Ik kan er ook niets aan doen, maar als Nona De Dier een stukje schrijft in De Standaard, dan resoneert dat vaak met mijn eigen monologue intérieur, en dan wil ik daar iets over kwijt*. Vandaag (13/11) heeft Nona het over over de links-intellectuele subcultuur die haar irriteert. Op een culturele avond had ze een presentatrice gezien ‘met een tas van het merk Freitag over de heup en een rok-over-broek-outfit’ en die had iets heel links gezegd dat Nona ‘een beetje cringe’ vond. Nona vond die presentatrice typisch voor het milieu:
Het is een deel van de esthetiek die bij ons demografische milieu past. Je speelt flexitariër, vindt de oorlog in Iran ‘wel heftig’ … je denkt goed na over de taal die je gebruikt: de safe space heet nu safer space, want echt safe kan een space natuurlijk nooit zijn … Het grootste probleem dat ik met die houding heb is dat de impact ervan niet verder reikt dan de grenzen van de incrowd. Je kunt iedere bezoeker er aan de ingang van de nachtclub attent op maken dat er een zero tolerance policy for sexism and other forms of discrimination heerst, maar onderbetaalde vrouwen in de zorg- en schoonmaaksector verdienen daar geen euro meer mee. Dat is dan ook niet het doel … Het signaal dat je de wereld instuurt is dus niet politiek van aard, maar moreel: wij zijn toch een tikkeltje beter dan jullie gewone stervelingen.
Met mijn slecht karakter kan ik nu moeilijk weerstaan aan de neiging om op deze tirade met een jij-bak te antwoorden: ‘En jij, beste Nona, welk signaal stuur jij de wereld in? Dat je net een tikkeltje beter bent dat de gewone progressief?’
Maar jij-bakken is mijn stijl niet. Ik ken Nona niet, maar misschien is zij iemand die zich voorbereidt op een leven ten dienste van de onderbetaalde vrouwen in de zorg- en schoonmaaksector: als extreem-linkse activiste, als vakbondsjuriste, of als lid van een parlementaire fractie die wetsvoorstellen indient ter verhoging van de minimumlonen. In dat geval is haar misprijzen voor de radical chic begrijpelijk.
Ik moet hierbij denken aan mijn revolutionaire tijd bij Amada-PVDA. Dat overkomt mij vaak als ik stukjes schrijf, maar gelukkig nooit daarbuiten. De doorsnee revolutionair van de pionierstijd had de universitaire aula’s verlaten om in een fabriek te gaan werken, zoals de vader van Raoul Hedebouw**. Hoe keek zo iemand aan tegen het demografisch milieu van progressieve intellectuelen die mooie praatjes hadden, maar die niets deden?
De reactie was dubbel. Enerzijds hadden ze hetzelfde gevoel van irritatie dat Nona beschrijft. Daartegenover stond een naïef geduld die gepaard ging met revolutionaire verantwoordelijkheidszin. Wie weet kon men die praatjesmakers later nog overtuigen om zich bij de revolutie aan te sluiten, en ondertussen waren allerlei vormen van samenwerking mogelijk. Misschien waren ze wel bereid om financiële steun te verlenen. En als het om prestigieuze intellectuelen ging, professoren en dergelijke, was het altijd goed als die hun prestige inzetten voor een of andere zaak die in de revolutionaire strategie paste: tegen de Amerikanen in Vietnam, voor open grenzen, tegen de rijkswacht … Het resultaat was dat de revolutionaire militant geen geïrriteerde stukjes schreef zoals Nona. Toen Jean-Paul Sartre overleed, dat toonbeeld van het saloncommunisme, schreef Ludo Martens een respectvol stuk in de partijkrant.
Tom Naegels heeft het stuk van Nona ook gelezen en reageerde helemaal anders. Hij bekijkt het sociologisch:
Allez, weer een jonge witte progressief die ten prooi valt aan de zelfhaat van links. Zulke columns zul je een jonge N-VA’er, een jonge bouwvakker of een jonge kinesist van West-Afrikaanse origine toch echt nooit over de eigen peer group zien schrijven. Terwijl ook zij, zoals iedereen, heus deel uitmaken van een subcultuur met een eigen taalregister, een eigen kledingstijl, eigen voedingsgewoonten, een eigen waardenkader en eigen culturele codes die intern voor cohesie zorgen en extern een beetje belachelijk kunnen worden gevonden.
Dat elke subcultuur haar eigen codes heeft, zal niemand ontkennen, en dat die codes voor de buitenwereld een beetje belachelijk overkomen, is ook waar. Maar dat juist progressieven zo gemakkelijk tot zelfkritiek overgaan is niet zo verwonderlijk. Die progressieven vormen, anders dan de bouwvakkers en de kinesisten, een typisch intellectueel milieu, en intellectuelen zijn nu eenmaal, in de traditie van Socrates of laat ons zeggen Naomi Klein, meer bezig met zelfbeschouwing. Ook gaat het om een ideologische coterie, en dat is een subcultuur met daarin weer sub-subculturen. Je kunt het vergelijken met het flamingantisme: ook daar hoor je veel kritiek op de Vlaamse beweging. Dat is dan kritiek op een ánder deel van de Vlaamse beweging.
Toch wil ik de hypothese van zelfhaat niet helemaal uitsluiten. Jan Van Duppen heeft de gewoonte om een bepaald soort linksen steevast ‘flagellanten’ te noemen omdat ze zichzelf verachten wegens hun privileges. Behoort Nona ook tot die flagellanten? Draagt ze vaak een rok-over broek-outfit en voelt ze zich daar schuldig over? Gebruikt ze zelf modewoorden om te laten zien dat ze helemaal mee is? Gaat ze vaak naar clubs waar een zero tolerance policy for sexism wordt geafficheerd terwijl ze zich kwelt met gedachten aan onderbetaalde vrouwen in de zorg- en schoonmaaksector? Ik weet het niet, en het interesseert me niet.
Iets anders interesseert me wel. Daarvoor moet ik terugkeren naar de presentatrice met haar heuptas van Freitag. Wat had die weer gezegd dat de irritatie van Nona had veroorzaakt? Ik citeer:
Verbaasd was ik toen de gastvrouw het gesprek [over een Vlaamse avant-gardedichter] opende met een statement dat niets met het onderwerp te maken had. “Omdat we ons hier in de gebouwen van de UGent bevinden,” klonk het door de luidspreker, “wil ik toch eerst even aangeven dat ik mij als deel van de community niet kan vinden in de aanstelling van Nathan Cofnas aan onze universiteit.” Ik zie in Cofnas ook een onserieuze neofascist, maar ik moet toegeven: ik vond de uitspraak een beetje cringe. Begrijp me niet verkeerd: ik vind het normaal dat academici zich tegen de aanwerving van een ‘rassenwetenschapper’ aan hun instituut verzetten. Maar de manier waarop de presentatrice haar uitspraak deed stoorde mij … Haar uitlating had dan ook vooral te maken met profileringsdrang … een identiteit, veeleer dan een politieke mening.
Niet toevallig gebruikt Nona het handzame anglicisme ‘cringe’. Ik gebruik dat woord ook wel eens, waar ik vroeger van ‘plaatsvervangende schaamte’ sprak. Het is dus een schaamte – haat is als woord te sterk – die je voelt omdát je je met iemand anders identificeert, en die andere doet iets waar je je voor schaamt. Nona heeft dezelfde mening als de presentatrice over Cofnas – vandaar de identificatie – maar ze schaamt zich voor de overdrijving die erin bestaat om de kwestie ter sprake te brengen op een literaire avond. Het pleit voor Nona dat ze de overdrijving aanvoelt (een overdrijving die wat mij betreft veel erger is dan die van professor Mortier toen hij Cofnas ter sprake bracht op een proclamatie; Mortier had de zaal niet goed ‘gelezen’ terwijl de presentatrice haar zaal veel te goed ‘gelezen’ had***).
Als het dát soort schaamte is die Nona voelt, dan kan ik Tom Naegels gerust stellen: die bestaat ook bij rechts en ik haal mijzelf aan als bewijs. Dagelijks voel ik schaamte als ik op de sociale of in de traditionele media meningen aantref waar ik het in grote lijnen mee eens ben, maar die mij choqueren door de eenzijdigheid, de overdreven verwoording, de grove scheldwoorden, de gebrekkige argumentatie of de afwezigheid van nuance. Ik geef toe dat ik daar bijna nooit iets over schrijf. Dat komt omdat fouten van rechts mij verdriet doen, terwijl die van links mij plezier doen, en ik schrijf liever vanuit die laatste emotie.
Op één punt moet ik Nona helemaal gelijk geven: daar waar ze de hypocrisie van de valse mannelijke feministen aanklaagt:
Ik ken nogal wat jonge kerels die zich op iedere Vrouwendag bij de feministische betoging aansluiten, niet omdat ze zoveel om gelijkheid geven, maar omdat daar nu eenmaal de knapste meisjes op afkomen.
Precies. Die jonge kerels verpesten de boel, en het ergste is dat ze er ook in slagen om de knapste meisjes in te palmen. Zo blijven er geen meer over voor degenen onder ons die uit échte feministische bevlogenheid aan die betogingen deelnemen. Een schande!
* De vader van Raoul Hedebouw: zie hier.
** Commentaar bij de stukjes van Nona staat hier, hier en hier.
*** Over de zaak-Mortier, zie mijn stukje hier.



