donderdag 28 mei 2026

Het vrije woord van DVL

 


1.
Ik zal hier niet ingaan op het precieze vonnis dat de rechtbank tegen Dries Van Langenhove heeft uitgesproken. Ik geloof zonder meer dat DVL in die Leuvens aula meer gedaan heeft dan op een neutrale manier criminaliteitscijfers van migranten citeren. Als de rechter zegt dat DVL’s denigrerende uitspraken als doel hebben om haatgevoelens op te wekken, kan hij best gelijk hebben*. 

2.
 Het is een clubje van usual suspects dat de veroordeling van DVL toejuicht, en het is een even voorspelbaar clubje dat de veroordeling, hoe zal ik het zeggen, veroordeelt. Ik behoor tot dat tweede clubje
.

Tussen die clubjes bestaat er enige animositeit. De club die censuur tegen DVL toejuicht richt twee verwijten aan de andere club. Het ene verwijt is dat men een racist verdedigt omdat men zelf een racist is. Ha, Maarten Boudry verdedigt DVL? Dan is ‘de cirkel rond.’ Het andere verwijt is dat de voorstanders van het absolute vrije woord de ‘objectieve bondgenoten van de racisten zijn.’ Frank D’hanis poetst dat oude cliché op door een slimme formulering te gebruiken. Die vrije-meninguiter trappen volgens hem ‘in het valletje van de fascist.’

4.
Dat Bart Eeckhout van De Morgen zich tegen de ‘haatwetgeving’ keert is niet onverwacht. Maar eerlijk gezegd: het doet deugd. Anders bestaat ons clubje uit halve en hele geloofsgenoten van Van Langenhove, woke-haters, onverbeterlijke libertariërs en dwangmatige heterodoxen. Het is fijn dat er zich ook een gerespecteerd man in ons gezelschap bevindt. Ik voel mij als een communist van de jaren 60 die met genoegen vaststelt dat zelfs de Belgische koningin of de deken van Canterbury het rode paradijs genegen zijn. Of als een anarchist van begin 20ste euw die vorst Kropotkin als een medestrijder mag beschouwen.

5.
Het is tegennatuurlijk om het vrije woord te verdedigen van politieke tegenstanders. Laat ik daarom als rechtse liberaal het goede voorbeeld geven. Ik ben voor de vrijheid van communistische propaganda, van fascistisch gestook, van syndicale agitatie, van antisemitische columns, van anti-Navo stemmingmakerij, van islamistische preken, en van FB-stukjes van Frank D’hanis.

6.
Het is niet alleen emotioneel, maar ook intellectueel moeilijk het vrije woord van tegenstanders te verdedigen. Een van de redenen die J.S. Mill aanhaalt in zijn vrijheidspleidooi is dat je tegenstander geheel of gedeeltelijk gelijk kán hebben. Kan ik mij voorstellen dat Van Langenhove geheel of gedeeltelijk gelijk heeft? Nou ja, radicaal-rechts** heeft indertijd ongeveer als enige en eerste gewezen op de problemen van multiculturaliteit en de noodzaak om migratie af te remmen. Sommige van die radicaal-rechtse ideeën zijn nu, terecht vind ik, mainstream geworden.

7.
De argumenten voor het vrije woord zijn al lang gekend. Censuur is contraproductief, verreist een subjectieve beoordeling***, verwart ethiek en politiek, nodigt uit tot conformisme en intellectuele luiheid, en dreigt waardevolle meningen samen met verwerpelijke te veroordelen.

8.
Bij het vrije woord kan men niet om de kwestie van ‘de grens’ heen. Vrije-meninguiters stellen een harde grens voor als het gaat om concrete oproepen tot geweld of om laster. Dat moet strafbaar blijven. Maar zelfs daar is de grens poreus. Kan men een syndicale betoger vervolgen omdat hij middels een spandoek voorstelt op Bart De Wever op te hangen? Is dat een oproep tot geweld? Mocht De Wever de syndicalist willen vervolgen, dan zal een rechter over deze kwestie moeten oordelen, en als hij enige wijsheid heeft, zal hij de klacht verwerpen. Als De Wever enige wijsheid heeft, zal hij die klacht niet indienen.

9.
Maar de grens van de vrije-meningbeperkers is véél poreuzer. Zij stellen een grens voor bij hate speech. ‘Haat is geen mening,’ zeggen ze dan. Dat is natuurlijk waar. Haat is een gevoel. Maar een mening kan voorkomen uit haatgevoelens, of het uiten van een mening kan haatgevoelens oproepen of versterken. Dat is dan heel jammer, maar het is geen reden om die mening niet als mening te behandelen: dat wil zeggen: bijtreden, weerleggen, wegwuiven of links laten liggen.  Maar uit welke gevoelens een bepaalde mening voortspruit is een zaak voor zielkundigen, en tot welke resultaten een mening leidt is iets voor maatschappelijke vorsers. Ik zou de rechters er buiten laten.

10.
Woorden hebben hun gevolgen, hoor je. Dat is waar. Het is de harde, ik zou haast zeggen, ‘ontmenselijkende’ kritiek op Pim Fortuyn die tot de moord op hem hebben geleid. Maar ik vind dat geen reden om harde, desnoods ontmenselijkende kritiek op figuren als Fortuyn te verbieden. Als men morgen Bart De Wever vermoordt, ken ik een heleboel mensen die ik daarvoor moreel verantwoordelijk zal achten. En toch vind ik het een goede zaak dat die harde De Wever-kritiek in alle vrijheid kan bloeien. 

11.
Stel dat de lezer en ik het eens zijn over de vraag of DVL’s meningen voortspruiten uit haat, of tot haat aanzetten. Maar dan stelt zich het probleem van het hellend vlak. Stoppen we bij DVL? Neem een ander geval. Maarten Boudry geeft commentaar bij het vrt-onderzoek naar o.a. intolerantie in Vlaanderen. Een tegenstander is het niet eens met Boudry’s conclusie dat de tolerantie bij mensen afkomstig uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten het laagst ligt. Hij bekritiseert Boudry’s verkeerde opvatting van statistische representativiteit en concludeert: ‘Dat maakt dat deze uitspraak in feite gewoon een platte 
hate crime is.’ En de Boudry-tegenstander gaat nog verder: onderzoek om wél representatieve cijfers over de kwestie te verzamelen en te publiceren is op zich ook al een hate crime. Dus eerst Dries Van Langenhove, dan Maarten Boudry, en dan onderzoekers als Ruud Koopmans? Waar houdt het op?

12.
Bovenstaande Boudry-kritiek doet terloops een andere vraag rijzen: is dat een geval van laster, een onderzoeker verwijten dat hij een hate crime begaat? Ikzelf vind dat geen laster, maar dat komt omdat ik het hele concept van hate crime belachelijk vind. Mocht men Boudry beschuldigen van seksueel kindermisbruik, dat zou voor mij wél laster zijn. 

13.
Ach, haat. Ik heb er zelf niet veel last van, en ik begrijp het niet goed bij anderen. De Boudry-haat bij een deel van de linkerzijde verbijstert mij.

14.
Privé-domein heeft een selectie brieven van Flaubert uitgebracht onder de titel Haat is een deugd. Ik heb die brieven meerdere keren gelezen, in een tijd dat ik niet veel las. Maar mijn eigen vermogen tot haat is zeer beperkt, zeker als het om echte mensen gaat. Maar ook als het gaat om abstracte groepen, ligt het niet in mijn aard om veel te haten. Ik heb niets, of weinig, tegen allochtonen, autochtonen, joden, moslims, Hollanders, katholieken, atheïsten, toeristen, reclame-makers, middenstanders, ambtenaren, schoolmeesters, managers, grootverdieners, uitkeringsgerechtigden, journalisten, columnisten, bakfietsrijders, BMW-automobilisten of elektrische-stepgebruikers. Als iemand echter een van de groepen wil beledigen, hoop ik dat hij dat met een zekere mildheid doet, en als dat niet kan, met enig zelfrelativerend cynisme.

15.
Ik had een kleine discussie op FB over de grenzen van toelaatbare en ontoelaatbare vrije meningsuiting. Mijn opponent schreef:

 De vrijheid van meningsuiting stopt waar ze doelbewust wordt ingezet om groepen mensen te ontmenselijken of als inherent crimineel af te schilderen … Het gaat … om systematische generalisaties die individuen reduceren tot een bedreiging op basis van afkomst. Vrijheid van meningsuiting is geen vrijgeleide om bevolkingsgroepen als oorzaak van “alle problemen” te bestempelen. Dat is geen analyse, dat is agitatie … Het gaat niet om stevige kritiek op individuen, maar om systematische framing van hele bevolkingsgroepen als inherent gevaarlijk of minderwaardig. Dat is geen debat, dat is het normaliseren van vijanddenken.

     Hier worden veel kwalijke kenmerken opgesomd die men in een polemiek kan aantreffen: framing, vijanddenken, geen analyse maar agitatie, ontmenselijking, reduceren van individuen, doelbewust en systematisch generaliseren, iets of iemand als oorzaak van álle problemen voorstellen, iemand inherente kenmerken toeschrijven. Iemand die dat allemaal tegelijk doet, is geen hoogstaande polemist. Hij is een stoker. Maar is hier iets bij dat verboden moet worden?
      Waarom zou iemand geen agit-prop stuk mogen schrijven waarin de hele N-VA geframed  wordt als een vijand en een bedreiging, waarin alle N-VA-leden gereduceerd worden tot bijna-fascisten, en waarin die partij doelbewust en systematisch wordt voorgesteld als inherent gevaarlijk en de oorzaak van alle problemen in ons land? En voor de ontmenselijking zorgen twee illustraties, een van Theo Francken met een varkenskop, en een van Bart De Wever met een Hitlersnor.
     Ik geef het toe: mijn vergelijking loopt mank. Ik vermoed dat mijn opponent die kwalijke eigenschappen alleen wettelijk strafbaar wil zien als het gaat om bevolkingsgroepen ‘op basis van afkomst’ en niet op basis van politieke overtuiging. Ook ik vind gestook tegen mensen op basis van afkomst gemener dan gestook tegen mensen vanwege hun gedrag, hun overtuiging, hun godsdienst of hun maatschappelijke positie. Maar ik vind het verschil niet groot genoeg om het ene gestook wettelijk toe te laten en het andere gestook wettelijk te verbieden. 

16.
Een ander argument tegen het onbeperkte vrije woord gaat als volgt. Het recht op vrije meningsuiting moet worden afgewogen tegenover andere mensenrechten. Een nogal heftige polemist op FB verwoordde het zo, als antwoord op een post van Boudry: 

Ja, in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat - schijnbaar! - een soort absolute vorm van vrijheid van meningsuiting beschreven, namelijk artikel 19 … Maar, alleen een regelrechte hansworst stopt dan met lezen én nadenken. Want dan anders kom je sowieso artikel 30 tegen:“Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.”Het is echt wel duidelijk hoe we dit moeten lezen: Ja, er is een verregaand recht op vrijheid van meningsuiting, maar NIET als het andere rechten ondergraaft. En dat omvat bijvoorbeeld het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van uw persoon (art 3), bescherming tegen een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (art 5), gelijke bescherming onder de wet (art 7), bescherming tegen willekeurige arrestatie, detentie of verbanning (art 9), recht op asiel (art 14), recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art 18) en ga zo maar door. Ondergraven van al die rechten doe je bijvoorbeeld door op te roepen tot haat en discriminatie.

     Maar artikel 30 is geen specifieke beperking op artikel 19, maar op alle bepalingen die voorafgaan. Slechts in enkele gevallen, zie ik in hoe een bepaling in strijd kan zijn met andere rechten. Als bijvoorbeeld artikel 18 iedereen de vrijheid toekent om zijn godsdienst te belijden door ‘inachtneming van de geboden en voorschriften’ dan houdt dat niet in dat ook religieuze mensenoffers of clitoridectomie toegelaten zijn. Dat zou immers strijdig zijn met artikel 3: recht op leven en recht op fysieke integriteit.
     Ook andere rechten kunnen met elkaar in tegenspraak komen, al is dat
 altijd in twee richtingen. Het is best mogelijk dat het recht op eigendom (art. 17) in strijd is met bepaalde sociale rechten (art. 23-25). Dan geldt het omgekeerde ook.

     Maar met de vrije meningsuiting zie ik de tegenstrijdigheid niet. Dat een spreekbeurt van Dries Van Langenhove het leven en de vrijheid van allochtonen bedreigt, of rechtstreeks leidt tot wrede bestraffing, willekeurige opsluiting, rechtsongelijkheid en godsdienstvervolging, dat lijkt mij vergezocht. En dat het ónrechtstreeks kan leiden tot allerlei misdaden tegen de mensheid, dat kan best zijn, maar tja, onrechtstreeks … 

17.
Een leuke reactie vond ik deze: ‘Ik voel geen empathie met DVL, want die heeft zelf geen empathie voor hele bevolkingsgroepen.’ Dat is een correcte toepassing van het beginsel van wederkerigheid. Maar bij vrije meningsuiting kun je dat niet toepassen zonder in een paradox te verzeilen. Het is niet omdat we vermoeden dat DVL zich niets aantrekt van de vrije meningsuiting van zijn linkse en andere tegenstanders, dat zijn linkse en andere tegenstanders zich niets moeten aantrekken van zijn recht op vrije meningsuiting. Beperkingen op het vrije woord van radicaal-rechts, kunnen later altijd gebruikt worden tegen radicaal-links. Enzoverder.

 

* Koen Lemmens legt op x.com uit waarom het vonnis, ondanks gebrekkige formulering, conform is met de huidige wetgeving. Zijn conclusie: Het debat zal dan toch eerder moeten gaan over de wetgeving als zodanig, eerder dan over de toepassing van de wet in dit bijzonder geval.

** Ik heb lang geleden in enkele stukjes uitgelegd waarom ik in DVL een cryptofascist vermoed, die zich als een radicaal-rechtse nationalist voordoet. Zie hier.

*** Het beoordelen van intenties hangt bijna altijd af van subjectieve interpretatie. Men kan intenties niet vermijden in de rechtspraak: denk aan het onderscheid tussen doodslag en moord. Maar het bestaan van een misdaad volledig laten afhangen van het al dan niet aanwezig zijn van een intentie, lijkt mij verregaand. Bovendien, als het om een politieke materie gaat maakt ons tribalisme het moeilijk om intenties fair te beoordelen.

woensdag 27 mei 2026

Verzamelde kortjes

 Kinderrijmpjes
     Wat ik in De Standaard der Letteren nooit oversla is de laatste bladzijde, waarin auteurs geïnterviewd worden over hun lievelingsboeken. Soms is daar een boektitel bij die ik herken en dan ben ik trots. In het interview met Sarah Hall (DSL 25/4) herkende ik iets anders. ‘Vaak hoor ik in mijn hoofd,’ zegt ze, ‘hoe mijn moeder rijmpjes zong: Oranges and lemons, say the bells of St Clements.’ Ik ken het rijmpje uit 1984 van Orwell. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ik dat rijmpje stilletjes voor mij uit gepreveld heb, terwijl ik bijvoorbeeld aan het winkelen ben. En ook dat andere rijmpje: Apples and pears, say the bells of St Clares.



De centrum partijen

     Harold Polis bespreekt drie boeken die duiding geven bij crisis die de centrumpartijen nu doormaken (DSL 25/4). Die boeken zijn geschreven door  Pepijn Corduwener, door Catherine De Vries en door Adrian Wooldridge. Zouden die auteurs een oplossing hebben voor die crisis? Ik lees: meer verzorgingsstaat, meer aandacht voor het platteland, minder obsessieve efficiëntie, minder globalisme, de burgers beschermen tegen de markt, publieke voorzieningen herstellen, integratie afdwingen, de openbare orde heroveren, big tech temmen, minder fixatie op materiële welvaart. Ik noteer de namen van de auteurs, maar ik denk bij mijzelf: dat zullen weer van die knappe analyses zijn waarbij vooral het laatste hoofdstuk tegenvalt: daar waar de oplossingen worden voorgesteld.




Zwartkijken van Franquin

     Het prachtige album Zwartkijken (Les idées noires)  van Franquin is opnieuw uitgegeven, met een uitgebreide inleiding. In zijn recensie (DSL 25/4) geeft Simon Demeulemeester commentaar bij een grap over mitrailleurs, straaljagers en raketten die veranderen in stront, stront waar de generaals in verdrinken. Ik schrijf wel generaals maar ik ben eigenlijk niet zeker van hun graad. Ik hoop in elk geval dat die onsmakelijke verdrinkingsdood zich slechts vanaf het niveau van generaal voordoet, en dat bijvoorbeeld de kolonels gespaard blijven.  Mijn vroegere buurman was kolonel.
     Maar daar gaat het niet om. Het gaat hierom. De recensent schrijft: ‘Oorlogshitsers in de stront laten zakken, is precies wat een heer van stand hoort te doen.’ Ik kan bij het lezen van die zin niet anders dan even aan Theo Francken denken die door ‘heren van stand’ vaak een oorlogshitser wordt genoemd. Als ik nu een 
heer van stand was, liet ik Theo dus door de stront zakken.

    En Poetin dan? Maar dát is geen oorlogshitser, dat is een oorlogsvoerder.



Stad en platteland in de VS

     Hoe komt het dat de stedelijke bevolking in de VS grotendeels stemt voor de Democraten en de plattelandsbevolking grotendeels voor de Republikeinen. Ester Meerman (DS 22/4) heeft een sociologische verklaring gevonden: 

  

Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn. 

       Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland? Als ikzelf in een grote stad kom – Antwerpen, Brussel, Kortrijk – heb ik altijd de indruk dat iedereen op mij neerkijkt. Vooral het zelfvertrouwen van de tieners intimideert mij. Als mijn vrouw mee is ben ik van niemand bang, maar als ik alleen tussen die mensen loop, voel ik mij niet op mijn gemak. 



Reynebeau over klimaat en migratie

     In zijn wekelijkse column – kan De Standaard die niet op twééwekelijks brengen – pleit Reynebeau, volgens de titel en de inleiding, voor meer nuance in het debat over migratie en klimaat.


 Is klimaat rechts, en klimaat links? … Iedereen heeft er belang bij en spreekrecht in. Elke kant heeft baat bij nuance en de tegenspraak die de andere kant brengt.

        Ik heb het stuk snel gelezen en begrepen dat zowel rechts als links in eigen boezem moet kijken. Rechts moet in zijn standpunt over milieu meer nuance brengen en links moet in het debat over migratie voor meer tegenspraak zorgen. 


De vernielde woningen in Gaza
       In de Gaza-oorlog zijn ongeveer 70.000 Palestijnen omgekomen door Israëlische bommen en kogels. Door in de statistieken het aantal jonge mannen af te zetten tegen vrouwen, jonge kinderen en bejaarden, kan men gaan extrapoleren. Wellicht waren 1/3 van de slachtoffers militairen van Hamas en 2/3 burgerslachtoffers. Met andere woorden 2 procent van de burgerbevolking is omgekomen in een oorlog die bijna 2 jaar heeft geduurd.
    Eigenlijk heb ikzelf intuïtief een véél, véél groter aantal slachtoffers in mijn achterhoofd. Dat komt door de beelden van de vernietigde huizen die ik zo vaak op het Nieuws gezien heb. 65 procent van de woningen is totaal vernield. Mijn intuïtie past diezelfde verhouding haast automatisch toe op het aantal doden. Wie kan in godsnaam zo’n vernieling overleefd hebben?
     Maar dan lees ik in de dagelijkse FB-post van Paul Cordy over het bombardement van Rotterdam op 15 mei 1940: de binnenstad werd verwoest, er waren meer dan 700 doden en 80.000 mensen waren dakloos. Ik denk dan: máár 700 doden? 


De vulva en de anus
   Veertien artsen, gezondheidsexperts en onderwijsprofessionals willen dat het schoolse curriculum, van de kleuterklas tot het secundair, meer aandacht besteed aan het vrouwelijk lichaam. Anneleen Boderé, leerondersteuner in het basisonderwijs en taalkundige formuleert het zo: 

Meisjes kennen informele woorden voor het vrouwelijk geslachtsdeel, zoals muis, poepje of voorpoep, maar die kunnen tot verwarring leiden. Want waar voelen ze pijn als ze zeggen dat ze pijn hebben aan hun poep? De enige juiste term voor de uitwendige geslachtsorganen is vulva. 

`    Zo’n uitleg kregen we ook in het vijfde leerjaar. ‘Sommige mensen,’ zei meester Dutoit, ‘durven bij de dokter niet goed zeggen dat ze pijn hebben aan hun achterwerk. Ze willen geen vulgaire woorden gebruiken, en zeggen dan dat ze pijn hebben aan hun ‘rug’. Het enige juiste woord is anus.
     Ik heb geloof ik in mijn hele leven nog nooit het woord anus gebruikt, behalve in het Schopenhauer-citaat: Obit anus, abit onus. 


Mooie krantenkoppen
    Het was een mooie oogst deze week, zeker voor iemand die snel tevreden is, zoals ik. 

  • Bijna 1 Vlaming op de 20 sterft na euthanasie.
  • Borrelnootjes zitten in de hoek waar de klappen vallen, maar blijven overeind
  • Theatermaker Jozefien Mombaerts worstelt met de vraag: hoe voed je een jongen van zeven op?

Bij die eerste koppen grinnikt de eindredacteur in mij. Bij de laatste kop wordt de hoofdredacteur wakker. Hier kunnen we een jaarlijks terugkerende interviewreeks van maken.  ‘Hoe voed je een jongen van acht op?’ Hoe voed je een jongen van negen op?’ Naar mijn smaak kun je doorgaan tot: ‘Hoe voed je een jongen van achttien op?’ Daarna moeten we weer wat anders verzinnen.



Lize Spit over plot in literatuur

     Mocht ik vandaag nog Nederlandse les geven in het vierde middelbaar, dan zou ik zeker het essay van Lize Spit over ‘plot in de literatuur’ gebruiken (DSL 2/5).  Spit begint met een mop (en een waarschuwing dat de lezer de mop niet grappig zal vinden): 


Een man graaft een gat in zijn tuin. Zijn buurvrouw vraagt : ‘Waarom graaft u een gat in uw tuin, buurman.’ De buurman antwoordt: ‘Om mijn vis in te begraven.’ ‘Uw vis? Waarom zo’n groot gat dan?’ Waarop de buurman zegt: ‘Mijn vis is opgegeten door uw kat.’

     Het leuke is nu dat Spit enkele alinea’s verder met dat verhaal precies hetzelfde doet als wat ik mijn leerlingen als oefening opgaf: ‘Vat het verhaal samen als story in plaats van als plot.’  Zo’n samenvatting moest dan ongeveer beginnen zoals Spit begint: ‘Een man graaft een gat in zijn tuin om de kat van de buurvrouw te begraven die zijn vis heeft opgegeten.’ De slotzin van Spit past volledig binnen de stilistiek die ik mijn leerlingen probeerde bij te brengen. ‘Waarop de buurman de waarheid zegt.’
     Het verhaal dat ik als eerste oefening gebruikte was iets langer, een bladzijde lang, en ging over een rechter die ontvoerd was door gangsters en over de politie die in verband daarmee een chantage-brief ontving. Het verhaal werd door de auteur natuurlijk in een andere volgorde verteld. De leerlingen moesten de feitelijke volgorde herstellen, de lacunes opvullen, de verbanden expliciet maken en de gebeurtenissen abstracter formuleren. Om ze op weg te helpen bij hun opdracht, dicteerde ik de eerste zin. ‘Een rechter wordt ontvoerd door gangsters.’ 



Kippenvelmoment
     Josse de Pauw besluit zijn stuk in DSL van 2 mei met een korte alinea: ‘Ik las over iemand die goed aliens kan nadoen en vraag me nu al de hele dag af: hoe doe je dat?’ Ik had dat ook gelezen, over die aliens, en me dezelfde vraag gesteld, maar niet de hele dag.
     Verder gaat het stuk alle richtingen uit. Het gaat over de opvoering van Sancta, over Melania Trump, over Anneleen Bossuyt, over het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, over onze kredietwaardigheid en over het woord ‘snoeshaan’. Maar ik word vooral getroffen door volgende alinea: 

Bij het horen van het woord ‘kippenvelmoment’ word ik een beetje misselijk. Afhankelijk van hoe enthousiast het wordt uitgesproken, kan dat leiden tot braakneigingen, en wanneer de spreker dan ook nog zijn ontblote voorarmen gaat tonen als bewijs, komt het er, ondanks de moeite die ik doe, langs mijn neus uit. 


    Langs zijn neus dan nog! We weten allemaal dat dat erg pijnlijk is. De Pauw stoort er zich aan dat die mensen door naar dat kippenvel te verwijzen over zichzelf praten, over hun gevoeligheid, over hun ontroerbaarheid. Maar is dat nu zo erg? Praat De Pauw nooit over zichzelf? Ik herinner mij nog levendig dat een vriend ooit over een kippenvelmoment sprak en daarbij een voorarm ontblootte om te laten zien dat de haartjes alweer, toen hij er nog maar aan dacht, opnieuw rechtkwamen. Ik vond dat een naïef gebaar, maar toch ook ontroerend. Ik ben dan ook erg ontroerbaar. 




Maar één keer zien

     Naar aanleiding van de film Die My  Love, sprak recensente Fien Meynendonckx (DS 28/4) van ‘onvergetelijke films die je maar één keer wil zien.’ Dat is een treffende omschrijving van een niet onbelangrijke categorie van films. Mijn zoon noemt dat films waarvan hij blij is dat hij ze gezien heeft.’

 

Slordig taalgebruik

     In zijn Amerika-boek weegt Tocqueville de voor- en nadelen af van democratische en aristocratische naties. Een nadeel van de democratische landen is dat er slordig taalgebruik heerst. Er is geen elite die de ‘bon usage’ dicteert, iedereen doet maar wat, en de meerderheid, dan wel de luidruchtige minderheid, bepaalt welke woorden er gebruikt worden, en wat ze betekenen. Dat is democratie.

     En volgens Tocqueville leidt die democratie in de taal dan tot vaag, slordig, abstract, sensationeel en modieus taalgebruik. Hij geeft voorbeelden van zijn eigen taalgebruik dat eveneens onder democratische invloed abstract geworden is. Hij spreekt bijvoorbeeld vaak over ‘gelijkheid’ alsof dat een persoon was die bepaalde zaken verhindert of bevordert. In beter tijden sprak men alleen van gelijkheid tussen concrete mensen met betrekking tot concrete zaken. ‘Les hommes du siècle de Louis XIV,’ schrijft Tocqueville,  ‘n’eussent point parlé de cette sorte.’ Terloops zij opgemerkt dat zijn eeuwgenoot Flaubert dan weer geen ‘double génitif’ zou gebruikt hebben als ‘… du siècle de Louis …’. 

    Het ergste vindt Tocqueville dat woorden hun precieze betekenis verliezen.


Ik zou liever hebben dat men de taal liet overwoekeren met Chinese, Tartaarse of Huroonse woorden, dan dat men de betekenis van de Franse woorden onzeker zou maken. 

     Vandaag komt het gevaar van overwoekering niet van het Chinees, het Tartaars of het Huroons maar van het Engels. Op zijn FB-pagina plaatste Geraard Goossens onlangs een transcriptie die veel aandacht kreeg. Een Vlaamse popzanger had in een interview verteld over zijn muziek, en had daarbij een overvloed aan Engelse woorden gebruikt. Dat hij bij het zingen ‘een bepaalde energy channelt’, dat hij zijn ‘heroes close heeft in spirit’ en dat hij zijn ‘full body in de energy steekt om tot een build-up te komen die kind of screamt’. Zijn gedachten noemt hij zijn ‘mind’, intiem noemt hij ‘intimate’ en een reden noemt hij een ‘reason’.
      Nu moeten we hier verschillende zaken onderscheiden. Het is op zich al moeilijk om over kunst te praten. Je hebt schrijvers die prachtig schrijven maar wauwelen als ze over hun werk moeten praten. En dan zwijg ik nog over schilders. Ook hebben sommige mensen nu eenmaal geen aanleg om goed te formuleren in gesproken taal. Koen Meulenaere maakte soms transcripties van wat Jean-Luc Dehaene op de televisie verteld had, en dat was ook wartaal. Maar JLD gebruikte tenminste niet te pas en te onpas Engelse woorden, en hij had niet de gewoonte om zoals onze Vlaamse popzanger de helft van zijn zinnen te eindigen met ‘of zo’.
      When all is said and done, stoor ik mij meer aan dat stopwoord ‘of zo’ dan aan een woordeke Engels. Als hij iets bewondert, zegt de Vlaamse popzanger: nice!. Ik zou dat misschien ook zeggen, of misschien wel génial zoals de Fransen, muy bien zoals de Spanjaarden of ganz toll zoals de Duiters, alhoewel die laatsten hoe langer hoe meer ook nice zeggen. 
    Dat overdadige Engels in de spreektaal is zowel een teken van taalarmoede, luiheid, snobisme en modegevoeligheid. Maar er is weinig boos opzet. Het gebeurt niet bewust. In gesproken taal valt daar niet veel tegen te beginnen. Alleen al het vermijden van stopwoorden vergt een uiterste concentratie. En wat moet je doen als je in het vuur van je betoog de Nederlandse vertaling van channeling energy niet vindt? Zwijgen? Een pauze inlassen?
    Dat ‘of zo’,daarentegen, daar kun je iets aan doen. Ik had leerlingen die er bij een eerste spreekbeurt ook veel of zo’s ertussen gooiden. Als ze hun best deden, was dat bij de volgende spreekbeurten al veel beter.

 

dinsdag 26 mei 2026

Het eerste boek van Tom Wouters


 
   Mijn vader had een vast ritueel. Vóór het ontbijt las hij het dagelijkse mopje van de scheurkalender, en daarna las hij het hardop voor aan mijn moeder. Ik heb iets vergelijkbaars met het dagelijkse verhaaltje van Tom Wouters op FB. Ik lees het ’s morgens helemaal, nog voor ik een eerste hap neem, en als mijn vrouw ook aan tafel zit, gebeurt het dat ik de eerste zin van het verhaaltje te harer attentie hardop voorlees.
      Tom is sterk in eerste zinnen. Waar ik mijn stukjes meestal begin met ‘Laatst zag ik een column voorbijkomen van Marc Reynebeau …’ begint Tom bijvoorbeeld met ‘Als verhalen alleen zouden bestaan uit openingszinnen, dan was de Estse auteur Timo Wötjoō wereldberoemd geweest.’ Tom is trouwens ook goed in slotzinnen. Omdat ik die nooit voorlees aan mijn vrouw heb ik er hier enkele verzameld. 

  • Dat had niemand voorspeld. 
  • Mij vragen ze niets, ze wensen me zelfs geen succes.
  • Ongemoeid, zo had ik weer eens geleerd, moeten we de wereld laten.
  • Sinds dat moment zwemmen er vissen in mijn hoofd. 
  • Dat zou verklaren waarom ik hier alleen op deze berg zit, te wachten tot u weer begint te lezen.
  • De volgende dag ging ik opnieuw dood, tegen de eerder gestelde diagnose in.
  • Alle brieven die ik ooit schreef zijn zoekgeraakt bij de post.
  • Mijn zeven neven waren makkelijk van groot naar klein te sorteren.     
     Ik schrijf dat hier allemaal omdat een klein deel van Tom zijn stukjes nu gebundeld zijn in een mooi vormgegeven boekje met de titel In mijn hoofd zwemmen vissen. Daarmee heb ik mijn belangrijkste bezwaar tegen het boekje benoemd: slechts een klein deel –  60 – van de ongeveer 600 verhalen die Tom al schreef, heeft het selectieproces overleefd. En die ongeveer 540 ándere verhalen zijn ongeveer even goed.
 
     Ik kan alleen hopen dat het boekje van Tom zó’n goede recensies krijgt en zó goed verkoopt dat de uitgever beslist om de andere 540 verhalen ook in bundeltjes te verzamelen – en als dan de tien deeltjes Tom Wouters uitgekomen zijn, is het tijd voor de eerste dundruk-in-één-band van het Voorlopig Verzameld Werk. Dan schenk ik mijn tien deeltjes aan een vriend en hou alleen de dundruk. En die heet niet toevallig Voorlopig Verzameld Werk want tegen dan heeft een maniak als Tom natuurlijk 600 nieuwe verhaaltjes geschreven.
 
     Want Tom ís een maniak. Als hij moest kiezen, zei hij ooit, tussen vrouw en kind aan de ene kant, en schrijven aan de andere kant, dan koos hij voor het schrijven. En dat komt dan van iemand die in publiek niet over zijn zoon kan spreken zonder een merkbare krop in de keel te krijgen.
        Of het boekje van Tom zo goed zal verkopen als het verdient, weet ik niet. Succes in de literatuur is onrechtvaardig. Borges heeft nooit de Nobelprijs gekregen, de graphic novelette Het lot van de horlogemaker van Daniël Op de Beeck vond niet eens een commerciële uitgever, en van Willem Elsschot is wel eens iets in het Engels of het Frans vertaald, maar waar blijven de miljoenenoplages die Elsschot waard is? Daar komt bij dat Wouters heel korte verhalen schrijft, van columnlengte meestal, en dat is voor veel lezers vandaag niet aantrekkelijk. De mode is aan de dikke romans en aan de tiendelige televisiereeksen. Als je eenmaal de settings en de personages van de roman of de reeks kent, kun je je moeiteloos laten meevoeren. Bij een kort verhaal of bij een alleenstaande film moet je telkens weer opnieuw beginnen.
 
     Welk soort verhalenschrijver is Tom? Een schrijver van ráre verhalen in elk geval. Aan mij wordt de typering ‘de Kafka van Grobbendonk’ toegeschreven. Wim Oosterlinck noemde hem ‘een Escher op papier.’ Zelf spiegelt Tom zich aan Borges, Kafka, Perec, Charms en Biesheuvel. Zijn verhalen spelen zich af in een wereld waar veel mogelijk is wat in ónze wereld niet mogelijk is. De verteller kan tussen de struiken een ‘onontdekte beschaving’ aantreffen die hij dan ‘in zijn zak meeneemt’ om ’s avonds, samen met zijn zoontje, te onderzoeken of gezegde beschaving ‘het schrift al heeft uitgevonden.’
 
     Dat macro-micro motief – zoals een hele beschaving die in een binnenzak past – komt overigens wel vaker terug, telkens op een nieuwe inventieve manier uitgewerkt, met nieuwe absurditeiten, nieuwe humoristische vondsten, maar altijd badend in een melancholisch licht. Zelfs als Tom een stukje over leestekens schrijft –  komma’s, punten, dubbele punten, gedachtestrepen – schemert er iets door van de pijn van het zijn en de wanhoop van het bestaan, maar met een lichte toets. Je moet nooit huilen, vaak glimlachen, en nog vaker begrijpend knikken. 
    Tom schrijft over tuinen en griezelige woningen – al zijn woningen zijn griezelig – , over treinperrons en bergen – en het gaat vaker over bergen dan over stranden. Hij schrijft over fabeldieren, oude mensen, familieleden, ontdekkingsreizigers, overleden grootvaders, acrobaten, bureaucraten, polstokfanaten, mannen die Tom Wouters heten, en koningen.
 
     Met die koningen doet hij een beetje aan Godfried Bomans’ Sprookjes denken, maar dan (meestal) zonder het gemoraliseer, en zonder de dialogen. De personages van Tom zijn zwijgzaam, en als ze wel veel praats hebben, wordt dat niet in de directe rede weergegeven. Dat zou van het mysterie afdoen.
     De beknoptheid van Tom is van een speciale soort. Televisiereeksen zijn vaak een langgerekte film, en romans zijn vaak een langgerekt kort verhaal, maar bij Tom is het omgekeerd. Hij beoefent een genre dat Borges ook – soms expliciet – beoefende: korte verhalen die een samenvatting zijn van, of een commentaar bij, een nooit geschreven boek.  Bij Tom heb je de indruk dat álle verhalen een samenvatting zijn, een soort schema of voorbereidende notities voor een novelle of roman die hij uit ongeduld niet uitwerkt omdat hij al een nieuw schema op papier aan het zetten is. Als ik nu Kafka lees, is het alsof hij een schema van Tom heeft uitgewerkt, al dan niet met behulp van AI. Ik vind zulke schema’s mooi op zich, mooier vaak dan de uitwerking, zoals ook een toneelrepetitie mooier kan zijn dan het opgevoerde stuk, of een papieren patroon mooier kan zijn dan het uiteindelijke jurkje.
    Je zou het ook anders kunnen zeggen. De verhalen van Tom bieden een heel speciaal soort escapisme. Ze bieden niet het escapisme van de dikke roman die je meesleept in een wereld die al bij al op de onze gelijkt. Het is in de eerste plaats de auteur zelf die ontsnapt uit de werkelijkheid. ‘Ik schrijf,’ zegt Tom, ‘niet om de werkelijkheid te vatten, maar om de werkelijkheid op afstand te houden. Als het schrijven echt lukt, dan is het alsof de tijd stilstaat.’ Zo’n mystieke ervaring zal de lezer niet meemaken, vrees ik. Maar als hij talent heeft voor bewondering en verwondering, dan zal hij iets anders beleven dat ook de moeite waard is. De auteur Rob van Essen, eveneens een bewonderaar van Toms talent, omschrijft het als ‘opgetogenheid en verrassing’. Dat zijn twee goede woorden.
 
    Hoe moet je de verhalen lezen? Eén per dag, het ritme volgend van de oorspronkelijke FB-publicatie? Of kun je ze ook allemaal na elkaar lezen op het strand? Ik heb de laatste werkwijze gisteren uitgeprobeerd – het was stralend weer en we hebben nieuwe strandstoelen – en voor mij werkt het prima. Je voelt je dan zoals die man uit het Belcampo-verhaal die zijn eigen lichaam opeet, meestal stukje bij beetje, maar die ook wel eens een orgie houdt van zijn hele rechterbeen.
 
      Ik ben ook naar de boekpresentatie geweest en zat in het goedgevulde zaaltje tussen mijn vrouw en een oud-collega. ‘Rare titel eigenlijk,’ zei die laatste. ‘Ik dacht dat de titel Er zwemmen vissen in mijn hoofd was.’ Dat was goed opgemerkt van mijn oud-collega, en met mijn filologische achtergrond en mijn eeuwige drang om iets uit te leggen, begon ik over het existentieel gebruik van ‘er’ te doceren. In het Nederlands heb je die nodig om een nieuw onderwerp te introduceren.‘Er bestaat een wereld, en in die wereld zijn er vissen, en er is ook een Tom Wouters die een hoofd heeft, en in dat hoofd zwemmen dus die  vissen’. Het zit allemaal in het oer-Nederlandse woordje ‘er’. 
     Maar Tom neemt ons met die titel zonder er meteen bij de neus. Het is alsof hij antwoordt op onze vraag: ‘Tom, vertel eens, wat zwemt er in uw hoofd?’ En dan is het antwoord inderdaad: ‘In mijn hoofd zwemmen vissen, beste kerel.’ Het boek is nog niet begonnen, en we zijn door onze niet-gestelde vraag al medeplichtig aan het gebeuren. Een vergelijkbare subversieve techniek zien we trouwens in enkele verhalen waar de gebeurtenissen zich anders ontwikkelen dan de verteller wil, of omgekeerd, waar door een gril van de verteller de gebeurtenissen afwijken van het oorspronkelijke plan. Men denkt aan Pirandello’s zes personages die ruzie maken met de schrijver. 
     De boekpresentatie was overigens heerlijk om mee te maken. Tom begon met een ‘kleine dienstmededeling’: de avond zou iets anders verlopen dan gepland. ‘Ai,’ zei mijn vrouw, ‘An Olaerts die hem moet interviewen is niet opgedaagd.’ Maar het was iets anders. We leerden de ironische kant van Tom kennen, een kant die hij in zijn verhalen subliminaal houdt. Hij spotte vanop het podium met zijn eigen fantasieën van literair succes, alsof zijn verhaaltjes eigenlijk niet zo veel voorstellen. Maar achter die spot schuilt iets anders. Als persoon heeft Tom niet de minste pretentie. Als auteur weet hij best hoe goed zijn verhalen zijn. Hoogstens kan hij maar niet begrijpen dat híj ze heeft kunnen schrijven.  
        De volledige tekst van de dienstmededeling – die een kwartier geduurd heeft – staat op de FB-pagina van Tom. Tom is dus ook een heel behoorlijke stand-up. De dag erna zat ik op café met vrienden en vertelde over de dienstmededeling. ‘Eergisteren,’ zei een van mijn vrienden, ‘ben ik naar een optreden van Hugo Matthysen geweest en die zette ons op dezelfde manier op het verkeerde been.’  Hugo Matthysen, mijmerde ik, die absurde humor, is die ook vergelijkbaar met die van Tom? Ik heb toen nog eens een bundel van Matthysen opengeslagen en, nee, het is iets anders. Tom brengt een uniek geluid, of op zijn minst, een unieke mix van geluiden.

* En toevallig is die oud-collega de reeds vermelde creatieve geest Daniël Op de Beeck. Voor zijn website: zie hier. Mijn stukjes over zijn werk vind je hier en hier.





zaterdag 23 mei 2026

Boudry, Benhaddou en AI-gebruik

 

     Een antwoord van Khalid Benhaddou op Boudry kon niet uitblijven. Zoals te verwachten ontbreken bij hem de scheldwoorden en de persoonlijke aanvallen. De kritiek bestaat echter, zoals zo vaak in polemiek, uit de stropopargumentaties. Zo zou Boudry gezegd hebben dat religie de enige verklaring is van de toenemende tolerantie. Natuurlijk heeft hij dat niét gezegd. Net zoals hij géén conclusies getrokken heeft uit de cijfers die de vrt heeft meegedeeld.
     Verder heeft Benhaddou zijn eigen verklaring voor de aantrekkingskracht van retrograde ideologieën bij de jeugd. 

Mijn analyse is dat we als samenleving het vermogen verloren zijn om hoopvol over de toekomst te spreken. De Franse filosoof Jean-François Lyotard schreef ooit dat de grote maatschappelijke verhalen verdwenen zijn… De utopische horizon is verdwenen … Dan begint het verleden plots aantrekkelijk te lijken.

     Boudry antwoordde met een sneer die ik mij nooit zou veroorloven. 

Hier is een voorstel voor het publieke debat: als je wil dat we je argumenten ernstig nemen, wil je dan minstens de moeite nemen om ze zelf te schrijven? Pangram is de betrouwbaarste AI-detector. Wie de tekst leest, ziet dat ze druipt van holle AI-frasen: zeer korte, op zichzelf staande zinnen – LLM-ritmiek, ik vermoed specifiek GPT – parallelle opsommingen met veel drieslagen en vierslagen – de ‘niet X, maar Y’-constructie.       

     Mijn eerste reactie bij zo’n antwoord is om in paniek mijn eigen tekst van gisteren door Pangram te laten beoordelen. Oef: ‘100 procent of this text is human written.’
      Mijn paniek werd ook hiérdoor veroorzaakt dat ik de vermelde stijlmiddelen 
– invoegen van korte zinnen, parallelle opsommingen, drieslagen, tegenstellingen – ook uitdrukkelijk aan mijn leerlingen aanraadde. Als ik een Chat-GPT-tekst lees, zie ik veel van mijn ‘tips & trucs’ toegepast.
     Nu is het waar dat de teksten van Benhaddou een brave, stereotype, wat saaie degelijkheid uitstralen, met veel vage, goedmenende fraseologie. Maar dat soort teksten werd al geschreven vóór Chat-GPT. Ik zou een humeurig verwijt als dat van Boudry dus nooit gebruiken, en niet alleen omdat ik een hekel heb aan ruzie, maar ook (niet X, maar Y) omdat ik geen zekerheid had.
     Anderzijds moet ik glimlachen met de verontwaardigde kritieken op Boudry dat hij niet inhoudelijk durft antwoorden op Benhaddou. Als je de tekst een tweede keer leest, zie je dat er weinig in staat dat tot antwoorden uitnodigt. Mocht ik zo’n reactie krijgen als die van Benhaddou, dan zou ik niet antwoorden, of hoogstens heel kort. En dat antwoord zou beginnen met ‘Mja, maar …’ 


Post scriptum 1: ondertussen heeft Boudry zelf, bij wijze van experiment, de kritiek van Benhaddou inhoudelijk laten beantwoorden door een chatbot. Het is een degelijk antwoord dat de stijl van Boudry goed nabootst, maar het bevat, voorspelbaar, geen nieuwe elementen. De bewerkte foto hierboven heb ik overgenomen van Boudry zijn X-post.

Post scriptum 2: bij Charles Murray vond ik een goed argument om je argumenten niét door AI te laten uitwerken. Voor de meeste mensen geldt dat de argumenten ontstaan en zich verfijnen tijdens het schrijven. Dat geldt zeker voor mij. 


donderdag 21 mei 2026

Bedenkingen bij Boudry vs. de vrt


1.
 In het kader van haar lopende onderzoek ‘De foto van Vlaanderen’ heeft de VRT opdracht gegeven 2.261 Vlamingen te ondervragen over hun houding tegenover onder andere homoseksualiteit, transseksualiteit en vrouwenemancipatie. De primaire opdeling was die in leeftijdscategorieën: 12-17, 18-24, 25-44, 45-64, 65+.

2.
Een belangrijke vaststelling was dat de grootste onverdraagzaamheid en bereidheid tot discriminatie wordt vastgesteld bij de groep jonge mannen tussen 18 en 24 jaar.

3.
Dat komt overeen met internationaal onderzoek, waar ik enige tijd geleden over schreef. Ik schreef toen: ‘Komt het door de islamisering? Is het de invloed van Andrew Tate? Zien we hier een reactie tegen de excessen van woke? Is er een opstand aan de gang van jonge mannen tegen de feminisering van de maatschappij en haar waarden?’* Ik vond de verklaring van islamisering, Andrew Tate, anti-woke en feminisering zo evident, dat ik er toen niet verder op wou ingaan.

4.
 Mocht ik echter in een vrt-programma zijn uitgenodigd, dan had ik net als Boudry die verklaringen wél naar voren geschoven. En wellicht had ik ook dat eerste – islamisering – het meest benadrukt, al was het maar omdat je die verklaring anders niet zo vaak op de zender kunt horen. 

5.
Het was opvallend dat Maarten Boudry en Goedele Liekens het over die vier verklaringen ongeveer eens waren. Alleen belichtten zij bijna dwangmatig telkens als de ene gesproken had de ándere kant van de medaille. Je ziet dat vaak in panelgesprekken. Zei Liekens dat meisjes minder conservatief dachten over de gender-rollen, dan antwoordde Boudry iets over tradwifes. En al hadden ze ongeveer dezelfde opvatting over de invloed van de ‘islam’, sprak Goedele altijd zedig van ‘een bepaalde godsdienst’.

 6.
Waar Boudry zich wel in onderscheidde van Liekens was door zijn scherpe kritiek op de vrt. Hij zei dat de vrt er alles aan deed om de islamisering als verklaring buiten beeld te houden.

7.
Hij haalde ook een interne notitie boven over de onderzochte categorieën. Naast de leeftijdsgroepen had men ook een categorie Personen van Buitenlandse Herkomst (PBH) onderscheiden.  In die notitie stond: ‘De studiedienst vraagt om die groep niet mee op te nemen in onze artikels of berichten. De reden is dat de samenstelling van die groep PBH niet voldoende representatief is. Eerder iets hoger opgeleid ook**.’

 8. 
Boudry noemde dat een smoesje en sprak van wegmoffelen door de vrt.

9.
Het optreden van Boudry leidde tot veel reacties. Vanuit rechtse hoek kreeg Boudry bijval omdat hij iets over de islamisering had gezegd, en dan nog op de vrt niet vaak. Vanuit linkse en links-liberale hoek kreeg hij veel kritiek.

10.
Bij links en liberaal-links waren er zowel emotionele als inhoudelijke reacties. Ik citeer één emotionele reactie als voorbeeld: ‘Boudry is een extreemrechtse aandachtshoer, crapuul.’ 

11.
Ikzelf behoor binnen het rechtse kamp tot de verwijfde soort. Als ik heftige haatboodschappen lees tegen linkse mensen, voel ik plaatsvervangende schaamte. Bestaan er binnen het linkse kamp ook zo’n verwijfde sujetten die plaatsvervangende schaamte voelen bij de vulgaire haatboodschappen tegen Boudry?

12.
Van de inhoudelijke kritieken onthoud ik vooral deze: Boudry gebruikte de weggelaten categorie van PBH om te bewijzen dat de uitbreidende moslimsfeer mee verantwoordelijk is voor de misogyne en homofobe evolutie in onze samenleving. Terwijl achteraf bleek – ha, ha – dat die moslims amper vertegenwoordigd waren in de PBH-categorie: onder de 310 respondenten van die groep waren er bijvoorbeeld 95 Nederlanders en slechts 16 mensen van Marokkaanse afkomst en 5 van Turkse afkomst***.

13.
Vóór ik de uitzending gezien had, dacht ik dat die inhoudelijke kritiek streng maar rechtvaardig was. Nu weet ik dat ze fout is. Boudry heeft die PBH-categorie niét gebruikt om te bewijzen dat islamisering een van de factoren is van vrouwonvriendelijke tendenzen onder de jongere bevolking. Hij heeft onder andere gezegd: 

 Natuurlijk, herkomst, buitenlandse herkomst, daarmee heb je nog altijd het onderscheid niet gemaakt tussen moslims en niet-moslims … [Het onderzoek was inderdaad niet representatief ] omdat ze gekeken hebben naar herkomst, en herkomst, dat kan natuurlijk van alles zijn. Is dat niet-Europees? Is dat islamitisch? Het kunnen ook Hollanders zijn … **** [Men had naar religie in plaats van herkomst moeten vragen] maar dat is het punt. Dat gaan ze niet doen want dat is zo explosief. 

14.
Als de grafieken van de vrt op islamisering wijzen, dan zit die niet in de cijfers van de PBH, maar in de globale cijfers. Als de enquête een beetje goed gevoerd is dan zitten in al die leeftijdscategorieën samen 7,5 procent moslims die als nieuwe Vlamingen in de cijfers komen. 

15.
Heeft Boudry zijn hand overspeeld 
 hij gebruikt de uitdrukking zelf een paar keer  door de richtlijn van de studiedienst over het verzwijgen van de PBH-categorie zo sterk te benadrukken en door te spreken van een ‘smoesje’ en ‘wegmoffelen’? Ik denk het wel. De reden die de studiedienst opgaf is feitelijk min of meer correct. Ik weet niet of de groep op zich meer of minder representatief was dan de groep van de 18 tot 24-jarigen, maar de groep PBH was zeker niet relevant. 

16.
Boudry bezondigde zich aan een intentieproces.  Maar er bestaan plausibele en minder plausibele intentieprocessen. Boudry veronderstelde dat de echte reden voor het verzwijgen was dat de categorie ‘buitenlandse herkomst’ aanleiding zou geven tot speculatie over de islamisering, dat zoiets zou kunnen bijdragen tot stigmatisering van moslims, en dat zoiets de vrt een hoop kritiek zou opleveren vanuit politiek-correcte hoek. Ik geloof dat de drie veronderstellingen van Boudry plausibel zijn, maar niet bewijsbaar. Dan moet je minder hoog van de toren blazen.

17.
Voor de rest vond ik de bijdrage van Boudry aan het debat interessant, evenwichtig, en genuanceerd. Ik begrijp dan ook niet dag Gwendolyn Rutten zegt dat Boudry ‘over de hele lijn’ gebuisd is. Of misschien begrijp ik het wel.

18.
Ik kende de bijdrage van Boudry eerst alleen via de dagelijkse FB-post van Frank D’hanis. Nu dacht ik dat ik de vooringenomenheid uit die post zelf wel weg kon filteren, maar ik blijk D’hanis zijn talent om de zaken te verdraaien wat onderschat te hebben.

19.
De interessantste vraag aan Boudry kwam van auteur Maarten Inghels. Indien islamisering één van de verklaringen was van de toenemende vrouwonvriendelijkheid, waarom zou je die meer zien in de leeftijdscategorie 12-17, 18-24 en 25-45 dan in de andere leeftijdscategorie +65? Een deel van het antwoord kende ik ook. Het moslimaandeel in die jongere categorieën moet hoger zijn dan de +65-categorie die veel oud wit volk omvat. Om een idee te geven: men schat het aandeel van de moslims in de totale Vlaamse bevolking op 7,5 %. Het aandeel in de leeftijdscategorie van 18 tot 25 jaar wordt geschat op 10 à 15 procent.

20.
Boudry reikte het tweede deel van de verklaring aan. Onder de moslimjongeren vindt er, volgens onderzoek, een polarisering plaats. Een deel jongeren wordt religieuzer, en ander deel wordt liberaler. Dat lijkt mij een goede verklaring. Het toegenomen religieuze deel zorgt voor een toename in de intolerante antwoorden, het liberaler geworden deel zinkt weg in de bestaande tolerante meerderheid. Hetzelfde verschijnsel zal zich voordoen bij de woke en anti-woke jongeren. De anti-woke jongeren verminderen de gemeten tolerantie, terwijl de woke jongeren wegzinken in de brede linkse, links-liberale en gematigd-conservatieve consensus.

20.
Bij een van de Boudry-critici stootte ik op de volgende contradictie. Enerzijds verweet hij Boudry dat hij een ‘compleet onbewezen stelling’ over moslim invloed naar voren schuift, en wat later beweert hij dat men bij dergelijk onderzoek niet mag vragen of iemand moslim is ‘om dezelfde reden als waarom we ook niet vragen naar huidskleur.’

21.
Maarten Boudry zegt misschien te gemakkelijk dat islamisering door de VRT verzwegen wordt. Maar de zender heeft meer pijlen op de boog. Een van die pijlen is het wegnuanceren van de islam-verklaring. Een mooi staaltje vinden we in het antwoord van de vrt aan Boudry. Er wordt verwezen naar een stuk op de website dat uren voor De Afspraak was gepubliceerd, en waar de kwestie van herkomst en religie wel besproken wordt. En hoe!

Welke rol speelt herkomst? Het onderzoek daarover is beperkt, maar socioloog Cecil Meeusen (KU Leuven) ziet wel dat jongeren met een niet-Belgische origine conservatiever scoren wat gender betreft. ‘Dat valt te verwachten bij jongeren die meer religieus zijn opgevoed of met sterkere traditionele rolpatronen. Maar je kan het niet verengen tot religie of origine. Wanneer we rekening houden met sociaaleconomische status, opleidingsniveau van de ouders, enzovoort, vlakken die verschillen af. Het is zeker niet zo dat die groep van jonge, conservatieve mannen hoofdzakelijk bestaat uit jongens van niet-Belgische origine.

     Hoe voorzichtig! Het woord ‘islam’ valt niet. We moeten veeleer naar de ‘sociaal-economische status’ kijken. De groep ‘conservatieve’ jonge mannen bestaat ‘niet hoofdzakelijk’ uit jongens van niet-Belgische origine. Dat laatste zou er nog aan ontbreken. Dat bijvoorbeeld de moslimjongens met hun 10 à 15 procent de meerderheid zouden leveren voor de ‘conservatieven’.

22.
En natuurlijk is het woord ‘conservatief’ hier ongelukkig gekozen voor sommige van de onderzochte categorieën, zoals de groep die vindt dat een man het recht en de plicht heeft een ongehoorzame vrouw te slaan.

23.
Bij dat laatste had Boudry trouwens een mooie nuance. Het was niet, zei hij, omdat die jonge mannen (en vrouwen) op een enquête invullen dat dat slaan een recht en een plicht is, dat ze dat ook doen. Als ze heel gelovig zijn, vullen ze op zo’n vragenlijst gewoon in wat de Koran (4:34)  voorschrijft. 

24.
Een populaire inhoudelijke kritiek op Boudry is dat hij de complexe redenen voor statistisch toenemende intolerantie onder de jongeren toeschrijft aan één enkele reden: de islamisering.
Aan één enkele reden ...  dat is flagrant onwaar. Gelukkig staat de aflevering nog op vrtmax voor wie dat wil controleren. Boudry heeft alleen gezegd dat de islamisering óók een deel van de verklaring is, en wel een deel dat links en links-liberaal probeert weg te moffelen door er zo weinig mogelijk over te praten.   

25.
Wie een voorbeeld zoekt van iemand die de toenemende intolerantie wél aan één verklaring toeschrijft, kan beter terecht bij Bieke Purnelle (DS 22/5). Doordat Purnelle wat synoniemen gebruikt voor haar allesverklarende oorzaak, ontstaat de indruk dat ze naar een ‘gelaagde’ verklaring verwijst. Ze heeft het over de ‘macht van big tech’, ‘over de ‘kwalijke intenties van extremisten’, over ‘autocratische politici die simplistische oplossingen aanreiken’, en over het ‘sociaal isolement’ en de ‘economische onzekerheid’ die voortkomen uit het ‘laatkapitalisme.’ Ik moet denken aan een Suske en Wiske-album waar een leuk protestlied in voorkomt:

            Vrienden noem elkaar geen mietje
            Want eens zing je allemaal
            Allemaal hetzelfde liedje
            ’t Is de schuld van ’t kapitaal.

Het totaliserend karakter van Purnelles verklaring komt nog het beste tot uiting in de passage waar ze beslist wat ‘de kern van de zaak’ is. 

Terwijl pers, politici en opiniemakers over elkaar heen rollen vanwege een vaag rapport, blijft de kern van de zaak jammerlijk onaangeroerd.

26.
Ik vind het altijd vervelend als men in een polemiek begint te weerleggen wat niemand heeft gezegd. Nadat bekend raakte – achteraf – dat onder de 310 respondenten van de categorie PBH slechts 16 mensen van Marokkaanse en 5 van Turkse origine omvatte, waren er Boudry-critici die in alle ernst begonnen uit te leggen dat men uit de antwoorden van 5 Turken geen correct beeld kon afleiden van wat in de Turkse gemeenschap leefde. 

27. 
De uitleg van de vrt dat de categorie PBH was weggemoffeld omdat ze niet representatief was, noemde Boudry een smoesje. Dat was een overdrijving, of anders gezegd: het was tegelijk een smoesje en geen smoesje. 
  ‘Geen smoesje’ want de categorie was inderdaad niet representatief. ‘Wél een smoesje’, want de andere categorieën die niét werden weggemoffeld waren evenmin representatief. Ik citeer David De Coninck, postdoctoraal onderzoeker en gastprofessor aan de faculteit sociale wetenschappen van de KU Leuven, die in De Morgen hetzelfde punt maakte, maar minder polemisch dan ik hier net deed:

Dezelfde voorzichtigheid zou dan ook moeten gelden voor de uitspraken waarmee dit hele debat begon: dat 17 procent van de 12- tot 17-jarigen vindt dat mannen vrouwen mogen slaan. Hoeveel respondenten zitten er in die leeftijdsgroep? Wat is de foutenmarge op dat cijfer? Hoe verhoudt die zich tot de “16 procent” bij 18- tot 24-jarigen? Met andere woorden: is het verschil tussen die groepen statistisch onderscheidbaar van ruis, of zien we hier dezelfde subgroep-problematiek die elders wél tot terughoudendheid leidde. 

Bij representativiteit speelt zeker de grootte van de steekproef een rol. Dan is 310 personen in de categorie PBH inderdaad wat weinig. Maar hoe groot was de groep van 12-17-jarigen? En de groep van 18-24-jarigen? En waren die van een vergelijkbare grootte als bijvoorbeeld de groep van +65-jarigen?

28.
Een andere uitleg – achteraf – van de vrt was dat de groep van BPH een ‘zeer diverse’ groep was? Ook dit heeft iets van een smoesje? Heeft men dan de leeftijdscategorieën wél op diversiteit getest? Qua herkomst? Religie? Sociale status? Gebruik van sociale media? 

29.
David De Coninck was niet de enige die vond dat het vrt-onderzoek slecht was uitgevoerd. Noël Slangen, ook in De Morgen, betreurde de hedendaagse laksheid bij het samenstellen van representatieve steekproeven. In De Standaard (22/5) verscheen een opiniestuk van 8 academici. Ze vonden dat de vraagstelling in het onderzoek de respondenten in een bepaalde richting stuurde.
     Ik vond die 8 academici nogal streng in hun oordeel. Ik denk dat het bij sommige onderwerpen heel moeilijk is om álle bias weg te halen uit de vraagstelling. Ik heb er zelf geen probleem mee dat men tolerantie tegenover de islam bijvoorbeeld onderzoekt met vragen als ‘Vind je een nieuwe moskee in de buurt een probleem?’ Het is waar: zo’n vraag test inderdaad verschillende attitudes tegelijk, tegenover ‘religieuze zichtbaarheid, buurtverandering, verkeer, lawaai, schaal, locatie, lokale inspraak of algemene onzekerheid over maatschappelijke verandering.’ Daarin hebben de academici gelijk.
     Men moet dus voorzichtig zijn. Ik zou uit hoge percentages tegen de nieuwe moskee geen conclusies trekken over het ‘intolerante DNA’ van de Vlaming bijvoorbeeld. Maar als men representatieve cijfers gaat gebruiken voor
vergelijking, zijn ze interessant. Hoezeer verschillen de antwoorden met die van 20 jaar geleden? Hoezeer verschillen de antwoorden van die in andere landen? Hoezeer verschillen de antwoorden in de verschillende leeftijdscategorieën? Hoeveel verschillen de antwoorden van de stedelijke en landelijke bevolking? Enzovoort. Zo lang men maar dezélfde onzorgvuldige vragen gesteld heeft aan de vergeleken groepen, heeft men toch al een zekere aanwijzing.

30.
Een heel vaak terugkerende kritiek op Boudry is dat hij op de sociale media bijval krijgt van rechts en radicaal-rechts. Bij Frank D’hanis zijn het zelfs ‘openlijke fascisten’ die met Boudry ‘pronken’. Ik denk dat hier zowel de term ‘fascist’ als de term ‘openlijk’ een afwijkende betekenis krijgt. Bij de goede, oude term ‘cryptofascist’ kon ik mij tenminste nog iets voorstellen. 

31.
Als Boudry dan een stuk plaatst tegen radicaal-rechts, zoals dit weekend in de NRC, krijgt hij vanuit die radicaal-rechtse hoek het venijnige verwijt dat hij zijn credentials bij links wil herstellen. Dát is nu eens een ongeloofwaardig intentieproces. Zo dom is Boudry niet. Links zal precies hetzelfde zeggen als radicaal-rechts.
Die Boudry schrijft dat alleen om zijn credentials bij ons te herstellen. Daar tuinen wij niet in. 

32.
Maar we mogen niet veralgemenen, ook niet als het om radicaal-rechts gaat. Sam Van Rooy (VB) reageerde op het NRC-artikel: ‘Een compensatiestuk na de laatste 24 uur: alle begrip.’ Erg venijnig kun je dat niet noemen. Maar het is wel hetzelfde intentieproces.

33.
Boudry lacht De Standaard uit omdat ze de links-liberale bias op de vrt niet merken. ‘Ideologie is als een slechte adem. Je ruikt het niet bij jezelf.’ Het laatste deel van het argument heeft mijn leven veranderd. De tandarts gebruikte het veertig jaar geleden tegen mij, en sindsdien poets ik braaf mijn tanden. Waarschuwingen voor tandbederf hadden weinig uitwerking gehad.

34.
Boudry lijkt in de omgang een meegaande jongen, maar achter het klavier is hij een querulant. Bij mij is het omgekeerd. Als ik schriftelijk reageer ben ik zakelijk en verzoenend, maar zet mij op café naast een gelijkgezinde en na twee minuten heb ik een punt van meningsverschil gevonden. 

35.
Dirk Van Damme vat ‘de kern van de zaak’ goed samen:

Uiteraard kan je uit de data niet besluiten dat herkomst er iets mee te maken heeft. Maar dat is het punt niet. Indien de hypothese ernstig was genomen dat etniciteit of religie een rol spelen, dan had men dat in de sampling meegenomen. 

Ik zou nog een stap verder gaan. Als men een verklaring wilde zoeken waarom jongeren meer naar retrograde en intolerante meningen neigen, dan moest men de twee meest plausibele verklaringen in de sampling opnemen: de aard en mate van religiositeit én de relatie met de sociale media. Dus ook vragen over hoeveel uur men op welke platformen en op welke pagina’s vertoeft – waarbij die vragen natuurlijk aan alle leeftijdscategorieën moeten worden gesteld.

36.
Een algemene kritiek op Boudry is dat hij met zijn radicale Islam-kritiek de ‘verbinding tussen de gemeenschappen’ ondermijnt. Dat is een ernstig bezwaar dat een ernstig antwoord verdient. Ik beperk mij hier tot één opmerking.
     Er zijn lieden die beweren dat de islam nooit zal veranderen. Een islam die ‘door de wasmachine van de Verlichting gaat’ zou onmogelijk zijn. Met het christendom heeft dat gewerkt, zegt men,n maar met de Islam zal het niet werken.
     Ik wil daarover geen absolute, maar wel een conditionele uitspraak doen. Als de islam ooit moderniseert en liberaliseert – als – dan zal dat onder andere de verdienste zijn van zowel de radicale islamcritici van de Boudry-soort als van de islamitische modernisten van de Benhaddou-soort. Zo is het christendom immers geëvolueerd: door kritiek van buitenaf én door hervormingsbewegingen van binnenuit. En door een reeks spontane processen die niemand controleren kan natuurlijk.
 

37.
Ik lees ergens op FB dat Joël De Ceulaer zich 
in duizend bochten gewrongen heeft om Boudry niet te moeten afvallen. Zelf heb ik het gehouden op een bescheiden 37 bochten. Ik vind dat genoeg.



* Zie dat stukje over de misogynie van Gen Z: hier

* De laatste zin is cryptisch. Wordt hier bedoeld dat de groep PBH in de steekproef iets hoger opgeleid is? Of dat de groep ‘eerder iets hoger opgeleid’ niet representatief is? Ik vermoed het eerste. 

*** Van de 310 buitenlandse respondenten heeft de vrt nu na de rel gedeeltelijke informatie gegeven. Van 164 ervan is de nationaliteit nu geweten. De rest is blijkbaar: ‘overige’ 

*** Dat laatste zei hij op aangeven van Goedele Liekens. Dat was voor de ruwe cijfers waren vrijgegeven waaruit bleek dat de groep PBH 95 Nederlanders omvatte.