. Die integratie is onmogelijk zolang de migranten sneller binnenkomen dan ze cultureel geassimileerd raken. Waarschijnlijk zijn er nu al te veel om een assimilatie op middellange termijn mogelijk te maken; het enige waar we nog op kunnen hopen is de héél lange termijn.
     Naegels heeft gelijk als hij stelt dat het brede publiek het niet eens zou merken als de asielinstroom fors daalde. Natuurlijk is dat zo, want het enige dat je met zo’n ‘daling’ zou merken is een verdere tóename, zij het aan een vertraagd tempo. De mensen merken dus geen daling, omdat er geen daling is. Om het in Naegels zijn woorden te zeggen: ook met een strikte migratiebeperking neemt ‘het aantal mensen van kleur in hun dagelijkse omgeving’ tóe.
     Mijn moeder ging dertig jaar geleden in Menen wonen. Er moeten toen enige migranten in het straatbeeld aanwezig zijn geweest, maar mijn moeder merkte die niet, omdat ze zo’n kleine minderheid gewoon was. In Wervik zag je in de jaren 60 ook al wat Algerijnen rondlopen die af en toe de Frans-Belgische grens overstaken. Sommige van hen bezochten onze bioscoop. Maar 15 jaar geleden, naar haar schatting, begon de zichtbaarheid van migranten in Menen snel toe te nemen.
      Die 15 jaar moet een juiste schatting zijn. Ik stond enkele weken geleden bij de bakker op de Menense markt en voor mij was een Pakistaanse vrouw aan het kletsen met de bakkersvrouw. Bleek dat die Pakistaanse in Menen geboren was. Vijftien jaar geleden was ze met haar man naar Pakistan verhuisd om voor zijn zieke vader te zorgen. Haar kinderen hadden Urdu op school gesproken maar in de huiselijke kring werd het Menens dialect in ere gehouden. Nu was ze met haar gezin voor goed naar Menen teruggekeerd. En wat was ze geschrokken: ‘Vijftien jaar geleden waren mijn man en ik hier de enige vreemdelingen.’ 
     Naegels heeft alweer gelijk dat die zichtbaarheid van migranten zelfs met het striktste migratiebeleid nog zal toenemen door de demografische evolutie. Daar valt niets tegen te beginnen. Maar we kunnen hopen op een andere evolutie. Toen de migranten in Menen aankwamen droeg een deel van de vrouwen een hoofddoek en en een vormloze jurk, tot groot ongenoegen van mijn modebewuste moeder. Maar drie of vier jaar geleden begon die hoofddoekdracht plots heel snel toe te nemen. Dat lag niet aan de demografie, maar aan de imams.
     Het appartement van mijn moeder ligt recht tegenover de technische school waar ze zelf ooit nog lesgegeven heeft. ’s Middags en s’avonds ziet ze de meisjes buitenstromen uit de school en zodra ze de schoolpoort voorbij zijn doen ze allemaal snel een hoofddoek om. Drie of vier jaar geleden was dat nog niet zo. Dát is dus óók een zichtbaar proces en we mogen hopen dat het, in tegenstelling tot de demografie, wel omkeerbaar is: dat die meisjes, of hun toekomstige dochters of kleindochters, die hoofddoek weer zullen afdanken. Dat kan bruusk gebeuren in een opwelling van feministische rebellie of als onderdeel van een generatieconflict, dan wel voorafgegaan worden door een langzaam veranderende betekenis van de hoofddoek. ’t Zou in elke geval een vorm van zichtbare integratie zijn.
     Nog twee randbemerkingen. De regering slaagt erin, schrijf Naegels, ‘om van de migratie niet zo’n issue te maken’. Dat is verstandig van de regering. Maar hier kan de linksliberale pers misschien een les uit trekken. Je zou verwachten dat men van die kant evengoed probeert om de migratie- en asielkwestie weg te houden van de voorpagina, zodat uiterstrechts het thema niet niet op een schoteltje aangeboden krijgt. Maar de linksliberale journalisten kunnen hun geëngageerde mond niet houden over één klein onderdeel van de migratiekwestie: de gebrekkige opvang van asielzoekers. Ze zouden die kwestie, als ze er dan toch over moeten schrijven, beter kort en droog behandelen.
     En over de electorale berekeningen van Naegels nog dit. Het is inderdaad onmogelijk om door strenge asielprocedures uit te werken een antimigrantenpartij als Vlaams Belang electoraal te laten verschrompelen. Er zullen altijd mensen zijn die vinden dat er ‘te veel’ migranten zijn, en er zullen onder die migranten altijd voldoende criminelen (of terroristen) zijn om racistische gevoelens op te wekken. Je kunt de aanhang van extreemrechts dus niet wegtoveren of zelfs maar halveren. Maar het afsnoepen van een paar procentjes kan al een heel verschil maken.
     Daarbij kan het helpen dat Anneleen Van Bossuyt rond migratie ten minste iéts doet en ten minste énig resultaat bereikt, en dat ze in haar communicatie verduidelijkt dat sommige zaken in de goede richting evolueren. En dat kiezers geen acht slaan op de héél lange termijn is niet waar. Als mijn moeder tegen hoofddoeken fulmineert, eindigt ze altijd met de hoop dat haar kleindochters en achterkleindochters die  nooit zullen moeten dragen.
     Is het Europese migratiepact een voorbeeld van zaken die in de goede richting evolueren? Dat weet ik niet. I
k ga dat niet van naaldje tot draadje uitpluizen, maar als ik zie hoe links er zijn gal over spuwt, dan moet er toch iets goed aan zijn. 


*Als men over asielmigratie graag opinies leest, kan men ook terecht bij het laatste stuk van Marc Elchardus in De Morgen. Twee citaten: 

In Europa besteden we meer aan het afhandelen van de asielprocedure dan de VN wereldwijd aan vluchtelingenhulp… en het resultaat is dat negen op de tien asielzoekers hier blijven, legaal of illegaal. 

En de totaalkost voor ons land om asielzoekers uit te wijzen vat Elchardus als volgt samen: 

We besteden dus meer dan een miljard om ongeveer 4.200 mensen die hier niet moeten zijn het land te doen verlaten ... Dat komt neer op een kwart miljoen per opgevolgd uitwijsbevel. 


 

zaterdag 13 juni 2026

PVDA en antifa, e.a.

 


De PVDA en het antifa-geweld
      Het artikel in De Standaard (13/6) vat het goed samen:  de PVDA komt ‘in nauwe schoentjes’ te staan door het gewelddadige straatprotest tegen de hervormingen in het Franstalig onderwijs  en door antifa-acties in het algemeen. De partij kan het zich niet veroorloven om dat geweld te verdedigen en riskeert daarbij langs links te worden ingehaald door burgertrutten als Anuna De Wever en Martha Balthazar*. Dat is pijnlijk.
 
     Ik weet nog hoe het vroeger was. Binnen de uiterst-inkse beweging had je de traditionele Kommunistische Partij (KP). Die riep op tot ‘kalm en waardig’ protest. Daarnaast had je de opkomende communisten van Amada, de voorloper van de PVDA. Die waren voor revolutionaire massa-actie Ze werden daarom door de KP uitgescholden voor ‘provocateurs’ en ‘avonturiers’. En nu lijkt de PVDA de weg van de KP op te gaan.
     Wat bedoelde Amada destijds met ‘revolutionaire massa-actie’? ‘Revolutionair’ betekende dat confrontatie met de politie niet uit de weg werd gegaan, desnoods zelfs werd opgezocht door het organiseren van verboden betogingen. Vechten met de politie, met stakingsbrekers of met fascisten was gerechtvaardigd geweld, gratuite vernietigingen moesten echter worden vermeden.
      De kwalificatie 
‘massa’ betekende dan weer dat de partij het geweld niet zelf organiseerde maar eraan deelnam, en dat alleen als er voldoende niet-partijleden aan deelnamen, bijvoorbeeld stakende dokwerkers. Ook moest er een redelijke kans bestond dat het geweld bij progressieve niet-partijleden op begrip kon rekenen**.  
     In de praktijk was de grens soms moeilijk te trekken. Ik herinner mij een actie tegen een NSV-meeting in Leuven. We vormden voor de ingang van de zaal een menselijke een ketting zodat niemand naar binnen kon. Een heethoofdige student, geen lid van de partij, begon met een ijzeren staaf te een glazen deur kapot te slaan. Partijfunctionaris M.R. die naast mij stond, zei genoeglijk glimlachend: ‘Kijk, de revolutionaire massa’s aan het werk.’ Het was minstens half ironisch bedoeld.
    Maar nu? Hoe moet de PVDA reageren als onderwijsbetogers bijvoorbeeld het parlement bestormen, zoals gebeurde op 4 juni? Eigenlijk beantwoordt zoiets aan de criteria van de ‘revolutionaire massa-actie’. Maar een groot deel van de progressieve wereld denkt nog met afschuw aan de bestorming van het Capitool. Dat ligt dus gevoelig. Oproepen tot ‘kalmte en waardigheid’ dan maar, zoals de KP destijds? Dat zit niet in het DNA van de partij. Wat blijft dan nog over? Ik zou vanuit mijn eigen revolutionaire jeugd vijf raadgevingen meegeven***. De PVDA moet 

  1. benadrukken dat een groot deel van het protest vreedzaam verliep 
  2. de rechtse partijen het verwijt maken dat ze het geweld overdrijven om de aandacht af te leiden van het eisenpakket 
  3. de meest crapuleuze voorbeelden van het geweld – de gratuite vernielingen – desnoods veroordelen 
  4. desgevraagd antwoorden – wellicht naar waarheid – dat de PVDA geen organisatorische banden heeft met antifa groepen* 
  5. heel veel nadruk leggen op het politiegeweld.
     Helaas voor de partij blijkt nu dat ze ook op dat laatste punt langs links wordt ingehaald door mensen als Martha Balthazar. De woordvoerders van de PVDA hebben de handicap dat ze een beetje geloofwaardig moeten overkomen als ze over de politie spreken. Die mensen hebben ook vakbonden. Maar Balthazar kan schrijven wat ze wil. Gisteren nam ik haar op de korrel omdat ze beweerde dat onze sociale rechten bezegeld waren door mei ’68. Terwijl haar eigen overgrootvader Gustaaf Theophiel Balthazar (1914-1945) als bediende in de socialistische textielcentrale wellicht meer gedaan heeft voor ‘onze sociale rechten’ dan alle stenengooiende studenten van 1968 samen. Maar wat ze over het politiegeweld te vertellen had, was ook pittige kost:

De politie slaat minderjarigen neer voor het oog van tientallen camera’s, om hen dan weg te voeren. Achter gesloten deuren gaat het er nog veel gewelddadiger aan toe.     

      Wacht eens even. De politie slaat minderjarigen neer, voert hen weg, en achter gesloten deuren  … gaat het er nog veel gewelddadiger aan toe. Worden die minderjarigen meegenomen naar een folterkamp misschien? Ik ben in mijn extreemlinkse jeugd wel eens neergeslagen door de politie, en ik ben ook wel eens ‘achter gesloten deuren’ terechtgekomen. Ik heb tientallen mensen gekend die in mijn geval geweest zijn, en het was héél zeldzaam dat ze achter gesloten deuren’ nog veel gewelddadiger werden aangepakt. Heeft Balthazar bewijzen voor wat ze schrijft, of zegt ze zomaar wat? 
     En dan is er nog iets wat we leren uit het stuk in De StandaardDe PVDA ontkent dus, conform mijn raad, de organisatorische banden met antifa. De Standaard vroeg in dit verband naar een reactie van Julien Dohet, vakbondsman bij BBTK en coördinator van het Front Antifasciste Liège.

 Veel mensen die zichzelf antifascistisch noemen, zijn geen lid van de PVDA. Soms willen ze geen enkele link hebben met een politieke partij. Iedereen heeft andere motieven. Maar als een linkse partij zich distantieert van anti­fascisme, betekent het dat de partij fascistisch is. Dan zitten we met een probleem.

      Beweert kameraad Dohet hier dat de PVDA fascistisch is? Of zegt hij zomaar wat? Er lopen blijkbaar nogal wat simpele zielen rond in dat uiterst-linkse milieu.

* Over Martha Balthazars houding tegenover het straatgeweld, zie mijn stukje hier.

** In de partijleer bestond er een hele mythologie rond de verhouding tussen de partij en de massas. In het jargon echter betekende massa vaak niets meer dan niet-partijleden. Een kleine organisatie die door de partij werd gecontroleerd werd dan een massa-organisatie genoemd, ook al had ze maar enkele tientallen leden. 

*** Uit het artikel in De Standaard heb ik begrepen dat de PVDA mijn raad  niet nodig had om dat allemaal keurig zo te doen. 




A Star is Born (1954)
     De Hollywood-film met de meeste remakes is geloof ik A Star is Born: 1937, 1954, 1976 en 2018. Je zou kunnen denken aan The Front Page: 1931, 1948, 1970, 1974, die dan ook nog eens onder twee andere titels is uitgekomen: His Girl Friday (1940, grappigste film aller tijden) en de heel vrije bewerking Switching Channels (1988). Maar The Front Page is een verfilmd toneelstuk, dat is een categorie apart. En als we ook verfilmde romans en stripverhalen zouden opnemen, werd de lijst eindeloos. 
   
Dus: A Star is Born. Het is een mooi melodramatisch gegeven. Een oudere, aan lager wal geraakte zanger of acteur, ontdekt een jonge, talentvolle zangeres of actrice. Ze trouwen. Het kan niet goed aflopen. Hoe groter het succes van de zangeres of actrice, hoe dieper de has-been onder zijn neergang lijdt.
 
     Op IMDB kan ik de scores nagaan die het publiek (op 10) en de recensenten (op 100) gaven aan de verschillende versies. 

  • 1937 (Janet Gaynor, Fredric March):                 7,3 - 77
  • 1954 (Judy Garland, James Mason):                  7,5 - 89
  • 1976 (Barbara Streisand, Kris Kristofferson):   6,1 - 59
  • 2018 (Lady Gaga, Bradley Cooper):                    7,6 – 88

     De scores lopen grotendeels gelijk, maar die van het publiek zijn meer afgevlakt. Komt dat door de wet van de grote getallen? In elk geval moeten we onthouden dat het niet dezelfde recensenten en niet hetzelfde publiek is dat de scores heeft toegekend. De meeste recensenten die in 1954 over Judy Garland schreven - zoals Pauline Kael - waren al overleden toen in 2018 de Lady Gaga-film uitkwam. En het hedendaagse publiek dat in Lady Gaga geïnteresseerd is, is niet hetzelfde publiek dat zich vandaag nog voor Judy Garland interesseert. 
     Ik heb drie van die versies enkele jaren geleden kort na elkaar gezien. Van die van 1937 heb ik onthouden dat Fredric March een heel mooie man was. Van die van 2018 herinner ik mij alleen de beginscène. Van die van 1976 was ik een maand nadien al alles vergeten, alhoewel ik mij vaag een huiskamerdecor meen te herinneren.
     En nu heb ik eergisteren de Judy Garland-versie gezien, dankzij Amazon-Prime. De regisseur is George Cukor: niet de eerste de beste. De film begint met een breed gefilmd society event in Hollywood. Cinemascope, technicolor, grootse mise-en-scène. Maar dan krijgen we enkele vaudeville-optredens te zien. Ik vind zulke scènes bijna altijd vervelend. En vanaf dan was er nog veel dat tegenviel: alles wordt heel uitdrukkelijk verteld, de choreografie bij de muzikale nummers is ongeïnspireerd; af en toe zijn er treffende beeldcomposities maar de achtergrondmuziek is oubollig; Judy Garland is een beperkte actrice en als ze zingt werkt haar gestiek op de zenuwen. Mason is natuurlijk een groot acteur, maar ik hou niet van zijn gezicht noch van zijn stem. Ten slotte is er nog de melodramatische villain, public relations manager Libby, die een onsympathieke, jaloerse intrigant is. In films zie ik liever sympathieke intriganten.
        Maar ik had de televisie amper uitgezet, of daar zette zich het reëvaluatieproces in. Ik zag de scènes weer voor mijn ogen verschijnen. De oscar-uitreiking, de slotwoorden, Garland die een liedje zingt in een kleine club, zomaar, nadat alle klanten de zaal verlaten hebben en alleen de muzikanten nog aanwezig zijn, Mason die rondloopt in een feestzaal op zoek naar vrouwelijk gezelschap, de meevoelende studiobaas die Mason bezoekt in een rehabilitatiecentrum, Libby die beteuterd kijkt als hem met enig medelijden wordt duidelijk gemaakt dat hij er niets van begrepen heeft. Ik denk dat ik mij sommige van die scènes binnen enkele jaren geleden nog zal herinneren. Een nadrukkelijke vertelling heeft ook zijn voordelen. 


Love and Death (1975)
     Love and Death van Woody Allen heb ik gezien toen de film uitkwam, en daarna misschien nog twee keer. De laatste keer was geloof ik 45 jaar geleden. Ik heb de film nu opnieuw gezien en ik herinnerde mij ongeveer alles. Alleen Annie Hall (1977) herinner ik mij nog beter. Maar ook van Love and Death kon ik bijna elke zin, elk gebaar, elke gelaatsuitdrukking, elk decor anticiperen. Alleen het gesprek tussen Diane Keaton en de oude pope (‘your Grubbiness’) stelde ik mij voor in de open lucht. Het vond plaats in de kerk.
     Binnen het oeuvre van Woody Allen behoort Love and Death tot de ‘early funny ones’, een uitdrukking die mij bijgebleven is uit Stardust Memories (1980), en waar ik alle films bij reken vóór het meesterwerk van 1977.
     Van Allens parodie op Oorlog en Vrede herinner ik mij trouwens niet alleen de inhoud en de vorm: ik herinner mij ook nog wat ik 50 jaar geleden bij de film vóelde mij: onder andere de schaamte omdat ik zoveel plezier beleefde aan de flauwe grappen. Dat gevoel is vandaag nog altijd hetzelfde. De leukste scène vond ik toen en nu de veldslag omdat daar de cinematografie van Bondartsjoek niet alleen inhoudelijk werd geparodieerd maar ook stilistisch werd gepasticheerd. In het register van de pastiche heeft Allen later nog veel mooie dingen gedaan.

vrijdag 12 juni 2026

Martha en de volkswoede, e.a.

 


Martha Balthazar en de volkswoede
     Het stuk van Martha Balthazar over de Brusselse rellen (DM 11/6) markeert hopelijk geen evolutie binnen de progressieve wereld. Het is een klassiek scenario dat protest en betogingen door radicalen en geweldenaars als voorwendsel gebruikt worden om een en ander stuk te slaan of in brand te steken, en stenen te gooien naar de politie. Het klassiek progressieve antwoord was dan om de relschoppers weg te zetten als provocateurs die de Goede Zaak meer kwaad dan goed deden. Balthazar pakt het anders aan: ze neemt het op voor de relschoppers.
     De redenering gaat als volgt. De wantoestanden die bestreden moeten worden zijn enorm. Vreedzaam protest heeft niet geholpen. De machthebbers willen niet luisteren. Nu is het uur van de volkswoede geslagen. De straat is het enige middel dat ons nog rest. In het verleden zijn op die manier al mooie dingen gerealiseerd.
     De lezer kan voor zichzelf wel uitmaken hoe sterk of hoe zwak die argumentatie is. Ik wil hier slechts twee kanttekeningen maken. De timing van Balthazar is wat ongelukkig in het licht van de extreemrechtse rellen in Belfast. Dat zijn ook mensen die vinden dat de wantoestanden enorm zijn, dat de machthebbers naar hen niet willen luisteren en dat ‘de straat’ het enige is wat hen nog rest. En ik denk niet dat Balthazar het voor dié mensen wil opnemen.
     De tweede kanttekening gaat hierover. Balthazar schrijft:

Om mijn geheugen op te frissen, kijk ik nog eens naar beelden van mei ’68. Die legendarische tijd die onze sociale rechten heeft bezegeld, zo hebben we het toch geleerd op school. Ik zie boze studenten die stenen gooien, brandjes stichten en slogans over hun toekomst scanderen. Deelsteps waren er nog niet. Een revolte, een aanklacht tegen neoliberaal beleid, die de status quo even deed daveren.

     Heeft Balthazar dát op school geleerd? Dan is dat een wantoestand in het onderwijs die ook eens mag worden aangeklaagd. Mei ’68 heeft heel weinig te maken gehad met de bezegeling van onze sociale rechten, en het neoliberalisme komt pas tien jaar na de fameuze studentenrevolte. Die viel nog volop tijdens les trente glorieuses


Wie houdt de asielmigratie in stand?
     De vraag die ik hierboven als titel gebruik is misleidend. Het is op die manier dat de kwestie geframed wordt door radicaal-rechts. En het geïmpliceerde antwoord - de traditionele partijen houden de aslielmigratie in stand - is eveneens misleidend. Alsof Bart De Wever of gelijk welke andere politicus s morgens wakker wordt met de vraag: hoe kan ik de asielmigratie in stand houden? Maar de vraag áchter de misleidende vraag is reëel: wat is de reden dat er aan de massale asielmigratie geen einde komt? Dat einde wordt nochtans gewenst door een groot deel van de bevolking, en beloofd door een groot deel van de mainstream politici.
     Een betere kadering van de kwestie vond ik in een stuk van historicus Martin Sommer in EW-magazine. 

Aan de meerderheid in de Tweede Kamer ligt het niet. Maar het hindervermogen van de secundaire machten, van asieladvocaten, journalisten, adviesorganen, hoogleraren en Europese rechters, is ook na een kwarteeuw soebatten helemaal intact.

     Een andere vraag is dan: waarom kan een parlementaire meerderheid die secundaire machten niet opzij schuiven? Daar zijn veel redenen voor. De belangrijkste is dat de mainstream partijen – terecht – de kwestie willen regelen binnen een wettelijk en rechtstatelijk kader. Het opnemen van asielzoekers is een verplichting binnen het EU-recht. Ofwel moet België dus uit de EU treden, ofwel moet dat EU-recht worden aangepast. Misschien moet zelfs de Grondwet worden aangepast. 
   
 Dat alles is in de praktijk niet mogelijk met een eenvoudige meerderheid. En dan botst men op een niet te omzeilen struikelblok. Een niet-onbelangrijke minderheid van de publieke opinie, en een niet-onbelangrijke minderheid binnen de politieke partijen, zijn voor het behoud van massaal toepasbaar asielrecht**. 
     Op termijn moet een hervorming van het EU-recht mogelijk zijn. Het zou mij verwonderen als niet in alle EU-landen – althans in de publieke opinie – een meerderheid te vinden was voor drastische asielbeperking. Dan moet die uiteindelijk toch mogelijk zijn. In het kader van een democratisch compromis met de minderheid zal die beperking misschien niet zó drastisch zijn als sommigen zouden willen, maar toch: drastisch.
     Daarvoor is een zekere mate van Kulturkampf onvermijdelijk. Die asieladvocaten, journalisten, experts en rechters zijn beïnvloed door het linksliberalisme, of preciezer: door een mengeling van christelijk humanisme, liberaal universalisme en socialistisch internationalisme. Maar een strikter asielbeleid kan ook verantwoord worden vanuit een voorzichtig liberalisme, een protectionistische sociaaldemocratie en een cultuurconservatieve christendemocratie. Als het alléén van het nationalisme zou afhangen, zal er in Europees verband nooit iets veranderen. 

* Er bestaan, toegegeven, politici die voordeel halen uit de migratie omdat die een deel van hun kiespubliek levert. Maar dat kan slechts een beperkt voordeel zijn aangezien legale asielmigranten niet zomaar stemrecht krijgen, en illegale, afgewezen asielzoekers al helemaal niet kunnen stemmen. 

** Die mensen willen niet zozeer asielzoekers aantrekken, maar ze vinden het onmenselijk om asielzoekers te weigeren. 


Peter Thiel en het miljardairsgevaar 
   
 Een stuk in De Standaard (11/6) over techmiljardair Peter Thiel. Volgens Tinneke Beeckman heeft Thiel een slag van de religieuze molen gekregen en interpreteert hij het huidig tijdsgewricht in apocalyptische termen. De Verenigde Staten kunnen de wereld nog altijd redden van een totalitaire toekomst met een wereldregering, maar alleen op voorwaarde dat ze nieuwe technologie en innovatie vrije baan laten - technologie en innovatie die door bedrijven als die van Thiel ontwikkeld worden.
     Door dat stuk van Beeckman word ik weer verplicht om na te denken over de vraag: hoe gevaarlijk is het dat er miljardairs bestaan in de wereld en in de VS? Zij kunnen met hun financiële steun, zoals Thiel deed, een niet geringe invloed uitoefenen op verkiezingsuitslagen. Zo
n miljardair kan natuurlijk niet eigenhandig zijn kandidaat aanduiden en ervoor zorgen dat die gegarandeerd verkozen wordt – dat is complottheorie –  maar hij oefent wel een veel grotere politieke invloed uit dan een gewone burger met zijn stem en zijn bescheiden donatie.
     En dan: waarvoor gaan die miljardairs hun macht gebruiken? Het is mij niet onwelgevallig dat ze vrije baan krijgen om  technologie en innovatie te ontwikkelen. Als ze hun politieke invloed gebruiken om de regelgeving beperkt te houden, vooruit. Maar als ze bezeten raken van excentrieke religieuze ideeën, ben ik er niet gerust op. De geopolitieke situatie is al complex genoeg, met het Chinese ontwaken dat de wereld doet beven. Dan is het beter dat een en ander met een koel, geseculariseerd, hoofd bekeken wordt.
     Een bijkomende vraag: zijn miljardairs vatbaarder voor excentrieke ideeën dan politici? Misschien wel. We kunnen hopen dat al te excentrieke ideeën in het politieke proces min of meer weggefilterd worden onder druk van compromissen en opiniepeilingen? Terwijl zo’n miljardair tegelijk geniaal en visionair kan zijn in zijn zakelijke strategie, en zo gek als een achterdeur als het over religie en wereldpolitiek gaat.


Tom Wouters, de kritiek, oom Vanja 
   
 Het prachtige boekje van Tom Wouters In mijn hoofd zwemmen vissen kreeg een wat mindere recensie op de literaire podcast De Nieuwe Contrabas. De recensenten ontdekten in de verhalen alleen fantasierijke grappen en vormexperimenten, waarmee ze naar mijn smaak demonstreerden dat ze ofwel een beetje toondoof waren, ofwel dat de ‘klik’ nog moest komen. Auteur Christophe Vekeman drukte zich wat harder uit:

 Twee tot op het bot, in elk mogelijk opzicht, op ieder denkbaar vlak mislukte would-be auteurs zitten tegen elkaar aan te zeiken over dingen waar ze geen verstand van hebben - schoonheid, taal, literatuur, kunst, boeken … 

    Dat deed mij denken aan de uitval van Tsjechovs oom Vanja tegen de grofbesnaarde kunstcriticus Serebrjakov: 

 Nu zie ik alles. Je schrijft over kunst, maar je hebt totaal geen verstand van kunst. Je bent gewoon een oplichter. 

     Ik zie de scène voor mij. Wallace Shawn die als Vanja druk en wanhopig gesticuleert. Hij had een Dostojevski of een Schopenhauer kunnen zijn!  Ik heb dat fragment uit Vanya on 42nd street vaak met mijn leerlingen bekeken. Ik legde dan uit hoe bitter het allemaal was – dat Vanja het natuurlijk niét in zich had gehad om een Schopenhauer te zijn, in geen duizend jaar, maar dat hij anderzijds wellicht gelijk had over Serebrjakov.

* De trailer van de film staat hier


Marlene Dietrich in Morocco
    Mijn vader sprak altijd met het grootste respect over de film Morocco. ‘Van Josef von Sternberg!’ zei hij. De film kun je nu voor enkele euro’s huren bij Amazon-Prime. De scènes met marcherende legionairs duren wat te lang, maar Marlene Dietrich acteert heel delicaat, Adolphe Menjou als begripvolle liefdesriveaal doet je even vergeten dat hij de moreel corrupte generaal is in Paths of Glory, en Gary Cooper … wel, als je Gary Cooper bent, maakt het niet zoveel uit hoe je acteert.
    Het eerste lied dat Dietrich in de film zingt, vond ik maar niets. Maar de Apple Song was ontroerend, pikant en grappig tegelijk, ook al door de heftig met zijn armen zwaaiende dirigent. De scène erna is ook boeiend, omdat er met de appelverkoop een heel specifiek verdienmodel is gemoeid  de appels worden verkocht aan exorbitante prijzen omdat de kopers uit een soort opschepperige welwillendheid meegingen in de illusie dat ze iets ánders kopen. De tekst van het lied is duidelijk Pre-Code. Na 1934 zouden die pikanterieën in Hollywood niet meer toegelaten zijn. Het eerste deel van de song zie je hier.

 

 

 

donderdag 11 juni 2026

Geweld in Belfast, e.a.

 


Geweld in Belfast
     Een moordaanslag ligt aan de basis van de gewelduitbarsting in Belfast. De pers laat niet na om te vermelden – terecht – dat de moord gepleegd werd door een Soedanese asielzoeker. Men verbergt dus niet dat de dader een zwarte man was. Maar waarom wordt niet vermeld dat het slachtoffer een blanke, desnoods een ‘witte’ man was? Dat is nochtans belangrijk om de racistische component van de gewelddadige reactie te begrijpen? Dat geldt ook voor de gewelduitbarsting na de dood van George Floyd. Die zou er niet gekomen zijn, en zeker niet op die schaal, als Floyd was gedood door een zwarte politieman. In beide gevallen speelt een soort ‘rassensolidariteit’, opgestookt in het ene geval door extreemrechts en in het andere geval door extreemlinks.
  
     Ik probeer voor mijzelf uit te maken wat ik ‘erger’ vind: het straatgeweld van Black Lives Matter of dat van de Noord-Ierse heethoofden. Dat is een beetje belachelijk – straks ga ik dat geweld nog, alsof ik een staatshoofd was, ‘veroordelen’. Maar ik wil toch weten wat ik denk. Dat álle straatgeweld slecht is? Uiteraard, al weet ik niet zeker of je dat zo mag zeggen. Je kon indertijd ook geen bordje opsteken met de boodschap All Lives Matter zonder een supremacist te zijn.
     Ja, de geweldescalatie in het kader van BLM was verantwoordelijk voor miljarden aan materiële schade en voor tientallen dodelijke slachtoffers. In Noord-Ierland zijn er vooralsnog geen doden gevallen. Maar wat niet is, kan nog komen. Ook krijg je de indruk dat het in Belfast alleen om rellen en geweld gaat, terwijl een groot deel van het BLM-protest min of meer vreedzaam was. BLM werd gedragen door het establishment, en dat gooide wat olie op de golven. Je kunt, zoals ik, met een zekere minachting kijken naar voetbalspelers op tv die op één knie neerzinken, terwijl ze zich niet eens in een kerk maar op de grasmat bevinden, maar ik heb dat toch veel liever dan dat men auto’s en winkels in brand steekt.
     Ik weet het nog niet.


Beleggen op de beurs
     In De Standaard van 11/7 staat een lezersbrief van Paul Claes, Kessel-Lo, over de gevaren van speculeren op de beurs. We krijgen geschiedenisles over de tulpenbollen in Nederland, John Law in Frankrijk, de Russische obligaties van onze grootouders en het recentere gesjoemel van Lernout & Hauspie. De lezer wordt aangeraden zich niet in het rovershol te wagen. Ik ben dat ook niet van plan. 
   
 Een passage in de lezersbrief zette mij aan het mijmeren: 

De Amerikaanse econoom Hendrik Bessembinder berekende dat 1,5 procent van alle aandelen goed is voor alle winst op de beurs. De voorbije jaren creëerde 98,5 procent van alle wereldwijd noterende aandelen gemiddeld nul waarde winst. De enige winnaars zijn de traders: de beurshandelaren.

      Zo samengevat, kón dat niet helemaal juist zijn, anders waren aandeelhouders wel heel erg te beklagen. Dan had de PVDA niets om naar uit te kijken, want als de meeste aandeelhouders niets verdienen, dan mag men het vergeten om daar veel te belasten.
     Ik heb het dus aan Grok moeten vragen. Het beginsel is correct, leerde ik, dat een heel groot deel van de beurswinst – laat ons zeggen 95 procent of meer – in de laatste 30 jaar gemaakt werd door enkele goede aandelen: Apple, Microsoft, Amazon, Nvidia … Helaas zegt dat niets over de toekomst. De kans dat een bepaald aandeel stijgt of daalt in waarde is ongeveer 50 procent. Ik kan dus niet gegarandeerd rijk worden door nú Apple-aandelen te kopen.
      Verder is het niét waar dat de andere aandelen niéts opbrengen. Alleen brengen ze gemiddeld niet méér op dan een veilige belegging in obligaties. Dat is al iets helemaal anders dan niéts opbrengen. Men kan het betreuren dat die opbrengst ook nog eens aangevreten wordt door de inflatie, maar dát komt omdat regeringen en centrale banken te veel geld drukken.
     En die traders? Jawel, als er veel met aandelen heen en weer wordt geschoven, kunnen traders daar een mooi percentje van opstrijken, ten koste van de aandeelhouders of ten koste van andere traders. Maar er zijn ook veel aandeelhouders die op lange termijn beleggen. Zeggen dat de traders de énige winnaars op de beurs zijn is absurd.
      Hoeveel van de totale winst die op de beurs gemaakt wordt gaat dan naar de traders? Grok wil geen schatting maken, maar beperkt zich tot ‘veel minder dan hun aandeel in de handel zou doen vermoeden.’ Ik dring aan: 20 %? Nee, veel minder. 10 %? Nu krijg ik wel een voorzichtig antwoord:

In de praktijk houden traders als groep waarschijnlijk minder dan 10% netto over van de structurele beurswinsten… maar ja, 10 % is een plausibele schatting voor het collectieve aandeel van alle traders samen. De rest (90% of meer) gaat naar passieve langetermijnbeleggers die gewoon de markt volgen met lage kosten. 

woensdag 10 juni 2026

Geostrategie: goede raad + een herinnering


    
 Van een PVDA-vriend kreeg ik de raad om ernstige studie te wijden aan documenten over de Amerikaanse imperialistische strategie. Het boek van Elbridge Colby bijvoorbeeld, de Amerikaanse onderminister van Defensie bijvoorbeeld: The Strategy of Denial. American Defense in an Age of Great Power Conflict.’ Daaruit zou blijken dat de Amerikanen zo veel mogelijk hun macht in wereld willen behouden. Ik geloof het ook zonder het boek gelezen te hebben.

      Ook nu moet ik weer aan mijn maoïstische jeugd terugdenken. Opa vertelt. Er was een tijd –  eind de jaren 70, begin de jaren 80 – dat de PVDA zich vooral zorgen maakte over het Russische imperialisme. Dat was voor buitenstaanders een beetje raar: communisten die tegen communisten te keer gingen, maar het had, geloof ik, te maken met de toenadering die destijds aan de gang was tussen de Verenigde Staten en China.

      In elk geval werden we verondersteld om de Russische imperialistische strategie ernstig te bestuderen. De toespraak die Brezjnev gehouden had voor het 26ste congres van de Communistische Partij werd regel per regel becommentarieerd door partijleider Ludo Martens. Voor wie het echt wilde weten, raadde Ludo Martens het boek van de Russische admiraal Sergej Gorsjkov aan. Het was vertaald in het Duits: Die Seemacht des Staates. Het was, als ik mij goed herinner, een bijzonder dik boek met een blauwe kaft.      

     Ik ben blij dat ik dat boek toen niet gelezen heb. 

Boudry, zijn sympathisanten, zijn vijanden



De sympathisanten
    
 Maarten Boudry wordt soms gecontacteerd door mensen van de universiteit die met hem en met zijn boodschap sympathiseren. Maar ze durven dat niet openlijk zeggen. Althans, dat is het verhaal dat Boudry zelf vertelt. Zijn vijanden zijn woest – die zijn voortdurend woest. ‘Misschien is Boudry wel aan het liegen!’ ‘Als hij zijn beweringen niet kan staven, moet hij zwijgen!’ Ik vind die kritiek onredelijk.
     Zelf denk ik geen ogenblik dat Boudry liegt. Wij hadden een directeur op school die onpopulaire beslissingen verdedigde door te zeggen dat collega’s hem in vertrouwen hadden gezegd dat ze de beslissing steunden. Ik heb toen geen ogenblik gedacht dat die directeur loog. Alleen dacht ik dat die collega’s waar hij van sprak een minderheid uitmaakten. Die academici die Boudry steunen zijn ongetwijfeld ook een minderheid, en misschien zelfs een kleine minderheid. Maar dat ze bestaan, en dat sommigen daarvan Boudry contacteren, hoe kan men dat betwijfelen?


Onredelijke verwijten
     Ik heb hierboven de vijanden van Boudry een gebrek aan redelijkheid verweten. Daarmee bedoel ik niet dat zijn vijanden hem uitschelden, in plaats van redelijk te argumenteren. Je kunt van niemand eisen dat hij altijd redelijk argumenteert en nooit scheldt. Nee, ik bedoel iets anders, iets wat meer met proporties, plausibiliteit en fairness te maken heeft.
       Ik vind het bijvoorbeeld ‘onredelijk’ om Boudry’s grap te duiden als een ‘leugen’ of als een onderdeel van een ‘enshitification-strategie’. Je kunt natuurlijk best veronderstellen dat het Boudry’s bedoeling was om te liegen, om verwarring te zaaien of om de reputatie van Knack te beschadigen, maar hoe plausibel is zo’n veronderstelling? En hoe waarschijnlijk is het dat men een soortgelijke veronderstelling zou maken als Boudry iemand van het eigen kamp was?
      Ik las ergens het verwijt dat Boudry niet ‘inhoudelijk’ geantwoord had op het stuk van An Van Raemdonck. Maar is het fair om zoiets te vragen nadat Van Raemdonck schreef: ‘Op de aantijgingen van Boudry kan ik niet ingaan. De man is een fervente en kritiekloze supporter van een genocidaire apartheidspolitiek.’ Als zij niet ingaat op wat hij zegt, moet hij niet ingaan op wat zij zegt*. Anderzijds: hij mág er natuurlijk op ingaan.


Het antwoord van Roularta
      Het voordeel van die onredelijkheid is dat je er soms mee kunt lachen. Nu heeft Roularta, het moederbedrijf van Knack, Boudry in gebreke gesteld om zijn ‘onjuiste, lasterlijke en reputatieschadelijke hoax binnen de 24 uur te verwijderen en recht te zetten.’ En men is daarbij zo goed om de tekst van de rechtzetting te dicteren: 

In een eerder bericht over Knack heb ik onjuiste informatie verspreid. De daarin geformuleerde aantijgingen waren ongegrond en hadden niet gepubliceerd mogen worden. Ik trek het bericht volledig in, verontschuldig mij voor de verspreiding ervan en vraag iedereen die het bericht heeft gedeeld om het onmiddellijk te verwijderen.

     Die ingebrekestelling is geloof ik het werk van de bedrijfsadvocaten. Dat kan ik billijken**. Die mensen doen hun werk. Zij moeten niet redelijk zijn. Zij moeten de wet kennen. Het is zelfs onredelijk van Boudry om hen aan te wrijven dat ze ‘geen gevoel voor satire’ hebben. Zulke advocaten moeten alleen gevoel voor satire voorwenden als ze een stuk van Brusselmans verdedigen, of van Koen Meulenaere toen hij nog voor Knack schreef. Maar als hun cliënt het doelwit wordt, is satire het laatste waar ze aan denken. Ze worden niet betaald om daarom te lachen, wat niet belet dat ik erom mag lachen.


Het antwoord van Knack
     Maar ik heb luider gelachen om het volgende bericht van Knack:

 Opiniemaker Maarten Boudry beweert vandaag op sociale media dat hij een ‘parodietekst’ heeft geschreven onder het pseudoniem ‘An Van Raemdonck’ en naar Knack heeft opgestuurd. Dat klopt niet. Knack heeft wel degelijk een opiniestuk van arabist en sociaal antropoloog An Van Raemdonck gepubliceerd. Dat stuk is gewoon van An Van Raemdonck zelf. Zij bevestigt dit per telefoon. Het gaat dus niet om een hoax, Knack is er niet ‘in getrapt’, zoals Maarten Boudry beweert.

     Kan de lezer raden bij welke zin ik luid heb moeten lachen? Het is deze: ‘Zij bevestigt dit per telefoon.’ Je ziet zo hoe het gebeurd is. Die brave mensen van Knack lezen de hoax van Boudry en ze schieten in paniek. Het is toch niet waar, zeker? Beetgenomen door Boudry! Gelukkig houdt iemand het hoofd koel. ‘Wie zegt dat we die Boudry op zijn woord moeten geloven? Laten we Van Raemdonck opbellen. Heeft iemand haar telefoonnummer?’
      Kijk, dat doet deugd. Dat ik niet de enige ben die erin gelopen was. Maar ik had gelukkig mijn vrouw die mij kon corrigeren. ‘Die An Van Raemdonck bestaat echt,’ zei ze, en toen wist ik hoe de vork in de steel zit. Knack heeft daarvoor Van Raemdonck op moeten bellen.
      Mocht het trouwens ooit tot een proces tegen Boudry komen, dan wil ik de Roularta-mensen een extra bewijsstuk à charge aan de hand doen. Het is immers niet de eerste keer dat Boudry ‘zo laag valt.’ Laatst postte Boudry dit bericht op FB en x.com:

 De groteske onzin die Maarten Soubry verspreidt, is werkelijk schandalig. Kennelijk afkomstig uit het achterlijke Roeselare. Geen idee aan welke universiteit hij doceert, maar onmiddellijk ontslag is de enige oplossing!

     Het achterlijke Roeslare! Als dat geen reputatieschade berokkent aan het eerbare bedrijf gevestigd aan de Meiboomlaan 33, 8800 Roeselare! 

** Ik had hier eerst een andere formulering gebruikt, tot ik besefte dat ‘ingaan’ in de Statenbijbel ‘geslachtsverkeer hebben’ betekent.

*** Een klacht van An Van Raemdonck wegens reputatieschade, zie ik niet goed mogelijk, maar misschien kan ze Boudry laten vervolgen voor schending van haar intellectuele eigendom. 


Van Raemdonck de mond gesnoerd 
    
 Als aangevallen partij had An Van Raemdonck meer recht dan gelijk wie anders om aanstoot te nemen aan de grap van Maarten Boudry. Die was ook werkelijk tegen haar gericht. Uit haar antwoord op FB:

 De reactie van Boudry op mijn stuk is illustratief: valse info verspreiden om verwarring te creëren over feiten en waarheid. Een grote speler in de mainstream pers aanvallen en verdacht maken als links onevenwichtige pers. Een ex-collega (want Boudry werkt niet langer aan UGent) aanvallen met pesterijen en hiermee proberen het zwijgen op te leggen.

     Over het meeste wat in die alinea staat heb ik al een en ander geschreven. Hier viel ik vooral over de laatste woorden: dat Boudry met zijn grap geprobeerd had om Van Raemdonck ‘het zwijgen op te leggen.*’ Je ziet dat vaak: een polemische aanval – boven of onder de gordel – wordt omschreven als een poging om iemand te ‘intimideren’, ‘te muilkorven, ‘het zwijgen op te leggen,’ of ‘de mond te snoeren.’
     Die beschuldigingen mogen niet te lichtvaardig gebruikt worden, anders verliezen zij hun waarde als waarschuwing. Het doet mij denken aan de fabel van Aesopus over de jongen die altijd ‘wolf’ riep. Op de duur geloof je hem niet meer ook als er werkelijk een wolf komt**. Ik lees soms in mijn krant dat Trump ‘de pers aan banden wil leggen.’ Dat kan best waar zijn. Maar hoe weet ik dat de journalist niet iemand is als Van Raemdonck die de beschuldiging te pas en te onpas gebruikt. 

* Voor wie denkt dat dat een subjectieve reactie is van een verongelijkt slachtoffers: Van Raemdonck kan zich beroepen op een heuse academische  discipline: de kritische theorie. ‘Helaas,’ schrijft ze, ik weet te veel over kritische theorie, gender en racisme om hierover verbaasd te zijn. Ik weet hoe macht en intimidatie werken tegen vrouwen en minderheden. Mijn Amerikaanse neef reageert dan: Okay, she knooows.

** Aesopus was geen geleerde en schreef die fabel toen men nog dacht dat wolven gevaarlijke dieren waren. Ondertussen weten we dat een doorsnee wolf in normale omstandigheden, als hij alleen is en zich veilig voelt, geen volwassen mensen van normale gestalte aanvalt. Behalve als het een kwaaie is.


D’hanis vertrouwen in de MSM
     Heb ik nu D’hanis op een tegenspraak betrapt? Op 9 juni schrijft hij:

Bovendien gooit Boudry nog een zak koren op de molen van extreemrechtse fake news-schreeuwers door te doen alsof Knack helemaal niet controleert wie hen stukken stuurt*. Het voorspelbare gevolg is dat zijn volgers de media volledig als begraven beschouwen. Dat gigantische wantrouwen tegenover het journalistieke proces is wat wij in het onderwijs met hand en tand bestrijden.

     Wantrouwen zaaien tegenover ‘het journalistieke proces’ in het algemeen en tegenover Knack in het bijzonder, Knack, dat door Van Raemdonck respectvol een ‘grote speler in de mainstream pers’ wordt genoemd? Foei.
    Maar wacht, heeft D’hanis niet heel onlangs nog Noam Chomskys Manufacturing Consent geciteerd? Ik zoek het op en jawel, hier, op 6 juni. En als er nu één boek is dat ‘gigantisch wantrouwen’ zaait tegenover het journalistieke proces, is het toch wel Manufacturing Consent zeker. 
     Als ik D’hanis nu een kwaad hart toedroeg, zou ik zeggen dat hij te dom is om die tegenspraak te zien, maar zo zit het niet in elkaar. Radicaal-links, links en linksliberaal (waar ik Knack bij reken) overlappen elkaar voldoende – denk aan Israël/Palestina – om een haat-liefde-verhouding tussen die drie toe te laten. Slechts wie een grote behoefte voelt aan logische consistentie zal zich in zo’n geval nooit op een tegenspraak over die materie laten betrappen. Je zult Chomsky of Susan Neiman nooit horen spreken over het vertrouwen dat we moeten hebben in ‘het journalistieke proces’ van zeg The New York Times. 
   
 Dat van twee walletjes eten past goed bij wat ik D
hanis zijn eclecticisme zou noemen. Als je hem vraagt hoe we de beschaving kunnen redden, is de kans groot dat hij antwoordt: ‘Karl Marx met een scheut Maynard Keynes.’ Nu ken ik Keynes heel slecht, en misschien heeft Dhanis zich in de General Theory verdiept, maar Marx en Keynes lijken mij toch héél verschillende remedies. Zei Murray Rothbard niet: ‘Je kunt veel slechts over Marx zeggen, maar hij was tenminste geen Keynsiaan.’ Nou ja, er bestonden ook marxo-keynsianen, zoals Joan Robinson, maar die laatste lijkt mij echt een héél ander type dan D’hanis*.
     En de eigen remedies van D’hanis zijn geloof ik nóg anders: veel meer geld voor uitkeringen, veel meer geld voor sociale woningen, veel meer geld voor leraren, en ten slotte: veel meer geld voor sociale werkers zodat die alle frictie met zachtheid kunnen wegmasseren. Zijn oplossingen gelijken op die van de PVDA, maar dié lui zijn niét naïef over de realiseerbaarheid van hun in wezen tegenstrijdige eisenpakket**. Hun onrealistische eisen maken deel uit van een strategie: laten zien dat het kapitalisme niet werkt, en ondertussen acties stimuleren als generale repetitie voor een revolutionaire machtsovername. Maar voor wie politiek-links-zijn meer een vrijblijvende hobby is, zij het enigszins visceraal geïnspireerd, luistert het allemaal niet zo nauw.
     Nu ik het allemaal op een rijtje zet, heb ik bijna een zelfportret: haat-liefde voor de mainstream journalistiek, naïviteit, politiek als vrijblijvende hobby, enige viscerale inspiratie, eclecticisme, geen grote behoefte aan logische consistentie … Ik scoor, schat ik, vijf op zes. Misschien vierenhalf. 

* Tja, Knack hééft niet gecontroleerd wie het stuk gestuurd had. Ze hebben achteraf  Van Raemdonck opgebeld om bevestiging te vragen. Maar dat was geen journalistieke fout. je kunt het een redactie niet kwalijk nemen dat ze niet controleert of een vrije tribune die per mail wordt opgestuurd wel degelijk van ondergetekende auteur is, vooral als die auteur vroeger al vrije tribunes geplaatst heeft.

** Over Joan Robinson: zie mijn stukje hier.

*** Tegenstrijdig omdat de eisen elkaar in de weg staan. Ze kunnen onmogelijk allemaal gerealiseerd worden, hoeveel miljonairstaks je ook heft. Zelfs niet als de PVDA bij de verkiezingen de absolute meerderheid behaalde en alleen een regering mocht vormen.

 

Peter Mertens, wat moeten we doen?


     
Deze week is Peter Mertens komen spreken in Brugge. Ik was er niet bij, maar Eva Vanhoorne, gemeenteraadslid van Groen, schreef er iets over op haar FB-pagina: 

Het interessantste moment van de avond kwam opnieuw uit het publiek. Iemand richtte zich tot Peter Mertens als politicus … met een eenvoudige vraag: ‘Als jullie weten wat er moet gebeuren, waarom moeten jullie dan blijven vergaderen? Waarom schieten jullie niet gewoon in actie? Zeg ons wat we moeten doen. 

        Zeg ons wat moeten we doén. Ik heb die vraag ook gesteld, niet in Brugge maar in Menen, in 1971. Ik was zestien en zat in het voorlaatste jaar van de humaniora. Op een vrijdagavond kwam Fernand Tanghe, een student uit Leuven, de film Loin du Vietnam voorstellen. Vietnam moet je weten, was het Palestina van die tijd, alhoewel Palestina, in beperkte kring, ook al een beetje het Palestina van die tijd was. De filmvoorstelling vond plaats in de feestzaal van het college en was georganiseerd door het Jong-Davidsfonds. Van de film herinner ik mij weinig, en van de inleiding van Fernand – ik heb de man vorige week nog teruggezien – begreep ik niets. 
   
 Na de film werden de geïnteresseerden uitgenodigd voor een nabespreking in de bar. Fernand gaf zijn uitleg over het staatsmonopoliekapitalisme. Dat wou ik niet horen. ‘Dat weten wij allemaal,’ zei ik, ‘maar wat moeten we doén?’ Iedereen in de zaal knikte. Over het staatsmonopoliekapitalisme wisten we alles, maar wat moesten we doén?
      Er waren nogal wat studenten uit Leuven aanwezig die in de discussie goed thuis waren. Eén van hen zei dat de vraag die ik zojuist gesteld had, de vraag was die Lenin ook gesteld had in 1902. Die student had ‘in Parijs Cohn-Bendit meegemaakt.’ Menen leek hem minder te interesseren. Een blonde dame zei dat we het voorbeeld van Mao moesten volgen die een lange mars had ondernomen om de machtsovername voor te bereiden. Alleen moesten wij niet met een leger trekken door berglandschappen en woestijnen, maar door de instituties. We moesten solliciteren voor belangrijke functies in de politiek, het staatstapparaat, het gerecht, de pers, de universiteiten, enzovoort, en de boel overnemen. Een baardige reactionair in het gezelschap waarschuwde ons dat we niet in de fout van Savonarola mochten vervallen want dan zouden we ‘onverdraagzaamheid zaaien en fascisme oogsten.’
     Wie Savonarola was wist ik niet, maar ik kende wel de Franse journalist Régis Debray, die in Bolivië had meegewerkt met de guerrilla-beweging van Che Guevara. Ik had de week ervoor, terwijl ik eigenlijk mijn huiswerk had moeten maken, het boekje gelezen: Revolutie binnen de revolutie. Daarin hield Debray een vernuftig pleidooi om revolutionaire propaganda wat meer body te geven met guerrilla-acties. Ik vroeg aan Fernand of die theorie ook in ons land kon worden toegepast. Nee, dat kon niet, antwoordde hij, want Debray had niets begrepen van de ‘massalijn’. Als ik mijn adres opgaf, zou er wel iemand langskomen om uit te leggen hoe de ‘massalijn’ werkte. Ik heb toen de week erop een andere rode missionaris op bezoek gekregen, gelukkig op een ogenblik dat mijn ouders niet thuis waren. Ook ontving ik vanaf dan gratis het tijdschrift China vandaag.
     Genoeg over 1971, terug naar 2026. Het antwoord van Peter Mertens op de vraag wat we moeten doén, moet nogal braaf geweest zijn: je organiseren, actie voeren, deelnemen aan betogingen, kritisch nadenken, dominante verhalen in vraag stellen, het gesprek aangaan met de mensen rondom je. Niet iedereen zal met zo’n antwoord tevreden zijn geweest. Sommige mensen willen nu eenmaal iets stevigers*. En stevige antwoorden zijn er altijd geweest: missionaris worden, naar het Oostfront trekken, aanslagen plegen, revolutionaire cellen oprichten in de fabrieken …
     Als ik even terug mag naar 1971... Mijn ouders sloegen mijn revolutionaire aspiraties met bezorgdheid gade. Zij kenden andere ouders die hun zonen en dochters eveneens in de verkeerde richting zagen evolueren. Zulke ouders gingen soms naar subversieve bijeenkomsten om te spioneren. Aan een zo’n subversieve bijeenkomst had mijn moeder een mooi verhaal overgehouden. Een Leuvense student had een uitleg gegeven over het staatsmonopoliekapitalisme en de revolutie, en daarna was een wat oudere man in het publiek opgestaan. ‘Ik hoor hier alleen mooie woorden. Toen ik jullie leeftijd had, ben ik naar het Oostfront vertrokken om te gaan vechten. Wie van jullie zou hetzelfde durven doen?’ Dat vond mijn moeder mooi gezegd. Ze voelde enige sympathie voor die felle generatiegenoot. Het verschil tussen vechten voor of tegen het communisme, interesseerde haar niet erg. Maar dat morele absolutisme fascineerde haar, hoewel het haar natuurlijk vooral ook afstootte. Die Oostfrontstrijders waren immers in de eerste plaats misleide sukkels geweest. Hopelijk was ik niet zo’n naïeveling.
     Zelf ben ik vandaag vooral geïnteresseerd in een ander soort naïviteit. De mensen die de Grote Vraag stellen – wat moeten we doen? – hebben onbewust en naïefweg een andere Grote Vraag al beantwoord: waar komen alle maatschappelijke onvolkomenheden – van kinderarmoede tot onbetaalbare bejaardenzorg – vandaan? Die mensen denken dat ze dát antwoord al lang kennen. Dat alles fout loopt ligt aan het systeem, door de machtsstructuren, door het militair-industrieel complex, door het roofzuchtige kapitalisme, door de multinationals, door het dominante discours, door Big Pharma–Big Oil–Big Tech–Big Finance, enzovoort**. Het komt bij zulke mensen niet op om de voor- en nadelen van ‘het systeem’ etcetera op een rationele manier af te wegen. De enige vraag die overblijft is: hoe komen we van die rottigheid af, dat wil zeggen: wat moeten we doen? Dát het allemaal rottigheid is, hebben ze al lang beslist, en ook dat die rottigheid één Grote Oorzaak moet hebben die met wortel en tak moet worden uitgeroeid.
     In 1971 bestond de meest fotogenieke rottigheid uit de oorlog in Vietnam en de honger in de wereld. Dat Kissinger, een man van het systeem, al twee jaar bezig was om een diplomatieke oplossing voor de Vietnamoorlog uit te werken, wist ik niet. Het zou mij ook niet hebben geïnteresseerd. En dan de honger in de wereld. Dat was toen een even actueel thema als de klimaatopwarming nu. Maar dat Norman Borlaugh met zijn innovatieve landbouwtechnieken het probleem aan het oplossen was, wist ik ook al niet***. Ik had het kúnnen weten, want in de aardrijkskundeles werd wel iets over de ‘groene revolutie’ verteld. Helaas lette ik niet goed op in de les, en bovendien interesseerde het mij niet. De enige vraag die mij interesseerde was: wat moeten we doen?

     

* Ook het antwoord ‘bij de volgende verkiezingen voor de goei stemmen’ zal op sommige mensen weinig indruk maken.

** Vandaag wordt de Grote Oorzaak nog aangevuld met het patriarchaat en de neokoloniale erfenis.

*** Uiteraard wist ik niet dat Mao’s pogingen om tussen 1958-1962 het integrale communisme toe te passen geleid hadden tot vermoedelijk de grootste hongersnood in de geschiedenis, en dat de armoede in het land later vooral zou verholpen worden door een flinke scheut kapitalisme toe te voegen aan de economische mix.