dinsdag 12 mei 2026

Zinzen en Depoortere, e.a.

 


Zinzen en Depoortere

     Ik heb het Humo-interview met Walter Zinzen en Johan Depoortere eindelijk gelezen, al heb ik er zijdelings al naar verwezen*. De journalisten hebben o.a. kritiek op de VRT omdat 

  1. de commentaar over Oekraïne te eenzijdig is, en te vaak de Russische visie onvermeld laat 
  2. de berichtgeving over Israël te neutraal is, en te veel rekening houdt met het Israëlische standpunt
  3.  de duiding over defensie en leger te positief is 
  4. de interviews met politici en militairen niet kritisch genoeg zijn
  5.  de aanwezigheid van VB-politici op het scherm genormaliseerd is 
  6. Jonathan Holslag te vaak, en de revolutionaire socialist Ludo De Witte te weinig aan het woord komen 

    Wat die kritische interviews betreft, vind ik dat men niet moet overdrijven. Als men bijvoorbeeld een minister interviewt, moet men hem ook de kans geven om zijn beleid toe te lichten en te verdedigen. De bedoeling is niet a priori om hem te ‘ontmaskeren’. Het beste is om informatieve en kritische vragen af te wisselen. Iemand als Zinzen lijkt ervan overtuigd, en hij straalt het ook uit, dat alleen kritische vragen goede journalistiek zijn. Maar exclusief kritische vragen stellen heeft twee nadelen: het interview kan ontaarden in een tribune voor de journalist en de politicus kan leren hoe hij zichzelf moet redden met vage antwoorden.

      In Yes Minister (Sz1, Ep4) wordt minister Jim Hacker op de rooster gelegd door een scherpe televisie-interviewer. De ene na de andere kritische vraag wordt afgevuurd waarop niets dan vage antwoorden komen. ‘How did it go?,’ vraagt Hacker na afloop aan de journalist. ‘I thought I waffled a bit.’ Waarop de journalist antwoord: ‘Oh no, you stonewalled superbly, Minister.’

***

     Op de vraag waarom de VRT geen Vlaams Belangers mag interviewen geven Zinzen en Depoortere elk een ander antwoord. Zinzen zegt dat ze te vaak liegen:

Vroeger gold er nochtans een heldere regel: we gaan níét live in debat met het Vlaams Blok of Vlaams Belang, want in een live gesprek kun je hun voortdurende stroom van onwaarheden niet meteen checken en weerleggen.

     De Humo-journalist antwoordt gevat ‘Noem mij één politicus die niet liegt.’ Toch zie ik het probleem van Zinzen. Hij ziet een interview als een debat – dat is de functie van de ‘kritische vragen’ – en zo’n debat is gemakkelijker als het zich binnen een welomschreven grenzen afspeelt. Maar als iemand aangaande migratie assertief van andere premissen vertrekt, en niet wil discussiëren over de honderden asielzoekers die geen opvang vinden maar over de duizenden asielzoekers die er elk jaar bijkomen, dan wordt het zelfs voor een verbaal sterke, vlugge geest – en dat is Zinzen – plots veel moeilijker om te checken en te weerleggen. De vragensteller begeeft zich op onbekend terrein. 

     Depoortere geeft een ander antwoord:

 Dat liegen is niet de kern van het probleem. Je moet Vlaams Belang anders behandelen omdat ze niet democratisch is. Tegenwoordig wordt dat argument opzijgeschoven met een drogreden: Ze halen veel stemmen, dus we kunnen ze niet negeren.’ Zo herleid je de democratie tot een optelsom van de meeste zetels. Maar de democratie is méér dan dat. Het is een ideologie uit de verlichting, met als beginsel: we laten zoveel mogelijk mensen delen in rechten en welvaart. Wie dat beginsel ondergraaft door rechten te reserveren voor zijn eigen groep en anderen uit te sluiten, is een antidemocraat. 

        Ook dat argument begrijp ik. De liberále democratie is meer dan de wil van de meerderheid. Maar democratie is minstens óók de wil van de meerderheid, en is dus minstens óók de optelsom van de meeste zetels. Slechts monarchisten, anarchisten, fascisten en communisten verwerpen dat beginsel.

      De formule van Depoortere zelf om de democratie af te bakenen helpt ook al niet: ‘we laten zoveel mogelijk mensen delen in rechten en welvaart.’ Zoveel mogelijk … wat bedoelt hij eigenlijk? 

     Als hij vindt dat alle mensen een gelijk deel van de welvaart moeten krijgen, dan is Depoortere een soort radicale socialist wat een respectabel minderheidsstandpunt is. Als hij vindt dat elke migrant die de  grens oversteekt gelijke rechten moet hebben als de Belgische burgers neemt hij alweer een respectabel minderheidsstandpunt in**. Maar ik zie geen reden om het democratisch debat te definiëren binnen de grenzen van dat minderheidsstandpunt - zelfs niet mocht dat ontstaan zijn, samen met andere standpunten, tijdens de Verlichting. Iedereen bepaalt natuurlijk zelf met hij hij wel en niet het debat aangaat. Men mag daarbij zo exclusief zijn, maar op een overheidszender mag het wat pluralistischer zijn. 


* Over de polemiek van Joël De Ceulaer tegen Zinzen, zie hier.

** Als Depoortere niét vindt dat zoveel mogelijk deelnemen aan welvaart en rechten’ een volledige gelijkheid inhoudt, dan wordt het verschil tussen zijn standpunt en dat van Vlaams Belang een kwestie van proporties die binnen het democratisch debat moet worden opgelost. Overigens is het correct dat het vroegere 70-puntenprogramma van het Vlaams Blok elementen bevatte die niet binnen het liberaal-democratisch debat thuishoren. Zie hier. 



Zuhal Demir

     Hoewel Ben Weyts een N-VA’er is, kreeg hij als minister van Onderwijs niet al te veel kritiek in onze pers. Dat maakte mij ongerust. Vandaag, met Zuhal Demir, moet ik mij geen zorgen meer maken. Ik zie een kop van Knack in mijn mailbox: ‘Niemand durft iets te zeggen’: zwijgen is goud in het Vlaamse onderwijs. Met daaronder een foto van een streng toekijkende Demir. In het stuk zelf gaat het over een klimaat van ‘angst’ in de hogere onderwijsregionen maar een smoking gun tref je er niet aan. Er worden wel heel wat oude koeien uit de gracht gehaald. De uitspraak in de kop komt van een vertegenwoordigster van VVS, de Vereniging van Vlaamse Studenten. In mijn tijd was dat een extreem-linkse organisatie en ik kan alleen hopen dat ze ondertussen geëvolueerd is naar gewoon-links.

     Eigenlijk erger ik mij vooral aan de kop. Ik heb er alle begrip voor dat eindredacteurs de aandacht willen trekken met provocatieve uitspraken. Als je zo’n kop ziet in een gedrukte publicatie is dat niet erg. Je overloopt kort de inhoud en je trekt je conclusies. Maar in digitale tijden is dat veranderd. Je wordt op je scherm voortdurend geconfronteerd met die tendentieuze koppen zonder context. Het is alsof je kijkt naar spandoeken in een linksliberale betoging.

 

 

Moraliserende fabels

     Ter gelegenheid van 1 mei werden enkele oude fabels opgefrist. Jean-Marie De Decker schreef een stuk over de nijvere mieren en de potverterende krekels. De nijvere mieren waren, geloof ik, de ondernemers en de kleine zelfstandigen. JMDD haalde een reeks cijfers aan waaruit bleek hoeveel belastingen die mensen wel niet betaalden – ook op hun inkomsten uit kapitaal. Ik vrees dat die cijfers niemand zullen overtuigen die al niet overtuigd is. Ten eerste zal men vanuit linkse hoek terecht opmerken dat inkomsten uit kapitaal, hoe zwaar belast die ook zijn, nog altijd minder zwaar belast worden dan arbeid. En ten tweede zullen die belastingen in de ogen van linkse mensen nooit genoeg zijn. Zelfs al bedroegen ze 70 procent, dan kunnen ze nog altijd op 75 procent worden gebracht.

     Bert Engelaar van het ABVV recycleerde een andere fabel: die van de maatschappij als menselijk lichaam. We leerden die kennen in het tweede middelbaar, toen we De viris illustribus urbis Romae lazen. In het oude Rome gingen de plebejers in staking. Dat was de zogenaamde plebejische secessie. Menenius Agrippa ging naar hen toe en vertelde de fabel van de ledematen die een staking begonnen tegen de maag. Dat was dom van de ledematen, want ook de maag had een functie, al was die niet zo zichtbaar als die van de ledematen. Toen de plebejers dat hoorden gingen ze weer aan het werk.

    Engelaar vult de fabel anders in. Onze maatschappij wordt vergeleken met een zieke man die bij de dokter komt. De dokter – ik geloof dat hiermee de staat wordt bedoeld – heeft alleen oog voor het bovenste deel van het lichaam, tot aan de schouders. Dat deel geniet een régime de faveur. Wat eronder komt wordt verwaarloosd.  Met die verwaarloosde ledematen en organen verwijst Engelaar naar de werknemers die te weinig verdienen en te veel moeten betalen, naar mensen met een burnout, naar alleenstaande moeders met een uitkering, naar langdurig zieken die gecontroleerd worden, naar de poetshulp met versleten handen, naar de leerkracht met wallen onder de ogen. Die laatste intrigeerde mij, maar in plaats van uitleg kreeg ik een metafoor: ‘De spieren van het onderwijs verkrampen.’ Nochtans heb ik zojuist in Knack gelezen (zie hierboven) dat de collega’s van Demir jaloers zijn op haar omdat Onderwijs bij de besparingen ‘grotendeels wordt ontzien.’ 

     Ook deze fabel zal weinig mensen overtuigen om van mening te veranderen.

 

 


Mary Beard

     Van Mary Beard las ik niet zo lang geleden het boek Keizer van Rome. Ik kon toen aan mezelf niet uitleggen waarom dat boek mij niet beviel. Vandaag zie ik op FB een citaat van Beard uit een ander boek voorbijkomen: ‘The history of Rome is not simply a story of great men and heroic deeds; it is also a story of conflict, debate and disagreement.’ Ook hier kan ik aan mezelf niet goed uitleggen wat mij in dat citaat niet bevalt. Is het omdat het een cliché is? Maar ik heb helemaal niets tegen clichés.

 


 

Eric Röhmer en het marxisme

     Mijn zoon kreeg geschiedenis van een lerares van mijn generatie. Hij leerde onder andere dat Marx de grondlegger was van het ‘wetenschappelijke socialisme’. Ze had het een paar keer herhaald: het socialisme van Marx was wetenschappelijk. Wie vijf minuten nadacht over de definitie van ‘wetenschap’ had kunnen weten dat dat onzin was. En wie het marxisme een beetje kende en onafhankelijk nadacht kon zien dat het ‘dialectisch materialisme’ van Friedrich Engels een primitieve metafysica was, en het ‘historisch materialisme’ van Karl Marx in het beste geval een invalshoek van waaruit je naar de geschiedenis kon kijken, niets meer. 

     Maar in de vroege jaren zeventig was onafhankelijk nadenken over die kwestie niet in de mode. Veel jonge intellectuelen hadden een poster ophangen met een tekst van Mao Zedong Tegen de stroom ingaan is een marxistisch principe, maar zelf lieten ze zich liever met de stroom meevoeren. Je kon in die tijd in een beschaafd gezelschap kiezen tussen drie mogelijkheden: je kon zwijgen over het marxisme, je kon jezelf er een aanhanger van verklaren, of je kon – gevaarlijk – er kritiek op hebben. Maar je kon niet zeggen dat het marxisme geen wetenschap was. Dan was je niet alleen een rechtse hond, je was ook dom.

     Je had in die tijd het invloedrijke tijdschrift Cahiers du cinéma. Er wordt een fraai beeld geschetst van de sfeer op de redactie in de film Nouvelle vague. Toen Eric Röhmer zijn film Ma nuit chez Maud had uitgebracht werd hij, die zelf hoofdredacteur van het blad was geweest, geïnterviewd. Geraard Goossens plaatste onlangs een fragment uit dat interview op zijn FB-pagina. Röhmer werd in het interview bekritiseerd omdat hij een marxist ten tonele had gebracht die aarzelde en speculeerde, in plaats van wetenschappelijke analyses te maken. 

 

In een scène uit Ma nuit chez Maud speculeert Vitez over de kansen op de overwinning van het socialisme. Als communist hoort Vitez zich echter te baseren op een wetenschap, het historisch materialisme, dat de komst van het socialisme beschouwt zonder enige weddenschap of speculatie.

Pas op. Het marxisme wedt niet, maar men kan wel op het marxisme wedden. Voor zover het historisch materialisme geen wetenschap is …

Het historisch materialisme is een wetenschap.

Nee. Het is een filosofie. U moet mij niet komen vertellen dat het marxisme een wetenschap is. Dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken, zal niemand ontkennen. Maar het dialectisch materialisme …

Wij zeiden ‘historisch’.

Goed dan, het historisch materialisme — men kan juist de grondslagen ervan ontkennen. Ik bijvoorbeeld ken het geen enkele waarde toe, behalve die van een filosofisch systeem, naast andere. Maar het is geen wetenschap.

 

          De arrogantie waarmee de interviewer tot twee keer toe Röhmer onderbreekt om hem de les te spellen zal ook de jonge lezer opvallen. Maar je moet jaren zeventig gekend hebben om de twee soorten naïviteit te herkennen. De dogmatische naïviteit van de meeloper en de complexloze naïviteit van het kind dat luidop en als enige vaststelt dat de keizer geen kleren aan heeft. Röhmer was misschien geen marxist, maar hij aarzelde geen moment om ‘tegen de stroom in te gaan’,  ook al was die stroom breed genoeg om iedereen te omvatten die ertoe deed: de traditionele communist, de verstokte compagnon de route, de ruige maoïst en de modieuze, pijprokende, jazz-minnende intellectueel in rolkraagtrui. 

     Ik kan mij ongeveer voorstellen welke slechte indruk dat interview op mij zou hebben gemaakt als ik het in 1970 had gelezen, ongeveer het moment dat Ma nuit chez Maud gedraaid werd op het filmforum van mijn college. Iemand die langs zijn neus weg vertelt dat hij aan het marxisme geen enkele waarde toekent’! 

 

 

Ayn Rand en het marxisme

    Ik heb niets met Ayn Rand, al noem ik mijzelf soms een libertariër. Andere libertariërs, waar ik wel iets mee heb, halen wel een deel van hun inspiratie bij Rand. Robert Nozick, die een grondige kritiek op haar ideologisch manifest in Atlas Shrugged formuleerde, noemde haar romans ‘boeiend, levendig, verhelderend en inspirerend.’ En Charles Muray van wie veel opvattingen ‘at outright odds’ zijn met de Randiaanse filosofie is altijd gefascineerd gebleven door de beschrijving van Galt’s Gulch - de libertaire utopie – net het stuk in Atlas Shrugged dat mij het meeste tegenstaat.

     Maar Rand, dat moet ik toegeven, had bepaalde dingen heel goed begrepen. Ik zag een meme voorbijkomen met een Ayn Rand-citaat waarvan ik de authenticiteit niet gecontroleerd heb, maar dat wel de spijker op de kop slaat.

 

“De marxistische economie is grondig onderuitgehaald, weerlegd en in diskrediet gebracht. Toch verhindert dat niet dat mensen diezelfde marxistische economie blijven verdedigen. Waarom? Mensen hangen het collectivisme niet aan omdat zij een verkeerde economische theorie onderschrijven. Zij onderschrijven een verkeerde economische theorie omdat zij het collectivisme aanhangen. Je kunt oorzaak en gevolg niet omdraaien. Je kunt de oorzaak niet vernietigen door het gevolg te bestrijden. Dat is even zinloos als proberen de symptomen van een ziekte te elimineren zonder de ziektekiemen aan te pakken.”

 

     Hoogstens zou een vijand van het liberalisme de redenering mutatis mutandis kunnen omkeren. Ook zou men kunnen opmerken dat het collectivistische instinct niet helemaal samenvalt met het egalitaire instinct.

 


 

Koffiecapsules

     Vergeetachtigheid bij oude mensen zoals ik betreft vooral het geheugen op korte en op zeer korte termijn. ’s Morgens is mijn eerste werk het plaatsen van een capsule in de koffiecupmachine. Ik kan dat als de beste. Maar soms treedt er een complicatie op en is het waterreservoir leeg. Dan moet ik eerst nog het water bijvullen. Ook dat werkje is aan mij wel toevertrouwd. Maar nadat ik het water heb bijgevuld, weet ik niet meer zeker of ik wel een capsule in de machine heb geplaatst. Ik moet dan de machine openen, waardoor de capsule in het vergaarbakje valt, waar ik ze dan weer uit moet opvissen. 

     Vandaag wou ik het anders aanpakken. Het waterreservoir was weer leeg. Ik plaatste een capsule en pauzeerde enkele seconden. Ik liet de handeling goed tot mij doordringen. Als ik dan water had bijgevuld, zou ze mij nog altijd voor de geest staan. Zo gezegd, zo gedaan. Maar toen ik het water had bijgevuld wist ik weliswaar dat ik een capsule had geplaatst, maar ik wist niet meer zeker of het er een met koffie of met deca was. Mijn concentratie had niet geholpen. Es war alles umsonst gewesen.


 

Hail Mary Project

     Behalve de scenes met Sandra Hüller had de film Project Hail Mary weinig dat me kon bekoren. De humor was flauw, de spannende scènes waren niet spannend, en er scheelde iets aan de settings, maar ik weet niet goed wat. De alien van dienst, Rocky, had tegelijk iets van een knuffel, een aapje en R2D2. Hij drukte zich met behulp van een vertaalmachine uit in pidgin Engels. Ik ben zeer ontgoocheld dat onze vrienden van woke in het personage geen aanleiding zagen om kolonialistisch-paternalistische clichés over inheemse volkeren te bekritiseren.  

 

    

 

 

zondag 10 mei 2026

Geweld op school, e.a.


Geweld op school

     Als kind heb ik niet váák gevochten, maar het gebéurde wel. Heel soms kon ik mij in mijn eer gekrenkt voelen, en dan werd ik onredelijk boos. Het is mij de laatste keer overkomen toen ik een jaar of negentien was en in een textielfabriek werkte. De jongen die naast mij stond had mij een keer te vaak gepest, en we lagen rollend over de vloer. Vrijdagmiddag werden we allebei op het kantoor geroepen en werden we ontslagen voor ‘zwaarwichtige reden’. Ik stel mij voor dat vechtende arbeiders in de 19de eeuw minder streng werden aangepakt.

     Maar als kind heb ik dus weinig gevochten. Ik heb één keer – ik was een jaar of twaalf – met een vijand afgesproken na school en kreeg toen een vuistslag in mijn gezicht waar ik erg van schrok. Eigenlijk hield ik niet van al dat vechten, en ik was blij dat er een einde aan kwam na het derde middelbaar. Dat was een hele opluchting. Daarvóór werden vechtpartijen min of meer getolereerd. Leerkrachten kwamen tussen, maar het was niet iets waarvoor je straf moest schrijven. Ook van de leerkrachten zelf werd toen iets meer getolereerd. De meesters in de basisschool gaven stoute kinderen wel eens een schop voor de kont en in de eerste jaren van het middelbaar had je leraren die met een bordenwisser of met een sleutelbos gooiden. Dat kon toen allemaal.

     Er is echter veel veranderd met de vervrouwelijking van het onderwijs. Geweld werd een teken van toxische mannelijkheid. Het kwam in de sfeer terecht van wat politiek niet correct was*. Ouders spraken een kind dat gevochten had streng toe, in plaats van het enkele nuttige tips te geven waardoor het in een volgende vechtpartij als winnaar kon tevoorschijn komen. Daardoor werd nultolerantie voor geweld op school de regel. Maar die regel is volgens mij ook voor politiek correcten niet lang meer vol te houden. Boys will be boys, vooral, naar het schijnt, als het om allochtonen gaat. 

     We mogen ons, geloof ik, aan een heropleving van de tolerantiecultuur verwachten. De politiek correcten zullen zich moeten neerleggen bij redeneringen zoals Frank D’hanis die ontwikkelt. Hij heeft het in een recente FB-column over leerkrachten die gepest worden door leerlingen, en hij merkt om te beginnen op dat slechts 10 procent van hen minstens één keer per maand te maken krijgt met “fysiek geweld, bespuwen, imitatiegedrag en verbale agressie”. Een en ander moet dus ‘behoorlijk genuanceerd’ worden. En als marxist heeft hij daarnaast een klasse-analyse klaar:

 

We mogen nooit vergeten dat leerlingen geen volwassenen zijn, en dat ze niet altijd vanuit hun gezinssituaties meekrijgen hoe je best met conflict en frustratie kan omgaan. Dat geldt trouwens voor alle klassen en origines, al is er in elke groep wellicht een favoriete verschijningsvorm van agressie. Bij de kinderen met emotioneel geconstipeerde zogezegde hogere klasse ouders zie ik bijvoorbeeld veel passieve agressie en stiekem gedrag. Persoonlijk word ik liever in mijn gezicht ‘klootzak’ genoemd.

 

         Dat laatste voel ik anders aan. Ik heb liever dat een leerling in de klas wat passief agressief gedrag vertoont dan dat hij zijn lerares hardop een ‘hoer’ noemt. Binnensmonds is beter. In ruzies ben ik zelf overigens ook wel eens passief agressief. Maar verder heb ik alle respect voor het begrip van D’hanis. Hij pleit voor idealisme, liefde en herstel. Hij vertelt van een lerares die door een trap van een leerling haar arm brak, maar daarna de relatie met de geweldenaar herstelde door samen met hem cupcakes te bakken. Dat is mooi. Maar had de geweldenaar de arm van een medeleerlinge gebroken, dan zou ik er als leraar toch op aangedrongen hebben om die jongen buiten te gooien. ‘Mercy to the guilty,’ zei Adam Smith, ‘is cruelty to the innocent.’

         Is er een oplossing voor de onveiligheid en het geweld op school? D’hanis komt in elk geval snel uit bij zijn bekende recept: meer middelen, het mag iets kosten. Zuhal Demir moet zorgen voor kleinere klassen, meer personeel, meer OKAN-vervolgschoolcoaches en meer levensbeschouwelijke leerkrachten. Het leukste vond ik dat D’hanis in zijn inleiding zelf iets denigrerends gezegd had over een levensbeschouwelijke leerkracht die voor coach speelde.  Dhanis was als 16-jarige leerling ooit fysiek bedreigd geweest, maar de directie had geweigerd de politie in te schakelen. Zijn vader had het moeten oplossen.

 

De school deed de hele tijd quasi niks. Ik geloof dat ze één keer een leerkracht godsdienst afgevaardigden om een gesprek te gaan voeren in de zesde kantoor, waar mijn bedreigers zaten. Die was van het ‘coole’ type leerkracht, met een gitaar en CD’s van Bryan Adams. Ik stel me voor dat hij omgekeerd op een stoel ging zitten en ze aansprak als “homies”. Zijn interventie bracht niks op, uiteraard. 

 

         Maar hoe kan D’hanis garanderen dat het extra personeel dat Demir in dienst moet nemen het veel beter zal aanpakken? Misschien gaan die herstelcoaches ook wel omgekeerd op hun stoel zitten en spreken ze kinderen die behept zijn met eigen ‘favoriete verschijningsvormen van agressie’ aan als ‘homies’. Dan is het allemaal een maat voor niets.  


* Geweld als niet politiek correct: zie over die kwestie ook mijn stukje hier


 

Sociologische studies en de thuistaal


     In De Standaard verscheen een opiniestuk van vier experts, waaronder Wouter Duyck en Dirk Van Damme, over de vraag of de thuistaal van migrantenkinderen moest worden ingezet in het onderwijs. De vier experts vonden dat géén goed idee. Andere experts, taalsociologen bijvoorbeeld, denken daar anders over. Ze halen studies aan die het succes van thuistaalonderwijs documenteren. Maar, schrijven Duyck en co,  die studies zijn niet toepasbaar op onze superdiverse klassen. Ze gaan bijvoorbeeld over Mexicaanse migrantenkinderen in de VS waar kinderen in het Engels en het Spaans onderwezen worden door perfect tweetalige leerkrachten. Conclusie: ‘Dat is in geen enkel geval bruikbaar in Vlaanderen, waar je van leraren niet kunt verwachten de vijftien thuistalen in de klas te beheersen, een voorwaarde voor dat succes.

     Zonder dat te weten van die Mexicaanse kinderen had ik de taalsociologische studies ook niet geloofd*. Sociologie is maar een halve wetenschap. Ze is in staat om de conclusies van ons gezond verstand te bevestigen of te nuanceren, maar niet om ze, zoals de fysica, tegen te spreken. Ik zal nooit veel geloof hechten aan een sociologische studie die huis-tuin-en-keuken logica tegenspreekt. Ik zal er mijn mening niet door omgooien, maar hoogstens, na zelfonderzoek, wat bijstellen. Of het zou moeten gaan om héél grootschalig onderzoek dat op héél transparante wijze tot héél dwingende conclusies leidt. 

     Bij de economische wetenschap is dat anders. Het gezond verstand vertelt ons dat een land rijk is als het veel goud in de schatkist heeft, of meer uitvoert dan het invoert. Adam Smith toonde aan dat dat niet zo was. Het gezond verstand vertelt ons dat een land niets moet invoeren wat het zelf beter kan produceren. Ricardo toonde aan dat dat niet altijd opgaat. Het gezond verstand vertelt ons dat een ordelijk geleide economie beter functioneert dan de chaos van de vrije markt. Mises toonde aan dat het omgekeerd was.

     Laatst vond ik in de mémoires die Gérard Roland op substack publiceert een treffende illustratie van dat verschil tussen economie en sociologie. Roland heeft intensief bestudeerd hoe de overgang van socialisme naar kapitalisme verliep in Oost-Europa en China. Het is op zich niet erg logisch dat de invoering van de vrije markt in het ene geval tot economische groei, en in het andere geval tot economische achteruitgang leidt. Als econoom slaagde Roland erin om verfijnde modellen uit te werken die dat verschil verklaren. Die modellen, daar zou ik nooit opgekomen zijn.

     Maar na 20 jaar modelbouw wilde Roland eens iets anders proberen. Hij wilde zijn geluk proberen met empirische studies die een meer sociologische methodiek vergen. Zo wou hij weten wat de voorwaarden waren voor het ontstaan van ondernemerschap. Welk soort mens werd een ondernemer? Welk soort mens werd een succesvol ondernemer? En wat bleek uit zijn uitgebreid onderzoek? Vooral kinderen van ondernemers werden ook ondernemer. En vooral slimme ondernemers waren succesvol. Beroepskeuze was gelinkt aan familie en succes was gelinkt aan intelligentie. Had Roland het tegenovergestelde ontdekt, dan had ik moeite gehad om hem te geloven.
     ‘We found no smoking gun,’ schrijft hij. Precies. Sociologische studies die wel een ‘smoking gun’ vinden zijn verdacht. Om nog te zwijgen van psychologische studies, waar ‘smoking guns’ schering en inslag waren tot de replicatiecrisis van 2015 iedereen weer met beide voetjes op de grond zette.

 

* Ik heb in het verleden al enkele stukjes gewijd aan de ‘thuistaal’-kwestie. Zie o.a. hier, hier, hier en hier.   

zaterdag 9 mei 2026

Michael Jackson: de film, e.a.

 


Michael Jackson: de film.

     Toen ik in 1978 in Leuven arriveerde was ik vijf jaar ouder dan mijn medestudenten. Dat was een heel verschil. Zij bijvoorbeeld dweepten met een zanger die Michael Jackson heette. Ik herinner mij precies in welk café ik zat toen ik de naam voor het eerst hoorde. Linda was erbij, en Hedwig, en Eric. Ze studeerden alle drie economie en plaagden elkaar met hun passie. Ik van mijn kant had van de zanger nog nooit gehoord en had niet de minste neiging om die blinde vlek in mijn culturele ontwikkeling in te kleuren. Later hoorde ik af en toe ongewild een meezinger die van Jackson bleek te zijn: Beat it, Billy Jean, Bad … Ik zag hem ook wel eens in een tv-clip, toen hij bijvoorbeeld danspasjes uitvoerde met Mick Jagger, iemand die wél bij mijn generatie hoorde.

     Het is inderdaad een kwestie van generaties. Toen Jackson in 2009 overleed, schreef Thomas Sowell, die nog ouder is dan ik, dat de ‘king of pop’ overleden was, sterker nog, dat die al 20 jaar overleden was, en dat zijn naam Sammy Davies Jr. was.

     Maar de film wou ik wel zien. Antoine Fuqua, de regisseur, heeft in het verleden wel eens een film gemaakt die ik aardig vond. En ik was geïntrigeerd door de verschillende respons. Op IMDB gaven de kijkers een waardering van 7,7 terwijl de critici gemiddeld op 3,9 uitkwamen. Fien Meynendonckx van De Standaard gaf 2 sterren op vijf. Mia Doornaert had de zaal al zingend verlaten, ‘alle zedenprekers ten spijt.’ 

     Een groot bezwaar van de critici was dat de film niets te melden had over de vermeende pedofilie van Jackson. Daar waren juridische redenen voor. Zelf vond ik die lacune geen bezwaar want ik was op de hoogte van de beschuldigingen, wil niet door een film gemanipuleerd worden om die beschuldigingen al dan niet te geloven, en heb verder niemand nodig om mij ervan te overtuigen dat seksueel misbruik van kinderen heel verkeerd is.

     Ik heb de film ondertussen gezien en vond hem schitterend. Ik kreeg verschillende keren tranen in de ogen van ontroering. De invalshoek was die van het maniakale streven naar perfectie – zowel bij de vader van Michael als bij hemzelf – en het mirakel dat plaatsvindt als die perfectie, om redenen die niemand kan verklaren, ook werkelijk tot stand komt.

     Critici schreven dat Jackson in de film wordt voorgesteld als een heilige. Zo heb ik dat niet aangevoeld. Hij wordt voorgesteld als een griezel – een zachtaardige griezel, een gedreven griezel, een geniale griezel, een goedbedoelende griezel –  maar, een griezel.  We krijgen geen inzicht in wie hij was als mens, klagen de critici. Dat is misschien zo, maar welk soort inzicht willen die mensen eigenlijk? Als ik Hamlet lees, krijg ik ook geen inzicht in dat mysterieuze personage ‘als mens’. Dat krijg ik pas als ik de inleiding van Willy Courteaux lees. En Courteaux schrijft misschien wel aardig, maar toch is Shakespeare de betere auteur van de twee.

     En het is ook nooit goed. Meynendonckx schrijft:

 

Elke gebeurtenis uit Jacksons leven krijgt in de film een simplistische oorzaak-gevolg-logica. Doordat zijn dominante vader en latere manager Joe regelmatig zijn riem gebruikte wanneer Michael niet de juiste toonaard haalde, begint zijn obsessie met (lichamelijke) perfectie. De jongen vindt troost in een prentenboek van Peter Pan, alsof dat Jacksons kindse naïviteit, liefde voor dieren en latere optrekje Neverland volledig verklaart.

 

     Is het niet veeleer zo dat Meynendonckx zelf die simplistische oorzaak-gevolg-logica aan de gebeurtenissen oplegt? Ik heb die dominante vader, die obsessie met lichamelijke perfectie, dat prentenboek en die kindse naïviteit ook gezien, maar het kwam niet bij mij op om daar een oorzaak-gevolg in te zien. 

 


 

Verbod op tabak, vapes en transvetten


     In Engeland wordt een generationeel rookverbod ingevoerd. Wie geboren is vóór 2008 mag blijven roken, wie geboren is na 2008 zal nooit, ook al wordt hij honderd jaar oud, legaal sigaretten kunnen kopen. Zo’n uitdoofbeleid* wordt ingegeven door overwegingen van menselijkheid en efficiëntie. Het zou wreed zijn om de huidige generatie van honderdjarige rokers hun sigaret te ontnemen – ze zouden toch niet gehoorzamen – maar de komende generaties van honderdjarigen, en die zullen door het rookverbod omvangrijker zijn, die zullen nooit weten wat ze missen of niet missen.

     Bij ons heeft het ministerie van Volksgezondheid het op de vapers gemunt. De vapes met een vieze tabakssmaak blijven toegelaten, maar die met de heerlijke smaak van kersen of appels komen in de illegaliteit terecht. Men beroept zich geloof ik op een variant van de stepping stone theorie, die 40 jaar geleden in progressieve publicaties achterhaald werd genoemd, maar nu zijn het die progressieve publicaties die achterhaald zijn. Men vreest dat een 18-jarige eerst verleid wordt door exotische vapes met kiwi-passievruchten-guava smaak om dan via een occasionele sigaar te eindigen bij de hard core Marlborough. Of erger.

     Mijn zoon heeft dat vapen natuurlijk al lang uitgeprobeerd, maar als arts is hij voorstander van een verbod. Je zou van dat vapen een of andere rare ziekte kunnen krijgen waar ik nog nooit van gehoord heb. Artsen zijn als het over gezondheid aankomt, geen aanhangers van het libertarisme. De mensen moeten beschermd worden tegen zichzelf. Als iets schadelijk is voor de gezondheid moet het verboden worden. Wat kan ik daar tegenin brengen? Dat de Amerikaanse drooglegging van honderd jaar geleden mislukt is? De mensen bleven alcohol drinken, desnoods industriële alcohol die opzettelijk door de staat werd vergiftigd. Dat er zulke mooie foto’s bestaan van schrijvers, artiesten, acteurs en actrices die elegant een sigaret roken? Geraard Goossens postte vroeger vaak dergelijke foto’s met als bijschrift: ‘Omdat het leven meer is dan afwassen en onverdraagzaamheid alleen.’

     Eigenlijk zou ik mijn zoon het liefst een kort verhaal in handen stoppen dat ik lang geleden – misschien 50 jaar geleden – gelezen heb in Humo of in een of andere sciencefiction omnibus. Het speelt zich af in nabije dystopische toekomst in de buurt van New York. De overheid heeft alle ongezond voedsel verboden. Er ontstaat een zwarte markt, en er wordt een voedselpolitie opgericht, met agenten in burger die zich voordoen als gretige klanten om dealers en verslaafden in de val te lokken. Het verhaal zoals ik het mij herinner gaat over een verslaafde die in de val wordt gelokt. Ik vroeg aan Grok welk verhaal dat was en de bot suggereerde ‘Lipidleggin’ van F. Paul Wilson, gepubliceerd in 1978. Dát verhaal gaat over boter en eieren, terwijl het in mijn herinnering over boerenbrood en biefstuk ging. Ook de plottwist is anders dan in mijn herinnering. 

     Maar het is een mooi verhaal. In een later geschreven inleiding verwijst de auteur naar de wetgeving in Californië waar het sinds 2010 verboden is om in restaurantkeukens transvetten te gebruiken. De auteur had niet verwacht dat zijn verhaal werkelijkheid zou worden. In ons land zijn we zo ver nog niet. Vorige week nog aten we friet in een restaurant dat op de kaart vermeldde: ‘Gebakken in ossenwit’. Het was een smaak van mijn jeugd.


* Zo’n uitdoofbeleid doet denken aan de manier waarop de slavernij in sommige Amerikaanse staten werd afgeschaft. Wie als slaaf geboren was - of voor wie dat liever hoort: wie als slaafgemaakte geboren was - bleef slaaf. Men vond het blijkbaar onmenselijk om slavenhouders in één klap te ontrieven. Maar de kinderen van de slaven waren vrij vanaf de geboorte. 


 

Reminiscent of Hemingway


     Op de blog van Scott Alexander las ik een interessant stuk over kunst en kunstkritiek. De auteur verwijt de kunstkritiek dat ze zich met bijkomstigheden bezig houdt zoals ‘vernieuwing’ en ‘stromingen’. Het is zoals een culinaire criticus die het vooral heeft over bijkomstigheden zoals de sfeer van het restaurant, de bediening en de presentatie van het voedsel.

     Die fixatie op bijkomstigheden komt onder andere door het onderwijs. Ik heb zelf literatuur onderwezen aan kinderen van 16, 17 en 18 jaar. Wat ik vertelde bestond bijna volledig uit bijkomstigheden: de literaire stroming waar een boek toe behoorde, de biografie van de auteur, zijn thematiek, de invloeden die hij ondergaan of uitgeoefend had enzovoort. Ik wist natuurlijk dat dáár de verklaring niet lag waarom we graag Dickens of Flaubert lezen, maar wat moest ik dan wel vertellen? Die bijkomstigheden konden helpen om de belangstelling te wekken, niet meer, maar ook niet minder. In de film Lalaland komt een scène waarin Ryan Gosling aan Emma Stone uitlegt hoe Jazz ontstaan is. De uitleg bestaat uit oppervlakkige plattitudes, maar met enthousiasme gebracht. Sinds mijn zoon die uitleg gehoord heeft, gaat hij wel eens naar een jazz-concert.

     Bij één nevengedachte van Alexander ervoer ik een schok van herkenning. Hij vraagt zich af waarom je vandaag niet meer kunt schrijven in de stijl van Homeros en weerlegt de al te gemakkelijke verklaringen. Maar dan schrijft hij dat de hedendaagse Amerikaanse auteurs en critici ervan uit lijken te gaan dat  ‘all prose must consist of short and clear sentences vaguely reminiscent of Hemingway.’ Dat is heel mooi gezegd. Er zijn misschien veel Amerikaanse schrijvers die de Hemingway-stijl niét gebruiken, maar het is wel de archetypische stijl van vandaag.  Je ziet dat het beste in Hollywoodfilms met fictieve schrijvers als hoofdpersonage. Op een bepaald moment komt er dan scène waarin een heel kort fragment uit een fictieve roman voorgelezen. En zo’n fragment is altijd meer dan vaguely reminiscent of Heminway. Het is positively reminiscent of Hemingway.

Staatsinterventie: de liberale paradox

     Hans Cottyn (DS 5/5) schrijft terecht dat ‘big government vandaag geen vies idee meer is’. Het staatsinterventionisme is weer in de mode.

 

De socialisten willen sommige mensen verbieden kinderen te krijgen en vapes met smaakjes droogleggen. De liberalen gaan kerncentrales nationaliseren en hopen ondertussen met forsere fossiele energiesteun uit te pakken. De Vlaams-nationalisten kopen zich een meerderheidsbelang in de Belgische luchthaven en leggen graag hun visie over tucht op school op, hoe snel studenten hun diploma moeten halen, wanneer kinderen een smartphone mogen gebruiken.

 

     Mijn eerste neiging is om te gaan vitten op de voorbeelden. ChatGPT kan mij daarbij helpen. Maar ik kan die neiging nog net onderdrukken. In plaats daarvan wil ik het debat naar een algemener niveau tillen. Als liberaal ben ik zoveel mogelijk tegen staatsinterventie. Maar ik ben geen Prinzipienreiter. Ik ben niet alleen bereid om uitzonderingen die tegenstanders aandragen te overwegen, ik wil er zelf actief naar op zoek gaan.

     Een eerste overweging is dat het interventionisme een hellend vlak creëert. Oude overheidsmaatregelen maken nieuwe maatregelen noodzakelijk. Eerst trekt de staat de financiering van de gezondheidszorg naar zich toe, waarop ze, om de kosten te drukken, gezondheidsregels moet opleggen, zoals met dat vapen.

     Een tweede overweging gaat in dezelfde richting. Er is nieuw interventionisme nodig om de fouten van vroeger interventionisme recht te trekken. De nationalisatie van de kerncentrales is daar een voorbeeld van. Of neem de kwestie van het onderwijs. Vanuit centrale instanties werd een pedagogisch beleid opgelegd waardoor tucht en kennisniveau in de scholen werd afgezwakt. Dan is er nieuw beleid nodig om de tucht en kennis te herstellen. Voor scholen en leraren komt dat over als de zoveelste ‘vernieuwing van bovenaf’.

     Vanuit liberaal perspectief zou je zelfs een paradox kunnen blootleggen: er is in 80 jaar zoveel structurele interventie opgebouwd dat er heel veel interventie nodig is om de situatie te keren. Ik ben blij dat ik nu ook eens het woord ‘structureel’ heb kunnen gebruiken.




Lapmiddelen


     Wat bedoelt Hans Cottyn (DS 5/5) als hij speekt over de liberalen die ‘met forsere fossiele energiesteun hopen uit te pakken.’ Ik kon eerst niets bedenken. Cottyn schrijft maar wat, dacht ik. Maar toen las ik in dezelfde krant een interview met de erg liberale Pierre Wunsch die de Belgsiche centrale bank leidt. Die vindt dat Europese bedrijven de ETS-bijdragen moeten kunnen terugvorderen bij de overheid als ze ten minste exporteren naar landen buiten de EU. Europese bedrijven moeten emissie-rechten betalen als ze te veel CO2 produceren. Het ‘interventionisme’ zou er dan in bestaan dat die Europese bedrijven die emissie-rechten niet moeten betalen als ze exporteren naar landen die zulke emissie-rechten niet hanteren.

     Het bezwaar van Cottyn tegen zulke voorstellen is, geloof ik, van ecologische aard, het mijne is van liberale aard. Ik zie in zulke voorstellen een tijdelijk lapmiddel dat exportgerichte sectoren bevoordeelt tegenover die die voor de eigen markt produceren. 

     Maar in de geopolitieke context waar Wunsch naar verwijst, grijpt iedereen naar tijdelijke lapmiddelen. Als China onze markt overspoelt met spotgoedkope, royaal gesubsidieerde producten, is dat ook een tijdelijk lapmiddel. Hoe meer China exporteert en subsidieert, hoe meer verlies het maakt. Zo kun je niet eeuwig doorgaan, maar misschien wel lang genoeg om een dominant marktaandeel te verwerven waarmee je hogere prijzen kunt dicteren. Dat heb je met lapmiddelen, ze kunnen succesvol zijn. 

 


  

PFAS: de prijs van een mensenleven

     ‘Weer zo’n saai artikel,’ zei mijn vrouw toen ze De Standaard van 4 mei doorbladerde. ‘PFAS, dat is toch geen nieuws.’ ‘Wat staat erin?’ vroeg ik. ‘Dat het jaarlijks zes miljard zal kosten om de boel op te ruimen,’ zei ze. Ik werd er stil van. Hoe kon mijn vrouw dat nu saai vinden? 6,2 miljard, dat is ongeveer 1 % van het bbp! Ik bekeek snel de krant, en zag dat de redacteur dezelfde vergelijking had gemaakt. ‘Dat zou 1,1 % van het bbp zijn.’ Dat artikel moet ik lezen, dacht ik. 


***



     In de marge van de PFAS-problematiek, plaatste de krant ook een stuk over de prijs van een mensenleven. De vraag ligt immers voor de hand: als het ruimen van PFAS 6,2 miljard kost, hoeveel mensenlevens worden daar dan mee gered.

     Specialisten hebben uitgerekend dat een mensenleven ongeveer 45.000 euro per jaar waard is. Gezondheidseconoom  (DS 5/5) legt uit hoe men aan dat bedrag komt. Men kijkt daarvoor, zegt Vandijck, naar de maatschappelijke consensus. Je kunt daarvoor grootschalige bevragingen op touw zetten waardoor je te weten komt hoeveel de maatschappij bereid om te betalen om één ‘kwaliteitsvol levensjaar’ te winnen? Dure milieumaatregelen kunnen zo worden verantwoord omdat ze bijvoorbeeld de kans op kanker verminderen. 

     Dat bedrag van 45.000 euro wordt natuurlijk bepaald door de gebruikte onderzoeksmethode en door de precieze vragen die men stelt. In het verrukkelijke boekje van Bas Haring Waarom cola duurder is dan melk wordt naar onderzoek verwezen dat de waarde van een mensenjaar hoger inschat, namelijk op 60.000 euro. De precieze bedragen zijn voer voor specialisten.

     Het cynisme van dergelijke redeneringen stoort mij amper. Ik vind cynisme vaak verfrissend. Ik word er vrolijk van. Nee, er is iets anders wat mij stoort. De Standaard schrijft:

 

Wie het economische nieuws volgt, zal merken dat die 45.000 euro niet erg ver ligt van het bbp per capita in ons land, de waarde die de gemiddelde Belg elk jaar creëert. Dat is niet toevallig: als je gezondheidstoestand de maatschappij 45.000 euro kost, dan draait die eigenlijk break-even. 

 

     Dat begrijp ik niet goed. Ik geloof best dat de gemiddelde Belg elk jaar 45.000 euro aan waarde creëert, maar ik veronderstel dat hij ongeveer hetzelfde bedrag consumeert, hetzij door individuele uitgaven of door collectieve voorzieningen. Als een land 45.000 euro rijker werd per extra inwoner, dan zou Frankrijk zes keer rijker zijn dan België. Nou ja, misschien is dat zo, maar dan toch slechts in een heel beperkte betekenis.


De 'Internationale' van de PVDA

    Ik weet niet of het vandaag nog zo is, maar de PVDA heeft op de eerste mei lang een eigen versie van de Internationale gezongen. De canonieke vertaling in het Nederlands is van dichteres Henriette Roland-Holst. Ik citeer het eerste vers en het refrein.


            Ontwaakt, ontwaakt verworpen der aarde!
            Ontwaakt, verdoemd’ in hongers sfeer!
            Reed’lijk willen stroomt over de aarde
            En die stroom rijst al meer en meer.
            Sterft, gij oude vormen en gedachten!
            Slaafgeboornen, ontwaakt, ontwaakt!
            De wereld steunt op nieuwe krachten,
            Begeerte heeft ons aangeraakt!

            Makkers, ten laatste male, tot de strijd ons geschaard!

            De Internationale zal morgen heersen op aard!

     Tante Jet heeft mooiere gedichten geschreven. De tekst is niet zo geschikt om te zingen, en mist de directheid van het Franse origineel. Daar staat tegenover dat hier de term ‘slaafgeboornen’ meer dan een eeuw vóór woke in circulatie werd gebracht. Ook heeft het slotvers ‘begeerte heeft ons aangeraakt’ een poëtische kwaliteit die het Franse origineel niet heeft. 

     Dat Franse origineel  ‘nous ne sommes rien, soyons tout’ – had dan weer een historisch bewezen propaganda-effect. De vondst was in de aanloop van de Franse revolutie gebruikt door Sieyès in zijn pamflet Quest-ce que le Tiers-Etat. Sommigen beweren dat de formule hem was ingefluisterd door Chamfort.

     Maar de PVDA had dus een eigen versie, met twee strofen. 

 

            Vooruit, gij werkers van de wereld.
            Het eigen lot in eigen hand.
            Wij vechten voor de revolutie,
            En de tijd staat aan onze kant
            Weg met alle krachten die verknechten,
            Kameraden, vooruit, vooruit!
            Als wij bereid zijn om te vechten
            Is er geen kracht die ons nog stuit.

            Bal de vuisten, kameraden, tot de eindstrijd bereid
            En d
Internationale, zal heersen wereldwijd.


            Er is een kracht die ons moet leiden
            de partij van het proletariaat
            Arbeiders, werkers sluit de rijen
            Want het uur der eindstrijd slaat
            Ja, voor het kapitaal en voor zijn gieren
            Komt het einde naderbij
            Dan bouwen wij een sterke, fiere
            Arbeidersstaat en wij zijn vrij.

 

     De website die alternatieve versies van de Internationale* publiceert vermeldt: Vlaams – België: versie PvdA België - ? Met dat vraagteken wordt aangegeven dat de auteur onbekend is. Ik heb mij indertijd laten vertellen dat Guido Van Meir die onbekende auteur is. Dat is mogelijk, maar dan toch niet van de tweede strofe: ‘Er is een kracht die ons moet leiden / de partij van het proletariaat’. Die Van Meir, heb ik mij indertijd ook laten vertellen, was immers een ‘spontaneïst’. De tweede strofe moet het werk geweest zijn van een partijkader. 

     Dat zit zo. In de maoïstische beweging van de jaren 60-70 was er een voortdurende ‘strijd tussen de twee lijnen’. Er was op elk moment een juiste lijn en een verkeerde lijn. Zeker ogenblik ging de strijd tussen de spontaneïsten  de verkeerde lijn  en de partijopbouwers  de juiste lijn. De spontaneïsten vonden dat de arbeiders zichzelf moesten bevrijden. Zij konden hun inspiratie halen bij het tweede vers van Franse versie:

 

            Il nest pas de sauveurs suprêmes

            Ni Dieu, ni César, ni tribun,
            Producteurs, sauvons-nous nous-mêmes
            Décrétons le salut commun

 

     De partijopbouwers haalden hun inspiratie bij Lenin en Que Faire, en konden die woorden sauvons nous nous-mêmes maar matig appreciëren. Ze maakten er in de vertaling ongeveer het tegenovergestelde van.


     Wat ik mij dus afvraag: zingen de PVDA-ers vandaag nog altijd hun eigen versie (zonder de tweede strofe natuurlijk) of hebben ze ondertussen de canonieke versie van tante Jet overgenomen? Ik denk dat laatste. 


     

* Die alternatieve versies staan hier. Andere Nederlandse versies zijn die van Theun de Vries, Jacques-Firmin Vogelaar en Jaap van der Merwe.  

donderdag 7 mei 2026

Koopkracht beschermen, e.a.

 


Koopkracht beschermen


    Veel politici, waaronder George-Louis Bouchez en Conner Rousseau, willen niets liever dan ‘de koopkracht beschermen’, of zelfs verhogen. Als zelfverklaard aanhanger van het consumentisme kan ik daar alleen blij mee zijn. Maar zeker dat verhogen is zo eenvoudig nog niet. Hoe zou men dat moeten doen?

  1. Door geld bij te drukken? Dan is dat geld minder waard.
  2. Door loonsverhogingen door te rekenen aan de klanten? Dan verliest de burger als klant hetgeen hij als werknemer wint.
  3. Door de belastingen te verlagen? Dan stijgt de individuele koopkracht maar daalt de collectieve koopkracht: meer auto’s en minder treinen.
  4. Door koopkracht en consumptie te verschuiven van middenklassen naar lagere klassen? Dat wordt al lang en met veel politiek enthousiasme toegepast via de progressieve belastingschalen.
  5. Door werknemers minder te belasten en door bedrijven en aandeelhouders zwaarder te belasten? Daarmee worden middelen verschoven van de investerende klasse naar de consumerende klasse.

     De laatste mogelijkheid is populair bij de vakbonden en bij politiek links. Dat is begrijpelijk. Als we de mogelijkheid van kapitaalvlucht buiten beschouwing laten, kan die oplossing werken – in theorie, en gedurende een zekere tijd. De bedrijven en de aandeelhouders houden dan minder geld over om te investeren in de infrastructuur, maar de oude infrastructuur is nog aanwezig. De werknemers kunnen dus nog enige tijd producten en diensten kopen die met de bestaande infrastructuur tot stand worden gebracht. Maar vroeg of laat is de infrastructuur versleten of verouderd, valt de productie stil, en kan er met de verhoogde lonen niets meer worden gekocht. 

     Dat proces wordt wel eens ‘kapitaalconsumptie’ genoemd. Alle voorstellen om ondernemingen of multimiljonairs zwaarder te belasten gaan in die richting. Natuurlijk, zulke belastingen zouden ook een verschuiving teweegbrengen van luxeconsumptie naar basisconsumptie, van privé-jets naar auto’s en treinen, maar dié verschuiving is minimaal vergeleken met de terugval in investeringen. Zoveel privé-jets zijn er bij ons niet. Zelfs in de VS gaat het slechts om 15.000 toestellen, die door de 0,01 procent van de rijksten worden gebruikt, mensen zoals Elon Musk die er, geloof ik meerdere van heeft. Die uitgaven van Musk voor zijn privéjets zijn dan op hun beurt minder dan 0,01 procent van wat hij investeert. Ik weet niet meer op welk platform ik laatst een foto zag van Elon Musk zijn keuken. Ik liet de foto zien aan mijn vrouw. ‘Die kan aan mijn keuken in Oostende niet ruiken,’ zei ze. Eén zaak is duidelijk. Musk behoort tot de investerende klasse, mijn vrouw en ik behoren tot de consumerende klasse.

    En nu we het toch over investeren hebben, we zouden dat woord eigenlijk alleen mogen gebruiken voor geldbesteding die netto geld opbrengt.  Een boer die een tractor koopt investeert. Als hij een televisie koopt, is dat geen investering, het is consumptie. Slechts overdrachtelijk kun je zeggen dat hij met die televisie ‘investeert’ in zijn welzijn. Bij overheidsuitgaven noemt men echter elke uitgave al gauw een ‘investering’. Men spreekt van investering in onderwijs, in volksgezondheid, in defensie, in cultuur, in openbaar vervoer, in kinderopvang, in veiligheid op straat, in een schoon leefmilieu, terwijl dat eigenlijk uitgaven voor welzijn zijn: welzijn dat bestaat uit intellectuele ontplooiing, goede gezondheid, gevoel van veiligheid, enzovoort.

      Uiteraard scheppen de uitgaven voor welzijn in meerdere of mindere mate ook een noodzakelijk kader voor economisch rendement. In die betekenis zijn uitgaven voor welzijn ook echt wel – ten dele – een investering. Wie ziek is, kan niet werken. Zonder vervoersmiddelen raakt men niet op het werk. Men heeft berekend dat een extra jaar onderwijs tot 5 procent toevoegt aan het BBP van een land. Maar ik geloof niet dat zulke berekeningen erg nauwkeurig zijn. Kan men het economisch rendement van het onderwijs berekenen per studierichting?  En per vak? Is er een wet van afnemende meeropbrengst? Zelf heb ik niet de indruk dat mijn eigen tien universitaire studiejaren veel hebben toegevoegd aan het BBP.

     Daar moet allemaal rekening mee worden gehouden als men een begroting in evenwicht wil brengen. Je komt natuurlijk al een heel eind door uitgaven en inkomsten op elkaar af te stemmen. Maar de begroting is slechts een onderdeel van de gehele economie. Die kan in haar essentie  worden begrepen als een relatie tussen productie, consumptie en investering. Over die verhoudingen zou er eigenlijk geen al te groot meningsverschil mogen zijn tussen wie liberaal of socialistisch denkt. Maatregelen die investering beknotten, betekenen verarming in de toekomst, welke ideologie men ook aanhangt. Alleen willen de socialistisch denkenden graag een zo groot mogelijk deel van die consumptie en investering in de collectieve – centraal geleide – sfeer brengen. Liberaal denkenden hebben daar ethische en praktische bezwaren tegen.

     En natuurlijk kan men van mening verschillen over ‘ongelijkheid’ en ‘herverdeling’, zolang men maar begrijpt dat men niet de ‘winsten’ kan herverdelen, maar alleen datgene wat geproduceerd wordt, d.w.z. datgene wat geconsumeerd wordt. En daar is de ongelijkheid véél minder dan je zou denken. Ik heb dat ooit eens uitgezocht voor de VS. Zie mijn stukje hier.


Frank D’hanis

     Ik heb onlangs Frank D’hanis ontmoet in een droom. We waren best vriendelijk voor elkaar, maar het vervelende was: zijn naam wilde mij maar niet te binnen schieten. Dat probeerde ik zo goed mogelijk  te verbergen. We praatten ook niet over zijn stukjes die ik maar vluchtig lees. Ze zijn van een miserabilisme dat de vroege Louis-Paul Boon naar de kroon steekt. Werknemers en werkneemsters moeten te vroeg opstaan, moeten te hard werken, worden te weinig betaald, mogen niet ziek zijn, en krijgen hoe langer hoe minder toegang tot werkloosheidsuitkeringen. De rechten van de illegale migranten worden niet gerespecteerd. Het onderwijs is niet afgestemd op kinderen uit de lagere inkomensklassen. Dat zou allemaal kunnen worden opgelost met hogere weddes, ruimere verlofstelsels, werkbaar werk, een loon voor thuisblijvende moeders, open grenzen voor asielzoekers, meer leerkrachten, meer tewerkstelling in de zorg, en meer maatschappelijke werkers. En dat zou op zijn beurt allemaal mogelijk zijn als het niet werd tegengehouden door de N-VA, in het bijzonder door de ministers Anneleen van Bossuyt en Zuhal Demir.  Gisteren had die laatste het weer bont gemaakt op tv. In de levendige stijl van D’hanis wordt dat:

‘Ouders moeten met hun kinderen naar de bibliotheek gaan,’ briest een ontketende Demir, ‘sommige mensen zijn te weinig bezig met hun kinderen.’ Ik moet toegeven dat mijn brein op dat punt even uitviel van woede.

    Gelukkig kreeg Dhanis geen woede-aanval in mijn droom. We zijn geen van beiden beginnen briesen. Ook van enige ontketening was er geen sprake.


Kleuteronderwijs

     Uit onderzoek blijkt dat ons kleuteronderwijs minder bijdraagt aan kennisontwikkeling dan bij onze buurlanden het geval is. Veel heeft te maken met het chaos in de klaslokalen. Maar waar komt die chaos vandaan? De Standaard (6/5) licht een tip van de sluier: ons kleuteronderwijs heeft het ‘voordeel’ dat het ‘bijna alle kleuters bereikt’. Dat is uiteraard ook een ‘nadeel’: niet alleen de gemotiveerde ouders sturen hun kleuters naar de klas. 
     Een andere verklaring is dat de chaos door de opgelegde pedagogiek in de hand wordt gewerkt. De krant citeert leerkracht Hendrickx die ‘efficiënter werken als enige optie ziet.’

Ik heb het kringgesprek ’s ochtends afgeschaft, omdat kinderen veel te lang moesten wachten, zegt ze. Ik geef mijn lessen nu meestal in één keer voor een grote groep. Vroeger gaf ik die vier, vijf keer en wqas ik veel met differentiatie bezig. Ik heb nu meer speeltijd én de kinderen leren meer. 

     Leve juf Hendrickx!
      Ik had indertijd een collega wier dochter voor kleuterleidster studeerde. Ik herinner mij de horrorverhalen. Zo was het heel verkeerd om een verhaaltje voor te lezen terwijl de kinderen stil zaten te luisteren. Dat moest helemaal anders. De juf moest een reeks cd’s branden met allemaal verschillende verhaaltjes, die ter beschikking van de kinderen werden gesteld. En dan moest het kind zelf maar weten wat het op elk moment van de dag wilde doen: rondlopen, knutselen, tekenen, slapen, zich verkleden. Als het een verhaaltje wilde horen, dan moest het op eigen initiatief een cd kiezen, en indien het verhaaltje tegenviel, een andere.