zaterdag 15 augustus 2026

De Z.E.H. A. Bouckaert (1924-2026)

 


  Een schoolvriend lichtte mij in over het overlijden van onze klassenleraar van het derde middelbaar, de Z.E.H. Bouckaert. Die is in veel opzichten de ideale leraar geweest voor jongens van 14 of 15 jaar. Had ik hem als 17-jarige voor de klas gehad, dan was mijn waanwijsheid volgroeid geweest en had ik mij tegen hem gekeerd. Als 14-jarige onderwierp ik mij nog gemakkelijk aan zijn gezag.
     Bouckaert straalde autoriteit uit en was veeleisend. ‘Bijna kennen, is niet kennen,’ zei hij. Een leerling die de traag was met zijn antwoord, werd uitgenodigd om even naar de wasbak te gaan om zijn polsen onder koud water te houden. ‘Daar word je wakker van.’ Die zinnetjes vonden we grappig, vooral omdat hij die zinnen als running gag gebruikte en ze zo droog kon brengen. Naar verluid bleef hij dat soort telkens herhaalde one-liners tot op hoge leeftijd gebruiken. Vroeg men hem op het woonzorgcentrum waar hij zijn laatste jaren doorbracht of de soep smaakte, antwoordde hij: ‘Een voorzichtig ja’, en als men vroeg of het eten lekker was, antwoordde hij dat hij ‘soms die indruk had.’
    In zijn lessen, verveelde je je geen seconde. Hij schijnt alle vakken gedoceerd te hebben, behalve wiskunde. In ons jaar was zijn lessenpakket teruggebracht tot Latijn en Godsdienst. Het derde middelbaar – vierde Latijn-Grieks – was het jaar van Julius Caesar en van De bello gallico. Onze leraar acteerde de tekst. Hij las hem voor met een overvloed aan intonatie en gebaren. Als hij declameerde dat ‘horum omnium Belgae sunt fortissimi’, dan balde hij zijn vuist. ‘De Belgen waren de strafste,’ vertaalde hij. En als hij het had over de afschrikwekkende gezichten en ogen van de Germanen – vultum atque aciem oculorum ferre ne potuisse – dan keek hij zelf ook afschrikwekkend, en maakt hij een energiek gebaar met twee vingers die vanaf zijn gebrilde ogen vertrokken en in de klas priemden.
     Energiek was de beste manier om hem te beschrijven. Ik dacht dat hij zestig was – in werkelijkheid was hij veertig – en ik vroeg mij af waar hij die energie vandaan haalde. Hij stond kaarsrecht voor de klas – stofjas, licht gekleurde bril, zenuwtic om de ogen, haren strak achterover gekamd – en droeg met luide stem een lange Latijnse zin voor. Vervolgens schreef hij met dezelfde energie de structuur van de zin op het bord. En alsof dat nog niet genoeg was, liep hij daarna naar de andere kant van de klas, gaf bevel om ons om te draaien, en hamerde de zin er nogmaals in, dit keer zonder de visuele ondersteuning van het bord. Elk moment gebeurde er iets, het spektakel hield nooit op.
     Ook het vak Godsdienst gaf hij op dezelfde energieke en gestructureerde manier. Veel van wat hij doceerde heb ik onthouden. Zo leerden we over de temperamenten. Je had mensen die emotioneel waren ingesteld; anderen waren eerder koel. Dezelfde mensen onderscheiden zich in hoe ze reageerden: primair, snel en oppervlakkig, of juist secundair, traag en diepgaand. Als je die eigenschappen emotioneel/niet-emotioneel en primair/secundair op een assenstelsel invulde en combineerde, kreeg je de vier traditionele temperamenten: sanguinisch, melancholisch, cholerisch en flegmatisch.
      Bij elk van de temperamenten volgde een uiteenzetting over de voor- en nadelen ervan, plus nuttige wenken over hoe je met dat temperament moest omgaan. Het was bijzonder spannend, want je wilde graag weten tot welke mensensoort je zelf behoorde. Ik maakte toen voor het eerst kennis met het sterrenbeelden-effect. Elk van de vier beschrijvingen leek wonderwel bij mijn eigen karakter te passen. Ondertussen weet ik beter: ik ben sanguinisch pur sang. Tussen haakjes: mijn zoon kreeg in het derde middelbaar hetzelfde leerstofonderdeel over de temperamenten, maar dan ik de gesofistikeerde versie van het Heymans-model, met acht categorieën. Ik vraag mij af hoeveel hij dáár van onthouden heeft. En ik heb er geen idee van hoeveel categorieën men kan opstellen met de vijf onderscheidingen van het OCEAN-model. Ik kan zelfs de onderscheidingen niet onthouden.
     Een ander leerstofonderdeel betrof de wereldgodsdiensten: jodendom, hindoeïsme, boeddhisme, islam. Hier kregen we een gestructureerde uitleg over de voor- en nadelen van de leer en de praktijk, een benadering die mij nog altijd heel redelijk lijkt. We leerden ook dat we respect moesten hebben voor mensen van een andere godsdienst. Als je later ooit –  het was onwaarschijnlijk, maar het kon gebeuren – met een moslim op een trein kwam te zitten, een toerist bijvoorbeeld, dan gaf het geen pas om te roepen: ‘Mohamed, sliepuit.’ Bouckaert maakt daarbij het uitlachgebaar waarbij je met je ene wijsvinger over je andere wijsvinger wrijft.  Dat was dus wat je niét mocht doen.
     Bouckaert was ook begeleider van de KSA in Menen. Daar kreeg hij te maken met opgeschoten jongens die worstelden met hun ontluikende seksuele verlangens. Het was te vroeg om daaraan toe te geven, vond hij, en daar had hij wellicht gelijk in. Verder vertrok hij van de logische redenering dat als er geen énkel contact tussen jongens en meisjes was, er dan ook geen seksueel contact kon zijn. Wat moest zo’n jongen dan doen als hij aan het fietsen was, en hij zag een mooi meisje staan aan de kant van de weg? ‘Er is dan maar één oplossing,’ zei hij, ‘doorfietsen. Je benen, man, je benen!’ Overigens moet het ook in die tijd en daarvóór al moeilijk geweest zijn om katholieke jongens en meisjes zo mooi gescheiden te houden. Zelfs op de strenge kostschool waar mijn moeder school liep, was er, ondanks alle controle, in elke klas wel een meisje die het al met een jongen deed, of desnoods met een getrouwde man.
     Natuurlijk was Bouckaert in de eerste plaats de man van het leerlingen-banjo-orkest. Hij organiseerde, dirigeerde, componeerde, arrangeerde en rekruteerde. Ooit werd ik na de schooluren uitgenodigd op zijn kamer. Hij moet mijn grootvader gekend hebben die organist was in Wevelgem en vermoedde wellicht in mij een vergelijkbaar muzikaal talent. Ik moest hem teleurstellen. Toen bleek dat Bouckaert een eigenschap bezat die ik later bij veel Amada- en PVDA-militanten zou opmerken: creatieve vasthoudendheid. Als ik dan zelf geen muziek kon maken, zei hij, dan kon ik toch best een andere rol in het orkest vervullen. Er was altijd iemand nodig om alles klaar te zetten en om met de kabels te slepen. En zo iemand mocht evengoed mee op de buitenlandse tournees. Ook daar liep ik echter niet warm voor, en na nog een korte toetsing of ik geen tekenen van vroege roeping voor het priesterschap voelde, mocht ik naar huis.
     We hebben Bouckaert jammer genoeg maar één trimester als leraar gehad. Midden in het schooljaar werd hij door het bisdom weggeroepen om medepastoor in Knokke te worden. Ter vervanging kregen we voor Latijn een jonge snaak zonder aangeboren gezag of talent. Hopelijk is hij daarna in zijn vak gegroeid. Ook voor godsdienst kregen we een pas afgestudeerde voor de klas: hij had zopas de ‘maartrevolte’ in Gent meegemaakt, of kon er in elk geval over vertellen. Hij droeg toen nog een keurige jas en das, maar toen ik hem twee jaar later tegenkwam op linkse betogingen was de jas vervangen door een parka, en de das door een baard. In de klas konden we met hem fijn over politieke kwesties discussiëren, Palestina bijvoorbeeld. Dat was ook 56 jaar geleden een heet hangijzer, maar minder gedemocratiseerd dan nu. Het was meer iets voor de happy few: maoisten, trotskisten, KP’ers en de socialisten van het weekblad Links. Van dié discussies in de klas herinner ik mij niet veel meer, niet van wat ik gezegd heb en niet van wat de leraar gezegd heeft – alleen dat die laatste soms klaagde dat het niet altijd over politiek moest gaan.

                                                            ***

     Gisteren ben ik dan naar de begrafenis geweest, in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk, waarvan Bouckaert de pastoor was geweest. De dienst werd opgeluisterd door het uit de doden opgestane banjo-orkest, zeventigers en tachtigers, die nog onder leiding van Bouckaert hadden gemusiceerd. Er waren zoveel liedjes – meestal tekst van G. Gezelle en muziek van A. Bouckaert – dat de dienst meer dan anderhalf uur duurde.
     Je komt op zo’n gelegenheid altijd oude bekenden tegen. Naast mij zat mijn vriend Dirk die op examens altijd precies 10 procent meer haalde dan ik. Een stoel verder zat onze leraar Frans van het vierde middelbaar, de man met de welluidende stem, die nog mooier klonk als hij bij hoge uitzondering iets in het Nederlands zei. In de klas deelde hij gestencilde teksten uit van Allain-Robbe Grillet (La grève, wat voor één keer niet ‘staking’ betekende), van André Gide (iets over ‘l’acte gratuit’), een fragment uit Votaires Candide (de tekst begon met ‘Rien n’était si beau, si leste, si brillant, si bien ordonné …). En als Eddy Merckx een belangrijke wielerwedstrijd had gewonnen, kregen we een artikel uit Le Monde over die prestatie. Natuurlijk was onze leraar dat allemaal al lang vergeten.
      Een van de vier priesters die de dienst voorgingen – voor een van hén doet men een speciale inspanning – was hispanist Christian De Paepe. Achteraf gingen Dirk en ik nog even bij hem staan. ‘Dag professor.’ ‘Ah romanisten zeker?  Je moet mij verontschuldigen maar ik herken jullie niet meer.’ De Paepe is ondertussen 88 maar hij leek amper ouder dan toen ik 45 jaar geleden bij hem examen aflegde*.
     Ik herinnerde hem aan mijn mondelinge examen in de eerste kandidatuur. Ik was in het hele jaar geen enkele keer naar de les geweest en kende geen woord Spaans. De professor begon mij van alles te vertellen in een mij toen nog onbekende taal. Uit medelijden schakelde hij daarna over op het Nederlands. ‘Je bent de enige student ooit die op het schriftelijke examen -2 op 100 behaalde. Je hebt je naam op de verkeerde plaats ingevuld en je nummer verkeerdelijk ingevuld bij ‘nombre’; het spijt me maar ik moest streng zijn.’
     De professor had vandaag nog dezelfde guitige blik in de ogen. Het gesprek ging even over een collega-romanist die niet zoals de meerderheid Spaans had gestudeerd, maar Italiaans. ‘Verkeerde mensen,’ zei De Paepe op de licht spottende toon die ik kende van vroeger. Als ik hem indertijd in de gangen van faculteit tegenkwam, vroeg hij of ik eigenlijk niet ergens revolutionaire pamfletten moest uitdelen. Zag hij een Zuid-Amerikaanse collega voorbijlopen, dan vroeg hij of ze weer met een politiek Derde Wereld-onderzoek bezig was, in plaats van vlijtig oude literatuur te bestuderen.
     We hebben niet gevraagd hoe de professor onze oude leraar kende. Ze waren allebei priester natuurlijk. Allebei Zuid-West-Vlamingen, dat ook. En ze deelden dezelfde liefde voor muziek. Ik meen mij vaag te herinneren dat ik De Paepe nog een studentenkoor van romanisten heb zien dirigeren. Ze zongen Odi et amo, een tekst van Catullus op muziek van Carl Orff. 
Van zulke mensen, zei Dirk, is muziek de eerste taal.

 

 

* Zelf moet ik er gisteren, met mijn onverzorgde haar en baard, ongeveer 88 uitgezien hebben. Ik ben ondertussen naar de kapper-barbier geweest.

donderdag 13 augustus 2026

De stijl van een chatbot, e.a.


De stijl van een chatbot
     Omdat ik zelf dagelijks chatbots gebruik, is het ondankbaar van mij dat ik af en toe kwaad spreek over die heerlijke hulpmiddelen. Ik wijs dan op de fouten die ze maken als ik hen iets laat opzoeken, of over de saaie stijl van de AI-slop die ik op mijn schermen zie verschijnen. Maar wat ik schrijf, veroudert snel, omdat de chatbots snel verbeteren. Jurgen Ceder verwoordt het zo: de slechtste AI is deze die we nú gebruiken.
       Ik heb de chatbotstijl ooit vergeleken met het ideale antwoord op examenvragen. Ik gaf daar les over, en de chatbots passen al mijn richtlijnen nauwgezet toe, tot en met het gebruik van gedachtestrepen. Het resultaat is een stereotype stijl, met een soms opzettelijke vaagheid om toch maar fouten te vermijden.     Ondertussen is die stijl voldoende geëvolueerd zodat iemand als ik die nog moeilijk kan onderscheiden van schoolmeesterachtige schoonschrijverij door mensen. Maarten Boudry citeerde onlangs een stuk over de islamisering van Frankrijk. Hij vond het stuk inhoudelijk interessant en goed geschreven  vivid and fluent – en inhoudelijk interessant, maar hoe verder hij las, hoe achterdochtiger hij werd. En dan kwam hij bij de conclusie van het stuk:

 You cannot save a country that has decided to destroy itself — slowly, voluntarily, and with a clear conscience. You did not fall, France. You chose to kneel. Goodbye, France.

     Boudry wist zeker dat zoiets door een chatbot was geschreven, en werd in die mening bevestigd door het gespecialiseerde programma Pangram. Ikzelf zou nooit zo zeker zijn geweest. Ik heb de indruk dat ik   in Franse en Amerikaanse tijdschriften honderden stukken gelezen heb die zo eindigen. Meer zelfs, in mijn eigen lessen over het schrijven van verhandelingen’ noemde ik de pathetische slotzin als een van de mogelijke eindes van dat tekstgenre.
     Voorlopig schijnt Pangram nog altijd in staat om AI-teksten van menselijke teksten te onderscheiden, met behulp van heel ingewikkelde patroonherkenning. Maar de grove AI-kenmerken die een leek hanteert om het onderscheid te maken, zijn onvoldoende om het verschil te zien. Ik heb die kenmerken eens aan Grok gevraagd. Het zijn 

  1. Vage woorden zoals ‘wijzen op’, ‘in het kader van’, ‘essentieel’
  2. Retorische structuren zoals negatief parallelisme, triaden, gedachtestrepen, gelijkvormige opsommingen, veel verbindingswoorden, 
  3. Middellange zinnen onderbroken door af en toe een korte zin als opvulsel of als dramatisch of ritmisch stijlmiddel,
  4.  Rigide alineastructuur met aan het begin een samenvattende themazin.
  5. Lage informatie-dichtheid
  6. Voortdurende nuancering.  

   Dat zijn allemaal kenmerken die in mijn eigen stukjes terug te vinden zijn. Sommige van die stijlmiddelen heb ik op de schoolbanken geleerd. Het negatief parallellisme was een van de eerste uitdrukkingen die we leerden in de lessen Latijn: ‘non solo, sed etiam’. En natuurlijk moet een opsomming gelijkvormig zijn.
     Sommige van die kenmerken probeer ik bij herlezing te bestrijden, zoals vage woorden en overdreven nuancering, maar omgekeerd voeg ik andere kenmerken achteraf nog toe: een extra verbindingswoord voor alle zekerheid, een themazin die de betekenis explicieter weergeeft, een herhaling die de informatie wat minder opeenpakt, een meer parallelle zinsstructuur waardoor de alinea beter samenhangt … 
Het AI-kenmerk waar ik het verst van verwijderd ben, is de ‘perfecte grammatica en spelling’, maar ook dat kenmerk komt geleidelijk tot stand dankzij de correcties die mij door oplettende lezers worden aangereikt.
     En toch gelijken mijn teksten voorlopig niet op chatbot-teksten. Ook daarvoor heeft Grok een verklaring die ik hier, enigszins aangepast, overneem:

 AI-slop voelt aan alsof iemand net alle retorische trucs heeft geleerd en ze overal tegelijk toepast, terwijl de inhoud gemiddeld en veilig blijft. Het mist idiosyncrasie, risico en concrete details. Eén enkel kenmerk bewijst niets  het is de voortdurende herhaling ervan die typisch is*. 

      Grok is zelf een AI-model, maar wat de bot hier zegt, is de zuivere waarheid. Elk goed stijlhandboek begint of eindigt met de raad om zeker niet álle raadgevingen die in het boek vervat zijn, toe te passen. 


* De oorspronkelijke Grok-alinea bevatte drie triades; ik heb er een laten staan.


A Hidden Life (2019)
     Het was weer enige tijd geleden dat ik nog een film van Terence Malick had gezien en nu had mijn vrouw A Hidden Life ontdekt hij bij het aanbod van VRT-Max. Een diepgelovige Duitse boer tijdens de Tweede Wereldoorlog weigert om de eed van trouw af te leggen aan de Führer. Omdat het over een boer ging, wist ik dat we ons aan prachtige natuurbeelden mochten verwachten, en omdat het Terence Malick was, wist ik dat we ons aan een poëtische impressie mochten verwachten. Een gewone film bestaat uit een 50-tal scènes op één locatie en binnen één tijdsperiode. Mijn indruk na de film was dat we enkele honderden korte scènes hadden gezien. Maar mijn chatbot heeft mij uitgelegd waarom dat een slechte karakterisering is.

 Bij een conventionele publieksfilm heb je vaak: scène  scène  scène  volgende plotontwikkeling. Bij Malick is het eerder: moment  beeld  beweging  fragment van gesprek  natuurbeeld  voice-over  ander moment herinnering  terug naar de handeling. De grenzen tussen scènes worden daardoor veel minder duidelijk.

    Dat is inderdaad veel preciezer. Het resultaat van die werkwijze is eerder lyrisch dan dramatisch. De enige scène die bij mij dramatisch overkwam was een monoloog van Bruno Ganz die als rechter een laatste poging waagt om de gelovige boer tot een meer opportunistische houding te verleiden, een beetje zoals de duivel dat deed met Jezus in de woestijn. 
     De indruk dat de film uit honderden fragmenten bestaat houdt trouwens niet lang aan. Na enkele uren beginnen de fragmenten in je herinnering samen te klonteren tot scènes en sequenties. 


De harteloosheid van Knack
  
  
     In mijn postbus zie ik volgende kop van Knack verschijnen: ‘Geen eclipsbril in huis? Zo kijkt u veilig naar de zonsverduistering.’ Maar toen ik de kop aanklikte, bleek dat het artikel zich achter een betaalmuur bevond. Knack liet hier dus uit inhaligheid de kans liggen om duizenden, misschien zelfs tienduizenden, Vlamingen te behoeden voor permanente blindheid!


Levensstandaard en arbeidersstrijd
    Marc Vermeersch vertelt op zijn FB-pagina dat hij ooit Jean Kéhayan moest opvangen toen die kwam spreken op de Blandijn in Gent. Kéhayan was jarenlang correspondent in Rusland geweest voor het dagblad van de Franse communisten. Bij zijn terugkeer had hij een uitermate kritisch boek geschreven over het Russische communisme. Vermeersch van zijn kant was in die tijd lid van de PVDA, toen nog een kleine partij die gretig op zoek was naar kritiek op het Russische communisme. Er was maar één goed communisme, dat van China en Albanië. Vermeersch:  

Het moet 1977 of 1978 geweest zijn. Ik loop met Jean Kéhayan door de Gentse Donkersteeg.  Daar was toen  een traiteur. Jean bleef er voor staan en keek aandachtig. ‘Tu sais ...’ ging hij verder. Als ik zie wat de levensstandaard hier is... Men heeft ons (in Frankrijk) verteld dat de bestaande welvaart uitsluitend te danken is aan de strijd van de arbeiders. Ik zie hier dat de levensstandaard dezelfde is.

     Vermeersch antwoordde daarop dat er ook ‘bij ons’ veel arbeidersstrijd was geweest. Dat is waar, maar naast de kwestie. Jean Kéhayan had misschien ongelijk voor België, maar zijn mijmering voor het raam van de traiteur reikte verder. Er zijn nu eenmaal landen waar er heel veel arbeiderstrijd is geweest, en andere waar men het rustiger aan deed. Daar zijn allerlei ‘historische’ verklaringen voor. Maar het leuke is dat de levensstandaard in de landen met een rumoerig of met een rustig verleden niet zo erg van elkaar afwijken, en al zeker niet rechtevenredig. Hetzelfde geldt voor landen die vroeger wel of geen kolonies hadden.


Mamdani’s gesubsidieerde supermarkten
     Men spreekt veel kwaad van Doorbraak, terwijl het toch erg goede stukken heeft. Dat over Mamdani die 5 gesubsidieerde supermarkten in New York wil invoeren, heb ik graag gelezen (zie hier). Ik weet niet of ik met een stuk over dat onderwerp even nuchter was gebleven. 


Met Lucretius op het strand 
    
Als je zo’n oud boek leest als Lucretius’ De rerum naturae, dan zou je willen dat er naast de tekst telkens een uitleg staat over wat de huidige natuurwetenschap zegt over die atomen en moleculen. En dan zou je willen dat Lucretius naast je staat en dat je hem die uitleg kunt voorlezen.
     Lucretius in elk geval goed vanuit zijn premissen en vanuit zijn waarnemingen. Zo heeft hij heel goed  begrepen dat de ongelijke snelheid waarmee zware en lichte voorwerpen vallen te maken heeft met de luchtweerstand. 

             ‘Dus moeten in de kalme leegte alle dingen
              ondanks hun ongelijk gewicht gelijk bewegen.’ (I, 238-239). 

     Of zie wat hij schrijft over het licht in (II, 388):

              Ook laat een hoornen lamp het licht door, maar de regen
              
wordt erdoor teruggespuugd. Waarom? De lichtpartikels
              zijn kleiner dan de deeltjes van het weldadige water 

    Dat heb ik moeten opzoeken, en jawel: Lucretius had gelijk. In de moderne termen van een AI-overzicht: ‘Licht bestaat uit deeltjes die fotonen heten … Fotonen vliegen ongehinderd door de lege ruimte tussen de atomen van het glas.’ Dat moet ongeveer de voorstelling zijn die Lucretius zich maakte, zonder evenwel de bijkomende uitleg over energie-niveaus en elektronensprongen. Verder schrijft hij dat er veel verschillende elementaire deeltjes zijn, maar dat dat aantal ook niet onbeperkt is. Hoeveel juist, dat weet hij natuurlijk niet. Misschien denkt hij aan een ordegrootte tussen de 118 verschillende atomen en de miljoenen verschillende moleculen.
     Filosofisch is hij ook modern in zijn vraagstelling. Hij begrijpt vaag dat zijn materialistisch systeem moeite had om de wilsvrijheid van de mens in te passen, en hij probeert zich uit te lullen in II, 255-293. En als hij om zich heen kijkt, voelt hij dat het universum zich van de mensheid niets aantrekt en dat de aarde voor ons geen zorgzame moeder is: te veel bergen, bossen, zee, woestijn en ijs (V, 195-234).
     De citaten hierboven komen uit de vertaling van Piet Schrijvers.

dinsdag 11 augustus 2026

Bart Eeckhout en Ceuta, e.a.


Bart Eeckhout en Ceuta
      Naar aanleiding van de Ceuta-crisis van vorige week, schrijft Bart Eeckhout: ‘Niet migratie, maar migratieobsessie is Europa’s grootste probleem.’ (De Morgen, 8 augustus). Het sjabloon is onbeperkt bruikbaar. ‘Niet klimaatopwarming, maar klimaatobsessie is het grootste probleem.’ ‘Niet verkeersveiligheid, maar veiligheidsobsessie is het grootste probleem.’ ‘Niet ongelijkheid, maar gelijkheidsobsessie is het grootste probleem. Enzovoort.
 
          Het argument van Eeckhout is tweevoudig. Hij wijst erop dat de crisis – 72.000 migranten op een dag tijd – heel snel bedwongen werd – 70.000 remigranten de dagen erna. Hij wijst er aan de andere kant op dat rechts en extreemrechts het tijdelijk karakter van de crisis niet hadden voorzien en voorbarig alarm hebben geslagen door woorden als ‘invasie’ te gebruiken. 

Uiteraard lieten ook de gebruikelijke, rechtse politici zich niet onbetuigd, van Europarlementslid Assita Kanko (N-VA) tot MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez, met oproepen om Spanje tijdelijk uit de Schengenzone uit te sluiten …Wie uiteraard niets terugtrok, was Europees radicaal-rechts … onder anderen Dries Van Langenhove. 

      Met enige kwade wil zou ik hierop kunnen antwoorden dat ‘niet rechts en radicaal-rechts het probleem zijn, maar Eeckhouts obsessie ermee.’ Ik zou ook kunnen antwoorden dat rechts terecht argwanend stond tegenover de regering-Sanchez; verder dat rechts door haar alarmkreten heeft bijgedragen tot het kordate Spaanse optreden; en ten slotte dat rechts vanuit zijn standpunt gelijk heeft als het elke gelegenheid aangrijpt om aan te sturen op een restrictiever asielbeleid. 
    Eeckhout is geen open-grenzen-radicaal. Hij wil een beleid ‘ergens tussen de veeleer rechtse Mette Frederiksen in Denemarken en Sánchez in Spanje in.’ Hij heeft zich neergelegd bij de nieuwe realiteit van het EU-migratiepact, maar zou niet graag zien dat het nóg strenger wordt.

 Er ligt nu een strenger, “rechtser” EU-migratiepact klaar om te worden uitgevoerd. Zal dat volstaan? Zullen de verantwoordelijke bewindslui dat pact durven verdedigen? Of zullen ze uiterst rechts blijven napraten? Zullen ze blijven denken dat het een slimme tactiek is om de zorgen bij een groot deel van de bevolking mee op te kloppen tot een migratie-obsessie, net zoals hun radicale concurrent wenst? 

        Hier zien we de radicaal-rechts-obsessie van Eeckhout weer opduiken. Niet zozeer de omvang van de migratie baart hem zorgen, maar de munt die radicaal-rechts eruit zou kunnen slaan. De onderliggende redenering is dat centrum-rechts door uiterst rechts ‘na te praten’ datzelfde uiterst rechts electoraal versterkt. Dat is een aanvaardbare hypothese, maar ze is op zijn minst eenzijdig.
     Zal het huidige EU-migratie-pact volstaan, vraagt Eeckhout zich af. Radicaal-rechts antwoordt zonder aarzelen: nee. En de ‘verantwoordelijke beleidslui’ van centrumrechts denken hetzelfde, zwijgen vaak, en beseffen dat een volledige ommekeer slechts geleidelijk, door steeds restrictievere compromissen, kan worden bereikt. En liefst binnen het kader van de EU.
     Dat laatste voeg ik eraan toe omdat het mijn overtuiging is, maar ook omdat ik er Eeckhout een plezier mee doe. Voor Eeckhout is de EU-solidariteit het allerbelangrijkste, en ligt daar de grootste bedreiging.

 De tegenstrever [Marokko] die wilde nagaan hoe sterk en verenigd Europa werkelijk is, kan tevreden terugblikken. Een enkele draai aan de migratieknop volstond om de Unie in 27 stukjes te laten uiteenvallen. 

    Eigenlijk vond ikzelf dat dat nogal meeviel, met die solidariteit. Die 27 stukjes zijn een felle overdrijving. De overrompeling van Ceuta gebeurde op 31 juli en op 1 augustus al hadden de leiders van 22 van de 27 EU-landen een eensgezinde brief naar de Europese Raad en de Europese Commissie gestuurd waarin de ‘hybride aanval’ op Spanje werd veroordeeld, en waarin tegelijk werd opgeroepen om in het vervolg op te passen voor ‘all policies that can serve as pull factors’. Het is alleen jammer dat vijf leden van de EU de Europese solidariteit doorbroken hebben door niet te ondertekenen: Spanje, Frankrijk, Portugal, Luxemburg en Ierland. Volgende keer moet dat beter. We willen in de EU geen nieuwe dwarsliggers zoals Hongarije indertijd.
     Eeckhout vindt dat rechts en het centrum zich ‘vergaloppeerd’ hebben in hun reactie op Ceuta. Oud-journalist Johan Op de Beeck had geschreven: ‘Invasie. Hoe kan je ’t anders noemen.’ Eeckhout vindt dat Op de Beeck zijn tweet had moeten ‘corrigeren’ omdat de invasie maar enkele dagen geduurd heeft. Maar waarom? Ook een kortstondige invasie is een invasie, zeker als ze gebeurt, zoals Eeckhout zelf schrijft, ‘in een gewelddadige wanorde’. Nou ja, met wat we nu weten heeft Italië zich misschien ‘vergaloppeerd’ door het Schengen-verkeer met Spanje voor een hele maand op te schorten. Dat was blijkbaar niet nodig. Maar dat is geloof ik ‘achterafklap’.
   Eeckhout is, ik zei het al, geen open-grenzen-radicaal. In zijn conclusie verdedigt hij zelfs het gebruik van pushbacks, maar dan alleen in buitengewone omstandigheden.

 Een van de interessantste Europese geluiden na Ceuta kwam van de Griekse conservatieve premier Mitsotakis. In een bijdrage op de nieuwssite Politico pleitte Mitsotakis ervoor om bij tijdelijke, extreme noodsituaties die door buitenlandse krachten worden opgewekt, zoals Ceuta dus, ook een noodprocedure in te voeren, waarbij het asielrecht tijdelijk wordt opgeschort. Dat luistert uiteraard nauw, want dat klinkt als een uitholling van dat asielrecht (wat het ook gedeeltelijk is). Toch is het een discussie waard of zo’n tijdelijke, welomschreven noodprocedure niet te verkiezen valt boven de aanhoudende druk op rechts om het asielrecht altijd en overal in te perken.

     Dat Eeckhout wil discussiëren over tijdelijke opschortingen van het asielrecht getuigt van realisme. Maar hij maakt zich illusies als hij denkt dat de ‘aanhoudende druk op rechts om het asielrecht altijd en overal in te perken’ daarmee zal ophouden. Er zijn in alle Europese landen meerderheden die vinden dat niet de migratieobsessie, maar de migratie zelf het grootste probleem vormt. Die meerderheden zien ook weinig verschil tussen een aangestuurde overrompeling en een constante toestroom omdat, zoals ik eergisteren schreef, het resultaat hetzelfde is. 


De ontkenningsbrigade
     Er bestaan allerlei soorten ontkenners. Lieden die ontkennen dat de aarde bolvormig is, dat mensen van apen afstammen (of eigenlijk apen zijn), dat het klimaat opwarmt vanwege door mensen geproduceerd CO2, dat massale migratie een samenleving kan ontwrichten, dat er twee geslachten zijn, dat er geld stroomt van Vlaanderen naar Wallonië, dat het coronavirus dodelijker was dan een griep, dat IQ in grote mate erfelijk is, enzovoort.
      Ik heb mijn voorbeelden wat tendentieus gekozen, maar in principe kunnen de ontkenners natuurlijk gelijk hebben. Zelf ben ik bijvoorbeeld, wat Israël betreft, een genocide-ontkenner. Het is ook bekend dat sommige ontkenningen samenvallen met algemene ideologische en politieke stellingnames. 
     Bij sommige ontkenners stellen we ons een bepaald type voor, al kunnen we dat type niet goed omschrijven. Ik weet niet hoe een flat-earther er precies uitziet. Draagt hij een houthakkershemd? Heeft hij zware, in elkaar overlopende wenkbrauwen? 
    Er is een soort ontkenner die ik wat minder kan uitstaan dan de andere varianten. Dat is degene die ontkent dat een genereus asielbeleid leidt tot een ‘aanzuigeffect’. Het is hetzelfde soort mensen dat vroeger ontkende dat een verslaving aan soft drugs kon leiden tot een verslaving aan hard drugs, die daarbij opmerkten dat de ‘stepping stone’ theorie al lang weerlegd was, en die daar nog aan toevoegden dat alcohol een hard drug is. De ontkenning als ‘opinion chic.’ 
   Hoe ziet zó’n ontkenner eruit? Een beetje zoals Bart Eeckhout geloof ik, maar niet helemaal. Eeckhout gebruikt liever het woord ‘aantrekkingskracht’ – pull factors vind ik nog mooier, en hij zal ook niet werktuigelijk ontkénnen dat het effect bestaat. Hij is eerder het type dat graag vaststelt dat het ‘geen grote rol speelt.’ 


Neocommunistisch kutland
     Bij een optreden in Genk riep de Nederlandse zangeres Sophie Straat vanop het podium: ‘Ik leef in een neofascistisch kutland, en jullie eigenlijk ook.’ Wat bedoelt ze hier precies met ‘eigenlijk’? Dat ons land eigenlijk nog altijd iets minder neofascistisch is dan Nederland.  Is dat iets alsof ik zou zeggen: ‘We leven hier eigenlijk in een neocommunistisch kutland.’ 


Schreeuwen 
   
 Op zijn FB-pagina plaatst Frank D’hanis alweer een stuk tegen Zuhal Demir. Hij beschuldigt de minister ervan dat ze Britse onderwijsmethodes wil invoeren die leiden tot slechtere prestaties van ‘kinderen uit de witte (sic) arbeidersklasse.’ Hij komt terug op een bezoek van Demir aan de strenge Michaela-school.

 De minister bezocht deze en nog twee scholen in de VK in maart 2025 om “inspiratie” op te doen voor ons eigen onderwijs. De droom van Demir? De resultaten opkrikken van onze internationale rankings. En dat kan volgens haar door strenge discipline en een kennisgerichte aanpak. Wat verder in de reportage zit Demir in het kantoor van de directeur van de strenge uniformschool. “Natuurlijk geloof ik in bestraffen!”, schreeuwt die.

     Dat die directeur, Katharine Birbalsing – een directrice dus –, zou geschreeuwd hebben, valt mij van haar tegen. Mijn moeder vond dat je nooit mocht schreeuwen als je voor een klas stond. ‘Dat ondermijnt je gezag,’ zei ze. Zelf verhief ik als leraar wel eens mijn stem als geroezemoes iets te lang aanhield, uit ongeduld, maar nooit, of bijna nooit, uit boosheid.
     Het blijft mij bezighouden. Zou Birbalsing echt geschreeuwd hebben? D’hanis geeft geen bronvermelding van de reportage waar hij naar verwijst. Misschien is het die in De Standaard van 14 maart 2025. Daar wordt gezegd dat de directrice haar overtuiging ‘vurig’ had uitgesproken. Dat is niet helemaal hetzelfde, vind ik. Of heeft D’hanis een francofone achtergrond en gebruikt hij schreeuwen als vertaling van s’écrier?

zondag 9 augustus 2026

De overrompeling van Ceuta

 


1. Exclave. 
Ceuta is een Spaanse stad op de Noord-Afrikaanse kust. De ‘exclave’ telt  84.000 inwoners en is omgeven door Marokkaans grondgebied.    

2. Overrompeling. 
Op 31 juli werd Ceuta overrompeld door tienduizenden Marokkaanse migranten.


3. Cijfers.
Het heeft enige tijd geduurd vooraleer er een algemeen beeld van de cijfers tot stand kwam. Volgens de beste schattingen zijn er in totaal ongeveer 72.000 migranten op anderhalve dag gearriveerd. Ongeveer 60 procent was binnengekomen al zwemmend, en ongeveer 90 van hen zijn daarbij verdronken.

 

4. Terugkeer. 
Tegen 3-4 augustus waren 70.000 van de 72.000 Marokkanen teruggekeerd naar hun land. Men schat dat ongeveer 70 procent van hen vrijwillig terugkeerde toen ze vaststelden dat er geen opvang was en dat ze geen kans maakten om door te reizen naar Spanje. Ongeveer 30 procent is teruggekeerd onder politiedwang. De Spaanse overheid probeert de omvang van de pushbacks zoveel mogelijk te minimaliseren.

 

5. Minderjarigen. 
De ongeveer 2000 migranten die achterbleven in Ceuta zijn vooral minderjarigen die speciale bescherming genieten tegen uitwijzing. 

 

6. Marokkaanse autoriteiten. 
De plotselinge instroom van migranten had twee oorzaken. Ten eerste hadden de Marokkaanse autoriteiten beslist om hun eigen grenscontrole te laten varen. Over de precieze reden van die beslissing kan worden gespeculeerd. Zeker is dat men de Spaanse regering in moeilijkheden wou brengen.

 

7. Regularisatie en arrest van het Tribunal Supremo. 
De tweede reden van de plotse instroom is de Spaanse regularisatie van migranten en de beslissing van het Tribunal Supremo dat migranten die het Spaanse grondgebied al zwemmend bereiken – dat wil zeggen door niét over hekken te klimmen – recht hebben om een asielaanvraag in te dienen. (Die specificatie over het zwemmen had te maken met een beslissing van het Europees Hof dat migranten hun recht op asielaanvraag kunnen kwijtspelen als ze over de grenshekken klimmen.) 

 

8. Misverstand en leugen. 
Die twee Spaanse beslissingen gaven aanleiding tot het misverstand – en de leugen – dat het volstond om Ceuta binnen te raken om recht te krijgen op asiel, op doorreis naar het Spaanse mainland en vervolgens op regularisatie. In werkelijkheid is het recht om van Ceuta naar Spanje door te reizen beperkt en zijn de regels voor regularisatie niet zo soepel als werd voorgesteld. 

 

9. Links-liberaal in het defensief. 
De eerste dagen van de Ceuta-crisis was links-liberaal  enigszins in het defensief. Het liet vooral sussende geluiden horen, vaak over secundaire kwesties. 

 

10. Invasie of constante toestroom. 
Rechts zag zijn ergste angsten werkelijkheid worden, enigszins ten onrechte omdat de migratie in het algemeen niet de vorm van een massale invasie zal aannemen, maar van een constante toestroom. Het eindresultaat is hetzelfde. 

 

11. De 22 EU-landen. 
Op 1 augustus stuurden de leiders van 22 EU-landen een open brief aan de EG-top waarin werd aangedrongen op een snelle oplossing voor de Ceuta-crisis en waarin kritiek werd geformuleerd op het aanzuigeffect van het Spaanse regularisatiebeleid en van het Tribunal Supremo-arrest. Die brief had een dubbele bedoeling. 

  1. Een symbolische intentieverklaring dat EG-landen elk aanzuig-effect moeten vermijden 
  2. Een concrete druk op de Spaanse regering om de crisis op te lossen met pushbacks

In theorie had de Spaanse regering er ook voor kunnen kiezen om Ceuta te ontlasten door een deel van de immigranten naar het Spaanse mainland over te brengen waardoor ze dus binnen de Schengen-zone terecht waren gekomen.Uiteindelijk heeft de Spaanse regering het probleem opgelost door middel van vrijwillige terugkeer én van pusbacks, tot tevredenheid van de 22 EU-landen.

 

11. Bevestiging. 
Niemand zal door de Ceuta-crisis zijn mening hebben bijgesteld over migratie. Frank D’hanis pleit nog altijd voor open grenzen omdat ‘geen mens zou moeten sterven omdat die liever in Europa wil zijn dan in het eigen land.’ Ik daarentegen meen bevestiging te zien van mijn geloof 

  1. dat de migratiedruk op de Europese grenzen enorm sterk is,
  2. dat aanzuigeffecten reëel zijn,
  3. dat het in laatste instantie niet aan rechtbanken toekomt om het asielbeleid te bepalen, 
  4. dat elk regularisatiebeleid gecompenseerd moet worden met krachtige signalen die immigratie ontmoedigen,
  5. dat pushbacks noodzakelijk en mogelijk zijn.

 

12. De wettelijke status van de pushbacks. 
Het is best mogelijk dat de pushbacks, toegepast door de linkse Spaanse regering, niet in overeenstemming zijn met bepaalde wettelijke regelingen. Bijna iedereen zal inzien dat zich hier een geval voordeed van ‘nood breekt wet.’ Anderzijds kunnen de pushbacks een precedent scheppen als eerste stap naar een noodzakelijke aanpassing van de wettelijke regelingen. 

 

13. Hot returns. 
Wie niet houdt van het harde woord pushback kan de Spaanse term devoluciones en caliente gebruiken die dan weer desgewenst kan worden vertaald als hot returns. Het komt op hetzelfde neer. Migranten worden aan de grens tegengehouden, teruggedreven of teruggestuurd zonder individuele administratief-juridische beoordeling van hun situatie

 

14. Humanitaire grensbewaking. 
In tegenstelling tot Frank D’hanis geloof ik dat het mogelijk is om de Europese grenzen te bewaken zonder kandidaat-migranten systematisch dood te schieten. Maar de Ceuta-crisis heeft wel aangetoond dat de grensbewaking ook moet gebeuren door de emigratie-landen zelf, zoals in dit geval Marokko. De kans is groot dat die emigratie-landen daarbij minder hoge humanitaire standaarden hanteren. Dat is een ongemakkelijke waarheid waar Europa zich zich bij neer moet leggen.

 

15. Migratiedruk. 
Wat de migratiedruk betreft. Volgens onderzoek van Gallup World Poll willen 200 miljoen mensen uit lage- en middeninkomenslanden emigreren naar Europa. Dat aantal zal in Afrika nog heel sterk toenemen door de verwachte bevolkingsexplosie. De Ceuta-crisis heeft die onweerlegbare waarheid niet bewezen maar geïllustreerd. Ceuta leverde plaatjes bij een werkelijkheid die normaal in statistieken te vinden is. 

 

16. Klimaatvluchtelingen als argument. 
Mochten sommige linksen de schaal van de migratiedruk willen ontkennen, dan kan men die kandidaat-migranten ook 
klimaatvluchtelingen noemen. Die linksen zullen dan graag toegeven dat we die in de honderden miljoenen moeten schatten. 

 

17. Asiel: recht of gunst. 
Asielrecht moet worden vervangen door asielgunst. Dat zal moeilijk zijn omdat asiel als recht redelijk diep verankerd is in de juridische traditie én omdat een belangrijke democratische minderheid dat asielrecht om humanitaire redenen verdedigt. 

 

18. Magische formule. 
In het hele Romeinse rijk kon je bepaalde rechten opeisen door de magische formule ‘civis romanus sum’ uit te spreken. Vandaag kun je bepaalde rechten – het recht op een individuele procedure – in het leven roepen door de Europese grens over te steken en de magische formule ‘ik vraag asiel aan’ uit te spreken.

 

19. Elchardus. 
Argumenten voor een ‘streng’ asielbeleid vindt men onder andere in de column van Mark Elchardus van 8 augustus. Zie bijvoorbeeld op de FB-pagina van Jan van Duppen. (hier)


20. Mijn redenen
Mijn eigen argumenten tegen asielrecht heb ik al herhaaldelijk uiteengezet. Ze gaan terug op vier vermoedens.

  1. 99 procent van de asielaanvragen hebben weinig of niets te maken met de oorspronkelijke betekenis van asiel. Ze zijn geheel of gedeeltelijk ingegeven door de begrijpelijke wens om zich in een rijker land te vestigen. Het hoge aantal afwijzingen is een aanwijzing voor deze realiteit maar geeft ze onvolledig weer.
  2. Het is makkelijker om oneigenlijke asielmigranten aan de grens tegen te houden dan ze achteraf weer uit te wijzen. 
  3. Asielmigranten zijn over het algemeen moeilijk cultureel te integreren. Die integratie is per definitie een langzaam proces en wordt bijna onmogelijk als de toestroom niet eerst wordt stilgelegd.
  4. Het stopzetten van de asielmigratie heeft politiek en economisch meer voor- en nadelen, maar de voordelen zijn groter dan de nadelen.
Als ik goed zoek, vind ik ongetwijfeld enkele studies die die vermoedens bevestigen en heel veel studies die ze tegenspreken of eromheen fietsen.

 

donderdag 6 augustus 2026

Islami(s)tisch: één letter verschil


     
Ik las onlangs twee stukkken over het verschil tussen islam en islamisme, een van moslimtheoloog Khalid Benhaddou op zijn FB-pagina en een van schrijfster Lionel Shriver in The Spectator. Benhaddou vindt dat onderscheid belangrijk, Shriver vindt het oneerlijk. Als de twee ooit voor een televisiedebat worden uitgenodigd, dan voorspel ik dat ze naast elkaar zullen praten. Het is zo moeilijk om over woorden te discussiëren, zelfs als men het als redelijke mensen over veel feiten eens is. Dat komt omdat woorden niet over feiten maar over een veralgemening van feiten gaan. 
     In mijn eigen stukjes hou ik mij aan het onderscheid dat Benhaddou maakt. Met veel van wat hij beweert ben ik het ook eens, maar niet met alles. In zijn inleiding schrijft hij dat islamistisch iets helemáál anders is dan islamitisch. Dat woord ‘helemaal’ is er voor mij teveel aan, en verklaart waarom mensen als Shriver zo heftig reageren.
      Laat mij eerst Benhaddou citeren. 

Islamitisch heeft betrekking op de islam als religie en op de manier waarop mensen hun geloof beleven … Wanneer iemand bidt, vast of naar de moskee gaat, zegt dat iets over zijn geloofsbeleving … Islamistisch verwijst naar iets helemaal anders. Het gaat over een politieke ideologie die van de islam een staatsproject wil maken. Voor islamisten volstaat het niet dat zij zelf volgens hun geloof leven. Hun ambitie reikt verder. Zij willen ook de samenleving en uiteindelijk de staat organiseren volgens hun religieuze visie. De democratische rechtsstaat, waarin burgers met uiteenlopende overtuigingen samenleven en de wet tot stand komt via democratische instellingen, wordt daardoor ondergeschikt aan een religieuze norm.

      Islamistisch krijgt hier de betekenis van wat men de ‘politieke islam’ noemt. Dat doet mij denken aan een gesprek dat ik ooit had met een brave Vlaming die zich omwille van zijn huwelijk tot de islam had bekeerd. Ik zei iets over het verschil tussen de islam als individueel geloof en als politiek project, en hij antwoordde onmiddellijk en naïef: ‘Maar de islam is politiek’. Ik tilde er niet zwaar aan. Het was iemand die met dezelfde naïviteit kon beweren dat dé islam niet bestond. Ik zou hem nooit een ‘islamist’ zou noemen. Hij leek mij niet het type dat de hele staat wou onderschikken aan zijn religieuze norm. Maar dat de islam ‘politiek’ is moet hij toch ergens in zijn nieuwe milieu hebben opgepikt, wat er verder ook mee werd bedoeld.
     Benhaddou maakt in een moeite door een onderscheid tussen verschillende strekkingen binnen het islamisme.

Sommige islamistische bewegingen kiezen voor geweld .... Zij worden doorgaans jihadistische of salafi-jihadistische organisaties genoemd. Andere streven via politieke en maatschappelijke invloed naar een samenleving waarin de islam uiteindelijk de grondslag van de staat vormt. … In die benadering krijgen democratie, mensenrechten en fundamentele vrijheden vooral een instrumentele betekenis … Vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting of gelijkheid zijn dan geen universele beginselen die voor iedereen in gelijke mate gelden, maar rechten die selectief worden ingeroepen wanneer zij het eigen belang dienen.

     Je hebt bij wijze van spreken de ‘gewone’ islamisten en de jihadistische islamisten. De jihadisten zijn een deelverzameling van de islamisten. Dat is een nuttig onderscheid en Benhaddou gaat naar de kern van de ‘gewone’ islamistische ideologie: de democratie misbruiken om de democratie af te schaffen. Daar ben ik altijd banger voor geweest dan voor het jihadisme. Alleen is Benhaddous verzamelingenleer onvolledig. Hij had ook de islamisten zelf als een deelverzameling van de moslims moeten duiden: niet alle moslims zijn islamisten, maar alle islamisten zijn moslims. Waarom schijnt Benhaddou dat te vergeten? Het is geloof ik een vorm van wensdenken. Zijn afkeer van de islamisten is zo groot dat hij liever vergeet dat ze deel uitmaken van zijn geliefde islam.
      Ook binnen zijn geliefde islam ziet Benhaddou deelverzamelingen.

Voor veel moslims … is de islam in de eerste plaats een bron van zingeving, spiritualiteit en moraal. Maar ook binnen deze groep bestaan grote verschillen. Sommigen beleven hun geloof vrij liberaal, anderen zijn eerder conservatief of orthodox. Die verschillen verdwijnen ook niet wanneer het over ethische of maatschappelijke thema’s gaat. Conservatieve of orthodoxe moslims zullen zich soms verzetten tegen bepaalde wetten of maatschappelijke keuzes omdat die botsen met hun eigen religieuze overtuiging. Zoals iedere burger zullen zij proberen via het publieke debat, het parlement of de rechtbank hun standpunt te verdedigen. Zij erkennen tegelijk dat wetten in een rechtsstaat worden gemaakt door democratisch verkozen instellingen en dat de uitkomst van dat proces voor iedereen geldt, ook wanneer die ingaat tegen de eigen overtuiging. Het dossier rond onverdoofd slachten is een goed voorbeeld. Sommige moslims hebben die beslissing juridisch aangevochten tot bij het Europees Hof. Nadat de rechtsgang was uitgeput, hebben zij zich bij de uitspraak neergelegd. Zo werkt een democratische rechtsstaat.

     We weten tot welke deelverzameling Benhaddou behoort: tot de liberale minderheid. En voor de conservatieven die de meerderheid vormen roept hij het recht in om vanuit hun religieuze inspiratie aan politiek te doen, zolang ze zich aan de beslissingen van de democratische rechtstaat onderwerpen. Maar hier komen we gevaarlijk dicht bij zijn eigen definitie van islamisme. Het is inderdaad begrijpelijk dat conservatieve moslims hun eigen religieuze verplichtingen willen vrijwaren. Maar wat gebeurt er als men die religieuze verplichtingen via democratische en rechtstatelijke processen wil opleggen aan de hele maatschappij? Het is begrijpelijk dat ze onverdoofd geslacht vlees willen eten, maar wat als ze het eten van onverdoofd geslacht vlees als verplichting voor iedereen willen opleggen? Is dat geen griezelige gedachte, ook als de verplichting volgens zuiver democratische procedures tot stand komt?
     Dat voorbeeld is, toegegeven, heel vergezocht. Ik zoek daarom iets dichter bij huis, en kom bij een andere tekst van Benhaddou terecht, waarin hij het heeft over de houding van de Islam tegenover homoseksualiteit. Ook hier zijn er weer deelverzamelingen. Ik heb ze voor de duidelijkheid genummerd.

Wanneer het over homoseksualiteit gaat, zie ik vandaag in de islamitische wereld grofweg vijf houdingen. (1) Helemaal aan het ene uiteinde staan zij die geweld religieus proberen te legitimeren … Zij slaan, bedreigen of doden. Zij vormen een kleine minderheid … (2) Een tweede groep verwerpt zowel homoseksualiteit als de homoseksuele persoon. Hun afwijzing raakt de mens zelf. Dat standpunt leeft nog altijd in delen van de islamitische wereld en ook binnen sommige moslimgemeenschappen in Europa. (3) Een derde groep maakt wel een onderscheid tussen de persoon en zijn of haar geaardheid. Zij beschouwen homoseksuele handelingen als religieus verboden, maar vinden tegelijk dat ieder mens respect en waardigheid verdient. Dat ligt dicht bij het klassieke standpunt dat ook de katholieke Kerk jarenlang innam. (4) Daarna volgt een groeiende groep moslims die het oordeel bewust opschort. Door samen te werken, te studeren en te leven met mensen die anders zijn, leren zij eerst de mens kennen en pas daarna het etiket … (5) Ten slotte groeit er, vooral onder een kleine groep islamitische denkers, theologen en academici, een debat over de traditionele interpretaties. Zij beweren doorgaans niet dat de klassieke islamitische rechtsleer homoseksuele handelingen heeft toegestaan. Integendeel, zij erkennen dat gedurende meer dan duizend jaar een brede consensus bestond over het verbod. Hun zoektocht richt zich op de vraag of de Koran en de profetische traditie vandaag ook op een andere manier gelezen kunnen worden. 

     Hier schijnt het mij toe dat er ergens tussen, boven of binnen groep (2) en (3) een belangrijke deelverzameling ontbreekt. Dat is namelijk de deelverzameling van moslims die vinden dat er weliswaar geen individueel geweld mag worden gepleegd op homoseksuelen, maar dat homoseksualiteit uiteindelijk door de wet zelf moet worden verboden en bestraft. Die mensen zouden dan samenvallen met ‘de conservatieve en orthodoxe moslims die zich verzetten tegen bepaalde wetten of maatschappelijke keuzes’ en die ‘zoals iedere burger proberen via het publieke debat, het parlement of de rechtbank hun standpunt te verdedigen.’ Dan heb ik daarbij drie vragen. Zijn zulke moslims nu islamisten of niet? Vormen ze een kleine minderheid, een grote minderheid, een kleine meerderheid of een grote meerderheid? En hoe zorgen we ervoor dat ze hun ‘keuze’ nooit via het publieke debat, het parlement of de rechtbank kunnen realiseren?

                                                                    ***

     Lionel Shriver is een heel ander soort auteur dan Benhaddou. Benhaddou is een ernstige, genuanceerde schoolmeester; Shriver is een adorable bitch. Benhaddou verdeelt de werkelijkheid onder in evidente a priori categorieën; Shriver probeert de werkelijkheid te vatten in enkele feiten, cijfers, vermoedelijke intenties, verwachte resultaten en scherpe commentaren. De twee methodes hebben hun voordeel.
     Shriver schreef haar column naar aanleiding van een Tunesische immigrant, Walid Saadaoui, die op Britse bodem een aanslag in had willen plegen om ‘zoveel mogelijk Joden om zeep te helpen.’ 

 Now, we biddable journalists have been scrupulously schooled to identify our charming friend Walid as an ‘Islamist’ hatching ‘Islamist terrorism’… The coinage decodes: ‘These disagreeable people and their disagreeable mayhem have nothing whatsoever to do with Islam. Or if these people are sort-of-kind-of connected to Islam, they distort and pervert the gentle teachings of their prophet, because Islam is a religion of peace.’ The modern confection ‘Islamist’ is meant to wall off the vast Muslim majority – nice, benevolent, friendly Muslims who love their western brothers and sisters and wouldn’t hurt a fly – from the teensy minority of theologically misguided Muslims who are actually dangerous.

     De argumentatie van Shriver is zowel theologisch als sociologisch. Theologisch: de islam is geen godsdienst van de vrede, maar predikt een radicale Jodenhaat, die in de Koran zelf kan worden teruggevonden. Sociologisch: heel veel moslims, blijkt uit onderzoek, zijn jodenhaters, alleen zetten zij die haat niet om in daden. Het verschil tussen aanslagplegers enerzijds en ‘nice, benevolent, friendly Muslims’ anderzijds blijft volgens dat onderzoek bestaan, maar dat verschil is niet zo absoluut als sommigen willen geloven.
      In theologie ben ik onbevoegd, en met sociologie ben ik voorzichtig. Toch ga ik niet helemaal akkoord met Shrivers conclusies. Het moderne verzinsel Islamist, schrijft zij, is bedóeld om elk verband te loochenen tussen terrorisme en islam. Maar dan had men een woord moeten kiezen dat meer dan één letter verschilt. Shriver merkt op dat men de extreem-rechtse christenen in de VS ‘Christian nationalists’ noemt en niet ‘christianist nationalists’. Ik deel haar afkeer van lelijke neologismen, maar ik zou geen ideologisch bezwaar hebben tegen een pejoratieve term als ‘christianist’.
     Een voorbeeld dat Shriver vanuit haar verleden zal begrijpen: hoe moest men spreken over de aanslagen in Ierland in de jaren 70? Men kon moeilijk spreken over ‘katholieke’ aanslagen, ook al kwamen de IRA-leden allemaal uit katholieke milieus, en was er geen strikte scheiding tussen de terroristen en de katholieke bevolking. Hoeveel katholieken zouden een IRA-militant aan de Britse bezetter verklikt hebben? Weinig, denk ik, zoals er wellicht ook weinig moslims zijn die een jihadist uit hun milieu zomaar zouden aangeven bij de politie. Men kon dus terecht spreken, en men deed het ook, over het ‘katholieke IRA’. Had men echter, uit respect voor de katholieke godsdienst, gesproken van het ‘katholicistische IRA’, dan zou iedereen nog altijd geweten waarover het ging.
      Ik hoor al het protest: Clerick, dat is een slechte vergelijking. De moslimterroristen plegen aanslagen omdát zij religieuze fundamentalisten zijn, terwijl je van de IRA van 50 jaar geleden veel kon zeggen, maar niet dat ze de drijfveer voor hun aanslagen uit hun godsdienst haalden; de katholieke leer bevat geen aanknopingspunten voor terrorisme. Dan moet ik mij, zoals hierboven, nog eens onbevoegd verklaren in zaken van theologie. 
      Nee, voor mij zegt het woord ‘islamist’ ongeveer wat ik bedoel, en dat is ongeveer hetzelfde als wat Benhaddou bedoelt.