zondag 29 maart 2026

StuBru-iconoclasten, e.a.


StuBru-iconoclasten
      Ik heb ze niet speciaal gezocht, de verontwaardigde commentaren aangaande de Stubru-iconoclasten, maar ik heb er toch een aantal zien voorbijkomen, van links en van rechts. Rechts was verontwaardigd over het stukslaan van de beelden, en links was verontwaardigd over die verontwaardiging: men had over iets ánders verontwaardigd moeten zijn.
   
     Een stuk dat representatief was voor rechts was geschreven door Joren Vermeersch. Hij vindt dat zulke respectloze humor niet mag worden uitgezonden door een openbare omroep die betaald wordt met het geld van alle – ook de katholieke – belastingbetalers. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind dat zoiets wél moet kunnen, zeker op zenders waarvan we geredelijk kunnen veronderstellen dat ze weinig katholieken onder hun publiek hebben.
     Vermeersch schrijft ook dat men ‘doelbewust op de ziel van elke katholiek getrapt heeft.’ Dat is zeer twijfelachtig. Als je die StuBru-mensen achteraf hoorde, bleek juist dat ze niét doelbewust, maar eerder ondoordacht te werk waren gegaan. Vandaar dat de katholieke districtburgemeester van Antwerpen Paul Cordy een van hen een ‘stom kalf’ noemde. Met die onkarakteristieke uitspraak bewijst Cordy echter dat er inderdaad op zijn ziel is getrapt. Maar dat betekent weer niet dat er op de ziel is getrapt van élke katholiek. Van véél katholieken, dát geloof ik wel.
     Wat mij in deze reacties van Vermeersch en Cordy geweldig meevalt is dat ze de smakeloze actie aangrijpen om nog eens – tegen hun eigen belangen in zou je kunnen zeggen – de vrije mening te verdedigen. Zij maken tenminste het elementaire onderscheid tussen laakbaarheid en juridisch verbod. Vermeersch schrijft: 

Valt dit nog onder vrije meningsuiting? Wat mij betreft wel, ook al vind het het, naast stupide, moreel verwerpelijk.   

En Cordy schrijft:

Zolang je niet het bezit van een ander, of een stuk erfgoed, stukslaat is dat in een vrije samenleving toelaatbaar. Het getuigt misschien van weinig respect, maar respect is niet altijd een verplichting. Beeldenstormerij getuigt wellicht van intellectuele armoede, maar goed, ook daar hebben mensen recht op.

     Bij links ligt die reflex veel minder voor de hand. Het eerste voorbeeld dat mij te binnenschiet is het autobiografische boekje Another Life, van de Grieks-Zweedse schrijver Kallifatides. Daarin legt hij uit waarom hij destijds geweigerd had de vrije mening van de Charlie Hebdo-redactie te verdedigen. Hij vond dat de vrije mening geen ‘recht op belediging’ inhield. De moslims – de zwakkeren in de samenleving – waren door de cartoons beledigd. In het algemeen mocht er niet worden gespot met godsdienst, want daarmee werd ‘op de ziel getrapt’ van mensen als zijn gelovige grootmoeder, die zoveel had meegemaakt in het leven. Ook had Voltaire nooit gezegd dat je de vrijheid moest verdedigen van meningen waar je niet mee akkoord ging, en bovendien bedoelde hij iets anders. En ten slotte waren spottende afbeeldingen van Mohammed niet beter dan nazi-vlugschriften destijds waarin Grieken als apen werden voorgesteld.
       Een ding moet ik Kallifatides nageven: hij heeft een repliek gevonden op de oude wijsheid: Sticks and stones will break my bones, but words can’t hurt me. Zijn antwoord, dat hij aan zijn grootmoeder toeschrijft, luidt: Words have no bones, but they can break bones. Het is aardig, maar toch heel wat minder leuk dan het origineel. Van de treffende wissel van trochee naar jambe schiet in het vormloze ritme van het alternatief niets meer over;  het rijm stones/bones is vervangen door een rime riche bones/bones, wat meestal onhandig klinkt; en van de mooie assonantie words/hurt blijft niets meer over. Maar misschien klonk de boutade beter in het Grieks of het Zweeds.


Democratisering van het onderwijs
      Het vlag 
democratisering van het onderwijs’ kan verschillende ladingen dekken. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer inspraak van de leerlingen moet komen in het schoolbeleid of dat de leraren hun directeur mogen verkiezen. Maar het vaakst bedoelt men dat het onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle klassen van de bevolking. Arbeiderskinderen moeten evengoed hoogwaardig onderwijs kunnen genieten als de kinderen van dokters, notarissen en fabrikanten.
      Toen uit onderzoek in de jaren 60 bleek dat de barrières voor het onderwijs niet alleen van financiële aard waren, rees bij politiek links het idee dat er ook aan de inhoud van het onderwijs moest worden gemorreld. Bijna niemand durfde dat openlijk zo zeggen, maar in de praktijk kwam het erop neer dat het onderwijs gemakkelijker en minder veeleisend moest worden. Woorden als ‘communicatiever’, ‘procesgericht’, ‘minder theoretisch’, ‘geïntegreerd’ moesten die nivellering camoufleren.
     Die verwarring vanaf de jaren 70 tussen democratisering en nivellering inspireerde de aardige spotternij ‘Free distribution of diploma’s among the deserving poor.’ Vandaag hebben we de FB-stukjes van leraar Frank D’hanis. Mocht ik mij tot spot aangetrokken voelen, dan zou ik ze samenvatten als ‘Minder taken en makkelijker toetsen voor het werkmanskind.’


Rechtvaardige oorlog in Iran
     Het interview met geopolitiek analiste Michelle Haas in De Morgen (21/3) is heel goed. Ik heb onmiddellijk het boek besteld, maar ik moet eerst nog de dikke pil van Tocqueville gelezen krijgen. Haas gelooft dat De Wever een fout maakte door te spreken over ‘de oorlog die Oekraïne niet kan winnen.’ Ik heb in mijn stukje gewezen op het mogelijke voordeel van dergelijke uitspraken. Maar dat er nadelen aan verbonden zijn, is zeker. 
     Haas is van oordeel dat sommige oorlogen rechtvaardig kunnen zijn, en dat zoiets niet volledig afhangt van de formele legaliteit, of van het strikt defensieve karakter, ervan, maar bijvoorbeeld ook van de gevolgen. Ze vergelijkt bijvoorbeeld de oorlog tegen de Ayatollahs met die tegen het Qadhafi. Hieronder volgt een stukje uit het interview

  •  Is de oorlog in Iran rechtvaardig? Er was geen imminente dreiging. Israël greep de kans om Khamenei en zijn entourage uit de weg te ruimen. Zo is het toch begonnen?
  • Zo is het begonnen, we weten niet waar het zal eindigen … Er is veel denkbaar, maar het is niet totaal uitgesloten dat op haast miraculeuze wijze de democratische krachten de overhand nemen. Dat is niet de prioriteit van de VS en Israël, maar het zou kunnen. En als de democratie in Iran wint, verandert ons oordeel wellicht.
  • Een oorlog die zonder legitiem mandaat begint, kan rechtvaardig eindigen?
  • Absoluut. Voor mij is dat ethisch gezien mogelijk. De situatie waarin de Iraanse bevolking zich na een democratische shift zal bevinden, is rechtvaardiger dan hun bestaan onder repressie … Het kan ook andersom, in Libië begon de oorlog met een legitiem mandaat en eindigde het in chaos. De uitkomst bepaalt voor mij in hoge mate of een oorlog rechtvaardig is. … We moeten wel een eerlijk gesprek kunnen voeren: welke crisis verdient onze aandacht? En is de inzet van militaire middelen in bepaalde situaties gerechtvaardigd?
  • Is het in Iran gerechtvaardigd?
  • Waarschijnlijk niet. Omdat de intentie van Israël en de VS niet het welzijn van de Iraanse bevolking is. Je mag het internationale recht schenden … maar alleen met humanitaire bedoelingen.

     Ik ben het daar allemaal mee eens, behalve met die laatste hasty generalization. Humanitaire bedoelingen zijn volgens mij maar één aspect om de rechtvaardigheid van een oorlog te beoordelen, naast de legaliteit, de gevolgen, de defensieve aard, de rules of engagement,  en de verantwoordelijkheidszin van de regeringsleiders. Maar ik verondertel dat Haas daar wel mee akkoord zal gaan. 


‘Positieve’ en ‘negatieve vrijheid’

     In een vorig stukje wees ik erop dat Ignaas Devisch een verkeerde interpretatie gaf aan Isaïah Berlins concept van ‘positieve’ vrijheid. Die fout val valt gemakkelijk te verklaren vanuit een falend geheugen. Misschien had Devisch ChatGPT kunnen gebruiken om een en ander wat op te frissen.
      Mijn eigen herinnering aan het essay dat ik meer dan 30 jaar geleden gelezen heb, was eveneens gebrekkig. Ik had bij het schrijven ChatGPT wél gebruikt, maar nu ik het essay in zijn geheel herlezen heb, besef ik dat mijn eigen commentaar evengoed fouten bevat. Als ik schrijf dat ‘positieve’ vrijheid inhoudt dat de burger ‘bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen’ heeft dat slechts weinig te maken met wat Berlin over dat begrip schrijft.
      Het is, geloof ik, gedeeltelijk de schuld van Berlin zelf dat Devisch zich vergist.  Mijn FB-vriend Ecce Ios merkte op dat de termen positief en negatief gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden, zoals wanneer we spreken van een positieve uitslag van een kankertumorentest. Er is in zulke gevallen een tegenstelling tussen de beschrijvende en de evaluatieve waarde van het woord. Bij positieve vrijheid denk je spontaan aan iets positiefs, en dat is niet de strekking van Berlins verhandeling.
     Berlin wil in de eerste plaats klaarheid scheppen. Dat is ook nodig. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘vrijheid’ wordt mooi geïllustreerd door de woorden van John Winthrop (1588–1649) die door Tocqueville worden geciteerd in het begin van De la démocratie en Amérique.

Er bestaat inderdaad een soort verdorven vrijheid, die zowel bij de dieren als bij de mens gangbaar is en die erin bestaat alles te doen wat men wil. Deze vrijheid is de vijand van elke autoriteit; zij verdraagt geen regels; met haar worden wij minder dan onszelf; die vrijheid is de vijand van de waarheid en van de vrede; en God verzet er zich tegen. Maar er bestaat ook een burgerlijke en morele vrijheid die haar kracht vindt in de eenheid en die door de autoriteit moet worden beschermd: het is de vrijheid om zonder vrees alles te doen wat rechtvaardig en goed is. 

   De eerste definitie van vrijheid, die Winthrop verwerpt, is die welke J.S. Mill als uitgangspunt neemt. Berlin verwoordt het enigszins anders: de afwezigheid van dwang, verplichting of verbod. De vrijheid is in eerste instantie ‘leeg’ en je moet die zelf opvullen. De tweede formulering gaat naar de aanwezigheid (vandaar ‘positief’) van waarden om de lege vrijheid op te vullen. Bij de fanatieke puritein Winthrop is dat het goede en rechtvaardige, maar een satanist, of erger: een racist, zou die vrijheid kunnen opvullen met andere waarden.
    Iedereen beseft dat de negatieve vrijheid niet onbeperkt kan zijn. Je huivert bij de gedachte aan fanatieke puriteinen, satanisten, of erger, racisten die alles doen wat ze willen. Nu zijn er twee soorten beperkingen. De eerste soort beperking is inherent aan de negatieve vrijheid zelf, namelijk de negatieve vrijheid van andere individuen. Niemand mag jou beletten lekker je gang te gaan, maar jij mag ook niemand anders beletten lekker zijn gang te gaan. Bij Mill wordt dat dat je alles mag doen wat je wil, zolang je anderen geen schade berokkent. Dat is nog altijd een zeer liberale definitie, alhoewel niet iedereen het eens zal zijn over wat schade is en wat niet.
     Maar je kunt de vrijheid ook beperken in de naam van andere waarden, zoals gelijkheid, broederlijkheid, fatsoen, deugd, onderling begrip, solidariteit, verbondenheid, respect, erkenning, veiligheid, welvaart, nationale trots, democratie, traditie, geluk, enzovoort. Berlin beweert niet dat die waarden minder belangrijk of belangrijker zijn dan vrijheid. Hij beweert in de eerste plaats dat vrijheid niet met die andere waarden mag worden verward, wat men nochtans vaak doet door te spreken van ‘nationale bevrijding’, ‘sociale ontvoogding’, ‘democratische vrijheden’, enzovoort.
       Ten tweede argumenteert hij dat er een privésfeer moet bestaan – groot of klein – waar het individu zich van die andere waarden niets hoeft aan te trekken.
     En ten derde moet volgens Berlin de maatschappij een zeker pluralisme van waarden tolereren waarbij individuen kunnen
  beslissen welke van die waarden ze hoger of lager aanslaan, en welke keuzes ze maken als die waarden met elkaar in conflict komen.
     Het essay van Berlin is dus  een pleidooi om ‘negatieve’ vrijheid als waarde, naast andere waarden, te waarderen. Over de ‘positieve’ vrijheid is Berlin heel wat kritischer. Er is op zich niets kwalijks aan het opvullen van de negatieve vrijheid. Mill doet dat ook. Hij gelooft bijvoorbeeld dat waarheid, verbeelding, originaliteit en creativiteit mooie waarden kunnen zijn om de lege en abstracte vrijheid mee op te vullen.
     Maar Mills vulsel is van recente datum. De oudere opvatting van de positieve vrijheid is dat de mens zich moet bevrijden van zijn spontane, lage driften, en zich moet richten op het hogere in zijn natuur: de deugd en het rationeel inzicht, die dan ook nog eens door een gelukkig toeval zouden samenvallen, althans sinds Socrates.
      Alleen is er een blijvend verschil tussen de reële mens, met zijn lage driften, en de ideale mens, met zijn zuivere rationaliteit en zijn deugdzaamheid. Die reële mens heeft niet altijd een goed begrip van wat voor hem van echte waarde is, zoals zieleheil, sereniteit, heroïsme, maatschappelijke verbondenheid en lichamelijke gezondheid. De reële mens moet dus geholpen worden door wetgevers, priesters, opvoeders, filosofen, experts en ministers van Volksgezondheid, wat in het beste geval leidt tot paternalisme, en in het slechtste geval tot wrede onderdrukking.
     Dat is allemaal geen reden om de positieve vrijheid an sich te verwerpen. Een maatschappij zonder opvoeding is niet wenselijk en een maatschappij zonder repressie is een utopie. Maar het is een reden om de ‘positieve’ vrijheid met argwaan te bekijken. We moeten erkennen dat ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid niet altijd complementair zijn, maar vaak tegengesteld, en dat ‘positieve’ vrijheid gemakkelijk ontaardt in autoritair collectivisme.
     Ten persoonlijken titel zou ik er nog aan toevoegen dat het woord ‘vrijheid’ best alleen voor het negatieve concept wordt gebruikt. Anders krijg je filosofen zoals Ignaas Devisch die zich op de positieve ‘vrijheid’ beroepen om ideeën, zoals die van Cofnas, te censureren aan de universiteit. Voor die censuur kunnen goede redenen bestaan, maar met vrijheid heeft het niets te maken.
 



donderdag 26 maart 2026

China-pater

     Als we binnenkort verhuizen naar ons appartement, zullen we de meeste van onze boeken niet mee kunnen nemen. Ik heb drie  plankjes China-boeken, en daar zullen er heel wat van sneuvelen. De deeltjes Simon Leys neem ik mee, maar wat doe ik bijvoorbeeld met Jung Chang? Neem ik Han Suyin mee uit nostalgie? Of Fanshen van William Hilton?
     Een van de boeken die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zal meenemen is dat van de franciscaanse pater Gabriel Boutsen. Mijn vader kreeg het cadeau van een bevriende abt van die orde. Het boek is van 1963, maar ik moet het gelezen hebben rond 1990. Het heet De vier China’s, waarmee Boutsen Honkong, Macao, Taiwan en Rood China bedoelt. Ik herinner mij nog veel van wat in het boek staat. De pater heeft rondgereisd in het Oosten en met veel mensen gesproken, zelfs met de legendarische Chiang Kai-shek.
      Een van de obsessies van de pater is de ontucht in de wereld. Hij moet op zijn reizen nogal wat straatprostitutie gezien hebben. Hij wordt niet moe van te herhalen dat de andere godsdiensten – Islam, Hindoeïsme, Boeddhisme – wel mooie praatjes hebben over goede zeden, maar dat alleen de christenen en de Kerk echt iets dóen om de ontucht te bestrijden.
     Het voornaamste doel van de pater was om de opkomende sympathie voor communistisch China in het Westen te bestrijden. Het was de tijd dat onze Koningin Elisabeth naar China reisde en bij haar terugkeer verklaarde dat de Chinese bevolking ‘bijna’ zo goed leefde als de Belgische. De pater kon in tegenstelling tot Elisabeth het grootste van de vier China’s niet bereizen, en moest daarom op zoek gaan naar experten. Hij vertelt hoe hij in Hongkong in het gezelschap komt van een groep Westerlingen en de volgende vraag stelt.

 ‘Mijne heren, vrienden in Chicago en de Mid-West hebben me gevraagd om naar Amerika terug te keren met een juist beeld over de toestanden van het eigenlijke China … Mensen in Amerika zien alles, horen alles, lezen alles, maar ze zeggen als besluit: “Nu weten we niets meer. Ga jij maar eens kijken” … Daarom, mijne heren, ik zoek een man, hij moge zijn een atheïst, een vrijmetselaar, een jood, een gestampte heiden. Ik zoek een man die (1) vroeger in China geweest is, (2) perfect Chinees spreekt en verstaat, (3) Chinees leest en schrijft, en (4) die zich uitsluitend met de studie en de wetenschap van het Chinese communisme bezighoudt.’ Ik dacht Zo’n man hebben ze toch niet,maar ze antwoorden met drieën tegelijk: We hebben zo’n man voor jou, met de schaar geknipt.’ Ik vroeg: Is het een atheïst, een francmaçon, een ongelovige? Wel, zeiden ze, het is een jezuïet. Ik was totaal uit mijn lood geslagen. Je verwacht je aan een francmaçon en ze je gooien je daar een jezuïet voor de voeten.

     En dan vertelt de pater over de ontmoeting met de expert.

 ‘Het schijnt, eerwaarde,’ zie ik bescheiden, dat u een en ander weet over het communisme op het Chinese vasteland. De de man sloot zijn ogen, opende heel wijd de armen en zei: ‘Daar weten we alles van.’ Ik antwoordde flitsvlug: ‘You are a true Jesuit’.

     Mooi toch, die milde naijver tussen de verschillende religieuze ordes.
     Ik heb dat allemaal 35 jaar geleden gelezen, maar herinnerde mij die woorden bijna letterlijk. Ik wist ook dat die jezuïet, van wie de naam niet wordt vermeld, Laszlo Ladany moet zijn, van wie ik rond dezelfde tijd het boek over The communist Party of China and Marxism had gelezen. Maar, nu komt het, ik kon die passages die ik mij zo goed herinnerde niet terugvinden in het boek van mijn franciscaan. Ik heb het boek de laatste vijf jaar zeker tien keer uit de kast gehaald, en bladzijde per bladzijde bekeken, en niet gevonden wat ik zocht.
     Maar, en nu komt het opnieuw, gisteren neem ik het boek nogmaals ter hand, en op de titelbladzijde zie ik een aantal notities in potlood, waaronder: p.136-147: Ladany. Hoe is dat nu mogelijk? De waarschijnlijkste verklaring is dat ik het boek niet al te lang geleden – vorig jaar bijvoorbeeld – opnieuw doorbladerd heb, toen het citaat wél gevonden heb, de vondst meteen genoteerd heb, en daarna alles weer vergeten ben.  Maar waterdicht is die verklaring niet. De titelbladzijde bevat nog andere notities en die zijn maar al te duidelijk van 1990, toen ik nog veel wist, en niet van 2025, toen ik al veel vergeten was. Dat Ladany-notitie staat daar waarschijnlijk al van 1990. 
     Is het mogelijk dat ik bij het doorbladeren van het boek iedere keer opnieuw de titelbladzijde heb overgeslagen? Dat kan, maar dat verklaart niet dat ik geen enkele keer de passage zelf gevonden heb, aangezien die toch waarlijk niet verstopt is, meer dan tien bladzijden telt, en in de inhoudstafel vermeld staat als 
‘Grote Hongkong-dialogen. Misschien heb ik al die keren veel minder nauwkeurig gezocht dan ik mij herinner. Of misschien heb ik al die keren een ánder boek doorbladerd. Maar welk boek?
     In elk geval, nu heb ik gevonden wat ik zocht, en de woorden die ik citeer kon ik letterlijk overtypen, zonder mij te moeten verlaten op mijn onbetrouwbare geheugen.

 

The Man From U.N.C.L.E.

     Toen mijn ouders  in 1954 een bioscoop openden in mijn geboortedorp waren er geloof ik nog drie concurrerende zalen, maar na enkele jaren bleven er maar twee zalen meer over, allebei met een naam die verwees naar de antieke oudheid: de Forum van mijn ouders, en de Olympia van de concurrent. De productiehuizen, en dus de films, werden bij gentlemens’s agreement onder elkaar verdeeld: wij kregen Metro Goldwyn Mayer en Universal, de concurrent kreeg Gaumont en 20th Centrury Fox. Als gevolg daarvan zag je bij de concurrent The Sound of Music en James Bond, terwijl wij Mary Poppins en de Man From U.N.C.L.E. hadden, met Napoleon Solo en de enigszins androgyne Illya Kuryakin*. Die laatste films waren eigenlijk niet meer dan uitgesponnen afleveringen van een televisiefeuilleton.
     Guy Ritchie heeft 50 jaar later van de Man From U.N.C.L.E.  een echte speelfilm gemaakt. Ik wist dat die zou tegenvallen, maar heb toch gekeken. Voor de derde keer kom ik een film hetzelfde mopje tegen: een sovjetburger – hier Illya Kuryakin – die tegenover een westerling opschept – impliciet en zeer ten onrechte – over de superioriteit van de Russische mode. De scène speelt zich af in een chique kledingszaak. Napoleon Solo kiest een dure jurk voor Gaby die zich moet voordoen als Kuriakins verloofde. Maar die vind de jurk niet chique genoeg. ‘There is no way my woman is wearing this dress.’ Waarop Solo sarcastisch antwoordt: ‘Really, now you’re a Russian fashion expert?’ De andere films waarin ik het mopje opmerkten waren Ninotchka (1939) en Cold War (2018).**
     Het ergste in The Man From U.N.C.L.E. was de scène met speedboten. In zo’n film woont de geniale slechterik – dit keer een vrouw – op een eiland, en men begeeft zich naar dat eiland met behulp van een speedboot. Ik gooi dan geen schoen naar de televisie, maar roep heel luid: ‘Saai!’ De regel is eenvoudig: scènes met speedboten zijn saai, scènes met helikopters zijn fraai, vooral als die helicopters vanuit de diepte op lijken te stijgen. Ik denk aan Blue Thunder, We Were Soldiers, en een derde film met helikopters waarvan de naam mij nu niet te binnenschiet.
      Pas op, die helikopters kunnen ook saai zijn. Managers met aktetassen bijvoorbeeld die naar een wachtende helikopter lopen en hun hoofd intrekken uit irrationele angst voor de draaiende schroeven. Het ergste is als er iemand aan een vliegende helikopter hangt met de bedoeling om naar binnen te klimmen en daar amok te maken. Dat is gruwelijk, even gruwelijk als scènes waarin de protagonist en de antagonist vechten op het dak van een trein. In de laatste Indiana Jones-film The Dial of Destiny wordt eindeloos rondgerend op het dak van een trein, terwijl de charme van de eerste Indiana-Jones film juist was dat die obligate scènes zo snel mogelijk werden afgewerkt. 

* Over Kuryakin, zie ook mijn stukje hier.

** Over de Russische mode-mopjes, Zie mijn stukje hier

 

woensdag 25 maart 2026

Reynebeau en de kemel van BDW, e.a.


       Marc Reynebeau heeft zijn bijdrage geleverd aan de discussie rond Cofnas. In tegenstelling tot de meeste bijdragen over dat onderwerp begint hij met een tirade tegen Bart De Wever en N-VA. Ik vermoed dat die obligate omweg langs N-VA begonnen is als een weddenschap, en dat ze dan geëvolueerd is tot een gimmick die dienst doet als handtekening van de auteur. Dat komt ook voor in de dicht-, schilder- en filmkunst. Men identificeert de stukken van Reynebeau niet alleen dankzij de naam onderaan, maar ook door de vindingrijkheid waarmee hij de afkorting N-VA in zijn tekst heeft gesmokkeld. Dit keer verloopt de omweg langs een citaat dat onze premier 
onvolledig, zonder context en in een andere betekenis heeft aangehaald. 

Premier Bart De Wever gaf er nog een staaltje van omtrent zijn mislukte btw-hervorming. Het ‘raspaard’ dat hij in gedachten had, bleek als een stinkende, lelijke en gehandicapte kameel’ uit het coalitieberaad te zijn gekomen. De Wever suggereerde zo dat compromissen alleen tot misbaksels kunnen leiden, al kwam dat, zeker in dit geval, door een gebrek aan politieke coherentie en leiderschap. Om zijn gelijk te illustreren maakte De Wever een allusie op een stelling van zijn verre voorganger Gaston Eyskens. Die illustreerde ermee hoe politiek overleg plannen zo grondig kan transformeren, dat wat als een paard in de kabinetsraad wordt gebracht, er als een dromedaris weer uitkomt.

      De brave Reynebeau schijnt met zekerheid te weten dat De Wever verwijst naar de uitspraak van Gaston Eyskens, terug te vinden in diens postume Memoires : “een dromedaris is een paard dat door de kabinetsraad is gestapt.” Maar dat is lang niet zeker. Heeft Reynebeau zelf de kameel-uitspraak nog nooit in een andere context gehoord, gelezen of gebruikt? Dat valt mij van hem tegen. Ikzelf ken de kameel-uitspraak al heel lang, en heb ze al vaak in gesprekken gebruikt. De Memoires van Gaston Eyskens had ik daarvoor niet nodig. Verder leert internet mij dat de grap in een minder expliciete versie al voorkwam in Reader’s Digest van september 1954, en in zijn klassieke vorm in Sports illustrated van december 1957: ‘A camel is a horse that was designed by a committee.’ 
      Maar Reynebeau heeft nog iets anders ontdekt, (of hij praat die ontdekking na): het racistische en discriminerende taalgebruik van De Wever.

De Wever maakt van Eyskens’ paard een raspaard, wat al een zweem van raciale superioriteit oproept. Dat contrasteert met het inferieure scharminkel   geen dromedaris (één bult), maar een kameel (twee bulten) – inferieur door fysieke gebreken, lelijk en gehandicapt [Reynebeau vergeet hier ‘stinkend’]. Het zijn eigenschappen die niet alleen neerbuigend klinken, maar in het register van de discriminatie bekendstaan als bodyshaming en validisme. Zo schoot De Wever twee keer een kemel.

     Alleen is nog niet duidelijk of De Wever met opzet, dan wel onbewust, voor een kameel-met-twee-bulten gekozen heeft in plaats van voor een dromedaris-met-één-bult. Misschien dacht hij gewoon aan het Engels waar dat onderscheid nog minder strikt dan in het Nederlands wordt gemaakt. Het is evenmin duidelijk of De Wever bedoelde dat álle kamelen stinken en lelijk zijn  een stigmatiserende veralgemening  dan wel alleen die ene kameel waarmee hij de btw-hervorming vergeleek. Ten slotte kan De Wever best eens verduidelijken of hij een ‘raspaard’ nu echt superieur vindt aan, en mooier dan, aan een robuust trekpaard van gekruiste afkomst.
       Dat De Wever niet had mogen spreken over een ‘gehandicapte’ of zelfs ‘andersvalide’ kameel is daarentegen evident. Dat behoeft geen verduidelijking. Het kan best dat een metaforische kameel mank gaat aan zijn linkerpoot, maar dan moet je dezer dagen niet spreken van een ‘gehandicapte kameel’ maar van ‘een kameel met een handicap’ of ‘een kameel met een beperking’. Tot mijn verbazing las ik onlangs dat je ook beter niet spreekt van ‘Turken’, maar van ‘Turkse mensen’.
      Hoe Reynebeau dan uiteindelijk van de kameel bij de Cofnas-rel terechtkomt, zal de lezer zelf moeten ontdekken. Het stuk staat in De Standaard van 25 maart, op de laatste bladzijde. 


Stubru en de katholieke beelden
     Mag ik iets schrijven over die journalisten van Stubru die in een rageroom van alles hebben stukgeslagen, waaronder ook een beeld van Jezus en Maria? Ik heb het filmpje niet gezien, maar ik heb erover gelezen. Bijna iedereen maakt spontaan de vergelijking met het vernietigen van Mohammedaanse symbolen. Wat zou het verschil geweest zijn als de Stubru-journalisten ook een Koran in brand hadden gestoken?
      De mensen van Stubru zelf vonden dat je symbolen van de eigen cultuur mocht stukslaan, maar niet die van een andere cultuur. Frank D’hanis vindt dat je in onze streken best kunt lachen met Jezus, want dan ‘bevraag’ je een ‘machtsbastion dat nog steeds pedofielen beschermt.’ Dat is volgens hem ‘trappen naar boven’, in tegenstelling tot lachen met de Islam, dat een voorbeeld is van 
trappen-naar-onder. Tja. En dan is er nog het verschil waar Isolde Van den Eynde over spreekt wanneer ze een gebeurtenis aanhaalt die gebeurde in de redactielokalen van Charlie Hebdo.
     D’hanis legt verder nog uit dat het onmogelijk is om beelden van Mohammed te schenden, want die bestaan niet. Maar is Dhanis dat wel helemaal zeker? Lezen we niet in het Chanson de Roland hoe de moslims in Spanje omgingen met het standbeeld van hun Mohammed, nadat ze zich door hem in de steek gelaten voelden: 

                    E Mahummet enz en un fosset butent 
                    E porc e chien le mordent e defulent

                    En M. gooien ze in een ravijn 
                    Waar varkens en honden hem vertrappelen en bijten.

dinsdag 24 maart 2026

Luiheid als 7de hoofdzonde, e.a.


Luiheid als 7de hoofdzonde
 
     In een column op Doorbraak schrijft Siegfried Bracke tegelijk over een podcast van Steven Fry en over een Humo-interview met neuroloog Guy Leschziner. Zowel in de podcast als in het interview komen de Zeven Hoofdzonden ter sprake: woede, gulzigheid, lust, afgunst, luiheid, hebzucht en trots. Podcasts beluisteren behoort niet tot mijn dagelijkse routine en ons Humo-abonnement hebben we 26 jaar geleden opgezegd. Ik ben dus blij dat Bracke een en ander voor mij samenvat, onder andere dat elke hoofdzonde een positieve en een negatief kant heeft. Bijvoorbeeld: 

Woede is vaak de vonk in het kruitvat geweest, waardoor hele naties in ellende werden gestort.  Maar tegelijk is woede ook de motor van rechtvaardigheid. Vervang woede door verontwaardiging en we spelen een heel ander spel.

     Ik geloof dat dat waar is. Mocht ik wat meer aanleg hebben tot woede en verontwaardiging, stond ik misschien op een iets andere plaats op het politieke spectrum, Hetzelfde geldt voor mijn aanleg tot ‘afgunst’, die trouwens een ondeugd is waarvan Bracke vergeet om de positieve en negatieve kant te belichten. Luiheid is hij niet vergeten, maar over die hoofdzonde verschillen we van mening. Bracke is een bezig bijtje.

Luiheid vind ik de moeilijkste, schrijft hij, daar is geen goede kant aan. Iets doen kan kwalijk zijn; niets doen ook. Niet hervormen bijvoorbeeld, ook als het zonneklaar is dat het niet anders kan en dus moet. Dat is een echte zonde. 

    Terwijl luiheid mijn lievelingszonde is!  Bij het aanwerven van computer programmeurs schijnt men een voorkeur te geven aan luieriken die op zoek gaan naar de gemakkelijkste, en vaak de beste, oplossingen. Op het advocatenkantoor waar ik ooit werkte, keken de oudere partners met wantrouwen naar jonge medewerkers  die tot laat in de nacht achter hun dossiers zaten. Die waren wellicht niet efficiënt bezig. En zelfs mijn eigen inefficiënte luiheid heeft mij vaak voor onnodige of zelfs schadelijke activiteit behoed.
     In de politiek vind ik luiheid nog beter. In het algemeen doet de staat te veel in plaats van te weinig. Bracke heeft gelijk dat men moet ‘hervormen als het zonneklaar is dat het niet anders kan.’ Maar wanneer is het ‘zonneklaar’?  Je kunt a priori zeggen dát er hervormingen nodig zijn, maar je kunt niet a priori zeggen wélke hervormingen er op wélk moment nodig zijn. De twee gulden regels zijn: niet te radicaal,  niet te snel, en niet te veel hervormen. En áls je toch radicale hervormingen nodig acht, kies dan één terrein uit om je reformisme bot te vieren, en stel je voor de rest behoudsgezind op. 


Naïviteit over EU en Iran
     Inzake Iran zijn er twee soorten naïviteit. De eerste soort bestaat erin om te geloven dat de Amerikaans-Israëlische aanval het regime zodanig verzwakt dat democratie en vrijheid in het land een kans zullen krijgen. Ik lees in onze pers veel over de ondoordachte strategie van de Amerikanen, en over de vele economische en militaire troeven van de taaie Ayatollahs, maar toch geef ik de hoop nog niet helemaal op. Dat is mijn soort naïviteit, die voortkomt uit onwetendheid en gebrek aan kennis. Ik kan niet met zekerheid voorspellen wat de toekomst zal brengen. Het verloop van krijgsverrichtingen valt moeilijk te voorspellen.
     En dan is er de naïviteit van advocate Jasmine Malekzadem. Ze legt in een opiniestuk (DS 24/3) uit dat de aanvallen
 voor de bevolking alleen miserie brengen, zoals de ineenstorting van de voedselbevoorrading en van de medische verzorging, en dat die interventie er anderzijds niet in slaagt om het moorddadig-autoritaire regime ‘een stap achteruit te doen zetten.’ Malekzadem is met andere woorden niet naïef als het gaat om de intenties en de praktijken van de VS én ook niet als het gaat om die van de Ayatollahs. Maar dan schrijft ze 

Precies daarom zet ik mijn joker in op de EU, die gelooft in de Westerse waarden en in de bescherming van de burgers. Alleen mag je van de Europese landen verwachten dat zij daarnaar handelen, en dus initiatief nemen. Lidstaten kunnen individueel of gecoördineerd strafrechtelijk onderzoek instellen, op grond van het beginsel van universele jurisdictie. Ze kunnen ook de VN-Veiligheidsraad bijeenroepen om de situatie in Iran door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof.

     De  naïviteit zit hier niet in het geloof in de EU of in de Westerse waarden. Dat geloof is, for all I care, gerechtvaardigd. De naïviteit zit in het geloof dat ‘strafrechtelijk onderzoek’ en die ‘bijeenroeping van de VN-Veiligheidsraad’ ook maar iets kunnen veranderen voor de Iraniërs. Dat heeft niets meer met onwetendheid of onvoorspelbaarheid te maken. Iedereen weet precies wat er zal gebeuren als de Veiligheidsraad de bloedige Iraanse repressie op de agenda krijgt. Niets. Iedereen kan precies voorspellen wat een doorverwijzing van de Ayatollahs naar het Internationaal Strafhof zal teweegbrengen. Niets. 


Ive Marx over Chatbots
     Onlangs werden Petra De Sutter, Rik Torfs en Peter Vandermeersch betrapt op naïef gebruik van chatbots. Ik vond dat grappig en interessant, zonder dat ik daarbij veel leedvermaak of medelijden voelde. Hoogstens voelde ik mij superieur omdat ik mijn chatbot-citaten wél controleer, in tegenstelling tot mijn spelling van eigennamen. Maar nu schrijft Ive Marx (DS 24/3) iets wat mij uit het hart gegrepen is:

Wie de slachtoffers van de recente onthullingen ooit heeft bezig gehoord, weet dat ze zonder AI ook wel iets te zeggen hebben.

     Genau!


Versleten ideeën
      Hans Cottyn (DS 24/3) waarschuwt de regering dat ze voor de dreigende energiecrisis niet naar ‘versleten’ ideeën moet kiezen zoals een indexsprong. Zelf geloof ik dat frisse ideeën niet noodzakelijk beter zijn dan versleten ideeën. Ook bestaat het gevaar dat men een idee ‘versleten’ noemt omdat men het niet lust. Kernenergie werd decennialang voor een ‘versleten’ idee gehouden, tot Ursula von der Leyen het twee weken geleden weer uit de kast haalde. En wat stelt Cottyn zelf voor in de plaats van de versleten indexsprong: ‘Zonder verder uitstel werk maken van het nieuwe windmolenpark aan de kust.’ Een aantal versleten woordspelingen met ‘wind’ borrelen nu op in mijn geest, maar ik besluit er niets mee te doen.


Chalamet en Dylan
     Ik heb ondertussen drie keer A Complete Unknown gezien. Tussendoor heb ik ook de Dylan-documentaire van Scorsese gezien: No Direction Home. Dylan viel wat tegen vergeleken met Chalamet. Zoals Patton moest tegenvallen vergeleken met George C. Scott, bedacht ik mij. Ik heb een paar filmpjes met de echte Patton op Youtube bekeken, en inderdaad, de man heeft charisma, maar minder dan Scott. En dankzij die filmpjes weet ik nu ook eindelijk waarom de Slag om de Ardennen in het Amerikaans ‘The Battle of the Bulge’ heet.

 

maandag 23 maart 2026

Ignaas Devisch vs. Cofnas, e.a.

 


Ignaas Devisch vs. Cofnas

      Hoewel Ignaas Devisch (DS 23 maart) de aanstelling van Nathan Cofnas als onderzoeker aan de U Gent betreurt, schrijft hij ook

 ... dat je niet aan zelfscensuur mag doen, zelfs als je onderzoeksresultaten maatschappelijk ongemakkelijk zijn … Ik zal het ontslag van Cofnas niet eisen. Gegronde kritiek blijft evenwel op haar plaats.

        Daar ben ik het helemaa mee eens, en dat was ook de strekking van mijn stukje dat ik gisteren aan de rel gewijd heb. Of de kritiek van Devisch zelf tot de ‘gegronde’ soort behoort is een andere kwestie.
     Devisch gebruikt veel scheldwoorden: ‘Cofnas en zijn trawanten,’ ‘obsceen geroep’, ‘Cofnas en zijn kliekje.’
  Hij grijpt nogal gemakkelijk terug naar dubieuze analogieën met ‘de eugenetica die mee de basis gelegd heeft voor politiek moorddadige regimes’. Hij trekt verregaande conclusies uit een algemeen aanvaard beginsel zoals ‘dat ras geen wetenschappelijke categorie is’. En boven alles rijgt hij de intentieprocessen aan elkaar: het enige doel van Cofnas is ‘om aan de bak te komen’, en om met zijn provocaties te bewijzen dat ‘de universiteit woke is.’ Dat zijn in het polemische genre dat Devisch wil beoefenen allemaal geoorloofde kunstgrepen, maar soms is het beter om ze niet allemaal tegelijk in te zetten. Dat laat ik echter volledig aan het oordeel van de polemist over.
     Over het argument dat het ras-en-IQ onderzoek afgesloten is – ‘het zou gek zijn het nog eens over te doen,’ schrijft Devisch – heb ik gisteren als iets gezegd. Ik zal dat niet ‘nog eens overdoen.’ Maar een andere opmerking trok mijn aandacht:

Het komt mij voor dat de betekenis van de academische vrijheid die Cofnas verdedigt, overeenstemt met wat Isaïah Berlin omschreef als “negatieve vrijheid”. Dat negatieve vrijheidsbegrip gaat uit van de gedachte dat anderen je niet mogen hinderen in wat je doet. Grenzen of beperkingen worden consequent geduld als ‘censuur’ of ‘woke’. Of de individuele vrijheidsbeleving mogelijk negatieve gevolgen heeft voor anderen, is vanuit dat perspectief geen overweging … Berlin had het gelukkig ook over een tweede, positief vrijheidsbegrip: vrijheid gericht op de mogelijkheid jezelf te realiseren in relatie tot anderen en de wereld. Dan hou je rekening met de impact van wat je doet, de context waarin je functioneert of de vraag hoe je de vrijheid van anderen en jezelf op elkaar afstemt. 

       Welnee, dacht ik, wat Devisch hier vertelt over de concepten van Isaiah Berlin is helemaal fout. Hij stelt ‘negatieve vrijheid’ voor als egoïsme en ‘positieve vrijheid’ als een evenwicht tussen altruïsme en eigenbelang. Ik hoor hier een pastoor die vanaf de kansel preekt over het verschil tussen ‘vrijheid van’ en ‘vrijheid voor’. Dat heeft allemaal niets met Berlin te maken. Ben ik nu de enige die dat opmerkt? En juist wanneer ik mij klaar maak om over de kwestie in de aanval te gaan, zie ik dat Maarten Boudry op zijn FB-pagina de vervalsing ook heeft opgemerkt:            

 Overigens, Devisch geeft een volkomen verkeerde toepassing van Isaiah Berlins concept van ‘positieve vrijheid’: dat gaat om zelfontplooiing en autonomie, niet om de ethiek van het verantwoord gebruik van vrijheid ten opzichte van anderen.

      De uitleg van Boudry is correct, al heb ik het concept ooit wat polemischer uitgelegd in een voetnoot bij een stuk over Elchardus. Ik citeer hier mijzelf:

 Het 19de-eeuwse onderscheid tussen ‘positieve’ en ‘negatieve’ vrijheden en rechten werd populair dankzij Isaiah Berlin met zijn Two Concepts of Liberty (1958). Bart De Wever gebruikte het in zijn laatste essay in De Standaard. Ook Elchardus gebruikt het onderscheid in Reset, zij het met een zekere tegenzin. Het verschil is niet altijd even duidelijk, biijvoorbeeld bij de migratie- en milieuproblematiek, maar in het algemeen is de negatieve vrijheid van de burger veeleer abstract en inhoudsloos en bestaat erin dat hijzelf om het even wat mag doen of zeggen, zolang hij niemand anders schade berokkent. De positieve vrijheid is concreet en houdt in dat de burger zich ook werkelijk kan ontplooien en daartoe bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen. Persvrijheid is bijvoorbeeld een negatieve vrijheid;  subsidies aan de pers zijn een positieve ‘vrijheid’. Recht op eigendom is een negatieve vrijheid omdat niemand vastlegt wat je met je eigendom moet doen. Een werkloosheidsuitkering is een positieve ‘vrijheid’ omdat de gerechtigde met dat geld, in de woorden van Elchardus ‘greep krijgt op zijn leven.’ Negatieve vrijheden worden in verband gebracht met liberalisme, positieve vrijheden met socialisme.

     Nu geef ik toe dat positieve en negatieve vrijheid moeilijke concepten zijn. Ook Alicja Gescinsca, die zich daarin gespecialiseerd heeft, raakt er niet altijd aan uit. Ik hoorde haar ooit de kwestie uitleggen aan de hand van de Palestijnse vluchtelingenkampen. Het zou een voorbeeld zijn van positieve vrijheid zei ze als de Palestijnen vrij de kampen mochten verlaten en vrij rondreizen. Ik vroeg haar achteraf of het niet juist een kwestie van negatieve vrijheid was die de Palestijnen onthouden werd als hen verboden werd rond te reizen. Ja, zei Gescinsca, ik had dat voorbeeld niet mogen gebruiken.


Livestro over BDW
     Ook de Nederlandse historicus Joshua Livestro geeft commentaar bij de normalisering-uitspraak van Bart De Wever, die hij samenvoegt met vergelijkbare uitspraken van Macron en van de Finse president Alexander Stubb.

Ze illustreren hoe Europa nog altijd niet weet hoe om te gaan met dat op expansie gerichten rijk aan zijn Oostgrens.

     Dat klinkt wat kritisch voor BDW, Macron en Stubb, maar ik geloof dat die drie heren het met zijn analyse eens zullen zijn. Ik ook, al ben ik het meestal niét eens met Livestro. De historicus betoogt dat Rusland drie eeuwen heen en weer zwalpt tussen verzoening met en vijandigheid tegen het Westen, dat die vijandigheid zowel geopolitieke als ideologische redenen heeft, en dat we ons voor de toekomst niet veel illusies moeten maken.

De invasie van Oekraïne heeft laten zien dat Poetins Rusland niet geïnteresseerd is in ene partnerschap op basis van betrouwbaarheid en wederzijds respect. Het beste wat we kunnen hopen in de blijvende confrontatie met Rusland is een wapenstilstand, geen eeuwige vrede.

      Dat lijkt mij een realistische inschatting. We kunnen uit de voorbije drie eeuwen geen conclusies trekken voor de komende drie eeuwen. Uiteindelijk is ook een wellicht definitief einde gekomen aan de eeuwenlange vijandschap tussen Engeland en Frankrijk, en Frankrijk en Duitsland. Maar zolang Rusland een autoritair-nostalgische richting uitgaat, is er weinig beterschap te verwachten. Zo bezien is het stuk van Livestro niet gericht tegen BDW, Macron en Stub, maar tegen degenen die in een ‘nieuwe veiligheidsarchitectuur voor Europa’ een alternatief zien voor een stevige bewapening: Walter Zinzen, Tom Sauer, Dirk Rochtus … 


Peaky Blinders: The Immortal Man
     Peaky Blinders-film verwent de fans, maar overstijgt de serie niet,’ bloklettert De Standaard (23/3). Verwent de fans? Mijn vrouw is fan. Na het bekijken van The Immortal Man zei ze: ‘Slechtste film ooit.’

 

 

zondag 22 maart 2026

Tom Naegels over de Cofnas-kwestie


Tom Naegels over de Cofnas-kwestie

       Ik schreef eerder al iets over de 45 Gentse filosofen die Nathan Cofnas willen uitsluiten van hun universiteit omdat hij onderzoek doet naar de relatie tussen ras en IQ. Ik was tegen die vorm van censuur*. En nu heeft de Grand Old Man van de Amerikaanse filosofie Peter Singer lucht gekregen van de zaak en samen met andere professoren, een open brief opgesteld om de academische vrijheid in deze kwestie te verdedigen. Ik heb dus Singer aan mijn kant. Maar er zijn van de week ook enkele stukjes geschreven die de andere richting uitgaan. Eerst was er Seppe De Meulder in De Wereld Morgen. ‘Heb je dat stuk van De Meulder gelezen?’ vroeg een vriend gisteren met een brede grijns. Ik grijnsde terug**.
      Dan was er het stuk van Tom Naegels in De Standaard, dat een antwoord was op een stuk van Boudry. Bij de stukken van Naegels moet ik meestal niet grijnzen. Dan krijg ik veeleer een denkrimpel. Een beetje kort door de bocht vindt Naegels de academische vrijheid in dit geval schadelijk, nutteloos en onmogelijk. Dat is ook zijn standaardbenadering van de immigratiebeperking: schadelijk, nutteloos én onmogelijk.
    Met de schadelijkheid van het onderzoek heeft Naegels zijn beste argument te pakken. Een onderzoek naar ras en intelligentie, schrijft hij, is geen ‘spielerei’, geen ‘interessante piste’ of geen ‘statistisch model’. ‘Als je zwart bent … staat er veel meer op het spel.’ Naegels werkt het argument niet uit, maar dat hoeft ook niet. Anderen, zoals Chomsky, hebben het al gedaan. Zo’n onderzoek als dat van Cofnas kán tot conclusies leiden die mensen leed berokkenen. Of tenminste: zoiets kan in elk geval niet worden uitgesloten.
     Ook dat het Cofnas-onderzoek nutteloos is, maakt niet de hoofdlijn van Naegels zijn redenering uit. Hij schrijft het nergens letterlijk, maar hij vergelijkt Cofnas met getuigen van Jehova, met klimaatontkenners en met lieden die beweren dat ‘de Joden doelbewust samenzweren om het blanke ras te verzwakken.’ De lezer kan dan zelf zijn conclusie trekken. Als de U Gent geen geld en middelen besteedt aan de bijbelstudie van de Getuigen, waarom zou ze dat wel doen met even onzinnig onderzoek naar ras en intelligentie?
      Zo geformuleerd vertoont dat argument verschillende zwakheden. Om te beginnen wordt de onzinnigheid van dat onderzoek op voorhand bewezen verondersteld, een werkwijze die men petitio principii noemt. Een belangrijker bezwaar is dit. De nutteloosheid van onderzoek kan in een academische context enkel worden gemotiveerd door een overduidelijk gebrek aan wetenschappelijke methode – zoals bij de bijbelstudie van de Jehova-getuigen – of door een inbreuk op een overduidelijke wetenschappelijke consensus – zoals die over de gemeten temperatuurstijging. Maar dat geldt allemaal niet over het ras-en-IQ-onderzoek. Het onderzoek, waar het gebeurt, gebruikt biologische, statistische of moraalfilosofische redeneringen die allemaal kunnen worden getoetst op hun wetenschappelijke methodiek.
     Bovendien hangt er rond dat onderzoek weliswaar een taboe, maar dat is niet hetzelfde als een consensus. Er bestaat een verpletterende hoeveelheid aan cijfermateriaal over de ongelijkheid in gemiddelde IQ-scores van blanke, zwarte en Aziatische Amerikanen. Over die cijfers zelf is er geen controverse. De discussie gaat onder meer over de vraag óf, en in welke máte, deze verschillen teruggaan op een genetische basis.
     Op zijn Substack citeert Maarten Boudry bevragingen waaruit blijkt dat een belangrijke minderheid van IQ-onderzoekers en psychologen een zekere mate van genetische invloed niét uitsluiten. Als buitenstaander heb ik de indruk dat de hedendaagse genetica nog niet in staat is om de vraag definitief te beantwoorden. Je kunt uit die omstandigheid zelfs een voorlopig argument puren tegen ras-en-IQ-onderzoek op dit moment: is het niet beter om dergelijk onderzoek uit te stellen en om de genetische onderzoeksmethoden eerst verder te verfijnen aan de hand van minder gevoelige onderwerpen?
     Maar goed, de schadelijkheid en de nutteloosheid van het onderzoek is niet de echte invalshoek van Tom Naegels. Hem is het vooral te doen over de onmogelijkheid ervan. Daarmee bedoelt hij niet dat er geen statistische, biologische of moraalfilosofische methodologie rond het onderwerp mogelijk is, maar hij ziet geen ruimte voor een ‘vruchtbare’ academische discussie. Daarvoor moet er immers voldoende common ground zijn, moet er een sfeer van 
pluralisme, relativering en onthechting heersen, en een mentaliteit van let’s agree to disagree. ‘In deze context,’ schrijft Naegels,

 zou dat iets betekenen als: ‘Als jij accepteert dat ik onderzoek doe naar de lagere intelligentie van zwarte mensen, dan accepteer ik dat jouw onderzoek structureel racisme blootlegt … en daarna drinken we een pint.” 

     Voor mij is dat de ideale wereld, maar Naegels oordeelt terecht dat die mentaliteit vandaag in de verdrukking staat.

 Geen van de beide kampen wil dat [pluralisme]. Ze voelen zich bedreigd door elkaar. En ze verwijten de mensen in het midden, de gematigde progressieven en conservatieven, dat ze geen kant durven kiezen. Voor beide kampen betekent pluralisme lafheid. Wie denkt dat een universiteit zich aan die confrontatie kan onttrekken met een ‘vecht het onder elkaar uit, maar laat ons erbuiten, wij vinden dit gewoon heel erg boeiend’, die maakt zichzelf – weliswaar met een indrukwekkend notenapparaat onderbouwde – blaasjes wijs.

     Ik vind dat onnodig defaitisme. Waarom zouden we ons neerleggen bij een betreurenswaardige situatie? Waarom zouden de mensen in het midden niet terugvechten om het pluralisme te bewaren of te herstellen? Het is niet omdat ze door de extremisten laf genoemd worden dat ze dat ook moeten zijn. En ze hebben allerlei goede troeven. Ze kunnen zich beroepen op een traditie van academische vrijheid. Ze kunnen steun krijgen van een bestuur dat om pragmatische redenen het liefste de twee kampen binnen de universiteit houdt. De wetenschappelijke methodologie biedt een maatstaf om de prestaties van de ‘kampen’ te beoordelen en kan dezelfde functie hebben als de Marquess of Queensberry Rules bij een boksmatch. En er zijn faculteiten waar de discussies nog altijd bestaan uit botsende argumenten, in plaats van uit botsende waarden en wereldvisies. Waarom zouden de sobere wiskundigen het goede voorbeeld niet kunnen geven aan de filosofen en de sociologen?
      Verder is het niet helemaal duidelijk hoeveel kampen er in het geding zijn. Zijn er slechts twee kampen, rechts tegen woke, of is het ‘onthechte’ midden ook een kamp dat kan meestrijden? Dan is dat laatste, zoals ik hierboven betoogde, niet kansloos. Maar beter nog lijkt het mij om aan de kampenverdeling een tweede as toe te voegen: die van verdraagzaamheid versus onverdraagzaamheid. Ik volgde enkele maanden geleden de discussie tussen Maarten Boudry en Stijn Bruers over Gaza. De twee namen allebei een radicaal, zo je wil, extreem standpunt in, alhoewel ze dat misschien allebei zullen ontkennen. Ik heb de argumenten van Bruers en Boudry over Gaza zonder opwinding gelezen. Mijn onthechting verdween echter toen Bruers begon aan te dringen op het ontslag van Boudry als hij niet ophield zijn mening te verdedigen.
       Daarmee plaatste Bruers zich in het kamp van de openlijk-onverdraagzamen, zelfs als hij over Gaza misschien gelijk had. Die twee kwesties – Gaza enerzijds en de academische verdraagzaamheid anderzijds – kunnen van elkaar worden losgekoppeld. Singer, Pinker, Boudry etc. zijn ook tussengekomen in de Cofnas-kwestie zonder zich over de strekking van het onderzoek zelf uit te spreken. Dát is wat een universiteit moet doen. Ze kan zich ‘niet de confrontatie onttrekken,’ ze moet kamp kiezen, en wel voor het pluralisme en verdraagzaamheid***.
     Ten slotte mogen we de lat van het pluralisme gerust wat lager leggen dan Naegels doet: het móet niet altijd, en voor iedereen, en onmiddellijk, leiden tot een ‘vruchtbaar’ gesprek. Ideologische tegenstanders binnen dezelfde universiteit of hetzelfde vakgebied móeten samen geen pint gaan drinken. Ze móeten niet onthecht zijn. Ze mógen vernietigende reviews schrijven waar dan weer vernietigende antwoorden op volgen. De kans dat ze elkaar ‘overtuigen’ is ongeveer nihil. Ze moeten het inderdaad maar onder elkaar uitvechten –  als het kan met argumenten, als het moet met scheldwoorden – want het alternatief is dat je de ‘andere kant’ het zwijgen oplegt. En die censuur is voor de wetenschap erger dan een onvruchtbaar ‘dovemansgesprek.’
      Ik beweer niet dat het waardenvrije wetenschapsideaal van Max Weber binnenkort opnieuw zal overheersen aan onze universiteiten, maar iéts moeten we toch kunnen doen aan de huidige onverdraagzaamheid. Het is één zaak dat progressieve sociologen of neoliberale economen konkelen om geloofsgenoten aan benoemingen te helpen, of dat ze in reviews onrechtvaardig oordelen over de publicaties van hun ideologische tegenstanders. Maar het is een andere zaak als sommigen de onbeschaamdheid zo ver drijven dat ze openlijk benoemingen willen tegenhouden vanwege meningsverschillen, bijvoorbeeld door middel van petities en open brieven. Zo’n openlijke onbeschaamdheid moet openlijk worden aangeklaagd, zoals Peter Singer, Steven Pinker, en die anderen gedaan hebben. Ik had graag gehad dat Naegels dat ook had gedaan.

* Zie mijn stukje hier.

** Over De Meulder zijn stuk durf ik niets schrijven. Hij noemt The Bell Curve een racistisch boek omdat er in de voetnoten naar racistische onderzoekers verwezen wordt. Misschien ben ik nu ook een racist omdat ik op mijn beurt in deze voetnoot naar The Bell Curve verwijs. En dan wordt iemand die mijn blogje deelt ook een racist. Want wie anders dan een racist deelt een blogje van een racist die verwijst naar een racistisch boek waarin naar racisten verwezen wordt? 

*** Ik probeer mij, zo ver als mijn temperament dat toelaat, in het kamp van de verdraagzamen te plaatsen. Onlangs was er aan de VUB een rel rond de aanstelling van de extreem-linkse academicus Harry Pettit. Ik zwijg nu even over diens rare berichten op X, maar ik heb gelezen dat hij onderzoek doet op het gebied van de sociale geografie. Gezien de ideologische meningsverschillen tussen Pettit en mij, verwacht ik dat de conclusies van dat onderzoek ingaan tegen alles waarin ik geloof. Ik zou het daarom fijn vinden als andere sociaal geografen de methodologie van Pettit fileren. Maar ik zou het niet fijn vinden als ze in een moeite door de aanstelling van Pettit betwisten. 


Scholierenkoepel
     Als ik het woord ‘scholierenkoepel’ hoor, wordt de boomer in mij wakker, of eerder nog de Waldorf & Statler. Nochtans heb ik wel eens scholierenkoepelachtige leerlingen in de klas gehad en kon ik het prima met hen vinden. Maar dat hun halfwassen meningen ernstig worden genomen in de pers vind ik onverteerbaar.
      Nu heeft de koepel weer een onderzoek laten uitvoeren naar het welbevinden van de leerlingen. ‘De werkdruk is te hoog,’ zegt voorzitster Lieselore Wouters in De Standaard (20/3). Ach wat! Leerlingen vinden altijd dat ze teveel taken en te moeilijke toetsen krijgen. ‘Er is ook racisme van de leerkrachten,’ zegt een meisje van kleur op tv. ‘Als er rumoer in de klas is, kijkt de leerkracht altijd eerst naar ons.’ Kom nou! Als een leraar een opmerking maakt over een leerling voelt die zich altijd speciaal geviseerd.
     Ergerlijk vind ik het als die jongelui hun mening ventileren over iets waar ze met hun beperkte levenservaring niets van afweten. Voorzitster Wouters:

 Zeker voor het middelbaar denk ik dat er minder mensen zullen kiezen voor het beroep. Als ik zelf leerkracht zou zijn, zou ik me ook niet aangetrokken voelen door wat er vandaag beslist wordt. Door studiedagen af te schaffen en het onderwijs steeds complexer te maken, jaagt men mensen weg uit het beroep. En zo wordt het probleem alleen maar groter.

     Wat weet dat kind nu over de voor- en nadelen van de pedagogische studiedagen? Of neem de kwestie van de digitale deconectie. De Standaard schrijft:

De digitalisering van het onderwijs heeft duidelijk impact op het dagelijkse leven van leerlingen. Zo geeft 42 procent aan wekelijks ook buiten de schooluren berichten of opdrachten te ontvangen via digitale kanalen. Tegelijk zegt 38 procent moeite te hebben om na school het hoofd leeg te maken, om echt los te koppelen. Digitaal niet kunnen deconnecteren speelt een belangrijke rol voor het mentaal welzijn van leerlingen. “Het is de verantwoordelijkheid van de scholen om een goed digitaal kader uit te werken, bijvoorbeeld door telkens in twee dagen te voorzien om te antwoorden of ‘s avonds geen taken meer te posten”, zegt Wouters. “Dit is eigenlijk vrij simpel op te lossen met overleg tussen leerlingen en leerkrachten.”

     Dat de leerlingen moeite hebben om na de school hun hoofd leeg te maken, kan ik best geloven. Ik had daar als leerling de allergrootste moeite mee. De beste manier om van de school te deconecteren, is om onmiddellijk als je thuiskomt je taken te maken, je lessen te leren en je toetsen voor te bereiden. Daarna heb je nog een hele avond om te deconnecteren. Ik deed het als leerling omgekeerd: ik stelde alles uit en daardoor werd de mentale druk altijd maar zwaarder.
      En die digitale stress dan, dat is toch iets nieuws? Zeker, en ik weet precies hoe dat gaat. Toen ik nog les gaf, zei ik net voor het belsignaal: ‘Neem je schoolagenda en noteer voor volgende week dinsdag …’ en voor ik de zin had afgemaakt zeiden drie leerlingen tegelijk: ‘Ach meneer, zet het maar op Smartschool.’ Ik deed dat dan heel braaf, want ik begreep hen: als leerling schreef ik ook nooit iets in in mijn agenda.

 

Welbespraakte energie-expert
    Michael Liebreich wordt in De Standaard (21/3) een ‘veteraan in de wereld van de groene technologie genoemd.’ Hij vertelt honderduit over de energietransitie. Ik heb daar geen mening over, en ben al lang blij dat hij niet van de degrowth-strekking is. Wat mij wel opviel was het hoge gehalte aan treffende uitspraken. 

**Activisten en groene partijen hebben de problemen goed herkend. Maar je laat ze best die problemen niet oplossen. In het VK zou je ze niet eens vertrouwen om een feestje voor kleuters te organiseren.

**Ik heb met verbazing gekeken hoe iedereen na de oproep van Greta Thünberg plots begon te spreken over de opwarming beperken tot 1,5 graad. En niemand die zei: ‘Oké Greta, we begrijpen wat je wil, en in grote lijnen heb je gelijk, maar we gaan het toch anders doen.’

**China domineert de markt van de zeldzame aardmetalen. Dat is een totale markt van slechts een paar miljard dollar. Als we 10 miljard euro per jaar hadden vrijgemaakt om die strategische industrie te ondersteunen, zaten we vandaag in een andere situatie.

**Geef hernieuwbare energie er niet de schuld van dat kerncentrales dichtgaan. De schuldigen waren domme mensen, die bang waren voor het verkeerde spook. 

**Hiernieuwbare energie is niet goedkoop. Ze is goedkoop om op te wekken zolang je relatief weinig zonne- en windenergie produceert. Maar wanneer je dat aandeel naar 50 procent brengt, is de flexibiliteit op systeemniveau weg.

**Europa is eerst voor groene elektriciteit gegaan, terwijl dat slechts 30 procent van de totale energievraag is.  

**Om de opwarming tot 2 graden te beperken, zou de koolstofprijs kunnen oplopen tot 225 dollar per ton. Maar om tot 1,5 graad te komen zou dat tot 6.050 dollar per ton zijn. 

**Ik heb geen probleem met kernenergie, maar ik denk dat we onszelf voor de gek houden als we denken dat het woord ‘modulair’ het kostenprobleem zal oplossen.

**De enige manier om de kosten van modulaire kerncentrales omlaag te krijgen is dat je er veel – 50 of 100 – van bouwt. 

**Veel conservatieven vinden het niet prettig dat je om iets te doen tegen de klimaatverandering beleidsinterventies nodig hebt. Ze zijn daar zo fel tegen dat ze dan maar besluiten dat klimaatverandering niet bestaat.

 

Misleidende grafieken
     Ik heb zoals iedereen de ‘misleidende grafiek’ van Het Laatste Nieuws gezien over de laatste peiling naar de Vlaamse kiesintenties. De percentages op die grafiek waren juist weergegeven, maar de balkjes stonden niet in verhouding tot de cijfers. Ik dacht: ‘Wat een stomme fout van HLN!’ maar boos opzet sloot ik uit. Ik heb er dan ook niets over geschreven, hoewel ik geïnteresseerd ben in grafieken.
     Het komt hierop neer: ik heb het altijd moeilijk om in boos opzet te geloven. Maar volgens een factcheck van Knack zou er met die grafiek inderdaad boos opzet mee gemoeid zijn, maar dan omgekeerd: iemand zou die misleidende grafiek in elkaar geknutseld hebben om dan HLN te kunnen beschuldigen van het plaatsen van een misleidende grafiek. Het is mogelijk, alhoewel een stomme fout mijn favoriete uitleg blijft. Ik zal het niet verder uitzoeken; 



 
          Ik heb lang geleden het boekje gelezen How To Lie With Statistics. Daar ging het ook vaak over de grafieken. Men kon een stijging of daling groter voorstellen door de Y-as niet op nul te laten beginnen, of door die logaritmisch te maken. Maar dat is meestal geen misleiding; daar zijn vaak goede redenen voor. Bij een andere werkwijze zou het papier te klein zijn om de grafiek op af te drukken. Ik geloof dat er meer ‘gelogen’ wordt met de cijfers zelf, die men dan zorgvuldig uitkiest, dan met de grafische uitwerking. Maar de lezer moet wel aandachtig kijken natuurlijk.
      Ook de keuze van de grafiekvorm – lijn, balk, cirkel – kan een verkeerde indruk geven. Laatst zag ik een grafiek over het aantal gelovigen in Frankrijk. Men wilde het verschil laten zien tussen de verschillende leeftijdsgroepen: hoe ouder, hoe geloviger. Dat komt niet aan als een verrassing. Maar men had gekozen voor een lijngrafiek. Daardoor kreeg je de indruk dat het aantal katholieken (de groene lijn) aan het stijgen was en het aantal niet-godsdienstigen (de rode lijn) aan het dalen was. Ik kan alweer moeilijk geloven dat de keuze voor de verkeerde grafiekvorm boos opzet is.