Het vermogen tot verontwaardiging
Sinds Ludo De Witte hem een crapuul heeft genoemd, ben ik een zekere sympathie gaan koesteren voor Maxime Prévot. Af en toe zegt de minister dan iets waardoor mijn sympathie nog toeneemt. In De Standaard van 8 maart zegt hij bijvoorbeeld, als antwoord op een vervelende vraag over Theo Francken: ‘Het vermogen van de media om verontwaardigd te zijn zal mij altijd blijven verbazen.’ Jonathan Swift bedankte in zijn grafschrift de dood omdat ze hem van zijn ‘saeva indignatio’, zijn ‘woeste verontwaardiging’ had verlost. Maar we kunnen daar al tijdens ons leven wat op oefenen.
Onverschilligheid
Men kan de gelijkmoedigheid beoefenen om zelf niet al te ongelukkig te zijn in het leven. Maar Tom Naegels (DS 8/3) ziet er ook ook maatschappelijke voordelen in. ‘Een zekere mate van onverschilligheid is essentieel voor de harmonie en de tolerantie in een samenleving.’ Wijsheid!
Raadsel
Het schijnt dat er in alle leeftijdsgroepen tussen 23 en 39 jaar meer mannen zonder partner zijn dan vrouwen. Ik zou op eigen kracht nooit de verklaring van dergelijk verschijnsel hebben gevonden. Gelukkig verklapt onderzoekster Laura Robberecht de reden: ‘Vrouwen zijn geneigd om te daten met mannen die ouder zijn dan zijzelf.’ Dat begrijp ik, al zou ik het met een tekeningetje nog beter begrijpen.
Mooie foto’s
De communistische landen van weleer prezen zichzelf aan in onvoorstelbaar saaie doctrinaire tijdschriften, zoals Pékin Information, maar ze hadden voor de kameraad in de straat ook glossy magazines waaruit de superioriteit van het socialisme moest blijken. In mijn geboortedorp woonde een oude communist die zulke DDR-publicaties bijhield. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het daar is,’ zei hij. ‘In de fabrieken hangt daar zelfs een rode vlag. Dat zou in ons land onmogelijk zijn.’ Ik herinner mij een foto uit zijn tijdschriftenverzameling. Vrolijke, nieuwsgierige fabrieksarbeidsters hebben zich (in plaats van vlijtig te werken) verzameld rond een collega die partijlid is. Het onderschrift luidde: ‘Na, was gab’s gestern auf der Partei?’
Geen nieuwe dingen
Als ik stukjes schrijf, wil ik liefst geen ‘nieuwe’ dingen te verzinnen. Ik moet de indruk hebben dat wat ik schrijf geen nieuwe gedachte is, maar iets dat mij al lang bezighoudt, en nu pas aan de oppervlakte komt, bijvoorbeeld omdat ik een stuk van Reynebeau in de krant heb gelezen. Doelbewust op zoek gaan naar iets nieuwsl, speciaal om er een stukje over te schrijven, heeft iets oneerlijks. Het is aanstellerij.
Humor
Als we in een gesprek iets grappigs zeggen, passen we daarbij altijd dezelfde kunstgrepen toe: overdrijving, understatement, ironie, enzovoort. Dat is niet moeilijk want we hebben in ons leven al honderden voorbeelden van die kunstgrepen waargenomen. Ze maken al bij al een beperkt arsenaal uit. Maar komt het ook voor dat men een kunstgreep op eigen kracht ontdekt, zonder dat men daarvan al voorbeelden had waargenomen? Mijn zoon had ooit een geslaagde bon mot. Een vriendin van mij had hem enthousiast uitgelegd wat het feminisme was, en hij antwoordde: ‘Als het zo zit, word ik morgen ook feminist. Of zeker overmorgen.’ Dat is dezelfde kunstgreep als toen Augustinus tegen God zei: ‘Da mihi castitatem, sed noli modo.’ ‘Geef mij kuisheid, maar doe dat niet onmiddellijk.’ Mijn vraag is nu, heeft mijn zoon dat humoristisch trucje zelf uitgevonden, of heeft hij het van Augustinus? Of van iemand anders?
Slecht
Als mijn ouders spraken over iemand die ‘slecht’ was, verwezen ze daarmee altijd naar diens seksuele losbandigheid. Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen die seksueel losbandig was, werd als ‘slecht’ bestempeld, maar ik ben er nooit achter gekomen wat de precieze criteria waren. Zeker is dat de zonde van onkuisheid een apart statuut had, een beetje zoals racisme, homofobie en zionisme vandaag.
Hoge hakken
Omdat mijn moeder nogal klein is van gestalte, heeft ze altijd graag schoenen met hoge hakken gedragen. Zelfs nu ze 98 is, wil ze minstens 3 centimeter hak aan haar schoenen, tot wanhoop van twee van haar kleinkinderen die arts zijn. Die hoge hakken-schoenen stelden haar voor een probleem toen ze nog les gaf in Snit & Naad. Ze vond het toen haar plicht om zo elegant mogelijk gekleed te gaan, als voorbeeld voor de leerlingen die moesten leren hoe men mooie kleren ontwerpt en maakt. Ook de accessoires moesten mooi zijn. En als ze een modieuze nieuwe handtas kocht, moest daar een paar passende schoenen bij.
Zoiets was natuurlijk onbetaalbaar, maar gelukkig had mijn grootvader als jongen het vak van schoenmaker geleerd van zijn vader, voor hij naar het conservatorium ging. Hij kon een damesschoentje maken met heel hoge hakken, waar mijn moeder even comfortabel in liep als waren het pantoffels. Voor elk schoenenpaar dat hij maakte, kocht hij een andere leest, zodat de hoek van de schoen perfect was. ‘Als de schoen niet helemáál juist zit,’ zegt mijn moeder, ‘ga je wiebelen bij het lopen, zoals prinses Elisabeth.’
Relativiteitstheorie
Zoals iedereen heb ik ooit wel iets gelezen over de relativiteitstheorie en over kwantummechanica. Bij de relativiteitstheorie begrijp ik ongeveer wát ik niet begrijp. Maar bij de kwantummechanica heb ik geen idee wat er te begrijpen valt. Als ik er een vulgariserende uitleg over lees denk ik: wat is daar nu zo moeilijk aan?
Romantiek als kunststroming
Komiek Jens Dendoncker heeft een zaalshow in elkaar geknutseld over de Romantiek als kunststroming. De recensente van De Standaard is erg kritisch. ‘Dat er aan de romantiek een onfris reukje hangt van nationalistische en conservatieve reflexen wordt hier gemakshalve genegeerd’. Ik neem mij voor om in mijn eigen stukjes de uitdrukking ‘gemakshalve negeren’ of ‘gemakshalve vergeten’ nooit te gebruiken. (Ik heb ooit hetzelfde voornemen gemaakt voor de uitdrukking ‘onder het mom van’ in de polemische betekenis. Zie hier).
Lange Walter
Van de 16 paracommando’s van Peleton B die in juni 1976 hun rode of groene muts behaalden, zijn er ondertussen al drie overleden. Eerst ontviel ons Jan, de meester van de koordenpiste. Hij was niet helemaal representatief voor het regiment, want hij had een baard en rookte. Dan ontviel ons René. René was op geen enkel vlak representatief. En nu is ook Walter ons ontvallen. Hoewel we maar met 16 waren, hadden we twee Walters: hij was Lange Walter. Met Walter kon ik over films praten. Als ik zei: The Wild Bunch, antwoordde hij: Sam Peckinpah.
Jammer genoeg hebben we het overlijden van Walter pas een maand later vernomen. Daardoor konden we niet aanwezig zijn op de begrafenis, met onze muts discreet in de jaszak. Makkers, vind ik, moeten naar elkaars begrafenis gaan.
Galbraith
Twee keer heb ik proberen iets te lezen van de Amerikaanse econoom Kenneth Galbraith. Toen ik zestien was probeerde ik Kapitalisme en welvaart te lezen. Dat was toen veel te moeilijk. Vijfentwintig jaar later ben ik begonnen in The Culture of Contentment, in de wachtzaal bij de kinesist. Toen waren mijn overtuigingen al zo gevormd, dat de denkwereld van Galbraith mij niet meer kon boeien. Wel herinner ik mij dat hij schreef over het begrip ‘arbeid’ dat volgens hem iets totaal anders betekende voor een arts en een leraar dan voor iemand die op het land of in een fabriek werkt. Die laatste arbeid was voor de meeste mensen onaangenaam.
Een van die mensen was Walter, onze makker in peloton B. Hij was onmiddellijk na zijn legerdienst gaan werken in een chemiefabriek. Als we later samenkwamen, zei hij vaak: ‘Ik kom er eerlijk voor uit: ik werk niet graag. Ken jij iemand die wel graag werkt?’ Als ik aan mijn fabriekjaren dacht, moest ik hem bijvallen. Zou het dat zijn wat Marx bedoelde met arbeid die ons ‘vervreemdt’ van onszelf? En had Marx daar een oplossing voor?
Zeker is dat de afkeer voor zware, repetitieve handenarbeid niet bij iedereen even diep zit. Mijn grootvader werkte graag, mijn schoonvader werkte graag, mijn vader werkte niet graag. Maar ik ken geloof ik niemand die minder graag ‘werkt’ dan mijn zoon, al is hij in zijn vak een halve workaholic.
Logica-grapjes van Tom Wouters
Ik smokkel in mijn teksten kleine grapjes over de invloed van Kant op Hegel ‘en omgekeerd’, of over makkers die naar ‘elkaars’ begrafenis gaan. En ondertussen schrijft Tom Wouters tekstjes waarin hij betreurt dat er zo weinig ‘boeken op ware grootte’ bestaan. Als je wat liefhebbert, is het makkelijker om een grootmeester te erkennen. En van de grootmeester verschijnt binnenkort een boek, In mijn hoofd zwemmen vissen, dat op 19 mei wordt voorgesteld in De Groene Waterman.
Hergé en Vandersteen
De striptekenaars Hergé en Williy Vandersteen hebben van 1948 tot 1958 samengewerkt aan het tijdschrift Tintin/Kuifje. Zoals Hitler grote bewondering had voor Mussolini, en niet omgekeerd, zo had Vandersteen grote bewondering voor Hergé en niet omgekeerd. Toen een van de zonen van Vandersteen midden de jaren 70 de grote Hergé tegenkwam, vroeg die laatste minzaam: ‘Et votre père, est-ce qu’il dessine toujours?’ Ik hoop dat die anekdote is opgenomen in het boek dat Marcel Wilmet aan de samenwerking tussen de striptekenaars heeft gewijd: De reuzen van Beersel, 88 blz. 25 euro.






