maandag 1 juni 2026

Linkse jonge vrouwen, e.a.


Linkse, jonge vrouwen

     Jonge vrouwen, blijkt uit een peiling van The New Statesman, denken negatiever over jonge mannen dan omgekeerd. Tinneke Beekman berichtte erover in haar laatste column over. Van de jonge mannen heeft 70 procent een positieve visie op vrouwen, bij de jonge vrouwen heeft slechts 50 procent een positieve visie op mannen, en bij vrouwen onder de 25 is dat slechts 35 procent. 

     Behalve die stroomversnelling onder de 25 jaar, verbaast die evolutie mij niet. Misschien hebben vrouwen altijd al een kritischer kijk gehad op mannen dan omgekeerd en bestaat voor die grotere kieskeurigheid een evolutionaire verklaring. 

Maar het heeft ook iets met de hedendaagse politiek correcte ideologie te maken. Vraag aan honderd mannelijke links-liberale opiniemakers van vandaag of ze akkoord gaan met de stelling van Ferrat en Aragon: La femme est l’avenir de l’homme. Een grote meerderheid zal instemmend knikken.

       Die 70 procent mannen met hun positieve kijk op vrouwen bevinden zich dus binnen de politiek-correcte marge, en die 50 of 65 procent vrouwen met een minder positieve kijk op mannen bevinden zich ook binnen die marge. De vrouwen hebben het hier overigens gemakkelijk: zij mogen kiezen voor een positieve én voor een negatieve kijk. In het ene geval zijn ze tolerant, en in het andere geval zijn ze feministisch. Ze winnen bij kruis én bij munt, zolang ze zich geen tradwife noemen. Mannen daarentegen die een minder positief beeld van vrouwen hebben – de minderheid van 30 procent – zijn mysogyn.

     De peiling van The New Statesman wijst ook op de politieke verschillen. Tinneke Beekman:


Jonge vrouwen zijn politiek en economisch veel progressiever dan mannen. Die politieke voorkeur gaat gepaard met een ongunstig oordeel over mensen die rechtser denken: 60 procent van de jonge vrouwen wil niet op date met een man die een andere mening heeft over Trump, het conflict in Gaza of het klimaat. Die vrouwen, legt Emily Lawford uit, vinden eensgezindheid over politiek zo belangrijk, omdat ze hun politieke voorkeur met persoonlijke, morele kwaliteiten verbinden. 


      Er worden geen cijfers gegeven van het percentage jonge mannen dat geen date wil met een vrouw van een andere politieke gezindte, maar we mogen aannemen dat dat veel lager ligt. Hier zijn twee verschillen die verklaard moeten worden: de links-rechts kloof en de tolerantie-kloof. 

     Waar heeft de links-rechts kloof mee te maken? We zouden kunnen denken aan de linkse nadruk op ‘zorg’ als bepalende emotioneel-morele categorie*. Of aan de economische positie van de vrouwen die zich vaker in de zachtere sectoren situeert. Of aan het grotere gemak waarmee vrouwen zich conformeren aan de dominante ideologie, of het nu het katholicisme was van vroeger, dan wel het politiek-correcte denken nu.

     En de tolerantie-kloof? Zijn vrouwen fanatieker dan mannen? Dat zou mij verwonderen, maar misschien zijn ze op een andere manier fanatiek. Zeker getuigt het van gezond verstand om als linkse vrouw niet te daten met een zionistische, klimaatnegationistische Trump-adept. Daar kan moeilijk een stabiele relatie uit voortkomen. Ook wordt vaak aangenomen, en het is ook wat The New Statesman benadrukt, dat vrouwen minder de neiging hebben dan mannen om te ‘compartimenteren’. En ten slotte is het in het huidige tijdsgewricht mogelijk dat linkse mensen – mannen én vrouwen - nu eenmaal minder begrip hebben voor rechtse mensen dan omgekeerd**. 

     Er zijn natuurlijk genoeg bullebakken op rechts die als leiders van politieke formaties of als klavierridders van zich laten horen. Maar die bullebakken vertekenen het beeld. Je moet kijken naar de brave mensen zoals u en ik. Gisteren vroeg een oude bekende mij waar ik ‘stond in de politiek’. Bij de laatste verkiezingen heb ik voor N-VA gestemd, zei ik. Hij, nochtans een man van de wereld en met meer levensjaren op de teller dan ik, keek mij aan met oprechte, haast kinderlijke verbazing. Dat is natuurlijk nog geen intolerantie, verre van, maar onbegrip legt wel de eerste laag. 

 

* Zie Jonathan Haidt, The Righteous Mind. Linksen herleiden politieke moraal tot de kwestie van zorg, conservatieven combineren zorg met eerlijkheid, loyaliteit, gehoorzaamheid en zuiverheid. Libertairen herleiden politieke moraal tot de kwestie van vrijheid. 

** Volgens Haidt kunnen conservatieven zich een beter beeld vormen van het linkse ideeëngoed, dan linksen zich een beeld kunnen vormen van het conservatieve ideeëngoed. 

 

 

Vos en de brexit-paradox (2)

     Onlangs had Hendrik Vos mij flink te pakken met zijn Brexit-paradox. Vos is een voorstander van een ‘genereus’ migratiebeleid en een tegenstander van het rechtspopulisme. Ik ben een voorstander van een ‘strikt’ migratiebeleid, en tussen populisme en elitisme sta ik pal in het midden. Dan is het nu tijd om eens na te denken over de verschillende conclusies die Vos en ik trekken uit de vermelde paradox. 

     Vos concludeert dat rechts-populistische kiezers

  1. een kort geheugen hebben
  2. dom zijn
  3. zich laten drijven door irrationele woede
  4. volharden in de boosheid als het gewenste beleid niet werkt 

       Over dat korte geheugen zal ik maar zwijgen. Ik heb daar zelf elke dag meer last van. Die domheid mogen we best relativeren. Met een gemiddeld IQ van 100 kom je een heel eind, al zijn er natuurlijk veel mensen die beduidend minder dan 100 halen, maar die waren er vóór de opkomst van het rechtspopulisme ook. Alleen lieten ze zich bij hun stemgedrag niet leiden door hun verstand, maar door tradities: de pachter stemde voor de landeigenaar, de katholiek stemde voor de katholieke partij, enzovoort. De vroegere staatsdragende partijen garandeerden een zeker sérieux, maar vandaag moet de individuele kiezer zelf het verschil zien tussen realistische oplossingen en loze beloften. Dat is niet makkelijk, ook voor wie zelf slim is.

     Met zijn verwijzing naar de irrationele woede van de kiezer heeft Vos gelijk. Die woede behoort tot het klimaat van onze tijd, en ze is heviger bij de lagere dan bij de hogere klassen. De redenen van de woede zijn de stagnatie van de welvaart die al enkele decennia aansleept en de in toenemende mate zichtbare massa-migratie. 

     Mensen als Vos geloven al snel dat die woede over de migratie veroorzaakt is door extreem-rechts en de populisten, maar zo werkt dat niet. Zoals Maarten Boudry laatst op De Afspraak zei: het is ‘niet zo makkelijk om mensen te indoctrineren’; er moet toch eerst een ‘zekere ontvankelijkheid zijn.’ 

     Walter Zinzen illustreerde onlangs het irrationele karakter van de volkse migratie-afkeer in een Humo-interview:


In Antwerpen sprak ik eens met Blok-kiezers. Aan de overkant van het plein zaten twee Marokkaanse mannen in lange gewaden. Ik vroeg: 'Wat hebben die mensen u misdaan?' Het antwoord: ‘Mor zie ze na eens zitten, menier!’ (lacht) Die haat komt uit de onderbuik, niet uit het hoofd. 


       Dat is een probleem dat niet snel zal weggaan, want die mannen met lange gewaden zullen ook niet snel weggaan. Wat niet helpt is om – zoals de rechts-populisen doen – olie op het vuur te gooien. Wat ook niet helpt is om – zoals de links-liberalen doen - vrome preken te houden,. Radicaal-links heeft zijn eigen remedie: migranten en autochtonen verenigen in de klassenstrijd. Dat kán werken, tot op zekere hoogte: de onderbuikgevoelens van haat richten op een ándere vijand. Maar heel goed werkt het niet, want de onderbuik laat zich niet zo gemakkelijk leiden naar een voorafbepaald doel. De ene doctrinatie lucht makkelijker dan de andere.

     De remedie van Vos is een variant van de vrome preken:

  1. de ‘zorgen’ van de rechts-populistische kiezers ‘als reëel erkennen,’ 
  2. onderwijs organiseren dat de jongeren ‘context biedt en het verleden in herinnering brengt’ 
  3. rationaliteit koppelen aan dezelfde bevlogenheid die de populisten aan de dag leggen, ‘zonder op dezelfde trommels te slaan als de [populistische] clowns’. 

     Aangezien Vos in voorkomen en optreden zelf de gravitas niet echt opzoekt, zou ik in zijn plaats het beeld van de clown niet te vaak gebruiken, maar ik apprecieer zijn pogingen om grappig en entertainend te schrijven. En zo onzinnig is zijn gepreek niet. Het is inderdaad beter om de ‘zorgen’ van de rechtspopulistische kiezers over migratie niet weg te lachen, niet te verzwijgen en niet al te veel te relativeren, als het tenmiste dat is wat hij bedoelt met ‘als reëel erkennen.’ Ook beter onderwijs kan helpen, als het maar geen politiek-correcte indoctrinatie is over ‘de lessen die we kunnen trekken uit de jaren 30’. En een scheut rationaliteit en bevlogenheid in het debat brengen kan nooit kwaad. 

     Maar het beste lijkt mij nog om de onderliggende samenlevingsproblemen ondertussen niet érger te maken met veel nieuwe asiel- en vervolg-immigratie uit Afrika en het Midden-Oosten. En hier verschillen Vos en ik wél van mening.

     En wat dat volharden in de boosheid betreft: het is verschrikkelijk moeilijk om uit te maken waarom een beleid niet werkt. Dat kan twee redenen hebben: omdat men de verkeerde maatregel genomen heeft, of omdat men de juiste maatregel niet ver genoeg heeft doorgedreven. 

 

* Zie mijn stukje hier. 

Ayn Rand en het marxisme

    Ik heb niets met Ayn Rand, al noem ik mijzelf soms een libertariër. Bij andere libertariërs, waar ik wel iets mee heb, ligt dat anders. Die halen inderdaad een deel van hun inspiratie bij Rand. Robert Nozick, die een grondige kritiek op haar ideologisch manifest in Atlas Shrugged formuleerde, noemde haar romans ‘boeiend, levendig, verhelderend en inspirerend.’ En Charles Muray van wie veel opvattingen ‘at outright odds’ zijn met de Randiaanse filosofie is altijd gefascineerd gebleven door de beschrijving van Galt’s Gulch de libertaire utopie – net het stuk in Atlas Shrugged dat mij het meeste tegenstaat.
     Maar Rand, dat moet ik toegeven, had bepaalde dingen heel goed begrepen. Ik zag een meme voorbijkomen met een Ayn Rand-citaat. Ik betwijfel de authenticiteit ervan, maar het vat goed samen waarom het politieke debat zo moeilijk verloopt.  

“De marxistische economie is grondig onderuitgehaald, weerlegd en in diskrediet gebracht. Toch verhindert dat niet dat mensen diezelfde marxistische economie blijven verdedigen. Waarom? Mensen hangen het collectivisme niet aan omdat zij een verkeerde economische theorie onderschrijven. Zij onderschrijven een verkeerde economische theorie omdat zij het collectivisme aanhangen. Je kunt oorzaak en gevolg niet omdraaien. Je kunt de oorzaak niet vernietigen door het gevolg te bestrijden. Dat is even zinloos als proberen de symptomen van een ziekte te elimineren zonder de ziektekiemen aan te pakken.”

 

     Hoogstens zou een vijand van het liberalisme de redenering mutatis mutandis kunnen omkeren. Ook zou men kunnen opmerken dat het collectivistische instinct niet helemaal samenvalt met het egalitaire instinct.


Wat betekent 'antifa'?

     Woorden hebben in de dagelijkse toepassing soms een betekenis die afwijkt van de oorspronkelijke, etymologische betekenis. Als ik het woord antifa gebruik, pas ik dat begrip toe op de kleine groepjes relschoppers die zichzelf zo noemen. Maar op FB las ik een commentaar waarin de etymologische betekenis werd hersteld. Antifa betekende gewoon antifascisme, en dat betekende op zijn beurt niets anders dan dat je een tegenstander van het fascisme was. Wat was daar nu mis mee?
      Het deed mij denken aan de redenering van Karel van het Reve die zichzelf in de jaren 70 anticommunist noemde. Dat woord kreeg toen vaak de toegepaste betekenis van ‘voorstander van extreemrechtse, autoritaire, nationalistische regimes’. Karel van het Reve was daar allemaal géén voorstander van. Hij gebruikte gewoon de oorspronkelijke betekenis: ‘tegenstander van het communisme.’
      Toch is er een verschil tussen de dubbelzinnigheid van het begrip  ‘anticommunisme’ in de jaren 70 en van het begrip ‘antifascisme’ nu. In de jaren 70 bestond er in Europa een groot blok van landen en partijen die zichzelf communistisch noemden. Je kon voor of tegen dat blok zijn. Was je tegen dat blok, dan was je een anticommunist in de etymologische betekenis én in de de meest voor de hand liggende toegepaste betekenis.
     Je kunt dat verschil ook anders benaderen. Je had indertijd zelfverklaarde pro-communisten waar je dus tegen kon zijn.  Maar waar zijn vandaag de zelfverklaarde pro-fascisten? Waar is vandaag dat fascistisch blok van landen en partijen? Waar zijn vandaag de leiders die je ‘fascisten’ kunt noemen? Tom van Grieken? Bart De Wever? Georges-Louis Bouchez? Dat is niet ernstig. Tijdens het Europese interbellum en de Tweede Wereldoorlog, tóen had je fascisten en anti-fascisten. De etymologische en de logische, toegepaste betekenis vielen samen. 

zondag 31 mei 2026

Vrijheid voor lompe racisten


 
   
Ik weet niet of Dries Van Langenhove een lompe racist is. Om dat te weten zou ik mij weer moeten verdiepen in wat die kerel allemaal gezegd en niet gezegd heeft, en dat interesseert mij niet erg. Ik ga er gewoon even van uit dat dat zo is, dat zijn rol ongeveer uitgespeeld is, en dat hij er alleen op uit is om even de aandacht te trekken met provocaties. Als ik mij vergis, dan is dat maar zo.

      Het punt dat een liberaal als ik wil maken, is dat de vrije meningsuiting moet gelden voor iederéén, dus ook voor kwaadwillige, lompe racisten. Lode Cossaer maakt dat punt in Knack, en bekritiseert en passant degenen – ‘conservatieven’ tussen aanhalingstekens – die de vrijheid opeisen voor DVL, maar die vrijheid willen ontzeggen aan

 … imams die preken over het vernietigen van het Westen, pro-Palestijnse activisten die preken over het einde van Israël, of radicale antikapitalisten die het einde van het kapitalisme — en kapitalisten — willen … Dat betekent ook dat de veroordeling van Fouad Belkacem wegens aanzetten tot haat een vergissing was. Ook hij behoorde dat te mogen zeggen …  De vrijheid van meningsuiting is ook in gevaar omdat de regering de vrijheid verder wil ondermijnen. De pogingen om nieuwe wetgeving in te voeren om een vereniging zoals Samidoun illegaal te verklaren, ook al doet die niets illegaals (dixit premier Bart De Wever), is een veel grotere illustratie van de verdere erosie van de vrijheid van meningsuiting dan de vervolging van Dries Van Langenhove op basis van een al lang bestaande wet.

      Cossaer heeft, geloof ik, gelijk dat een nieuwe, bijkomende wet, vanuit principieel standpunt erger is dan de toepassing van een bestaande wet. De argumentatie om Samidoun te verbieden brengt een bijkomend verbod in de wetgeving, namelijk op het verheerlijken van terrorisme*. Cossaer schrijft, terecht, dat de vrije meningsuiting ook het ‘hypothetisch filosoferen over mogelijk geweld tegen bepaalde groepen’ moet toelaten. Volgens dat principe mochten de geschriften van Bakoenin, Sorel, Fanon en Sartre vrij gepubliceerd worden in de liberale democratieën, en mocht mijn organisatie Amada-PVDA indertijd in alle vrijheid oproepen om ‘vroeg of laat’ een gewapende revolutie te ondernemen. 

    Maar laat ik hier het principiële terrein verlaten en mij verder beperken tot de pragmatische argumenten en tot de racismekwestie. Het bestaan en het uiten van racistische haatgevoelens heeft allerlei nadelen. Het maakt de geviseerde minderheden ongelukkig, het maakt de racisten zelf waarschijnlijk ook ongelukkig, het choqueert gevoelige zielen, het leidt tot onnodige discriminatie, het lokt onredelijke, geradicaliseerde en gewelddadige tegenreacties uit, het draagt bij aan de verharding van de maatschappij, en het kan in extreme gevallen uitmonden in de vervolging en zelfs uitroeiing van minderheden. Al die nadelen van racistische haat zijn in zekere zin voordelen van de antiracisme-wet. In welke mate die nadelen ook echt weggenomen worden door gerechtelijke vervolging van racistische uitspraken is een andere kwestie. 

    Ik wil hier, tegenover de mogelijke voordelen van de antiracisme-wet, enkele pragmatische nadelen ervan op een rijtje zetten, waarbij ik wel eens herhaal wat ik vroeger al geschreven heb. Antiracistische wetgeving …

  1. Gebruikt te rekbare criteria en legt te veel nadruk op subjectieve beoordeling van intenties
  2. Is politiek eenzijdig omdat het andere haatuitingen niét strafbaar stelt
  3. Creëert een eerste hellend vlak omdat racisme te ruim kan worden begrepen
  4. Creëert een tweede hellend vlak omdat de achterliggende mentaliteit van zo’n wetgeving ook andere vrijheidsbeperkende wetgeving kan rechtvaardigen – cf. het Samidoun-wetsontwerp
  5. Verplicht racisten tot grotere subtiliteit, wat hen in zekere zin gevaarlijker maakt**
  6. Nodigt antiracisten uit tot gemakkelijke gezagsargumenten: waarom nadenken en argumenteren als men de wet achter zich heeft?
  7. Schenkt racisten een aureool van martelaarschap
  8. Is ondemocratisch als ze een brede stroming binnen de publieke opinie betreft
  9. Is overbodig als ze een extreem kleine minderheid viseert
  10. Kan het migratie-debat beperken en scheeftrekken.

          Over dat tiende nadeel, kreeg ik een verhelderende reactie van Jurgen Ceder. 

Hoe kun je met deze wet veilig kritiek uiten op immigratie en haar negatieve gevolgen, zoals bijvoorbeeld op gebied van criminaliteit? Zoiets zet zeker aan tot negatieve gevoelens over migratie en over het beleid dat daarrond wordt gevoerd, eventueel ook tegenover de verantwoordelijke beleidsmensen. Dat allemaal behoort tot echter tot de essentie van politiek. Hoe kan je echter systematisch kritiek uiten op migratie en het beleid daarrond, zonder dat een rechter zal oordelen dat dit ook aanzet tot haatgevoelens tegenover vreemdelingen? 

    Men kan nog verder gaan. Men moet niet eens te keer gaan over de negatieve gevolgen van migratie en over criminaliteit. Alleen al de idee propageren of toepassen dat immigratie beperkt moet worden, kan haatgevoelens oproepen of versterken. Want als migranten ongewenst zijn, dan moet er met die mensen toch iets mis mee zijn, en waarom kunnen we ze dan niet in een moeite door gaan haten?

     Goed, laten we niet overdrijven. Er zal vandaag geen rechter te vinden zijn die verblind genoeg is om Anneleen Van Bossuyt op grond van die redenering te veroordelen, maar de formulering van de wet is eigenlijk rekbaar genoeg om zo’n veroordeling te rechtvaardigen. Van Bossuyt zou zich geloofwaardig kunnen verdedigen dat haat tegen migranten niet het doel van haar beleid en van haar communicatie is, maar ze zou moeten toegeven dat ze wéét dat dat een van de gevolgen kan zijn. Als je wéét dat een slag dodelijke gevolgen kan hebben, heb je dan ook niet de intentie om te doden?

      Het moge duidelijk zijn dat die pragmatische redenen niet allemaal even zwaar wegen. Het martelaarschap-argument maakt op mij niet veel indruk, hellend-vlakargumenten zijn altijd betwistbaar, en het migratiedebat-argument mogen we, zoals gezegd, niet overdrijven. Maar alles samen vormen de pragmatische nadelen een mooi pakket tegen de mogelijke voordelen van de wet. 


* Het wetsontwerp wil organisaties ook kunnen verbieden op grond van het onbewezen vermoeden van organisatorische banden met terroristische organisaties. Die restrictie valt volgens mij buiten de kwestie van vrije meningsuiting, maar is eveneens strijdig met de liberale traditie volgens dewelke terroristische organisaties als de IRA en de ETA verboden waren, maar sympathiserende organisaties als Sinn Fein en Herri Batasuna niét verboden waren.

** Hier zou je echter tegenin kunnen brengen dat racisme het gevaarlijkst is als het tegelijk op het subtiliteit en grofheid inzet, om zo het breedst mogelijke publiek te bereiken. 

zaterdag 30 mei 2026

Eric Röhmer en het marxisme

     Mijn zoon kreeg geschiedenis van een lerares van mijn generatie. Hij leerde onder andere dat Marx de grondlegger was van het ‘wetenschappelijke socialisme’. Ze had het een paar keer herhaald: het socialisme van Marx was wetenschappelijk. Wie vijf minuten nadacht over de definitie van ‘wetenschap’ had kunnen weten dat dat onzin was. En wie het marxisme een beetje kende en onafhankelijk nadacht kon zien dat het ‘dialectisch materialisme’ van Friedrich Engels een primitieve metafysica was, en het ‘historisch materialisme’ van Karl Marx in het beste geval een invalshoek van waaruit je naar de geschiedenis kon kijken, niets meer. 
     Maar in de vroege jaren zeventig was onafhankelijk nadenken over die kwestie niet in de mode. Veel jonge intellectuelen hadden een poster ophangen met een tekst van Mao Zedong Tegen de stroom ingaan is een marxistisch principe, maar zelf lieten ze zich liever met de stroom meevoeren. Je kon in die tijd in een beschaafd gezelschap kiezen tussen drie mogelijkheden: je kon zwijgen over het marxisme, je kon jezelf er een aanhanger van verklaren, of je kon – gevaarlijk – er kritiek op hebben. Maar je kon niet zeggen dat het marxisme geen wetenschap was. Dan was je niet alleen een rechtse hond, je was ook dom.
     Je had in die tijd het invloedrijke tijdschrift Cahiers du cinéma. Er wordt een fraai beeld geschetst van de sfeer op de redactie in de film Nouvelle vague. Toen Eric Röhmer zijn film Ma nuit chez Maud had uitgebracht werd hij, die zelf hoofdredacteur van het blad was geweest, geïnterviewd. Geraard Goossens plaatste onlangs een fragment uit dat interview op zijn FB-pagina. Röhmer werd in het interview bekritiseerd omdat hij een marxist ten tonele had gebracht die aarzelde en speculeerde, in plaats van wetenschappelijke analyses te maken. 

 

In een scène uit Ma nuit chez Maud speculeert Vitez over de kansen op de overwinning van het socialisme. Als communist hoort Vitez zich echter te baseren op een wetenschap, het historisch materialisme, dat de komst van het socialisme beschouwt zonder enige weddenschap of speculatie.

Pas op. Het marxisme wedt niet, maar men kan wel op het marxisme wedden. Voor zover het historisch materialisme geen wetenschap is …

Het historisch materialisme is een wetenschap.

Nee. Het is een filosofie. U moet mij niet komen vertellen dat het marxisme een wetenschap is. Dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken, zal niemand ontkennen. Maar het dialectisch materialisme …

Wij zeiden ‘historisch’.

Goed dan, het historisch materialisme — men kan juist de grondslagen ervan ontkennen. Ik bijvoorbeeld ken het geen enkele waarde toe, behalve die van een filosofisch systeem, naast andere. Maar het is geen wetenschap.

 

          De arrogantie waarmee de interviewer tot twee keer toe Röhmer onderbreekt om hem de les te spellen zal ook de jonge lezer opvallen. Maar je moet jaren zeventig gekend hebben om de twee soorten naïviteit te herkennen. De dogmatische naïviteit van de meeloper en de complexloze naïviteit van het kind dat luidop en als enige vaststelt dat de keizer geen kleren aan heeft. Röhmer was misschien geen marxist, maar hij aarzelde geen moment om ‘tegen de stroom in te gaan’,  ook al was die stroom breed genoeg om iedereen te omvatten die ertoe deed: de traditionele communist, de verstokte compagnon de route, de ruige maoïst en de modieuze, pijprokende, jazz-minnende intellectueel in rolkraagtrui. 

     Ik kan mij ongeveer voorstellen welke slechte indruk dat interview op mij zou hebben gemaakt als ik het in 1970 had gelezen, ongeveer het moment dat Ma nuit chez Maud gedraaid werd op het filmforum van mijn college. Iemand die langs zijn neus weg vertelt dat hij aan het marxisme geen enkele waarde toekent’!  

donderdag 28 mei 2026

Het vrije woord van DVL

 


1.
Ik zal hier niet ingaan op het precieze vonnis dat de rechtbank tegen Dries Van Langenhove heeft uitgesproken. Ik geloof zonder meer dat DVL in die Leuvens aula meer gedaan heeft dan op een neutrale manier criminaliteitscijfers van migranten citeren. Als de rechter zegt dat DVL’s denigrerende uitspraken als doel hebben om haatgevoelens op te wekken, kan hij best gelijk hebben*. 

2.
 Het is een clubje van usual suspects dat de veroordeling van DVL toejuicht, en het is een even voorspelbaar clubje dat de veroordeling, hoe zal ik het zeggen, veroordeelt. Ik behoor tot dat tweede clubje
.

3.
Tussen die clubjes bestaat er enige animositeit. De club die censuur tegen DVL toejuicht, richt twee verwijten aan de andere club. Het ene verwijt is dat men een racist verdedigt omdat men zelf een racist is. Ha, Maarten Boudry verdedigt DVL? Dan is ‘de cirkel rond.’ Het andere verwijt is dat de voorstanders van het absolute vrije woord de ‘objectieve bondgenoten van de racisten zijn.’ Frank D’hanis poetst dat oude cliché op door een slimme formulering te gebruiken. Die vrije-meninguiters trappen volgens hem ‘in het valletje van de fascist.’

4.
Dat Bart Eeckhout van De Morgen zich tegen de ‘haatwetgeving’ keert is niet onverwacht. Maar eerlijk gezegd: het doet deugd. Anders bestaat ons clubje uit halve en hele geloofsgenoten van Van Langenhove, woke-haters, onverbeterlijke libertariërs en dwangmatige heterodoxen. Het is fijn dat er zich ook een gerespecteerd man in ons gezelschap bevindt. Ik voel mij als een communist van de jaren 60 die met genoegen vaststelt dat zelfs de Belgische koningin of de deken van Canterbury het rode paradijs genegen zijn. Of als een anarchist van begin 20ste euw die vorst Kropotkin als een medestrijder mag beschouwen.

5.
Het is tegennatuurlijk om het vrije woord te verdedigen van politieke tegenstanders. Laat ik daarom als rechtse liberaal het goede voorbeeld geven. Ik ben voor de vrije publicate van communistische propaganda, van fascistisch gestook, van syndicale agitatie, van antisemitische columns, van anti-Navo stemmingmakerij, van islamistische preken, en van FB-stukjes van Frank D’hanis.

6.
Het is niet alleen emotioneel, maar ook intellectueel moeilijk het vrije woord van tegenstanders te verdedigen. Een van de redenen die J.S. Mill aanhaalt in zijn vrijheidspleidooi is dat je tegenstander geheel of gedeeltelijk gelijk kán hebben. Kan ik mij voorstellen dat Van Langenhove geheel of gedeeltelijk gelijk heeft? Nou ja, radicaal-rechts** heeft indertijd ongeveer als enige en eerste gewezen op de problemen van multiculturaliteit en de noodzaak om migratie af te remmen. Sommige van die radicaal-rechtse ideeën zijn nu, terecht vind ik, mainstream geworden.

7.
De argumenten voor het vrije woord zijn al lang gekend. Censuur is contraproductief, verreist een subjectieve beoordeling***, verwart ethiek en politiek, nodigt uit tot conformisme en intellectuele luiheid, en dreigt waardevolle meningen samen met verwerpelijke te veroordelen.

8.
Bij het vrije woord kan men niet om de kwestie van ‘de grens’ heen. Vrije-meninguiters stellen een harde grens voor als het gaat om concrete oproepen tot geweld of om laster. Dat moet strafbaar blijven. Maar zelfs daar is de grens poreus. Kan men een syndicale betoger vervolgen omdat hij middels een spandoek voorstelt op Bart De Wever op te hangen? Is dat een oproep tot geweld? Mocht De Wever de syndicalist willen vervolgen, dan zal een rechter over deze kwestie moeten oordelen, en als hij enige wijsheid heeft, zal hij de klacht verwerpen. De kans dat De Wever echt wordt opgehangen als gevolg van die spandoek is té klein.

9.
Maar de grens van de vrije-meningbeperkers is véél poreuzer. Hun grens begint bij hate speech. ‘Haat is geen mening,’ zeggen ze dan. Dat is natuurlijk waar. Haat is een gevoel. Maar wat ze bedoelen is dit: een mening kan voorkomen uit haatgevoelens, of het uiten van een mening kan haatgevoelens oproepen of versterken. Et alors? De emotionele oorzaak of gevolgen mogen geen reden zijn om die mening niet als mening te behandelen: dat wil zeggen: bijtreden, weerleggen, wegwuiven of links laten liggen.  Maar uit welke gevoelens een bepaalde mening voortspruit is een zaak voor zielkundigen, en tot welke resultaten een mening leidt is iets voor maatschappelijke vorsers. Ik zou de rechters er buiten laten.

10.
Woorden hebben hun gevolgen, hoor je. Dat is waar. Het is de harde, ik zou haast zeggen, ‘ontmenselijkende’ kritiek op Pim Fortuyn die tot de moord op hem hebben geleid. Maar ik vind dat geen reden om harde, desnoods ontmenselijkende kritiek op figuren als Fortuyn te verbieden. Als men morgen Bart De Wever vermoordt, ken ik een heleboel mensen die ik daarvoor moreel verantwoordelijk zal achten. En toch vind ik het een goede zaak dat die harde De Wever-kritiek in alle vrijheid kan bloeien. 

11.
Stel dat de lezer en ik het eens zijn over de vraag of DVL’s meningen voortspruiten uit haat, of tot haat aanzetten. Maar dan stelt zich het probleem van het hellend vlak. Stoppen we bij DVL? Neem een ander geval. Maarten Boudry geeft commentaar bij het vrt-onderzoek naar o.a. intolerantie in Vlaanderen. Een tegenstander is het niet eens met Boudry’s conclusie dat de tolerantie bij mensen afkomstig uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten het laagst ligt. Hij bekritiseert Boudry’s verkeerde opvatting van statistische representativiteit en concludeert: ‘Dat maakt dat deze uitspraak in feite gewoon een platte 
hate crime is.’ En de Boudry-tegenstander gaat nog verder: onderzoek om wél representatieve cijfers over de kwestie te verzamelen en te publiceren is op zich ook al een hate crime****. Dus eerst Dries Van Langenhove, dan Maarten Boudry, en dan onderzoekers als Ruud Koopmans? Waar houdt het op?

12.
Bovenstaande Boudry-kritiek doet terloops een andere vraag rijzen: is die kritiek een geval van laster: een onderzoeker verwijten dat hij een hate crime begaat? Ikzelf vind dat geen laster, maar dat komt omdat ik het hele concept van hate crime belachelijk vind. Mocht men Boudry beschuldigen van seksueel kindermisbruik, dat zou voor mij wél laster zijn. 

13.
Ach, haat. Ik heb er zelf niet veel last van, en ik begrijp het niet goed bij anderen. De Boudry-haat bij een deel van de linkerzijde verbijstert mij.

14.
Privé-domein heeft een selectie brieven van Flaubert uitgebracht onder de titel Haat is een deugd. Ik heb die brieven meerdere keren gelezen, in een tijd dat ik niet veel las. Maar mijn eigen vermogen tot haat is zeer beperkt, zeker als het om echte mensen gaat. Maar ook als het gaat om abstracte groepen, ligt het niet in mijn aard om veel te haten. Ik heb niets, of weinig, tegen allochtonen, autochtonen, joden, moslims, Hollanders, katholieken, atheïsten, toeristen, reclame-makers, middenstanders, ambtenaren, schoolmeesters, managers, grootverdieners, uitkeringsgerechtigden, journalisten, columnisten, bakfietsrijders, BMW-automobilisten of elektrische-stepgebruikers. Als iemand echter een van de groepen wil beledigen, hoop ik dat hij dat met een zekere mildheid doet, en als dat niet kan, met enig zelfrelativerend cynisme.

15.
Ik had een kleine discussie op FB over de grenzen van toelaatbare en ontoelaatbare vrije meningsuiting. Mijn opponent schreef:

 De vrijheid van meningsuiting stopt waar ze doelbewust wordt ingezet om groepen mensen te ontmenselijken of als inherent crimineel af te schilderen … Het gaat … om systematische generalisaties die individuen reduceren tot een bedreiging op basis van afkomst. Vrijheid van meningsuiting is geen vrijgeleide om bevolkingsgroepen als oorzaak van “alle problemen” te bestempelen. Dat is geen analyse, dat is agitatie … Het gaat niet om stevige kritiek op individuen, maar om systematische framing van hele bevolkingsgroepen als inherent gevaarlijk of minderwaardig. Dat is geen debat, dat is het normaliseren van vijanddenken.

     Hier worden veel kwalijke kenmerken opgesomd die men in een polemiek kan aantreffen: framing, vijanddenken, geen analyse maar agitatie, ontmenselijking, reduceren van individuen, doelbewust en systematisch generaliseren, iets of iemand als oorzaak van álle problemen voorstellen, iemand inherente kenmerken toeschrijven. Iemand die dat allemaal tegelijk doet, is geen hoogstaande polemist. Hij is een stoker. Maar is hier iets bij dat verboden moet worden?
      Waarom zou iemand geen agit-prop stuk mogen schrijven waarin met de nodige generalisering de hele N-VA geframed  wordt als een vijand en een bedreiging, waarin alle N-VA-leden gereduceerd worden tot bijna-fascisten, en waarin die partij doelbewust en systematisch wordt voorgesteld als inherent gevaarlijk en de oorzaak van alle problemen in ons land? En voor de ontmenselijking zorgen twee illustraties, een van Theo Francken met een varkenskop, en een van Bart De Wever met een Hitler-snor.
     Ik geef het toe: mijn vergelijking loopt mank. Ik vermoed dat mijn opponent die kwalijke eigenschappen alleen wettelijk strafbaar wil zien als het gaat om bevolkingsgroepen ‘op basis van afkomst’ en niet op basis van politieke overtuiging. Ook ik vind gestook tegen mensen op basis van afkomst gemener dan gestook tegen mensen vanwege hun gedrag, hun overtuiging, hun godsdienst of hun maatschappelijke positie. Maar ik vind het verschil niet groot genoeg om het ene gestook wettelijk toe te laten en het andere gestook wettelijk te verbieden. 

16.
Een ander argument tegen het onbeperkte vrije woord gaat als volgt. Het recht op vrije meningsuiting moet worden afgewogen tegenover andere mensenrechten. Een nogal heftige polemist op FB verwoordde het zo, als antwoord op een post van Boudry: 

Ja, in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat - schijnbaar! - een soort absolute vorm van vrijheid van meningsuiting beschreven, namelijk artikel 19 … Maar, alleen een regelrechte hansworst stopt dan met lezen én nadenken. Want dan anders kom je sowieso artikel 30 tegen:“Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.”Het is echt wel duidelijk hoe we dit moeten lezen: Ja, er is een verregaand recht op vrijheid van meningsuiting, maar NIET als het andere rechten ondergraaft. En dat omvat bijvoorbeeld het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van uw persoon (art 3), bescherming tegen een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (art 5), gelijke bescherming onder de wet (art 7), bescherming tegen willekeurige arrestatie, detentie of verbanning (art 9), recht op asiel (art 14), recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art 18) en ga zo maar door. Ondergraven van al die rechten doe je bijvoorbeeld door op te roepen tot haat en discriminatie.

     Maar artikel 30 is geen specifieke beperking op artikel 19, maar op alle bepalingen die voorafgaan. Slechts in enkele gevallen, zie ik in hoe een bepaling in strijd kan zijn met andere rechten. Als bijvoorbeeld artikel 18 iedereen de vrijheid toekent om zijn godsdienst te belijden door ‘inachtneming van de geboden en voorschriften’ dan houdt dat niét in dat ook religieuze mensenoffers of clitoridectomie toegelaten moeten zijn. Dat zou immers strijdig zijn met artikel 3: recht op leven en recht op fysieke integriteit.
     Ook andere rechten kunnen met elkaar in tegenspraak komen, al is dat
 altijd in twee richtingen. Het is best mogelijk dat het recht op eigendom (art. 17) in strijd is met bepaalde sociale rechten (art. 23-25). Dan geldt het omgekeerde ook: dat die sociale rechten in strijd zijn met het recht op eigendom.
     Maar met de vrije meningsuiting zie ik de tegenstrijdigheid niet. Dat een spreekbeurt van Dries Van Langenhove het leven en de vrijheid van allochtonen bedreigt, of rechtstreeks leidt tot wrede bestraffing, willekeurige opsluiting, rechtsongelijkheid en godsdienstvervolging, dat lijkt mij vergezocht. En dat het ónrechtstreeks kan leiden tot allerlei misdaden tegen de menselijkheid, dat kan best zijn, maar tja, onrechtstreeks … 

17.
Een leuke reactie vond ik deze: ‘Ik voel geen empathie met DVL, want die heeft zelf geen empathie voor hele bevolkingsgroepen.’ Dat is een correcte toepassing van het beginsel van wederkerigheid. Maar bij vrije meningsuiting kun je dat niet toepassen zonder in een paradox te verzeilen. Het is niet omdat we vermoeden dat DVL zich niets aantrekt van de vrije meningsuiting van zijn linkse en andere tegenstanders, dat zijn linkse en andere tegenstanders zich niets moeten aantrekken van zijn recht op vrije meningsuiting. Beperkingen op het vrije woord van radicaal-rechts (of de mentaliteit erachter), kunnen later altijd gebruikt worden tegen radicaal-links. Enzoverder.

 

* Koen Lemmens legt op x.com uit waarom het vonnis, ondanks gebrekkige formulering, conform is met de huidige wetgeving. Zijn conclusie: Het debat zal dan toch eerder moeten gaan over de wetgeving als zodanig, eerder dan over de toepassing van de wet in dit bijzonder geval.

** Ik heb lang geleden in enkele stukjes uitgelegd waarom ik in DVL een cryptofascist vermoed, die zich als een radicaal-rechtse nationalist voordoet. Zie hier.

*** Het beoordelen van intenties hangt bijna altijd af van subjectieve interpretatie. Men kan intenties niet vermijden in de rechtspraak: denk aan het onderscheid tussen doodslag en moord. Maar het bestaan van een misdaad volledig laten afhangen van het al dan niet aanwezig zijn van een intentie, lijkt mij verregaand. Bovendien, als het om een politieke materie gaat maakt ons tribalisme het moeilijk om intenties fair te beoordelen.

**** Gelukkig zijn er, geloof ik, niet veel rechters die dié redenering zouden volgen.

woensdag 27 mei 2026

Verzamelde kortjes

 Kinderrijmpjes
     Wat ik in De Standaard der Letteren nooit oversla is de laatste bladzijde, waarin auteurs geïnterviewd worden over hun lievelingsboeken. Soms is daar een boektitel bij die ik herken en dan ben ik trots. In het interview met Sarah Hall (DSL 25/4) herkende ik iets anders. ‘Vaak hoor ik in mijn hoofd,’ zegt ze, ‘hoe mijn moeder rijmpjes zong: Oranges and lemons, say the bells of St Clements.’ Ik ken het rijmpje uit 1984 van Orwell. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ik dat rijmpje stilletjes voor mij uit gepreveld heb, terwijl ik bijvoorbeeld aan het winkelen ben. En ook dat andere rijmpje: Apples and pears, say the bells of St Clares.



De centrum partijen

     Harold Polis bespreekt drie boeken die duiding geven bij crisis die de centrumpartijen nu doormaken (DSL 25/4). Die boeken zijn geschreven door  Pepijn Corduwener, door Catherine De Vries en door Adrian Wooldridge. Zouden die auteurs een oplossing hebben voor die crisis? Ik lees: meer verzorgingsstaat, meer aandacht voor het platteland, minder obsessieve efficiëntie, minder globalisme, de burgers beschermen tegen de markt, publieke voorzieningen herstellen, integratie afdwingen, de openbare orde heroveren, big tech temmen, minder fixatie op materiële welvaart. Ik noteer de namen van de auteurs, maar ik denk bij mijzelf: dat zullen weer van die knappe analyses zijn waarbij vooral het laatste hoofdstuk tegenvalt: daar waar de oplossingen worden voorgesteld.




Zwartkijken van Franquin

     Het prachtige album Zwartkijken (Les idées noires)  van Franquin is opnieuw uitgegeven, met een uitgebreide inleiding. In zijn recensie (DSL 25/4) geeft Simon Demeulemeester commentaar bij een grap over mitrailleurs, straaljagers en raketten die veranderen in stront, stront waar de generaals in verdrinken. Ik schrijf wel generaals maar ik ben eigenlijk niet zeker van hun graad. Ik hoop in elk geval dat die onsmakelijke verdrinkingsdood zich slechts vanaf het niveau van generaal voordoet, en dat bijvoorbeeld de kolonels gespaard blijven.  Mijn vroegere buurman was kolonel.
     Maar daar gaat het niet om. Het gaat hierom. De recensent schrijft: ‘Oorlogshitsers in de stront laten zakken, is precies wat een heer van stand hoort te doen.’ Ik kan bij het lezen van die zin niet anders dan even aan Theo Francken denken die door ‘heren van stand’ vaak een oorlogshitser wordt genoemd. Als ik nu een 
heer van stand was, liet ik Theo dus door de stront zakken.

    En Poetin dan? Maar dát is geen oorlogshitser, dat is een oorlogsvoerder.



Stad en platteland in de VS

     Hoe komt het dat de stedelijke bevolking in de VS grotendeels stemt voor de Democraten en de plattelandsbevolking grotendeels voor de Republikeinen. Ester Meerman (DS 22/4) heeft een sociologische verklaring gevonden: 

  

Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn. 

       Hork, dat begrijp ik, maar arrogant? Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland? Als ikzelf in een grote stad kom – Antwerpen, Brussel, Kortrijk – heb ik altijd de indruk dat iedereen op mij neerkijkt. Vooral het zelfvertrouwen van de tieners intimideert mij. Als mijn vrouw mee is ben ik van niemand bang, maar als ik alleen tussen die mensen loop, voel ik mij niet op mijn gemak. 



Reynebeau over klimaat en migratie

     In zijn wekelijkse column – kan De Standaard die niet op twééwekelijks brengen – pleit Reynebeau, volgens de titel en de inleiding, voor meer nuance in het debat over migratie en klimaat.


 Is klimaat rechts, en klimaat links? … Iedereen heeft er belang bij en spreekrecht in. Elke kant heeft baat bij nuance en de tegenspraak die de andere kant brengt.

        Ik heb het stuk snel gelezen en begrepen dat zowel rechts als links in eigen boezem moet kijken. Rechts moet in zijn standpunt over milieu meer nuance brengen en links moet in het debat over migratie voor meer tegenspraak zorgen. 


De vernielde woningen in Gaza
       In de Gaza-oorlog zijn ongeveer 70.000 Palestijnen omgekomen door Israëlische bommen en kogels. Door in de statistieken het aantal jonge mannen af te zetten tegen vrouwen, jonge kinderen en bejaarden, kan men gaan extrapoleren. Wellicht waren 1/3 van de slachtoffers militairen van Hamas en 2/3 burgerslachtoffers. Met andere woorden 2 procent van de burgerbevolking is omgekomen in een oorlog die bijna 2 jaar heeft geduurd.
    Eigenlijk heb ikzelf intuïtief een véél, véél groter aantal slachtoffers in mijn achterhoofd. Dat komt door de beelden van de vernietigde huizen die ik zo vaak op het Nieuws gezien heb. 65 procent van de woningen is totaal vernield. Mijn intuïtie past diezelfde verhouding haast automatisch toe op het aantal doden. Wie kan in godsnaam zo’n vernieling overleefd hebben?
     Maar dan lees ik in de dagelijkse FB-post van Paul Cordy over het bombardement van Rotterdam op 15 mei 1940: de binnenstad werd verwoest, er waren meer dan 700 doden en 80.000 mensen waren dakloos. Ik denk dan: máár 700 doden? 


De vulva en de anus
   Veertien artsen, gezondheidsexperts en onderwijsprofessionals willen dat het schoolse curriculum, van de kleuterklas tot het secundair, meer aandacht besteed aan het vrouwelijk lichaam. Anneleen Boderé, leerondersteuner in het basisonderwijs en taalkundige formuleert het zo: 

Meisjes kennen informele woorden voor het vrouwelijk geslachtsdeel, zoals muis, poepje of voorpoep, maar die kunnen tot verwarring leiden. Want waar voelen ze pijn als ze zeggen dat ze pijn hebben aan hun poep? De enige juiste term voor de uitwendige geslachtsorganen is vulva. 

`    Zo’n uitleg kregen we ook in het vijfde leerjaar. ‘Sommige mensen,’ zei meester Dutoit, ‘durven bij de dokter niet goed zeggen dat ze pijn hebben aan hun achterwerk. Ze willen geen vulgaire woorden gebruiken, en zeggen dan dat ze pijn hebben aan hun ‘rug’. Het enige juiste woord is anus.
     Ik heb geloof ik in mijn hele leven nog nooit het woord anus gebruikt, behalve in het Schopenhauer-citaat: Obit anus, abit onus. 


Mooie krantenkoppen
    Het was een mooie oogst deze week, zeker voor iemand die snel tevreden is, zoals ik. 

  • Bijna 1 Vlaming op de 20 sterft na euthanasie.
  • Borrelnootjes zitten in de hoek waar de klappen vallen, maar blijven overeind
  • Theatermaker Jozefien Mombaerts worstelt met de vraag: hoe voed je een jongen van zeven op?

Bij die eerste koppen grinnikt de eindredacteur in mij. Bij de laatste kop wordt de hoofdredacteur wakker. Hier kunnen we een jaarlijks terugkerende interviewreeks van maken.  ‘Hoe voed je een jongen van acht op?’ Hoe voed je een jongen van negen op?’ Naar mijn smaak kun je doorgaan tot: ‘Hoe voed je een jongen van achttien op?’ Daarna moeten we weer wat anders verzinnen.



Lize Spit over plot in literatuur

     Mocht ik vandaag nog Nederlandse les geven in het vierde middelbaar, dan zou ik zeker het essay van Lize Spit over ‘plot in de literatuur’ gebruiken (DSL 2/5).  Spit begint met een mop (en een waarschuwing dat de lezer de mop niet grappig zal vinden): 


Een man graaft een gat in zijn tuin. Zijn buurvrouw vraagt : ‘Waarom graaft u een gat in uw tuin, buurman.’ De buurman antwoordt: ‘Om mijn vis in te begraven.’ ‘Uw vis? Waarom zo’n groot gat dan?’ Waarop de buurman zegt: ‘Mijn vis is opgegeten door uw kat.’

     Het leuke is nu dat Spit enkele alinea’s verder met dat verhaal precies hetzelfde doet als wat ik mijn leerlingen als oefening opgaf: ‘Vat het verhaal samen als story in plaats van als plot.’  Zo’n samenvatting moest dan ongeveer beginnen zoals Spit begint: ‘Een man graaft een gat in zijn tuin om de kat van de buurvrouw te begraven die zijn vis heeft opgegeten.’ De slotzin van Spit past volledig binnen de stilistiek die ik mijn leerlingen probeerde bij te brengen. ‘Waarop de buurman de waarheid zegt.’
     Het verhaal dat ik als eerste oefening gebruikte was iets langer, een bladzijde lang, en ging over een rechter die ontvoerd was door gangsters en over de politie die in verband daarmee een chantage-brief ontving. Het verhaal werd door de auteur natuurlijk in een andere volgorde verteld. De leerlingen moesten de feitelijke volgorde herstellen, de lacunes opvullen, de verbanden expliciet maken en de gebeurtenissen abstracter formuleren. Om ze op weg te helpen bij hun opdracht, dicteerde ik de eerste zin. ‘Een rechter wordt ontvoerd door gangsters.’ 



Kippenvelmoment
     Josse de Pauw besluit zijn stuk in DSL van 2 mei met een korte alinea: ‘Ik las over iemand die goed aliens kan nadoen en vraag me nu al de hele dag af: hoe doe je dat?’ Ik had dat ook gelezen, over die aliens, en me dezelfde vraag gesteld, maar niet de hele dag.
     Verder gaat het stuk alle richtingen uit. Het gaat over de opvoering van Sancta, over Melania Trump, over Anneleen Bossuyt, over het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, over onze kredietwaardigheid en over het woord ‘snoeshaan’. Maar ik word vooral getroffen door volgende alinea: 

Bij het horen van het woord ‘kippenvelmoment’ word ik een beetje misselijk. Afhankelijk van hoe enthousiast het wordt uitgesproken, kan dat leiden tot braakneigingen, en wanneer de spreker dan ook nog zijn ontblote voorarmen gaat tonen als bewijs, komt het er, ondanks de moeite die ik doe, langs mijn neus uit. 


    Langs zijn neus dan nog! We weten allemaal dat dat erg pijnlijk is. De Pauw stoort er zich aan dat die mensen door naar dat kippenvel te verwijzen over zichzelf praten, over hun gevoeligheid, over hun ontroerbaarheid. Maar is dat nu zo erg? Praat De Pauw nooit over zichzelf? Ik herinner mij nog levendig dat een vriend ooit over een kippenvelmoment sprak en daarbij een voorarm ontblootte om te laten zien dat de haartjes alweer, toen hij er nog maar aan dacht, opnieuw rechtkwamen. Ik vond dat een naïef gebaar, maar toch ook ontroerend. Ik ben dan ook erg ontroerbaar. 




Maar één keer zien

     Naar aanleiding van de film Die My  Love, sprak recensente Fien Meynendonckx (DS 28/4) van ‘onvergetelijke films die je maar één keer wil zien.’ Dat is een treffende omschrijving van een niet onbelangrijke categorie van films. Mijn zoon noemt dat films waarvan hij blij is dat hij ze gezien heeft.’