Het loon van een bierbrouwer
Op het VTM-nieuws van 10 maart had Stef Wauters een ironische twinkeling in de ogen toen hij volgend berichtje voorlas:
Michel Doukeris, de topman van bierbrouwer AB-Inbev, kreeg vorig jaar meer dan 90 miljoen op zijn rekening vooral door aandelen en opties van vorige jaren die hij nu mocht incasseren. Met zijn gewone loon erbij verdiende hij bijna 1800 keer meer dan zijn minst betaalde werknemer.
1800 keer, dat zou wel eens juist kunnen zijn, dacht ik. Maar toen ik het uitrekende, klopte het niet helemaal. 90 miljoen gedeeld door 18000 is ongeveer 50.000 euro. Dat is misschien het loon van de minst betaalde Inbev-werknemers in België, maar in Brazilië, Zuid-Afrika en Indië verdienen ze meestal minder dan 20.000 euro, ook al is dat bedrag dan vele malen hoger dan het gemiddelde loon in die landen. Had Wauters dus gezegd dat Doukeris vorig jaar 5000 keer meer verdiend had dan zijn minst betaalde werknemer, had hij ook gelijk gehad. Het is in elk geval heel veel. Doukeris zou bijvoorbeeld zijn reusachtige bonus kunnen verdelen over al zijn 137.000 werknemers wereldwijd; dan hadden ze elk 657 euro aan aandelen en opties ontvangen. Maar als ze die allemaal gelijktijdig hadden verkocht, was de waarde van dat aandeel natuurlijk gedaald en hadden ze cash wat minder gekregen.
En hoe zit dat met het ‘gewone loon’ van Doukeris dat in het nieuwsbericht ter sprake kwam. Dat wordt geschat op 1,5 miljoen per jaar. Wauters had ook dat bedrag wat meer ironisch reliëf kunnen geven. ‘Het gewone loon van Michel Doukeris bedraagt 1,5 miljoen per jaar; dat is dertien keer meer dan wat ik hier als nieuwslezer verdien.’
Nog enkele bedenkingen bij de pensioendiscriminatie
- Natuurlijk had Jambon gelijk toen hij zei dat vrouwen (maar ook mannen) hun gedrag zullen aanpassen rekening houdend met de nieuwe pensioenregeling. Als een vrouw (of een man) twijfelt tussen 40 % of 50 % werken, is die laatste keuze nu aantrekkelijker dan die eerste. Die jaren van 50 % werken tellen immers mee als volledige loopbaanjaren en die van 40 % werken tellen helemaal niet mee. Dat is een heel verschil.
- Ik heb zelf verschillende jaren deeltijds gewerkt. Pensioen was toen het laatste waar ik aan dacht. Maar achteraf bekeken heb ik kunnen profiteren van een regeling die ik als neoliberaal niet erg rechtvaardig vind.
- Wie in het onderwijs staat of heeft gestaan, weet dat de keuze voor deeltijds werk lang niet altijd te maken heeft met het opnemen van zorgtaken. Het is vaak ook een keuze voor een rustiger leven. Dat ‘gedrag’ werd in het verleden zeker ook beïnvloed door gunstige regelingen waarbij de opbouw van pensioenrechten gewaarborgd bleef.
- Heleen De Bruyn is een van de stemmen die vinden ‘dat zorg óók arbeid is’. Ik vind dat geen gelukkige formulering, maar het drukt een ethisch aanvoelen uit waar ik mij helemaal in kan vinden. Zorg is menselijk gezien even belangrijk, of nóg belangrijker, dan arbeid in de economische betekenis. Zeker. Maar niet alles wat menselijk belangrijk is moet financieel vergoed worden. Zelfs neoliberalen zoals ik geloven niet zonder meer in de homo economicus.
- Boudewijn Bouckaert schrijft: ‘Onbetaalde zorgprestaties door niet (op de arbeidsmarkt) werkenden volledig laten meetellen in de pensioenberekening is organisatorisch onmogelijk, onfinancierbaar en kan tot nieuwe onrechtvaardigheden leiden.’ Over onfinancierbaar kun je blijven discussiëren, maar de twee andere argumenten lijken mij heel sterk.
- Frank D’hanis verwoordt in zijn FB-posts het klassieke linkse antwoord op het probleem: de zorg moet zoveel mogelijk doorgeschoven worden naar de staat: meer en beter gesubsidieerde crèches.
Reynebeau en het internationaal recht
Marc Reynebeau (DS 11/3) noemt realisme in de internationale politiek een ‘mager excuus’. Matthias Diependaele bijvoorbeeld had gezegd dat initiatieven om Amerika te laten veroordelen door de VN toch zouden stuiten op een veto in de Veiligheidsraad. Waarop Reynebeau antwoordt:
Dat gebeurt inderdaad geregeld, maar daarmee ga je dan wel voorbij aan alle diplomatie die aan een stemming in de Veiligheidsraad voorafgaat.
Je vraagt je af of hiermee de uitspraak van Diependaele op enigerlei wijze is weerlegd. Al die diplomatie waar Reynebeau over spreekt, zal niets veranderen aan het feit dat de VS in de Veiligheidsraad niet kan worden veroordeeld voor de Iran-oorlog, net zoals Rusland niet kan worden veroordeeld voor de Oekraïne-oorlog, en China niet zal kunnen worden veroordeeld als het een Taiwan-oorlog begint.
Reynebeau brengt tegen het realisme ook de Belgische Nobelprijzen voor de Vrede in stelling. Bart De Wever had gezegd dat hij een ‘historicus, geen hystericus’ was. Reynebeau antwoordt dat De Wever in zijn kijk op het verleden wel vaker eenzijdig is, en wat meer aandacht zou moeten besteden aan de geschiedenis van de drie Belgische Nobelprijswinnaars van ruim een eeuw geleden. Zo schrijft hij:
Nog eens vier jaar later, in 1913 ging de Nobelprijs naar een derde Belg, de sociaaldemocraat en vrijmetselaar Henri La Fontaine, een activist voor pacifisme en internationalisme … En zie, een jaar nadat La Fontaine de Nobelprijs voor de Vrede had gekregen, rommelden de grootmachten iedereen de Eerste Wereldoorlog in.
Die naam van Henri La Fontaine roept bij mij herinneringen op. Die Brusselse advocaat was rond de jaren 1900 betrokken bij het Mundaneum-project waarmee men alle druksels ter wereld wilde verzamelen in één kenniscentrum. Toen ik nog in Brussel woonde, ben ik ooit op zoek gegaan naar wat er van dat archief overbleef. Een restant ervan vond ik een naar kattenpis ruikende hangaar in de Rogierlaan, op honderd meter van mijn eigen adres.
La Fontaine was inderdaad een van de vele vurige pacifisten die aan het begin van de vorige eeuw congressen organiseerden voor de wereldvrede. Het is merkwaardig dat Reynebeau, meegesleept door zijn écriture automatique, niet merkt dat zijn verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog juist de krachteloosheid van dat pacifisme onderstreept. Karel van het Reve dacht zelfs dat er meer aan de hand was dan alleen krachteloosheid. Hij maakt ergens de veronderstelling dat de Eerste Wereldoorlog onder andere voortkwam uit ‘het wegvallen van het midden.’ Het getouwtrek en geschipper van de oude realistische diplomatie, balancerend tussen machtsverdeling en hegemoniestreven, werd vervangen door aan de ene kant hysterische oorlogszucht en aan de andere kant hysterisch pacifisme. ‘En zie …’
Het vermogen tot verontwaardiging
Sinds Ludo De Witte hem een crapuul heeft genoemd, ben ik een zekere sympathie voor Maxime Prévot gaan koesteren. Af en toe zegt de minister dan iets waardoor mijn sympathie nog toeneemt. In De Standaard van 8 maart zegt hij bijvoorbeeld, als antwoord op een vervelende vraag over Theo Francken: ‘Het vermogen van de media om verontwaardigd te zijn zal mij altijd blijven verbazen.’ Jonathan Swift bedankte in zijn grafschrift de dood omdat ze hem van zijn ‘saeva indignatio’, zijn ‘woeste verontwaardiging’ had verlost. Maar we kunnen daar al tijdens ons leven wat op oefenen.
Onverschilligheid
Men kan de gelijkmoedigheid beoefenen om zelf niet al te ongelukkig te zijn in het leven. Maar Tom Naegels (DS 8/3) ziet er ook ook maatschappelijke voordelen in. ‘Een zekere mate van onverschilligheid is essentieel voor de harmonie en de tolerantie in een samenleving.’ Wijsheid!
Raadsel
Het schijnt dat er in alle leeftijdsgroepen tussen 23 en 39 jaar meer mannen zonder partner zijn dan vrouwen. Ik zou op eigen kracht nooit de verklaring van dergelijk verschijnsel hebben gevonden. Gelukkig verklapt onderzoekster Laura Robberecht de reden: ‘Vrouwen zijn geneigd om te daten met mannen die ouder zijn dan zijzelf.’ Dat begrijp ik, al zou ik het met een tekeningetje nog beter begrijpen.
Mooie foto’s
De communistische landen van weleer prezen zichzelf aan in saaie doctrinaire tijdschriften, zoals Pékin Information, maar ze hadden voor de ook glossy magazines waaruit de superioriteit van het socialisme moest blijken. In mijn geboortedorp woonde een oude communist die zulke DDR-publicaties bijhield. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het daar is,’ zei hij. ‘In de fabrieken hangt daar zelfs een rode vlag. Dat zou in ons land onmogelijk zijn.’ Ik herinner mij een foto uit zijn tijdschriftenverzameling. Vrolijke, nieuwsgierige fabrieksarbeidsters hebben zich (in plaats van vlijtig te werken) verzameld rond een collega die partijlid is. Het onderschrift luidde: ‘Na, was gab’s gestern auf der Partei?’
Geen nieuwe dingen
Als ik stukjes schrijf, zoek ik er niet naar om ‘nieuwe’ dingen te verzinnen. Ik moet de indruk hebben dat wat ik schrijf geen nieuwe gedachte is, maar iets dat mij al lang bezighoudt, en nu pas aan de oppervlakte komt, bijvoorbeeld omdat ik een stuk van Reynebeau in de krant heb gelezen. Doelbewust op zoek gaan iets nieuws om te schrijven, heeft iets oneerlijks.
Humor
Als we in een gesprek iets grappigs zeggen, passen we daarbij altijd dezelfde kunstgrepen toe: overdrijving, understatement, ironie, enzovoort. Dat is niet moeilijk want we hebben in ons leven al honderden voorbeelden van die kunstgrepen waargenomen. Ze maken al bij al een beperkt arsenaal uit. Maar komt het ook voor dat men een kunstgreep op eigen kracht ontdekt, zonder dat men daarvan al voorbeelden had waargenomen? Mijn zoon had ooit een geslaagde bon mot. Een vriendin van mij had hem enthousiast uitgelegd wat het feminisme was, en hij antwoordde: ‘Als het zo zit, word ik morgen ook feminist. Of zeker overmorgen.’ Dat is dezelfde kunstgreep als toen Augustinus tegen God zei: ‘Da mihi castitatem, sed noli modo.’ ‘Geef mij kuisheid, maar doe dat niet onmiddellijk.’ Mijn vraag is nu, heeft mijn zoon dat humoristisch trucje zelf uitgevonden, of heeft hij het van Augustinus? Of van iemand anders?
Slecht
Als mijn ouders spraken over iemand die ‘slecht’ was, verwezen ze daarmee altijd naar diens seksuele losbandigheid. Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen die seksueel losbandig was, werd als ‘slecht’ bestempeld, maar ik ben er nooit achter gekomen wat de precieze criteria waren. Zeker is dat de zonde van onkuisheid een apart statuut had, een beetje zoals racisme, homofobie en zionisme vandaag.




