maandag 13 april 2026

Mussolini: het boek, de serie


     ‘De mensheid heeft drie grote schrijvers voortgebracht,’ zei onze leraar Grieks in het tweede middelbaar, ‘Homeros, Dante en Guido Gezelle.’  Ook was hij van mening dat de geschiedenis het van ‘grote mannen’ moest hebben. Een van die ‘grote mannen’ was Benito Mussolini, ‘een schoolmeester, maar hij sprak wel vijf talen.’ Ik was veertien, en niet erg onder de indruk. Mijn vader sprak ook vijf talen, waarvan vier perfect, en één goed genoeg om te tolken voor Amerikaanse rechtbanken. Maar in elk geval, dankzij de leraar wist ik nu dat er een zekere Mussolini had bestaan, een ‘grote man’ zoals Hannibal en Caesar, al was hij nog niet zo lang dood als die twee andere.
    Niet veel later leerde ik dat Mussolini in het zelfde hoofdstuk thuishoorde als Hitler. Het waren allebei fascisten. In de bibliotheek ontleende ik het boek van Ernst Nolte Het fascisme. De tekst vond ik onleesbaar – dat vind ik vandaag nog altijd – maar ik kon niet genoeg krijgen van de plaatjes in het boek. Op het schutblad stond een foto van Mussolini en Hitler die allebei, voor één keer, breed glimlachten.
     Véél later leerde ik weer iets anders. Dat Hitler en Mussolini, met al hun gelijkenissen, toch ook weer heel verschillend waren. Hitler keek op naar Mussolini, maar omgekeerd moest de Italiaan niet zoveel van die Duitse Oostenrijker hebben. Oostenrijkers waren eigenlijk de vijand van Italië. Die Hitler was in wezen een halve gare fantast, die alleen realistisch was in zijn taktiek. Mussolini was het tegenovergestelde: een realistische boer die allerlei fantasieën inzette als taktiek om populariteit en macht te veroveren en te behouden.
     Zowel Mussolini als Hitler waren in de eerste plaats anti-democraten en anti-liberalen. Verder waren ze halve socialisten, maar tegelijk doodsvijanden van het marxisme, en van de socialistische en communistische partijen. Ze moesten niets hebben van de klassenstrijd, het moest andersom: het hele volk – arbeiders, boeren, winkeliers, industriëlen – moesten elkaar niet bekampen; ze moesten integendeel solidair zijn tegen een ándere vijand. Voor Hitler was die vijand redelijk goed omschreven:  de jood, het bolsjewistisch gevaar, de kapitalistische democratieën, en iedereen die de Duitse expansie in de weg stond. Het vijandbeeld van Mussolini was minder duidelijk. Uit de biografie van Nicholas Farrell heb ik begrepen dat hij het vooral gemunt had op een bepaalde levensstijl: de ‘vita comoda’, het kleinburgerlijk leven dat comfort hoger aansloeg dan heroïek. Dát heroïsch wereldbeeld was natuurlijk ook Hitler niet vreemd.

                                                    *

     Die biografie van Farrell is al wat ouder, van 2003, en niet zo goed. Ik had ze gekozen omdat ik geen zin om een ‘linkse’ biografie te lezen. Ik dacht: die Farrell is een journalist, een rechts-liberaal, een provocateur, een columnist, dus dat boek zal vlot weglezen. Dat viel tegen. De Nederlandse vertaling was soms verkeerd en bijna altijd stroef. Ik moest voortdurend stukken van zinnen stilletjes in het Engels vertalen om te begrijpen wat er stond.  En als het over complexe episodes ging, raakte ik door de tijdsprongen, de verwarrende herhalingen en de waterval aan namen en data gemakkelijk de draad kwijt. Tobias Jones noemde het boek in The Guardian ‘a bit of a cut-and-paste job’ gebaseerd op de monumentale, alleen in het Italiaans verschenen biografie in acht delen van Renzo De Felici. Die knip-en-plak kritiek kan ik volgen.
     Jones schrijft ook dat Farrell het voorstelt alsof het fascisme alles samen genomen ‘nog zo erg niet was,’ althans vóór het zijn lot verbond aan het nazisme. Dat is een terechte kritiek, maar het is niet zo’n groot bezwaar als je zou denken. Ten eerste is het gewoon waar dat de de grootste misdaden van het fascisme er pas kwamen na het bondgenootschap met Duitsland en tijdens de daaropvolgende oorlog. Ten tweede is het weliswaar vervelend dat Farrell een tiental keren herhaald dat Mussolini iets ‘goed bedoelde’, of dat de architectuur onder zijn bewind helemaal niet zo lelijk was als linkse critici beweren, maar ik kan daar makkelijk over heen lezen, en misschien is die architectuur inderdaad niet zo lelijk. Ten derde heeft Farrell waarschijnlijk gelijk als hij beweert dat de antifascistische geschiedsschrijving wel eens bevooroordeeld is, en dat een dosis revisionisme kan helpen om een evenwichtiger beeld te krijgen.
     Als rechts-liberaal gelooft Farrell dat Mussolini Italië een dienst heeft bewezen door het voor een communistische revolutie en dictatuur te behoeden. Dat was ook de mening die Ludwig von Mises in 1927 naar voren schoof in zijn boek Liberalismus. Dat is geen absurde veronderstelling. De socialistische strekkingen in het Italië van 1919-1920 stonden inderdaad veel dichter bij het revolutionaire communisme dan bij de sociaal-democratie. Maar het is speculatief om te beweren dat een rode regering meer rampspoed voor de Italianen had gebracht dan een zwarte. We kennen alleen het tweede scenario.
     Een nadeel van Farrells revisionisme is dat hij bij elke historische controverse geneigd is om die bronnen te selecteren die Mussolini in een gunstig daglicht stellen: zijn pogingen om het fascistisch straatgeweld in te dijken, zijn rol in de moord op Matteotti, zijn ‘succes’ in de strijd tegen de maffia, zijn verzet tegen Hitlers oorlogsplannen. Hij hecht gemakkelijk geloof aan getuigenissen die in zijn kraam passen. Maar omdat hij zijn bronnen en redeneringen redelijk goed aangeeft, kan de kritische lezer ook de betrekkelijkheid van de argumentatie doorzien. Een lezer als ik denkt dan: ‘Misschien heeft hij gelijk, misschien heeft hij ongelijk. Als ik het echt wil weten, moet ik maar tien andere biografieën lezen en dan vergelijken.’
      Om het politieke talent van Mussolini te benadrukken herhaalt Farrell verschillende keren een uitspraak die Lenin tegenover Italiaanse socialisten zou hebben gedaan: ‘Mussolini is de enige onder jullie met de geest en het temperament om een revolutie te ontketenen. Waarom hebben jullie hem weg laten gaan.’ Farrell schept er een duidelijk genoegen in om Mussolini met Lenin in verband te brengen. Maar de uitspraak is ongeloofwaardig: de reden waarom Mussolini uit de socialistische partij was gezet, was zijn pro-oorlog standpunt tijdens WO I, en Lenin scheurde zich van de socialistische beweging juist af met zijn ánti-oorlog standpunt. Bovendien kennen we die uitspraak van Lenin over Mussolini alleen van een ongeloofwaardige bron: Nicola Bombacci, een Kominternleider die later overliep naar het fascisme.
       Mussolini was een gruwelijke anti-semiet, al had hij lange tijd een Joodse minnares. In 1938 vaardigde hij draconische rassenwetten uit: Joden werden uitgesloten van scholen en universiteiten, werden ontslagen uit het leger en uit de fascistische organisaties, en mochten niet meer trouwen met ‘arische’ Italianen. De enige goede kant aan dat verhaal was, in de woorden van Farrell,  de ‘fijne Italiaanse neus voor omkoperij en corruptie. Zo konden joden tegen betaling ariërs worden.’ Het staat allemaal uitvoerig uitgelegd in de twee hoofdstukken die aan het Joodse vraagstuk gewijd zijn.
      Tegelijk benadrukt Farrell allerlei nuances: het antisemitisme is slechts geleidelijk gegroeid, was veeleer cultureel dan biologisch, was zeer ver verwijderd van Hitlers gaskamer-antisemitisme, was bedoeld om in de gunst van de Arabieren te komen, enzovoort. Die nuances zijn belangrijk, maar Farrell had zijn hoofdstuk moeten beginnen zoals ik mijn alinea begon, met de vaststelling: ‘Mussolini was een gruwelijke anti-semiet.’ Dan had ik mij bij de rest minder moeten ergeren aan wat als vergoelijking kan overkomen.
     Ondertussen zijn de nuances die Farrell aanbrengt niet onbelangrijk. Mussolini’s antisemitisme was in den beginne indeerdaad niet biologisch. Het geleek op dat van Hendrik De Man: de Jood vertegenwoordigde in die visie een vorm intellectualistische decadentie; de Jood bracht tweespalt, tastte het gezond verstand aan, en ondermijnde de zuivere, rechtlijnige moraal van het volk. Vergelijk het met de afkeer die een Victor Orban-aanhanger voelt voor de woke-elite in Brussel en Straatsburg. Boven alles was de Jood in de ogen van Mussolini een materialist die het vita comoda als hoogste ideaal had
.
     Farrell heeft ook veel bronnen verzameld om aan te tonen dat Mussolini duizenden joden gered heeft door ze uit handen van de nazi’s te houden. Het is een feit dat Italië vóór de Duitse bezetting in 1943 geen joden uitleverde aan de Duitsers. Ook in de gebieden die door de Italianen waren bezet  – Joegoslavië, Griekenland, het zuidoosten van Frankrijk – waren de militaire autoriteiten weigerachtig om op joden te jagen en ze uit te leveren, maar het is niet duidelijk of Mussolini daar echt veel heeft toe bijgedragen. En in elk geval hebben de Duitsers na 1943 massaal joden uit Noord-Italië getransporteerd zonder dat Mussolini het aandurfde om daartegen te protesteren.
     Hoe zat het verder met de dictatuur die Mussolini geleidelijk in Italië installeerde? Het parlement werd uitgeschakeld, politiek partijen werden verboden, kranten mochten geen kritiek publiceren, schoolkinderen werden geïndoctrineerd, politieke vijanden werden opgesloten of geëxecuteerd. Maar als kwantiteit, zoals Hegel zegt, omslaat in kwaliteit, dan is er echt wel een kwalitatief onderscheid met de dictatuur van Mussolini’s bondgenoot Hitler. Farrell:

 ‘In de zestien jaar en vijf maanden van zijn bestaan [1926-1943] veroordeelde het Speciale Tribunaal voor de Verdediging van de Staat 4596 politieke tegenstanders, die in totaal 27.735 jaar gevangenisstraf kregen, en werden tweeënveertig doodvonissen uitgesproken, waarvan er eenendertig werden uitgevoerd – iets minder dan twee executies per jaar. Dat was natuurlijk niets in vergelijking met de nazi’sin Duitsland of de communisten in de Sovjet-Unie.’ 

      Afgerond: 30 executies, 5000 gevangenisstraffen van gemiddeld 6 jaar, dat is inderdaad iets helemaal anders dan de miljoenen slachtoffers van Hitler, met zijn concentratrie- en vernietigingskampen. Maar die minimale cijfers zeggen niet alles. Er is vooreerst de straatterreur die Mussolini aan de macht heeft gebracht. Die terreur was in 1919-1920 vooral het werk van de socialisten en communisten die tientallen tegenstanders vermoorden: stakingsbrekers, landeigenaars, politiemensen, maar vanaf 1920 werd de rode terreur verdrongen door de zwarte terreur. De quadristi van Mussolini namen het initiatief over. Ze gingen succesvolle straatgevechten aan met de socialistische milities, en daarnaast vermoordden ze vele honderden weerloze tegenstanders. Alles samen vielen er tussen 1920 en 1922 meer dan 3.000 doden als gevolg van fascistisch geweld. De machtsovername in 1922, die begon met Mussolini’s aanstelling als premier, was zonder dat straatgeweld niet denkbaar geweest. Het Italiaanse establishment hoopte met de komst van Mussolini twee vliegen in één klap te slaan: de terugkeer van de rode terreur onmogelijk, en de voortzetting van de zwarte terreur overbodig te maken. Die twee doelstellingen werden bereikt.
     Bij de 30 executies moeten we dus ook de 3.000 doden optellen die vielen door de straatterreur. Zoals we bij de 5.000 politieke gevangenen de 12.000 anderen moeten optellen die ‘slechts’ tot interne ballingschap werden veroordeeld, vaak op de eilanden, wat ook een soort gevangenisstraf is, zij het met een milder regime. En wie wil kan nog verder gaan: de agressie-oorlog tegen Ethiopië, waarbij gifgas werd ingezet, de repressie na 1943 waar de nazi’s en de fascisten samen tienduizenden slachtoffers maakten in de burgeroorlog, de honderdduizenden slachtoffers door de oorlog in Joegoslavië, Griekenland en Albanië, enzovoort.
     Het is geen fraai beeld, maar midden de jaren 30, vóór het bondgenootschap met Hitler, zag het er voor velen in Italië en in het buitenland naar uit dat het de goede kant opging. Toegegeven, kritiek op de fascistische regering was verboden, oppositiepartijen waren buiten de wet gesteld, en parlementaire verkiezingen waren afgeschaft. Maar de straatterreur was afgelopen, de treinen reden op tijd, Churchill was enthousiast, zijn vrouw ook, en G.B. Shaw natuurlijk ook – hij hield van dictators. Er was eindelijk ‘een middenweg gevonden tussen kapitalisme en socialisme’. Amerikaanse Italianen hadden een borstbeeld van de duce op hun schouw staan. P.G. Woodhouse voegde aan een Cole Porter-song voor een Brits publiek de strofe toe:

You’re the tops
You’re the Great Houdini
You’re the tops
You’re Mussolini

     Farrell staat graag stil bij dat beeld, toen de populariteit van Mussolini op zijn hoogtepunt was. Zelf bewondert hij Mussolini voor zijn journalistiek talent, zijn scherp verstand, zijn goede intuïtie, zijn wilskracht, zijn sluwheid en zijn occasionele mildheid. Maar hij verdoezelt de zwarte plekken in diens ziel evenmin:  zijn machtswellust, zijn meedogenloosheid, zijn opportunisme, zijn apathische capitulatie tegenover Hitler, en zijn niet te lessen dorst naar aanbidding.
      Ik kan bij het lezen van Farrell weinig sympathie opbrengen voor Mussolini: een lastig kind, een lastige leerling, een slechte leraar, een ontrouwe echtgenoot, een egoïstische minnaar, een trouweloze vriend. Ook is hij volgens velen altijd een soort socialist gebleven, niet omdat hij vóór de arbeiders was – maar omdat hij tégen de burgerij was. Farrell:             

‘Ondanks het fascistische trompetgeschal was het na de machtsovername onmiddellijk duidelijk dat de arbeiders oneerlijk behandeld werden. Mussolini – die moest bemiddelen – liet de schaal in het voordeel van de werkgevers doorslaan. Hij deed dat omdat hij wist dat pogingen om steun bij de werkende klasse in de steden te krijgen … geen groot succes waren.’

     Mussolini’s zogezegde socialisme was eigenlijk niets meer dan de slogan ‘Abasso la vita comoda!’, en laat dat laatste nu toevallig mijn persoonlijk ideaal zijn.
      Slechts af en toe vertelt Farrell iets over Mussolini wat mij echt sympathiek lijkt. In 1925 en 1926 werden een aantal aanslagen beraamd tegen de Duce. De eerste die een poging waagde was de socialist Zaniboni. Hij werd gearresteerd in de hotelkamer vanwaar hij het vuur wou openen. De vierde was een zestienjarige jongen met een naam die aan de eerste herinnert: Zamboni. Hij lostte een schot op de open auto die Mussolini vervoerde, raakte alleen de sjerp, en werd ter plekke vermoord door de menigte. Farrell:

De politie geloofde niet dat de jongen alleen had gehandeld. Ze arresteerde de vader, broer en tante die ontkenden dat zij op enige manier betrokken waren geweest … Desniettegenstaande werden zij in september 1928 in beschuldiging gesteld. De rechtbank sprak de broer vrij, maar bevond de vader en tante schuldig en veroordeelde hen tot dertig jaar gevangenisstraf. Misschien wist Mussolini dat zij onschuldig waren en offerde hij hen op om redenen van Realpolitik – om te voldoen aan de algemene veronderstelling dat de jongen het niet alleen kon hebben gedaan. Vervolgens gaf hij geld aan de broer om hem de gelegenheid te geven zijn eindexamen te halen en in 1932 verleende hij verrassend amnestie aan de vader en de tante. 

     Dat geld en die amnestie kan ik waarderen. Farrell citeert verder hoe Mussolini tussenkwam om de socialist Pietro Nenni te redden uit de handen van de Duitsers: 

De Gestapo had Nenni in Parijs gearresteerd en besloten hem naar het oosten te deporteren. Mussolini greep in en Nenni werd in plaats daarvan overgebracht naar het rustige eiland Ponza in de Baai van Napels … Wijlen Bettino Craxi, de eerste socialistische premier van Italië … kende Nenni goed. In 1998 vertelde Craxi tegenover een krant: ‘Mussolini beschermde altijd de antifascisten. In zijn hart bleef hij socialist. Hij redde Nenni het leven.’ Craxi zei dat hij Nenni daar een keer naar vroeg. ‘Ja, hij deed voor mij wat hij ook voor andere antifascisten deed,’ had Nenni geantwoord. ‘Hij bedoelde: het is niet wat u denkt, het is niet omdat we oude vrienden waren, het feit is dat Mussolini zo was.’ [Il Giornale, 25 april 1998]

                                                         *

      Het boek van Farrell is niet erg geschikt voor verfilming, de vijfdelige roman van Scuratti over Mussolini blijkbaar wel, want het eerste deel ervan is bewerkt tot een achtdelige televisieserie met dezelfde naam M – Figlio del secolo. Op drie dagen hebben mijn vrouw en ik de serie uitgekeken en we betreuren vooral dat er naar het schijnt geen vervolg komt. Nu eindigt alles met de moord op Matteoti en de onmiddellijke nasleep. Mussolini controleert 2/3 van het parlement, maar is nog enkele jaren verwijderd van de integrale dictatuur. Ook die jaren zijn een verfilming waard.
      Maar laten we blij zijn met wat we hebben: een sterk vereenvoudigd, daarom eenzijdig, verhaal van de jaren 1919-1924. De vereenvoudiging helpt om de krachtlijnen beter te herkennen en enkele details een plaats te geven. En alles wordt met veel verve, zonder al te veel subtiliteit, en met enige vulgariteit in beeld gebracht. Ik kan een dosis vulgariteit in films wel verdragen. Lang geleden bekende ik aan een Spaanse vriend dat ik de films van Allan Parker mooi vond, en ik weet nog zijn verontwaardigde reactie: ‘Pero Philippe, es un director efectivista.’ 
     Dat zou hij nu wellicht ook zeggen van Joe Wright, maar de meeste van diens films heb ik dus graag gezien: Pride and Prejudice, Atonement, Hanna, Anna Karenia, Darkest Hour, Cyrano. Ik heb getwijfeld of ik naar Woman in the Window zou kijken omdat de critici zo negatief waren, met 5 nominaties voor worst picture, worst director, worst actress, worst screenplay en worst ripp-of. Maar ik dacht: ze vergelijken te veel met Rear Window; wat kan er misgaan met een regisseur als Joe Wright, een scenarist als Tracey Lets,  een cameraman als Bruno Delbonnel, een componist als Danny Elfman en acteurs als Amy Adams, Gary Oldman, Julianne Moore en Jennifer Jason Leigh? Helaas de film zelf was inderdaad minder goed dan de regie, het scenario, de cinematografie, de muziek en de auteurs. Dat gebeurt.
     Dié ontgoocheling werd me bespaard bij het bekijken van het meeslepende en inventieve M – Figlio del secolo. Natuurlijk wordt Mussolini neergezet als een karikatuur van iemand die op zich al een karikatuur was. Als je zoiets doet, kun je beter voluit gaan, en dat is de keuze die Joe Wright gemaakt heeft. No holding back. Luca Marinelli – hij doet denken aan Robert de Niro in de rol van Al Capone – richt zich voortdurend tot het publiek als een Richard III die er iedereen van wil overtuigen hoe slecht hij wel is. Daarbij debiteert hij meestal teksten die Mussolini zelf ooit geschreven of uitgesproken heeft. Er zijn geloof ik enkele uitzonderingen. Op zeker ogenblik zegt hij grijnzend: ‘Let’s make Italy great again’. Ik ben er niet helemaal zeker van dat die uitspraak authentiek is.
     Aardig zijn de fragmenten waarin Mussolini een moeilijk publiek moet overtuigen. In de Nederlandse les leerden we dat zoiets een ‘revolutionaire’ redevoering werd genoemd, niet noodzakelijk omdat ze opriep tot revolutie, maar omdat ze een ommekeer, een revolutie, in het gemoed van het publiek moest teweegbrengen. We moesten zoiets ook proberen in de les, en trokken daarvoor speciaal naar het auditorium van de school. Mussolini was goed in dat soort redevoeringen.
     Het fijnste vond ik dat al die schurken die ik kende van Farrells boek nu een gezicht kregen – al was het niet juiste gezicht. Met de entourage van Lenin, Stalin en Hitler ben ik min of meer bekend, maar de maffiosi rond Mussolini kon ik niet altijd goed uit elkaar houden: Cesare Rossi, Dino Grandi, Roberto Farinacci, Albino Volpi, Cesare Forni, Italo Balbo, Cesare Maria de Vecchi, Emilio de Bono, Amerigo Dumini … 
   
 Het helpt ook als je achteraf die namen opzoekt op Wikipedia. Dumini bijvoorbeeld, die de moord pleegde op Matteoti, al dan niet in opdracht van Mussolini. Eerst wordt hij veroordeeld voor de moord, dan wordt hij vervroegd vrijgelaten, wordt opnieuw veroordeeld als hij Mussolini probeert te chanteren, wordt dan weer vrijgelaten, krijgt een hoop geld, vestigt zich in Libië, wordt door de oprukkende Engelsen gevangen genomen als spion, komt voor het vuurpeloton, wordt getroffen door 17 kogels, is niet dood, kan ontsnappen naar Tunesië en later naar Italië, wordt na de oorlog opnieuw veroordeeld voor de moord, tot levenslang dit keer, wordt na tien jaar vrijgelaten onder een amnestiregeling, en komt uiteindelijk om door elektrocutie als hij thuis een lamp probeert te vervangen. 

zondag 12 april 2026

De cijfers van Dikke Freddy

    'Brieven van dikke Freddy’ is een column die in De Standaard verschijnt. Auteur Erik Vlaminck kruipt in de huid van een dakloze die zijn problemen aankaart bij de groten der aarde. Ik ken mensen die fan zijn van die columns. Wellicht zijn die stukjes goed geschreven, maar mijn ideologische vooroordelen maken het voor mij moeilijk om ze te smaken. ‘Dikke Freddy is een dikke demagoog,’ denk ik vaak. Waarom zou trappen naar boven zoveel hoogstaander zijn dan trappen naar onder? Waarom moet een welgestelde auteur in de huid kruipen van een dakloze? In Nederland had je in de jaren 80 de ‘Notities van een bijstandmoeder’. Daar ontstond toen een hele rel toen bleek dat die stukjes niét door een bijstandmoeder geschreven werden. Het hele genre lijkt mij sociaal engagement op doping. ‘Borrowed suffering’ las ik ooit in een sociologische paper.
     Eigenlijk zou ik die Dikke-Freddy-stukjes wat grondiger moeten bekijken. Dat ze graag gelezen worden, bewijst dat ze een gevoelige snaar raken bij de welgestelde krantenlezer. En vaak staan er ook harde feiten in die de moeite waard zijn om te overwegen. In DS van 1 april schrijft Dikke Freddy dat Colruyt een noodvoedingspakket verkoopt dat toelaat om 24 uur te overleven. Prijs van dat pakket: 29,99 euro. Dat is een interessant getal. Vermenigvuldig dat met 30 en je moet concluderen dat een mens 900 euro per maand nodig om zich alleen al te kunnen voeden. Dat is een getal dat we dan moeten leggen naast bijvoorbeeld de bedragen van OCMW-uitkeringen. Dikke Freddy zelf ontvangt trouwens van zijn schuldbemiddelaar exact 50 euro per week. Dat is geen ideologie, dat zijn cijfers.
     Ik heb, terwijl ik toch bezig was, ook eens aan ChatGPT gevraagd hoeveel de Vlaming dagelijks uitgeeft aan voeding alleen. Wie alleen thuis eet en zuinig boodschappen doet, zou toekomen met 8 tot 10 euro per dag. Wie ook af en toe maar niet te vaak op restaurant gaat of take-away maaltijden gebruikt, komt op 12 tot 15 euro per dag. En wat die schuldbemiddeling betreft, daar geeft ChatGPT toe dat Dikke Freddy gelijk heeft. Het is inderdaad mogelijk, zij het uitzonderlijk, dat iemand met zeer zware schulden een leefgeld krijgt van niet meer dan 50 tot 70 euro per week, waarvan, zoals Freddy schrijft ‘niet alleen voeding, maar ook zeep, het wassalon, kleren, schoenen, sigaretten en horecaverbruik’ moeten worden bekostigd. Alleen de vaste kosten (huur, energie, verzekeringen …), weet ChatGPT, worden apart beheerd en betaald door de schuldbemiddelaar.


 

Stromanargumentatie en 'steelmanning'

     Bij stroman-argumentatie verzwak je het argument van je tegenstander door er een karikatuur van te maken. Dan is het makkelijker om het te weerleggen. Ook het tegenovergestelde bestaat: ‘Steelmanning’.  Dat is een manier van argumenteren waarbij je de positie van je opponent zo sterk mogelijk voorstelt, zelfs beter dan die persoon het zelf deed. Popper doet het allebei in The Open Society. Het deel over Plato is een voorbeeld van steelmanning, het deel over Hegel is een voorbeeld van stromanargumentatie.
    Zelf ben ik zuinig met de twee argumentatievormen. Door te stromannen win je aan bondigheid, en kun je de lachers op je hand krijgen, maar je hebt er zelf weinig aan. Als je discussieert om te overtuigen zal je geen stap verder raken, en als je discussieert om te winnen, voelt de zege aan als onverdiend en leeg. Je hebt de pop onthoofd en de kop rolt voor je voeten, maar het blijft van stro. De overwinning is nep.
     Steelmannen is dat weer te hoog gegrepen. Dan zou ik een boek, of minstens een paper, moeten schrijven in plaats van een blogstukje. Ik zou systematisch moeten op zoek moeten gaan naar de geleerdste en vernuftigste argumenten die tégen mijn zaak pleiten. Misschien komen daar zelfs wiskundige modellen aan te pas. Wat zou ik, die noch geleerd, noch vernuftig ben, noch wiskundig aangelegd ben, daar dan nog aan toe kunnen voegen?
    Ik ben hier, zoals in veel zaken, een man van het midden. Ik argumenteer op het niveau van opiniepagina’s in de krant. Dat is lijkt mij, naast een aangename, ook een nuttige bezigheid. Het is in die journalistieke vorm dat allerlei ideeën leven in de hoofden van de krantenlezende middlebrows. En als er in die vorm allerlei tegenstrijdigheden, dubieuze veronderstellingen, slordige redeneringen, en onhoudbare formuleringen ingeslopen zijn, dan mag daar iets over gezegd worden. Het is een aanwijzing dat de onderliggende, gesofistikeerde, beter onderbouwde versie wellicht ook niet helemaal koosjer is.  


zaterdag 11 april 2026

D’hanis, Debruyne, Shriver

    Ik zag op Facebook iets voorbijkomen van Frank D’hanis en Heleen Debruyne. ‘In de nieuwe aflevering van onze boekenpodcast bespreken we A Better Life van Lionel Shriver. De hamvraag: is het een rechts boek*, of net een satire op rechts? We geraakten het niet eens!’
     Ik wist meteen een aantal dingen met grote zekerheid: 

  1. Dat ik die podcast zou beluisteren, terwijl ik niet van podcasts hou
  2. Dat ik mij flink zou ergeren, niet alleen aan de meningen maar ook aan het zelfgekozen tijdverlies
  3. Dat D’hanis degene was die het boek ‘rechts’ vond en dat Debruyne degene was die er een ‘satire op rechts’ in zag
  4. Dat ze allebei gelijk en allebei ongelijk hadden 
  5. Dat ik er een kort stukje over zou schrijven.
       Het gesprek tussen de geliefden verliep rustig, zonder stemverheffing. Debruyne liet D’hanis uitspreken ook als die niet goed uit zijn woorden raakte. Het gemis aan een moderator die het gesprek in goede banen leidde liet zich voelen: de sprekers herhaalden nogal eens zichzelf, vooral wanneer ze niet goed wisten wat ze eigenlijk wilden vertellen, of als ze over iets niet zo veel te vertellen hadden.
      
Hadden ze het mij gevraagd, had ik kunnen helpen bij de vraag of Shriver nu rechts of links was. Shriver schreef zelf ergens dat ze van kamp verandert als ze van continent verandert. In Engeland is ze rechts, maar als ze naar Amerika reist, wordt ze halverwege de Oceaan links. Of anders gezegd: ze is min of meer libertair, ecomisch centrumrechts, cultureel centrumlinks, en nogal gebeten op woke.
      
Het besproken boek gaat over migratie en migranten. Een progressieve New Yorkse neemt een Hondurese migrante in huis, waarop er andere Hondurese migranten volgen, en dat zijn geen lieverdjes. Een aantal van de autochtone Amerikanen in het boek hebben radicale opvattingen over en tegen migranten. D’hanis gelooft dat het boek de vooroordelen van rechts over migratie bevestigt en dat Shriver minstens een aantal van die vooroordelen deelt. Debruyne gelooft dat met die vooroordelen de spot wordt gedreven. Om het zeker te weten zou ik het boek moeten lezen, maar zoals ik Shriver ken is de kans groot dat ze met iederéén spot: met de do-gooders die geloven dat alle Hondurezen lieverdjes zijn, en met de simplistische MAGA-figuren die geloven dat alle Hondurezen criminelen zijn –  terwijl ze ondertussen zelf gelooft dat er best iets tegen de illegale immigratie mag worden ondernomen.
      
In de discussie liet Debruyne zien dat haar snaren wat literatuur betreft fijner zijn afgestemd dan die van D’hanis. Ze aanvaardt bijvoorbeeld de mogelijkheid dat Shriver in ‘een rechtse rabbit hole terecht is gekomen,’ maar dat ze als schrijfster boven haar politieke opvatting uitstijgt en haar personages tegelijk als karikaturen en als mensen neerzet. Wel vindt ze dat de Hondurese personages slecht getroffen zijn. Dat komt, denkt ze, omdat Shriver niet genoeg met Hondurezen heeft opgetrokken. Als ik het boek lees, zal ik dat waarschijnlijk niet merken, omdat ikzelf ook weinig met Hondurezen optrek.
      
D
hanis en Debruyne hebben zich op de podcast voorbereid door commentaren over het boek te lezen, en daar hebben ze allebei iets interessants over te zeggen. D’hanis heeft vooral commentaren op Goodreads gelezen, en daar waren veel vijfsterrenrecensies bij. Hij vond dat verdacht. Vijf sterren werden in zijn ervaring alleen gegeven aan absolute meesterwerken, of aan boeken die een voor de lezer welgevallige politieke strekking hadden. Dat is juist. Zo werkt dat bij het sterrengevend lezerspubliek. Bij allerlei enquêtes naar het meest geliefde boek in de VS komt stelselmatig Ayn Rands Atlas Shrugged naar boven drijven. Ook ken ik veel mensen die een middelmatig-tot-goed boek als Dubbelganger van Naomi Klein een meesterwerk vinden. 
      Eigenaardig genoeg schijnt Dhanis te denken dat hijzelf een uitzondering op die regel is. Zelfkritische reflectie lijkt mij zijn sterkste kant niet. Hij haalt aan dat hij een ongelooflijk rechts boek als Soumission van Houellebecq toch wel goed geschreven en grappig vond. Dat is fijn voor hem, maar het is niet omdat we soms een keer boven onze politieke vooroordelen uitstijgen dat we ons niet meestal door die ballast naar beneden laten trekken in onze beleving van film en literatuur*.
      Wat Debruyne zei was nog interessanter. Het was haar opgevallen dat de meer officiële kritiek het boek heel negatief had besproken. Ze vond dat verdacht. Ze had al vaker gemerkt, zei ze, dat critici hun politieke voorkeuren lieten meespelen. Boeken die zeker niet beter waren dan dat van Shriver kregen heel wat betere kritieken omdat ze binnen de linkse consensus vielen. ‘Heb je daar een voorbeeld van?’ vroeg D’hanis. Zo’n voorbeeld kon Debruyne niet één-twee-drie geven. Je zou zulke voorbeelden telkens als je ze tegenkomt moeten noteren in een klein boekje. 
     Zelf heb ik wat Debruyne vertelt al vaak gemerkt bij filmrecensies. Bij heel lovende of afbrekende filmrecensies probeer ik snel na te gaan of de film niet een of andere ‘maatschappijkritische tendens’ bevat. Dan krijgt hij meestal enkele sterretjes teveel***. Is een film daarentegen niet maatschappijkritisch genoeg, dan merk je dat niet alleen aan de karige sterretjes, maar ook aan de minachtende opmerkingen die de recensent daarover maakt. Ik schrijf zulke voorbeelden niet op in een boekje, maar ik heb er geloof ik al een paar blogstukjes aan gewijd. 


* Ik heb ondertussen min of meer begrepen wanneer we van een rechts boek mogen spreken: als de rollenpatronen worden bevestigd in plaats van bevraagd, als niet duidelijk wordt gemaakt of seksuele contacten consensual zijn, als rechtse opvattingen worden verwoord door sympathieke personages en linkse opvattingen door onsympathieke personages, als een verhaallijn uitnodigt tot rechtse conclusies, en ten slotte, in de ruimere definitie van D'hanis, als het rechts in de kaart speelt.

 ** Zelf ben ik als filmliefhebber zo gewend geraakt aan de links-liberale bias van Hollywood dat het mij niet meer stoort. Mocht dat niet zo zijn, had ik al lang van hobby moeten veranderen. Maar als die bias een keer ontbreekt, is dat voor mij altijd een aangename verrassing.

*** Als het té erg wordt, schrijft de recensent dat goede bedoelingen nog geen goede film maken. 

                                                                                                                                       

Kortjes over film & series

Oscars
     Met het oog op de Oscars hebben we zondagavond gekeken naar Sinners, dat ikzelf al gezien had, en maandagavond naar Marty Supreme. Sinners kreeg vier grote Oscars, en Marty Supreme geen enkele. Het had natuurlijk omgekeerd moeten zijn. Wel ben ik blij dat ‘Beste cinematografie’ niét naar Frankenstein is gegaan, en ‘Beste Geluid’ wél naar F1 The Movie. Dan had die laatste film toch iéts gekregen. Ik heb hem met plezier twee keer kort na elkaar gezien, maar een derde keer was er te veel aan: te ging te veel over autoracen.
       One Battle After Another heb ik nu gisteren ook een tweede keer gezien. Ik heb nu beter kunnen zien hoe die baanbrekende autoachtervolging gemaakt is. Verder was ik vooral onder de indruk van mijzelf, dat ik mij na vijf maanden de film nog zo goed herinnerde. Als ik een film na vijf maanden opnieuw zie, zijn minstens de helft van scènes weer compleet nieuw voor mij. En na een jaar is ongeveer alles nieuw. 
     En nu het over mijn falend geheugen gaat. Een paar weken geleden kwam mijn zoon logeren. Fijn dacht ik, dan kunnen we samen naar Sentimental Value kijken. Maar dat plan ging niet door. ‘Maar papa, die film hebben we een maand geleden gezien.’ Toen wist ik het ook weer: een eerste keer gezien met mijn zoon en een tweede keer gezien met mijn vrouw.  
     Dié film had natuurlijk wel wat meer mogen krijgen dan alleen ‘Beste Buitenlandse Film’. 


Peaky Blinders: The Immortal Man
     Peaky Blinders-film verwent de fans, maar overstijgt de serie niet,’ bloklettert De Standaard (23/3). Verwent de fans? Mijn vrouw is fan. Na het bekijken van The Immortal Man zei ze: ‘Slechtste film ooit.’


Chalamet en Dylan
     Ik heb ondertussen drie keer A Complete Unknown gezien. Tussendoor heb ik ook de Dylan-documentaire van Scorsese gezien: No Direction Home. Dylan viel wat tegen vergeleken met Chalamet. Zoals Patton moest tegenvallen vergeleken met George C. Scott, bedacht ik mij. Ik heb een paar filmpjes met de echte Patton op Youtube bekeken, en inderdaad, de man heeft charisma, maar minder dan Scott. En dankzij die filmpjes weet ik nu ook eindelijk waarom de Slag om de Ardennen in het Amerikaans ‘The Battle of the Bulge’ heet.

 

Harrison Ford in Shrinking
     Ben ik nu de enige die vind dat Harrison Ford zijn beste rol pas speelde toen hij de 80 voorbij was, in de dramedy-serie Shrinking?


De geseksualiseerde non in films
     In de marge van de 
Sancta-controverse publiceert De Standaard (8/4) een stuk over films die kloosterzusters als seksuele wezens voorstelden: Story of a Cloistered Nun, The Nun and the Devil, Behind Convent Walls, Black Narcissus, Viridriana, Benedetta … Alleen de twee laatste films heb ik gezien. 
     Een titel die jammerlijk ontbreekt maar die begin de jaren 70 een groot succes was in Vlaamse bioscopen was De non en haar kind. Ik heb de film niet gezien, maar heb altijd bewondering gehad voor de marketeer die de Vlaamse naam bedacht heeft voor het belegen Spaanse melodrama  El derecho de nacer. Zowel de socialistische bakker als de pilaarbijtende verkoopster van lederwaren, die anders nooit naar de bioscoop gingen, wilden weten hoe dat zat met dat kind en met die non.
     Het stuk in de Standaard gaat ook in op The Devils (1971) van Ken Russell. Blijkbaar heeft de censuur toen een scène geschrapt over nonnen die zich collectief bevredigden op een levensgrote Christus aan het kruis. Zo’n censuur heeft een positieve kant. Mijn katholieke vader – der Raimund ist sehr fromm, zei zijn Zwabische hospita tijdens de oorlog – mijn katholieke vader dus was erg onder de indruk van die film. ‘Indrukwekkend,’ zei hij. Nochtans bevatte de film ook zo al veel choquerende scènes. Maar was de achteraf gecensureerde scène weerhouden gebleven, dan had hij daar anders over gedacht.


De serie waarin het huwelijk wordt gesloopt
     De recensie in De Standaard (8/4) over Something Very Bad Is Going to Happen heeft mij overtuigd: ik zal de serie een kans geven. Recensent Marijn Lems begint zijn commentaar met een gevoel dat ik ook ken:

 Soms zie je een serie die door andere critici zo verkeerd begrepen is, dat je hun ongelijk wel van de daken zou willen schreeuwen.

      Ja, dat gebeurt, ik heb dat ook wel eens voor, alhoewel ik toevallig over Something Very Bad enkele heel lovende recensies gelezen had, zoals die op Roger Ebert.com. Ook ben ik door Lems wat bang geworden want hij schrijft dat de reeks ‘heilige huisjes zoals het huwelijk sloopt tot er niets van overblijft’, terwijl ik hoop dat er van mijn eigen huwelijk binnen enkele jaren nog altijd iets zal overblijven. Lems schrijft ook dat

de metaforische nadruk ligt op het verborgen geweld dat vaak achter de huwelijken van onze ouders en grootouders schuilgaat.

     Van andere ouders en grootouders weet ik het niet, maar als het over de huwelijken van mijn ouders en grootouders gaat, hebben ze dat geweld inderdaad goed verborgen gehouden. Of misschien denkt Lems wel aan mijn generatie en mijn huwelijk, want ik heb de leeftijd bereikt dat ik best zijn vader zou kunnen zijn. Dát geweld heb ik zelfs voor mijzelf verborgen kunnen houden.
     Iets helemaal anders. Lems schrijft dat het ‘geniale’ van de reeks is dat ze lang ‘in het midden houdt of de angsten reëel of ireëel zijn.’ Maar daar is niets geniaals, of zelfs maar origineels, aan. Die langgerekte dubbelzinnigheid is een wezenskenmerk van wat de Fransen ‘le fantastique’ noemen, en waar een groot deel van het horror genre onder valt. Denk voor een klassiek voorbeeld aan Rosemary
s Baby. 


 Love & Death
     De miniserie Love & Death vertelt, zoals wel meer series, een waargebeurd verhaal. Dat heeft enkele voordelen. In dit geval spelen de dramatische feiten spelen zich af in kleinsteeds Texas en we krijgen zaken te zien die in een verzonnen scenario niet gemakkelijk een plaats zouden krijgen. We zien in films wel eens dat een Amerikaans gezin bidt voor het eten, of op zondag naar ter kerke gaat, of de kwestie van de godsdienst is het hoofdthema van de film. Maar hier is het motief van de godsdienst tegelijk bijkomstig en breed uitgewerkt. De hoofdpersonen zijn allemaal nauw betrokken bij het kerkleven:  ze zingen in het koor, ze zorgen voor de financiering, ze bespreken de bouw van een nieuwe kerk, ze maken zich zorgen over de concurrentie met andere kerken … En ze beantwoorden niet aan het traditionele beeld van de Bible Belter. Het gaat om een vrouwelijke dominee, een gedreven advocaat, een doctor in de Wiskunde, een overspelige vrouw zonder schuldcomplex, enzovoort. Er zijn volleybaltoernooien tussen de Methodisten en de Lutheranen
      Bij de verfilming van zulke waargebeurde verhalen rijst een ethische vraag. Jesse Plemons speelt de rol van een, zoals mijn vrouw het verwoordde, ‘lul aan wie het talent van Plemons verspild is.’ Maar de brave man, die duidelijk geen vlieg kwaad zou doen, leeft nog. Kun je hem dan zo ongenadig als een lul voorstellen in een serie? Mijn vrouw dacht dat het geen probleem zou zijn. Als hij echt zo gevoelsarm is als hij in de serie wordt voorgesteld, dan zal het hem niet zoveel kunnen schelen hoe hij wordt voorgesteld, zolang de feiten maar niet worden verdraaid. 


Een Irritant personage in Servant
     Films en boeken hebben een streepje voor als ze erin slagen om sympathieke personages neer te zetten. Maar bij de regel horen een aantal uitzonderingen. Een interessante slechterik kan op zijn manier sympathiek zijn, want dan krijg je een ‘man you love to hate.’ In een komedie kun je aan de slag met irritante nevenpersonages zoals Carmen in F.C. De kampioenen. En in een hálve komedie als Marty Supreme kun je een irritant hoofdpersonage kwijt als hij voldoende redeeming qualities heeft. Maar in Servant, een horrorserie van Night M. Shyamalan, zag ik nu iets wat ik nog niet gezien had: een irritant hoofdpersonage, de moeder, zonder redeeming qualities, en zonder dat je, telkens als ze in beeld is, hoopt op een snelle overgang naar een scène waarin ze niet meespeelt.


Elvis Presley-films
     Ik heb in de jaren zestig heel wat Elvis Presley-films gezien. In Fun in Alcapulco (1963) moest Elvis zijn angst overwinnen om te duiken van een hoge rots en in Kissin’ Cousins (1964) had hij een blonde neef die als twee druppels water op hem geleek. Meisjes van 15 en 16 kwamen massaal naar die films kijken omdat ‘hij’ meespeelde. Een van die meisjes legde mij uit waarom Elvis niet getrouwd was: zo kon ze blijven dromen dat hij ooit met háár zou trouwen. Zelf vond ik die films niet zo bijzonder, die muziek sprak mij niet aan, maar ik was wel telkens opgewonden: omdat er een acteur in meespeelde van wie ik de naam kende, en omdat er iets ongeoorloofds gebeurde. Elvis was eigenlijk een zanger en toch speelde hij mee in een film. Dat gevoel dat er iets ongeoorloofds gebeurde had ik nog sterker toen de film Tintin et les oranges bleues (1964) uitkwam. Kuifje was een stripverhaal, en nu was het een film. Ik was doodzenuwachtig toen de film begon.


Macbeth-verfilmingen
      In 1971 zag ik voor het eerst Macbeth van Polanski. De film bevestigde mij in mijn prille liefde voor Shakespeare-verfilmingen. De leraar Engels had de film ook gezien en vond dat ‘de psychologie van de personages heel grondig was uitgediept.’ Daar ging ik dan weer niet mee akkoord aangezien ik ook toen al tot tegenspreken geneigd was. In elk geval, ik heb de film met de vrij onbekende Jon Finch in de hoofdrol later nog een paar keer gezien, en hoewel Polanski zoals altijd een klein beetje langdradig is, was ik telkens weer gegrepen. Bij alle Macbeth-verfilmingen die ik later op mijn weg vond, heb ik mij verveeld: die met Orson Welles (1948), die met Michael Fassbender (2015), die met Denzel Washington (2021). Bij twee van de drie ben ik in slaap gevallen, en moest ik de film terugspoelen. Ik zie nu op IMDB dat er ook een Macbeth-verfilming is met Ralph Fiennes. Ik kijk er naar uit om die te zien. Fiennes was heel goed in de rol van Coriolanus (2011)*.

* Ik vroeg aan ChatGPT in welke Shakespeareverfilmingen Fiennes allemaal meespeelde. Ik kreeg, naast Coriolanus nog twee andere titels: ‘Hamlet (1996): Fiennes speelt hier niet Hamlet, maar Claudius, de koning en antagonist. The Tempest (2010): hier speelt hij de mannelijke versie van Prospero, tegenover Helen Mirren die Prospera vertolkt.’ Onzin natuurlijk. Ik heb die films gezien. Claudius wordt vertolkt door Derek Jacobi, en Hellen Mirren staat er alleen voor als Prospera. Je vraagt je af wat er in dat hoofdje van ChatGPT omgaat. Die Claudius, tot daar aan toe, maar die Prospero naast Prospera, waar komt dat vandaan 

vrijdag 10 april 2026

De 'Iran wint'-berichtgeving, e.a.


De Iran wint
-berichtgeving
    
 De anti-Amerikaanse media stonden klaar om elke dag opnieuw cijfers van Iraanse burgerdoden te publiceren, maar moeten het ondertussen doen met Trumps waanzinnige dreigement ‘we’re going to bring them back to the Stone Ages.’ Daarmee bewees de president overigens dat hij toch iets van geschiedenis afweet, want hij herneemt daarmee letterlijk een bekende uitspraak van Generaal Westmoreland tijdens de Vietnamoorlog.
        En het was niet de enige keer dat ik dezer dagen een gelijkenis zag met Vietnam. In afwachting van de bombardementen op burgerdoelen, hamert de anti-Amerikaanse berichtgeving nu op een andere spijker: Iran wint! Het stuk van Koert Debeuf (DS 9 april) behoort tot die strekking: door zijn militaire aanval heeft Trump het Iraanse regime van de ondergang gered, dus: Iran wint! Het is een teneur die ik ken van meer dan een halve eeuw geleden. Een in linkse middens heel populair boek was toen dat van journalist Wilfried Burchett: Vietnam Wint! De oorspronkelijke Engelse titel was Vietnam Will Win! In het Frans was het: Pourquoi le vietcong gagne.
 
     Tussen twee haakjes: die laatste titel verraadde een dissident-trotskistische vertaler. De communistische orthodoxie waar Burchett toe behoorde zou zo’n titel niet hebben gebruikt. De Engelse ondertitel luidde, heel diplomatisch: Why the People of South Vietnam have Already Defeated US ImperialismNiet de communisten van de Vietcong, maar ‘het volk van Zuid-Vietnam’ was aan het winnen of had al gewonnen. De orthodoxie probeerde te verdoezelen dat het om een communistische machtsovername ging, de trotskisten waren er trots op. Voor wie de nuance ontgaat, denk aan het verschil tussen: Iran wint, Het Iraanse volk wint, en Het anti-imperialistische en anti-zionistische regime van Iran wint.
     Bij dat alles moeten we niet vergeten dat achter de boodschap Iran wint soms de onuitgesproken hoop schuil gaat dat Iran zál winnen. Bij Vietnam wint was het vaak zo, maar vandaag is het enigszins anders. De meesten van ons moeten even weinig hebben van het Ayatollah-regime als van een oorlog tégen het Ayatollah-regime. We willen niet kiezen tussen Trump en Khamenei. We hebben wel enkele meningen terzake, maar we denken die liever niet tot het einde door.  Mochten we dat doen, zouden we misschien wel moeten kiezen.
     Aan de andere kant is doordenken niet altijd nodig om te kiezen. Sommigen van ons weten wel waar we staan, maar geven het liever niet toe. Of juist wel. Ilja Leonard Pfeijffer bijvoorbeeld schreef: ‘Ik moet bekennen dat ik tijdens de oorlog stiekem voor Iran was.**’ Zo’n eerlijke bekentenis is mooi. Ik wil dat ook proberen: ‘Ik moet bekennen dat ik tijdens de oorlog stiekem tegen Iran was.’
      Nog een woord over het artikel van Debeuf. Het is goed geschreven. Het bevat ook de nodige speculatie. Dat is, gezien het onderwerp, onvermijdelijk. Maar je zou willen dat De Standaard af en toe ándere speculatieve meningen op de opiniepagina’s plaatste. De Morgen gaf het goede voorbeeld door een stuk uit de NYT over te nemen: Nee, Iran is niet aan het winnen*. 

* Het opiniestuk van de NYT staat hier. Ook interessant is de berichtgeving in de NYT over de manier waarop Trump zijn beslissing over de Iran-oorlog genomen heeft. Zie hier.

** Ilja Leonard Pfeijffer schrijft ook: ‘Ik weet wel dat het Iraanse theocratische absolutisme nauwelijks onderdoet voor dat in de Verenigde Staten of Israël.’ Dat is een ronduit idiote bewering. Je kunt die laatste twee landen veel verwijten, en misschien zelfs dat er tekenen zijn van fundamentalisme en theocratie. Maar je kunt niét dat zeggen dat ze in dat domein in de buurt komen van de Ayatollahs. 


Videobeeld- en schriftcultuur
  
     Van de nieuwste verfilming van Wuthering Heights wordt gezegd dat de koortsachtige visuele stijl het verhaal op de achtergrond duwt. Arthur Goemans (DS 26/2) zag er een symptoom in: het was een film voor de jeugd die gewend is geraakt aan korte video-filmpjes en die daardoor hoe langer hoe minder in lange verhalen geïnteresseerd is, zoals die vroeger in geschreven vorm werden verspreid en genoten. Hij betreurt het mogelijk verdwijnen van de geschreven cultuur die ons wetten, wetenschap en kritisch denken heeft geschonken.
      Is Goemans nu een zwartkijker? Beroepsoptimist Steven Pinker schreef op x.com een commentaar die heel nauw bij die van Goemans aansluit.

 Lezen en geletterdheid behoren tot de dingen die goed zijn voor ons, maar cognitief onnatuurlijk. Dat wil zeggen: ze gaan in tegen onze geëvolueerde natuur. We zijn niet geëvolueerd met drukwerk; dat is een recente uitvinding. Lezen is voor velen van ons zo vanzelfsprekend geworden dat we er simpelweg van uitgaan dat het de meest natuurlijke manier is om informatie te verkrijgen.Maar wat we hebben gezien, vooral in de afgelopen tien jaar, is dat veel mensen, in tegenstelling tot ons, veel liever luisteren en kijken dan lezen. Je ziet het gewoon: wanneer ik naar Google ga en een basisvraag stel over hoe ik mijn printer weer aan de praat krijg, krijg ik in een oogwenk vijf video’s te zien. Maar ik wil helemaal geen Seth die mij komt vertellen: “Hallo, welkom bij mijn show. Als je het leuk vindt, abonneer je en geef een like.” Ik wil gewoon mijn probleem zo snel mogelijk oplossen. Maar blijkbaar is er iets ongewoons aan mij, want mensen kiezen voor de video. En de enorme beschikbaarheid van video—van TikTok, van YouTube—betekent dat mensen misschien niet de oefening krijgen of de inspanning leveren voor geletterdheid, waarvan we mogen aannemen dat die een van de drijvende krachten was achter het stijgende IQ van de laatste eeuwen.


Het woningsvraagstuk
     Als liberaal geloof ik dat de vrije markt er redelijk goed in slaagt om productie, consumptie en investering op elkaar af te stemmen. Maar dan werpt men mij het woningsvraagstuk voor de voeten. Friedrich Engels begon daar al mee in 1872 met zijn brochure Zur Wohnungsfrage. Uit liedjes zoals die van Boudewijn de Groot over ‘Woningnood’ en Joop Visser over het ‘Woningbouw-wouwbeleid’ had ik begrepen dat althans in Nederland veel problemen kunnen worden verklaard vanuit staatsinterventie en ambtenarij. Maar het zou dogmatisch zijn om de mogelijkheid van ‘marktfalen’ hier meteen uit te sluiten. Architect Tim Vekemans wijst er op 
(DS 26/2) dat het huisvestingsprobleem zich vooral stelt voor mensen met een middeninkomen tussen 1.900 en 2.900 euro per maand. ‘Het verdienmodel van de markt is niet op hen afgestemd.’ Eén alina in het stuk heb ik aangestreept: 

 Vlaanderen heeft meer dan 2 miljoen onderbentutte woningen, waarin twee of meer hoofdkussens elke nacht onbeslapen blijven. Als we 25 procent van die hoofdkussens zouden ‘activeren’ tegen 2050, dan is onze woonbehoefte opgelost.

     Ik heb inderdaad de indruk dat Vlamingen graag onbenutte slaapkamers hebben ‘voor het geval dat’. In Amerikaanse films is dat anders. Mensen wonen in kasten van huizen, maar zodra er een onvoorziene gast blijft overnachten, moet hij op de sofa slapen.

* Boudewijn de Groot: zie hier. Joop Visser: zie hier.


Bim bam beieren
     De Standaard viert de Paastijd met een aantal vrije tribunes onder de titel Bim bam beieren. Iedere keer als ik die titel zie moet ik denken aan een reeks Herr Seele-cartoons waarin de uitdrukking ‘Bimbam de klokken’ werd gebruikt.
     In de bijdrage van 10/4 borduurt dichteres Charlotte Van den Broeck voort op het oorspronkelijke kinderrijmpje: ‘Bim bam beieren / de koster lust geen eieren / wat lust hij dan / spek in de pan.’ Dat is een ritmisch meesterwerkje, met de subtiele metrische verschuivingen en de harde cesuur vóór het laatste vers. Vandenbroeck buigt zich echter niet over de poëtische kwaliteit van het gedicht maar bezint zich over de vraag of dergelijke kinderrijmpjes het traditionele rollenpatroon in het gezin niet al te veel bevestigen: de vrouw die alle huishoudelijke werk op zich neemt. Haar antwoord: ‘Bim bam beieren / Man, bak toch gewoon zelf je eieren.’
     Dat is een ritmisch onding. Het moet zijn: ‘Bim bam beieren / Man bak zelf je eieren.’ Dat is trouwens wat ik vanavond zal doen. Er staat een lekkere pokébowl in de koekast en daar hoort een spiegeleitje bij, vind ik.


Klimaatproblemen
      Het was mij de laatste tijd ook opgevallen dat de temperatuur overdag en ’s nachts meer verschilt dan we gewoon waren. De Standaard (10/4) heeft de verschillende verklaringen voor dat verschijnsel op een rijtje gezet. Bij de verwoording van een van die verklaringen, moest ik glimlachen. ‘Een hogedrukgebied gaat doorgaans gepaard met prettig weer … De straalstroom is hier de boosdoener.’


Vrije gender-keuze in de rechtsleer
      Jean-Louis de Lolme (1740 – 1806) schrijft in zijn Constitution of England, hoofdstuk X:          

‘It is a fundamental principle with the English lawyers, that Parliament can do everything, except making a woman a man or a man a woman.’ 

     Geciteerd in Tocquevilles De la démocratie en Amérique.  


China en de kernenergie
    Ik ben geboren in het atoomtijdperk, drie jaar voor de wereldexpo in Brussel. Als kind las ik strips van de Jetsons. In de godsdiensles leerde ik dat kernenergie de wereld kon vernietigen, maar de wereld ook kon redden. Ik ben dat geloof van mijn kindertijd trouw gebleven. De ramp in Tjernobyl veranderde mijn mening niet. De Russische televisie verspreidde videobeelden van Andrei Sacharov die toen nog in binnenlandse ballingschap verkeerde. De dissident stond in een telefooncel en legde uit dat de ramp geen reden was om het kernenergieprogramma stop te zetten. Als zelfs Sacharov het zei, kon ik gerust zijn.
 
     Maar later begon men in Europa kernenergie te vervangen door windmolens. Voor mij was dat de schuld van de geitenwollensokkendragers. Ik heb toen mijn blik op het Oosten gericht, waar de toekomst stralend is. In China, dacht ik, zijn er geen geitenwollensokkendragers, daar zullen de autoriteiten zonder complexen voor de beste en de goedkoopste energievorm kiezen. Het was dan ook een tegenvaller toen ik in de krant (DS 10/4) een grafiek zag die de energiemix in China weergaf. Het ging kennelijk alleen over de elektriciteit, en daarvan werd slechts een minuscuul deel opgewekt door kernenergie, naar de grafiek te oordelen niet meer dan 2 procent.
      Ik heb mij dan in paniek tot Grok gewend, die mij geruststelde. De grafiek in de krant gaf de theoretische capaciteit weer. In de reële elektriciteitsproductie vertegenwoordigde Chinese kernenergie 4,5 procent. Er worden jaarlijks kerncentrales bijgebouwd zodat het aandeel binnen tien jaar of vijftien zou kunnen verdubbelen. Op korte en middellange termijn wordt het meest ingezet op zonne- en windenergie omdat die snelst en goedkoopst kan worden ontwikkeld. ‘Voor de allerlangste termijn (na 2040-2050),’ besluit Grok, ‘kan kernenergie nog belangrijker worden.’


Technologie en werkgelegenheid
     Elke technologische vernieuwing in het verleden heeft niet alleen werkgelegenheid vernietigd maar er ook gecreëerd, soms zelfs rechtstreeks. Voor locomotieven had je machinisten nodig, en voor computers computerprogrammeurs. Niemand weet met zekerheid of dat in de toekomst ook zo zal zijn. We kunnen ons makkelijk voorstellen – het is nu al aan de gang – dat robotten worden geproduceerd door robotten en dat artificiële intelligenties wordt ontwikkeld door artificiële intelligentie. 
Ik dacht eerst voor dit verschijnsel het woord ‘kannibalisme’ te gebruiken, maar bij nader inzien gaat het om het tegenovergestelde. 


 Hoe omgaan met Zombies?
     Arthur Goemans schrijft dat hij zich, mocht het zover komen, niet zou verzetten tegen een naderende zombie-massa. Met een jachtgeweer kun je een aantal van die hoofden doen uiteenspatten, maar er zijn altijd weer andere. Dan kun je er beter naar toe gaan en zeggen: ‘Tast toe.’ Hoewel ik sympathiseer met Goemans’ gebrek aan overlevingsdrang, vind ik zijn specifieke remedie weerzinwekkend. Dan zou ik het jachtgeweer liever gebruiken om mijn eigen hoofd te doen uiteenspatten. 

woensdag 8 april 2026

Respect voor zorgtaken, e.a.

Respect voor zorgtaken
  
   
 Een maand geleden was er veel discussie over de pensioenberekening voor vrouwen die thuis zorgtaken op zich namen. Vooral linkse vrouwen gingen heel breed in hun beschouwingen: het ging over de asociale regering, de betaalbare kinderopvang, en de mogelijkheid om vrouwen die thuis blijven een volwaardig zorgloon toe te kennen. Het leek om een centenkwestie te gaan, maar het was in werkelijkheid een vraag om het werk van vrouwen te respecteren.
     Ik vermoed dat die vraag om respect ook de diepere reden van veel egalitarisme is. Men maakt zich geen zorgen over de aandelenportefeuille van Elon Musk. Maar men kan de gedachte moeilijk verdragen dat die Musk zich misschien, vanwege die aandelenportefeuille, beter vindt dan zijn medemens. Het gaat om morele waarden. Het gaat om respect, de op één na hoogste waarde op de piramide van Maslow.
     Het heeft dan ook weinig zin om in discussies over een vrouwvriendelijke pensioenberekening alleen het argument van de betaalbaarheid boven te halen. Ikzelf trap altijd in die val. Eleonara Mingarelli slaagde er in een opiniestuk (DS 14/3) om die val te vermijden. Ze schreef:

De redenering dreigt een fundamenteel onderscheid over het hoofd te zien. Arbeid binnen het gezin is iets anders dan arbeid voor een werkgever. De eerste is ingebed in relaties van zorg, verplichting en genegenheid; de tweede functioneert binnen een logica van contracten, loon en productiviteit. We zorgen toch niet voor onze kinderen om dezelfde redenen waarom we gaan werken, laat staan met het oog op een toekomstig pensioen? … Een gezin functioneert niet op basis van pure berekening. Het is geen uitwisseling van diensten waarbij elke bijdrage precies kan worden gemeten en vergoed. Het gezinsleven volgt, alle tragische uitzonderingen ten spijt, een heel andere morele logica: die van vrijgevigheid, samenwerking en zorg.

     Dat zijn woorden van wijsheid. Je zou kunnen zeggen dat links in de discussie zonder het te beseffen de neoliberale logica overnam.
     Maar aangezien er op de harmonieuze gezinsrelatie ook heel wat ‘tragische uitzonderingen’ bestaan, van echtscheidingen tot vroegtijdig overlijden, zou kunnen overwogen worden om de pensioenrechten van een echtpaar samen te voegen zodat ze, in geval van nood, kunnen worden opgesplitst.


AI en de vrije markt
     Bedreigt AI de vrije markt? Dat is mogelijk, en wel op drie manieren. De eerste bedreiging is van fundamentele aard. We kunnen ons voorstellen dat AI op termijn de verhouding tussen productie, consumptie en investering efficiënter zou kunnen regelen dan de markt. Over die mogelijkheid is al gespeculeerd vóór AI bestond. Men sprak toen van een ‘supercomputer’. De tweede bedreiging is dat de grote techbedrijven samensmelten tot één monopolie en zo de hele markt corrumperen. Als je de huidige concurrentie ziet tussen de VS en China, en binnen de VS, denk ik niet dat dat snel zal gebeuren.

      De derde mogelijkheid is de meest indirecte maar ook de meest imminente: dat de paniek rond AI en de ingrijpende gevolgen die we mogen verwachten, wordt aangegrepen om de oude gedachte van een staatsgeleide economie te doen herleven. Het is de gedachte die ik haast dagelijks in De Standaard aantref. Vandaag nog (8/4) in het commentaarstuk van Hans Cottyn: ‘een doortastende overheid’, ‘regels en beperkingen’, ‘een sterke en vrije democratie die de arbeidsmarkt regelt, de ongelijkheid beteugelt en de winsten doet terugvloeien naar werknemers en gemeenschap.’
     Dat technologische vooruitgang en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke ontwikkelingen nieuwe reguleringen vergen is overigens evident. Anderzijds schept de nieuwe technologie misschien ook de mogelijkheid om oude reguleringen af te bouwen. We kennen de toekomst niet, maar als AI ertoe zou leiden dat nog slechts een minderheid van de bevolking nuttig productief werk kan leveren, dan wordt een universeel basisinkomen een noodzakelijke maatregel -- die veel bestaande welvaartstaatsbureaucratie overbodig kan maken.