zondag 1 november 2026

Enkele films en series

Out of Africa
   
     Vandaag kan ik alles vragen aan ChatGPT en Grok, en krijg ik brave, middle-of-the-road antwoorden. Maar ik surf nog altijd op Quora op zoek naar extravagante vragen en extravagante antwoorden. Een mooie vraag die soms terugkeert is: Welke film won een Oscar voor beste film en was eigenlijk niet goed. Iemand had een aantal criteria verzameld: (A) bevat een plotgat; (B) gaat nergens over; (C)  is flauw over de hele lijn.  
     De toepassing van de criteria leidde tot: The Deer Hunter (A), Chariots of Fire (B) , Out of Africa (A-B-C) , Argo (A-C).
Alleen Out of Africa beantwoordde aan de drie criteria. Dat zou best kunnen, maar zeker weet ik het niet, want ik slaag er nooit in om meer dan een kwartier naar die film te kijken.


Dix pour cent, le film (2026).
    Om toe te voegen aan mijn lijstje van films over het maken van films. Franse komedie in de beste zin van het woord. Dankzij de film heb ik nu ook de serie ontdekt die eraan voorafgaat.


La règle du jeu (1939)
    Op Youtube kun je de mooie en historisch belangrijke film La règle du jeu zien (1939), van Jean Renoir. De klank is slecht en, als iemand die half-doof is, begreep ik weinig van de dialogen. Ik moet hem nog eens opnieuw zien in een betere versie. Maar één dialoog heb ik wel begrepen. Octave zegt :  ‘Ce qu’il y a de terrible dans la vie, c'est que tout le monde a ses raisons.’ Waarop André of Robert antwoordt : Bien sûr, et moi, je suis pour que chacun les expose librement.’

Furious (2026) 
   
 Televisiereeks over een seriemoordenares en een politie-agente. De plot is ongeloofwaardig en bevat alle clichés van het genre. Maar de uitwerking van de personages is hoogst origineel. 


Drops of God (2023)
     Serie over een jonge vrouw Camille Léger die zich vanwege een testament moet vervolmaken in de wijnproeverij. Veel over ‘premier nez’ en ‘deuxième nez’ en dat soort zaken. In de tweede aflevering ziet Camille haar jeugdvriend Thomas terug. Maar Thomas heeft een relatie met Juliette die knap is, zeven talen spreekt en van de regisseur opdracht gekregen heeft om haar vriend voortdurend aan te raken.  ‘Ik begrijp het,’ zei mijn vrouw, ‘wij moeten Juliette niét leuk vinden.’ Dat was ongeveer het moment dat we besloten om het bij twee afleveringen te laten. 

 

Verzamelde kortjes

 Haat op het internet
      In zijn column bekende Tom Naegels laatst dat hij Mark Zuckerberg veracht en haat. Facebook had een ‘turbo’ gezet op onze instinctieve drang om te haten. Zijn eigen haat, zo gaf Tom toe, is ‘sterk beïnvloed door de films die Aaron Sorkin over Zuckerberg heeft gemaakt, The Social Network uit 2010 en het pas verschenen The Social Reckoning.’ 
      Hier blijkt nogmaals het verschil tussen Tom en mij. De nieuwste film heb ik nog niet gezien, maar wel die andere uit 2010, en ik vond het hoofdpersonage, Zuckerberg dus, eigenlijk best sympathiek. Als ik niet oppas vind ik in films ook Hitler en Stalin sympathiek als ze door Bruno Ganz of Robert Duval gespeeld worden.

     ‘Zou iemand Facebook missen als het weg was?’ vroeg Tom nog. Het korte antwoord is: ‘ik’. In het lange antwoord zou ik de voordelen tegenover de nadelen moeten afwegen. 




De online beerput
     Een kop in De Groene Amsterdammer: ‘Nu Twitter is verworden tot een online beerput in handen van een techmiljardair, is de vraag: hoe creëren we betere sociale media?’ -- Wie zijn die ‘we’ , vroeg ik mij af, die betere sociale media moeten creëren? De minister van Cultuur? Ik zou het in elk geval niet kunnen, en misschien is dat de reden dat ik enigszins opkijk naar mensen als Zuckerberg.



 

 

Peter Van Straaten

     Dagelijks zie ik tientallen prenten van Peter Van Straaten op mijn FB-pagina verschijnen. Ik heb het algoritme zo afgericht. Pas onlangs heb ik ontdekt dat de tekeningen beter tot hun recht komen als je ze voldoende uitzoomt. Er bestaat voor tekeningen en schilderijen een juiste schaal. Uitgezoomd zijn de gezichten van Van Straaten bijvoorbeeld meestal beter getekend dan je eerst zou denken. Ook op de scheurkalender zijn de tekeningen te klein afgedrukt.

 

 
 

Jean-Marie De Decker en de BTW   

     Ik was erg verguld met de tussenkomst van Jean-Marie De Decker over de BTW-verhoging. Ik heb verschillende keren hardop gezegd: ‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Jean-Marie is tegen alle federale belastingverhogingen. Maar als er dan toch belastingverhogingen nodig zijn – vanwege het politieke compromis – dan liever op consumptie dan op arbeid en ondernemen. 



 

 Emotioneel anti-semitisme
    Niet alle antizionisme is antisemtisme, en niet alle antisemitisme is even erg, maar soms denk ik dat ik te véél nuanceer. Bij een FB-vriend lees ik een bespreking van de geëngageerde Palestijnse film No Other Land. Ik citeer: ‘En ja, niet alle joden zijn klootzakken, maar alle klootzakken die zich inlaten met landroof op de Westbank – waarover de film gaat, zijn wel joods.’ Dat is al vrij grof. En hij voegt er eerlijk aan toe: ‘Het wordt niet bepaald gemakkelijker om niet antisemitisch te denken.’ 



Trump, weerzin & angst, de intimidatie van de pers
     ‘Democratisch activisme,’ schrijft Ian Buruma (DS 13/10) ‘wekt in sommige kringen weerzin, maar Republikeins activisme maakt mensen bang.’ Die formulering zal ik onthouden, en er af en toe aan terugdenken. Verder schrijft Buruma:

 

Diverse nieuwsorganisaties zijn voldoende door Trump geïntimideerd om kritische verslaggeving of zelfs amusement in te binden. CBS … heeft een flinke ruk naar rechts gemaakt.

 

      Mijn indruk is dat de intimidaties van Trump goed gedocumenteerd zijn, maar dat die niet zoveel verschil gemaakt hebben in de overwegend kritische verslaggeving over de clowneske en boosaardige president. Dat is ook wat ChatGPT mij vertelt.



Archieven koesteren

Erfgoed, musea en archieven

     Vlaanderen heeft een socialistische minister van Cultuur, Caroline Gennez, die de besparingen niet volgens de kaasschaafmethode heeft doorgevoerd – overal een beetje besparen –  maar met een progressieve visie. ‘We hebben de makers, de kritische stemmen gespaard.’ De bevriende progressieve ‘sector’ wordt ontzien; bijna de helft van de besparingen worden gerealiseerd door subsidies te schrappen voor erfgoed, musea en archieven.
     Daar is natuurlijk van die kant veel reactie gekomen. Een aantal historici heeft een open brief geplaatst in De Morgen waarin ze oproepen tot het ‘
bewaren en blijven valoriseren van wat cultuurmakers en kritische stemmen uit het verleden ons hebben nagelaten.’ Maar de solidariteit van de hedendaagse kunsten, schrijft Jan Dumolyn, blijft er beperkt als het om ‘een hoop stenen’ en om ‘oude papieren’ gaat. Hij klaagt over een ‘intrinsiek dédain in wat gemeenzaam ‘de sector’ wordt genoemd, tegenover middeleeuwse kunst, historische landschappen, volkskunde, stoeten en processies …’



 

Onherstelbare schade

     In de brief van de historici werd ik vooral getroffen door twee woorden: de besparingen zouden kunnen leiden tot ‘onherstelbare schade’. De historici hebben het dan over de universitaire opleidingen in hun vak. Zelf ben ik nog banger dat er archieven zouden verdwijnen, want dan zou een volgende regering zonder socialistische cultuurminister de situatie niet meer kunnen rechttrekken. Die gedachte kan ik moeilijk verdragen. Van Karel van het Reve wordt gezegd dat hij op faculteitsvergaderingen zijn mond hield, maar dat hij een keer is gaan razen toen iemand voorstelde om ‘verouderde atlassen uit de universiteitsbibliotheek te verwijderen.’ Ik kan er ook niet goed tegen dat bibliotheken hun weinig of niet gelezen boeken wegdoen.



De makers en de archieven

    Als iemand  die zelf moeilijk papieren kan weggooien, heb ik met afgrijzen vernomen dat de cultuursubsidies voor archieven drastisch verminderd worden. Ik heb eerder al de wens uitgesproken dat de schade niet onherstelbaar zou zijn, want als iets weggegooid of vernietigd is, komt het nooit terug. Ik denk soms met weemoed aan het Latijns-Etruskisch woordenboek van keizer Claudius dat verloren is gegaan, of aan de 83 toneelstukken van Aeschylos die ons voor altijd onbekend zullen blijven. Van de film Greed (1924) die oorspronkelijk 9 uur duurde, heeft men bijna 7 uur pellicule weggesneden en vernietigd om het zilver eruit te recupereren.
     Ik heb dus geen argumenten nodig om archieven lief te hebben waar ik zelf nooit in snuister. Maar die argumenten blijven wel op mij afkomen. In De Standaard van vandaag (29/10) lees ik een open brief onder de kop ‘Het gat van Gennez.’ Hij is ondertekend door heel veel ‘makers’ uit de cultuurwereld. En dat merk je: 


Wie vandaag thema’s als kolonialisme, migratie, sociale strijd of mensenrechten aan wil snijden, kan al helemaal niet zonder toegang tot de archieven …


         Zouden we nu de komende jaren door de schuld van Gennez minder kolonialisme, migratie, sociale strijd of mensenrechten te zien krijgen op podia en tentoonstellingen? 


 Trump archiveren
     Prachtig vind ik het wetsvoorstel van Amerikaans Congreslid Jamie Raskin om ‘voorwerpen die verband houden met de narcistische zelfverheerlijking van de president’ te verzamelen te bewaren. Het voorstel heeft officieel de Preserving and Remembering the History of Trump and other Tyrants Act.
     Misschien kunnen mensen binnen 50 jaar niet geloven dat Trump echt bestaan heeft en dat hij echt president is geworden. Ik kan het zelfs nú moeilijk geloven; wat moet dat binnen 50 jaar worden? Dan komen musea en archieven goed van pas kunnen om hun volksopvoedende rol te pelen. Wat zeker niet mag ontbreken in die Trump-musea zijn wassen beelden van de president. Die zullen geloof ik altijd griezeliger blijven dan die doorschijnende holograms. 

Drie kortjes over AI

Kubrick en AI
     Een stuk in Quillette van Graham Daseler over Kubrick.
     De commentaar bij Paths of Glory getuigt van gemengde gevoelens bij de auteur. Hij prijst het ontroerende einde, het realisme van de veldslag en het bekende tracking shot* van Kirk Douglas in de loopgraven. En gaat dan gaat Daseler verder: ‘Unfortunately, the rest of the movie is not so subtle.’ Hij vindt het jammer dat kolonel Dax zo eenduidig goed wordt voorgesteld en de generaals zo eenduidig slecht. Ik zie niet in waarom dat een nadeel moet zijn. Kubrick was juist heel goed in ongenuanceerde karikaturen.
      Kubrick heeft, zoals bekend, vrij lang gewerkt aan een film over AI, die uiteindelijk door Spielberg werd gemaakt, en die ook onder de titel AI is uitgebracht. Laatst werd op het VTM-nieuws gewaarschuwd voor de gevaren die AI met zich meebrengt, en dat werd geïllustreerd met een fragment uit 2001 waar de computer Hal zich keert tegen de bemanning van het ruimteschip. Maar uit het Quillette-stuk onthoud ik dat Kubricks visie weliswaar radicaal maar minder somber was dan je van een pessimistische misantroop zou verwachten:


“Eventually,” he told an interviewer in 1968, “we will have to share this planet with machines whose intelligence and abilities far surpass our own. But the interrelationship—if intelligently managed by man—could have an immeasurably enriching effect on society.”

* Dat tracking shot staat hier. 

 

De datacenters en de spoorwegen
     Lieven Sioen besteedt zijn commentaar van vandaag (DS 7/10) aan de datacenters. ‘Het is de grootste investeringsgolf ooit in de geschiedenis, schrijft hij, na de aanleg van de spoorwegen in de VS eind negentiende eeuw.’ Dat is ook de vergelijking die spontaan bij mij opkomt als ik aan AI denk. Sioen pleit voor meer staatscontrole (‘democratische zeggenschap’) over de datacenters om ervoor te zorgen dat niet ‘alle baten voor de techreuzen zijn.’
     Je hebt mensen die stoppen met lezen als ze in een stuk over hedendaagse politiek de term ‘fascisme’ tegenkomen. Anderen stoppen als ze het woord ‘neoliberalisme’ zien opduiken. Ik moet mijn best doen om niet te stoppen als ik een verwijzing zie naar de ‘baten’ of de ‘superwinsten’ die allemaal naar de ‘techreuzen’ gaan. De belangrijkste baten van zulke technologische vernieuwen zijn altijd voor de consument. Dat was ook zo met die Amerikaanse spoorwegen, al werden sommige aartsschurken er steenrijk mee, als ik de versie van Once Upon a Time in the West mag geloven.


De krant lezen, met de chatbot naast je

     Een uitgebreid stuk over Bouchez en de BTW-verhoging in De Standaard (13/10). In de eerste kolom lees ik dat de BTW-harmonisering van 6 en 12 % tot 9 % en de stijging van 21 naar 22 procent een opbrengst zou geven van 2,5 miljard euro. In de tweede kolom wordt verwezen naar een studie van het Planbureau uit 2016 die de opbrengst van een BTW-verhoging van 1 procentpunt op 80 miljoen euro schat. 80 miljoen versus 2,5 miljard … vroeger zou ik boos geworden zijn op de journalist die dat verschil niet uitlegde. Nu vraag ik het aan ChatGPT en in één seconde weet ik het antwoord. 





zaterdag 31 oktober 2026

Het denigrerend lachje van Tom Sauer

 


   
Op mijn FB-feed krijg ik weinig weinig haatboodschappen te zien. Als ik ze zie voorbijkomen, blijf ik er niet bij stil staan, ik geef geen duimpje, en daardoor heeft het algoritme wellicht begrepen dat haat geen spek voor mijn bek is. Onlangs was dat anders. De Afspraak (14/10) had een uitzending gewijd aan Oekraïne, met Marijn Trio, Alicja Gescinska, Karel De Gucht en professor Tom Sauer. Mijn feed werd overspoeld met haat aan het adres van Sauer: idioot, lafaard, leugenaar … Het is waar dat Sauer de onsympathiekste was van de vier: hij zat achterover geleund, hij keek over zijn bril, en hij heeft weinig talent voor stijlvolle arrogantie: een denigrerend lachje flatteert hem niet zoals het anderen soms wel flatteert. Ook is het moeilijk om sympathiek te zijn in een gezelschap van één tegen drie. 
       Gescinska, Trio en De Gucht namen het dominante Europese standpunt in*: geen vertrouwen in onderhandelingen met de onbetrouwbare expansionist Poetin, en onvoorwaardelijke steun aan Oekraïne onvoorwaardelijk totdat het internationaal recht zegeviert. Sauer probeerde een realistisch standpunt in te nemen, dat ik vroeger al eens
 would-be-realistisch heb genoemd**. Dat neemt niet weg dat hij een aantal sterke argumenten had. Het zijn de volgende: we kunnen slechts speculeren over de intenties van Poetin, internationaal recht is in de geopolitiek ondergeschikt aan machtspolitiek, Rusland is militair sterker dan Oekraïne, de Europese bevolking zal niet eeuwig willen betalen voor de oorlog, en uiteindelijk moet er toch een onderhandelde oplossing komen.
    Dat we slechts kunnen speculeren over Poetins intenties is waar. We kunnen niet in Poetins hoofd kijken, en van zijn verklaringen weten we nooit zeker of we met strategie dan wel met reële doelstellingen te maken hebben. Toen Hitler in Mein Kampf betoogde dat Duitsland moest uitbreiden naar het Oosten, kon men ook niet weten of dat zijn echte intentie was, dan wel demagogie. Het bleek zijn echte intentie te zijn. Als Poetin vandaag verklaringen aflegt over Oekraïne als historisch onderdeel van Rusland, of over het herstel van de Russische invloedssfeer, weten we ook niet of dat demagogie is dan wel een werkelijke doelstelling uitdrukt. Het beste is dan om rekening te houden met het worst case scenario en verder te hopen dat Poetin misschien realistisch genoeg is om zijn imperialisme aan te passen aan de omstandigheden, zoals bijvoorbeeld aan een onverwachte vastberadenheid van Europa. In elk geval ondergraaft Sauer zijn eigen stelling – dat we Poetins intenties niet kunnen kennen – door zelf een naïeve interpretatie van de geschiedenis naar voren te schuiven als zou Poetins beleid verklaard kunnen worden als een reactie op de ‘uitbreiding van de Navo.’
     Dat internationaal recht in de geopolitiek ondergeschikt is aan machtspolitiek is zonder meer waar. Daarin heeft Sauer gelijk. Maar er zijn juist goede machtspolitieke redenen om de macht van Rusland zoveel mogelijk te fnuiken door het in deze oorlog niet met een eenduidige overwinning weg te laten komen. Tegelijkertijd mag men met machtspolitiek niet altijd het onderste uit de kan willen halen. Men moet ook rekening houden met de eigen beperkingen. Toen De Gucht zei dat Rusland gemakkelijk door Europa kon worden verslagen, noemde Sauer dat een agressief ‘oorlogsnarratief’. Hij had beter gevraagd of De Gucht daar we zo zeker van was, rekening houdend met het adagium dat Rusland altijd zwakker is dan men vreest, en sterker dan men hoopt.
     Rusland is militair sterker dan Oekraïne, beweert Sauer. Daar valt niets tegen in te brengen, en het is dan ook de reden waarom Europa militaire steun moet blijven verstrekken aan Oekraïne. Buitenlandse steun is nooit voldoende, maar als een volk vastberaden vecht kan die steun wel de balans doen doorslaan. De Sovjet-Unie in de Tweede Wereldoorlog was militair ook zwakker dan Duitsland. Vietnam was in de jaren 60-70 militair ook zwakker dan de Verenigde Staten. Maar die twee landen hebben een sterkere vijand verslagen mede dankzij buitenlandse hulp.
      De Europese bevolking, beweert Sauer nog, zal niet eeuwig willen betalen om de Oekraïeners te steunen. Goed, daar zit een kern van waarheid in. De publieke opinie in democratische landen is fundamenteel pacifistisch en niet zo bezig met geopolitiek***: geopolitiek is iets voor generaals, diplomaten, en eurocraten. Zelenski is populairder onder de Europese regeringsleiders dan onder de Europese bevolking. Linkse en rechtse populistische partijen kunnen daarop inspelen. Toch zullen de Europese regeringsleiders niet snel van koers veranderen. Ze krijgen verontrustend nieuws van hun inlichtingendiensten. Ze zijn Europees en in Navo-verband aan elkaar vastgeklonken. Ze staan in nauw contact met de landen die een meer directe bedreiging van Rusland vrezen. En ze kunnen zich die steun aan Oekraïne financieel veroorloven omdat die door alle lidstaten samen gedragen wordt. Joren Vermeersch wijst erop dat de steun voor Oekraïne in België en Frankrijk 0,35 procent van de staatsuitgaven vertegenwoordigt****. Dat gaat nog altijd over miljarden, en je kunt van de bevolking geen enthousiasme verwachten, maar een met-de-voeten-slepend begrip voor de Oekraïeners is zeker mogelijk, vooral als mensen als Sauer niet elke dag op de televisie komen.
     Het laatste punt van Sauer is het sterkste: uiteindelijk moet er toch een onderhandelde vrede komen. Hier waren de tegenargumenten van De Gucht en Gescinska – maar niet van Trio – aan de zwakke kant. Poetin is onbetrouwbaar, zeiden ze, hij houdt zijn woord niet, en hij blijft bij zijn maximale doelstellingen. Dat is allemaal waar, maar het zijn geen redenen om niét te onderhandelen. Het zijn redenen om alleen een evenwichtig compromis te aanvaarden, om de militaire steun vol te houden tot er een akkoord is, en om na dat akkoord de defensie van Oekraïne en Europa verder te versterken. Over die volgehouden militaire steun zegt Sauer zou weinig mogelijk, en bij zijn plan voor een Europese vredesarchitectuur na de oorlog lijkt hij zijn eigen principe te vergeten: dat internationaal recht (en akkoorden) ondergeschikt zijn aan machtspolitiek.
     Ik ben niet vergeten dat Sauer in het begin van het conflict vredesvoorstellen deed die neerkwamen op een regelrechte capitulatie van Oekraïene en Europa. Hij had duidelijk het potentieel tot taai verzet van de Oekraïeners onderschat. Zijn huidige vredesplan daarentegen is evenwichtiger, al zou ik er als diplomaat geen openingsbod van maken. Het bestaat uit acht punten:

      1. Oekraïne mag een soevereine staat blijven

Dat zijn mooie woorden. Een vazalstaat kan op papier ook ‘soeverein’ zijn, en niets belet Rusland om later, via een getrukeerd referendum Oekraïne alsnog bij Rusland in te lijven.

      2.  Oekraïne mag een democratisch systeem uitbouwen

Ook dat zijn mooie woorden. Ze kunnen bovendien door Poetin als voorwendsel worden gebruikt als hij vindt dat dat het democratisch proces niet gerespecteerd wordt. Dat was zijn hele redenering in verband met de Maidan-opstand in 2014. 

      3. Oekraïne mag in de Westers invloessfeer komen en bij de Europese Unie aansluiten

Dat is inderdaad een belangrijk punt én zou een toegeving van Rusland inhouden. Opvallend is dat Sauer zelf bij herhaling twijfel zaait over die aansluiting bij de EU. Hij wijst vooral op de tegenstrijdige belangen van de Oekraïense, de Poolse, de Franse en de Belgische landbouwers.

      4. Oekraïne mag bewapend blijven en het niveau van bewapening van Oekraïne en Rusland maakt deel uit van de onderhandelingen

Een heel gevaarlijke kwestie om over te onderhandelen met een onbetrouwbare vijand. Hoe groot is de kans dat Poetin zijn niveau van bewapening ondergeschikt maakt aan een papieren afspraak? Hoe groot is de kans dat hij de het defensiebeleid van Oekraïne aangrijpt om het land aan te vallen onder het voorwendsel dat het zich niet aan de afspraken houdt?

      5. Oekraïne moet veiligheidsgaranties krijgen

Sauer heeft daar zijn ideeën over, zegt hij, maar hij heeft er in de uitzending niet over uitgeweid.

      6. Oekraïne moet een deel van haar grondgebied afstaan

Dat is een onvermijdelijk aspect van de onderhandelingen. Sauer merkt terecht op dat het weliswaar zeer onrechtvaardig is maar dat Poetin het veroverde gebied niet zál teruggeven. Er kan veel discussie zijn over de precieze grens en de juridische modaliteiten. Hier is vanuit Europees standpunt een belangenverschil met Oekraïne. Europa heeft alle belang bij een soeverein, liberaal-democratisch, Westers en goed bewapend Oekraïne, maar hoeveel vierkante kilometers Oekraïne precies kan behouden en moet prijsgeven, is voor ons van ondergeschikt belang. Misschien zouden we zelfs voordeel hebben bij een grotere toegeeflijkheid van Oekraïense zijde zodat het conflict sneller beëindigd wordt.
    Ik heb vroeger eens geschreven dat buitenlands beleid voor 80 procent uit Realpolitik en voor 20 procent uit morele waarden zou moeten bestaan. Hier gaan de morele waarden meespelen en het is niet toevallig dat een amorele en immorele Trump precies over die kwestie met Oekraïne in conflict komt. De Gucht, Gescinska en Trio vonden alle drie dat Europa hier de wensen van de Oekraïeners moest respecteren. Zij vechten niet alleen voor liberale democratie, maar ook voor symbolische kwesties als nationale eer en wraak om aangedaan onrecht. Aangezien zij daarvoor extreme ontberingen lijden en talloze mensenlevens opofferen, en wij 0,35 procent van onze begroting, is het passend dat zij het laatste woord hebben over het territoriale compromis. Het is voor Europa een kwestie van respect, loyaliteit en dankbaarheid. Zonder zulke morele waarden zal elke gemeenschappelijke Europese defensie onmogelijk zijn, want die houdt altijd in dat het een land dat niet rechtstreeks bedreigd wordt een land dat wel rechtstreeks bedreigd wordt bijspringt. Zo
’n solidariteit – met de zelfopoffering die daarbij komt kijken – is onmogelijk als je alléén rationeel en realistisch je belangen afweegt.

       7. Oekraïne mag niet bij de Navo aansluiten

Poetin zal, vrees ik, op dat punt nooit willen toegeven. Dat bewijst zijn kwade wil, want de toetreding van Oekraïne tot de Navo zou voordelig zijn voor  Rusland. Poetin weet maar al te goed dat hij van het fundamenteel pacifistische Europa geen Navo-inval moet vrezen. Omgekeerd bestaat er altijd het gevaar dat een nationaal gekrenkt Oekraïne pogingen doet om de Donbas te heroveren. Lidmaatschap van de Navo zou zo’n avontuur onmogelijk maken want de andere Navo-landen die niet in een hete oorlog willen worden meegesleurd, zouden daar een veto tegen uitspreken.
       Maar Poetins weigering om Oekraïne toe te laten om bij de Navo aan te sluiten wijst erop dat hij er een andere redenering op nahoudt. Hij wil zijn handen vrijhouden om later opnieuw Oekraïne aan te vallen, zonder dat de Navo-landen tot militaire solidariteit verplicht zijn. 


       8. Europa herneemt zijn economische betrekkingen met Rusland

Sauer noemt dat een carrot, een incentive om Poetin aan de onderhandelingstafel te lokken. Daar zit veel waarheid in. Die vernieuwde economische betrekkingen zouden voordelig zijn voor Rusland en voor Europa. Alleen mag Europa de oude fout niet maken om zich eenzijdig van Russische grondstoffen afhankelijk te maken en zonder de illusies van de Ostpolitik dat handel met Rusland voldoende is om het gevaar van militair expansionisme automatisch te doen verdwijnen. 

                                                                    ***

     Op een punt, ik herhaal het, heeft Sauer helemaal gelijk: eigenlijk zou Europa meer moeten doen om met Rusland te onderhandelen. En misschien heeft hij gelijk als hij dat gebrek aan diplomatieke ijver wijt aan interne verdeeldheid. Het is gemakkelijker om die verdeeldheid te overstijgen als men knus onder elkaar resoluties aanneemt en weer eens een nieuw sanctiepakketje afspreekt dat weer eens minder impact zal hebben dan men had gehoopt Maar een diplomatieke strategie afspreken is nog iets anders. En wie gaat men sturen om aan die lange witte tafel tegenover Poetin plaats te nemen? Een regeringsleider van een groot land? Dan zijn de andere grote landen jaloers. Iemand van een klein land? Dan lacht Poetin hem of haar vierkant uit? Iemand van de Europese Commissie? Die zal dan een stevig mandaat moeten hebben.
     En natuurlijk is het moeilijk om te onderhandelen met iemand die slecht en onbetrouwbaar is.  Sauer suggereerde in het verleden dat Europa door haar militaire steun terug te schroeven diplomatiek krediet kon verzamelen als neutrale bemiddelaar. Dat is de heilloze weg die Trump heeft gevolgd. Ook moet moet Europa er rekening mee houden dat Rusland zelfs na een akkoord de agressie op elk moment kan hervatten. Papieren garanties houden geen tanks, vliegtuigen, raketten of drones tegen. Het zal daarom nooit verstandig zijn om de militaire capaciteit van Oekraïne door een akkoord te laten kortwieken, of om de eigen defensie-inspanningen weer terug te schroeven tot wat ze waren in de Gouden Tijd van het Vredesdividend en het Einde van de Geschiedenis. Die tijd zal niet snel terugkomen. 

 

* Het dominante standpunt is links-liberaal gekleurd, maar verschilt slechts in nuances van een rechtsliberaal, conservatief of sociaaldemocratisch standpunt. 

** Mijn stukje over het would-be-realisme van Sauer staat hier.

*** Het stuk van Joren Vermeersch staat hier

**** Voor een korte uitleg over het verband tussen democratie, pacifisme en geopolitieke desinteresse, zie het substack-artikel van Gérard Roland: hier. Het pacifisme van de Europeanen bestaat onder andere hierin dat men niet aan oorlog wil dénken. De partij van mijn jeugd, Amada, heeft zich nooit meer geïsoleerd dan toen ze propaganda maakt voor de bouw van atoomschuilkelders.  

vrijdag 30 oktober 2026

Ketchup en 'politiek bewustzijn'



     Nona De Dier past in haar nieuwste stukje voor De Standaard (20/10) de oude columnistentruc toe die Addisson & Steel al gebruikten in 1711 toen ze The Spectator uitbrachten, een truc die bij ons werd overgenomen door Justus van Effen in zijn Hollandse Spectator: je vertrekt van een kleine observatie en gebruikt die als aanloop voor een bredere beschouwing. Nora’s kleine observatie is dat je in het studentenrestaurant De Brug voortaan mayonaise en ketchup à volonté kunt bijtanken, zonder die per potje extra te moeten betalen. 

     Nona ziet daarin een ‘investering in een openbare dienst’ en ze betreurt dat die politieke logica aan het verdwijnen is.


‘De bus ketchup,’ schrijft ze, ‘staat symbool voor wat had kunnen zijn. Niet alleen betaalbare maaltijden voor studenten, ook frequente, op tijd rijdende bussen en woningen aan redelijke prijzen lagen ooit binnen handbereik.’

       De uitdrukking lagen binnen handbereik is mooi, maar het mooiste is hoe Nona haar inzicht verantwoordt dat er meer subsidies moeten zijn voor studentenrestaurants, autobussen, goedkope woningen en wat nog allemaal. 

Al sinds ik politiek bewust ben, hoor ik rondom mij een discours van teloorgang, waarbij rechts aanmoedigt zo veel mogelijk de broekriem aan te halen en links niet verder komt dan te proberen de schade te beperken. 

      Al sinds ik politiek bewust ben … Op welke leeftijd zou dat zo gekomen zijn? Was het een langzaam proces, of een plots inzicht? Heeft Nona dat inzicht zelf verworven door om zich heen te kijken, of heeft ze een boek gelezen? Misschien had ze het geluk op haar levenspad een leermeester tegen te komen die met een stok op haar hoofd sloeg? Denkt Nona nog vaak terug aan de tijd dat ze nog niet politiek bewust was?






  

woensdag 28 oktober 2026

Nobelprijs voor Nieuw-Keynesianen

    Telkens als er een ‘Nobelprijs’ Economie wordt toegekend, probeer ik een heel klein beetje te begrijpen welke ontdekking de winnaar of winnaars van dat jaar hebben gedaan. Dit jaar ging de prijs naar Robert E. Hall en Michael Woodford. Ze worden beschouwd als de grondleggers van de Nieuw-Keynesiaanse school, en als de naam Keynes valt, worden wij, van de Oostenrijkse school, achterdochtig.
     Keynes, dat is bekend, legde graag correlaties tussen globale grootheden, met als bekendste voorbeeld het overband tussen inflatie en werkloosheid: hogere inflatie leidt tot lagere werkloosheid en omgekeerd. Maar werkloosheid is een kwestie van miljoenen individuele beslissingen van bedrijven, van werknemers en van werklozen. En hier komen de Nieuw-Keynsianen op het toneel door die individuele beslissingen nader te bekijken, vooraleer ze op te tellen tot globale grootheden.
     Hall, met name, werkte verder op een hypothese van Milton Friedman: die van het ‘permanente inkomen’. Mensen baseren hun uitgaven niet zozeer op hun inkomen – de tering naar de nering zetten – maar op hun verwacht inkomen op langere termijn. Hall formuleerde de hypothese preciezer, zodat ze statisch kon worden getoetst. Om de toekomstige consumptie te voorspellen moet je kijken naar de huidige consumptie, niet naar het huidige inkomen, omdat de huidige consumptie al rekening houdt met het verwachte inkomen. Of preciezer: de huidige consumptie voorspelt de toekomstige consumptie; het huidige inkomen verbetert die voorspelling niet. En of dat waar is kan worden nagegaan aan de hand van statistieken uit het verleden waarin de evolutie van de consumptie en van de inkomens met elkaar worden vergeleken (samen met veel andere gegevens).
     Volgende maand gaat mijn vrouw met pensioen. We verwachten een daling van ons gezamenlijk inkomen. We zijn nu al onze consumptie aan het aanpassen. Maar omdat we helaas niet helemaal rationeel zijn, en niet zo goed in cijferen, zullen we het toch eerst moeten ondervinden welk consumptieniveau bij ons nieuwe inkomen past, door onze zichtrekening in de gaten te houden. Het model van Hall is ingenieus, maar mijn vrouw en ik passen er niet helemaal in. Maar dat er in de samenleving veel zulke misfits rondlopen, dat zal de econoom ook wel geweten hebben. 
     Een andere vraag is of zo’n ontdekking praktisch nut heeft. Kan de overheid er conclusies uithalen over het afbouwen, het uitbreiden of het verfijnen van staatsinterventie in de economie? Of is het meer iets zoals ontdekkingen in de fysica die ons –  dat wil zeggen een handvol geleerden die slim genoeg zijn om ze te begrijpen –  beter inzicht verschaffen in de bouwstenen van de natuur? Dát weet ik niet. 


De toekomst van de sociale zekerheid

De noodzakelijke besparingen

          Een linksliberaal heeft een dubbelzinnige houding tegenover de huidige problemen van de sociale zekerheid. Hij aanvaardt de besparingen die zich vanuit de economische realiteit opdringen. Als teveel mensen die niet echt werkzoekend of écht ziek zijn – dat is niet gemakkelijk om uit te maken – een uitkering krijgen als werkloze of als langdurig zieke, dan moet daar iets aan gebeuren. Dat is de bottom line. Karel Verhoeven bijvoorbeeld schrijft (DS 13/10):

 

Solidariteit vereist inderdaad dat steun genereus is, maar zo precies en tijdelijk mogelijk. Deze regering trekt de hekken op zowel voor werkloosheid als voor langdurige ziekte. Dat moest gebeuren.

 

     Dat is de liberale conclusie. Maar daar moet flink wat linkse saus over het gebrek aan ‘perspectieven’ voor de ‘meest kwetsbaren’ die onvoldoende geholpen worden met trajecten. Er moet een sneer worden gegeven aan Sammy Mahdi die mensen wil verplichtenaan het werk te gaan. En de positieve gevolgen van de hervorming moeten zoveel mogelijk geminimaliseerd worden.

 

Zo levert een hervorming die werklozen massaal zou dwingen te werken, de zeer bescheiden winst op van 5 procent extra uitstroom naar werk, becijferde de VDAB.

 

     Maar die vijf procent moet eigenlijk vijf procentpunt zijn. De VDAB heeft inderdaad onderzocht wat er met langdurige werklozen gebeurde nadat de meesten van hen hun uitkering verloren. 

 

Uitstroom naar duurzaam werk: 17 %

Uitstroom naar ziekte:                 21 %

Ontvangen een leefloon:             19 procent

 

       Die uitstroom naar duurzaam werk was vóór de hervorming 12 % en is nu dus 17 %. Dat is inderdaad een stijging van 5 procentpunt, maar als ik het succes maximaal wilde voorstellen, had ik dat een stijging van 40 % genoemd.

         Verhoeven betreurt dat de mensen die hun werklozensteun of ziekte-uitkering verliezen nu in het ‘Belgische labyrint’ terechtkomen. Daarmee bedoelt hij dat ze van uitkeringsysteem veranderen. Voor de steden en gemeenten die de OCMW’s moeten financieren is dat een probleem, maar voor de steuntrekkers ben ik er gerust in: de meesten zullen hun weg in het labyrint wel vinden die naar de OCMW-uitkering leidt. Ik zie ook geen alternatief voor die uitkering. Je kunt die mensen niet laten omkomen van de honger. En zolang die uitkering wel bestaat, zal een deel van de steuntrekkers de voorkeur geven aan de lage uitkering zonder werken boven een hoger loon mét werken.



 

Geld halen bij de bedrijven

       Voor authentiek links, zoals ABVV-voorzitter Bert Engelaar zit het anders in elkaar. Door allerleid rechtse maatregelen heeft de staat zelf de tekorten gecreëerd waardoor de sociale zekerheid in de problemen komt. Er zijn kortingen doorgevoerd op de patronale bijdragen en loonsubsidies. ‘In de privé-sector lopen die dit jaar alleen al op tot ruim 16 miljard,’ schrijft hij in een opiniestuk (DS 13/10).

     Engelaar is wel zo voorzichtig om de conclusie van zijn redenering niet helemaal helder te formuleren: alles kan worden opgelost door zwaardere fiscale en parafiscale lasten op de bedrijven. Dan heeft De Wever meteen 16 miljard, in plaats van de 10 miljard die hij zoekt. 

     Nu, misschien moeten de slecht draaiende bedrijven worden ontzien om geen golf van afdankingen te krijgen, maar de bedrijven die winst maken, die moeten eraan geloven. ‘De netto-winstmarges stegen van 7,4 procent in 2013 naar 10 procent vandaag,’ schrijft Engelaar verontwaardigd. Het is zonde dat ik het zeg, maar ik heb meer sympathie voor de PVDA-propaganda om de vermogens extra te belasten dan voor de ABVV-propaganda die de succesvolle bedrijven extra wil belasten.

     Pieter Termmermans van het VBO heeft geantwoord op Engelaar (DS 14/10) en meteen een aantal andere cijfers naar voren geschoven die aannemelijk maken dat besparen op uitgaven (en sociale zekerheid) meer voor de hand ligt dan bedrijven belasten.

  • de primaire uitgaven van de staat zijn sinds 2000 gestegen van 42 % naar 52 %van het BBP
  • de inkomsten van de staat zijn sinds 2000 gelijk gebleven: 49 % van het BBP
  • de winstmarges na investeringen en belastingen zijn sinds 1995 gedaald van 8,2 % naar 7,3 % nu.

  


 

De vergrijzing en het scholierenprotest

       Nial Fergusson schreef deze week een boeiend stuk in The Free Press over de protesterende jeugd in Frankrijk, Spanje en Brussel. Ook hij brengt de sociale zekerheid ter sprake

 

Zoals welbekend heeft Europa een relatief genereuze sociale zekerheid, met meer belastingen en herverdeling dan in de Verenigde Staten. Alleen zijn die systemen destijds ontworpen voor samenlevingen met 2,5 kinderen in plaats van 1,25 per gezin, en met een levensverwachting van 62 in plaats van 79 jaar. Op enkele uitzonderingen na zitten die modellen in de vroege fase van een steile duik in de insolvabiliteit.

 

     Waar ik Fergusson niet kan volgen is als hij vervolgens een verband ziet tussen deze pijnlijke situatie en de jongeren die op straat komen. De jongeren zouden, volgens die redenering, vaag moeten aanvoelen (are dimly aware but dont appear to understand) dat zij de klos zijn, dat ze de sociale zekerheid voor oma en opa zullen moeten betalen. 

     Maar zelfs zo’n vaag aanvoelen lijkt mij een onnodige hypothese. Journalisten, sociologen en historici zijn altijd geneigd om straatprotest te rationaliseren. Ze doen dat door op zoek te gaan naar een eisenprogramma, of naar dieper liggende motieven. Soms is dat terecht. Niets gebeurt in het luchtledige.
      Maar men mag het ook niet te ver zoeken. Op straat komen om te protesteren (of om te vernielen) kan ook gewoon leuk zijn. Het enige wat men nodig heeft om op straat te komen is een voorbeeld, een aanleiding, een excuus en de belofte van opwinding. Natuurlijk helpt een atmosfeer van ontevredenheid, het gevoel van ‘being screwed’. Nogal wat jongeren zijn heel ontevreden dat ze naar school moeten gaan, en een verdubbeling van het Onderwijsbudget zou daar niet veel aan veranderen. 

 

* Het stuk van Ferugusson kan hier worden opgehaald. 

 

 

dinsdag 27 oktober 2026

De 'legitieme eisen' en het straatgeweld

De ‘legitieme eisen’ van de Franse jeugd 
     Ik krijg de hik als iemand op de televisie het cliché gebruikt als zouden de vreedzame manifestanten opkomen voor ‘legitieme eisen’. Dát men vreedzaam betoogt is inderdaad legitiem, maar de eisen waarvóór men betoogt zijn wat mij betreft pure waanzin. Er is niets legitiems aan eisen om grotere uitgaven van een staat die bijna failliet is in een land met een stagnerende economie. 
     Overigens begrijp ik waar het cliché van de legitieme eisen vandaan komt: een mens wil graag de nuance opzoeken, en hij meent die te vinden door een of andere onderscheid te maken, bijvoorbeeld tussen de vreedzame betogers en de geweldenaars. Dat is een terecht onderscheid; helaas om het in de verf te zetten gaat men ongemerkt een stap te ver. Ik weet niet of die drogreden een naam heeft, maar je komt hem vaak tegen. Men maakt een onderscheid, en men denkt dat het onderscheid zelf een argument is, in dit geval dat de vreedzame betogers, aangezien ze vreedzaam zijn, wel legitieme eisen móeten hebben. 
     Aangezien die respons zo vaak voorkomt, zouden de vreedzame betogers eigenlijk moeten hopen dat er zich zoveel mogelijk relschoppers aansluiten: des te luider hoor je dan de genuanceerde roep om enerzijds het geweld te veroordelen en anderzijds respect op te brengen voor de eisen. 
     Maar nu voel ik zelf de nood aan nuance in mij opkomen. In werkelijkheid is het zo dat geweldexcessen in de marge van een vreedzame betoging niet altijd respect voor de eisen afdwingen. De excessen hebben namelijk een dubbel effect hebben: voor sommige toeschouwers worden de eisen door het geweld gediscrediteerd, voor anderen worden ze indirect gelegitimeerd. Het is dat laatste dat ik hier wou toelichten.
     En nu ik toch aan het nuanceren ben: misschien zouden we wel degelijk kunnen spreken van legitieme wensen. Want dat iemand iets wenst, kun je hem niet kwalijk nemen. Zelf wens ik bijvoorbeeld dat er in de toekomst niet te veel aan mijn pensioen wordt geknaagd. Toch wil ik daar geen eis van maken. Zo’n eis stel je nooit aan de politici, maar aan het deel van de bevolking dat dat pensioen moet betalen.


Legitieme eisen over de pensioenleeftijd
    
Als de jonge manifestanten per se een legitieme eis willen stellen, zouden ze kunnen vragen om de sociale zekerheid in hun voordeel te veranderen. Het huidige modaliteiten van het pensioenstelsel en de ziekteverzekeringen zijn indertijd uitgewerkt met het oog op een samenleving met veel minder oude en zieke mensen. Het resultaat is dat de gezonde, jonge werkende bevolking een groot deel van haar inkomen moet overdragen aan de grijsharigen en de kaalkoppen. Toch zie je op de jongerenbetogingen geen bordjes met de eis: Hogere pensioenleeftijd, Nu! Zoals de vinnige schrijfster Lionel Shirver het stelt in The Spectator:

Waves of protest have ensured that the state [in France] remains bloated, burdening younger taxpayers with the extreme cost of pensions that still kick in at age 62 – youth’s reaction to which appears to be an eagerness to jump on the same gravy train at the earliest age possible.

     Voor de goede orde voeg ik eraan toe dat overdracht van welvaart tussen aan de ene kant werkende jongeren en aan de andere kant op hun lauweren rustende ouderen onvermijdelijk is in elke samenleving. Ook als de ouderen uitsluitend van hun spaarcenten zouden leven, zouden ze met die spaarcenten producten en diensten te kopen die niet naar jongeren gaan, maar wel door jongeren worden geproduceerd.

 

Economische stagnatie en sociale eisen
     Een heldere analyse van de economische toestand in Frankrijk vindt men in in een stuk van de nogal links-liberale econoom Noah Smith:  France and the Limits of Liberalism*. Elchardus vat de kwestie samen in zijn column in De Morgen*: wie beweert dat er ruimte is voor een ruimer sociaal beleid bedriegt het publiek. De economische stilstand in Europa kan maar doorbroken worden door productieve investeringen van de privé-sector of de overheid. En wie meer wil investeren, moet minder consumeren.

Elke stap in de juiste richting betekent op korte termijn minder welvaart, minder welzijn, minder cultuur, minder erfgoed, minder groei in de gezondheidszorg, minder pensioen, hogere lasten...



Links begrip voor het straatgeweld
     Geraard Goossens heeft op zijn Facebook-pagina een paar fraaie citaten verzameld van revolutionaire sympathisanten. Het zijn echo’s van wat ik in mijn PVDA-tijd te horen kreeg en zelf ook verkondigde. Alleen zeggen of schrijven de huidige PVDA-leiders zoiets niet meer. Maar of ze zoiets denken, weet ik niet. Het zou mij toch verwonderen dat ze minder revolutionair dan een Franse successchrijver, een Oostendse leraar die FB-stukjes post, en een activistische film- en theatermaker.
 
     De Franse schrijver Edouard Louis, lees ik op Wikipedia, is zelf afkomstig uit een arm gezin. Hij is een vertegenwoordiger van het Franse temperament dat voor zoveel revoluties heeft gezorgd dat ik telkens weer moet opzoeken welke van die revoluties het nu precies is die in Les misérables voorkomt. Louis schrijft:  

Wanneer je een arbeider bent, of wanneer je een jonge zwarte of een jonge arabier bent en op straat de hele dag gecontroleerd wordt, een hele de dag vernederd wordt, wanneer je gedood wordt door de politie – Adama Traoré, een zwarte jonge man, werd vermoord om de simpele reden dat hij zwart was – als je daarmee leeft, is het normaal dat je de boel in brand steekt op straat … Wat ik wil zeggen is dat ik er geen enkel probleem mee heb dat men de straten van Parijs in brand steekt en dat men dingen gaat vernietigen, want je moet dit systeem veranderen. En dus, aan politiek doen wil zeggen al dan niet bloed aan je handen hebben. Er is nu eenmaal geen grote revolutie zonder excessen.

     Vlamingen zijn daarin braver. Frank D’hanis beperkt zijn allusies op geweld tot de clichés van ‘de vonk die overslaat’ en van veranderingen die ‘niet zonder slag of stoot’ worden afgedwongen. Verder zet hij zijn hyperbolen vooral in voor de beschrijving van de huidige miserabele toestanden. 

We laten ons niet langer afbeulen, vernederen, in een onleefbare wereld zetten … Het is op straat dat de vonk voor de verandering zal overslaan. Dat zal niet zonder slag of stoot gaan.  

     En Dominique Willaert houdt het bij het neutrale woord ‘verzet’ al heeft hij voor zijn conclusie iets pikanter opgediend.

Zolang het establishment er niet in slaagt om la violence sociale te beantwoorden met herverdelende en sociale maatregelen, zal het verzet alleen maar toenemen. De huidige liberale democratieën in Europa zijn immers een systeem dat door en door rot is.  

    ‘De liberale democratieën die door en door rot zijn’ … hoe groot is niet de verleiding om nu te verwijzen naar een bepaald discours dat in de jaren 30 in de mode was.

 

Categorieën van manifestanten
     Je kunt bij de straatrellen vooreerst een a priori onderscheid maken tussen

  • Vreedzaam  gewelddadig
  • Politiek  apolitiek (‘voor de kick of voor de plunderingen’)
    • Gematigd  extremistisch
  • Autochtonen  allochtonen. 
      Ik zou nog andere categorieën kunnen toevoegen zoals ‘georganiseerd’ versus ‘niet-georganiseerd’, en  ‘jongeren’ versus ‘ouderen’ maar het is zo al ingewikkeld genoeg.
     De grens tussen ‘gematigd’ en ‘extremistisch’ is een politieke kwestie: voor mij zijn al die manifestanten – ook de vreedzame – minstens in enkele opzichten extremistisch. De grens tussen autochtoon en allochtoon lijkt mij dan weer een kwestie van definitie. Cossaer vind het belangrijk om een goed onderscheid te maken tussen ‘wonende in een banlieu’, ‘van migratieachtergrond’, ‘immigrant’ en ‘buitenlander’. Ik til daar minder zwaar aan, en gebruik ‘allochtoon’ hier als afkorting voor ‘van migratieachtergrond’.
     Als je de bovenstaande vier onderscheidingen met elkaar combineert, bekom je 12 categorieën.  Sommige categorieën zullen heel groot zijn, zoals vreedzaam+autochtoon+politiek. Andere categorieeën zullen zo goed als leeg zijn, zoals vreedzaam+autochtoon+apolitiek. Als iemand apolitiek en vreedzaam is, met andere woorden noch geïnteresseerd in politieke eisen, noch op zoek naar kicks en plunderingen, waarom zou zo iemand dan een vrije dag opofferen om te gaan manifesteren?
     Interessant is de discussie over de categorie gewelddadig, omdat die bij de rellen in Frankrijk zo groot was. Volgens een speculatie in De Standaard bestond die vooral uit enerzijds autochtoon+extremistisch-politiek (de black blocks die vechten tegen de politie) tegenover allochtoon+apolitiek (plunderaars) anderzijds. ’t Is best mogelijk, maar ik heb op de televisiebeelden in elk geval ook blanke plunderaars gezien. 


De ‘kiemen van het geweld’
    In een column van Rik Torfs (
Doorbraak 24/10) kwam ik een gedachte tegen die bij mij ook al opgekomen was en die ik geprobeerd heb onder woorden te brengen. Maar Torfs zegt het spitser: 


Tegelijk denk ik – ik ben geen expert – dat in eisen, naarmate ze radicaler worden, de kiemen van het geweld onvermijdelijk aanwezig zijn.


     Alleen biedt de stelling in zijn metaforische algemeenheid – de ‘kiemen van het geweld’ – geen verklaring voor wat in Frankrijk is gebeurd. Noch het geweld van de plunderaars, noch het geweld van de anarchistische black blocks hebben een rechtstreeks verband met een of andere eisenprogramma, en als je erover nadenkt is het zelfs moeilijk om een onrechtstreeks verband te vinden.

      Hoogstens zou je er de dubbelzinnigheid van PVDA en LFI mee kunnen verklaren. Voor die politieke formaties zijn de radicale eisen zó belangrijk –  op zichzelf genomen of omwille van hun mobilisatiewaarde – dat vernielingen en plunderingen een detail worden, een onvermijdelijk kwaad dat je desnoods gauw-gauw moet veroordelen, maar dat je toch vooral aangrijpt om de politierepressie aan te klagen. 

 

* Het artikel van Noah Smith staat hier: France and the limits of liberalisme. Het stuk van Elchardus vindt men (hier of hier).