Pensioenen, Star Wars, fascisme
Ik heb mij er al lang bij neergelegd dat het woord ‘fascisme’ ergonnauwkeurig wordt gebruikt. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt om repressie aan te klagen. ‘Het fascistisch stadsbestuur van Antwerpen laat voorzitter van Groen in de boeien slaan.’ Of het wordt gebruikt om aan te geven dat men sommige mensen niet moet hebben. ‘Vuile fascist, dat was géén buitenspel.’ Claude Yande schrijft op FB een commentaartje bij ‘De Afspraak of Vrijdag’ van 26 juni. Uitgenodigd waren: professor Bart Maddens, HLN-journaliste Isolde Van den Eynde en Tom Van Grieken. ‘Met 3 fascisten aan tafel,’ schrijft hij, een beetje tegen de linkse gewoonte in om slechts één van die drie voor fascist uit te schelden.
Daar heb ik allemaal geen probleem mee. Op den duur vind ik zoiets zelfs een beetje grappig. En toch kan ik nog altijd – heel soms – woeden worden als het woord verkeerd gebruikt wordt op een manier die ik niet had zien aankomen, bijvoorbeeld als MO*columniste Dilara Kabak schrijft:
Fascisme is de pensioenendiefstal, de indexblokkering, de stijging van de brandstofprijzen.
Nu moet ik bekennen dat ik de zin van Dilara Kabak eerst zonder context geciteerd zag. Ik heb ondertussen de hele column gelezen, en had ik dat vroeger gedaan, dan zou mijn gemoed minder heftig hebben gereageerd. Kabak vertelt dat ze veel van haar kennis over het fascisme gehaald heeft uit fictie – fantasy verhalen als Star Wars, The Hunger Games, Avatar, Harry Potter – en die kennis, begrijpt ze, is onvoldoende, en kan zelfs misleidend zijn. Ik ben het helemaal met haar eens. Veel van mijn kennis over de VS – het rechtssysteem, de hospitalen, het politiewezen, de levensstijl van de rijkste 1 % - komt uit films en series; en heel betrouwbaar is dat allemaal niet.
Ook die andere stelling van Kabak kan ik enigszins bijtreden.
Fascistische systemen worden vaak voorgesteld met veel drama en spektakel, maar in het echt uit fascisme zich net heel banaal.
Zoals Kabak veel geleerd heeft over het fascisme door naar Star Wars te kijken, heb ik veel geleerd over het totalitarisme door 1984 te lezen. Een van de lessen die ik onthouden heb is dat totalitarisme alle gevoel voor proporties verliest. Elke politieke propaganda probeert het verleden naar zijn hand te zetten, maar het totalitarisme verwijdert hele stukken uit het verleden, zodat ze zelfs in historische archieven niet terug te vinden zijn. Elke politieke propaganda probeert door woordkeuze en semantiek een ideologisch kader op te leggen, maar in de totalitaire wereld van 1984 verdwijnt elke band tussen woord en oorspronkelijke betekenis.
Een beetje zoals wanneer het woord ‘fascisme’ gebruikt wordt voor een pensioenhervorming, een indexsprong voor de hoogste lonen, en een schommeling van de brandstofprijzen op de wereldmarkt.
* Wat verder in de column beschouwt Kabak ook ‘subsidieverminderingen in de culturele sector’ als een teken dat het fascisme ‘zich traag en saai aan het ontwikkelen is.’ Terwijl juist Hitler heel veel subsidies toekende aan culturele projecten.
Fascisme in Argentinië
Ik heb lang geleden een college gevolgd over de politieke ideologie van Juan Perón (1895-1974). Een Argentijnse professor behandelde de vraag of Perón nu ja dan nee een echte fascist was. Voor- en tegenargumenten werden zorgvuldig afgewogen, en het antwoord was: ja, Perón was een échte fascist, in tegenstelling tot valse fascisten als Mussolini, Franco en Hitler. Argentinië mocht fier zijn op zijn zoon.
Fascisme in Antwerpen
Over de Palestina-betoging in Antwerpen en de bestuurlijke aanhouding van Aimen Horch zal ik mij in stilte hullen. Anders zou ik het redactioneel van Inge Ghijs (DS 1/7) over die kwestie moeten lezen. Misschien wordt ik dan boos op Ghijs en dat wil ik niet. Ik heb wel het stukje van Frank D’hanis gelezen. Hij maakt zich zorgen dat de uitholling van het betogingsrecht ‘de weg opent voor makkelijke machtsgrepen door allerlei vormen van totalitarisme.’ Ik wil D’hanis hier geruststellen. Dat de burgemeester bepaalt op welke plaats wél en op welke plaats niet mag worden gemanifesteerd, heb ik altijd zo geweten, en ook dat daar vaak een kat-en-muis spel tussen betogers en politie op volgde. Ik citeer het slot van een vorig stukje (zie hier) over die wekelijkse Palestina-betogingen:
Voor wie vreest dat we in Antwerpen meemaken hoe het fascisme in zevenmijlslaarzen vooruit stormt: dat deed het 50 jaar geleden ook al, en het is gelukkig nog niet op zijn bestemming geraakt.
Fascisme in de klas
Tijdens de oorlog zat mijn moeder op pensionaat in Brugge. Sommige meisjes in haar klas waren pro-Duits, andere, zoals mijn moeder, waren pro-Engels. Eentje was van Spaanse afkomst en was pro-Franco, een ander had familie in de VS en was pro-Amerikaans. Je had dus, als je wil, fascisten en antifascisten in de klas. ‘We wisten allemaal van elkaar waar we stonden,’ vertelt mijn moeder, ‘maar we maakten daar nooit ruzie over. We waren vriendinnen.’
Betrapt
Op dat Brugs pensionaat werd groot belang gehecht aan de goede zeden. Als de meisjes in stoet door de Brugse straten wandelden, keken de begeleidende nonnen goed uit hun ogen om te zien of er in de verte geen stoet jongens kwam aangewandeld. Als dat het geval was, werd het parcours onmiddellijk aangepast. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe enggeestig het er toeging,’ zegt mijn moeder.
Die waakzaamheid gold ook de ongehuwde leraressen. Als ze van Brugge waren, mochten ze thuis overnachten. De sociale controle werd voldoende geacht. Maar als ze van Kortrijk waren, kon er geen sprake van zijn dat ze ’s avonds met de trein naar huis gingen. Op die trein kon van alles gebeuren. Die leraressen moesten dan op de school zelf overnachten. Ook daar kon echter van alles gebeuren. Af en toe werd zo’n lerares dan ‘betrapt’ met een non.
Buitenshuis werkende vrouw
Arme vrouwen hebben altijd buitenshuis moeten werken, eerst op het land, en met de industrialisatie ook in de fabrieken. Maar voor vrouwen uit de hogere standen en de middenklasse werd dat als onfatsoenlijk beschouwd. Het beroep van lerares was uitzonderlijk. Voor vrouwen in de middenklasse kon het. Charlotte en Emily Brontë dachten eraan van een school te beginnen. Mijn grootmoeder had lerares willen worden, maar dat vond haar vader, een vlashandelaar, te min. Haar dochter, mijn moeder, mocht wel lerares worden, al werd dat in Wevelgem op onbegrip onthaald. De kleindochter van een vlashandelaar! De dochter van de koster!
Ondertussen had de hoge burgerij al een bredere blik. Zo kreeg mijn moeder Franse les van Mlle Van Caillie, dochter van een rijke brouwer en via haar moeder afkomstig uit het geslacht van de van Outryve d’Ydewalles. Het was het soort vrouw dat tegelijk voornaamheid, elegantie en hartelijkheid. Ze kende geen woord Nederlands. Als ze iets niet uitgelegd kreeg in het Frans verontschuldigde zich dat ze het dan maar in de taal zou doen die ze van de meid had geleerd. En toen volgde er iets in het allerplatste Brugs, wat de leerlingen onwaarschijnlijk grappig vonden.
Maar zo’n vrouw mocht dus enkele uren les geven, niet te veel, want het mocht niet de indruk geven dat er geld moest worden verdiend. En slechts een paar jaar, want de bedoeling was natuurlijk om daarna te trouwen met een diplomaat of een koloniale ambtenaar.









