dinsdag 7 juli 2026

Danscènes in (oude) films, e.a.

 


Dansscènes in (oude) films
    Een van de films die mijn persoonlijke ontwikkeling als filmkijker het meest ontwikkeld heeft, is That’s Entertainment (1974), een compilatie van oude musicalfragmenten aan elkaar gepraat door Gene Kelly en Fred Astaire. Maar ondertussen heb ik wat aan vermogen tot naïef enthousiasme ingeboet. De ‘Trolley Song’ uit Meet Me in St. Louis (1944), ‘Get Happy’ uit Summer Stock, ‘The Red Blues’ uit Silk Stockings (1957) en de ‘Barn Dance’ uit Seven Brides for Seven Brothers (1954) vind ik nu een beetje kinderachtig. En als Cyd Charisse en Ann Miller hoog uithalen met hun benen, word ik bang.
 
     Ach, 1974, That’s Entertainment … het was een periode in mijn leven dat ik een grote behoefte had aan escape, en die oude films met hun song and dance routines waren daar goed in. Later heb ik gemerkt dat met name dansscènes meestal snel mijn geheugen verlieten. Vraag ik aan Grok een lijstje van de 100 beroemdste dansscènes in films, dan staan daar erg veel films bij die ik gezien heb, maar weinig dansscènes die ik mij herinner.
      Soms blijft een scène hangen omdat ze speciaal is: Fred Astaire die danst met een bezemsteel of op het plafond, Gene Kelly die danst met Mickey Mouse, Mary Poppins die met schoorsteenvegers danst op de daken van London, vampiers die dansen op een bal, matrozen die aan sightseeing doen in New York, de shakers die tekeer gaan in The Testament of Ann Lee (2025). Dat betekent niet noodzakelijk dat ik die scènes heel goed vond, maar ik heb ze tenminste onthouden. Het omgekeerde gebeurt ook. Ik weet dat ik Strictly Ballroom (1992) erg goed vond, en de dansscènes zullen ook wel goed zijn, maar ik kan er mij geen enkele van herinneren, zonder ze op Youtube op te zoeken.
 
     Hieronder probeer ik een lijstje op te stellen van dansscènes en andere muzikale choreografieën die wél een blijvende indruk gemaakt hebben én die ik mooi vond. Mijn lijstje gelijkt slechts heel gedeeltelijk op dat van Grok, of op die typische compilaties die men op Youtube vindt. (Zoals hier hier en hier)

      Dus, memorabel én goed bevonden én mij toevallig via associatie te binnen geschoten, in chronologische volgorde: 

  1. Gold Diggers of 1933 (1933), ‘Shadow Walz’*
  2. The Gold Rush (1925) ‘Roll Dance’
  3. Top Hat (1934), Dancing cheek to cheek
  4. Red Shoes (1948), ‘The Ballet’ (te veel ballet voor mij, maar uit respect)
  5. Singing in the Rain (1952), ‘Singing in the Rain’
  6. West Side Story (1961),America’, ‘Dance at the Gym’
  7. Oliver! (1968) Who will buy my sweet roses
  8. Sweet Charity (1969), ‘Hey Big Spender,’ ‘Rich Mans Frug,’ ‘The Rhythm of Life’
  9. Cabaret (1972), ‘Mein Herr’
  10. The Turning Point (1977), ‘Het schimmenrijk’ uit La Bayadère
  11. All That Jazz (1979) ‘On Broadway’‘Bye Bye Life’‘Everything Old Is New Again’ **
  12. Back to the Future (1985) ‘Johnny B. Goode’, vanaf 3:11
  13. Moonlighting (1986, sz 3, afl. 6), ‘Big Man on Mulberry Street’.  
  14. The Simpsons (1989), Compilatie. A Streetcar Named Marge

  15. Billy Eliot (2000) , ‘Angry Dance’
  16. Moulin Rouge (2001), ‘Roxanne’
  17. Chicago (2002), ‘Cell Block Tango’
  18. Nine (2009), ‘Be Italian’
  19. How I Met Your Mother (2010, sz 5, afl. 12), Nothing Suits Me Like a Suit
  20. Les misérables (2012), Master of the House
  21. Hail, Caesar! (2016) ‘No Dames’
  22. La La Land (2016), Another Day of Sun, Someone in the Crowd, A Lovely Night, Planetarium Scene, City of Stars
  23. Babylon Berlin (2017),  ‘Zu Asche, zu Staub***
  24. Halstone (2021) ‘Liza with a Z’ ****
  25. Michael (2026), ‘Thriller’***


Onmiddellijk daarna volgt het onvergetelijke ‘My Forgotten Man’, waarvan ik het eerste gedeelte helaas niet als dansnummer in mijn lijst kon smokkelen (hier); het tweede deel is meer choregrafisch (hier)

** Van All That Jazz zou ik alle dansnummers in mijn lijst willen opnemen, behalve dat pretentieuze erotische ballet Take Off With Us dat vanaf de derde of vierde keer kijken begint te vervelen. 

***  Zu Asche, zu Staub is misschien geen echt dansnummer, maar de hele scène, met inbegrip van de montage is choreografisch, zoals heel veel scènes in de serie.

**** Van de scène in Halstone heb ik geen clip gevonden. Daarom geef ik een link naar de oorspronkelijke versie van Liza zelf. Hetzelfde geldt voor de Thriller scène in Michael. In beide gevallen verkies ik de filmversie boven de oorspronkelijke versie.



Gewone danscènes in gewone films
     Het lijstje hierboven bevat danscènes die als een ‘optreden’ zijn opgevat.  Ze komen vooral voor in musicals. Maar soms wordt er in een film ook ‘gewoon’ gedanst. Ook van deze meer ‘naturalistische’ dansen heb ik een lijstje van gemaakt. (Nu stop ik met aanhalingstekens.)

  1. The Gold Rush (1925), ‘The Tramp and the Dog’
  2. Lolita (1962), Beatnik Dance
  3. Bande à part (1964), Anna Karina en co
  4. Zorba the Greek (1964), Learn Me How to Dance
  5. Oorlog en vrede (1965), Natasja en Andrej, (vanaf 5:27)
  6. Who’s Afraid of Virginia Woolf  (1966), A familiar dance
  7. Romeo and Juliet (1968), La moresca
  8. The Godfather (1972), Vader en dochter
  9. Fame (1980), Op straat (had ook in de lijst hierboven gekund)
  10. Heaven’s Gate (1980), Het studentenbal, Ella’s Walz
  11. Dirty Dancing (1987), The Time of My Life
  12. Scent of a Woman (1992), Tango
  13. Pulp Fiction (1994), Mia, Mia en Vincent
  14. The Matrix Reloaded (2003), Zion Fiesta
  15. Before Sunset (2004), Eindscène
  16. Apocalypto (2006), In stamverband (vanaf 2:14)
  17. Anna Karenina (2012), Anna en Vronski
  18. Baby Driver (2017), The Sidewalk
  19. Cold War (2018), L’éclipse
  20. Babylon (2022), Het feest

     Uiteraard komen sommige van die scènes pas tot hun recht in de context. Als ik er een moest uitkiezen om mee te nemen naar het onbewoonde eiland, dan neem ik nummer 19, de scène in café Léclipse uit Cold War (Zimna wojna): existentiële wanhoop op de muziek van Rock Around The Clock. (Ik ga nu nog snel even op de link klikken om het af te leren). 



Back Street 

    En door die oude musicals heb ik dus in de vroege jaren 70 interesse opgevat voor oude films. Dat was alsof nu jongeren van net geen twintig zouden beginnen kijken naar films van de jaren 80 of 90. Stel je voor. Eén zon oude film is Back Street is een melodrama uit 1932. De film begint met een vertelstem:  ‘In the good old days, before the 18th amendment …’ Daardoor drong het voor het eerst tot mij door dat het alcoholverbod in de VS (1920-1932) was opgenomen in de Grondwet. Dat je niet zomaar álles in de Grondwet moet opnemen, was al eerder tot mij doorgedrongen.
     Maar Back Street dus, één van de favoriete films van mijn vader. De personages moeten in de loop van de film 30 jaar ouder worden gemaakt, wat men vooral doet door hun haar grijs te kleuren. Bij de vrouwelijke hoofdrol – Irene Dunne - komt daar nog iets bij. De film begint rond de eeuwwisseling toen de vrouwen een voor ons aanvaardbaar kapsel hadden. Maar dertig jaar later is de watergolvende bob in de mode geraakt, het soort kapsel dat Vlaamse nonnen kozen in de jaren 70, toen ze eindelijk hun hoofddoek mochten afdoen. Daardoor alleen al lijkt Dunne op een tante nonneke. Misschien was dat in 1932 minder het geval, toen ook jonge meisjes en masse voor die haarstijl vielen.
     De film gaat zo. Dunne is een vrijgevochten jonge vrouw. ’s Avonds gaat ze uit dansen met mannen, maar daar blijft het bij. Zij is immers een 10, en die mannen, meestal handelsreizigers, zijn hoogstens een 5 of een 6. De sympathieke dromer van het dorp is een 7, met de potentie om een 8 te worden. Maar dan ontmoet Dunne ene John Boles, een jonge zelfzekere bankier, eveneens een 10, zelfs als hij een bolhoed draagt. Het is een van de overtuigendste liefde-op-het-eerste-gezicht scènes die ik ken. De bankier staat op het punt om te trouwen, maar is bereid om zijn plannen om te gooien. Helaas gaat dat niet door vanwege een samenloop van omstandigheden, en de bankier trouwt met zijn verloofde. Vijf jaar later ontmoeten Dunne en Boles elkaar in New-York en beginnen ze een geheime relatie. Dunne wordt de other woman, een femme entretenue die op de achtergrond moet blijven, op een appartement in een achteraf straatje.
     Zo’n relatie heeft zijn nadelen, voor de twee partijen, maar vooral voor de vrouw. Zij heeft haar eer opgeofferd voor de liefde. Dat wordt in de film sereen en rechtlijnig uitgewerkt. Op zeker ogenblik overweegt Dunne te trouwen met de sympathieke dromer van haar geboortedorp die ondertussen een rijke industrieel geworden is. Het zou een rationele keuze zijn, maar het is de irrationele keuze die het haalt.
      Die laatste plotwending was niet naar de zin van de recensent in de New York Times. Hij vindt Dunne ‘exasperatingly silly’ is; ze had ‘some strength of character’ moeten tonen; ze had toen ze de kans kreeg de eerbare vrouw van de industrieel moeten worden; het is ‘implausible’ dat ze dat niet deed. Ik heb daar geen mening over. Mijn moeder heeft van ver en van dichtbij heel wat vrouwen gekend die in hun leven de irrationele keuze gemaakt hebben, zonder dat ze daarom gelukkig werden. Maar als ze door omstandigheden de irrationele keuze niet konden maken, waren ze voor de rest van hun leven even ongelukkig. Van een van hen vertelt ze: ‘Men heeft haar daarna nooit meer zien lachen.’
     Als de bedoeling van melodrama is dat de kijker vochtige ogen krijgt, dan is dat bij mij gelukt, terwijl mij dat meestal slechts overkomt bij overweldigende combinaties van beeld en muziek, of de scènes nu droevig zijn of niet. Bij films als Hamnet of Grave of the Fireflies houd ik het droog. Mijn zoon is daar anders in.


 

Beroemde vrouwenrollen en algemene cultuur
      De toneelactrice Shirley Knight werd geboren op 5 juli 1936. In tijden van sociale media betekent dat ik een of twee berichten over haar zie verschijnen om die verjaardag te herdenken. Een ervan bevatte een citaat van Tennessee Williams:

There are no roles too big for her, no challenges at which she won’t laugh and wrestle and finish stronger, wiser, funnier: her Alma, her Amanda, her Princess, her Serafina. I wish for her a Gertrude, a Lady Macbeth, a Lady Wishfort, a Millament, a Martha in Edward’s play.

    Het behoort geloof ik tot de algemene cultuur om een aantal beroemde rollen uit de theatergeschiedenis te kennen. De eerste rij Alma-Amanda-Princess-Serafina moeten rollen zijn die Williams zelf heeft bedacht voor zijn stukken. ‘Princess’ ken ik van Sweet Bird of Youth en Serafina van The Rose Tattoo. Dan zullen Alma en Amanda ook wel zoiets zijn. Ik zoek het op en het klopt. Alma is een personage uit Summer and Smoke en Amanda uit The Glass Menagerie. Ik heb geen enkel stuk van Williams op de planken gezien, maar zeker meer dan tien films die op zijn stukken gebaseerd zijn. 
    Het tweede rijtje namen stelt mij voor een probleem: Gertrude-Lady Macbeth-Lady Wishfort-Millament-Martha. Gertrude en Lady Macbeth zijn natuurlijk van Shakespeare en Martha is dé Martha van 
Who’s Afraid of Virginia Woolf, maar wie zijn Millamant en Lady Wishfort? Ik moet het opzoeken en dat blijken personages te zijn uit The Way of the World van William Congreve (1670-1729) die ik alleen ken van het vers ‘Hell has no fury like a woman scorned’. Millament, Lady Wishfort en Congreve vertegenwoordigen een gat in mijn cultuur.
     Welke vrouwenrollen zou een niet speciaal in theater geïnteresseerd persoon moeten kennen om geen cultuurbarbaar te zijn*? Ik laat opera en musicals even buiten beschouwing, en ik heb niet meer dan twee stukken per auteur opgenomen. Bij sommige rollen zie ik vanzelf de gezichten verschijnen van de actrices die meespeelden in de verfilming van de stukken. 

  • Clytemnestra           Oresteia
  • Antigone                  Antigone                                 – Irene Papas, Geneviève Bujold
  • Medea                      Medea
  • Lady Macbeth         Macbeth                                  – Francesca Annis
  • Rosalind                  As You Like It                         – Hellen Mirren
  • Chimène                  Le Cid
  • Dorine                     Tartuffe
  • Phèdre                    Phèdre
  • Bérénice                  Bérénice                                     – Anne Alvaro
  • Nora                         Een Poppenhuis**                    – Claire Bloom
  • Hedda                     Hedda Gabler                            – Glenda Jackson
  • Nina                         De meeuw
  • Masja                       Drie zusters
  • Julie                        Miss Julie                                    – Jessica Chastain
  • Eliza Doolittle        Pygmalion                                – Audrey Hepburn
  • Anna                        Mutter Courage.                      – Carmen-Maja Antoni***
  • Blanche DuBois     A Streetcar Named Desire     – Vivian Leigh, Jessica Lange
  • Maggie the Cat       A Cat on a Hot Tin Roof        – Elizabeth Taylor
  • Linda Loman           Death of a Salesman             – Kate Reid
  • Martha                     Who’s Afraid of Virginia W.  – Elizabeth Taylor
  • Corrie                        Barefoot in the Park              – Jane Fonda     

     Dat 'Mutter Courage’ eigenlijk Anna heet, heb ik moeten opzoeken. Van Kate Reid verschijnt wel het gezicht voor mijn geestesoog, maar de naam heb ik nooit gekend.
     Als ik aan Grok een lijst van grote vrouwenrollen vraag krijg ik nog drie extra personages aangeboden die ik achteraf gezien had willen opnemen, maar wier namen ik niet kan onthouden en die mij dus in een quiz of een culturele conversatie niet van nut kunnen zijn. 

  • Alison Porter               Look Back in Anger                       – Emma Thompson
  • Mary Tyrone                Long Day’s Journey Into Night  – Katherine Hepburn
  • Violet Weston             August: Osage County.                  – Meryl Streep.

      Als je nu die namen kent, hoe moet je ze ooit ter sprake brengen? Je kunt ze in een beschaafd gezelschap niet ongevraagd beginnen opsommen. Maar we moeten niet wanhopen: er kan zich altijd een gelegenheid voordoen. In een van de mooiste televisieseries die ik ken, The Marvelous Mrs. Maisel, krijgen twee sympathieke volkse gangsters de opdracht om een impresario onder druk te zetten naar aanleiding van een Broadway-productie. ‘Over welk stuk gaat het?’ vragen ze. ‘Miss Julie.’ Aha. ‘And who’s playing Jean?’ willen ze weten.

 

* Mijn leerlingen in het zesde jaar maakten kennis met Lady Macbeth, Bérénice, Nora, Blanche DuBois, Linda Loman, Martha en Corrie. Ik geloof dat de meesten van hen Martha zullen onthouden. In plaats van Medea en Antigone, kregen ze Clytemnestra (ook Irene Papas) en Iphigenia (Tatiana Papamoschou). In plaats van Nina en Masja kregen ze Yelena (Julianne Moore) en Sonja (Brooke Smith) uit Oom Vanja. In plaats van Mutter Courage kregen ze Jenny (Yvon Jansen), Polly (Sascha Icks), en mevrouw Peachum (Karin Neuhäuser). Daarnaast kregen zij ook Sister Aloysius (Meryl Streep), Sister James (Amy Adams) en Mrs. Mrs. Miller (Viola Davis) uit Doubt, maar ik geloof dat die rollen niet canoniek genoeg zijn voor mijn lijstje.

** Toevallig heb ik nog een stuk van mijn les over Een poppenhuis terugvonden. Voor de nieuwsgieringen, het filmje staat  hier.

*** Carmen-Maja Antoni heb ik op scène gezien. Haar gezicht ken ik omdat ik later de foto heb opgezocht.

zondag 5 juli 2026

Après coup (Hendrik De Man)


    
Ik heb in mijn communistische jaren vaak ‘vorming’ gegeven. Dat kwam erop neer dat ik aan vlijtig noterende mede-militanten of sympathisanten, door sommigen ‘sympa’s’ genoemd, uitlegde wat het marxisme-leninisme ons ‘leerde’ over deze of gene kwestie. Ik heb eens twee dagen aan één stuk uitleg gegeven aan een groep Afrikanen, in het Frans, over het oorspronkelijke communisme in de oertijd. In die groep zaten een aantal antropologen die eerbiedig luisterden terwijl ik van de hele zaak eigenlijk alleen maar wist wat Ludo Martens mij en anderen op een soortgelijke vormingstweedagse had uitgelegd. Ludo en ik deden niet veel meer dan herhalen wat in enkele 19de-eeuwse boeken stond. Het was niet meteen state of the art science.
     Een andere vormingssessie die ik van Ludo Martens overnam was er een over de Belgische socialist Hendrik de Man. Die had in zijn memoires ‘Après Coup’ uitgelegd hoe hij geëvolueerd was van driekwart marxist naar driekwart nationaal-socialist. Voor Ludo was het duidelijk: een socialist die zich niet honderd procent aan het marxisme hield, verzonk vroeg of laat in het fascistisch moeras.
     Dat niet-marxisten vroeg of laat bij het fascisme aanbelanden, is natuurlijk onzin, maar de continuïteit tussen socialisme en fascisme is wel iets wat ernstige historici bezighoudt. De ene historicus ziet het fascisme als een ketterse zijtak van de rode beweging, met haar vlaggengezwaai, optochten, turnkringen, jeugdbewegingen, milities; de andere ziet de zwarthemden en hakenkruisers als de baldadige erfgenamen van het conservatieve denken met zijn gezag, gehoorzaamheid, trouw aan de natie, volksverbondenheid. De historici van beiderlei strekking schrijven interessante boeken, waarin ze allerlei feitenmateriaal opgraven om hun stelling te ondersteunen. Ik wil die boeken graag lezen en dat feitenmateriaal graag kennen, maar de stelling zelf interesseert mij minder. Het zal wel een beetje van beide zijn, conservatisme én socialisme, en nog heel veel van wat anders. Het woordje ‘socialisme’ in ‘nationaal-socialisme’ is heus niet toevallig, maar het is ook heus niet toevallig dat Goebbels in 1933 verkondigde: ‘Damit wird das Jahr 1789 aus der Geschichte gestrichen.’
     Nu, dát was in elk geval niet wat ik op mijn ‘vorming’ vertelde. Ik volgde Ludo op de letter, en al zeker omdat ik het boek ‘Après coup’ niet gelezen had, want ik had het nooit in handen gehad. Ik kocht het boek pas veel later, nu 23 jaar geleden, in een Brussels antiquariaat. Het was in slechte staat, en ik haalde de katernen uit elkaar om het opnieuw in te binden. Maar rond die tijd gaf ik mijn kantoorbaantje op en begon ik les te geven, waardoor ik geen tijd meer had om in te binden. De katernen bleven dus ongelezen liggen. Nu echter, met mijn pensioen, heb ik wat meer tijd, en het boek is ondertussen ingebonden, met een rug van rood leer en donkerblauwe kunstleren platten. Ik heb het ook gelezen.



     Uit zijn memoires komt De Man naar voren als een humorloze man, een harde werker die weinig sliep, een gekwelde ziel*, een rusteloze trekker, een scherpzinnig analist, met vaak een genuanceerd oordeel over vriend en vijand, alhoewel die nuances minder worden naarmate het boek vordert. In het laatste hoofdstuk geeft hij aan tevreden te zijn met zijn leven. Hij heeft geleefd in armoede, gehoorzaamheid, plichtsbesef, nederigheid, verwondering en hij heeft, zonder de gelofte van kuisheid af te leggen, altijd ‘het menselijk wezen gerespecteerd in elke vrouw’.
     De Man was een geestdriftig sportbeoefenaar die ‘s morgens een bad nam in ijskoud water, verder een natuurliefhebber en een groot avonturier. Hij gaf les aan de universiteit en werkte in fabrieken, hij was vrijwilliger in de Eerste Wereldoorlog met een voorkeur voor de frontlinie, hij zag de Russische revolutie met eigen ogen en hield er toespraken. Hij leidde een expeditie in New Foundland waar overleven in arctische temperaturen een kwestie was van organisatie en discipline (kou was niet gevaarlijk, schrijft hij, wind wel). Hij voedde zich tijdens die expeditie met het rauwe, nog warme vlees, met veel vet, van pas gedode beren of kariboes. Hij wist hoe je je moet gedragen in een gezelschap van ruwe Ieren, Indianen en Eskimo’s. Het belangrijkste, schrijft hij, is dat je hun manieren niet overneemt, want dan ruiken ze paternalisme. Je moet je gedragen zoals een gentleman zich gedraagt tegenover een andere gentleman van zijn eigen ras.
     Het meest tot mijn verbeelding spreekt zijn verblijf op een eiland van vissers en houthakkers, waar De Man met masochistisch genot deelnaam aan het ruwe en gevaarlijke werk. De vissersboten vertrokken rond middernacht. Iedereen hield zich aan strikte regels, met beurtrollen om het vuur te onderhouden en drinkwater te halen voor de hele gemeenschap. De enige ontspanning bestond uit de avondlijke discussies rond het kampvuur en die gingen altijd over politiek. De vissers-houthakkers waren lid van de verboden extreemlinkse vakbond IWW. Het waren zogenaamde Wobblies, voorstanders van directe actie, van aanslagen, van stakingen uitgevochten met vuurwapens en dynamiet. De Man legde vruchteloos de principes uit van de Europese sociaaldemocratie. Maar we respecteerden elkaar, zegt hij er trots bij.
    En het was pas ná al die opgedane levenservaring, dat hij in 1939 verkozen werd tot voorzitter van de socialistische partij. Dat is even wat anders dan Conner Rousseau. Al heeft die af en toe wel geholpen als monitor in het socialistische jeugdvakantiecentrum van zijn vader.
     Welke wijsheid had De Man overgehouden aan al die levenservaring? Dat een armoedig en eenvoudig leven best te verdragen was, als je je gerespecteerd voelde. Dat niemand geïnteresseerd was in democratie. De Man had ooit een socialistische kostschool opgericht voor jongvolwassen arbeiders. Hij wou hen allerlei zaken zelf laten beslissen. ‘Doe jij dat maar, kameraad-directeur, zeiden zij, je hebt daar meer verstand van.’ En voor staatszaken leidde democratie alleen tot politieke partijen, intriges en maneuvers. Ook persvrijheid was gevaarlijk, want dan gingen bedrijven hun geld gebruiken om journalisten om te kopen. En eigenaars van banken en monopolies waren uit op winst maken. Ze moesten dus worden vervangen door plannenmakers die het algemeen belang voor ogen hielden. En er was een probleem met de Joden. Daar waren eerlijke mensen bij, maar ze brachten een element van individualisme en intellectuele onrust in de maatschappij. Het ergste was dat zovelen van hen tot de geprivilegieerde klasse behoorden en dat hun solidariteit altijd eerst naar hun rasgenoten uitging. In Oostenrijk, stelde De Man vast, bestond de socialistische partij uit twee delen: de gewone leden waren ariërs en de leiders waren joden. Het was een probleem dat ‘vreedzaam moest worden opgelost.’
     Je zou kunnen zeggen dat De Man op geen enkele moment van zijn politieke leven een voorstander was van democratie en politieke vrijheid. Die was altijd ondergeschikt aan het socialistische doel. In zijn eerste periode was dat doel het marxistische recept van ‘socialisatie van de productiemiddelen’. In zijn latere periode werd dat doel er een van eigen bereiding: de planeconomie, samengevat als ‘Plan van de Arbeid’ of ‘Plan De Man’. Als democratie en vrijheid konden helpen om dat doel te bereiken, zoveel te beter; als dat niet zo was, dan moest een autoritaire staat ingrijpen.
     De Man was een asceet en een estheet. In de door hem gestichte kostschool probeerde hij zijn volmaakte maatschappij in het klein te verwezenlijken. Leerlingen en leraren leefden volgens hetzelfde ideaal: eenvoud, regelmaat, hygiëne, lichaamsoefeningen, smaakvolle soberheid, vrijwillige discipline, hoogstaande vormen van ontspanning**. Hij spreekt met misprijzen over socialistische leiders die een grote behoefte hadden aan ‘luxe’ en ‘tendresse feminine’. Toen hij minister was van Openbare Werken wou hij met alle geweld reclameborden, ‘ces offenses à l’oeil’, verbieden over het hele Belgische grondgebied. 
     Zijn kruistocht tegen reclameborden is een mooi symbool voor zijn hele levenswerk. Er zat iets bewonderenswaardigs in, zoals in elk streven van de asceet en estheet om het ‘consumentisme’ te overstijgen. Maar ’t is toch beter voor iedereen, geloof ik, dat zo’n streven tot de eigen levenssfeer wordt beperkt en dat niet de gehele maatschappij wordt onderworpen aan één grandioos ‘Plan De Man’. Wij hebben elk ons eigen kleine plan. En daar moeten we onze plan mee trekken.

 

* Gekweld, vooral zolang hij zijn temperament en aspiraties probeerde aan te passen aan het marxisme. Toen hij zijn eigen versie van socialisme bedacht en uitgewerkt had, werd hij rustiger.

** Het doet denken aan een passage uit de memoires van Karl Popper: ‘I remained a socialist for many years … For nothing could be better than living a modest, simple, and free life in an egalitarian society.’ Popper voegt er wel aan toe: ‘It took me some time before I recognized this as a beautiful dream; that freedom is more important than equality; that the attempt to realise equality endangers freedom, and that, if freedom is lost, there will not even be equality among the unfree.’ 

Israël-stukjes schrijven, e.a.

 


Israël-stukjes schrijven
     Er zijn lezers die mijn stukjes niet meer willen lezen omdat ze uit mijn Israël-commentaren – terecht – besluiten dat ik meer sympathie heb voor Israël dan voor Hamas. Dat kan ik alleen betreuren want ik heb liever veel lezers. Of ik krijg de vraag of ik niet beschaamd ben. Op die vraag weet ik het antwoord: nee. Ik kan beschaamd zijn over mijn gedrag van nu, of over mijn meningen van vroeger, maar ik kan niet beschaamd zijn over een mening die ik nú aanhang. 
     Het is eigenaardig dat het juist over zulke buitenlandse kwesties is dat men zo heftig reageert. Hedendaags links wil Israël nog het liefst voortdurend op de agenda van de gemeenteraad plaatsen, in plaats van, zoals het hoort, over de straatverlichting ruzie te maken. Het is alsof men zich meer door opwinding laat meeslepen naarmate de oorzaak van de opwinding verder verwijderd is.
 
     Je had het vroeger met Vietnam. En dáárvoor met de Spaanse burgeroorlog. Ik denk aan dat gedicht van Yeats. Ook in zijn tijd ging het op vergaderingen over ‘Roman or Russian or Spanish politics’. Hij luisterde naar de redenaars. ‘And maybe what they say is true,’ schrijft hij, maar zelf denkt de dichter aan iets wat meer in de romantische sfeer ligt: ‘that girl standing there.’
     De kwestie is natuurlijk dat de Vietnamese jungle-soldaten, de Italiaanse zwarthemden, de Russische rood-gardisten en de Spaanse Republikeinen (of fascisten) evengoed in de romantische sfeer zitten, ver verheven boven het gehakketak over de begroting, de organisatie van de gezondheidszorg en de verdeling van de subsidies. Het bloedvergieten op grote schaal roept emoties op van medelijden, afgrijzen, bewondering of wraaklust. Met een beetje ideologische inspiratie, kun je er een confrontatie in zien tussen de grote principes van Goed en Kwaad, belichaamd in de twee kampen. Als je enkele boeken leest, liefst niet te veel, en liefst van dezelfde strekking, doorzie je het geheel van geschiedenis, achtergrond, motieven en toekomst van het conflict. Je zou je voor minder door opwinding laten meeslepen.
     Zelf moet ik mij geweld aandoen om iets over Israël-Palestina te schrijven. Er zijn geen grote principes waar ik op kan terugvallen. Er is niemand om te bewonderen en met alleen medelijden en afgrijzen kom ik niet ver. Alles gebeurt zo ver weg. Al mijn kennis komt uit wat ik lees, er is niets wat ik kan toetsen aan eigen ervaring. Ik weet niet welke bronnen ik mag geloven. Om het nog moeilijker te maken: in mijn eigen libertaire stamverband heb je pro- en anti-Israël mensen.
      Ik zou er dus liever niets over schrijven. Maar ik weet op voorhand dat mij dat evenmin zal lukken. Ik zou dan om te beginnen ook geen stukken over Israël-Palestina mogen lézen. Zelfs geen koppen in de krant. Vooral geen koppen in de krant.


Abortus
 
     In het huidige debat heb je amper voor- en tegenstanders van abortus. Er is alleen ruzie over de termijn waarbinnen abortus mag worden toegepast. De termijn is nu 12 weken na de conceptie. De verlengers willen de termijn op 18 weken brengen terwijl de beperkers, dat zijn vooral de christendemocraten, slechts een verlenging tot 14 weken willen.
      De verlengers willen onder andere rekening houden met de late beslissers. Ik begrijp dat, alhoewel er naar het schijnt weinig late beslissers zijn. Maar wat gaat er om in de geest van de beperkers? Zouden ze ze liever álle abortus verboden zien, en aanvaarden ze de 14 weken slechts als een noodzakelijk kwaad? Ik denk het niet. Zowel de verlengers als de beperkers zijn deep down gradualisten, die de foetus maand na maand meer als een mens zien, maar die buiten hun intuïtie, weinig argumenten hebben om een scherpe grens te trekken. En hun intuïtie kan beïnvloed zijn door godsdienst, traditie, feminisme, eigen ervaring, kennis van geschiedenis en antropologie, een sociologische analyses van kansarmoede, enzovoort.
      Soms krijgen we een inkijk in de intuïtie van de beperkers. Sammy Mahdi bijvoorbeeld heeft een bezwaar tegen late abortussen waarbij ‘de baby in stukken moet worden gebroken’. Reynebeau (DS 24/6) maakt korte metten met die uitspraak door ze met vier sterke woorden te omschrijven: (1) horror, (2) retoriek, (3) radicalisme, (4) demagogie. Maar dat neemt geloof ik niet weg dat de foetus bij een late abortus inderdaad in stukken wordt gebroken. En ik vind dat zoiets in het debat minstens even zwaar mag wegen als bijvoorbeeld de langere abortustermijn die in Nederland gangbaar is.


AI op school
     Wouter Duyck citeert op x.com een studie over het onderwijs in China en de invloed van AI-gebruik erop. Huiswerk werd ongeveer 20 % beter, en werd gemaakt in ongeveer 20 % minder tijd. Bij een examen achteraf zonder AI werden de resultaten ongeveer 20 % slechter. ’t Is droevig natuurlijk, maar dat die 20 % drie keer terugkeert, dat maakt het ook een beetje grappig.

  

Alternatief vs verburgerlijkt
     Beeld je een groep vrienden in die elkaar kennen van het middelbaar. Misschien heten ze Vincent, Paul, François en Jean. Aan de universiteit en ook later blijven ze contact onderhouden. Ze gaan wel eens samen op vakantie. En dan komen de vrouwen, de carrière, de eerste kinderen. Vincent, Paul en François kiezen voor het burgerleven. Ze stemmen N-VA. Jean kiest een alternatief lief, een alternatieve levensstijl en wordt een groen-linkse kiezer. Wat is nu het meest voor de hand liggende scenario: de verburgerlijkte groep wil de alternatieve Jean niet meer uitnodigen, of de alternatieve Jean wil op die uitnodigingen niet meer ingaan?
      Of neem het lied van Jacques Brel Les bourgeois. De bohémiens Pierre, Jo-Jo en Jacques kijken neer op de notarissen die uit het restaurant Les trois faisans komen, en de notarissen kijken neer op de ‘jeunes peigne-culs’ die in de kroeg van La Montalan zitten. Maar wie van hen kijkt op de ander neer vanop de hoogste ladder? 


Het trolley-probleem in Windows Bay 
   
 De horror komedie Windows Bay – een serie van Apple TV – is verre van slecht, maar ik had er na de veelbelovende eerste aflevering meer van verwacht.
      Naar het einde toe staan enkele personage voor een dilemma dat in de moraalfilosofie bekend staat als het trolley-probleem, het tramprobleem dus. Het ziet er zo uit. Een op hol geslagen tram zal vijf mensen verpletteren. Jij kunt de tram met een hendel van richting doen veranderen, maar dan zal hij één mens verpletteren. Moet je de hendel overhalen?
     Het utilitaristische Mr. Spock-antwoord kijkt naar de gevolgen: ja, je moet de hendel overhalen want the needs of the many outweigh the needs of the fewDat is de gevolgenethiek. Het andere antwoord kijkt naar het principe: dat je het leven van één mens nooit, om geen enkele reden, mag opofferen. Dat is de gebods- en verbodsethiek. Zo bekeken is de gevolgenethiek rationeel, en de gebods- en verbodsethiek dogmatisch, intuïtief en emotioneel. Kant heeft, dat is bekend, een rationeel fundament uitgewerkt voor de gebods- en verbodsethiek, maar het is een uitleg die niet ‘blijft hangen’. Ik heb die uitleg nog uit het hoofd geleerd voor een examen van moraalfilosofie, maar ben die ondertussen vergeten en heb die trouwens niet vaak nodig gehad in mijn leven. 
     Ook de meeste mensen die nog nooit van Kant gehoord hebben, voelen de kracht van het simpele, dogmatische, emotionele, intuïtieve verbod. Ze kunnen de rationele afweging niet weerleggen, maar ze wantrouwen mensen die die afweging hanteren. Iemand die bereid is een leven op te offeren om vijf andere levens te redden, is misschien ook bereid om een leven op te offeren voor heel andere redenen. Aan mijn leerlingen legde ik uit dat Agamemnon besloot
 zijn dochter Iphigenia op te offeren voor het welzijn van zijn leger, maar dat die rationele afweging niet zijn enige drijfveer was. Politieke ambitie en lafheid speelden een even grote rol. Zelfs áls zijn afweging rationeel was, bleef de Agamemnon van Euripides een schurk.
      Het trolley-probleem komt in een of andere vorm vaak voor in films en series, meestal met een tijdbom in de hoofdrol die duizenden slachtoffers zou kunnen maken  Tom Cruise moet kiezen tussen het redden van zijn geliefde of het ontmantelen van de bom. Wat moet Tom doen? Kiefer Sutherland moet een terrorist onder druk zetten om te weten te komen wáár de bom zich bevindt. Mag Kiefer daarvoor desnoods het onschuldige dochtertje van de terrorist verwonden of doodschieten? Typisch voor die films en series is dat de keuze – in tegenstelling tot in de Griekse tragedies – uiteindelijk vermeden wordt. Kiefer zal het dochtertje niet verwonden of doodschieten. En zelfs als Tom kiest voor zijn geliefde, zal de bom toch niet ontploffen.
      Het leuke in Windows Bay is dat het trolley-probleem ook echt ter sprake wordt gebracht. De burgemeester legt het uit aan zijn assistente om de situatie te verduidelijken. De assistente kiest onmiddellijk voor de gebods-en verbods-ethiek. Ze zal niemand opofferen: ‘The runaway trolley is life. The lever is me.’ Het is niet de redenering van Kant, maar het is mooi gezegd. Die voorthollende trein is het leven zoals het is, met alle onvermijdelijke rampen die erbij horen. Maar dat geeft mij niet het recht (of de plicht) om zelf een ramp te veroorzaken. En natuurlijk wordt ook in déze serie de ultieme keuze en de consequenties ervan vermeden. Zonder iets te verklappen: het trolley-dilemma wordt in extremis vervangen door een ander dilemma.


Namen onthouden
      Met het klimmen der jaren wordt ons geheugen zwakker. Het onthouden van namen is het eerste dat moeilijkheden oplevert. Mijn vader oefende zijn geheugen door van oude films de namen van alle acteurs een voor een op te roepen. Ik zou dat beter ook kunnen doen, want het wordt dramatisch. Vroeger kon ik wel eens een naam vergeten, maar als ik toen na pijniging van de hersenen de eerste letter gevonden had, wist ik meteen de hele naam. Vandaag volstaat zelfs de voornaam niet om de familienaam te vinden. En daar is nu nog iets bijgekomen. Als ik naar een film kijk, kan ik de namen van de personages niet onthouden. Als de personages in beeld zijn is dat niet erg, maar als er in hun afwezigheid óver hen gesproken wordt, weet ik nooit over wie het gaat. Vroeger had ik dat alleen met Russische toneelstukken waar naar dezelfde persoon afwisselend met vier verschillende namen wordt verwezen: koosnaam, voornaam, patroniem en familienaam. 


Drone-wappies
       Het woord ‘wappie’ is naar het schijnt ontstaan in de Amsterdamse gabberscene. ‘Helemaal wappie zijn’ betekende toen dat iemand heel erg onder invloed was van drank of drugs. Daarna kreeg het betekenis van ‘gek’, ‘gaga’, ‘mataglap’, etc. En nog later heeft het een polemische betekenis gekregen. Men is het gaan gebruiken voor iemand die een consensus van experten verwerpt. Wappies geloven niet dat het klimaat opwarmt of dat menselijke CO2 er iets mee te maken heeft. Andere wappies geloofden niet dat Covid een ernstige epidemie was waarvoor we ons beter konden laten vaccineren. De klimaatwappies kun je verwijzen naar de IPCC-rapporten. De Covid-wappies werden indertijd door Maarten Boudry, met minder goede redenen lijkt mij, verwezen naar het Imperial College London.
     Bij Poetin-verstehers, antimilitaristen en Theo Francken-haters heb je nog een ander soort wappies: de drone-negationisten. Ze kregen de wind in de zeilen met de Pano-reportage die aantoonde dat sommige drone-foto’s verkeerd waren geïnterpreteerd. In elk geval kunnen die wappies vandaag verwezen worden naar het nieuwste rapport van het International Institute for Strategic Studies(IISS) dat de Russische drone-campagne tussen augustus 2024 en februari 2026 analyseert.
     God, wat heb ik die IISS-rapporten gehaat toen we ze binnen de jonge PVDA moesten bestuderen om zo een beter zicht te krijgen op het Russische ‘sociaalimperialisme’. 


Verjongen en verouderen
      Ik ben altijd geïntrigeerd door films waarin men make-up of andere trucjes toepast om acteurs te verjongen of te verouderen. In verhalen die zich over een langere periode uitstrekken, of die flashbacks gebruiken, is dat soms nodig. In oude films is het resultaat, vind ik, vaak beter geslaagd voor mannen dan voor vrouwen. Maar het blijft iets raars. Neem nu de film Kind Hearts and Coronets, een film van 1949, maar ik zou hem tien jaar ouder geschat hebben. Alec Guinness speelt acht verschillende rollen. De acteur was toen 35 jaar, en hij moet vooral rollen spelen van 50-, 60-, en 70-jarigen. Maar in geen enkele van die rollen lijkt hij op de Alec Guinness die hij echt zou worden als 50-, 60- of 70-jarige. Ethelred d’Ascoyne in Kind Hearts and Coronets lijkt in niets op Obi Wan Kenobi in Star Wars.


Fuga’s en partita’s
     In het muziek beluisteren hou ik van afwisseling. Als ik vier uur na elkaar naar fuga’s geluisterd heb, is het tijd voor enkele partita’s.


Schoen
     Meestal herinner ik mij mijn dromen niet, maar dit keer wel: een van mijn schoenen was stuk. 

woensdag 1 juli 2026

Pensioen, Star Wars, fascisme


 Pensioenen, Star Wars, fascisme
     Ik heb mij er al lang bij neergelegd dat het woord ‘fascisme’  erg onnauwkeurig wordt gebruikt. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt om repressie aan te klagen. ‘Het fascistisch stadsbestuur van Antwerpen laat voorzitter van Groen in de boeien slaan.’ Of het wordt gebruikt om aan te geven dat men sommige mensen niet moet hebben. ‘Vuile fascist, dat was géén buitenspel.’ Claude Yande schrijft op FB een commentaartje bij ‘De Afspraak of Vrijdag’ van 26 juni. Uitgenodigd waren: professor Bart Maddens, HLN-journaliste Isolde Van den Eynde en Tom Van Grieken. ‘Met 3 fascisten aan tafel,’ schrijft hij, een beetje tegen de linkse gewoonte in om slechts één van die drie voor fascist uit te schelden.
     Daar heb ik allemaal geen probleem mee. Op den duur vind ik zoiets zelfs grappig. En toch kan ik nog altijd – heel soms – woedend worden als het woord verkeerd gebruikt wordt op een manier die ik niet had zien aankomen, bijvoorbeeld als MO*columniste Dilara Kabak schrijft: 

Fascisme is de pensioenendiefstal, de indexblokkering, de stijging van de brandstofprijzen. 

     Voor mij wordt hier een rode lijn overschreden. Als ik weer tot rust gekomen ben, probeer ik de redenering te reconstrueren die Kabak ertoe brengt om zoiets te schrijven. Met veel geduld en geholpen door mijn extreemlinks verleden lukt dat min of meer. Jawel: pensioenen-index-brandstrofprijzen-fascisme, ik zie het hoor. 
     Nu moet ik bekennen dat ik de zin van Dilara Kabak eerst zonder context geciteerd zag. Ik heb ondertussen de hele column gelezen, en had ik dat vroeger gedaan, dan zou mijn gemoed minder heftig hebben gereageerd. Kabak vertelt dat ze veel van haar kennis over het fascisme gehaald heeft uit fictie – Star Wars, The Hunger Games, Avatar, Harry Potter – en die kennis, begrijpt ze, is onvoldoende, en kan zelfs misleidend zijn. Ik ben het helemaal met haar eens. Veel van mijn kennis over de VS – het rechtssysteem, de hospitalen, het politiewezen, de levensstijl van de rijkste 1 % - komt uit films en series; en heel betrouwbaar is dat allemaal niet.
     Ook die andere stelling van Kabak kan ik enigszins bijtreden. 

Fascistische systemen worden vaak voorgesteld met veel drama en spektakel, maar in het echt uit fascisme zich net heel banaal.

     Historisch is die stelling twijfelachtig. Het fascisme van Mussolini en het nazisme van Hitler waren juist een opstand tegen de banaliteit. Ze dreven op drama en spektakel. Maar scherpzinnige fascisme-critici zoals Hayek wezen erop dat gelijkaardige regimes ook het resultaat konden zijn van een stapsgewijs, langdurig en banaal proces.
       Zoals Kabak veel geleerd heeft over het fascisme door naar Star Wars te kijken, heb ik veel geleerd over het totalitarisme door 1984 te lezen. Een van de lessen die ik onthouden heb is dat totalitarisme alle gevoel voor proporties verliest. Elke politieke propaganda probeert het verleden naar zijn hand te zetten, maar het totalitarisme verwijdert hele stukken uit het verleden, zodat ze zelfs in historische archieven niet terug te vinden zijn. Elke politieke propaganda probeert door woordkeuze en semantiek een ideologisch kader op te leggen, maar in de totalitaire wereld van 1984 verdwijnt elke band tussen woord en oorspronkelijke betekenis.
     Een beetje zoals wanneer het woord ‘fascisme’ gebruikt wordt voor een pensioenhervorming, een indexsprong voor de hoogste lonen, en een schommeling van de brandstofprijzen op de wereldmarkt.

* Wat verder in de column beschouwt Kabak ook ‘subsidieverminderingen in de culturele sector’ als een teken dat het fascisme ‘zich traag en saai aan het ontwikkelen is.’ Terwijl juist Hitler heel veel subsidies toekende aan culturele projecten.


Fascisme in Argentinië
     Ik heb lang geleden een college gevolgd over de politieke ideologie van Juan Perón (1895-1974). Een Argentijnse professor behandelde de vraag of Perón nu ja dan nee een echte fascist was. Voor- en tegenargumenten werden zorgvuldig afgewogen, en het antwoord was: ja, Perón was een échte fascist, in tegenstelling tot valse fascisten als Mussolini, Franco en Hitler. Argentinië mocht fier zijn op zijn zoon.


Fascisme in Antwerpen
     Over de Palestina-betoging in Antwerpen en de bestuurlijke aanhouding van Aimen Horch zal ik mij in stilte hullen. Anders zou ik het redactioneel van Inge Ghijs (DS 1/7) over die kwestie moeten lezen. Misschien wordt ik dan boos op Ghijs en dat wil ik niet. Ik heb wel het stukje van Frank D’hanis gelezen. Hij maakt zich zorgen dat de uitholling van het betogingsrecht ‘de weg opent voor makkelijke machtsgrepen door allerlei vormen van totalitarisme.’ Ik wil D’hanis hier geruststellen. Dat de burgemeester bepaalt op welke plaats wél en op welke plaats niet mag worden gemanifesteerd, heb ik altijd zo geweten, en ook dat daar vaak een kat-en-muis spel tussen betogers en politie op volgde. Ik citeer het slot van een vorig stukje (zie hier) over die wekelijkse Palestina-betogingen:  

 Voor wie vreest dat we in Antwerpen meemaken hoe het fascisme in zevenmijlslaarzen vooruit stormt: dat deed het 50 jaar geleden ook al, en het is gelukkig nog niet op zijn bestemming geraakt. 

 

Fascisme in de klas 
   
 Tijdens de oorlog zat mijn moeder op pensionaat in Brugge. Sommige meisjes in haar klas waren pro-Duits, andere, zoals mijn moeder, waren pro-Engels. Eentje was van Spaanse afkomst en was pro-Franco, een ander had familie in de VS en was pro-Amerikaans. Je had dus, als je wil, fascisten en antifascisten in de klas. ‘We wisten allemaal van elkaar waar we stonden,’ vertelt mijn moeder, ‘maar we maakten daar nooit ruzie over. We waren vriendinnen.’

Betrapt
      Op dat Brugs pensionaat werd groot belang gehecht aan de goede zeden. Als de meisjes in stoet door de Brugse straten wandelden, keken de begeleidende nonnen goed uit hun ogen om te zien of er in de verte geen stoet jongens kwam aangewandeld. Als dat het geval was, werd het parcours onmiddellijk aangepast. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe enggeestig het er toeging,’ zegt mijn moeder.
     Die waakzaamheid gold ook de ongehuwde leraressen. Als ze van Brugge waren, mochten ze thuis overnachten. De sociale controle werd voldoende geacht. Maar als ze van Kortrijk waren, kon er geen sprake van zijn dat ze ’s avonds met de trein naar huis gingen. Op die trein kon van alles gebeuren. Die leraressen moesten dan op de school zelf overnachten. Ook daar kon echter van alles gebeuren. Af en toe werd zo’n lerares dan ‘betrapt’ met een non.


Buitenshuis werkende vrouw
     Arme vrouwen hebben altijd buitenshuis moeten werken, eerst op het land, en met de industrialisatie ook in de fabrieken. Maar voor vrouwen uit de hogere standen en de middenklasse werd dat als onfatsoenlijk beschouwd. Het beroep van lerares was uitzonderlijk. Voor vrouwen in de middenklasse kon het nog net. Charlotte en Emily Brontë dachten eraan om een school te beginnen. Maar het was toch niet helemaal zoals het hoorde. Mijn grootmoeder had lerares willen worden, maar dat vond haar vader, een vlashandelaar, te min. Mijn moeder, een generatie later, mocht wel lerares worden, al werd dat in Wevelgem op onbegrip onthaald. De kleindochter van een vlashandelaar! De dochter van de koster!
     Ondertussen had de hoge burgerij al een bredere kijk op de zaak. Zo kreeg mijn moeder Franse les van Mlle Van Caillie, dochter van een rijke brouwer en via haar moeder afkomstig uit het geslacht van de van Outryve d’Ydewalles. Het was het soort vrouw dat volgens mijn moeder tegelijk voornaamheid, elegantie en hartelijkheid uitstraalde. Ze kende geen woord Nederlands. Als ze iets niet uitgelegd kreeg in het Frans verontschuldigde zich dat ze het dan maar in de taal zou doen die ze van de meid had geleerd. En toen volgde er iets in het allerplatste Brugs, wat de leerlingen onwaarschijnlijk grappig vonden.
     Maar zo’n vrouw mocht dus enkele uren les geven, niet te veel, want het mocht niet de indruk geven dat er geld moest worden verdiend. En slechts gedurende een paar jaar, want de bedoeling was natuurlijk om daarna te trouwen met een diplomaat of een koloniale ambtenaar. 

Mansplainers in de fout

     Ik heb al verschillende keren over mansplaining geschreven omdat ik mij door het loutere woord in het defensief gedwongen voel. Ik ben namelijk een man, en ik leg graag dingen uit. Op de FB-pagina van Pierre Plum leer ik wat ik nog niet wist: dat het begrip teruggaat op een essay van ene Rebecca Solnit: ‘Men explain things to me’. Vrouwen moeten zich al eeuwen geërgerd hebben aan mannen die iets willen uitleggen, maar Solnit heeft die ergernis onder woorden gebracht.
     Plum wijst op iets anders. Mannen leggen bij voorkeur dingen uit die ze zelf niet zo goed kennen, dingen die zich buiten hun vakgebied bevinden. Weinig wiskundigen zullen in een gezelschap het binomium van Newton willen uitleggen. Daardoor komt het dat de uitleg die mannen in informele gesprekken wél geven vaak onnauwkeurig is. Plum geeft toe dat dat bij hem zeker het geval is. Een nauwkeurige uitleg vindt hij iets voor fantasieloze mensen.
     Maar ik weet niet of fantasie er zoveel mee te maken geef. Ik leg graag iets uit over economie terwijl ik daar weinig van afweet. Dat is ook omdat ik iets aan mijzelf wil uitleggen, en omdat een mens – een man? – snel trots is op wat Alexander Pope ‘a little knowledge’ noemde. Dat is één van de redenen waarom het ‘a dangerous thing’ is. Een beetje kennis is een beetje avontuur. Een soliede vakman ziet dat anders. Ik ken een professor in de economie die aan iedereen die het horen wil verkondigt dat economie hem eigenlijk niet interesseert.
     Die onnauwkeurigheid van de mansplainer is dus een bijkomende reden voor vrouwen om zich aan hem te ergeren. Niet alleen krijgen ze uitleg over iets wat hen niet interesseert, en worden ze in hun ogen vernederd door een man die kennis gebruikt om zichzelf te verheffen en hén te kleineren, die uitleg en die kennis zijn ook vaak fout. Het gebeurt wel eens dat ik aan mijn vrouw iets vertel wat ik in de krant gelezen heb, waarop ik dan moet horen dat het eigenlijk anders in elkaar zit.
    Om op Solnit terug te komen, blijkbaar bevat haar essay een anekdote die Plum als volgt navertelt: 

 In Aspen, het hippe wintersport-oord van de VS, ontwikkelt er zich in een chalet tussen dames en heren, zogenaamd van stand, een gesprek over Solnits laatste boek over de fotograaf Muybridge. Een heer haast zich om zich in het gesprek te gooien en begint aan Rebecca Solnit haar eigen boek uit te leggen, het belangrijkste boek van het jaar over de fotograaf, volgens hem. Solnit is zo van haar stuk gebracht door zijn woordenvloed en zijn zelfzekerheid, dat ze niet durft op te merken dat het haar boek is, die hij aan het bespreken is. Ze laat alles over zich heen gaan, als vertelde de man een nieuw sprookje uit duizend en één nacht. Alleen op het einde, als de man ongeveer uitgeraasd is, slaagt haar vriendin erin om de man erop te wijzen dat hij Rebeccas boek aan het bespreken is. Waarop de man lijkbleek werd, en verder ook nog duidelijk werd dat hij het boek alleen kende van een bespreking uit de The New York Review of Books. En dan nog vaag.

     Van die anekdote, daar geloof ik niet veel van. Ik ben ze te vaak tegengekomen in verschillende vormen. Een ervan was over een man die tegen Che Guevara opschepte dat hij Che Guevara kende. Woody Allen heeft de Wanderanekdote tot een grapje verwerkt in Annie Hall, met Marshal McLuhan in de hoofdrol.
     Er zal wel iets gebeurd zijn in dat chalet in Aspen, maar zoals het hier verteld wordt, door Plum of door Solnit, dat is veel te grappig om zo gebeurd te zijn. Het verhaal bevat de literaire truc van de ‘verdubbeling’. Solnit krijgt een dubbele rol: ze aanhoort een uitleg over een boek én ze is de auteur van dat boek. Ik legde die truc uit aan mijn leerlingen als ik les gaf over
urban legends. Aangezien er ook jongens in de klas zaten, en ik gewoon mijn vak uitoefende, geloof ik dat dat niet onder mansplaining viel. 

* Zie over mansplaining mijn stukjes hier, hier, hier en hier.