vrijdag 21 augustus 2026

De Standaard, The Economist, Acemoglu


    
 Ik ontbijt weer voor het eerst sinds lang met een opgengeslagen Standaard (29/8)  naast mij. Op  bladzijde 20 staat een stuk van Ruben Mooijman: ‘The Economist opent aanval op topeconoom Daron Acemoglu.’ Dat is fijn. Heb ik voor een keer een stuk in dat prestigieuze weekblad gelezen, en dan schrijft De Standaard een stuk over dat stuk. Het gaat in allebei de gevallen om polemiek: The Economist is kritisch voor Acemoglu, en Mooijman is kritisch voor The Economist. 
     Ik vind het stuk in The Economist beter. In de inleiding wordt de reputatie van Acemoglu geschetst – Nobelprijs*, artikels, boeken, ranking, invloed, algemene lof van collega’s – en gaat dan verder. ‘Maar trakteer een econoom op een paar drankjes, en sommigen van hen durven we wel eens hun echte mening over de grote man te geven.’ 
     Zoiets mag je als journalist alleen schrijven op twee voorwaarden. Dat je echt op café hebt gezeten met een redelijk bekende econoom die na enkele glazen kwaad begon te spreken over Acemoglu. En dat je in de rest van het artikel probeert duidelijk te maken wat het nu precies is wat sommigen tegen Acemoglu inbrengen. Het eerste, van dat café, kan ik niet weten. Het tweede, de inhoud van de kritiek weergeven, wordt in het artikel min of meer waargemaakt. Na het lezen wist ik ongeveer wat men Acemoglu verweet, en ook, wat nog beter is, hoe hij zich tegen die verwijten verdedigt. Woord en wederwoord. De argumenten worden niet uitgediept, maar dat kan ook niet in een stuk van 1400 woorden.
     Het stuk van Mooijman telt maar 800 woorden, maar dat lijkt mij geen excuus: je komt nauwelijks iets te weten over de inhoud van de controverse, behalve dat allerlei mensen niet ingenomen zijn met wat The Economist geschreven heeft. Alleen in de laatste alinea krijgen we een sprankel informatie, en dan nog in de vorm van een intentieproces. Eerst hadden we al een citaat gekregen van macro-econoom Geert Langenus die zei ‘dat het stuk met kwade bedoelingen geschreven lijkt te zijn,’ en dan haalt Mooijman zelf concretere speculaties over die bedoelingen aan.

 Op sociale media vielen verschillende theorieën te lezen over de beslissing van The Economist om de aanval op Acemoglu in te zetten. Een ervan is dat Acemoglu kritisch is over AI, en daardoor de techbedrijven tegen de haren in strijkt, naast het ­argument dat The Economist het moeilijk heeft met Acemoglu's kritiek op het liberale establishment.

      Goed, The Economist en Acemoglu denken anders over AI, maar moet daarom meteen geïnsinueerd worden dat het weekblad geen kritiek aanvaardt die ‘de techbedrijven tegen de haren in strijkt’? En waarom wordt het liberalisme hier het ‘liberale establishment’ genoemd?

                                                     *** 

    In zijn stuk opinieert Mooijman niet in eigen naam maar door de keuze van degenen die hij interviewt. Het zijn drie mensen die iets van economie afweten, en alle drie hebben ze vooral kritiek op The Economist. Lode Cossaer is de meest genuanceerde.

 Het debat over Acemoglu's werk is al een tijdje aan de gang. Nog niet zo lang geleden is er een metapaper verschenen over zijn bekendste wetenschappelijke theorie rond arme en rijke naties. Daaruit bleek dat er zich nog geen wetenschappelijk consensus heeft gevormd. Er zijn goede argumenten langs beide kanten. Het is volstrekt normaal dat een wetenschapper kritiek krijgt, [maar] de conclusie van The Economist dat hij zijn status niet verdient, is niet terecht.

     Maar eigenlijk zegt The Economist niet dat Acemoglu ‘zijn status’ niet verdient. Wat het weekblad daarover schrijft is een beetje anders. Men laat een anonieme getuige aan het woord die Acemoglu ‘obviously a genius’ noemt en dan verder gaat: 

De vraag is of Acemoglu’s reputatie aan de absolute top van de economische wetenschap – en de intellectuele invloed die ermee gepaard gaat – gerechtvaardigd is door zijn wetenschappelijk werk.

         De absolute top … the very apex … Ik interpreteer dat als volgt: de door de The Economist geciteerde bron vindt niet dat Acemogly thuishoort in de top-3 aller tijden, maar veeleer in de top-20 van de hedendaagse economen. Dat komt dan overeen met hoe Mooijman de strekking van het stuk samenvat:

The Economist betwist de academische verdiensten van Acemoglu niet, maar vermeldt wel een reeks wetenschappers die in de loop der jaren kritiek hebben gehad op zijn werk of op aspecten ervan.

     Naast Cossaer citeert Mooijman ook professor Ive Marx.

              The Economist is volgens mij niet goed bezig. Voor zo’n aanval moet je toch met sterkere argumenten komen dan ze hier presenteren. Dat collega’s kritiek hebben op de kwaliteit van je data of je modellen, is in de wetenschap schering en inslag. De onderbouwing van het artikel is zwak. Het gebeurt wel vaker dat ik stukken lees die ik minder goed vind.
        Als trouwe lezer van The Economist is Marx veel beter geplaatst dan ik om te beoordelen of het polemische stuk over Acemoglu past bij de hoogstaande traditie van het weekblad, dan wel representatief is voor een recente terugval in kwaliteit. Als het stuk bedoeld was om ‘een aanval’ in te zetten op het wetenschappelijk werk van Acemoglu, dan is het artikel inderdaad héél zwak. Maar die ‘aanval’ is een interpretatie van Marx. Als het artikel daarentegen niet meer wil zijn dan een verkennende ronde aangaande de ‘kritiek die collega’s hebben op de kwaliteit van data en modellen’ van Acemoglu, dan doet het artikel precies wat het moet doen. Wellicht situeert de bedoeling van het stuk zich ergens tussen die twee uitersten.
      De hardste kritiek die Mooijman citeert komt van de al eerder vermelde Geert Langenus: 

The Economist speelt in het artikel echt op de man. En dat op basis van bronnen die deels anoniem zijn, en deels van economen die niet bepaald zwaargewichten zijn in het vakgebied.

     Zou Langenus begrijpen dat argumenten in diskrediet brengen door de bedenkers ervan ‘niet bepaald zwaargewichten in het vakgebied’ te noemen niet erg fraai is. Meer nog: het is een goed voorbeeld van ‘echt op de man spelen.’ Die niet-bepaald-zwaargewichten zijn de volgende : David Albouy, Jesús Fernández-Villaverde, Tyler Cowen, Francis Fukuyama, Lawrence Summers, en Noah Smith. Misschien kent de lezer wel een of meer van die namen, of hij kan ze opzoeken. En ja, Noah Smith is máár een blogger-met-een-PhD; toch lees ik hem graag.

                                                                    ***

     De grote wetenschappelijke verdienste van Acemoglu is dat hij een goede redenering gevonden heeft om het juiste causale verband te leggen tussen ‘instituties’ en economische groei. ‘Inclusieve’ instituties – democratie, billijke wetten, onafhankelijke rechtbanken – bevorderen de welvaart, beweert Acemoglu. Maar hoe kun je bewijzen dat het niet omgekeerd is? Dat het niet de welvaart die ervoor zorgt dat men zich die inclusieve instituties kan permitteren?
      Daarvoor heeft Acemoglu een vernuftige omweg bedacht: door te onderzoeken hoe nieuwe instituties ontstonden in gekoloniseerde gebieden. Zijn ei van Columbus: de relatie onderzoeken tussen, ten eerste de lage of hoge mortaliteit onder de kolonisten, ten tweede de ‘inclusieve’ dan wel ‘extractieve’ instituties die daarbij ontstonden, en ten derde de huidige welvaart of armoede in de betrokken gebieden. De volledige uitleg kun je makkelijk aan ChatGPT vragen.
     Met Acemoglu’s methodologie en conclusie was een belangrijke stap gezet in de economische wetenschap. Instituties bepalen welvaart en niet omgekeerd. Iedereen was onder de indruk, ook al omdat Acemoglu daarna degelijk onderzoek bleef publiceren. En met zijn populaire bestseller Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm raakte hij zelfs bekend bij het grote publiek.
      Het is in die omstandigheden niet meer dan normaal dat er ook kritiek ontstaat. Hoge bomen vangen veel wind. The Economist noemt dat ‘fame-induced scrutiny’, en voegt eraan toe dat een vastberaden criticus, na veel ‘prodding and probling’ zwakke plekken kan vinden in het werk van vrijwel elke onderzoeker. En het zijn die zwakke punten die het weekblad summier samenvat, en die in het artikel van Mooijman onvermeld blijven:

  1. Niet alle mortaliteitscijfers in het onderzoek blijken voldoende onderbouwd (Albouy);
  2. Historisch onderzoek is niet noodzakelijk relevant om de huidige economie te begrijpen (Fernández-Villaverde);
  3. De politieke conclusies die Acemoglu trekt uit de primauteit van instituties zijn ‘underwhelming’;
  4. Het is tautologisch om instituties te verklaren vanuit voorafgaande instuties (Cowen)**;
  5. Het model van Acemoglu kan moeilijk de evolutie in China verklaren (Fukuyama);
  6. Acemoglu onderschat andere onafhankelijke factoren die welvaart bepalen, zoals technologische innovatie;
  7. Hij onderschat met name de productiviteitswinst die uit AI kan voortvloeien (Summers).

    Een kritiek die ontbreekt is de volgende. In zijn boek Waarom sommige landen rijk zijn gaat Acemoglu in op de vraag of er naast ‘instituties’ ook niet naar ‘cultuur’ moet worden gekeken om de welvaartsstijging te verklaren. Het antwoord is: nee, het zijn de instituties en alleen de instituties. Ik herinner mij dat die argumentatie mij bij het lezen van het boek niet overtuigde. Ik vond ze, in de treffende uitdrukking van The Economistodly unconvincing.’ En recent las ik in de Substack-memoires van Gérard Roland, ex-Amadees en professor emeritus van Berkerley, een soortgelijke reserve.

Douglas North maakte een onderscheid tussen formele instituties — die op schrift zijn vastgelegd en worden gehandhaafd door het staatsapparaat — en informele instituties, zoals sociale normen. Die laatste worden gehandhaafd door groepsdruk, maar ook door de overtuigingen van mensen over wat, vanuit hun waarden, goed en fout is; met andere woorden: wat hun leven betekenis geeft. Waarden en overtuigingen vormen in brede zin wat we cultuur noemen. Dat is iets heel anders dan definities van cultuur die gebaseerd zijn op culinaire en kledinggewoonten en folklore (hoewel folklore uiteraard wel door cultuur wordt beïnvloed).

     Roland zelf had vooral nagedacht over de verschillende snelheid waarmee de politiek-legale instituties en de culturele normen evolueren. Die laatste worden doorgegeven van ouders op kinderen en veranderen over het algemeen veel trager. Het verwondert hem dat Acemoglu alleen de politiek-legale instituties economisch relevant vindt. Hij vertelt over een conferentie in 2005 waar hij zijn ideeën uitlegde en veel kritiek kreeg. 

De meeste economen wezen destijds het belang van cultuur nog steeds van de hand, en dat was ook tijdens die conferentie het geval. Acemoglu en Robinson, die meer dan wie ook hadden gedaan om het belang van instituties voor economische ontwikkeling te benadrukken, beperkten zich tot formele instituties en verwierpen openlijk het idee dat cultuur, naast formele instituties, een belangrijke rol zou kunnen spelen.

      Maar die discussie over ‘instituties’ en ‘cultuur’ is niet wat The Economist bezig houdt. Hier zit Langenus op het juiste spoor. Mooijman:

Langenus oppert dat Acemoglus meest recente boek mogelijk de aanleiding was om de aanval te openen. In Wat is er gebeurd met de liberale ­democratie? is Acemoglu kritisch voor de ideologie waarvan The Economist het uithangbord bij uitstek is: het liberalisme. Die stroming is volgens Acemoglu onvoldoende opgewassen tegen uitdagingen als ongelijkheid, sociale ontwrichting en de digitale samenleving.

     Over het artikel van The Economist verspreid, vindt men inderdaad opmerkingen die verwijzen naar het oude debat tussen liberalisme en socialisme. Dit is bijvoorbeeld wat een ‘bekende econoom’ over Acemoglu te zeggen heeft:

Veel van zijn theoretische werk is nuttig, maar hij gebruikt zijn modellen om populistisch beleid te onderbouwen dat al eerder is uitgeprobeerd en heeft gefaald.

     Het is heel aannemelijk dat met ‘populist policies’ inderdaad verwezen wordt naar socialistische herverdelingsmaatregelen. Wie denkt dat economische welvaart inderdaad vooral bepaald wordt door bewust ontworpen ‘instituties’ in plaats van door de onpersoonlijke krachten van de markt, komt gemakkelijk uit op half of heel socialisme. En dan gaat dat niet alleen over morele keuzes, maar ook over de correcte inschatting van de causale verbanden, met andere woorden over wetenschap. The Economist schrijft:

Power and Progress, een boek uit 2023 dat hij samen met Simon Johnson schreef, beschouwt duizend jaar innovatie grotendeels als een verhaal van toe-eigening door elites en van onbedoelde gevolgen. De katoenmachine ondersteunde de slavernij, terwijl het Haber-Bosch-proces de wapenproductie mogelijk maakte. Gewone mensen profiteerden blijkbaar pas wanneer zij kapitalisten ertoe konden bewegen rekening te houden met hun belangen. Het boek doet daarmee een veel overtuigender argument tekort: dat technologische vooruitgang op zichzelf de gemiddelde burger vele malen rijker heeft gemaakt dan in het pre-industriële tijdperk.

     Ik heb Acemoglu’s boek Power and Progress niet gelezen, maar a priori geloof ik The Economist: dat technologische vooruitgang meer heeft bijgedragen aan de algemene welvaart dan de druk van het volk op de elites. Dat de technologische vooruitgang zelf afhankelijk is van inclusieve instituties en tradities geloof ik dan weer wel.
     Acemoglu heeft ondertussen zelf toegegeven dat hij de invloed van AI op de productiviteit verkeerd berekend had. Maar zijn retoriek over ‘pro-worker AI***’ en over ‘de maatschappelijke noodzaak om de AI-ontwikkeling te sturen’ stemt mij achterdochtig. Ook hier maakt Acemoglu zich blijkbaar vooral zorgen over de institutionele omkadering van AI, terwijl ik vooral hoop dat die omkadering de vooruitgang niet afremt en de concurrentiestrijd met China niet ondermijnt.

                                                        ***

     Ik stel vast dat ik tot hier 2000 woorden nodig had om mijn bedenkingen in schriftelijke vorm te gieten. Ik moet The Economist bewonderen omdat het zoveel informatie en redenering kwijt kon in 1400 woorden. Maar mijn kritiek op De Standaard blijft: zelfs met 800 woorden hadden we meer informatie en minder algemeenheden mogen verwachten. Ook had Mooijman, bij gebrek aan wederwoord van The Economist, ten minste één bron kunnen citeren die het wél voor het weekblad opnam. En de titel van het het stuk  opent de aanval’  lijkt mij voorbarig. Alsof The Economist nu een jarenlange oorlog met Acemoglu begonnen is. 

* Acemoglu deelde de prijs met Simon Johnson en James Robinson. Ook elders vermeld ik alleen Acemoglu wanneer het nochtans om onderzoek gaat dat hij samen met anderen deed.

** Bij een eerste lectuur van het artikel, vóór ik De Standaard onder ogen kreeg, had ik naast deze kritiek aangaande tautologie al meteen enkele vraagtekens geplaatst. 

*** De socialistische reflex is om bij innovatie te denken aan de gevolgen voor de mens als arbeider; de liberale reflex is om te denken aan de gevolgen voor de mens als consument. Het gaat natuurlijk twee keer om dezelfde mens. 

dinsdag 18 augustus 2026

De zaak Jason Arday, e.a.


De zaak Jason Arday
     
Ik heb over de zaak Arday niets geschreven, maar ik heb wel aan iedereen in mijn onmiddellijke omgeving de volgende anekdote verteld, die ik veel grappiger vond dan de 30 marathons die hij in 35 dagen gelopen had, waarvan 9 met een gebroken been. 
 
     Arday had, dat is bekend, een proefschrift ingediend dat naar het schijnt heel sterk op plagiaat berustte. Maar dan moet hij toch, zou je denken, moeite hebben gehad om dat proefschrift mondeling voor een academische jury te verdedigen. Dat was ook zo, alleen had Arday een uitleg klaar. Vlak voor de mondelinge verdediging had hij last gekregen, zei hij, van wazig zicht. Hij bleek een kleine hersentumor tumor te hebben die direct moest worden verwijderd. Daardoor had hij een mini-beroerte gekregen die zijn kortetermijngeheugen had aangetast en kon hij zich op de verdediging van zijn proefschrift amper nog herinneren wat hij zelf had geschreven. 
     Het verhaal is grappig zoals verhalen over oplichterij vaak grappig zijn. Het is leuk om door te vertellen. Maar erover schrijven? Erover argumenteren? Hád ik erover geschreven, dan had ik iets gezegd over de ‘pluralistische onwetendheid’ waar de academische autoriteiten het slachtoffer waren. Wie het begrip niet kent, kan het makkelijk opzoeken.
      Nu weet de lezer nog altijd niet waaróm ik niets over Arday geschreven heb. Mijn redenen daarvoor gelijken heel sterk op die die Maarten Boudry had om er géén uitgebreid stuk over te schrijven: 

Drie weken geleden werd ik door een tijdschrijft waarvoor ik al eerder heb geschreven gevraagd om een stuk te schrijven over het schandaal rond Jason Arday. Maar ik heb het geweigerd, en achteraf gezien ben ik daar blij om. Vooral omdat ik toen al medelijden met de man had en de hele zaak zielig vond. Zijn leugens waren zo bizar en kinderachtig dat hij duidelijk ernstige psychische problemen had. Bovendien dacht ik dat ik weinig toe te voegen had aan wat al gezegd was … Misschien later, als het stof is gaan liggen. 

     Medelijden … weinig toe te voegen hebben … wachten tot het stof is gaan liggen … dat zijn drie heel goede redenen om te zwijgen. Boudry schrijft verder dat hij naar een Youtube-filmpje gekeken heeft waarin Arday vertelt over Paul Simon’s Graceland. Ik heb dat filmpje ook bekeken toen het schandaal uitbrak, uit nieuwsgierigheid. 


Duchâtelet – Van Ranst
      Een interview met zo’n Duchâtelet moet je met een korrel zout nemen. Een verstandige kerel, maar vaak zegt hij zomaar wat, en hij verliest geen tijd met na te denken over tegenargumenten. Hij mist, geloof ik, een zekere beschaving. Ingenieur van opleiding. Hij geeft niet de indruk dat hij veel romans leest, of andere boeken die tot zijn ‘algemene ontwikkeling’ bij zouden kunnen dragen.
      Als gewezen leraar hoor ik hem graag vertellen over het onderwijs. Alles wat hij zegt is zwart-wit, zonder rekening te houden met ‘gevoeligheden’, maar hij praat ten minste de kranten niet na. Zo wil hij veel minder universiteitsstudenten en vindt hij een leerplicht tot 12 jaar voldoende.

 Omdat heel veel kinderen – ik denk: de meesten – zich dood vervelen op school. Ze verdoen hun tijd omdat het te traag gaat, of te snel. Daardoor ontwikkelen heel veel kinderen depressies. Die zitten daar en denken de hele tijd: waarom moet ik hier nu naar die idioot zitten luisteren? Terwijl ik evengoed met mijn vriendjes of vriendinnetjes zou kunnen praten.

     Behoudens de overdrijvingen – er is een groot verschil tussen zich vervelen en zich dood vervelen – geeft die schets wel een deel van de werkelijkheid weer. ‘Wie écht iets wil leren, heeft geen leerkracht nodig, maar een computer en internet,’ zegt Duchâtelet nog. Ook dat is waar, maar de meeste kinderen tussen laat ons zeggen 12 en 18 hebben een duwtje in de rug nodig. Geef hén een computer en internet, en ze gaan die voor alles gebruiken, maar niet om te léren.
     Ik begrijp wel waar Duchâtelet naartoe wil, maar ik ben het niet met hem eens. Ondanks alle problemen kan het middelbaar onderwijs ook de minder geïnteresseerden, of een deel ervan, helpen om wat extra beschaving te verwerven:  een wetenschappelijke visie op de werkelijkheid, respect voor kennis en cultuur – al is het niet je ding –, en wat zin voor nuance en dialoog – een eigenschap die Duchâtelet zelf ontbeert.
          Je hebt drie soorten mensen: de barbaren, de leken, de en de specialisten. Het middelbaar onderwijs moet ervoor zorgend dat er zoveel mogelijk leken en zo weinig mogelijk barbaren in de samenleving terecht komen. Leken kunnen best een modus vivendivinden met de specialisten; met te veel barbaren erbij wordt het moeilijk.     Wat moeten volgens Duchâtelet de kinderen doen die na hun twaalfde niet meer naar school willen? Wat ze gráág doen antwoordt hij, werken bijvoorbeeld, waarmee hij het taboe doorbreekt dat op kinderarbeid rust. En dat doe je niet ongestraft. Marc Van Ranst antwoordde met een hevige tweet op X. 

 Meneer Duchâtelet stelt voor om kinderarbeid vanaf twaalf jaar opnieuw in te voeren. Dat gaan we niet doen. Maar dat een miljardair dit voorstel anno 2026 überhaupt durft te doen, zou ons moeten waarschuwen.

      De tweede zin is ondeugend in zijn zelfverzekerde neerbuigendheid. ‘Dat gaan we niet doen,’ zei mijn pianolerares als ik voorstelde om een vereenvoudigde versie van een muziekstuk te kiezen om in te studeren. Maar de derde zin suggereert iets over Duchâtelet en over onze tijd dat naar mijn smaak uit de lucht gegrepen is. Het lijkt alsof er miljardairs klaar staan om zich te verrijken dankzij onderbetaalde kinderarbeid, en dat we daaruit een waarschuwing kunnen afleiden over waar de ‘sociale afbraak’ uiteindelijk toe zou kunnen leiden.
      Maar dat is de eigen fantasiewereld van Van Ranst. In de fantasiewereld van Duchâtelet gaat het om iets anders. Daarin speelt laagproductieve kinderarbeid geen economische rol. Van hem mogen twaalfjarigen geloof ik een universeel basisinkomen krijgen. En als ze graag nog wat bijverdienen door op te dienen in een restaurant, dan moeten ze dat maar doen. Hij is niet op zoek naar goedkope arbeidskrachten voor Melexis.  


Inflatie
     Voor inflatie worden verschillende verklaringen gegeven. Eén ervan is dat er teveel geld gecreëerd wordt vergeleken met het aantal goederen en diensten. Ik las laatst een andere verklaring in de vorm van een meme: ‘Inlfatie: oligopolies die in concurrentie zijn wie de hoogste prijs kan vragen.’ Het lijkt mij logisch dat oligopolies – met een beperkt aantal bedrijven – hogere prijzen kunnen vragen dan op een echt vrije markt. Maar als ze met elkaar in concurrentie gaan, dan is het om de láágste prijs te kunnen aanbieden. Dat ze die prijs graag zo hoog mogelijk hebben, heeft er niets mee te maken. Dat is ook zo op een vrije markt.


Zonsverduistering
     Iedereen heeft de zonsverduistering beleefd op zijn eigen manier ,en is dus een anekdote rijker om later aan kinderen en kleinkinderen te vertellen. Zelf stelde ik er mij niet veel van voor. Ik had de zonsverduistering van 1966 al meegemaakt. De meester had het verschijnsel in de klas grondig uitgelegd. We moesten een glasplaatje zwart maken met roet door het boven een brandende vetkaars te houden. En toen het grote moment was aangebroken mochten we op de speelplaats door het plaatje gaan kijken. Ik vond er niet veel aan.
     Desondanks wilde ik vorige week woensdag graag een eclipsbrilletje bemachtigen. Als iedereen eentje heeft, dan ik ook. Ik ging dus naar een plaatselijke supermarkt die op FB had aangekondigd dat ze een grote voorraad hadden die vanaf woensdag 13.00 u aan de kasse te koop zou worden aangeboden. Ik fiets dus naar die supermarkt, wil meteen doorlopen naar de kassa en merk dan pas dat er zich een lange rij van wachtenden door de rayons van de supermarkt slingert, misschien een halve kilometer lang. De rij schiet echter goed op en ik heb al enkele honderden meter afgelegd als wordt omgeroepen dat de voorraad brilletjes uitgeput is. Ook niet erg.
     ’s Avonds kunnen we genieten van ons uitzicht op het strand waar honderden mensen zijn samengetroept om naar de eclips te kijken die, daar ben ik zeker van, esthetisch in het niets verdwijnt vergeleken met een doordeweekse zonsondergang in zee. Ik besluit dan maar naar een film te kijken die een zonsondergang bevat: King Solomons Mines – de versie van 1937, met Paul Robeson die enkele keren in zingen uitbarst. De versie van 1950, zonder zonsverduistering, heb ik als kind gezien. Op Youtube staat een schreeuwerige trailer van die film met Stewart Granger en Deborah Kerr. Ik hoop dat de schat met juwelen te zien zal zijn en jawel, die is te zien. Mijn vrouw kijkt mee en zegt: ‘Het zijn precies snoepjes.’ Dat doet mij plezier, want dat was ook mijn reactie 60 jaar geleden. 

 

maandag 17 augustus 2026

Lucretius redeneert goed

    Als je zo’n oud boek als Lucretius’ De rerum naturae leest, dan zou je willen dat er naast de tekst telkens een uitleg staat over wat de huidige natuurwetenschap zegt over die atomen en moleculen. En dan zou je willen dat Lucretius naast je staat en dat je hem die uitleg kunt voorlezen.
     Lucretius in elk geval goed in het redeneren vanuit zijn premissen en waarnemingen. Zo heeft hij heel goed geraden dat de ongelijke snelheid waarmee zware en lichte voorwerpen vallen te maken heeft met de luchtweerstand. 

             ‘Dus moeten in de kalme leegte alle dingen
              ondanks hun ongelijk gewicht gelijk bewegen.’ (I, 238-239). 

     Of zie wat hij schrijft over het licht in (II, 388):

              Ook laat een hoornen lamp het licht door, maar de regen
              
wordt erdoor teruggespuugd. Waarom? De lichtpartikels
              zijn kleiner dan de deeltjes van het weldadige water 

    Dat heb ik moeten opzoeken, en jawel: Lucretius had gelijk. In de moderne termen van een AI-overzicht: ‘Licht bestaat uit deeltjes die fotonen heten … Fotonen vliegen ongehinderd door de lege ruimte tussen de atomen van het glas.’ Dat moet ongeveer de voorstelling zijn die Lucretius zich maakte, zonder evenwel de bijkomende uitleg over energie-niveaus en elektronensprongen. Verder schrijft hij dat er veel verschillende elementaire deeltjes zijn, maar dat dat aantal ook niet onbeperkt is. Hoeveel juist, dat weet hij natuurlijk niet. Misschien denkt hij aan een ordegrootte tussen de 118 verschillende atomen en de miljoenen verschillende moleculen.
     Filosofisch is hij ook modern in zijn vraagstelling. Hij begrijpt vaag dat zijn materialistisch systeem moeite had om de wilsvrijheid van de mens in te passen, en hij probeert zich uit te lullen in II, 255-293. En als hij om zich heen kijkt, voelt hij dat het universum zich van de mensheid niets aantrekt en dat de aarde voor ons geen zorgzame moeder is: te veel bergen, bossen, zee, woestijn en ijs (V, 195-234).
     De citaten hierboven komen uit de vertaling van Piet Schrijvers.

Levensstandaard en arbeidersstrijd

    Marc Vermeersch vertelt op zijn FB-pagina dat hij ooit Jean Kéhayan moest opvangen toen die kwam spreken op de Blandijn in Gent. Kéhayan was jarenlang correspondent in Rusland geweest voor het dagblad van de Franse communisten. Bij zijn terugkeer had hij een uitermate kritisch boek geschreven over het Russische communisme. Vermeersch van zijn kant was in die tijd lid van de PVDA, toen nog een kleine partij die gretig op zoek was naar kritiek op het Russische communisme. Er was maar één goed communisme, dat van China en Albanië. Vermeersch:  

Het moet 1977 of 1978 geweest zijn. Ik loop met Jean Kéhayan door de Gentse Donkersteeg.  Daar was toen  een traiteur. Jean bleef er voor staan en keek aandachtig. ‘Tu sais ...’ ging hij verder. Als ik zie wat de levensstandaard hier is... Men heeft ons (in Frankrijk) verteld dat de bestaande welvaart uitsluitend te danken is aan de strijd van de arbeiders. Ik zie hier dat de levensstandaard dezelfde is.

     Vermeersch antwoordde daarop dat er ook ‘bij ons’ veel arbeidersstrijd was geweest. Dat is waar, maar naast de kwestie. Jean Kéhayan had misschien ongelijk voor België, maar zijn mijmering voor het raam van de traiteur reikte verder. Er zijn nu eenmaal landen waar er heel veel arbeiderstrijd is geweest, en andere waar men het rustiger aan deed. Daar zijn allerlei ‘historische’ verklaringen voor. Maar het leuke is dat de levensstandaard in de landen met een rumoerig of met een rustig verleden niet zo erg van elkaar afwijken, en al zeker niet rechtevenredig. Hetzelfde geldt voor landen die vroeger wel of geen kolonies hadden.

 

Vurig spreken of schreeuwen

    Op zijn FB-pagina plaatst Frank D’hanis alweer een stuk tegen Zuhal Demir. Hij beschuldigt de minister ervan dat ze Britse onderwijsmethodes wil invoeren die leiden tot slechtere prestaties van ‘kinderen uit de witte (sic) arbeidersklasse.’ Hij komt terug op een bezoek van Demir aan de strenge Michaela-school.

 De minister bezocht deze en nog twee scholen in de VK in maart 2025 om “inspiratie” op te doen voor ons eigen onderwijs. De droom van Demir? De resultaten opkrikken van onze internationale rankings. En dat kan volgens haar door strenge discipline en een kennisgerichte aanpak. Wat verder in de reportage zit Demir in het kantoor van de directeur van de strenge uniformschool. “Natuurlijk geloof ik in bestraffen!”, schreeuwt die.

     Dat die directeur, Katharine Birbalsing – een directrice dus –, zou geschreeuwd hebben, valt mij van haar tegen. Mijn moeder vond dat je nooit mocht schreeuwen als je voor een klas stond. ‘Dat ondermijnt je gezag,’ zei ze. Zelf verhief ik als leraar wel eens mijn stem als geroezemoes iets te lang aanhield, uit ongeduld, maar nooit, of bijna nooit, uit boosheid.

     Het blijft mij bezighouden. Zou Birbalsing echt geschreeuwd hebben? D’hanis geeft geen bronvermelding van de reportage waar hij naar verwijst. Misschien is het die in De Standaard van 14 maart 2025. Daar wordt gezegd dat de directrice haar overtuiging ‘vurig’ had uitgesproken. Dat is niet helemaal hetzelfde, vind ik. Of heeft D’hanis een francofone achtergrond en gebruikt hij schreeuwen als vertaling van s’écrier? 

zaterdag 15 augustus 2026

Z.E.H. A. Bouckaert (1924-2026)

 


  Een schoolvriend lichtte mij in over het overlijden van onze klassenleraar van het derde middelbaar, de Z.E.H. Alfons Bouckaert. Hij was 102. Bouckaert is in veel opzichten de ideale leraar geweest voor jongens van 14 of 15 jaar. Had ik hem als 17-jarige voor de klas gehad, dan was mijn waanwijsheid volgroeid geweest en had ik mij tegen hem gekeerd. Als 14-jarige onderwierp ik mij nog gemakkelijk aan zijn gezag.
     Bouckaert straalde autoriteit uit en was veeleisend. ‘Bijna kennen, is niet kennen,’ zei hij*. Een leerling die de traag was met zijn antwoord, werd uitgenodigd om even naar de wasbak te gaan om zijn polsen onder koud water te houden. ‘Daar word je wakker van.’ Die zinnetjes vonden we grappig, vooral omdat hij die zinnen als running gag gebruikte en ze zo droog kon brengen. Naar verluid bleef hij dat soort telkens herhaalde one-liners tot op hoge leeftijd gebruiken. Vroeg men hem op het woonzorgcentrum waar hij zijn laatste jaren doorbracht hoe de soep smaakte, antwoordde hij: ‘Voorzichtig, goed’, en als men vroeg of het eten lekker was, antwoordde hij dat hij ‘soms die indruk had.’
    In zijn lessen, verveelde je je geen seconde. Hij schijnt alle vakken gedoceerd te hebben, behalve wiskunde. In ons jaar was zijn lessenpakket teruggebracht tot Latijn en Godsdienst. Het derde middelbaar – vierde Latijn-Grieks – was het jaar van Julius Caesar en van De bello gallico. Onze leraar acteerde de tekst. Hij las hem voor met een overvloed aan intonatie en gebaren. Als hij declameerde dat ‘horum omnium Belgae sunt fortissimi’, dan balde hij zijn vuist*. ‘De Belgen waren de strafste,’ vertaalde hij. En als hij het had over de afschrikwekkende gezichten en ogen van de Germanen – vultum atque aciem oculorum ferre ne potuisse – dan keek hij zelf ook afschrikwekkend, en maakt hij een energiek gebaar met twee vingers die vanaf zijn gebrilde ogen vertrokken en in de klas priemden. 
     Energiek was de beste manier om hem te beschrijven. Ik dacht dat hij zestig was – in werkelijkheid was hij veertig – en ik vroeg mij af waar hij die energie vandaan haalde. Hij stond kaarsrecht voor de klas – stofjas, licht gekleurde bril, zenuwtic om de ogen, haren strak achterover gekamd – en droeg met luide stem een lange Latijnse zin voor. Vervolgens schreef hij met dezelfde energie de structuur van de zin op het bord. En alsof dat nog niet genoeg was, liep hij daarna naar de andere kant van de klas, gaf bevel om ons om te draaien*, en hamerde de zin er nogmaals in, dit keer zonder de visuele ondersteuning van het bord. Elk moment gebeurde er iets, het spektakel hield nooit op. Hij trok met een breed gebaar het gordijn open, en zei: ‘Daar vliegt een olifant.’* En na een dramatische stilte, vroeg hij: ‘Realis of irrealis?’ Het juiste antwoord was: realis, want het ging er niet om of het waar was, maar of het als waar werd voorgesteld.
     Ook het vak Godsdienst gaf hij op dezelfde energieke en gestructureerde manier. Veel van wat hij doceerde heb ik onthouden. Zo leerden we over de temperamenten. Je had mensen die emotioneel waren ingesteld; anderen waren eerder koel. Dezelfde mensen onderscheiden zich in hoe ze reageerden: primair, snel en oppervlakkig, of juist secundair, traag en diepgaand. Als je die eigenschappen emotioneel/niet-emotioneel en primair/secundair op een assenstelsel invulde en combineerde, kreeg je de vier traditionele temperamenten: sanguinisch, melancholisch, cholerisch en flegmatisch.
      Bij elk van de temperamenten volgde een uiteenzetting over de voor- en nadelen ervan, plus nuttige wenken over hoe je met dat temperament moest omgaan. Het was bijzonder spannend, want je wilde graag weten tot welke mensensoort je zelf behoorde. Ik maakte toen voor het eerst kennis met het sterrenbeelden-effect. Elk van de vier beschrijvingen leek wonderwel bij mijn eigen karakter te passen. Ondertussen weet ik beter: ik ben sanguinisch pur sang. Tussen haakjes: mijn zoon kreeg in het derde middelbaar hetzelfde leerstofonderdeel over de temperamenten, maar dan ik de gesofistikeerde versie van het Heymans-model, met acht categorieën. Ik vraag mij af hoeveel hij dáár van onthouden heeft. En ik heb er geen idee van hoeveel combinaties men kan maken met de vijf onderscheidingen van het OCEAN-model. Ik kan zelfs de onderscheidingen niet onthouden.
     Een ander leerstofonderdeel betrof de wereldgodsdiensten: jodendom, hindoeïsme, boeddhisme, islam. Hier kregen we een gestructureerde uitleg over de voor- en nadelen van de leer en de praktijk, een benadering die mij nog altijd heel redelijk lijkt. We leerden ook dat we respect moesten hebben voor mensen van een andere godsdienst. Als je later ooit –  het was onwaarschijnlijk, maar het kon gebeuren – met een moslim op een trein kwam te zitten, een toerist bijvoorbeeld, dan gaf het geen pas om te roepen: ‘Mohamed, sliepuit.’ Bouckaert maakt daarbij het uitlachgebaar waarbij je met je ene wijsvinger over je andere wijsvinger wrijft.  Dat was dus wat je niét mocht doen.
     Bouckaert was ook begeleider van de KSA in Menen. Daar kreeg hij te maken met opgeschoten jongens die worstelden met hun ontluikende seksuele verlangens. Het was te vroeg om daaraan toe te geven, vond hij, en daar had hij wellicht gelijk in. Verder vertrok hij van de logische redenering dat als er geen énkel contact tussen jongens en meisjes was, er dan ook geen seksueel contact kon zijn. Wat moest zo’n jongen dan doen als hij aan het fietsen was, en hij zag een mooi meisje staan aan de kant van de weg? ‘Er is dan maar één oplossing,’ zei hij, ‘doorfietsen. Je benen, man, je benen!’ Overigens moet het ook in die tijd en daarvóór al moeilijk geweest zijn om katholieke jongens en meisjes zo mooi gescheiden te houden. Zelfs op de strenge kostschool waar mijn moeder school liep, was er, ondanks alle controle, in elke klas wel een meisje die het al met een jongen deed, of desnoods met een getrouwde man.
     Natuurlijk was Bouckaert in de eerste plaats de man van het leerlingen-banjo-orkest. Hij organiseerde, dirigeerde, componeerde, arrangeerde en rekruteerde. Ooit werd ik na de schooluren uitgenodigd op zijn kamer. Hij moet mijn grootvader gekend hebben die organist was in Wevelgem en vermoedde wellicht in mij een vergelijkbaar muzikaal talent. Ik moest hem teleurstellen. Toen bleek dat Bouckaert een eigenschap bezat die ik later bij veel Amada- en PVDA-militanten zou opmerken: creatieve vasthoudendheid. Als ik dan zelf geen muziek kon maken, zei hij, dan kon ik toch best een andere rol in het orkest vervullen. Er was altijd iemand nodig om alles klaar te zetten en om met de kabels te slepen. En zo iemand mocht evengoed mee op de buitenlandse tournees. Ook daar liep ik echter niet warm voor, en na nog een korte toetsing of ik geen tekenen van vroege roeping voor het priesterschap voelde, mocht ik naar huis.
     We hebben Bouckaert jammer genoeg maar één trimester als leraar gehad. Midden in het schooljaar werd hij door het bisdom weggeroepen om medepastoor in Knokke te worden. Ter vervanging kregen we voor Latijn een jonge snaak zonder aangeboren gezag of talent. Hopelijk is hij daarna in zijn vak gegroeid. Ook voor godsdienst kregen we een pas afgestudeerde voor de klas: hij had zopas de ‘maartrevolte’ in Gent meegemaakt, of kon er in elk geval over vertellen. Hij droeg toen nog een keurige jas en das, maar toen ik hem twee jaar later tegenkwam op linkse betogingen was de jas vervangen door een parka, en de das door een baard. In de klas konden we met hem fijn over politieke kwesties discussiëren, Palestina bijvoorbeeld. Dat was ook 56 jaar geleden een heet hangijzer, maar minder gedemocratiseerd dan nu. Het was meer iets voor de happy few: maoïsten, trotskisten, KP’ers en de socialisten van het weekblad Links. Van dié discussies in de klas herinner ik mij niet veel meer, niet van wat ik gezegd heb en niet van wat de leraar gezegd heeft – alleen dat die laatste soms klaagde dat het niet altijd over politiek moest gaan.

                                                            ***

     Gisteren ben ik dan naar de begrafenis geweest, in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk, waarvan Bouckaert de pastoor was geweest. De dienst werd opgeluisterd door het uit de doden opgestane banjo-orkest, zeventigers en tachtigers, die nog onder leiding van Bouckaert hadden gemusiceerd. Er waren zoveel liedjes – meestal tekst van G. Gezelle en muziek van A. Bouckaert – dat de dienst meer dan anderhalf uur duurde.
     Je komt op zo’n gelegenheid altijd oude bekenden tegen. Naast mij zat mijn vriend Dirk die op examens altijd precies 10 procent meer haalde dan ik. Een stoel verder zat onze leraar Frans van het vierde middelbaar, de man met de welluidende stem, die nog mooier klonk als hij bij hoge uitzondering iets in het Nederlands zei. In de klas deelde hij gestencilde teksten uit van Allain-Robbe Grillet (La grève, wat voor één keer niet ‘staking’ betekende), van André Gide (iets over ‘l’acte gratuit’), een fragment uit Votaires Candide (de tekst begon met ‘Rien n’était si beau, si leste, si brillant, si bien ordonné …), een fragment uit Les lettres persanes van Montesquieu (met het opmerkelijke zinnetje dat niemand van ons had opgemerkt: 
jamais homme na tant été vue que moi.’*En als Eddy Merckx een belangrijke wielerwedstrijd had gewonnen, kregen we een artikel uit Le Monde over die prestatie. Natuurlijk was onze leraar dat allemaal al lang vergeten.
      Een van de vier priesters die de dienst voorgingen – voor een van hén doet men een speciale inspanning – was hispanist Christian De Paepe. Achteraf gingen Dirk en ik nog even bij hem staan. ‘Dag professor.’ ‘Ah romanisten zeker?  Je moet mij verontschuldigen maar ik herken jullie niet meer.’ De Paepe is ondertussen 88 maar hij leek amper ouder dan toen ik 45 jaar geleden bij hem examen aflegde**.
     Ik herinnerde hem aan mijn mondelinge examen in de eerste kandidatuur. Ik was in het hele jaar geen enkele keer naar de les geweest en kende geen woord Spaans. De professor begon mij van alles te vertellen in een mij toen nog onbekende taal. Uit medelijden schakelde hij daarna over op het Nederlands. ‘Je bent de enige student ooit die op het schriftelijke examen -2 op 100 behaalde. Je hebt je naam op de verkeerde plaats ingevuld en je nummer verkeerdelijk ingevuld bij ‘nombre’; het spijt me maar ik moest streng zijn.’
     De professor had vandaag nog dezelfde guitige blik in de ogen als toen. Het gesprek ging even over een collega-romanist die niet zoals de meerderheid Spaans had gestudeerd, maar Italiaans. ‘Verkeerde mensen,’ zei De Paepe met lichte spot. Als ik hem indertijd in de gangen van faculteit tegenkwam, vroeg hij of ik eigenlijk niet ergens revolutionaire pamfletten moest uitdelen. Zag hij een Zuid-Amerikaanse collega voorbijlopen met een stapel papieren, dan vroeg hij of dát  este montón de papeles  weer een studie was over Derde Wereld-politiek, dan wel iets over oude literatuur.
     We hebben niet gevraagd hoe de professor onze oude leraar kende. Ze waren allebei priester natuurlijk. Allebei Zuid-West-Vlamingen, dat ook. En ze deelden dezelfde liefde voor muziek. Ik meen mij vaag te herinneren dat ik De Paepe nog een studentenkoor van romanisten heb zien dirigeren. Ze zongen Odi et amo van Catullus geloof ik. Van zulke mensen, zei Dirk, is muziek de eerste taal.

 

 

* Opdat men niet zou denken dat ik zon goed geheugen heb: de anekdotes met een asterisk zijn mij aangereikt door klasgenoten. Overigens heb ik zelf wel eens leerlingen uitgenodigd om hun polsen onder koud water te houden. Ik verplichtte hen niet, het was maar een voorstel om hen te helpen, maar sommigen deden het. 

** Zelf moet ik er gisteren, met mijn onverzorgde haar en baard, ongeveer 88 uit hebben gezien. Ik ben ondertussen naar de kapper-barbier geweest.

donderdag 13 augustus 2026

De stijl van een chatbot, e.a.


De stijl van een chatbot
     Omdat ik zelf dagelijks chatbots gebruik, is het ondankbaar van mij dat ik af en toe kwaad spreek over die heerlijke hulpmiddelen. Ik wijs dan op de fouten die ze maken als ik hen iets laat opzoeken, of over de saaie stijl van de AI-slop die ik op mijn schermen zie verschijnen. Maar wat ik schrijf, veroudert snel, omdat de chatbots snel verbeteren. Jurgen Ceder verwoordt het zo: de slechtste AI is deze die we nú gebruiken.
       Ik heb de chatbotstijl ooit vergeleken met het ideale antwoord op examenvragen. Ik gaf daar les over, en de chatbots passen al mijn richtlijnen nauwgezet toe, tot en met het gebruik van gedachtestrepen. Het resultaat is een stereotype stijl, met een soms opzettelijke vaagheid om toch maar fouten te vermijden.     Ondertussen is die stijl voldoende geëvolueerd zodat iemand als ik die nog moeilijk kan onderscheiden van schoolmeesterachtige schoonschrijverij door mensen. Maarten Boudry citeerde onlangs een stuk over de islamisering van Frankrijk. Hij vond het stuk inhoudelijk interessant en goed geschreven  vivid and fluent – en inhoudelijk interessant, maar hoe verder hij las, hoe achterdochtiger hij werd. En dan kwam hij bij de conclusie van het stuk:

 You cannot save a country that has decided to destroy itself — slowly, voluntarily, and with a clear conscience. You did not fall, France. You chose to kneel. Goodbye, France.

     Boudry wist zeker dat zoiets door een chatbot was geschreven, en werd in die mening bevestigd door het gespecialiseerde programma Pangram. Ikzelf zou nooit zo zeker zijn geweest. Ik heb de indruk dat ik   in Franse en Amerikaanse tijdschriften honderden stukken gelezen heb die zo eindigen. Meer zelfs, in mijn eigen lessen over het schrijven van verhandelingen’ noemde ik de pathetische slotzin als een van de mogelijke eindes van dat tekstgenre.
     Voorlopig schijnt Pangram nog altijd in staat om AI-teksten van menselijke teksten te onderscheiden, met behulp van heel ingewikkelde patroonherkenning. Maar de grove AI-kenmerken die een leek hanteert om het onderscheid te maken, zijn onvoldoende om het verschil te zien. Ik heb die kenmerken eens aan Grok gevraagd. Het zijn 

  1. Vage woorden zoals ‘wijzen op’, ‘in het kader van’, ‘essentieel’
  2. Retorische structuren zoals negatief parallelisme, triaden, gedachtestrepen, gelijkvormige opsommingen, veel verbindingswoorden, 
  3. Middellange zinnen onderbroken door af en toe een korte zin als opvulsel of als dramatisch of ritmisch stijlmiddel,
  4.  Rigide alineastructuur met aan het begin een samenvattende themazin.
  5. Lage informatie-dichtheid
  6. Voortdurende nuancering.  

   Dat zijn allemaal kenmerken die in mijn eigen stukjes terug te vinden zijn. Sommige van die stijlmiddelen heb ik op de schoolbanken geleerd. Het negatief parallellisme was een van de eerste uitdrukkingen die we leerden in de lessen Latijn: ‘non solo, sed etiam’. En natuurlijk moet een opsomming gelijkvormig zijn.
     Sommige van die kenmerken probeer ik bij herlezing te bestrijden, zoals vage woorden en overdreven nuancering, maar omgekeerd voeg ik andere kenmerken achteraf nog toe: een extra verbindingswoord voor alle zekerheid, een themazin die de betekenis explicieter weergeeft, een herhaling die de informatie wat minder opeenpakt, een meer parallelle zinsstructuur waardoor de alinea beter samenhangt … 
Het AI-kenmerk waar ik het verst van verwijderd ben, is de ‘perfecte grammatica en spelling’, maar ook dat kenmerk komt geleidelijk tot stand dankzij de correcties die mij door oplettende lezers worden aangereikt.
     En toch gelijken mijn teksten voorlopig niet op chatbot-teksten. Ook daarvoor heeft Grok een verklaring die ik hier, enigszins aangepast, overneem:

 AI-slop voelt aan alsof iemand net alle retorische trucs heeft geleerd en ze overal tegelijk toepast, terwijl de inhoud gemiddeld en veilig blijft. Het mist idiosyncrasie, risico en concrete details. Eén enkel kenmerk bewijst niets  het is de voortdurende herhaling ervan die typisch is*. 

      Grok is zelf een AI-model, maar wat de bot hier zegt, is de zuivere waarheid. Elk goed stijlhandboek begint of eindigt met de raad om zeker niet álle raadgevingen die in het boek vervat zijn, toe te passen. 


* De oorspronkelijke Grok-alinea bevatte drie triades; ik heb er een laten staan.


A Hidden Life (2019)
     Het was weer enige tijd geleden dat ik nog een film van Terence Malick had gezien en nu had mijn vrouw A Hidden Life ontdekt hij bij het aanbod van VRT-Max. Een diepgelovige Duitse boer tijdens de Tweede Wereldoorlog weigert om de eed van trouw af te leggen aan de Führer. Omdat het over een boer ging, wist ik dat we ons aan prachtige natuurbeelden mochten verwachten, en omdat het Terence Malick was, wist ik dat we ons aan een poëtische impressie mochten verwachten. Een gewone film bestaat uit een 50-tal scènes op één locatie en binnen één tijdsperiode. Mijn indruk na de film was dat we enkele honderden korte scènes hadden gezien. Maar mijn chatbot heeft mij uitgelegd waarom dat een slechte karakterisering is.

 Bij een conventionele publieksfilm heb je vaak: scène  scène  scène  volgende plotontwikkeling. Bij Malick is het eerder: moment  beeld  beweging  fragment van gesprek  natuurbeeld  voice-over  ander moment herinnering  terug naar de handeling. De grenzen tussen scènes worden daardoor veel minder duidelijk.

    Dat is inderdaad veel preciezer. Het resultaat van die werkwijze is eerder lyrisch dan dramatisch. De enige scène die bij mij dramatisch overkwam was een monoloog van Bruno Ganz die als rechter een laatste poging waagt om de gelovige boer tot een meer opportunistische houding te verleiden, een beetje zoals de duivel dat deed met Jezus in de woestijn. 
     De indruk dat de film uit honderden fragmenten bestaat houdt trouwens niet lang aan. Na enkele uren beginnen de fragmenten in je herinnering samen te klonteren tot scènes en sequenties. 


De harteloosheid van Knack
  
  
     In mijn postbus zie ik volgende kop van Knack verschijnen: ‘Geen eclipsbril in huis? Zo kijkt u veilig naar de zonsverduistering.’ Maar toen ik de kop aanklikte, bleek dat het artikel zich achter een betaalmuur bevond. Knack liet hier dus uit inhaligheid de kans liggen om duizenden, misschien zelfs tienduizenden, Vlamingen te behoeden voor permanente blindheid!

Mamdani’s gesubsidieerde supermarkten
     Men spreekt veel kwaad van Doorbraak, terwijl het toch erg goede stukken heeft. Dat over Mamdani die 5 gesubsidieerde supermarkten in New York wil invoeren, heb ik graag gelezen (zie hier). Ik weet niet of ik met een stuk over dat onderwerp even nuchter was gebleven.