vrijdag 17 juli 2026

De Genuese villa van ILP, e.a



Genuese villa
      
Ilja Leonard Pfeijffer vindt, in een gesprek met Piketty dat De Morgen publiceerde, dat we allemaal best wat armer mogen worden, als er maar meer gelijkheid is. Maarten Boudry antwoordt daarop  

Is er iets bespottelijker (om niet te zeggen degoutanter) dan vanuit je parmantige palazzo in Genua pleiten voor collectieve verarming en de uitroeiing van ongelijkheid? “Wij moeten er niet bang voor zijn, zegt Pfeijffer, om armer te worden, want armoede maakt niet ongelukkig. Alles is relatief. Het enige dat ongelukkig maakt, is armer zijn dan anderen.” Wel Ilja, niemand houdt je tegen om 90% van je inkomen (verdiend dankzij kapitalisme) weg te schenken aan armoedebestrijding. Volgens je eigen logica zal je er al je buren dolgelukkig mee maken (niet mij hoor, het weze je gegund, want je hebt dat geld eerlijk verdiend). 

    Daarop antwoordt professor Jos Joosten (Radboud Universiteit Nijmegen):

 Pfeijffer zegt de laatste jaren steeds vaker politiek zeer verstandige dingen, waar iemand met een democratisch-humanistische kijk op de wereld het alleen maar van harte mee eens kan zijn. Gênant in dat licht is de kritiek van de Belgische kardinaal Rik Torfs en zijn hulpbisschop Maarten Boudry op een interview dat Pfeijffer in ‘De Morgen’ hield met Thomas Piketty … Boudry raast: ‘Is er iets bespottelijker …’ Om op die laatste te vraag te antwoorden: ‘Om die laatste vraag te beantwoorden: eh...ja! Nóg bespottelijker (om niet te zeggen) degoutanter is wat jij hier doet, namelijk helemaal niet ingaan op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) te berde brengt en zijn opmerkingen reduceren tot zijn eigen woonsituatie … Om te beginnen zegt Pfeijffer niet: iedereen moet meer belasting betalen behalve ik (want reken maar dat hij zelf flink zal moeten betalen als het ooit zover komt).

     Ik heb begrip voor de twee meningen. Boudry sluit aan bij een lange traditie van mensen die vinden dat je ‘consequent’ moet zijn. Als je de herverdeling predikt, begin dan met je eigen rijkdom te herverdelen, anders heb je geen recht van spreken. ‘Luister naar hun woorden, maar zie niet naar hun daden,’ zei Jezus over de Farizeën.         Maar dat consequent zijn interesseert mij niet zo erg. Ik ben het zelf ook niet. Ik ben een groot voorstander van een economie die voortgestuwd wordt door ondernemers, maar ik heb zelf nooit iets in die richting geprobeerd.       Ik heb trouwens hetzelfde jeugdtrauma opgelopen als Joosten. Hij schrijft:

 Ik moet denken aan mijn conservatieve katholieke middenstandsouders, voor wie Joop den Uyl de baarlijke duivel in persoon was. Ergens hadden ze iets opgevangen over zijn woonhuis. Steevast zodra Den Uyl wat dan ook te berde bracht zei mijn moeder: die heeft makkelijk praten vanuit zijn grote villa in Buitenveldert.

     Dat was iets wat mijn ouders ook deden. Afgeven op de socialisten die mooie praatjes hadden terwijl ze in de luxe leefden. Mijn vader was vooral gebeten op de saloncommunisten. Ik heb hem daarin nooit gevolgd. Eerst vond ik dat met name die saloncommunisten gelijk hadden, ook al verbleven ze in salons en leefden ze in luxe; later vond ik dat ze ongelijk hadden, maar dat kwam niet door die salons of die luxe, maar omdat ze niet goed nadachten. Dan had ik liever dat ze zich in hun salons opsloten in plaats van opstanden aan te voeren.
     Ik heb met andere woorden altijd vooral het eerste deel van Jezus’ oproep ter harte genomen: ‘Luister naar hun woorden.’ En als ik over die woorden iets over te zeggen heb, dan zal ik dat ook doen, en de woonsituatie – een antieke villa of een protserig interieur – er buiten laten.
      Toch ben ik het ook niet helemáál met Joosten eens. Dat Pfeijffer af en toe iets verstandig zegt, geloof ik, maar het halfbakken communisme die hij in in het gesprek met Piketty verdedigde, hoort niet bij die verstandige dingen. In ben het er in elk geval niet mee eens. Joosten stelt het voor alsof iemand met een ‘democratisch-humanistische kijk op de wereld’ niet anders kan dan het met dat halfbakken communisme eens te zijn. Dat roept een zekere jaren-50 retoriek op: ‘Een democraat en een humanist kan vandaag niet anders dan een communist zijn.’ Je hoort het dichter Mark Braet met vaste stem verkondigen op een bijeenkomst van gelijkgezinden.
      In polemiek kan ik wel wat hebben. Goed, het is kinderachtig om de uitval van Boudry – ‘bespottelijk en degoutant’ - tegen hemzelf te gebruiken. ‘Alles wat je zegt, ben je zelf’ past beter bij een kleuter dan bij een professor. Maar voor één keer kan het. Ook is het wreed om een gedreven vrijdenker als Boudry de ‘hulpbisschop van kardinaal Torfs te noemen.’ Eigenlijk is zo’n polemische wreedheid maar gerechtvaardigd als er iets grappig mee gebeurt, en of dat hier zo is moet de lezer zelf maar beoordelen.
      Erger – in de zin van bespottelijk, niet in de zin van dégoutant – is het volgende. Joosten verwijt Boudry dat hij ‘niet ingaat op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) ten berde brengt.’ Terwijl Boudry heel vaak en heel uitgebreid, in boekvorm en op de sociale media, geargumenteerd heeft tegen degrowth-ideologie van Pfeijffer. Naar mijn smaak vertoont Boudry zelfs de neiging om die expliciete argumentatie te vaak te herhalen. Misschien weet Joosten dat niet maar hij zou zoiets toch even moeten controleren voor hij het schrijft. Vandaag kun je zoiets aan een chatbot vragen.
      En in het tegenargument van de professor is er sprake van een misverstand. Hij zegt dat Pfeijffer voor zichzelf geen uitzondering vraagt op de belastingsregeling die hij propageert. Maar dát was niet het argument van Boudry. Die stelde fijntjes de vraag waarom Pfeiffer niet onmiddellijk de hervedelingsprincipes toepaste om zijn vermogen en inkomen te delen. In plaats van te wachten op belastingen die er misschien nooit zullen komen.


The Odyssey
     Ik heb de nieuwe verfilming van de Odyssea gezien in de IMAX-zaal in Brussel. Ik zat pal in het midden van de eerste rij – de enige plaats die nog vrij was toen ik op de dag van de première een ticket kocht. Ik kan die zitplaats voor een IMAX-voorstelling aan iedereen afraden. Anderzijds moet ik toegeven dat het gevoel van misselijkheid na een kwartier weer verdwijnt. 
    De film bevat veel gevechten. Die worden helemaal anders gekadreerd en gemonteerd dan in Troy (2004): minder overzichtelijk, minder gestileerd, meer ruwe chaos. 
Meer Géricault dan Louis David. Meer de Le radeau de Méduse dan Les Sabines. Bij de stills van Troy kon je er geloof ik de vechtende figuurtjes met een schaar uitknippen. Dat zou met de film van Christopher Nolan, met al dat gewriemel van lijven en ledematen, niet lukken, met uitzondering misschien van de scène met de Laestrygonen, de geharnaste reuzen die je op de reclameposter ziet afgebeeld.
 
     Door die poster had ik trouwens een vooroordeel tegen de film: die harnassen waren naar mijn smaak te middeleeuws en de helm van Odysseus te Romeins. Maar in de film valt het mee: er worden zoveel stijlen door elkaar gemengd – zoals in Game of Thrones – dat je je er al snel niet meer aan stoort. Agammemnon heeft een mantel als Darth Vader en een helm als Batman, en het werkt. De Odysseus-verhaal is een sprookje, en is dat altijd geweest.
     Ook aan de zwarte Helena heb ik mij veel minder gestoord dan ik had verwacht. Het was tenminste geen zwarte Anne Boleyn, want dat is mijn rode lijn. Maar dat de aanpak van een historische film mee evolueert met de conventies van het tijdperk, daar kan ik niet te zwaar aan tillen. Het was zo in de jaren 50, en het is vandaag nog altijd zo – maar anders. De fantasy-wereld van Nolans Odyssey lijkt in meer dan een opzicht – thematiek, psychologie, moreel universum, taal – op de westerse wereld van vandaag. Die is anders dan de Myceense beschaving van 1200 voor Christus, anders dan de Ionische beschaving van 700 voor Christus, en anders dan de Hollywoodbeschaving van 1950 na Christus.
      In de film wordt de raciale diversiteit van de westerse wereld van vandaag gewoon overgeplant naar de half-mytische wereld van de Achaeërs – die in de film trouwens ook niet ‘langharig’ zijn zoals ze nochtans door Homeros worden genoemd. Helena is zwart, Clytaemnestra is zwart, Athena en Agamemnon zijn niet blank, en de mannen van Odysseus vormen een bont allegaartje. De film opent met een zwarte rhapsode die een primitieve versie van het Troje-epos declameert.
      Het is, lijkt mij, een kwestie van proporties. Die rhapsode en die manschappen, daar zal bijna niemand over vallen; Helena en Clytaemnestra in die bijrollen, tot daar aan toe*; een zwarte Odysseus of Penelope daarentegen, dat zou een knieval voor woke, een bewuste provocatie, en een commerciële blunder geweest zijn.
     Eigenlijk gelijkt The Odyssey heel goed op de sandalenfilms van mijn kindertijd, alleen is alles beter: de toon is waardiger, de vertelling is subtieler, de interieurs zijn beter doordacht, de karakters zijn genuanceerder, de dialogen – hoe plechtig ook –  klinken natuurlijker, en wat de special effects betreft is er geen vergelijking mogelijk. Die minotaurussen en vechtende skeletten van 60 jaar geleden zijn nu niet meer om aan te zien; en dat waren zij bij het verschijnen van die films ook al niet. Als kind werd ik door schaamte bevangen als ik het ‘brandend braambos’ of de ‘splitsing van de Rode Zee’ op het scherm zag. Special effects zijn trouwens niet alleen een kwestie van techniek, maar ook van goede smaak. Stel: je moet een enogige cycloop opvoeren. Hoe vermijdt je dat het wezen er belachelijk uitziet in plaats van angstaanjagend?
      Twee scènes die ik gemist heb zijn de ontmoeting met Nausicaa en het gesprek tussen Odysseus en Achilles in de onderwereld. In beide gevallen begrijp ik waarom Nolan de scènes heeft laten vallen en moet ik hem gelijk geven: de samenhang van het verhaal wint bij de weglating. Uit de bekende scène met de hond heeft hij dan weer het grootst mogelijke emotionele effect gehaald.
     Een eindoordeel over de film schort ik op. Ik wil hem eerst eens zien in een gewone bioscoop vanop achterste rij. Maar je ziet dat er over alles is nagedacht. Dat is het voordeel van iets te maken dat al vaak gemaakt is. Dat paard, hoe moet er dat uitzien? Primitief gesculpteerd zoals in de verfilming met Steve Reeves (1961)? Of duidelijk samengesteld uit wrakstukken zoals in de film van Wolfgang Petersen? Laten we er iets moois van maken moet Nolan gedacht hebben, iets geheimzinnigs waarvan je niet goed ziet of het van brons of van hout gemaakt is. En waarom zouden we het niet laten steigeren? Ja, waarom niet? En dan slepen we het op zijn zij de zee in. En dan naar de stad laten slepen, zonder wielen eronder. Dat zal cool zijn.

.* In de Odyssea-verfilming van 1997, die ik zo vaak met mijn zoon gezien heb toen hij een jaar of acht was, werd Calypso ook al gespeeld door een zwarte actrice, Vanessa Williams.      


Conservatieve krant
     Op het VTM-nieuws hoorde ik dat de oproep om Westerse politici te doden was verschenen in een ‘conservatieve Iraanse krant.’ Zo hadden de Duitsers indertijd ook hun conservatieve kranten zoals de Völkischer Beobachter en Der Stürmer en Der Angriff. 


Godsbewijs van Gödel
     Van het kosmologisch, het teleologisch en het moreel godsbewijs blijft er door de vooruitgang van de wetenschap niet veel meer over. Maar tegen het ontologisch godsbewijs heeft de fysica minder in te brengen. In de versie van Gödel gaat dat als volgt: áls God mogelijk is, bestaat hij ook, met een wiskundig bewijs om de stelling te ondersteunen. Let wel: Gödel heeft die eerste stap, de mogelijkheid, niét proberen te bewijzen.


De school en het leven
     In de auto luister ik al eens naar chansons van Serge Reggiani – altijd dezelfde waardoor de muziek tot achtergrond wordt en de tekst niet meer tot mij doordringt. Af en toe hoor ik eens een lied dat ik nog niet kende, Le prof, bijvoorbeeld dat eigenlijk van Sylvain Lebel is. Dan dringt de tekst wel door. ‘A huit heures pile, il entrait dans la classe / comme d’autres montent à l’échafaud’ en ‘Sa vie n’était qu’une longue défaite.’ 
     Het is de zoveelste anti-school tirade. De leraar is een sukkel. Hij vertelt onbelangrijke dingen over aardrijkskunde en geschiedenis, over de bolvorm van de aarde, onze voorouders de Galliërs en de nederlaag van Napoleon bij Waterloo. De leerlingen die zich voor zulke zaken interesseren zijn ‘des lèche-culs’. De zanger besluit zijn lied als volgt: 

                Je suis parti voir la gueule de la vie
                Il n'en avait jamais parlé.

     Het is de bekende kritiek van Seneca: ‘Non scholae sed vitae.’ We zouden op school dingen moeten leren die in het leven – het échte leven – belangrijk zijn. Daar heb ik allerlei vragen bij. Moeten we snotapen laten bepalen wat in het leven belangrijk is? Is het ‘la gueule de la vie’ – kleine criminaliteit, prostitutie, het vreemdelingenlegioen – zoveel beter dan een leven gewijd aan studie? En vooral: moeten leraren de boel verpesten door levenslessen mee te geven die men beter zelf kan ontdekken op straat en in de voetbalclub? 


Vertalen
     Een van de bekendste liedjes van Reggiani – eigenlijk van Patrick Bruel -  is ‘L’italien’. Er bestaat ook een Italiaanse versie van. De titel luidt: Il francese.


‘Witte mannen naar achteren’ 
    
 Het is alweer bijna een maand geleden en bij ons is er niet veel ophef over gemaakt. Op 20 juni riep zangeres Sophie Straat iets opvallens op een Nederlands festival: 

‘Ben je een vrouw? Ben je queer? Ben je van kleur? Naar voren! Witte mannen naar achteren. Ik herhaal: witte mannen naar achteren.’ 

Op de sociale media kwamen er natuurlijk felle reacties.
     Ik kom bij dat soort berichten altijd in gewetensnood. Moet ik daar iets over schrijven? Ben ik laf als ik het niet doe? Maar ik kan toch moeilijk doen alsof ik mij beledigd voel, terwijl wat ik echt voel alleen maar een soort vermoeide verbazing is. Alweer? Nog steeds? 
     Het is, vind ik, aan de linkse en progressieve mensen om te reageren. Zulke stupide uitspraken zouden bij hen sterkere emoties moeten oproepen dan bij mij. Boosheid, bijvoorbeeld, omdat hun eigen kamp weer eens belachelijk wordt gemaakt.
      Maar misschien is het plaatsvervangende schaamte die overheerst, en daarover iets schrijven – dat weet ik uit ervaring – is moeilijk. Dan zwijgt men liever. En daarom klaagde de zangeres achteraf dat ze zich door de progressieve media onvoldoende gesteund voelde toen de felle reacties kwamen. Die progressieve media zwegen liever. Behalve geloof ik de VPRO.


Reynebeau
     Een heel eenvoudige maatregel die De Standaard zou kunnen nemen om haar kwaliteit te verbeteren is om de columns van Reynebeau tweewekelijks in plaats van wekelijks te publiceren. Er zijn veel betere maatregelen denkbaar, maar die zouden ofwel meer geld kosten, ofwel meer denkwerk en oordeelsvermogen vragen.


Investeren en controleren
     Wie moet investeren in innovatie? Almachtige techmiljardairs of almachtige regeringen? In beide gevallen stelt zich het probleem van de controle. De regeringen worden onder controle gehouden door verkiezingen, de techmiljardairs worden onder controle gehouden door consumptiegedrag van hun uiteindelijke klanten. De twee – verkiezingen en consumptiegedrag – kunnen worden gemanipuleerd.


D’hanis over de pijn van het zijn
     In een stukje over de duistere machten die onder het kapitalisme ons leven beheersen betreurt D’hanis het lot van de ‘99 %’ die voortsnellen in een ‘steeds nauwere pijplijn school-studie-werk-pensioen-dood.’ Het vat mijn leven goed samen. Alleen de laatste episode ontbreekt nog. Ondertussen zijn er natuurlijk ook wel eens leuke dingen gebeurd. 


Tocqueville over gehoorzaamheid en verkiezingen
     Sinds ik een humeurig stukje geschreven heb over de AI-slop van History After Dark zie ik die memes minder vaak verschijnen op mijn tijdlijn. Ik had toen onder andere aanstoot genomen aan een pseudo-quote van Tocqueville over democratische verkiezingen die gemanipuleerd worden door de rijken, de media, en de grote bedrijven. ‘You are not choosing your government; you are choosing which face the government wears for the next four years.’ Dat was niet Tocquvilles appreciatie van de democratie.
     Ik heb het boek ondertussen helemaal uitgelezen en uiteindelijk iets gevonden wat aanleiding kan hebben gegeven tot de meme. In het tweede boek, deel IV, hoofdstuk VI schrijft Tocqueville over de graad van gehoorzaamheid die een moderne overheid eist van haar onderdanen. 
‘Dans ce système, les citoyens sortent un moment de la dépendance pour indiquer leur maître, et y rentrent.’ Maar dat is nog altijd een heel andere redenering dan die van History After Dark.


De stijl van George Orwell
  
     Ergerlijk is ook de stijl van de History After Dark-memes. Je kunt dat eens grappig vinden, maar wat moet je bijvoorbeeld denken van de volgende woorden die Orwell wordt zou gericht hebben aan de paus? You live in a massive, solid-gold palace, guarded by men with swords, and you toss a completely meaningless copper coin to a starving beggar.’ Dat is niet grappig meer, en wel omdat juist Orwell onophoudelijk een nuchtere, feitelijke, waarachtige stijl aanprees en toepaste. Iedereen weet dat het paleis van de Paus niet uit massief goud bstaat. Er heeft nooit in de geschiedenis een paleis van massief goud bestaan. Orwell zou nooit zoiets schrijven, en al zeker niet als dichterlijke overdrijving.


Koude hand
     In het vierde jaar gaf ik mijn leerlingen heel wat korte verhalen van Herman-Pieter De Boer lezen. Als je iets uitlegt over narratieve structuren wilt duidelijke maken, kun je dat evengoed aan de hand van een leuk verhaal doen. In een van de verhalen jaagt een meester de kinderen in de klas angst aan doordat hij de dood voorstelt als een koude hand. Ondertussen, maar te laat, heb ik een passende illustratie gevonden bij dat verhaal. 



 

dinsdag 14 juli 2026

Subsidies voor naaktloperij

 



     Het is niet makkelijk om in de staatsuitgaven te bepalen wat subsidies, investeringen, structurele uitgaven enzovoort zijn. De federale overheid, zegt men, geeft 66 miljard euro aan subsidies. De Vlaamse overheid geeft 18 miljard. Met een iets andere definitie, krijg je grotere en kleinere bedragen. Voor een libertair als ik mogen de meeste van die subsidies eigenlijk verdwijnen. Maar ik kan er niet goed tegen dat men doet alsof zoiets slechts een kwestie is van vijf minuten politieke moed.
      Van de week zag ik op de sociale media voortdurend dat bedrag van 18 miljard Vlaamse subsidies voorbijkomen, gekoppeld aan een filmpje van twee naakte dansers op de dijk van Oostende. Het was geloof ik een culturele protestactie tegen koning Leopold II (1835-1909) en ze was georganiseerd door het kunstencentrum KAAP. Als je dat bedrag en die dansers naast elkaar ziet, denk je eerst dat dat dansoptreden 18 miljard gekost heeft, en daarna dat die 18 miljard wel allemaal naar vergelijkbare activiteiten is gegaan. Dat is geloof ik niet zo. KAAP ontvangt 2 miljoen subsidies per jaar. Hoeveel daarvan zou naar die naakte artiesten gegaan zijn? Een paar honderd euro?
     Ik ben best bereid een voorzichtig protest tegen deze vorm van openbare zedenschennis te laten horen, maar aan die paar honderd euro wil ik niet te zwaar tillen. Ofwel schrap je alle subsidies voor alle kunstencentra, en dan spaar je inderdaad vele miljoenen, maar haal je je de woede van allerhande kunstliefhebbers op de hals. Ofwel stel je extra controleurs aan om onzinnige, zedenschennende projecten te schrappen, en dan zal je vele miljoenen extra nodig hebben om die controleurs te betalen. 


Van Dalsum en Bette Davis

    De beroemde Nederlandse acteur Albert van Dalsum (1889-1971) ken ik alleen omdat Karel van het Reve hem ergens ter sprake brengt. Karel schrijft dat hij een bepaalde vondst van Annie M.G. Schmidt nog nooit ergens in de wereldliteratuur is tegengekomen, namelijk dat een personage gespeeld door een acteur iets zegt … over die acteur. 

Dus laat ons zeggen een Nederlands stuk uit 1950, waarin als het doek opgaat Jansen, gespeeld door Albert van Dalsum, met zijn vrouw uit de Gijsbrecht thuiskomt en bij het uitrekken van zijn jas zegt: ‘Hoe vond jij die Van Dalsum nou? Ik vond dat hij het er wel erg dik op lei.

    Ik ken de hele wereldliteratuur niet, maar ik weet wel dat het in één geval niet veel gescheeld heeft of die vondst had zijn weg naar het repertoiretoneel gevonden. Sommige van mijn lezers herinneren zich misschien de eerste replieken uit Who’s Afraid of Virginia Woolf

  • Martha: What a dump. Hey, what’s that from? ‘What a dump!’
  • George: How would I know what …
  • Martha: Aw, come on! What’s it from? You know …
  • George: … Martha …
  • Martha: What’s it from, for Christ’s sake?
  • George: What’s what from?
  • Martha: I just told you; I just did it. ‘What a dump!’ Hunh? What’s that from?
  • George: I haven’t the faintest idea what …
  • Martha: Dumbell! It’s from some goddamn Bette Davis picture  … some goddamn Warner Brothers epic …
  • George: I can’t remember all the pictures that …
  • Martha: Nobody’s asking you to remember every single goddamn Warner Brothers epic … just one. Bette Davis gets peritonitis, and she’s married to Joseph Cotton or something …      

     De hilarische dialoog gaat nog even door, over Bette Davies die ‘comes home from a hard day at the grocery store’ en Bette Davis die ‘walks into the modest living room of the modest cottage modest Joseph Cotton has set her up in.’  De lezer heeft het ondertussen begrepen. Het heeft niet veel gescheeld of het was Bette Davis die de rol van Martha had gespeeld in de film en die dus zou blijven zeuren zijn over Bette Davis. De auteur van het stuk had het heel graag gewild, en Bette Davis zelf ook. Maar de regisseur besliste dat het Elizabeth Taylor moest zijn.


 

maandag 13 juli 2026

Israël: feiten en cognitieve dissonantie

     Raar is het wel dat er over Gaza zo bitter geruzied wordt terwijl de grote feiten door niemand worden ontkend. Op 7 oktober werden bij een raid ongeveer 1.200 Israeli’s gedood en ongeveer 250 Israëli’s gegijzeld. Op 8 oktober lanceerde Israël een oorlog waarbij 70.000 Palestijnen omkwamen, waarvan ongeveer 2/3 burgers, en waarvan 1/3 minderjarigen. Ik ken weinig Israël- of Palestina-mensen die déze feiten betwisten. Er wordt veel gespeculeerd over de motieven, bijvoorbeeld of het Israëlisch leger een speciaal beleid had om zoveel mogelijk kinderen te doden, maar dát er veel kinderen door kogels, granaatscherven en instortende gebouwen omgekomen zijn, wordt door iedereen aangenomen.
      Natuurlijk zijn er ook meningsverschillen over de feiten zelf. Zo geloof ik niet, in tegenstelling tot mijn vriend M.L., dat het Israëlisch leger waterputten vergiftigd heeft. Of, belangrijker, ik geloof niet dat er een massaal voedseltekort geweest is met duizenden hongerdoden tot gevolg. Maar dat zijn, vergeef mij de uitdrukking, details in het grote geheel. Wat de feiten betreft, geloof ik ongeveer hetzelfde als M.L., F.D., Y.D. en P.V.O.
     De grote feiten worden dus door niemand ontkend. Iets anders is echter de neiging om bepaalde feiten te negeren of onbewust te vergeten. Dat doet men om cognitieve dissonantie te voorkomen als die feiten het eigen verhaal zo flagrant tegenspreken dat men ze geen plaats kan geven. Zelf krijg ik vaak het verwijt dat het anti-Palestijns geweld op de Westbank niet verenigbaar is met mijn geloof in Israël als liberale democratie. Ik zie echter geen tegenspraak. Een land kan best vrije verkiezingen hebben en de burgerlijke vrijheden respecteren en tegelijk optreden als een schurk buiten de eigen grenzen.
     Voor de cognitieve dissonantie in het Palestina-kamp kijken we spontaan naar de slachtpartij van 7 oktober en de ideologie van Hamas. Dat zijn inderdaad zaken waar de Palestina-mensen niet graag over spreken en die ze liever zouden negeren. Maar ik veronderstel dat de meesten van hen die feiten zonder al te veel moeite in hun algemeen beeld kunnen integreren. Zij kunnen die feiten wel degelijk ‘erkennen’ als ze er maar niet te veel over moeten nadenken. Bijvoorbeeld: ‘Ja, Hamas is ook slecht, maar dat is geen verantwoording voor de veel grotere misdaden van het Israëlisch leger.’ Die redenering moet voor veel Palestina-mensen volstaan om er weer tegenaan te kunnen.
       Er is iets anders wat voor hen veel moeilijker integreerbaar is. Wat de Gaza-oorlog verder nog moge geweest zijn, het was óók een oorlog, dat wil zeggen een gewapend conflict tussen twee strijdmachten: het Israëlisch leger en de Hamas-milities.  Ik ken weinig Palestina-mensen die dát onder ogen willen zien. Als je daarover spreekt, beginnen ze onmiddellijk over iets anders, zonder het feit eerst even in hun brein toe te laten. Ik heb één iemand gekend die het anders deed en de oorlogssituatie radicaal ontkende: hij had, zei hij, op televisie nog geen enkel beeld van gevechten gezien. 
      Slechts heel af en toe kom je een flauwe poging tegen om de cognitieve dissonantie met een expliciete redenering weg te werken. Ik vond er een bij de Italiaanse historicus Enzo Traverso*:

Gezien de ongelijkheid tussen de IDF (het Israelische leger) en Hamas hebben we hier niet te maken met twee legers, maar met beulen en slachtoffers, een leger en een burgerbevolking – precies de omstandigheden die gepaard gaan met genocide. 

     Die redenering berust op een flagrante non sequitur:          

  1. Het leger van Hamas was militair zwakker dan dat van Israël
  2. Dus het leger van Hamas was geen leger
  3. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking 

    Dan levert het impliciet negeren van het militaire karakter van de oorlog een betere redenering op.

  1. (Er wás helemaal geen oorlog tegen Hamas-milities**)
  2. Dus het Israëlisch leger voerde oorlog tegen de burgerbevolking***. 

    Alleen kun je de eerste stap van de redenering niet uitspreken, niet neerschrijven, en liefst ook niet dénken. 

* Enzo Traverso’s boek Gaza Faces History wordt, samen met andere Palestina-propaganda, besproken door Matti Friedman, ‘Introduction tot Gazology’, gepubliceerd op 21 april 2026 op Thefp.com. Een vertaling vindt men op de FB-pagina van Geraard Goossens.

** Ook mooi is natuurlijk de kettle logic in dit verband. Er wordt niet gevochten tegen Hamas-milities en bovendien worden de Hamas-milities juist sterker als reactie op de Israëlische agressie. 

*** Ten overvloede: ik wil hier niet die conclusie – het IDF voerde oorlog tegen de burgerbevolking – weerleggen; ik wil alleen de redenering tegenspreken die tot die minstens eenzijdige conclusie leidt.

  

zaterdag 11 juli 2026

De leek, de kritikaster en Demir, e.a.

 


De leek, de criticaster en Demir
     
Voor wie zich op de sociale media begeeft om maatschappelijke commentaar te geven staan verschillende wegen open.  Een frisse scheldpartij kan deugd doen aan het hart. Een kreet van verontwaardiging kan de ziel tot rust brengen. Met fijne ironie kan men het gevoel van eigenwaarde een boost geven. Voor mezelf helpt het om wat scherper na te denken over zaken waar ik toch vanzelf al over nadenk. En dat nadenken doe ik uitdrukkelijk als de leek die ik ben. Ik wil wel iets lezen over een kwestie, een paar cijfers memoriseren, een paar drogredenen weerleggen, maar ik moet daarbij altijd oppassen dat ik niet te hoog van de toren blaas.
     Als je te hoog van de toren blaast, word je al snel, zoals onze hoofdartikelschrijvers, een criticaster of, wat ongeveer hetzelfde is, een pseudo-expert. Ik ben voor een republiek der letteren waarin de leek en de expert de degens kruisen, maar ieder in zijn rol, en met wederzijds respect. De leek moet kennis nemen van wat de expert te vertellen heeft, en de expert moet zich af en toe uitdrukken in de taal van de leek. Dat is wat vaak fout liep tijdens de corona-discussies. Leken gebruikten de experts als omgekeerd kompas, en experts drukten zich uit in de taal van de kleuterjuf.
     Voor de leek is het al veel als hij beseft hoe complex de problemen zijn. Ik las laatst op een FB-pagina een vrij redelijk stuk over de federale subsidies. Die waren te hoog, vond de leek van dienst. 66 miljard euro, dat kon gerust met 10 miljard minder. Ik denk dat die leek gelijk heeft. Hij wilde ook wel eens nadenken op welke posten er kon worden bespaard. Op onderzoek en ontwikkeling kon men beter niet besparen, maar onderwijs, dat moest toch goedkoper kunnen. Met enkele krantenknipsels in de hand had de leek vanuit zijn keukentafel, op de achterkant van een gebruikte enveloppe, uitgerekend dat 0,7 tot 1,5 miljard kon worden bespaard door onder andere een rationalisering van parallelle netten en administratie.
     Ik geloof dat de logica van dat commentaar juist zit, en de achterkant-van-de-enveloppe-cijfers lijken mij ook plausibel. Wellicht moeten we die richting uit. Wat me dan weer minder bevalt is dat ik bij dezelfde auteur, in een ander stukje, de volgende uitval tegen Zuhal Demir aantref:

Op onderwijs gedraagt Demir zich als een olifant in een porseleinenwinkel. In snel tempo volgen nieuwe hervormingen, ingrepen, schaalvergrotingen en besparingsoperaties elkaar op … Alles moet efficiënter, strakker en beter meetbaar.  … Achter termen als “flexibilisering” en “efficiëntere organisatie” ziet het onderwijsveld vooral harde besparingen. Grotere klasgroepen, graadklassen en schaalvergroting betekenen in de praktijk minder individuele aandacht voor leerlingen.  … Levensbeschouwelijke vakken zijn vaak één van de laatste plaatsen waar nog ruimte bestaat voor gesprekken over twijfel, geweten, verantwoordelijkheid, dood of zingeving. Dat net die ruimte wordt afgebouwd, is bijzonder zorgwekkend.

      Zo is het nooit goed. Zelfs een elementaire rationalisering van de levensbeschouwelijke vakken wordt van tafel geveegd met algemeenheden die naast de kwestie zijn aangezien niemand de vakken wou afschaffen. Maar hoe kun je langs je neus weg de afschaffing van de parallelle netten voorstellen en tegelijk vasthouden aan de absurde toestanden van klassen met één leerling die het vak Protestantse Godsdienst volgt. Ik heb ooit lesgegeven in een klein Atheneum waar ik voor Nederlands een klas van 36 leerlingen had, dat wil zeggen het volledige vierde jaar. Ik ben vergeten in hoeveel groepen die klas uiteenviel voor levensbeschouwing, maar het waren er veel.
     En dan: grotere klasgroepen is volgens onze leek ook al geen goed idee. Misschien heeft hij gelijk. Maar aangezien hij de hoge kostprijs van het Vlaamse onderwijs graag afzet tegen andere landen waar het zuiniger toegaat, mag er ook eens gewezen worden op de grotere klassen die in die andere landen gangbaar zijn.
     Ik zeg niet dat dat FB-stukje dat op Demir afgeeft onredelijk is, al valt het niet goed te rijmen met wat de auteur elders schrijft over efficiëntie, rationalisering en besparing. Op zich echter vat het stukje goed samen wat andere criticasters in het onderwijs en in de pers tegen Demir inbrengen. Alleen heb ik iets tegen stukjes waarvan je voelt dat de auteur op geen enkel moment de andere kant van het verhaal heeft overwogen en gewoon alles overneemt wat in zijn polemisch kraam past. Of in dit geval: nogal gemakkelijk aanneemt dat er geen andere kant bestaat omdat die in de pers niet aan bod komt.
      Zo schrijft de auteur ook: ‘Scholen, leerkrachten en directies krijgen almaar minder ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken.’ Dat geeft de zaak verkeerd weer, en ik spreek dit keer niet als leek en buitenstaander, maar als gewezen leerkracht. In werkelijkheid is de ‘ademruimte om zelf pedagogische keuzes te maken’ gedurende eerdere decennia afgebouwd, en werd éénzelfde nefaste pedagogische keuze opgelegd door ministerie, koepel, en inspectie, vaak met de medeplichtigheid van directies. Dat Demir nu ruimte creëert voor een ándere pedagogische keuze maakt haar voor mij de beste Onderwijsminister van de laatste 50 jaar.  



Derde Wereldoorlog

     Jo Komkommer vertelt in een autobiografisch stukje over een gesprek tussen zijn vader en garçon Vincent van restaurant De Linde.

Op een keer dwaalde, tijdens het opnemen van de bestelling, het gesprek af en kwam de oude vader van Vincent ter sprake. “Die man heeft toch veel meegemaakt. De Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog,…” Mijn vader – die hoopte dankzij de Russen alsnog het einde der tijden te mogen meemaken – voegde er triomfantelijk aan toe: “En binnenkort de Derde Wereldoorlog!” Vincent noteerde de bestelling van de avond en antwoordde bedachtzaam: “Als alles goed loopt natuurlijk, meneer Komkommer…”’     

Annie M.G. Schmidt maakt een vergelijkbaar grapje in háár autobiografie.

Toch vind ik het interessant om zo’n groot stuk eeuw te hebben meegemaakt. Twee wereldoorlogen en als ze een beetje opschieten nog een derde.

     Er bestaat geloof ik een beperkt areaal aan mogelijke grappen, die dan door verschillende mensen op verschillende tijdstippen zelfstandig ontdekt worden. Gelukkig is de taal zo soepel dat die grappen iedere keer weer een lichtjes anders ingekleed worden.


Fietsslot 
   Ook al staat mijn fiets in Oostende in een gesloten fietsstalling, toch doe ik hem voor de zekerheid op slot. Als ik mij voorover buig om het slot los te maken denk ik altijd heel even aan de film Barney’s Version (2010), meer bepaald aan een vroege scène met Barney en zijn vrienden op een caféterras in Italië. Ik geloof nochtans niet dat er in die scène een fiets, een fietsslot of een fietsstalling voorkomt. 

 


Oude films: Back Street (1932)

    

     Door de oude musicals die ik leerden kennen uit de compilatiefilm Thats Entertainment heb ik de vroege jaren 70 interesse opgevat voor oude films. Dat was alsof nu jongeren van net geen twintig zouden beginnen kijken naar films van de jaren 80 of 90. Stel je voor. Eén zon oude film is Back Street is een melodrama uit 1932. De film begint met een vertelstem:  ‘In the good old days, before the 18th amendment …’ Daardoor drong het voor het eerst tot mij door dat het alcoholverbod in de VS (1920-1932) was opgenomen in de Grondwet. Dat je niet zomaar álles in de Grondwet moet opnemen, was al eerder tot mij doorgedrongen.
     Maar Back Street dus, één van de favoriete films van mijn vader. De personages moeten in de loop van de film 30 jaar ouder worden gemaakt, wat men vooral doet door hun haar grijs te kleuren. Bij de vrouwelijke hoofdrol – Irene Dunne - komt daar nog iets bij. De film begint rond de eeuwwisseling toen de vrouwen een voor ons aanvaardbaar kapsel hadden. Maar dertig jaar later is de watergolvende bob in de mode geraakt, het soort kapsel dat Vlaamse nonnen kozen in de jaren 70, toen ze eindelijk hun hoofddoek mochten afdoen. Daardoor alleen al lijkt Dunne op een tante nonneke. Misschien was dat in 1932 minder het geval, toen ook jonge meisjes en masse voor die haarstijl vielen.
     De film gaat zo. Dunne is een vrijgevochten jonge vrouw. ’s Avonds gaat ze uit dansen met mannen, maar daar blijft het bij. Zij is immers een 10, en die mannen, meestal handelsreizigers, zijn hoogstens een 5 of een 6. De sympathieke dromer van het dorp is een 7, met de potentie om een 8 te worden. Maar dan ontmoet Dunne ene John Boles, een jonge zelfzekere bankier, eveneens een 10, zelfs als hij een bolhoed draagt. Het is een van de overtuigendste liefde-op-het-eerste-gezicht scènes die ik ken. De bankier staat op het punt om te trouwen, maar is bereid om zijn plannen om te gooien. Helaas gaat dat niet door vanwege een samenloop van omstandigheden, en de bankier trouwt met zijn verloofde. Vijf jaar later ontmoeten Dunne en Boles elkaar in New-York en beginnen ze een geheime relatie. Dunne wordt de other woman, een femme entretenue die op de achtergrond moet blijven, op een appartement in een achteraf straatje.
     Zo’n relatie heeft zijn nadelen, voor de twee partijen, maar vooral voor de vrouw. Zij heeft haar eer opgeofferd voor de liefde. Dat wordt in de film sereen en rechtlijnig uitgewerkt. Op zeker ogenblik overweegt Dunne te trouwen met de sympathieke dromer van haar geboortedorp die ondertussen een rijke industrieel geworden is. Het zou een rationele keuze zijn, maar het is de irrationele keuze die het haalt.
      Die laatste plotwending was niet naar de zin van de recensent in de New York Times. Hij vindt Dunne ‘exasperatingly silly’ is; ze had ‘some strength of character’ moeten tonen; ze had toen ze de kans kreeg de eerbare vrouw van de industrieel moeten worden; het is ‘implausible’ dat ze dat niet deed. Ik heb daar geen mening over. Mijn moeder heeft van ver en van dichtbij heel wat vrouwen gekend die in hun leven de irrationele keuze gemaakt hebben, zonder dat ze daarom gelukkig werden. Maar als ze door omstandigheden de irrationele keuze niet konden maken, waren ze voor de rest van hun leven even ongelukkig. Van een van hen vertelt ze: ‘Men heeft haar daarna nooit meer zien lachen.’
     Als de bedoeling van melodrama is dat de kijker vochtige ogen krijgt, dan is dat bij mij gelukt, terwijl mij dat meestal slechts overkomt bij overweldigende combinaties van beeld en muziek, of de scènes nu droevig zijn of niet. Bij films als Hamnet of Grave of the Fireflies houd ik het droog. Mijn zoon is daar anders in.



 


vrijdag 10 juli 2026

Vermogens- en erfbelasting


    
   Je kunt natuurlijk alles belasten: het dragen van een baard (Peter de Grote), het dragen van een hoed (George III), het niet dragen van een hoed (Elizabeth I) … Maar in onze verlichte tijden zijn er vooral vijf grote soorten belasting, te weten: belasting op arbeid, op ondernemen, op investeren, op consumeren en op overlijden. Belastingen, zo wordt ons door economen voorgehouden, ontmoedigen de activiteiten die onder de belasting vallen. Er wordt minder gearbeid, ondernomen, geïnvesteerd en geconsumeerd dan het geval zou zijn zonder die belastingen. Alleen bij de belastingen op overlijden – de erfbelasting – schijnt de ontmoediging niet helemaal te werken.
 
      Op enkele verstokte libertairen na, is iedereen voorstander van hogere belastingen voor grootverdieners, niet alleen in bedragen, maar ook in procenten. Daarvoor heeft men de progressieve belastingschalen uitgevonden. En die werken prima om de middenklassen te pluimen, maar de absolute top, de 1 of 2 procent rijksten, betaalt weer wat minder omdat een groot deel van het inkomen uit investeringen komt, een activiteit die minder zwaar belast wordt. Die absolute top betaalt nog altijd het meest, maar hij betaalt procentueel iets minder dan hoogste middenklasse. En bijna iedereen vindt dat onrechtvaardig.
     Wat ik rechtvaardig vind, wil ik voor één keer niet laten meespelen. Maar ik vind het geen goed idee om in een periode van lage productiviteit vooral de investerende klasse zwaarder te belasten. En als men dat toch wil doen, dan liefst niet door het vermogen zélf (nog meer) te belasten, zoals de PVDA, Paul De Grauwe, Conner Rousseau en Les Engagés willen. Het inkomen uit vermogen, vooruit, als het niet anders kan, maar het vermogen zélf, dat niet.
     En ik wil ook uitleggen waarom. Rechts waarschuwt dat een vermogensbelasting tot kapitaalvlucht zou leiden*. Links antwoordt dat dat niet zal gebeuren, en áls het zou gebeuren, dat het dan immoreel zou zijn. Beide kampen halen het voorbeeld aan van Fabien Pinckaers, de ceo van het Waalse softwarebedrijf Odoo, die zei dat hij naar het buitenland zou verhuizen als er een rijkentaks komt. Maar wat men vaak vergeet is de reden waaróm zo iemand zou verhuizen. Dat wordt mooi uitgelegd door Maarten Michielssens, ceo van EngergyVision in De Standaard (9/7): 

 Pinckaers zei dat hij 100.000 euro op zijn spaarrekening heeft, terwijl zijn bedrijf op papier 10 miljard waard is. Een jaarlijkse belasting van 30 miljoen euro kan hij dus niet betalen. Wel, ik [Michielssens] heb nog 30.000 euro minder op mijn spaarrekening. Als er een rijkentaks, een miljonairstaks, of een andere vermogensbelasting komt, waardoor ik enkele miljoenen moet betalen op mijn aandelen, ga ik persoonlijk failliet … Ik heb geen enkel probleem met een meerwaardebelasting op de verkoop van aandelen. Je mag die van mij zelfs verhogen, sterke schouders moeten in deze moeilijke tijden meer bijdragen. Maar een papieren vermogen belasten, dat is een stommiteit. 

     De interviewer suggereert dat Michielssens toch ook aandelen kan verkopen om de belasting te betalen.

Nog los van het feit dat dat niet verstandig zou zijn, mag ik dat niet. Bij de beursgang heb ik mij ertoe geëngageerd om drie jaar lang geen enkel aandeel te verkopen. Wat kan ik dan doen? We zijn een groeibedrijf, we keren geen dividend uit. Ik zou mijn huis kunnen verkopen, een lening aangaan, maar als die belasting nu zou bestaan, was ik in de kortste keren persoonlijk failliet. Ik heb Rousseau gemeld dat dit soort voorstellen me zou dwingen om naar het buitenland te vertrekken, terwijl ik dat helemaal niet wil. Ofwel moet ik EnergyVision van de beurs halen. 

         De argumentatie van Michielssens zal weinig linksen overtuigen van hun ongelijk. Als we discussiëren gaat moraal boven economisch resultaat. In het echte leven komt das Fressen misschien vóór die Moral, zoals Brecht schreef, maar aan de toog of achter het klavier is dat omgekeerd. Daar komt vóór alles de moraal, en daarachter verscholen, de emotie.  Die linksen worden niet overtuigd met economische argumenten; wat hen drijft is de ‘egalitaire passie’ zoals Tocqueville die analyseert in de laatste hoofdstukken van zijn Amerika-boek.
        We zien trouwens mutatis mutandis hetzelfde bij rechts: de morele principes, de emotie, de passie, zijn bepalend. Ik stel het vast bij mezelf, terwijl ik nochtans af en toe pogingen doe om rationeel te zijn. Maar bij het kijken naar Yellowstone supporterde ik voor Kevin Kostner. De man bezit uitgestrekte gronden die miljarden waard zijn, maar het hoeden van vee brengt amper iets op. Hij heeft nauwelijks geld om zijn cowboys te betalen. Die krijgen een schijntje voor hun harde werk: misschien de helft van wat een Belgische steuntrekker van het OCMW krijgt. Maar Kostner wordt niet op zijn schamel inkomen belast, maar op zijn formidabele vermogen, zijn grondbezit. Hij zou een deel van zijn grond moeten verkopen om de belastingen te kunnen betalen.
       
 Ik vond dat moreel en emotioneel moeilijk om te aanvaarden. En nochtans bestaan er goede economische redenen voor zo’n grondbelasting. Ze zou ervoor kunnen zorgen dat Kostner zijn gronden op een meer economische manier gaat benutten, of ze verkoopt aan iemand die ze op een meer economische manier benut. Maar ik blijf tegenspartelen. 

                                                                            ***

     Ik heb hetzelfde met de erfbelasting. Ik lees bijvoorbeeld de column van Jérémie Haberkorn, student handelsingenieur (DS 9/7): 

 Er is één vorm van vermogensbelasting waar economen al veel langer van houden: de erfbelasting. De meeste andere heffingen ontmoedigen iets nuttigs: een loonbelasting bestraft werken, een winstbelasting bestraft ondernemen … Een erfbelasting bestraft niets. Ze belast een meevaller die de erfgenaam per definitie niet verdiend heeft, op een moment waarop de gever geen prikkel meer kan verliezen. Daarom noemt de Oeso de erfbelasting een van de minst verstorende manieren om inkomsten te heffen.

     De Oeso zou wel eens gelijk kunnen hebben. Als alle belastingen slecht zijn, is erfbelasting misschien de minst slechte. Maar moreel en emotioneel kan ik het moeilijk verkroppen. Je hebt gewerkt, je hebt gespaard in plaats van je geld te verdoen aan drank en vrouwen, en aan het einde van je leven mag je dat geld niet nalaten aan wie je wil, zelfs niet aan degenen die je genen verder verspreiden.
     Lange tijd heb ik gedacht dat de egalitairen het aangaande erfbelasting moeilijk zouden hebben om de meerderheid met zich mee te krijgen. Die hogere erfbelasting leek mij meer iets voor zonderlingen als Karl Marx en Bert Anciaux. Ik geloof dat Annie M.G. Schmidt ooit gezegd heeft dat er in Nederland twee soorten mensen waren: zij die iets wilden nalaten en zij die iets wilden erven. Dat is een andere tweedeling dan links en rechts, dan egalitair en libertair. En als iederéén graag iets nalaat, en iederéén graag iets erft, dan zal iederéén wel begrijpen, dacht ik, dat anderen er ook zo over denken, zelfs als die anderen rijker zijn.
     Maar er zijn geen zekerheden meer. New York, ooit het symbool van vrijheid en kapitalisme, heeft een socialistische burgemeester verkozen. Uit een enquête van het Nederlandse Centraal Planbureau blijkt dat meer dan de helft van de bevolking vandaag vindt dat grotere erfenissen zwaarder belast mogen worden dan nu het geval is. Dat komt niet door de redeneringen – juist of verkeerd – van de economen en de handelsingenieurs, maar door de gelijkheidsgedachte die al twee eeuwen als een ideologische maaimachine over het veld van de geschiedenis voortdondert en alle concurrerende begrippen, overwegingen en instincten laag bij de grond afsnijdt.

                                                            *** 

    En de techmiljardairs dan? Zijn die superrijken van vandaag, ondanks de egalitaire maaimachine, niet rijker dan ze ooit waren in de geschiedenis? Zeker, maar ik heb het over een ideologische machine. Als ik iets over de techmiljardairs léés, is het altijd om hen aan te klagen. En die aanklacht komt van mensen die dagelijks gebruik maken van hun producten: computers, smartphones, pakjes aan huis bezorgd, sociale media, streamingsdiensten. Zelf ben ik blij met die producten. Van mij mogen de kinderen van Jeff Bezos en Bill Gates de aandelen van hun vader erven. Ik heb dat liever dan dat die bedrijven overgaan in handen van de staat. Maar ze mogen, als ze dat liever doen, hun fortuin ook wegschenken aan goede doelen. Daar zal ik niet tegen protesteren. 


* De kapitaalvluchters kunnen dan beter niet naar Frankrijk uitwijken, want volgens de tweede grafiek hierboven is de belasting op vermogen daar nog hoger dan in België. 

donderdag 9 juli 2026

Theaterrepertoire en algemene cultuur

      De toneelactrice Shirley Knight werd geboren op 5 juli 1936. In tijden van sociale media betekent dat ik een of twee berichten over haar zie verschijnen om die verjaardag te herdenken. Een ervan bevatte een citaat van Tennessee Williams:

There are no roles too big for her, no challenges at which she won’t laugh and wrestle and finish stronger, wiser, funnier: her Alma, her Amanda, her Princess, her Serafina. I wish for her a Gertrude, a Lady Macbeth, a Lady Wishfort, a Millament, a Martha in Edward’s play.

    Het behoort geloof ik tot de algemene cultuur om een aantal beroemde rollen uit de theatergeschiedenis te kennen. De eerste rij Alma-Amanda-Princess-Serafina moeten rollen zijn die Williams zelf heeft bedacht voor zijn stukken. ‘Princess’ ken ik van Sweet Bird of Youth en Serafina van The Rose Tattoo. Dan zullen Alma en Amanda ook wel zoiets zijn. Ik zoek het op en het klopt. Alma is een personage uit Summer and Smoke en Amanda uit The Glass Menagerie. Ik heb geen enkel stuk van Williams op de planken gezien, maar zeker meer dan tien films die op zijn stukken gebaseerd zijn. 
    Het tweede rijtje namen stelt mij voor een probleem: Gertrude-Lady Macbeth-Lady Wishfort-Millament-Martha. Gertrude en Lady Macbeth zijn natuurlijk van Shakespeare en Martha is dé Martha van
Who’s Afraid of Virginia Woolf, maar wie zijn Millamant en Lady Wishfort? Ik moet het opzoeken en dat blijken personages te zijn uit The Way of the World van William Congreve (1670-1729) die ik alleen ken van het vers ‘Hell has no fury like a woman scorned’. Millament, Lady Wishfort en Congreve vertegenwoordigen een gat in mijn cultuur.
     Welke vrouwenrollen zou een niet speciaal in theater geïnteresseerd persoon moeten kennen om geen cultuurbarbaar te zijn*? Ik laat opera en musicals even buiten beschouwing, en ik heb niet meer dan twee stukken per auteur opgenomen. Bij sommige rollen zie ik vanzelf de gezichten verschijnen van de actrices die meespeelden in de verfilming van de stukken. 

  • Clytemnestra           Oresteia
  • Antigone                  Antigone                                 – Irene Papas, Geneviève Bujold
  • Medea                      Medea
  • Lady Macbeth         Macbeth                                  – Francesca Annis
  • Rosalind                  As You Like It                         – Hellen Mirren
  • Chimène                  Le Cid
  • Dorine                     Tartuffe
  • Phèdre                    Phèdre
  • Bérénice                  Bérénice                                     – Anne Alvaro
  • Nora                         Een Poppenhuis**                    – Claire Bloom
  • Hedda                     Hedda Gabler                            – Glenda Jackson
  • Nina                         De meeuw
  • Masja                       Drie zusters
  • Julie                        Miss Julie                                    – Jessica Chastain
  • Eliza Doolittle        Pygmalion                                – Audrey Hepburn
  • Anna                        Mutter Courage.                      – Carmen-Maja Antoni***
  • Blanche DuBois     A Streetcar Named Desire     – Vivian Leigh, Jessica Lange
  • Maggie the Cat       A Cat on a Hot Tin Roof        – Elizabeth Taylor
  • Linda Loman           Death of a Salesman             – Kate Reid
  • Martha                     Who’s Afraid of Virginia W.  – Elizabeth Taylor
  • Corrie                        Barefoot in the Park              – Jane Fonda     

     Dat 'Mutter Courage’ eigenlijk Anna heet, heb ik moeten opzoeken. Van Kate Reid verschijnt wel het gezicht voor mijn geestesoog, maar de naam heb ik nooit gekend.
     Als ik aan Grok een lijst van grote vrouwenrollen vraag krijg ik nog drie extra personages aangeboden die ik achteraf gezien had willen opnemen, maar wier namen ik niet kan onthouden en die mij dus in een quiz of een culturele conversatie niet van nut kunnen zijn. 

  • Alison Porter               Look Back in Anger                       – Emma Thompson
  • Mary Tyrone                Long Day’s Journey Into Night  – Katherine Hepburn
  • Violet Weston             August: Osage County.                  – Meryl Streep.

      Als je nu die namen kent, hoe moet je ze ooit ter sprake brengen? Je kunt ze in een beschaafd gezelschap niet ongevraagd beginnen opsommen. Maar we moeten niet wanhopen: er kan zich altijd een gelegenheid voordoen. In een van de mooiste televisieseries die ik ken, The Marvelous Mrs. Maisel, krijgen twee sympathieke volkse gangsters de opdracht om een impresario onder druk te zetten naar aanleiding van een Broadway-productie. ‘Over welk stuk gaat het?’ vragen ze. ‘Miss Julie.’ Aha. ‘And who’s playing Jean?’ willen ze weten.

 

* Mijn leerlingen in het zesde jaar maakten kennis met Lady Macbeth, Bérénice, Nora, Blanche DuBois, Linda Loman, Martha en Corrie. Ik geloof dat de meesten van hen Martha zullen onthouden. In plaats van Medea en Antigone, kregen ze Clytemnestra (ook Irene Papas) en Iphigenia (Tatiana Papamoschou). In plaats van Nina en Masja kregen ze Yelena (Julianne Moore) en Sonja (Brooke Smith) uit Oom Vanja. In plaats van Mutter Courage kregen ze Jenny (Yvon Jansen), Polly (Sascha Icks), en mevrouw Peachum (Karin Neuhäuser). Daarnaast kregen zij ook Sister Aloysius (Meryl Streep), Sister James (Amy Adams) en Mrs. Mrs. Miller (Viola Davis) uit Doubt, maar ik geloof dat die rollen niet canoniek genoeg zijn voor mijn lijstje.

** Toevallig heb ik nog een stuk van mijn les over Een poppenhuis terugvonden. Voor de nieuwsgieringen, het filmje staat  hier.

*** Carmen-Maja Antoni heb ik op scène gezien. Haar gezicht ken ik omdat ik later de foto heb opgezocht.