donderdag 2 april 2026

Kortjes

 De PVDA en Stalin
     Ik sprak er laatst mijn tevredenheid over uit dat PVDA-leider Raoul Hedebouw eindelijk zo ver was dat hij in een interview Stalin en Mao totalitaire massamoordenaars noemde. Hedebouw zei ook nog dat ze wel niet in dezelfde hellekring als Hitler verkeerden, maar dat is een theologisch detail dat mij niet bezighoudt.  Een nadeel van die nuance is echter dat men nu de PVDA kan blijven lastig vallen over het onderscheid tussen de massamoordenaars. Joel De Ceulaer bijvoorbeeld vindt dat de PVDA ‘ook de laatste stap moet zetten en het verschil met Hitler moet opheffen.’ De vraag is nu: waarom schrijft Joël dat? Mijn uitleg is dat De Ceulaer dat meent, en bovendien een pestkop is. Trotskist Ludo De Witte heeft een andere verklaring:

De strategie van mainstream commentatoren en journalisten zoals De Ceulaer om de PVDA als achterbaks en verdacht te marginaliseren verwondert niet: daar worden ze voor betaald. [Mijn cursivering]

     Ik vind mijn uitleg beter.


Toprestaurant Noma
     Wij hebben vorig jaar enkele dagen rondgefietst in Kopenhagen. Wij zijn daarbij ook een kijkje gaan nemen bij het toprestaurant Noma. We kozen een dag uit dat het restaurant gesloten was, zodat we ongestoord wat in de buurt konden rondlopen en door de ramen het interieur konden bespieden. Nu verneem ik uit de pers dat de chef van het restaurant zijn personeel terroriseerde, vernederde en sloeg. Daar hebben wij dus niets van gezien. We kunnen dus naar waarheid zeggen: ‘Wir haben es nicht gewusst.’

Gsm-wijsheid
      Een expert wiens naam ik vergeten ben beweerde dat een gsm-verbod op school het probleem niet fundamenteel aanpakt. Waar het op aankwam was dat de leerlingen ‘gsm-wijsheid’ werd bijgebracht. Welnu, die wijsheid kan, geloof ik, in een twee woorden samengevat: beware doomscrolling. Daar is geen volledig vak voor nodig, en ook geen volledig lesuur. De grootste fout die ikzelf maak bij mijn gsm-gebruik komt overigens door mijn falend geheugen. Ik moet iets opzoeken, klik op het schermpje, en ben ondertussen niet alleen vergeten wát ik moest opzoeken, maar ook dát ik iets moest opzoeken. En dan druk ik op de F van Facebook en ben voor enkele minuten vertrokken. Het zou wellicht van wijsheid getuigen om die F te verstoppen op het derde of het vierde schermpje van mijn gsm. 


Peaky Blinders: The Immortal Man
     Peaky Blinders-film verwent de fans, maar overstijgt de serie niet,’ bloklettert De Standaard (23/3). Verwent de fans? Mijn vrouw is fan. Na het bekijken van The Immortal Man zei ze: ‘Slechtste film ooit.’


Ive Marx over Chatbots
     Onlangs werden Petra De Sutter, Rik Torfs en Peter Vandermeersch betrapt op naïef gebruik van chatbots. Ik vond dat grappig en interessant, zonder dat ik daarbij veel leedvermaak of medelijden voelde. Hoogstens voelde ik mij superieur omdat ik mijn chatbot-citaten wél controleer, in tegenstelling tot mijn spelling van eigennamen. Maar nu schrijft Ive Marx (DS 24/3) iets wat mij uit het hart gegrepen is:

Wie de slachtoffers van de recente onthullingen ooit heeft bezig gehoord, weet dat ze zonder AI ook wel iets te zeggen hebben.

     Genau!


Versleten ideeën
      Hans Cottyn (DS 24/3) waarschuwt de regering dat ze voor de dreigende energiecrisis niet naar ‘versleten’ ideeën moet kiezen zoals een indexsprong. Zelf geloof ik dat frisse ideeën niet noodzakelijk beter zijn dan versleten ideeën. Ook bestaat het gevaar dat men een idee ‘versleten’ noemt omdat men het niet lust. Kernenergie werd decennialang voor een ‘versleten’ idee gehouden, tot Ursula von der Leyen het twee weken geleden weer uit de kast haalde. En wat stelt Cottyn zelf voor in de plaats van de versleten indexsprong: ‘Zonder verder uitstel werk maken van het nieuwe windmolenpark aan de kust.’ Een aantal versleten woordspelingen met ‘wind’ borrelen nu op in mijn geest, maar ik besluit er niets mee te doen.


Chalamet en Dylan
     Ik heb ondertussen drie keer A Complete Unknown gezien. Tussendoor heb ik ook de Dylan-documentaire van Scorsese gezien: No Direction Home. Dylan viel wat tegen vergeleken met Chalamet. Zoals Patton moest tegenvallen vergeleken met George C. Scott, bedacht ik mij. Ik heb een paar filmpjes met de echte Patton op Youtube bekeken, en inderdaad, de man heeft charisma, maar minder dan Scott. En dankzij die filmpjes weet ik nu ook eindelijk waarom de Slag om de Ardennen in het Amerikaans ‘The Battle of the Bulge’ heet.

 

 

woensdag 1 april 2026

R. Trivers en het morele Godsbewijs, e.a.


Robert Trivers (1943-2026) en het morele Godsbewijs
      Er was een tijd dat Godsdienst een antwoord leek te bieden op wetenschappelijke vragen. Waar komt de bliksem vandaan? Wie heeft ervoor gezorgd dat vogels vleugel hebben om te vliegen en de mensen benen om te lopen? Hoe komt het dat we een geweten hebben? Die vragen zijn ondertussen opgelost door Benjamin Franklin (1706-1790), Charles Darwin (1809-1882), en Robert Trivers (1943-2026). Van die drie is de laatste het minst bekend. Hij heeft zelfs geen lemma op de Nederlandstalige Wikipedia.  Hij overleed één dag voor Paul R. Ehrlich en twee dagen voor Jürgen Habermas, maar in tegenstelling tot de beroemde milieuactivist en de beroemde filosoof kreeg hij weinig aandacht in onze pers.
    
     Dat is nu rechtgezet door de column van Griet Vandermassen (DS 1 april). Vandermassen legt kort enkele ontdekkingen van Trivers uit en haalt een persoonlijke herinnering op: aan die keer in 2002 dat ze een wetenschappelijk congres verlieten om ‘een toeter van een joint te roken.’  Trivers schreef tussen 1971 en 1975 vijf grensverleggende artikels, maar daarna was het gedaan met de spectaculaire ontdekkingen. Volgens zijn collega Steven Pinker kwam dat omdat hij in zijn vijf artikels het maximum gewrongen had uit het uitgangspunt van de ‘selfish gene’ maar ook omdat hij zich voor de rest van zijn leven te goed deed aan ‘toeters van joints’. Trivers was bipolair, en Pinker speculeert dat zijn wetenschappelijke creativiteit losbarstte in periodes van hypomanie, die hij later door marihuanagebruik onder controle had weten te krijgen. 
     Het in memoriam van Pinker is prachtig*. Voor wie nog niets van hem gelezen heeft, is het een mooie inleiding in diens geestige schrijftijl, met dat elegante evenwicht tussen associatie en architectuur. Ook is zijn verzameling Woody Allen-citaten groter dan de mijne. En mocht de lezer niet de minste interesse hebben voor evolutionaire psychologie, kan hij meteen naar de laatste alinea’s scrollen, het deel over de excentrieke persoonlijkheid van Trivers, dat begint met de zin: ‘Trivers’s other contradictions could not be explained by any DSM diagnosis.’
     Trivers, legt Pinker uit, voelde zich aangetrokken tot de zelfkant van de samenleving. Mij doet hij daarom denken aan Sue Hamilton, dat personage in Hammetts Flypaper.  Sue is, net als Trivers, in een voornaam gezin geboren was. 
‘She grew out of childhood with a kink that made her dislike the polished side of life, like the rough,’ schrijft Hammett over zijn heldin. ‘He was afflicted with a strong nostalgie de la boue, schrijft Pinker over zijn held. Trivers was aangenaam gezelschap, had een schat aan straffe verhalen, en kon, door ervaring wijs geworden, goede raad geven over hoe je moest vechten met een machete: ‘It’s all about the angles.’
     En het is dus die Trivers die het morele godsbewijs in zijn simplistische versie, zoals we het in de humaniora aangeleerd kregen, onderuit heeft gehaald. We hebben een geweten, leerden we, dat ons vertelt wat goed en kwaad is, en het was God die dat geweten in ons hart had gelegd. Trivers legt uit dat dat geweten evengoed kan worden verklaard vanuit de evolutie en vanuit de genen. Coöperatief ingestelde exemplaren van het menselijke ras hebben tegenover profiteurs en bedriegers, naast evolutionaire nadelen, ook evolutionaire voordelen. Wat begint** als egoïstische berekening – I’ll scratch your back and you’ll scratch mine – krijgt vorm in gevoelens van sympathie en vertrouwen, van dankbaarheid en trouw, van schuld en schaamte, en van verontwaardiging en minachting. De reden is dat die gevoelens krachtiger werken dan het rationeel afwegen van voor- en nadeel. Daarmee is niet weerlegd dat ons geweten van God komt, maar die stelling is, naar het woord van Laplace, een wetenschappelijk overbodige hypothese geworden was.
     Natuurlijk is daarmee het mysterie van de moraal niet opgelost. De evolutietheorie legt uit hoe het altruïsme ontstaat, niet waaróm het altruïsme ‘goed’ is. De theorie legt uit wat mensen ‘goed’ vinden, maar onderbouwt niet waarom datgene wat mensen ‘goed’ vinden, ook ‘goed’ ís. De theorie legt uit waarom de evolutie ons zowel met egoïstische als altruïstische kenmerken opzadelt, maar zegt niet waarom ík aan het tweede de voorkeur zou móeten geven. Zelfs Pinker geeft toe dat dat ándere vragen zijn. Theologen, filosofen en ethici zullen geloof ik voor hun vak niet zoveel hebben aan Trivers. Trivers heeft geen problemen opgelost voor hun vak, maar voor zijn vak. En naar wat ik ervan begrepen heb, valt er tegen zijn oplossing niet veel in te brengen.

*Zie voor het Pinkers In memoriam: hier.
** Begint ... volgens de logica, niet volgens de chronologie.


Hendrik Vos over deportaties
        Naast veel verontwaardiging bevat de nieuwste column van Hendrik Vos (31/3) een aantal expliciete en impliciete stellingen, waarvan ik er hier enkele overneem overneem.

  1. Trump is een smeerlap
  2. De meerderheid van de asielmigranten zijn géén criminelen
  3. Asielzoekers komen van plekken waar het vreselijk leven is
  4. De draagkracht voor migratie is niet eindeloos
  5. Terugkeerbeleid zal nodig blijven
  6. Gedwongen terugkeer (deportatie) is uit den boze
  7. Er bestaat een ondergrens aan wat menselijk aanvaardbaar is bij migratiebeperking
  8. De kernboodschap van het christendom is mededogen, ook met vreemdelingen.

        Ik ga min of meer akkoord met die stellingen, behalve dan met de zesde. Als 80 procent van de afgewezen asielzoekers weigeren om een uitwijzingsbevel op te volgen, moeten ze met dwang worden uitgewezen. Maar met de rest ga ik akkoord. Zó groot zijn de meningsverschillen tussen Vos en mij dus niet.


Waarom ik niet aan steelmanning doe
     Bij stroman-argumentatie verzwak je het argument van je tegenstander door er een karikatuur van te maken. Dan is het makkelijker om het te weerleggen. Ook het tegenovergestelde bestaat: ‘Steelmanning’.  Dat is een manier van argumenteren waarbij je de positie van je opponent zo sterk mogelijk voorstelt, zelfs beter dan die persoon het zelf deed. Popper doet het allebei in The Open Society. Het deel over Plato is een voorbeeld van steelmanning, het deel over Hegel is een voorbeeld van stromanargumentatie.
    Zelf ben ik zuinig met de twee argumentatievormen. Door te stromannen win je aan bondigheid, en kun je de lachers op je hand krijgen, maar je hebt er zelf weinig aan. Als je discussieert om te overtuigen zal je geen stap verder raken, en als je discussieert om te winnen, voelt de zege aan als onverdiend en leeg. Je hebt de pop onthoofd en de kop rolt voor je voeten, maar het blijft van stro. De overwinning is nep.
     Steelmannen is dat weer te hoog gegrepen. Dan zou ik een boek, of minstens een paper, moeten schrijven in plaats van een blogstukje. Ik zou systematisch moeten op zoek moeten gaan naar de geleerdste en vernuftigste argumenten die tégen mijn zaak pleiten. Misschien komen daar zelfs wiskundige modellen aan te pas. Wat zou ik, die noch geleerd, noch vernuftig ben, noch wiskundig aangelegd ben, daar dan nog aan toe kunnen voegen?
     Ik ben hier, zoals in veel zaken, een man van het midden. Ik argumenteer op het niveau van opiniepagina’s in de krant. Dat is lijkt mij, naast een aangename, ook een nuttige bezigheid. Het is in die journalistieke vorm dat allerlei ideeën leven in de hoofden van de krantenlezende middlebrows. En als er in die vorm allerlei tegenstrijdigheden, dubieuze veronderstellingen, slordige redeneringen, en onhoudbare formuleringen ingeslopen zijn, dan mag daar iets over gezegd worden. Het is een aanwijzing dat de onderliggende, gesofistikeerde, beter onderbouwde versie wellicht ook niet helemaal koosjer is.  


De cijfers van Dikke Freddy 
   
 'Brieven van dikke Freddy’ is een column die in De Standaard verschijnt. Auteur Erik Vlaminck kruipt in de huid van een dakloze die zijn problemen aankaart bij de groten der aarde. Ik ken mensen die fan zijn van die columns. Wellicht zijn die stukjes goed geschreven, maar mijn ideologische vooroordelen maken het voor mij moeilijk om ze te smaken. ‘Dikke Freddy is een dikke demagoog,’ denk ik vaak. Waarom zou trappen naar boven zoveel hoogstaander zijn dan trappen naar onder? Waarom moet een welgestelde auteur in de huid kruipen van een dakloze? In Nederland had je in de jaren 80 de ‘Notities van een bijstandmoeder’. Daar ontstond toen een hele rel toen bleek dat die stukjes niét door een bijstandmoeder geschreven werden. Het hele genre lijkt mij sociaal engagement op doping. ‘Borrowed suffering’ las ik ooit in een sociologische paper.
     Eigenlijk zou ik die Dikke-Freddy-stukjes wat grondiger moeten bekijken. Dat ze graag gelezen worden, bewijst dat ze een gevoelige snaar raken bij de welgestelde krantenlezer. En vaak staan er ook harde feiten in die de moeite waard zijn om te overwegen. In DS van 1 april schrijft Dikke Freddy dat Colruyt een noodvoedingspakket verkoopt dat toelaat om 24 uur te overleven. Prijs van dat pakket: 29,99 euro. Dat is een interessant getal. Vermenigvuldig dat met 30 en je moet concluderen dat een mens 900 euro per maand nodig om zich alleen al te kunnen voeden. Dat is een getal dat we dan moeten leggen naast bijvoorbeeld de bedragen van OCMW-uitkeringen. Dikke Freddy zelf ontvangt trouwens van zijn schuldbemiddelaar exact 50 euro per week. Dat is geen ideologie, dat zijn cijfers.
     Ik heb, terwijl ik toch bezig was, ook eens aan ChatGPT gevraagd hoeveel de Vlaming dagelijks uitgeeft aan voeding alleen. Wie alleen thuis eet en zuinig boodschappen doet, zou toekomen met 8 tot 10 euro per dag. Wie ook af en toe maar niet te vaak op restaurant gaat of take-away maaltijden gebruikt, komt op 12 tot 15 euro per dag. En wat die schuldbemiddeling betreft, daar geeft ChatGPT toe dat Dikke Freddy gelijk heeft. Het is inderdaad mogelijk, zij het uitzonderlijk, dat iemand met zeer zware schulden een leefgeld krijgt van niet meer dan 50 tot 70 euro per week, waarvan, zoals Freddy schrijft ‘niet alleen voeding, maar ook zeep, het wassalon, kleren, schoenen, sigaretten en horecaverbruik’ moeten worden bekostigd. Alleen de vaste kosten (huur, energie, verzekeringen …), weet ChatGPT, worden apart beheerd en betaald door de schuldbemiddelaar.


D’hanis, Debruyne, Shriver
     Ik zag op Facebook iets voorbijkomen van Frank D’hanis en Heleen Debruyne. ‘In de nieuwe aflevering van onze boekenpodcast bespreken we A Better Life van Lionel Shriver. De hamvraag: is het een rechts boek*, of net een satire op rechts? We geraakten het niet eens!’
     Ik wist meteen een aantal dingen met grote zekerheid: 

  1. Dat ik die podcast zou beluisteren, terwijl ik niet van podcasts hou
  2. Dat ik mij flink zou ergeren, niet alleen aan de meningen maar ook aan het zelfgekozen tijdverlies
  3. Dat D’hanis degene was die het boek ‘rechts’ vond en dat Debruyne degene was die er een ‘satire op rechts’ in zag
  4. Dat ze allebei gelijk en allebei ongelijk hadden 
  5. Dat ik er een kort stukje over zou schrijven.
       Het gesprek tussen de geliefden verliep rustig, zonder stemverheffing. Debruyne liet D’hanis uitspreken ook als die niet goed uit zijn woorden raakte. Het gemis aan een moderator die het gesprek in goede banen leidde liet zich voelen: de sprekers herhaalden nogal eens zichzelf, vooral wanneer ze niet goed wisten wat ze eigenlijk wilden vertellen, of als ze over iets niet zo veel te vertellen hadden.
      
Hadden ze het mij gevraagd, had ik kunnen helpen bij de vraag of Shriver nu rechts of links was. Shriver schreef zelf ergens dat ze van kamp verandert als ze van continent verandert. In Engeland is ze rechts, maar als ze naar Amerika reist, wordt ze halverwege de Oceaan links. Of anders gezegd: ze is min of meer libertair, ecomisch centrumrechts, cultureel centrumlinks, en nogal gebeten op woke.
      
Het besproken boek gaat over migratie en migranten. Een progressieve New Yorkse neemt een Hondurese migrante in huis, waarop er andere Hondurese migranten volgen, en dat zijn geen lieverdjes. Een aantal van de autochtone Amerikanen in het boek hebben radicale opvattingen over en tegen migranten. D’hanis gelooft dat het boek de vooroordelen van rechts over migratie bevestigt en dat Shriver minstens een aantal van die vooroordelen deelt. Debruyne gelooft dat met die vooroordelen de spot wordt gedreven. Om het zeker te weten zou ik het boek moeten lezen, maar zoals ik Shriver ken is de kans groot dat ze met iederéén spot: met de do-gooders die geloven dat alle Hondurezen lieverdjes zijn, en met de simplistische MAGA-figuren die geloven dat alle Hondurezen criminelen zijn –  terwijl ze ondertussen zelf gelooft dat er best iets tegen de illegale immigratie mag worden ondernomen.
      
In de discussie liet Debruyne zien dat haar snaren wat literatuur betreft fijner zijn afgestemd dan die van D’hanis. Ze aanvaardt bijvoorbeeld de mogelijkheid dat Shriver in ‘een rechtse rabbit hole terecht is gekomen,’ maar dat ze als schrijfster boven haar politieke opvatting uitstijgt en haar personages tegelijk als karikaturen en als mensen neerzet. Wel vindt ze dat de Hondurese personages slecht getroffen zijn. Dat komt, denkt ze, omdat Shriver niet genoeg met Hondurezen heeft opgetrokken. Als ik het boek lees, zal ik dat waarschijnlijk niet merken, omdat ikzelf ook weinig met Hondurezen optrek.
      
D
hanis en Debruyne hebben zich op de podcast voorbereid door commentaren over het boek te lezen, en daar hebben ze allebei iets interessants over te zeggen. D’hanis heeft vooral commentaren op Goodreads gelezen, en daar waren veel vijfsterrenrecensies bij. Hij vond dat verdacht. Vijf sterren werden in zijn ervaring alleen gegeven aan absolute meesterwerken, of aan boeken die een voor de lezer welgevallige politieke strekking hadden. Dat is juist. Zo werkt dat bij het sterrengevend lezerspubliek. Bij allerlei enquêtes naar het meest geliefde boek in de VS komt stelselmatig Ayn Rands Atlas Shrugged naar boven drijven. Ook ken ik veel mensen die een middelmatig-tot-goed boek als Dubbelganger van Naomi Klein een meesterwerk vinden. 
      Eigenaardig genoeg schijnt Dhanis te denken dat hijzelf een uitzondering op die regel is. Zelfkritische reflectie lijkt mij zijn sterkste kant niet. Hij haalt aan dat hij een ongelooflijk rechts boek als Soumission van Houellebecq toch wel goed geschreven en grappig vond. Dat is fijn voor hem, maar het is niet omdat we soms een keer boven onze politieke vooroordelen uitstijgen dat we ons niet meestal door die ballast naar beneden laten trekken in onze beleving van film en literatuur*.
      Wat Debruyne zei was nog interessanter. Het was haar opgevallen dat de meer officiële kritiek het boek heel negatief had besproken. Ze vond dat verdacht. Ze had al vaker gemerkt, zei ze, dat critici hun politieke voorkeuren lieten meespelen. Boeken die zeker niet beter waren dan dat van Shriver kregen heel wat betere kritieken omdat ze binnen de linkse consensus vielen. ‘Heb je daar een voorbeeld van?’ vroeg D’hanis. Zo’n voorbeeld kon Debruyne niet één-twee-drie geven. Je zou zulke voorbeelden telkens als je ze tegenkomt moeten noteren in een klein boekje. 
     Zelf heb ik wat Debruyne vertelt al vaak gemerkt bij filmrecensies. Bij heel lovende of afbrekende filmrecensies probeer ik snel na te gaan of de film niet een of andere ‘maatschappijkritische tendens’ bevat. Dan krijgt hij meestal enkele sterretjes teveel***. Is een film daarentegen niet maatschappijkritisch genoeg, dan merk je dat niet alleen aan de karige sterretjes, maar ook aan de minachtende opmerkingen die de recensent daarover maakt. Ik schrijf zulke voorbeelden niet op in een boekje, maar ik heb er geloof ik al een paar blogstukjes aan gewijd. 


* Ik heb ondertussen min of meer begrepen wanneer we van een rechts boek mogen spreken: als de rollenpatronen worden bevestigd in plaats van bevraagd, als niet duidelijk wordt gemaakt of seksuele contacten consensual zijn, als rechtse opvattingen worden verwoord door sympathieke personages en linkse opvattingen door onsympathieke personages, als een verhaallijn uitnodigt tot rechtse conclusies, en ten slotte, in de ruimere definitie van D'hanis, als het rechts in de kaart speelt.

 ** Zelf ben ik als filmliefhebber zo gewend geraakt aan de links-liberale bias van Hollywood dat het mij niet meer stoort. Mocht dat niet zo zijn, had ik al lang van hobby moeten veranderen. Maar als die bias een keer ontbreekt, is dat voor mij altijd een aangename verrassing.

*** Als het té erg wordt, schrijft de recensent dat goede bedoelingen nog geen goede film maken. 

                                                                                                                                       

dinsdag 31 maart 2026

Te mijden columnisten


      Hoewel de tekst redelijk kort is, heb ik de column van Frank Van Laeken “Ad hominem: weg met deze columnisten” niet helemaal gelezen. Ik was natuurlijk wel nieuwsgierig naar de namenlijst. Voor de lezer die de column niet gezien heeft, het zijn deze: 1) Maarten Boudry, 2/3) Rik Torfs & Mia Doornaert, 4) Marnix Peeters, 5) Koen Meulenaere, 6) Wouter Duyck, 7) Joren Vermeersch, 8) Mark Elchardus, 9) Joris Van Cauter, 10) Christophe Vekeman. Wat me aan die lijst bevalt is dat er enkele onverwachte namen op staan.
 
     Ik heb even getwijfeld of ik er een stukje aan zou wijden. Maar toen vond ik op X.com een leuk plaatje om bij een eventueel stukje te zetten: een parodie op de Index Librorum Prohibitorum.  Dat was al één reden om er iets over te schrijven. Wat later vond ik een tweet van geëngageerd cultuurmens Michaël De Cock die mij rechtstreeks aansprak: ‘Ow ow. Frank Van Laeken heeft op veel zere teentjes getrapt, bij de ridders van het het vrije woord.’ Welja, dat ben ik helemaal: een ridder van het vrije woord, alhoewel mijn tenen, zoals dat bij ridders gaat, goed beschermd zijn door stalen schoeisel. Die verwijzing naar ‘zere teentjes’ leverde alweer een leuk plaatje op om bij de tekst te plaatsen. Op die manier, met die plaatjes erbij, werd reageren niet alleen een verdomde, maar ook een aangename plicht.



    Welaan dan. De inleiding van Van Laeken heb ik wél helemaal gelezen. Hij schrijft onder andere: ‘Waarschuwing: in dit stuk speel ik man én bal (maar toch in de eerste plaats de man).’ Dat is een stijlfiguur die ik wel kan smaken: een auteur die cynisch uitlegt hoe hij te werk zal gaan. Alleen wordt die positieve indruk verknoeid door de rest van de inleiding:

Ik ga hieronder een top 10 publiceren van columnisten/opiniemakers van wie ik vind dat die niet meer thuishoren in de media, niet omdat hun mening mij niet aanstaat, maar omdat hun mening reactionair of achterhaald of vals of een combinatie van de drie is. Zeker in media die zichzelf, wel of niet terecht, een kwaliteitslabel geven, horen de meningen van deze lieden niet langer thuis. Controverse mag, moét soms. Een mening die haaks staat op die van mij, laat maar komen. De randjes van het toelaatbare opzoeken, ach ja, moet af en toe kunnen. Maar voor deze dames en heren past maar één conclusie: weg ermee!

     Het enige leuke is hier de scandeerbare conclusie: weg-er-mee! De rest is van een hemeltergende naïviteit. ‘Controverse mag, moet soms.’ Alsof daar de toestemming van Van Laeken voor nodig is. ‘Niet omdat hun mening mij niet aanstaat …’ Natuurlijk is dat de reden van de lijst  dát en de verontwaardiging over die onbeschaamde auteurs die hun mening ook nog eens publiceren en af en toe herhalen. ‘Maar omdat hun mening reactionair is …’ Ik zal maar niets zeggen over de ruime invulling van het begrip ‘reactionair’, maar waarom zouden de kwaliteitsmedia geen meningen mogen publiceren die ‘reactionair’ zijn? Heeft Van Laeken zich ooit die vraag gesteld? Ik verwacht niet dat hij zijn redenen uiteenzet in een stukje dat ‘Ad hominem’ heet, maar de lezer zou toch de indruk moeten krijgen dat achter het boosaardige proza ook enige gedachte schuilgaat, of althans die Schimmer einer Idee.
     Kijk, een auteur mag – moét soms, nietwaar – boosaardig schrijven. Maar dan moet hij zichzelf in zijn inleiding niet voorstellen als een brave hendrik. Hij moet ronduit schrijven dat Doornaert haar mond moet houden juist omdát haar mening hem niet aanstaat. De polemist ergert zich aan bloemetjesbehang? Verbieden dat behang! De polemist ergert zich aan Doornaert? Verbieden die columns! Dan weten we tenminste dat de polemist het bloemetjesbehang en Doornaert écht haat, en tegelijk dat zijn eis tot verbieden gespeeld is.
      Maar een polemist die schrijft dat bepaalde auteurs geen toegang moeten krijgen tot de media omdat hun mening ‘reactionair’ is, een polemist die impliceert dat controverse mag en moet, maar zonder te overdrijven, en dat een mening die haaks staat op de zijne best gepubliceerd mag worden, maar alleen als ze op de juiste manier haaks staat, bij zo’n polemist vrees je dat niet alleen zijn haat, maar ook zijn eis tot verbieden gemeend zijn.
     Ik heb mij ondertussen een mening gevormd over Van Laeken. Hij lijkt mij iemand die zou kunnen antwoorden dat hij Doornaert en anderen niet wil censureren, dat hij hun meningsuiting niet bij wet wil laten verbieden, maar dat hij het alleen fijn zou vinden als ze geweerd worden uit de kwaliteitsmedia. Dat is wellicht zo. Ik verwijt hem niet dat hij een inquisiteur is, alleen dat hij de mentaliteit van een inquisiteur heeft.

maandag 30 maart 2026

Onderwijsdiversiteit en wiskunde











Onderwijsdiversiteit en wiskunde
     
Schooldirectrice Charlotte Zwemmer werd, geloof ik, door De Standaard speciaal aangetrokken om mij om de twee weken op de zenuwen te werken. Of misschien moet ik niet alles op mijzelf betrekken. Misschien is ze eerder aangetrokken om ervoor te zorgen dat het onderwijsdiscours van Zuhal Demir voldoende tegenwicht krijgt. Zo formuleert ze het namelijk zelf. In elk geval, ik lees Zwemmers stukken meestal maar heel opervlakkig om mij een overmaat aan ergernis te besparen.
     Maar dit keer gebruikt ze in haar column belangwekkende cijfers, en cijfers zijn voor mij heilig. Zwemmer citeert namelijk een ‘prijswinnend Vlaams onderzoek van de KU Leuven bij 3000 leerlingen.’ In dat onderzoek werd nagegaan of een ‘sense of belonging’ een positieve invloed had op schoolresultaten. Dat bleek, voorspelbaar, zo te zijn. Maar niet alles wat in de studie staat was even voorspelbaar. Wat moet er volgens het onderzoek gebeuren om de 
sense of belonging aan te wakkeren? Dat is onder andere 
  • leerlingen toelaten om de niet-Nederlandse thuistaal op school te gebruiken
  • rekening houden met de religie van alle kinderen
  • koloniale geschiedenis en racisme bespreken in de les
  •  voorbeelden gebruiken uit andere culturen
      Dat zijn allemaal zaken waar ik geen grote voorstander van ben. Ik vind het beter als de kinderen wél Nederlands spreken op school. Ik zou in scholen zo weinig mogelijk rekening houden met religie. Er mag in de geschiedenisles iets over het kolonialisme worden gezegd, maar niet ten koste van de Bourgondiërs, Rubens, het verlicht despotisme, en de Franse Revolutie. Leraren die voorbeelden gebruiken uit andere culturen zijn mooi meegenomen, maar zoiets hoeft niet per se in het leerplan. Het was aardig dat Michel Berger in de Griekse les over de Koerden sprak als hij een Koerdische leerlinge, Zuhal Demir, in de klas had, maar niet elke leraar kan zo’n grondige kennis van wereldculturen hebben als Michel, en zonder de verwijzing naar de Koerden was hij er ook wel in geslaagd om Demir te interesseren voor zijn vak.
     Maar nu blijkt uit het prijswinnend onderzoek dat het door toepassing van de hierboven geciteerde richtlijnen mogelijk is om de resultaten op een wiskundetoets met 10 tot 20 punten te laten stijgen. Als we die punten als procenten mogen lezen, dan is de correlatie zo spectaculair dat ik mijn mening moet herzien. Zwemmer:

Als leerlingen vinden dat het curriculum aandacht besteedt aan een gedeeld mensbeeld en racisme bespreekbaar maakt, kan de score op de wiskundetoets zelfs stijgen tot 20 punten en meer.

     Het is menselijk dat men feiten en cijfers die de eigen overtuiging tegenspreken met wantrouwen tegemoet treedt. Maar ze gewoon aan de kant schuiven, is onverantwoord. Een specialist die de conclusies niet lust, moet de cijfers grondig onderzoeken, en zal misschien tot de conclusie komen dat de onderzoeksmethode gebrekkig is. Ik las ooit over een onderzoek waaruit bleek dat scholen met een autochtoon, een allochtoon en een gemengd leerlingenbestand precies even goed scoorden op toetsen. Wat later las ik een grondige analyse van de cijfers die liet zien dat de conclusie heel wat minder ver reikte dan wat de krantenkoppen ervan maakten. Eigenlijk toonde de analyse alleen aan dat even slimme, vlijtige kinderen – of ze nu autochtoon of allochtoon waren  even goede punten haalden. Dat dank je de koekoek. 
     Nu ben ikzelf helaas geen specialist. Als leek heb ik niet de plicht noch de mogelijkheid om het prijswinnend onderzoek op methodologische gebreken na te vlooien. Ik kan wel een aantal valstrikken bedenken waar men misschien niet aan gedacht heeft –  of misschien wel. Maar ondertussen zeg ik tegen mijzelf: 20 procent meer op een wiskundetoets omdát racisme bespreekbaar is in een school, dat bestáát niet. 


 Cijfers in columns
     Professor Tom De Herdt begint zijn column (DS 30/3) met een aardige grap over de economische wetenschap. De ene econoom zegt tegen de andere dat er een biljet van 20 euro op de stoep ligt, waarna die laatste poneert dat dat onmogelijk is, want iemand zou het al lang hebben opgeraapt. We kunnen lachen met het dogmatisme van die tweede econoom die zijn theoretisch model boven de empirische werkelijkheid plaatst, maar dat neemt niet weg dat hij meestal gelijk heeft. Briefjes van 20 op de stoep worden heel snel opgeraapt door een voorbijwandelende homo economicus.
      Alleen weten we allemaal dat de staat zich niet altijd als een rationele homo economicus gedraagt, en daarover gaat de column van Tom De Herdt. Hij klaagt de beslissing van de Vlaamse regering aan om nog slechts maximaal 2 procent niet-Europese studenten aan Vlaamse hogeronderwijsinstellingen te subsidiëren. Dat is een besparing van 83,1 miljoen. Maar nu schijnt er een onderzoek te bestaan waaruit blijkt dat een één euro geïnvesteerd in een internationale student 2,4 tot 3,1 euro oplevert aan onze economie en samenleving. De professor besluit:

Dat is goed voor 130.000 tot 197.000 euro per student, oftewel een aderlating van 4,3 miljard euro op het jaarinkomen van het land. Een briefje van 4,3 miljard op onze stoep.

     Het is een van de jammerlijke kenmerken van de column als genre dat je die niet kunt overladen met cijfers. Ik geloof best dat je van 2,4 euro via enkele vermenigvuldigingen aan het bedrag van 4,3 miljard komt, maar de lezer mist enkele factoren om zelf het product te berekenen. De professor kent die factoren maar de lezer kent ze niet niet. Daardoor weet de lezer niet hóe de 83,1 miljoen besparing moet worden vergeleken met de 4,3 miljard verlies. Op welke termijn wordt dat verlies berekend? Gelijkt dat virtuele bedrag op de fameuze ‘terugverdieneffecten’ die meestal virtueel blijven? Moet de ene vogel in de hand altijd versmaad worden vanwege die tien in de lucht? Kan men dat verlies van 4,2 miljard beperken door de subsidiëring van buitenlandse studenten beter te concentreren op de economisch rendabele studierichtingen?
     Vroeger zou ik mij aan die onbeantwoorde vragen geërgerd hebben. Vandaag weet ik dat ik met een uurtje te chatbotten al een flink deel van het antwoord zou kennen. Dat geeft rust. Ik móet die antwoorden niet kennen. Zo erg interesseert het mij ook niet. Dat regeringen vaak moeten kiezen tussen de lange en de korte termijn wist ik al langer. Ik kan hen daarbij niet helpen.


Hoe het transdebat voeren
     Cultuurfilosoof Simon Truwant doet in zijn column  over het transdebat (DS 30/3) iets wat ik ook vaak doe in mijn stukjes: de discussie verleggen naar het metaniveau. Hij neemt geen standpunt in, maar geeft goede raad hóe men een zindelijk gesprek kan voeren over een bepaald thema. Door dat iemand anders te zien doen, besef ik hoe futiel dat is. Mijn eigen excuus voor zulke oefeningen is dat ze me helpen om zelf klaar te zien. Ik vind dat een leuk tijdverdrijf.


Topdiplomatie over Iran
     Advocate Jasmine Malekzadem (DS 30/3) gelooft niet dat topdiplomatie de situatie voor de Iraniërs kan verbeteren.

Indien diplomaten hun werk goed willen doen, dan voegen zij vooral een zestiende punt toe aan het 15-puntenplan met in het vet cursief gedrukt: ‘vrijheid en democratie voor de Iraniërs.’ Eens zien welke onderhandelaars uit Teheran dan nog rond de tafel komen zitten.

     Ik weet zelf niet wat het beste is in deze zaak: oorlog of diplomatie. Je moet al optimistisch zijn om te denken dat één van de twee zal helpen om vrijheid en democratie naar Iran te brengen. Maar je moet héél optimistisch zijn om te geloven dat juridische veroordelingen, zoals Malekzadem zelf voorstelt, dat wel voor elkaar zullen krijgen. Laat het Internationaal Strafhof maar veroordelingen uitspreken. Eens zien of de machthebbers in Teheran zich daar iets van aan zullen trekken.



Iran-commentaren
     Tijdens de Gaza-oorlog zat radicaal-links en linksliberaal ongeveer op dezelfde golflengte: de morele veroordeling van de ‘genocide’. Bij de Iran-oorlog is het enigszins anders. Radicaal-links gaat verder met de morele veroordeling van de VS, waarbij het impliciet de kant kiest van de Ayatollahs. Links-liberaal is echter minstens even gebeten op de Ayatollahs als op Trump. Denk aan Verfhofstadt die vindt dat het Iraanse regime zich niet kan beroepen op het internationaal recht. De links-liberale teneur is dan niet dat de oorlog onrechtvaardig is, maar dwaas en ondoordacht. De analyse komt erop neer dat het Iraanse regime militair over betere troeven beschikt dan de VS, en dat Trump de wereld in een economische crisis heeft gestort. Dat kan best waar zijn, maar ik vind het vervelend dat alléén die analyse in onze pers aan bod komt. 


De ‘dogmas’ van Tom Hannes
     Dat ik wel eens iets schrijf over Marc Reynebeau was mij ook opgevallen. Ik neem mij voor om daarmee te minderen. Maar blijkbaar neem ik ook makkelijk filosofisch onderzoeker Tom Hannes als schietschijf. Ik heb eens gescrold door mijn eigen stukjes en in minder dan een minuut ben ik zijn naam al vier keer tegengekomen, en altijd om er kritiek op te leveren*.
    En nu lees ik in zijn laatste stuk (DS 28/3) veel waar ik het mee eens ben:

 Niet gelovig zijn is een fulltimejob en een specialisatie. Niet iedereen heeft er evenveel talent en tijd voor. Geloven is de menselijke fabrieksinstelling. We kunnen niet bij alles wat ons verrast ons hele wereldbeeld aan diggelen laten gaan. Het is economischer om een wereldbeeld te bewaren … tot het onhoudbaar wordt en we tot een andere beeld moeten overgaan … [We hebben nood aan] een visie op de wereld en onze plaats daarin … Het eerste biedt intellectuele stabiliteit: zo zit de wereld min of meer in elkaar en daarop kun je vertrouwen. Het tweede biedt een emotionele motivatie … Dat levert enthousiasme op. Dat is belangrijk, want zonder enthousiasme gaat het heel snel slecht met ons.

      Dat lijkt mij allemaal slim gezien en wijs gedacht. Hannes schrijft nog dat ‘enthousiasme’ komt van het Griekse ‘enthousiazein’: geïnspireerd of bezeten zijn door een god. Ook dat kan best waar zijn. Goed, Voltaire schrijft in zijn Dictionnaire philosophique iets anders. ‘Ce mot grec signifie émotion d’entrailles, agitation intérieure.’ Maar in die Dictionaire philosophique staan nog meer vreemde zaken.
     Nee, ik moet mij gewonnen geven, Hannes heeft gelijk. Hij schrijft ook:

Als onze wereld in de greep is van doorgedraaide en funeste vormen van geloof, zit er maar één ding op: een beter wereldbeeld maken dat niet alleen plausibel is, maar ook enthousiasmerend.

     Dat is mij allemaal muziek in de oren. Plausibiliteit speelt een grote rol in mijn wereldbeeld. Ik neem afscheid van Hannes, zwaai met mijn hand, maar net als ik bij de deur kom, draai ik mij zoals inspecteur Columbo om, en stel de schijnbaar naïeve vraag wat die doorgedraaide en funeste vormen van geloof zijn. En dan verraadt de verdachte zichzelf. Het is wel degelijk Tom Hannes. 
 
De moderne westerse esoterie zie je ook in de theologie van het neoliberalisme: het dogma dat alles in orde komt als iedereen voor zijn eigen portemonnee zorgt en de Markt bevrijd is van menselijke inmenging … Dat er weinig van klopt speelt geen rol. De ware gelovige houdt immers voet bij stuk. Toen na de val van de Berlijnse Muur in 1989 hier en daar nog een verzorgingsstaat bleef bestaan, dreven radicale neoliberalen de zaak op de spits met het rechts-populisme.

      Deze korte alinea bevat vijf of zes denkfouten, te beginnen met de gedachte dat de Markt met een hoofdletter moet worden geschreven en dan kan worden geplaatst tegenover de ‘menselijke inmenging.’ De markt is niets anders dan menselijke inmenging. Ik haal er nog één denkfout uit: dat neoliberalisme een dogma is. Het neoliberalisme is evenmin een dogma als het marxisme er een is. Dat betekent niet dat er geen dogmatische marxisten bestaan, of dogmatische neoliberalen. Natuurlijk zijn die er. Karel van het Reve heeft uitgelegd hoe het marxisme in de Russische communistische handboeken tot een dogma verworden was, maar dat betekent niet dat Ion Elster, of bij dichter bij ons Jan Dumolyn, per definitie dogmatici zijn als ze marxistische interpretatieschema’s gebruiken. 

 

  * Die zure oprispingen aangaande Tom Hannes staan  hierhierhier en hier.

   

 

zondag 29 maart 2026

StuBru-iconoclasten, e.a.


StuBru-iconoclasten
      Ik heb ze niet speciaal gezocht, de verontwaardigde commentaren aangaande de Stubru-iconoclasten, maar ik heb er toch een aantal zien voorbijkomen, van links en van rechts. Rechts was verontwaardigd over het stukslaan van de beelden, en links was verontwaardigd over die verontwaardiging: men had over iets ánders verontwaardigd moeten zijn.
   
     Een veelgedeelde FB-post van rechts was geschreven door Joren Vermeersch. Hij vindt dat zulke respectloze humor niet mag worden uitgezonden door een openbare omroep die betaald wordt met het geld van alle – ook de katholieke – belastingbetalers. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind dat zoiets wél moet kunnen, zeker op zenders waarvan we geredelijk kunnen veronderstellen dat ze weinig katholieken onder hun publiek hebben.
     Vermeersch schrijft ook dat men ‘doelbewust op de ziel van elke katholiek getrapt heeft.’ Dat is zeer twijfelachtig. Als je die StuBru-mensen achteraf hoorde, bleek juist dat ze niét doelbewust, maar eerder ondoordacht te werk waren gegaan. Vandaar dat de katholieke districtburgemeester van Antwerpen Paul Cordy een van hen een ‘stom kalf’ noemde. Met die onkarakteristieke uitspraak bewijst Cordy echter dat er inderdaad op zijn ziel is getrapt. Maar dat betekent weer niet dat er op de ziel is getrapt van élke katholiek. Van véél katholieken, dát geloof ik wel.
     Wat mij in deze reacties van Vermeersch en Cordy geweldig meevalt is dat ze de smakeloze actie aangrijpen om nog eens – tegen hun eigen belangen in zou je kunnen zeggen – de vrije mening te verdedigen. Zij maken tenminste het elementaire onderscheid tussen laakbaarheid en juridisch verbod. Vermeersch schrijft: 

Valt dit nog onder vrije meningsuiting? Wat mij betreft wel, ook al vind het het, naast stupide, moreel verwerpelijk.   

En Cordy schrijft:

Zolang je niet het bezit van een ander, of een stuk erfgoed, stukslaat is dat in een vrije samenleving toelaatbaar. Het getuigt misschien van weinig respect, maar respect is niet altijd een verplichting. Beeldenstormerij getuigt wellicht van intellectuele armoede, maar goed, ook daar hebben mensen recht op.

     Bij links ligt die reflex veel minder voor de hand. Het eerste voorbeeld dat mij te binnenschiet is het autobiografische boekje Another Life, van de Grieks-Zweedse schrijver Kallifatides. Daarin legt hij uit waarom hij destijds geweigerd had de vrije mening van de Charlie Hebdo-redactie te verdedigen. Hij vond dat de vrije mening geen ‘recht op belediging’ inhield. De moslims – de zwakkeren in de samenleving – waren door de cartoons beledigd. In het algemeen mocht er niet worden gespot met godsdienst, want daarmee werd ‘op de ziel getrapt’ van mensen als zijn gelovige grootmoeder, die zoveel had meegemaakt in het leven. Ook had Voltaire nooit gezegd dat je de vrijheid moest verdedigen van meningen waar je niet mee akkoord ging, en bovendien bedoelde hij iets anders. En ten slotte waren spottende afbeeldingen van Mohammed niet beter dan nazi-vlugschriften destijds waarin Grieken als apen werden voorgesteld.
       Een ding moet ik Kallifatides nageven: hij heeft een repliek gevonden op de oude wijsheid: Sticks and stones will break my bones, but words can’t hurt me. Zijn antwoord, dat hij aan zijn grootmoeder toeschrijft, luidt: Words have no bones, but they can break bones. Het is aardig, maar toch heel wat minder leuk dan het origineel. Van de treffende wissel van trochee naar jambe schiet in het vormloze ritme van het alternatief niets meer over;  het rijm stones/bones is vervangen door een rime riche bones/bones, wat meestal onhandig klinkt; en van de mooie assonantie words/hurt blijft niets meer over. Maar misschien klonk de boutade beter in het Grieks of het Zweeds.


Democratisering van het onderwijs
      Het vlag 
democratisering van het onderwijs’ kan verschillende ladingen dekken. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer inspraak van de leerlingen moet komen in het schoolbeleid of dat de leraren hun directeur mogen verkiezen. Maar het vaakst bedoelt men dat het onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle klassen van de bevolking. Arbeiderskinderen moeten evengoed hoogwaardig onderwijs kunnen genieten als de kinderen van dokters, notarissen en fabrikanten.
      Toen uit onderzoek in de jaren 60 bleek dat de barrières voor het onderwijs niet alleen van financiële aard waren, rees bij politiek links het idee dat er ook aan de inhoud van het onderwijs moest worden gemorreld. Bijna niemand durfde dat openlijk zo zeggen, maar in de praktijk kwam het erop neer dat het onderwijs gemakkelijker en minder veeleisend moest worden. Woorden als ‘communicatiever’, ‘procesgericht’, ‘minder theoretisch’, ‘geïntegreerd’ moesten die nivellering camoufleren.
     Die verwarring vanaf de jaren 70 tussen democratisering en nivellering inspireerde de aardige spotternij ‘Free distribution of diploma’s among the deserving poor.’ Vandaag hebben we de FB-stukjes van leraar Frank D’hanis. Mocht ik mij tot spot aangetrokken voelen, dan zou ik ze samenvatten als ‘Minder taken en makkelijker toetsen voor het werkmanskind.’


Rechtvaardige oorlog in Iran
     Het interview met geopolitiek analiste Michelle Haas in De Morgen (21/3) is heel goed. Ik heb onmiddellijk het boek besteld, maar ik moet eerst nog de dikke pil van Tocqueville gelezen krijgen. Haas gelooft dat De Wever een fout maakte door te spreken over ‘de oorlog die Oekraïne niet kan winnen.’ Ik heb in mijn stukje gewezen op het mogelijke voordeel van dergelijke uitspraken. Maar dat er nadelen aan verbonden zijn, is zeker. 
     Haas is van oordeel dat sommige oorlogen rechtvaardig kunnen zijn, en dat zoiets niet volledig afhangt van de formele legaliteit, of van het strikt defensieve karakter, ervan, maar bijvoorbeeld ook van de gevolgen. Ze vergelijkt bijvoorbeeld de oorlog tegen de Ayatollahs met die tegen het Qadhafi. Hieronder volgt een stukje uit het interview

  •  Is de oorlog in Iran rechtvaardig? Er was geen imminente dreiging. Israël greep de kans om Khamenei en zijn entourage uit de weg te ruimen. Zo is het toch begonnen?
  • Zo is het begonnen, we weten niet waar het zal eindigen … Er is veel denkbaar, maar het is niet totaal uitgesloten dat op haast miraculeuze wijze de democratische krachten de overhand nemen. Dat is niet de prioriteit van de VS en Israël, maar het zou kunnen. En als de democratie in Iran wint, verandert ons oordeel wellicht.
  • Een oorlog die zonder legitiem mandaat begint, kan rechtvaardig eindigen?
  • Absoluut. Voor mij is dat ethisch gezien mogelijk. De situatie waarin de Iraanse bevolking zich na een democratische shift zal bevinden, is rechtvaardiger dan hun bestaan onder repressie … Het kan ook andersom, in Libië begon de oorlog met een legitiem mandaat en eindigde het in chaos. De uitkomst bepaalt voor mij in hoge mate of een oorlog rechtvaardig is. … We moeten wel een eerlijk gesprek kunnen voeren: welke crisis verdient onze aandacht? En is de inzet van militaire middelen in bepaalde situaties gerechtvaardigd?
  • Is het in Iran gerechtvaardigd?
  • Waarschijnlijk niet. Omdat de intentie van Israël en de VS niet het welzijn van de Iraanse bevolking is. Je mag het internationale recht schenden … maar alleen met humanitaire bedoelingen.

     Ik ben het daar allemaal mee eens, behalve met die laatste hasty generalization. Humanitaire bedoelingen zijn volgens mij maar één aspect om de rechtvaardigheid van een oorlog te beoordelen, naast de legaliteit, de gevolgen, de defensieve aard, de rules of engagement,  en de verantwoordelijkheidszin van de regeringsleiders. Maar ik verondertel dat Haas daar wel mee akkoord zal gaan. 


‘Positieve’ en ‘negatieve vrijheid’

     In een vorig stukje wees ik erop dat Ignaas Devisch een verkeerde interpretatie gaf aan Isaïah Berlins concept van ‘positieve’ vrijheid. Die fout val valt gemakkelijk te verklaren vanuit een falend geheugen. Misschien had Devisch ChatGPT kunnen gebruiken om een en ander wat op te frissen.
      Mijn eigen herinnering aan het essay dat ik meer dan 30 jaar geleden gelezen heb, was eveneens gebrekkig. Ik had bij het schrijven ChatGPT wél gebruikt, maar nu ik het essay in zijn geheel herlezen heb, besef ik dat mijn eigen commentaar evengoed fouten bevat. Als ik schrijf dat ‘positieve’ vrijheid inhoudt dat de burger ‘bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen’ heeft dat slechts weinig te maken met wat Berlin over dat begrip schrijft.
      Het is, geloof ik, gedeeltelijk de schuld van Berlin zelf dat Devisch zich vergist.  Mijn FB-vriend Ecce Ios merkte op dat de termen positief en negatief gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden, zoals wanneer we spreken van een positieve uitslag van een kankertumorentest. Er is in zulke gevallen een tegenstelling tussen de beschrijvende en de evaluatieve waarde van het woord. Bij positieve vrijheid denk je spontaan aan iets positiefs, en dat is niet de strekking van Berlins verhandeling.
     Berlin wil in de eerste plaats klaarheid scheppen. Dat is ook nodig. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘vrijheid’ wordt mooi geïllustreerd door de woorden van John Winthrop (1588–1649) die door Tocqueville worden geciteerd in het begin van De la démocratie en Amérique.

Er bestaat inderdaad een soort verdorven vrijheid, die zowel bij de dieren als bij de mens gangbaar is en die erin bestaat alles te doen wat men wil. Deze vrijheid is de vijand van elke autoriteit; zij verdraagt geen regels; met haar worden wij minder dan onszelf; die vrijheid is de vijand van de waarheid en van de vrede; en God verzet er zich tegen. Maar er bestaat ook een burgerlijke en morele vrijheid die haar kracht vindt in de eenheid en die door de autoriteit moet worden beschermd: het is de vrijheid om zonder vrees alles te doen wat rechtvaardig en goed is. 

   De eerste definitie van vrijheid, die Winthrop verwerpt, is die welke J.S. Mill als uitgangspunt neemt. Berlin verwoordt het enigszins anders: de afwezigheid van dwang, verplichting of verbod. De vrijheid is in eerste instantie ‘leeg’ en je moet die zelf opvullen. De tweede formulering gaat naar de aanwezigheid (vandaar ‘positief’) van waarden om de lege vrijheid op te vullen. Bij de fanatieke puritein Winthrop is dat het goede en rechtvaardige, maar een satanist, of erger: een racist, zou die vrijheid kunnen opvullen met andere waarden.
    Iedereen beseft dat de negatieve vrijheid niet onbeperkt kan zijn. Je huivert bij de gedachte aan fanatieke puriteinen, satanisten, of erger, racisten die alles doen wat ze willen. Nu zijn er twee soorten beperkingen. De eerste soort beperking is inherent aan de negatieve vrijheid zelf, namelijk de negatieve vrijheid van andere individuen. Niemand mag jou beletten lekker je gang te gaan, maar jij mag ook niemand anders beletten lekker zijn gang te gaan. Bij Mill wordt dat dat je alles mag doen wat je wil, zolang je anderen geen schade berokkent. Dat is nog altijd een zeer liberale definitie, alhoewel niet iedereen het eens zal zijn over wat schade is en wat niet.
     Maar je kunt de vrijheid ook beperken in de naam van andere waarden, zoals gelijkheid, broederlijkheid, fatsoen, deugd, onderling begrip, solidariteit, verbondenheid, respect, erkenning, veiligheid, welvaart, nationale trots, democratie, traditie, geluk, enzovoort. Berlin beweert niet dat die waarden minder belangrijk of belangrijker zijn dan vrijheid. Hij beweert in de eerste plaats dat vrijheid niet met die andere waarden mag worden verward, wat men nochtans vaak doet door te spreken van ‘nationale bevrijding’, ‘sociale ontvoogding’, ‘democratische vrijheden’, enzovoort.
       Ten tweede argumenteert hij dat er een privésfeer moet bestaan – groot of klein – waar het individu zich van die andere waarden niets hoeft aan te trekken.
     En ten derde moet volgens Berlin de maatschappij een zeker pluralisme van waarden tolereren waarbij individuen kunnen
  beslissen welke van die waarden ze hoger of lager aanslaan, en welke keuzes ze maken als die waarden met elkaar in conflict komen.
     Het essay van Berlin is dus  een pleidooi om ‘negatieve’ vrijheid als waarde, naast andere waarden, te waarderen. Over de ‘positieve’ vrijheid is Berlin heel wat kritischer. Er is op zich niets kwalijks aan het opvullen van de negatieve vrijheid. Mill doet dat ook. Hij gelooft bijvoorbeeld dat waarheid, verbeelding, originaliteit en creativiteit mooie waarden kunnen zijn om de lege en abstracte vrijheid mee op te vullen.
     Maar Mills vulsel is van recente datum. De oudere opvatting van de positieve vrijheid is dat de mens zich moet bevrijden van zijn spontane, lage driften, en zich moet richten op het hogere in zijn natuur: de deugd en het rationeel inzicht, die dan ook nog eens door een gelukkig toeval zouden samenvallen, althans sinds Socrates.
      Alleen is er een blijvend verschil tussen de reële mens, met zijn lage driften, en de ideale mens, met zijn zuivere rationaliteit en zijn deugdzaamheid. Die reële mens heeft niet altijd een goed begrip van wat voor hem van echte waarde is, zoals zieleheil, sereniteit, heroïsme, maatschappelijke verbondenheid en lichamelijke gezondheid. De reële mens moet dus geholpen worden door wetgevers, priesters, opvoeders, filosofen, experts en ministers van Volksgezondheid, wat in het beste geval leidt tot paternalisme, en in het slechtste geval tot wrede onderdrukking.
     Dat is allemaal geen reden om de positieve vrijheid an sich te verwerpen. Een maatschappij zonder opvoeding is niet wenselijk en een maatschappij zonder repressie is een utopie. Maar het is een reden om de ‘positieve’ vrijheid met argwaan te bekijken. We moeten erkennen dat ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid niet altijd complementair zijn, maar vaak tegengesteld, en dat ‘positieve’ vrijheid gemakkelijk ontaardt in autoritair collectivisme.
     Ten persoonlijken titel zou ik er nog aan toevoegen dat het woord ‘vrijheid’ best alleen voor het negatieve concept wordt gebruikt. Anders krijg je filosofen zoals Ignaas Devisch die zich op de positieve ‘vrijheid’ beroepen om ideeën, zoals die van Cofnas, te censureren aan de universiteit. Voor die censuur kunnen goede redenen bestaan, maar met vrijheid heeft het niets te maken.