zaterdag 3 december 2022

Racisme, goede manieren en context


      Ik onderbreek even mijn reeks  bedenkingen over het ABN om dringend, zij het twee dagen te laat, tussen te komen in een kwestie van brandend hete actualiteit. Op een receptie op Buckingham Palace heeft een 83-jarige hofdame aan een vrouw van kleur gevraagd waar ze vandaan kwam. Die vrouw van kleur was in London geboren, maar de hofdame bleef aandringen tot ze toegaf dat haar ouders Caraïbische immigranten waren*. De vrouw van kleur heeft daarna de conversatie op haar sociale media gepost, waardoor de hofdame nu afgedankt is wegens racisme.
     Naar mijn smaak hebben de twee dames allebei gezondigd tegen de goede manieren. De eerste zonde werd begaan door de hofdame die iemand een vraag stelde naar haar geografische afkomst. Dat is vandaag not done, zoals je aan een vrouw niet vraagt hoe oud ze is, of aan een ceo hoeveel hij weegt, hoeveel hij verdient en of hij het doet met zijn mooie secretaresse. De faux pas van de hofdame kan het gevolg zijn van onwetenheid inzake redelijk nieuwe etiquetteregels, dan wel een uiting van een aristocratische onverschilligheid voor zulke kleinigheden. 
     De weigering van de vrouw van kleur om op een eenvoudige vraag een eenvoudig antwoord te geven vind ik evenmin erg beleefd. Ik probeer mij voor te stellen dat ik op een receptie Maggie Smith tegen het lijf loop en ze vraagt mij hoeveel ik weeg, of ik soms homoseksueel ben, en of ik last heb van aambeien. Ik zou geloof ik op al die vragen naar waarheid antwoorden. Die aristocratische oude krengen mogen van mij iets meer dan iemand anders. Maar ze moeten niet overdrijven.
     Ik citeer even een kort stukje uit de dialoog. 

  • Where do you really come from, where do your people come from? 
  • My people’, lady, what is this? 
  • ‘Oh I can see I am going to have a challenge getting you to say where you’re from.

     Geen van de twee vrouwen komt hier goed uit. De nadruk op really suggereert dat de hofdame meer belang hecht aan immigratie-achtergrond dan aan staatsburgerschap. Dat is niet meteen racisme, maar het wijst ook niet op een verkleefdheid aan de integratie-gedachte. Aan de andere kant lijkt de verontwaardiging van de vrouw van kleur over de woorden my people mij gespeeld. Het woord wordt hier gebruikt in de betekenis van familie, en niet van etnische groep. Dan moet je dat niet met opzet verkeerd begrijpen. Het woord challenge van de hofdame illustreert dan weer dat die een bitch fight op het oog heeft. Alles is er vanaf dat moment op gericht om triomfantelijk en kleinerend te kunnen besluiten met ‘Oh, I knew we’d get there in the end.’ Dat is niet erg fraai. 
     Ook de afloop van de historie bevalt mij niet. De vrouw van kleur die de conversatie op de sociale media plaatst, dat is het niveau van een zestienjarige snapchat-chick. Ze heeft de naam van de hofdame niet vermeld, dat ontbrak er nog aan, maar ze moest weten dat de media die naam zouden achterhalen. En als ze dat niet wist, is ze niet erg slim.
     De excuses van de hofdame achteraf bevallen mij evenmin. Als je bij een verkrachting betrapt wordt, schrijft Elsschot ergens, kun je beter eens goed vloeken in plaats van een schijnheilig gezicht op te zetten. Maggie Smith en dat soort aristocratische tantes mogen alleen schijnheilig kijken als dat een onderdeel is van een listig plan. Anders zijn het gewoon seuten zoals iedereen.
     Tijd om te besluiten. Ik heb hier voor mij het uitgebreide stuk in Het Nieuwsblad over de kwestie. De krant beperkt zich niet tot droge informatie, maar heeft ook een kadertje met nuttige raad. De vraag wordt beantwoord: ‘Mag dat eigenlijk, vragen naar iemands afkomst?’ En het antwoord wordt gegeven door een expert, Gert Backx van Unia: ‘Wettelijk is naar iemands afkomst vragen bij ons niet verboden.’ 
     Op een of andere manier bezorgt dat antwoord mij koude rillingen.

    
 En verder doet de hele toestand mij denken aan de prachtige Mamet-dialoog uit de film The Untouchables. Een oudere Ierse politie-agent Jim Malone ondervraagt George Stone, een jonge collega van het Zuiderse type. 

  • Where are you from, Stone? 
  • From the Southside.
  • Stone? George Stone, that’s your name? What’s your real name? 
  • That is my real name. 
  • Nah! What was it before you changed it? 
  • Giuseppe Petri.
  •  Geez, I knew it! That’s all you need, one thieving wop on the team!
  • What's that you said?
  •  I said that you’re a lyin’ member of a no-good race. 
  • That's much better than you, you stinkin’ Irish pig.

    Voor alle duidelijkheid, Malone is geen anti-Italiaanse racist, hij is alleen het killer instinct van zijn jonge collega aan het testen. Mamet gaat ervan uit dat de kijker dat ook wel begrijpt. Racisme zit in de context, dat wist Lenny Bruce al*. 

     


*Dit is het volledige dialoogje zoals de dame van kleur het op haar sociale media plaatste:
Where are you from? - Sistah Space. - No, where do you come from? - We’re based in Hackney. - No, what part of Africa are you from? - I don’t know, they didn’t leave any records. - Well, you must know where you’re from, I spent time in France. Where are you from? - Here, the UK. - No, but what nationality are you? - I am born here and am British. – No, but where do you really come from, where do your people come from? - ‘My people’, lady, what is this? - Oh I can see I am going to have a challenge getting you to say where you’re from. When did you first come here? - Lady! I am a British national, my parents came here in the 50s when... - Oh, I knew we’d get there in the end, you’re Caribbean! - No lady, I am of African heritage, Caribbean descent and British nationality.


** Zie hier voor de beroemde Lenny Bruce-monoloog.

vrijdag 2 december 2022

ABN - enkele slotnotities (deel 1)


Politici.
 Vlaamse politici zullen hun populair imago niet verknoeien door keurig Nederlands te praten. Wilfried Martens probeerde dat nog, maar zijn opvolger Jean-Luc De Haene ging meteen de andere kant uit. De laatste politicus die nog bewuste pogingen deed in de richting van keurig Nederlands was Johan Vande Lanotte, met zijn pijnlijke ‘ch’ waarmee hij zijn West-Vlaamse tongval trachtte te camoufleren. Ook bij mij klinkt de ‘g’ vaak als een ‘ch’ – als ik mijn best doe.

Bekakt. In mijn eerdere stukje over bekakt praten, heb ik vooral aandacht besteed aan de onnatuurlijke krampachtigheid van onervaren ABN-sprekers die daardoor een bekakte indruk maken. Maar er zijn wel meer oorzaken waarom wij Vlamingen iets bekakt vinden klinken: een hekel aan Hollanders, een hekel aan Stefan Hermans, een hekel aan chique dames en heren die denken dat ze beter zijn dan wij. Mijn Facebookvriend Jan-Paul van Spaendonck vindt de taal van de vroege Boudewijn de Groot ‘bekakt’ omdat diens Haarlems deed denken aan dat van ‘hoogwaardigheidsbekleders’. Van hén kon je niet zeggen dat ze bekakt overkwamen. Ze wáren het. Maar een Vlaamse ABN-minnaar zal de taal van Boudewijn de Groot nooit in dat verband zien. Bekaktheid, als ik het zo mag zeggen, is in the ear of the beholder.

Sturen. Taalsociologen beweren dat je taal niet kunt sturen.  Ze hebben gelijk. De mensen zullen uiteindelijk praten zoals ze willen. Maar je kunt wel een beetje sturen. De vraag is: in welke richting?

Schakelen. Mijn bezwaar tegen tussentaal náást ABN is dat taalgebruikers dan moeten schakelen tussen de twee, en dat het ABN-register daardoor onnatuurlijk gaat klinken en door fouten wordt ontsierd. Dat geldt wellicht niet voor iemand ‘met aanleg voor talen’. Mijn ex-collega Martine V. werd eerst opgevoed in het ABN, thuis en op school, en maakte zich later tussentaal eigen. Ze kan vlot schakelen tussen de twee. Maar mijn ex-collega heeft dan ook veel aanleg voor talen.

Formeel / informeel. Elke taalgebruiker heeft nood aan een formele en informele variant. In sommige gebieden fungeert dialect of tussentaal als informele variant en ABN als formele variant. Maar dat is geen noodzakelijke rolverdeling. Inwoners van Haarlem of van Tours hebben evengoed een informele variant van Nederlands of Frans zonder dat ze daarvoor de standaardtaal moeten verlaten.

Taalexpert. Als je op Facebook een stukje plaatst over taal, mag je een groot aantal reacties verwachten. Iedereen heeft een mening, en iedereen is expert. En in zekere zin is iedereen ook werkelijk expert. Volgens de 10.000-urenregel van Malcolm Gladwell bereik je expertise in om het even wat -programmeren, muzikale optredens, enzovoort - na 10.000 uren oefening. Het werkte voor Bill Gates en het werkte voor The Beatles. Met spreken, luisteren, lezen en schrijven kom je gemakkelijk aan je 10.000 uren vóór je tiende levensjaar. 

Klasseloze taal. Het oude ideaal van een ‘algemeen beschaafde’ taal was het onhoorbaar maken van het  de regionale afkomst van de spreker kon raden. Dat was onrealistisch. Zelfs Paardekooper gaf toe dat kleine regionale uitspraakverschillen onvermijdelijk waren. Belangrijker echter is dat men de sociale afkomst van de spreker onhoorbaar zou kunnen maken. Ik heb ooit twee maanden les gevolgd aan een school in Salamanca. Ik was aangenaam verrast dat de professoren in de aula en en het bedieningspersoneel in de kantine dezelfde taal spraken. Kleine verschillen zal ik als andertstalige ongetwijfeld niet hebben opgemerkt, maar klein waren die verschillen zeker.

Taalvariatie en taalrijkdom. Het verdwijnen van dialecten betekent ontegenzeggelijk een verlies, maar eerder voor de taalliefhebber dan voor de taalgebruiker. Veel dialectsprekers merkten niets van de rijkdom van hun taal. Wat heb je aan honderd dialecten als je er maar één hoort en spreekt? Slechts uitzonderlijk kon de dialectspreker van zijn eigen dialect genieten, als het om recente producten van eigen bodem ging. Van iets wat snel vooruitging zei men in Wevelgem dat het ‘ging als Buysses sjeeze’.  Dat was leuk om te zeggen als je je die buitengewoon snelle kar van de familie Buysse dagelijks voorbij zag flitsen.

De beste auteurs. De klassieke taalkundigen leidden de norm niet af uit de logica, maar uit het taalgebruik van de beste auteurs. De Zwitserse grammaticus Grevisse noemde dat Le bon usage en dat werd ook de titel van zijn standaardwerk. Mijn professor Spaans Josse De Kock – was hij niet getrouwd met de kleindochter van Unamuno? – vond dat je die taal moest zoeken in essays. Dat is geen slechte methode. Je kunt de zeven dikke delen essays van Karel van het Reve lezen en daar misschien hoogstens tien woorden in aantreffen die ‘Hollands’ zijn. Bij romans moet je oppassen met de ‘platte’ auteurs als Jan Cremer, want bij die struikel je op elke bladzijde meerdere keren over kiene gozers en klerelijers die goed in de slappe was zitten en beter kennen opsodemieteren.

donderdag 1 december 2022

Kan het ABN gered worden?

     

     Kan het ABN in Vlaanderen gered worden? Het korte antwoord is: neen.
      Laten we om te beginnen dat antwoord betreuren. Het ABN was en blijft een prachtig ideaal. Zeven miljoen Vlamingen en 18 miljoen Nederlanders, samen 25 miljoen, die één groot taalgebied vormen, waar men één taal spreekt en schrijft, een taal die overal verstaanbaar is, die geen onderscheid maakt tussen rang en stand, en die zich soepel aanpast aan formele en informele situaties zonder dat men telkens het hele fonologische, morfologische en lexicale stramien moet aanpassen –  een aanpassing die weliswaar vlot verloopt van formeel naar informeel, maar voor velen des te pijnlijker van informeel naar formeel*. 
     Het is indertijd een rationele keuze geweest om ook voor Vlaanderen de Noord-Nederlandse standaardtaal als norm te kiezen. Die taal was immers zelf ontstaan in de 17de-eeuwse Amsterdamse smeltkroes waar Hollands, Brabants en Vlaams samenkwamen. En bovendien wordt die standaardtaal vandaag door ongeveer 80 procent  van de Nederlanders gesproken, waardoor ze met 14 miljoen taalgebruikers de breedste basis vormt voor een eengemaakte taal. Maar juist het grote succes van de standaardtaal in Nederland, werd een nadeel in Vlaanderen. De taal werd in Vlaanderen als een exoot ervaren en dat verbeterde er niet op toen de Nederlandse standaardtaal zelf begon af te wijken van haar eigen uitspraaknormen. Als je een Nederlands en een Vlaams journaal van veertig jaar geleden beluistert, merk je dat men toen een gemeenschappelijke uitspraaknorm voor ogen had. Die norm is in de Vlaamse journaals amper gewijzigd. In Nederland echter doen zich allerlei Germaanse klankverschuivingen voor die de tegenstelling met het Vlaamse gebruik groter maken.
     Nee, het ABN en de Noord-Nederlandse norm kunnen op lange termijn niet worden gered, net zo min als de dialecten. De Brabantico-Kempische expansie in heel Vlaanderen is niet te stuiten. Taalontwikkeling kun je niet sturen. Emoties zijn sterker dan rationele argumenten. Je kunt volwassenen hun taal niet laten omsmeden zonder dat ze aan spontaneïteit inboeten. En kinderen krijgen hun eerste taal van die niet-omsmeedbare volwassenen. Ook is het Vlaamse identiteitsgevoel véél sterker dan het Groot-Nederlandse. In de 19de eeuw kon een Vlaamstalige elite nog kiezen voor een taalkundig Groot-Nederlandse integratie, maar vandaag beleven we anti-elitaire tijden – ook al omdat de huidige elites het ernaar gemaakt hebben.
     Toch blijven er argumenten rechtstaan om het ABN niet los te laten. We kunnen om te beginnen, zoals Cato, behagen scheppen in de strijd voor een verloren zaak. Vervolgens is er haast niemand die het ABN volledig uit Vlaanderen wil bannen. Haast niemand stoort zich eraan dat in televisiejournaals ABN wordt gesproken. Haast niemand stoort zich eraan dat kranten en tijdschriften bijna helemaal in het ABN geschreven zijn. Haast niemand stoort zich eraan dat Vlaamse romans door professionele tekstredacteurs van exclusief Vlaams woordgebruik worden gezuiverd, zodat er per bladzijde vaak maar één taalfout meer overblijft. Die taalfout schreeuwt je dan vanaf de bladzijde toe in je gezicht, maar dat komt omdat de rest van de bladzijde wel in correct Nederlands is. Bij boeken van Walschap, Teirlinck en Boon was dat even anders, waarmee over die drie uitstekende auteurs geen kwaad woord gezegd zij.
     Eigenlijk is de belangrijkste overweging deze: de standaardisering van het Vlaams is nog lang niet afgelopen. Ze is ook ongelijk doorgedrongen in de verschillende provincies. Ik kom de laatste tijd veel vaker in West-Vlaanderen en de taal van de jeugd die ik daar hoor op trein of bus is waarlijk niet dezelfde als die die ik hoorde van mijn leerlingen uit het Mechelse. Er zal aan het Schoon Vlaams nog veel veranderen en het eindresultaat ligt geenszins vast. Dat eindresultaat kan dicht bij het ABN liggen of kan er ver van verwijderd zijn. Hoe langer, hoe strikter, en hoe strenger we aan het ABN vasthouden, waar we maar kunnen, hoe gunstiger het eindresultaat zal zijn.
     Het volgende actieplan lijkt mij redelijk:

  1. De leerboeken Nederlands stoppen met tussentaal als aanvaardbaar taalregister voor te stellen;
  2. In de lerarenopleiding voor alle vakken wordt de helft van de leerstof vervangen door lessen taalbeheersing;
  3. Taalkundigen vergeten af en toe hun sociolinguïstiek om in plaats daarvan de ABN-norm te verspreiden volgens het principe ‘zeg niet – maar zeg’; ze moeten dat zó verwoorden, en hun voorbeelden zó kiezen, dat de juiste, en niet de verkeerde, variant blijft hangen;
  4. Vlaamse  televisiezenders sluiten een volksverheffingspact waarin ze beloven gelijktijdig de tussentaal af te bouwen in fictie en in entertainmentprogramma’s; televisiekoks worden gescreend op hun beheersing van het ABN;
  5. Nederlandse televisiezenders sluiten een soortgelijk pact af; de nieuwslezers kijken een uur per dag naar journaals van veertig jaar geleden;
  6. Verontruste burgers observeren het taalgebruik van politici, BV’s en reclamemakers; op gezette tijden signaleren en bekritiseren ze het Schoon Vlaams als een vorm van cultuurverloedering**; ingezonden stukken en posts op de sociale media zijn daarvoor het aangewezen middel ;
  7. Vlaamse kranten en tijdschriften geven altijd de voorkeur aan het Nederlandse woord boven datgene dat ‘standaardtaal is in België’; ze schrijven met andere woorden vergelijkbaar of soortgelijk in plaats van gelijkaardig***; als ze om begrijpelijke redenen het woord tosti willen vermijden, mogen ze croque-monsieur schrijven, maar dan in cursieve letters;
  8. Alle teksten van Vlaamse én Nederlandse auteurs worden voortaan nagelezen door Herman Jacobs.

     

* Natuurlijk gebeuren er ook aanpassingen bij registerverandering binnen het ABN, bijvoorbeeld in de keuze tussen huilenschreien en wenen. Maar we mogen hopen dat die aanpassingen gebeuren zonder dat daar een bewuste inspanning voor nodig is. De West-Vlaamse dialectspreker zal echter vaak een min of meer bewuste beslissing moeten maken om van kris’n of schreem’n over te schakelen op wenen.

** De bewoordingen ‘observeren, signaleren en bekritiseren’ en ‘cultuurverloedering’ werden mij aangereikt in een reactie van Luc Van Braekel. 
*** Als taalnazi’s onder elkaar spreken we af om gewone burgers niet lastig te vallen als die uit onkunde gelijkaardig of een vergelijkbaar woord gebruiken. Het verbod op Belgische standaardtaal hanteren we alleen tegen wie zich beroepshalve met schrijven bezighoudt.

woensdag 30 november 2022

De taalkunde en het ABN

 




   Het is een grote fout om in de ABN-discussie argumenten uit de taalkunde aan te halen. De moderne taalkunde beschrijft en kan dus, ipso facto, niet voorschrijven wat correct of fout is. Voor de taalkunde is elk dialect een taal, en is het volkomen misplaatst om het Werviks en het Lubbeeks niet, en het Fries en het Gallicischwel bij de talen te rekenen. Je kunt verwijzen naar de officiële beslissingen van de Nederlandse staat of Spaanse staat, die het Fries en het Gallicische erkennen als officiële talen in Friesland en Galicië, ik bedoel in Fryslân en Galiza, maar de lezer zal begrijpen dat taalbeleid van de overheid enerzijds en taalkunde anderzijds twee verschillende dingen zijn.    
     Taalkundigen die zich met ABN hebben beziggehouden, kwamen door die stand van zaken wel eens in de moeilijkheden. Ze deden hun best om het ABN in Vlaanderen uit te dragen, maar maakten de fout om niet tijdig uit hun rol van taalkundige te stappen. Als ze een vraag kregen waarom een of andere woord geen goed Nederlands was, durfden ze niet kordaat te antwoorden met ‘daarom’ of ‘omdat ik het zeg.’ Ze durfden niet eens meer het Noord-Nederlandse gebruik aan te halen, zoals Professor Paardekooper deed. Ze wisten immers dat er geen enkel taalkundig argument bestond waarom die Noord-Nederlandse norm moest worden verkozen boven die van enig ander dialect of enige andere tussentaal*.
     Sommige taalkundigen probeerden zich achter drogredenen te verbergen. Een uitdrukking was bijvoorbeeld fout omdat ze uit het Frans was overgenomen, en dus een ‘gallicisme’ was. Je mocht niet zeggen dat iets een ander paar mouwen was omdát het een vertaling was van het Franse une autre paire de manches. Maar dan moest men enkele ogenblikken later vertellen dat voetpad fout was en trottoir correct. Dat was dus duidelijk onzin. Woorden of uitdrukkingen zijn niet goed of fout omdát ze uit het Frans kwamen, ze zijn goed als ze in het Noord-Nederlands waren overgenomen en ze zijn fout als ze alleen in het Vlaams waren overgenomen. Garage is goed, en chauffage is fout. Zo onrechtvaardig is het. Mensen als Taeldeman* begrepen dat, en het maakte hun positie nog delicater.
      Andere taalkundigen beweerden dat ‘tussentaal’, ‘Verkavelingsvlaams’ enzovoort vermeden diende te worden omdat het om een kunstmatig gedrocht ging, het lelijke kind van twee mooie, spontaan gegroeide talen, zijnde authentiek Nederlands en authentiek dialect. Maar ook was de conclusie juist maar hield het argument geen steek. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het Nederlands van boven de Moerdijk op een spontanere manier gegroeid is dan de Vlaamse tussentaal, die goeddeels ontstond als een spontane fatsoenering van het Brabants, dat zich daarna even spontaan over de rest van Vlaanderen ging verspreiden. Ook deze redenering van ‘kunstmatigheid werd door professor Taeldeman terecht verworpen.
     Zelf haalde Taeldeman er in zijn lovenswaardige strijd tegen de tussentaal de generatieve grammatica van Chomsky bij. Die benaderde taal  als een module in de hersenen, een module die op heel jonge leeftijd moest worden gestimuleerd door taalimpulsen vanuit de omgeving. Maar door de tussentaal, zei Taeldeman, werden de impulsen ‘schraler’. De dialecten verdwenen, het ABN verdween, en wat overbleef was het Algemeen Brabants. In plaats van een ‘binnentalige meertaligheid’ (streekdialect – ABN) kwam een ‘monolinguaal systeem’ tot stand dat Vlaamse kinderen onvoldoende en slechts eenzijdig stimuleerde bij hun taalontwikkeling**.
     Dit is een zwak argument, want een beetje verder in zijn tekst noemt Taeldeman het ‘dialectverlies’ onomkeerbaar. Met dat dialect moeten we dus geen rekening houden. Dan doen zich nog drie mogelijkheden voor: een eentaligheid met Schoon Vlaams, een eentaligheid met ABN, en een tweetaligheid met Schoon Vlaams én ABN. Volgens zijn eigen argumentatie zou Taeldeman er dus de voorkeur aan moeten geven dat jongere kinderen opgroeien in een milieu waar twee talen worden gebruikt: een formeel ABN en een informeel Schoon Vlaams. Maar dat is natuurlijk niet wat hij wil. Wat hij wil is, terecht, dat het ABN ook in het informele register een kans krijgt, ‘zodat we het niet meer hoeven te spreken met toegeknepen billen.’ Ja, dat vind ik ook. Maar dan groeit het kind wel op in een monolinguaal systeem, iets wat Taeldeman wou vermijden. ’t Is kiezen of delen.
     Kijk, het is iets wat ik af en toe graag doe, argumenten ondermijnen die nochtans pleiten voor de zaak – in casu het ABN – die ik goedgezind ben. 

 

* Zie onder andere hier en hier.

** Let wel dat het Chomskyaanse redenering alleen opgaat voor de allereerste kinderjaren. In die periode zullen de taalimpulsen worden gegeven in het ouderlijke huis, de kindercrèche en de kleuterschool. Eén- of tweetaligheid speelt daarbij geen grote rol, wel de rijkdom, variatie, gepastheid en duidelijkheid van de impulsen. Al die eigenschappen kunnen evengoed verzekerd worden binnen alleen dialect, of alleen ABN, of alleen tussentaal. 

dinsdag 29 november 2022

Bekakt spreken

 


   Voorstanders van het Algemeen Schoon Vlaams halen aan dat die tussentaal voldoende is om je in heel Vlaanderen verstaanbaar te maken. Dat is waar. Als je als Vlaming van om het even welke provincie naar Thuis of Familie kijkt, kun je die series volgen zonder onderschriften. Dat ze je in Nederland schattig vinden als je zo spreekt, laten de Schoon-Vlaamsmensen niet aan hun hart komen. Ook halen ze aan dat wie op de tram het Nederlands van Martine Tanghe nabootst, wel erg bekakt klinkt*. 
     Dat laatste is alweer waar en het heeft twee oorzaken. We zijn op de tram niet gewoon om ABN te horen, en, belangrijker, de persoon die Martine Tanghe nabootst is ook niet gewoon, of altijd gewoon geweest, om ABN te spreken. Hij of zij beheerst het ABN niet  goed genoeg om het natuurlijk en niet-bekakt te laten klinken. Bij Marc Uyterhoeven klonk het ABN natuurlijk. Maar bij Senne Rouffaer in Kapitein Zeppos hoorde je al de inspanningen die de acteur zich had getroost tijdens de dictieles aan het Conservatorium. Als je Conservatorium moet volgen, is het beste wat je kunt hopen dat je kinderen of kleinkinderen goed ABN spreken. 
     Soms kun je echter wel een klein succes boeken op de weg naar correct-maar-toch natuurlijk. Toen ik aan mijn studies in de Germanistiek begon, moest ik voor een persoonlijke taaldiagnose bij Fons Fraters langsgaan. Ik moest een tekstje voorlezen en Fraters was de mildheid zelve. ‘Niet slecht,’ zei hij. ‘Je moet wat beter diftongeren. Het is ‘peil’ en niet ‘pèl’. En let wat op met je eind-n. Jij zegt als West-Vlaming ik wil je sprek’n. Die fout maakt men ook in Groningen. Beter is om die eind-n gewoon weg te laten vallen. Ik wil je spreke.’ Ik probeerde het thuis, en ik schrok van mijzelf. Spreke, spreke … zo onnatuurlijk! Later, toen ik les gaf in het Mechelse, merkte ik dat al mijn leerlingen spreke, spele en lope zeiden, zonder ook maar enigszins onnatuurlijk of bekakt te klinken. Ik denk dat ik het op de duur ook onder de knie heb gekregen, met natuurlijk af en toe nog eens een keertje spreken, en, als ik snel begon te praten aan het einde van de trimester, het gebeurlijke sprek’n.
     In het algemeen bestaat er in het huidige Vlaanderen een kloof tussen de taal van de Nieuwslezer op televisie en de taal van de huiskamer waar die televisie staat. De Schoon-Vlaamsmensen lijken die kloof als een onvermijdelijk en onveranderlijk gegeven te zien. Maar om te beginnen is die kloof niet onvermijdelijk. Kijk naar Amerika. Ik zal niet ontkennen dat de visserszonen en -dochters van Martha’s Vineard een andere taaltje spreken dan de rijke New-Yorkers die er hun yacht hebben liggen. Of dat er niet iets bestaat als Black English. Maar er zijn ook gebieden veel groter dan Vlaanderen, en met veel meer inwoners, waar het huiskamer-Engels ongeveer hetzelfde klinkt als het fameuze Network English. Voor Amerikaanse soaps laat zich dan ook de nood niet voelen om een andere taal te gebruiken dan voor de nieuwsuitzendingen**. Niemand vindt dat die soapacteurs ‘bekakt’ spreken. Misschien spreken ze te ‘wit’, dat kan, maar zo spreken ze thuis ook.
     Verder zijn taalkloven niet onveranderlijk. Vroeger had elk dorp een ander woord voor ‘honing’ of ‘hoefijzer’. Dat is verleden tijd. De dialecten sterven af, grotendeels vanzelf,  en daarmee is in Vlaanderen heel veel taal naar elkaar toegegegroeid. Niet alleen lijkt de dagelijkse taal van West-Vlaamse dertigers nu beter dan vroeger op die van Antwerpse dertigers, ze lijkt zelfs beter, als je erover nadenkt, op die van Hollandse dertigers. Dat naar elkaar toegroeien zie je ook in andere delen van de wereld. Ik geloof dat het Amerikaanse Engels vandaag dichter staat bij het Britse Engels dan dat honderd jaar geleden het geval was, toen Mencken zijn American Language schreef. ABC en BBC zijn naar elkaar toegegroeid.
     Maar wat naar elkaar kan toegroeien, kan ook weer uit elkaar groeien, en dat is nu het geval voor Vlaanderen en Nederland. Ik kijk nooit meer naar Nederlandse zenders. Maar toen ik nog keek, had ik de indruk dat zich daar ook een soort Soaphollands ontwikkelt, zoals bij ons het Soapvlaams. Ik kon het in elk geval niet zo goed begrijpen. Walt Disney-films voor kinderen worden nu apart in het Soaphollands en het Soapvlaams gedubd. Ik veronderstel dat een correcte Nederlandse versie zowel voor Vlaamse als Nederlandse kinderen als ‘bekakt’ zou overkomen. Ik kan dat alleen betreuren.
     Het Soapvlaams met zijn eigen uitspraak en woordenschat terugdringen en vervangen door een meer ABN-variant is een werk van lange duur. De Antwerpenaar heeft zich stap voor stap ontdaan van zijn dialectisch ‘oe iete gaai’ en zegt nu meestal ‘oe noemde gij’. Nu moet hij weer een driedubbele hindernis nemen om nog meer vooruitgang te maken: hij moet leren dat ‘noemen’ hier toch weer ‘heten’ moet worden, hij moet voldoende geconcentreerd zijn om ‘oe’ als ‘hoe’ uit te spreken en de ‘de’ te laten vallen, en hij moet de emotionele hindernis nemen om de ‘ge’ te vervangen door het Hollandse ‘je’. ’t Is erg moeilijk. En voor de West-Vlaming is het nog moeilijker, want als hij zich al de inspanningen van de Antwerpenaar heeft getroost, komt hij nog uit op ‘Goe geet jij?’
    De kwestie hier is deze: de doorsnee Vlaming wil niet klinken als een Batavier of een Kaninefaat, behalve als hij een paar jaar onder hen heeft gewoond. De Vlaamse straatrover die enkele jaren in Amsterdam zijn beroep uitoefende, komt naar zijn geboortestreek terug en zegt spreekt voorbijgangers aan met: ‘Cheif mij je cheld of ik maak je doowd.’ De doorsnee Vlaming vindt zo'n overvaller dan niet alleen brutaal en gemeen, maar ook belachelijk. En onze Vlaming heeft gelijk. Die ‘ch’, die ‘ei’ en die ‘oow’ moet hij helemaal niet nabootsen. Hij moet alleen ‘je geld’ in plaats van ‘uw geld’ leren zeggen als hij vertrouwelijk aan het praten is. Zoals mijn collega Annelies G. altijd zei: als je de leerlingen zover krijgt dat ze ‘je’ zeggen, dan zal ook de rest van hun taal meteen heel wat beschaafder klinken. 
     Er is nog een derde reden waarom ABN zo moeizaam vordert, en dat is faalangst van Vlaamse sprekers. In Het Nieuwsblad van gisteren stond een interview met televisie-kok Domique Persoons. ‘Vroeger,’ zegt de man, ‘trachtte ik krampachtig keurig Nederlands te praten. Op mijn vijftigste besliste ik om gewoon mezelf te zijn.’ Ach, ‘jezelf zijn’ … ik ben meer geïnteresseerd in dat ‘krampachtig’: het doet mij denken aan een stuntelige equilibrist die zich na dertig jaar oefenen nog altijd niet op zijn gemak voelt op het koord, nog altijd bang is om te vallen, en dan maar beslist, voor de zekerheid, om zelf naar beneden springen. Ik heb het vaak gezien in de Engelse les. Sommige leerlingen spraken goed Engels, maar ze wisten dat hun uitspraak niet perfect was. Ze probeerden hun falen dan te camoufleren door hun fouten moedwillig te overdrijven of door met een grappig accent te praten. Zou dat de reden zijn dat Tom Lanoye – toch een Germanist van opleiding – altijd zo plat praat als hij op televisie komt?
     In mijn vorig stukje gaf ik toe dat ikzelf helaas nogal in tussentaal ben blijven hangen. Ik zag het als een vorm van onkunde. Door dit stukje te schrijven weet ik nu beter. Het is niet alléén onkunde, luiheid en gebrek aan concentratie. Het is ook een driedubbele vrees: dat ik ‘bekakt’ zou overkomen, dat ik voor een Hollander zou worden gehouden, en dat ik ondanks al mijn inspanningen toch nooit als Boudewijn de Groot zal spreken, laat staan zingen.
     Maar goed, vrees is - driedubbel of niet - een slechte raadgever.

 

 

* Dat is geloof ik de reden dat de huidige generatie politici en BV’s bij publieke optredens Schoon Vlaams spreekt in plaats van, zoals de vorige generatie, te proberen het ABN te benaderen. Zo meten ze zich een volks imago aan.

** Alhoewel het natuurlijk altijd aardig kan zijn om in een een film of serie één van de personages met een southern drawl te laten spreken, of een gangster met een plat New York City accent.  

maandag 28 november 2022

Algemeen Schoon Vlaams en ABN


      Toen ik naar school ging was ABN – Algemeen Beschaafd Nederlands – nog een vanzelfsprekend ideaal. Er bestonden ABN-clubs, ons spraakkunstboek heette ‘Kleine ABN-syntaxis’, in de gangen hingen bordjes met de wervende boodschap ‘Spreek ABN’. De West-Vlaamse chansonnier Will Tura probeerde zich met een correcte a-klank ook in andere provincies aanvaardbaar te maken. De Oost-Vlaamse boerenzoon Wilfried Martens bereidde zich met een soortgelijke a-klank voor op een carrière in de landelijke politiek. ABN was het middel om de grenzen van dorp en klasse te overstijgen. Het was een middel tot emancipatie.
     Niet iedereen slaagde erin om dat ideale ABN te beheersen. West-Vlamingen als de communistenleider Ludo Martens en de zakenadvocaat Louis Verbeke konden het wel – ze spraken een Nederlands dat leek op dat van Boudewijn de Groot; andere West-Vlamingen, zoals ikzelf, bleven, zelfs na drie jaar dictie aan het conservatorium, hangen in een tussentaal waarin één keer op de drie een ‘g’ met een ‘h’ wordt verwisseld, en een keer op de twee een ‘ei’ als een ‘è ‘wordt uitgesproken. In andere provincies kreeg je een soortgelijk verschijnsel, er ontstonden brede regionale varianten en uiteindelijk begonnen die naar elkaar toe te groeien om een soort Algemeen Schoon Vlaams te vormen.
     Ik heb dat Algemeen Schoon Vlaams voor mijzelf altijd als een vorm van onkunde ervaren. Maar toen ik leraar Nederlands werd, merkte ik tot mijn verbazing dat de nieuwe schoolboeken, onder invloed van taalsociologen, zoetjesaan begrip kregen voor wat zij de ‘tussentaal’ noemden. Ze beschouwden het als een ‘register’ dat geschikt was voor bepaalde situaties en niet voor andere. Ik moest mij geen zorgen maken. Met mijn ouders kon ik dialect spreken, met mijn vrouw en kind kon ik een tussentaal hanteren, en voor de klas moest ik AN - Algemeen Nederlands – spreken. De B van ABN was in de nieuwe egalitaire tijden weggevallen: dialectsprekers of tussentaalsprekers mochten niet impliciet als onbeschaafd worden omschreven.
     De nieuwe schoolboeken legden uit dat alles om ‘keuzevaardigheid’ en ‘register’ draaide. De leerlingen moesten vooral leren dat ze hun register moesten kiezen naargelang de ‘sociale afstand’.  Dialect was voor bij de grootouders, de tussentaal voor thuis en het ABN voor school. Ze mochten die situaties niet met elkaar verwisselen. Als ze bijvoorbeeld ABN gebruikten tegen hun landbouwende grootouders maakten ze een registerfout. Ze hadden de ‘sociale afstand’ overschat. Tegenover de leraar moesten ze dan weer niet met dialect of tussentaal afkomen, want dan hadden ze de sociale afstand onderschat. Wat ze onder elkaar moesten spreken, stond in een ander hoofdstuk uitgelegd, dat over ‘jongerentaal’.
     Die registeruitleg over dialect, tussentaal en standaardtaal bevalt mij niet. Ze is, vind ik, een capitulatie voor le fait accompli, en het argument waar ze op steunt is verkeerd. Ik geef toe dat de feitelijke toestand juist wordt weergegeven. Zo dom zijn die sociologen ook niet. Ik spreek inderdaad min of meer dialect met mijn ouders, tussentaal met mijn vrouw en kind, en toen ik voor de klas stond probeerde ik ABN te spreken. Maar door tussen die drie varianten te laveren, is er geen enkele die ik zuiver kan gebruiken. 
     Zo heb ik drie voltooide deelwoorden voor het werkwoord ‘eten’. In mijn dialect is het ‘kê hetn’, in mijn tussentaal is het ‘ik eb geëten’ en in mijn ABN is het ‘ik heb gegeten’. Ik weet perfect waar die verschillende vormen zijn aangewezen. Met mijn situationele keuzevaardigheid is alles in orde. Mijn taalvaardigheid daarentegen … Eens om de zoveel keer zeg ik tegen mijn vrouw ‘ik eb hetn’, en zei ik in de klas ‘ik eb geëten’, of misschien zelfs ‘ik eb heëten’. Zou het niet veel eenvoudiger zijn als ik altijd ‘ik heb gegeten’ probeerde te zeggen? Niet dat het zal lukken in de jaren die mij nog resten, maar elegant pianospelen zal mij ook niet meer lukken en toch blijf ik proberen. En ’t gaat trouwens niet om mij maar om de volgende generaties.

zondag 27 november 2022

Over amoraliteit in kunst literatuur


Waarschuwing


     Ik kreeg laatst van de website ‘Blogger’ de vervelende boodschap dat een oude post van mij verwijderd is omdat die in strijd is met de Community-richtlijnen. Als ik die opnieuw wil publiceren, moet ik hem updaten zodat die voldoet aan de richtlijnen. Goed. Dan doe ik die update door middel van deze inleiding:

 

     Wie mijn post leest, en daar een verdediging van seksueel kindermisbruik in ziet, is een idioot. 


Ik veracht seksueel kindermisbruik. Seksueel kindermisbruik moet wettelijk verboden zijn en gestraft worden. En de community-richtlijnen van Blogger en Google in dit verband zijn redelijk, en juridisch noodzakelijk. Dat heeft allemaal met mijn stuk niets te maken. 
     Ik schrijf in mijn stuk dat men ‘pedofilie en efebofilie in verschillende tijden verschillend heeft beoordeeld.’ Dat betekent niet dat ikzelf  in die kwestie een ‘relativistisch standpunt’ inneem. De relativerende uitspraken die ik citeer van Philippe Sollers, Jacques Lanzmann en Josyane Savigneau vind ik om meer dan één reden walgelijk, ook al hebben ze misschien niet strikt met pedofilie te maken. Ik verdedig hier ook het boek van Matzneff niet want ik heb het niet gelezen. Bij het kopen van een boek, zegt Schopenhauer, zou men ook de tijd moeten kunnen kopen om het te lezen.


Over moraliteit in kunst en literatuur


      De Fransen zijn al enige tijd aan het discussiëren over de affaire Matzneff. Gabriel Matzneff (83) is een redelijk bekende schrijver die een seksuele voorkeur heeft voor jongens en meisjes tussen tien en zestien jaar en daar uitgebreid over geschreven heeft in veel van zijn boeken. Maar nu heeft een van die meisjes waar hij 34 jaar geleden een relatie mee had, zelf een boek geschreven. Ze was toen veertien. Ze vertelt in dat boek ongeveer hetzelfde als wat Matzneff 25 jaar eerder in ander boek heeft verteld. Toen werd Matzneff niet vervolgd, maar nu is wel een gerechtelijk onderzoek gestart. 
     Pedofilie en efebofilie hebben, geloof ik, altijd bestaan. Maar men heeft die dingen verschillend beoordeeld in verschillende tijden. Je hoort wel eens dat mei ’68 een periode van algemene seksuele permissiviteit inluidde, maar het moet vroeger begonnen zijn. Het Amerikaanse gerecht besliste in 1959 al dat Lady Chatterley’s Lover mocht worden verkocht en het Engelse gerecht volgde in 1960. ‘I’ve got a hobby,’ zong Tom Lehrer, ‘rereading Lady Chatterley.’ Maar na mei 68 kwam er vaart in de zaak. De bekendste Parijse studentenleider, Daniel Cohn-Bendit, opende in 1973 een kindercrèche waar kinderseksualiteit werd aangemoedigd en pedoseksualiteit getolereerd, dat alles in een ‘open sfeer’.
      Die ‘open sfeer’ kwam Matzneff goed uit. Weinigen zagen een probleem in zijn pedofiele boeken. Toen hij in 1990 in het culturele programma Apostrophes werd aangevallen door de Canadese schrijfster Denise Bombardier, vielen haast alle culturo’s van die tijd over haar heen . ‘Ga terug naar je ijsschots,’ schreef men in de bekende stijl van verdraagzaamheid en ruimdenkendheid. Bombardier werd vergeleken met de Spaanse ketterverbrander Torquemada. Philippe Sollers noemde haar een ‘connasse’ en, ook mooi, een ‘mal baisée’. Jacques Lanzmann had gewild dat Matzneff de schrijfster meteen vóór de tv-camera een klap in het gezicht had gegeven. ‘Meisjes van vijftien die vrijen met een man van dertig, la belle affaire!’ besloot Josyane Savigneau als vrouw van de wereld.
     Maar ondertussen was een en ander aan het veranderen, door aids, door de internationale weerklank van de affaire Dutroux, door de pedofilieschandalen in de kerk, door de vierde feministische golf. Vandaag moet Matzneff het dus ontgelden, zoveel jaar na de feiten, die in elk billijk rechtssysteem al lang zouden zijn verjaard. Hij wordt aangeklaagd voor daden die hij niet heeft gepleegd – verkrachting met geweld – en voor woorden die niet strafbaar zouden mogen zijn – het ‘goedpraten van pedofilie’.
     Je kunt je bij die evolutie veel vragen stellen. De meest voor de hand liggende is of we met het feminisme van de vierde golf en MeToo niet van het ene uiterste in het andere vervallen zijn. Een vraag die mij meer interesseert is deze. Vinden die evoluties alleen plaats bij de culturele elite, of wordt ook het ‘gesundes Volksempfinden’ erdoor beïnvloed? Dat laatste sluit ik niet uit. In 1971, drie jaar na mei ’68, draaide in onze dorpsbioscoop de film Le souffle au coeur van Louis Malle. In die film kwam een ontroerende scène voor waarin twee jongens het gedicht ‘Der Erlkönig’ voordragen, in het Frans, bij een kampvuur. Er kwam ook een scène in voor waarin een veertienjarige jongen seks had met zijn moeder, de wulpse Lea Massari. Ik vond het een mooie film, mijn vader vond het een mooie film, en mijn moeder vond het een mooie film. Wel wat ‘speciaal’, dat moesten ze toegeven.
     Dat betekent natuurlijk niet dat mijn ouders bevlogen voorvechters waren van seksuele permissiviteit. Helemaal niet. Maar in film en in kunst, vonden ze, moest wat meer kunnen dan wat in het echte leven toelaatbaar werd geacht, op voorwaarde dat de toon juist zat, en vulgariteit werd vermeden. Le souffle au coeur trof de schuldeloze, amorele toon van Boons pedofiele boeken, maar zonder de vulgariteit ervan. Ook belangrijk was dat er een zweempje normbesef bleef hangen. ‘We moeten geen spijt hebben van wat we hebben gedaan,’ zei Lea Massari tegen haar zoon, ‘maar het blijft wel bij die ene keer, hé.’
     Een aanvaardbare amoraliteit vinden we ook in het lied ‘Minderjarig’ van Madou. Een rijpere vrouw heeft betrekkingen met een jongen, en zingt dat alles is zoals het hoort. Maar aan de stem van Vera Coomans hoor je dat het we met de duistere kant van het leven te maken krijgen, waar ook alcoholmisbruik, slapen overdag en te veel roken deel van uitmaken.
     Veel mooier nog is het lied van Georges Brassens ‘La princesse et le croque-notes’. In pedofiele literatuur heb je vaak een verdorven verleider of verleidster aan de ene kant en een slachtoffer aan de andere. Humbert Humbert is de verdorvene en Lolita is het slachtoffer. Of omgekeerd, dat wil ik kwijt zijn. Maar bij Brassens zijn de personages zuiver. Het dertienjarige meisje is een schuchtere prinses die nu eenmaal verliefd is, daar kan ze niets aan doen, en de zanger is een verstandige vent die op de gevaarlijke avances niet ingaat. Hij is zo niet, zegt hij tegen het meisje. En dat hij twintig jaar later berouw heeft omdat hij de zonde niet heeft begaan, wie kan het hem kwalijk nemen?

 

Minderjarig 

                  

had het nog nooit gedaan

en bovendien

nog nooit gezien

zijn handen in de war

nog net geen man

smal waar hij smal mocht zijn

sterk waar hij sterk mocht zijn

zijn haren in de war

en in mijn mond

zacht waar hij zacht mocht zijn

hard waar hij hard mocht zijn

 

La princesse et le croque-notes 

 

Jadis, au lieu du jardin que voici,

C’était la zone et tout ce qui s’ensuit,

Des masures, des taudis insolites,

Des ruines pas romaines pour un sou.

Quant à la faune habitant là-dessous

C’était la fine fleur, c’était l’élite.

 

La fine fleur, l’élite du pavé.

Des besogneux, des gueux, des réprouvés,

Des mendiants rivalisant de tares,

Des chevaux de retour, des propre à rien,

Ainsi qu’un croque-notes, un musicien,

Une épave accrochée à sa guitare.

 

Adoptée par ce beau monde attendri,

Une petite fée avait fleuri

Au milieu de toute cette bassesse.

Comme on l’avait trouvé près du ruisseau,

Abandonnée en un somptueux berceau,

A tout hasard on l’appelait “princesse”.

 

Or, un soir, Dieu du ciel, protégez-nous!

La voila qui monte sur les genoux

Du croque-notes et doucement soupire,

En rougissant quand-même un petit peu:

“C’est toi que j’aime et, si tu veux, tu peux

M’embrasser sur la bouche et même pire ...”

 

“Tout beau, princesse arrête un peu ton tir,

J’ai pas tellement l’étoffe du satyre.

Tu as treize ans, j’en ai trente qui sonnent,

Grosse différence et je ne suis pas chaud

Pour tâter de la paille humide du cachot ...”

“Mais, croque-notes, j’dirai rien à personne ...”

 

“N’insiste pas, fit-il d’un ton railleur,

D’abord, tu n’es pas mon genre, et d’ailleurs

Mon cœur est déjà pris par une grande ...”

Alors princesse est partie en courant,

Alors princesse est partie en pleurant,

Chagrine qu’on ait boudé son offrande.

 

Y’a pas eu détournement de mineure,

Le croque-notes au matin, de bonne heure,

A l’anglaise a filé dans la charrette

Des chiffonniers, en grattant sa guitare.

Passant par là quelques vingt ans plus tard,
Il a le sentiment qu’il le regrette.