‘De mensheid heeft drie grote schrijvers voortgebracht,’ zei onze leraar Grieks in het tweede middelbaar, ‘Homeros, Dante en Guido Gezelle.’ Ook was hij van mening dat de geschiedenis het van ‘grote mannen’ moest hebben. Een van die ‘grote mannen’ was Benito Mussolini, ‘een schoolmeester, maar hij sprak wel vijf talen.’ Ik was veertien, en niet erg onder de indruk. Mijn vader sprak ook vijf talen, waarvan vier perfect, en één goed genoeg om te tolken voor Amerikaanse rechtbanken. Maar in elk geval, dankzij de leraar wist ik nu dat er een zekere Mussolini had bestaan, een ‘grote man’ zoals Hannibal en Caesar, al was hij nog niet zo lang dood als die twee andere.
Niet veel later leerde ik dat Mussolini in het zelfde hoofdstuk thuishoorde als Hitler. Het waren allebei fascisten. In de bibliotheek ontleende ik het boek van Ernst Nolte Het fascisme. De tekst vond ik onleesbaar – dat vind ik vandaag nog altijd – maar ik kon niet genoeg krijgen van de plaatjes in het boek. Op het schutblad stond een foto van Mussolini en Hitler die allebei, voor één keer, breed glimlachten.
Véél later leerde ik weer iets anders. Dat Hitler en Mussolini, met al hun gelijkenissen, toch ook weer heel verschillend waren. Hitler keek op naar Mussolini, maar omgekeerd moest de Italiaan niet zoveel van die Duitse Oostenrijker hebben. Oostenrijkers waren eigenlijk de vijand van Italië. Die Hitler was in wezen een halve gare fantast, die alleen realistisch was in zijn taktiek. Mussolini was het tegenovergestelde: een realistische boer die allerlei fantasieën inzette als taktiek om populariteit en macht te veroveren en te behouden.
Zowel Mussolini als Hitler waren in de eerste plaats anti-democraten en anti-liberalen. Verder waren ze halve socialisten, maar tegelijk doodsvijanden van het marxisme, en van de socialistische en communistische partijen. Ze moesten niets hebben van de klassenstrijd, het moest andersom: het hele volk – arbeiders, boeren, winkeliers, industriëlen – moesten elkaar niet bekampen; ze moesten integendeel solidair zijn tegen een ándere vijand. Voor Hitler was die vijand redelijk goed omschreven: de jood, het bolsjewistisch gevaar, de kapitalistische democratieën, en iedereen die de Duitse expansie in de weg stond. Het vijandbeeld van Mussolini was minder duidelijk. Uit de biografie van Nicholas Farrell heb ik begrepen dat hij het vooral gemunt had op een bepaalde levensstijl: de ‘vita comoda’, het kleinburgerlijk leven dat comfort hoger aansloeg dan heroïek. Dát heroïsch wereldbeeld was natuurlijk ook Hitler niet vreemd.
*
Die biografie van Farrell is al wat ouder, van 2003, en niet zo goed. Ik had ze gekozen omdat ik geen zin om een ‘linkse’ biografie te lezen. Ik dacht: die Farrell is een journalist, een rechts-liberaal, een provocateur, een columnist, dus dat boek zal vlot weglezen. Dat viel tegen. De Nederlandse vertaling was soms verkeerd en bijna altijd stroef. Ik moest voortdurend stukken van zinnen stilletjes in het Engels vertalen om te begrijpen wat er stond. En als het over complexe episodes ging, raakte ik door de tijdsprongen, de verwarrende herhalingen en de waterval aan namen en data gemakkelijk de draad kwijt. Tobias Jones noemde het boek in The Guardian ‘a bit of a cut-and-paste job’ gebaseerd op de monumentale, alleen in het Italiaans verschenen biografie in acht delen van Renzo De Felici. Die knip-en-plak kritiek kan ik volgen.
Jones schrijft ook dat Farrell het voorstelt alsof het fascisme alles samen genomen ‘nog zo erg niet was,’ althans vóór het zijn lot verbond aan het nazisme. Dat is een terechte kritiek, maar het is niet zo’n groot bezwaar als je zou denken. Ten eerste is het gewoon waar dat de de grootste misdaden van het fascisme er pas kwamen na het bondgenootschap met Duitsland en tijdens de daaropvolgende oorlog. Ten tweede is het weliswaar vervelend dat Farrell een tiental keren herhaald dat Mussolini iets ‘goed bedoelde’, of dat de architectuur onder zijn bewind helemaal niet zo lelijk was als linkse critici beweren, maar ik kan daar makkelijk over heen lezen, en misschien is die architectuur inderdaad niet zo lelijk. Ten derde heeft Farrell waarschijnlijk gelijk als hij beweert dat de antifascistische geschiedsschrijving wel eens bevooroordeeld is, en dat een dosis revisionisme kan helpen om een evenwichtiger beeld te krijgen.
Als rechts-liberaal gelooft Farrell dat Mussolini Italië een dienst heeft bewezen door het voor een communistische revolutie en dictatuur te behoeden. Dat was ook de mening die Ludwig von Mises in 1927 naar voren schoof in zijn boek Liberalismus. Dat is geen absurde veronderstelling. De socialistische strekkingen in het Italië van 1919-1920 stonden inderdaad veel dichter bij het revolutionaire communisme dan bij de sociaal-democratie. Maar het is speculatief om te beweren dat een rode regering meer rampspoed voor de Italianen had gebracht dan een zwarte. We kennen alleen het tweede scenario.
Een nadeel van Farrells revisionisme is dat hij bij elke historische controverse geneigd is om die bronnen te selecteren die Mussolini in een gunstig daglicht stellen: zijn pogingen om het fascistisch straatgeweld in te dijken, zijn rol in de moord op Matteotti, zijn ‘succes’ in de strijd tegen de maffia, zijn verzet tegen Hitlers oorlogsplannen. Hij hecht gemakkelijk geloof aan getuigenissen die in zijn kraam passen. Maar omdat hij zijn bronnen en redeneringen redelijk goed aangeeft, kan de kritische lezer ook de betrekkelijkheid van de argumentatie doorzien. Een lezer als ik denkt dan: ‘Misschien heeft hij gelijk, misschien heeft hij ongelijk. Als ik het echt wil weten, moet ik maar tien andere biografieën lezen en dan vergelijken.’
Om het politieke talent van Mussolini te benadrukken herhaalt Farrell verschillende keren een uitspraak die Lenin tegenover Italiaanse socialisten zou hebben gedaan: ‘Mussolini is de enige onder jullie met de geest en het temperament om een revolutie te ontketenen. Waarom hebben jullie hem weg laten gaan.’ Farrell schept er een duidelijk genoegen in om Mussolini met Lenin in verband te brengen. Maar de uitspraak is ongeloofwaardig: de reden waarom Mussolini uit de socialistische partij was gezet, was zijn pro-oorlog standpunt tijdens WO I, en Lenin scheurde zich van de socialistische beweging juist af met zijn ánti-oorlog standpunt. Bovendien kennen we die uitspraak van Lenin over Mussolini alleen van een ongeloofwaardige bron: Nicola Bombacci, een Kominternleider die later overliep naar het fascisme.
Mussolini was een gruwelijke anti-semiet, al had hij lange tijd een Joodse minnares. In 1938 vaardigde hij draconische rassenwetten uit: Joden werden uitgesloten van scholen en universiteiten, werden ontslagen uit het leger en uit de fascistische organisaties, en mochten niet meer trouwen met ‘arische’ Italianen. De enige goede kant aan dat verhaal was, in de woorden van Farrell, de ‘fijne Italiaanse neus voor omkoperij en corruptie. Zo konden joden tegen betaling ariërs worden.’ Het staat allemaal uitvoerig uitgelegd in de twee hoofdstukken die aan het Joodse vraagstuk gewijd zijn.
Tegelijk benadrukt Farrell allerlei nuances: het antisemitisme is slechts geleidelijk gegroeid, was veeleer cultureel dan biologisch, was zeer ver verwijderd van Hitlers gaskamer-antisemitisme, was bedoeld om in de gunst van de Arabieren te komen, enzovoort. Die nuances zijn belangrijk, maar Farrell had zijn hoofdstuk moeten beginnen zoals ik mijn alinea begon, met de vaststelling: ‘Mussolini was een gruwelijke anti-semiet.’ Dan had ik mij bij de rest minder moeten ergeren aan wat als vergoelijking kan overkomen.
Ondertussen zijn de nuances die Farrell aanbrengt niet onbelangrijk. Mussolini’s antisemitisme was in den beginne indeerdaad niet biologisch. Het geleek op dat van Hendrik De Man: de Jood vertegenwoordigde in die visie een vorm intellectualistische decadentie; de Jood bracht tweespalt, tastte het gezond verstand aan, en ondermijnde de zuivere, rechtlijnige moraal van het volk. Vergelijk het met de afkeer die een Victor Orban-aanhanger voelt voor de woke-elite in Brussel en Straatsburg. Boven alles was de Jood in de ogen van Mussolini een materialist die het vita comoda als hoogste ideaal had
. Farrell heeft ook veel bronnen verzameld om aan te tonen dat Mussolini duizenden joden gered heeft door ze uit handen van de nazi’s te houden. Het is een feit dat Italië vóór de Duitse bezetting in 1943 geen joden uitleverde aan de Duitsers. Ook in de gebieden die door de Italianen waren bezet – Joegoslavië, Griekenland, het zuidoosten van Frankrijk – waren de militaire autoriteiten weigerachtig om op joden te jagen en ze uit te leveren, maar het is niet duidelijk of Mussolini daar echt veel heeft toe bijgedragen. En in elk geval hebben de Duitsers na 1943 massaal joden uit Noord-Italië getransporteerd zonder dat Mussolini het aandurfde om daartegen te protesteren.
Hoe zat het verder met de dictatuur die Mussolini geleidelijk in Italië installeerde? Het parlement werd uitgeschakeld, politiek partijen werden verboden, kranten mochten geen kritiek publiceren, schoolkinderen werden geïndoctrineerd, politieke vijanden werden opgesloten of geëxecuteerd. Maar als kwantiteit, zoals Hegel zegt, omslaat in kwaliteit, dan is er echt wel een kwalitatief onderscheid met de dictatuur van Mussolini’s bondgenoot Hitler. Farrell:
‘In de zestien jaar en vijf maanden van zijn bestaan [1926-1943] veroordeelde het Speciale Tribunaal voor de Verdediging van de Staat 4596 politieke tegenstanders, die in totaal 27.735 jaar gevangenisstraf kregen, en werden tweeënveertig doodvonissen uitgesproken, waarvan er eenendertig werden uitgevoerd – iets minder dan twee executies per jaar. Dat was natuurlijk niets in vergelijking met de nazi’sin Duitsland of de communisten in de Sovjet-Unie.’
Afgerond: 30 executies, 5000 gevangenisstraffen van gemiddeld 6 jaar, dat is inderdaad iets helemaal anders dan de miljoenen slachtoffers van Hitler, met zijn concentratrie- en vernietigingskampen. Maar die minimale cijfers zeggen niet alles. Er is vooreerst de straatterreur die Mussolini aan de macht heeft gebracht. Die terreur was in 1919-1920 vooral het werk van de socialisten en communisten die tientallen tegenstanders vermoorden: stakingsbrekers, landeigenaars, politiemensen, maar vanaf 1920 werd de rode terreur verdrongen door de zwarte terreur. De quadristi van Mussolini namen het initiatief over. Ze gingen succesvolle straatgevechten aan met de socialistische milities, en daarnaast vermoordden ze vele honderden weerloze tegenstanders. Alles samen vielen er tussen 1920 en 1922 meer dan 3.000 doden als gevolg van fascistisch geweld. De machtsovername in 1922, die begon met Mussolini’s aanstelling als premier, was zonder dat straatgeweld niet denkbaar geweest. Het Italiaanse establishment hoopte met de komst van Mussolini twee vliegen in één klap te slaan: de terugkeer van de rode terreur onmogelijk, en de voortzetting van de zwarte terreur overbodig te maken. Die twee doelstellingen werden bereikt.
Bij de 30 executies moeten we dus ook de 3.000 doden optellen die vielen door de straatterreur. Zoals we bij de 5.000 politieke gevangenen de 12.000 anderen moeten optellen die ‘slechts’ tot interne ballingschap werden veroordeeld, vaak op de eilanden, wat ook een soort gevangenisstraf is, zij het met een milder regime. En wie wil kan nog verder gaan: de agressie-oorlog tegen Ethiopië, waarbij gifgas werd ingezet, de repressie na 1943 waar de nazi’s en de fascisten samen tienduizenden slachtoffers maakten in de burgeroorlog, de honderdduizenden slachtoffers door de oorlog in Joegoslavië, Griekenland en Albanië, enzovoort.
Het is geen fraai beeld, maar midden de jaren 30, vóór het bondgenootschap met Hitler, zag het er voor velen in Italië en in het buitenland naar uit dat het de goede kant opging. Toegegeven, kritiek op de fascistische regering was verboden, oppositiepartijen waren buiten de wet gesteld, en parlementaire verkiezingen waren afgeschaft. Maar de straatterreur was afgelopen, de treinen reden op tijd, Churchill was enthousiast, zijn vrouw ook, en G.B. Shaw natuurlijk ook – hij hield van dictators. Er was eindelijk ‘een middenweg gevonden tussen kapitalisme en socialisme’. Amerikaanse Italianen hadden een borstbeeld van de duce op hun schouw staan. P.G. Woodhouse voegde aan een Cole Porter-song voor een Brits publiek de strofe toe:
You’re the tops
You’re the Great Houdini
You’re the tops
You’re Mussolini
Farrell staat graag stil bij dat beeld, toen de populariteit van Mussolini op zijn hoogtepunt was. Zelf bewondert hij Mussolini voor zijn journalistiek talent, zijn scherp verstand, zijn goede intuïtie, zijn wilskracht, zijn sluwheid en zijn occasionele mildheid. Maar hij verdoezelt de zwarte plekken in diens ziel evenmin: zijn machtswellust, zijn meedogenloosheid, zijn opportunisme, zijn apathische capitulatie tegenover Hitler, en zijn niet te lessen dorst naar aanbidding.
Ik kan bij het lezen van Farrell weinig sympathie opbrengen voor Mussolini: een lastig kind, een lastige leerling, een slechte leraar, een ontrouwe echtgenoot, een egoïstische minnaar, een trouweloze vriend. Ook is hij volgens velen altijd een soort socialist gebleven, niet omdat hij vóór de arbeiders was – maar omdat hij tégen de burgerij was. Farrell:
‘Ondanks het fascistische trompetgeschal was het na de machtsovername onmiddellijk duidelijk dat de arbeiders oneerlijk behandeld werden. Mussolini – die moest bemiddelen – liet de schaal in het voordeel van de werkgevers doorslaan. Hij deed dat omdat hij wist dat pogingen om steun bij de werkende klasse in de steden te krijgen … geen groot succes waren.’
Mussolini’s zogezegde socialisme was eigenlijk niets meer dan de slogan ‘Abasso la vita comoda!’, en laat dat laatste nu toevallig mijn persoonlijk ideaal zijn.
Slechts af en toe vertelt Farrell iets over Mussolini wat mij echt sympathiek lijkt. In 1925 en 1926 werden een aantal aanslagen beraamd tegen de Duce. De eerste die een poging waagde was de socialist Zaniboni. Hij werd gearresteerd in de hotelkamer vanwaar hij het vuur wou openen. De vierde was een zestienjarige jongen met een naam die aan de eerste herinnert: Zamboni. Hij lostte een schot op de open auto die Mussolini vervoerde, raakte alleen de sjerp, en werd ter plekke vermoord door de menigte. Farrell:
De politie geloofde niet dat de jongen alleen had gehandeld. Ze arresteerde de vader, broer en tante die ontkenden dat zij op enige manier betrokken waren geweest … Desniettegenstaande werden zij in september 1928 in beschuldiging gesteld. De rechtbank sprak de broer vrij, maar bevond de vader en tante schuldig en veroordeelde hen tot dertig jaar gevangenisstraf. Misschien wist Mussolini dat zij onschuldig waren en offerde hij hen op om redenen van Realpolitik – om te voldoen aan de algemene veronderstelling dat de jongen het niet alleen kon hebben gedaan. Vervolgens gaf hij geld aan de broer om hem de gelegenheid te geven zijn eindexamen te halen en in 1932 verleende hij verrassend amnestie aan de vader en de tante.
Dat geld en die amnestie kan ik waarderen. Farrell citeert verder hoe Mussolini tussenkwam om de socialist Pietro Nenni te redden uit de handen van de Duitsers:
De Gestapo had Nenni in Parijs gearresteerd en besloten hem naar het oosten te deporteren. Mussolini greep in en Nenni werd in plaats daarvan overgebracht naar het rustige eiland Ponza in de Baai van Napels … Wijlen Bettino Craxi, de eerste socialistische premier van Italië … kende Nenni goed. In 1998 vertelde Craxi tegenover een krant: ‘Mussolini beschermde altijd de antifascisten. In zijn hart bleef hij socialist. Hij redde Nenni het leven.’ Craxi zei dat hij Nenni daar een keer naar vroeg. ‘Ja, hij deed voor mij wat hij ook voor andere antifascisten deed,’ had Nenni geantwoord. ‘Hij bedoelde: het is niet wat u denkt, het is niet omdat we oude vrienden waren, het feit is dat Mussolini zo was.’ [Il Giornale, 25 april 1998]
*
Het boek van Farrell is niet erg geschikt voor verfilming, de vijfdelige roman van Scuratti over Mussolini blijkbaar wel, want het eerste deel ervan is bewerkt tot een achtdelige televisieserie met dezelfde naam M – Figlio del secolo. Op drie dagen hebben mijn vrouw en ik de serie uitgekeken en we betreuren vooral dat er naar het schijnt geen vervolg komt. Nu eindigt alles met de moord op Matteoti en de onmiddellijke nasleep. Mussolini controleert 2/3 van het parlement, maar is nog enkele jaren verwijderd van de integrale dictatuur. Ook die jaren zijn een verfilming waard.
Maar laten we blij zijn met wat we hebben: een sterk vereenvoudigd, daarom eenzijdig, verhaal van de jaren 1919-1924. De vereenvoudiging helpt om de krachtlijnen beter te herkennen en enkele details een plaats te geven. En alles wordt met veel verve, zonder al te veel subtiliteit, en met enige vulgariteit in beeld gebracht. Ik kan een dosis vulgariteit in films wel verdragen. Lang geleden bekende ik aan een Spaanse vriend dat ik de films van Allan Parker mooi vond, en ik weet nog zijn verontwaardigde reactie: ‘Pero Philippe, es un director efectivista.’
Dat zou hij nu wellicht ook zeggen van Joe Wright, maar de meeste van diens films heb ik dus graag gezien: Pride and Prejudice, Atonement, Hanna, Anna Karenia, Darkest Hour, Cyrano. Ik heb getwijfeld of ik naar Woman in the Window zou kijken omdat de critici zo negatief waren, met 5 nominaties voor worst picture, worst director, worst actress, worst screenplay en worst ripp-of. Maar ik dacht: ze vergelijken te veel met Rear Window; wat kan er misgaan met een regisseur als Joe Wright, een scenarist als Tracey Lets, een cameraman als Bruno Delbonnel, een componist als Danny Elfman en acteurs als Amy Adams, Gary Oldman, Julianne Moore en Jennifer Jason Leigh? Helaas de film zelf was inderdaad minder goed dan de regie, het scenario, de cinematografie, de muziek en de auteurs. Dat gebeurt.
Dié ontgoocheling werd me bespaard bij het bekijken van het meeslepende en inventieve M – Figlio del secolo. Natuurlijk wordt Mussolini neergezet als een karikatuur van iemand die op zich al een karikatuur was. Als je zoiets doet, kun je beter voluit gaan, en dat is de keuze die Joe Wright gemaakt heeft. No holding back. Luca Marinelli – hij doet denken aan Robert de Niro in de rol van Al Capone – richt zich voortdurend tot het publiek als een Richard III die er iedereen van wil overtuigen hoe slecht hij wel is. Daarbij debiteert hij meestal teksten die Mussolini zelf ooit geschreven of uitgesproken heeft. Er zijn geloof ik enkele uitzonderingen. Op zeker ogenblik zegt hij grijnzend: ‘Let’s make Italy great again’. Ik ben er niet helemaal zeker van dat die uitspraak authentiek is.
Aardig zijn de fragmenten waarin Mussolini een moeilijk publiek moet overtuigen. In de Nederlandse les leerden we dat zoiets een ‘revolutionaire’ redevoering werd genoemd, niet noodzakelijk omdat ze opriep tot revolutie, maar omdat ze een ommekeer, een revolutie, in het gemoed van het publiek moest teweegbrengen. We moesten zoiets ook proberen in de les, en trokken daarvoor speciaal naar het auditorium van de school. Mussolini was goed in dat soort redevoeringen.
Het fijnste vond ik dat al die schurken die ik kende van Farrells boek nu een gezicht kregen – al was het niet juiste gezicht. Met de entourage van Lenin, Stalin en Hitler ben ik min of meer bekend, maar de maffiosi rond Mussolini kon ik niet altijd goed uit elkaar houden: Cesare Rossi, Dino Grandi, Roberto Farinacci, Albino Volpi, Cesare Forni, Italo Balbo, Cesare Maria de Vecchi, Emilio de Bono, Amerigo Dumini …
Het helpt ook als je achteraf die namen opzoekt op Wikipedia. Dumini bijvoorbeeld, die de moord pleegde op Matteoti, al dan niet in opdracht van Mussolini. Eerst wordt hij veroordeeld voor de moord, dan wordt hij vervroegd vrijgelaten, wordt opnieuw veroordeeld als hij Mussolini probeert te chanteren, wordt dan weer vrijgelaten, krijgt een hoop geld, vestigt zich in Libië, wordt door de oprukkende Engelsen gevangen genomen als spion, komt voor het vuurpeloton, wordt getroffen door 17 kogels, is niet dood, kan ontsnappen naar Tunesië en later naar Italië, wordt na de oorlog opnieuw veroordeeld voor de moord, tot levenslang dit keer, wordt na tien jaar vrijgelaten onder een amnestiregeling, en komt uiteindelijk om door elektrocutie als hij thuis een lamp probeert te vervangen.


