Die Linke en het islamisme
De extreemlinkse partij Die Linke heeft haar eigen probleem van ‘islamogauchisme’ *en ook hier heeft het zijn wortels in het electoraal opportunisme en de Palestina-solidariteit. Centraal hierbij staat Ibrahim Ibrahim, de voorzitter van het ‘Verenigd Palestijns Nationaal Comité’, dat gelieerd is aan het marxistische PFLP en aan Hamas. Ibrahim wordt vaak opgemerkt in kringen van Die Linke. Hij maakte zich sterk dat hij het was die Die Linke aan de recente verkiezingsoverwinning had geholopen door ‘intensieve straatcampagnes rond de Palestina-zaak.’ Toen Elif Eralp, de lijsttrekster van Die Linke in Berlijn, door de Der Spiegeldaarover werd ondervraagd probeerde ze de zaak te minimaliseren. Maar tijdens de schriftelijke communicatie tussen Die Linke en Der Spiegel kreeg het weekblad per abuis een interne nota van de partij toegestuurd, waarin Eralp verklaarde bang te zijn dat Ibrahim en zijn entourage ‘haar gezin iets zouden aandoen als ze ze publiekelijk zou vernoemen.’
Ik weet niet of Ibrahim in alle betekenissen een ‘islamist’ is. Misschien is hij, evenmin als Abou Jahjah, een conservatieve gelovige. Is sympathie voor, en banden met, Hamas onvoldoende om als i’slamist’ gekwalificeerd te worden? En als de moslimidentiteit gebruikt wordt voor politieke mobilisatie, komt dat dan niet tegemoet aan een definitie van islamisme als ‘politieke islam’?
De wachtkamerlectuur van de PVDA
In wachtkamers wordt meestal gratis lectuur aangeboden: groezelige Humo’s en Libelles van enkele jaren oud. In ziekenhuizen ligt meestal het huismagazine. Bij de tandarts liggen enkele nummers van Ons Erfdeel. Soms ligt er iets wat je niet verwacht. Bij de garagist zag ik laatst een nummer liggen van het tweetalige PVDA-magazine van Vilvoorde : De Vuist - Le Poing. Het gelijkt op vergelijkbare publicaties die andere partijen gemeentelijk verspreiden: een interview met de partij-voorzitter, korte getuigenissen, commentaar op plaatselijke knelpunten zoals de prijs en het formaat van de vuilniszakken.
Ik heb de tijd gekend dat plaatselijke PVDA-cellen bedrijfskrantjes maakten die De Vuist heetten. De overstap van bedrijfskrantjes naar regionale magazines is geloof ik typisch voor de evolutie van de partij. Volgens mij als buitenstaander is de overgang van bedrijfswerking naar regionale werking de belangrijkste sleutel geweest voor de stevige electorale groei van de partij.
Democratische vergissingen
‘Democratie,’ schreeft Hendrik Vos ooit, ‘is een systeem waarin mensen het recht hebben om zich spectaculair te vergissen, soms met volharding.’ Hij dacht daarbij aan de Brexit. Zelf denk ik bijvoorbeeld aan al die Fransen die een uitbreiding willen van de al heel omvangrijke sociale zekerheid zonder na te denken over de betaalbaarheid. Gelukkig leven we niet in een absolute democratie en is het beleid een compromis tussen wat het volk wil en wat de elite mogelijk en nodig acht. Daarbij moet worden opgemerkt dat de elite haar eigen spectaculaire vergissingen maakt, zoals in verband met de migratiestroom uit Derde Wereld-landen.
De nationaliteit van Fouad Belkacem
De leider van Sharia4Belgium, Fouad Belkacem, die indertijd jongeren ronselde om voor IS te gaan vechten, heeft bijna zijn hele gevangenisstraf van 15 jaar uitgezeten. Staatsvijanden kunnen meestal niet op veel strafvermindering rekenen. Dat hebben de leden van de CCC ook ondervonden.
Een maand geleden raakte bekend dat minister van Asiel en Migratie Anneleen van Bossuyt aan het onderhandelen is met Marokko om hem na zijn vrijlating naar dat land uit te wijzen. Ik sta daar volledig achter. Vroeger had Belkacem een Belgisch-Marokkaanse nationaliteit. De Belgische nationaliteit werd hem afgenomen zodat hij nu nog alleen Marokkaan is. Waarom zouden we hem dan niet mogen uitwijzen?
Wiebe Koopal denkt daar anders over en heeft daar in De Standaard (2/10) een opiniestuk over geschreven. ‘Fouad Belkacem is een van ons,’ schrijft hij. Bedoelt hij daarmee dat Belkacem ‘een van ons’ is zoals Marc Dutroux een van ons is? Dat zijn loze woorden, net zoals spreken van ‘penitentiair kolonialisme’.
Dat Belkacem de Marokkaanse nationaliteit heeft, noemt Koopal een ‘juridische spitsvondigheid’. We hebben misschien niet graag mensen als Belkacem op ons grondgebied, maar, schrijft Koopal ‘dat is de prijs die we samen betalen voor ons geloof in een werkelijk vrije samenleving.’ Ik zie dat anders. De ‘werkelijk vrije samenleving’ wordt beschermd door de wet, en die is meer dan een ‘juridische spitsvondigheid’. De wet bepaalt wat kan en niet kan. Ons land had het recht heeft om een terrorist op te sluiten als straf. Die terrorist heeft het recht heeft om te worden vrijgelaten na het uitzitten van zijn straf. Maar hij heeft niet het recht om hier als vreemdeling te verblijven, ook al is hij ‘in Rumst geboren en getogen.’ Ons land zou hem natuurlijk ook verblijfsrecht als gunst kunnen toekennen, maar waarom zouden wij dat in godsnaam doen?
Koopal is filosoof van opleiding en beroep en dat laat hij merken in zijn verdere argumentatie.
Belkacem is een ‘Vlaamse (ex-)terrorist die hier, op ons grondgebied, tot zijn criminele ideeën en feiten gekomen is. Als die, nu hij vrijkomt, nog altijd een probleem vormen, dan is dat ook óns probleem, en ónze verantwoordelijkheid … Iemand die na 15 jaar opsluiting vrijkomt, heeft begeleiding nodig om weer echt vrij te kunnen zijn … Zo zullen we nu goed samen met hem moeten nadenken over hoe hij zijn herwonnen vrijheid wil gebruiken.
Ach zo. En waarom zou dat onze verantwoordelijkheid zijn? Het lijkt wel of Belkacem door onze schuld terrorist geworden is en dat het daarom onze verantwoordelijkheid is om hem herop te voeden. Alleen heeft een crimineel geen moreel récht op heropvoeding. De maatschappij beslist om utilitaire redenen om criminelen, die ze nu eenmaal niet kan uitwijzen, herop te voeden zodat ze niet hervallen en zodat ze misschien zelfs nuttige burgers van de maatschappij worden. Maar als we ze wel kunnen uitwijzen, dan graag.
Koopal haalt terloops aan dat Belkacem in ons land asiel heeft aangevraagd. Juridisch heeft hij gelijk. Zolang de aanvraag niet definitief is afgewezen, heeft Belkacem inderdaad verblijfsrecht. Maar het is ook moeilijk om een beter voorbeeld te vinden van de absurde wetgeving rond asiel.
Purnelle en de Franse scholieren
Bieke Purnelle (DS 9/10) is zich door het scholierenprotest bewust geworden van de precaire toestand waarin de Franse jongeren zich bevinden. Ze horen dagelijks over oorlogsdreiging, economische crisis, artificiële intelligentie die hun diploma’s waardeloos zal maken. ‘Ze voelen de hete adem van de klimaatopwarming aan den lijve,’ schrijft ze, waarmee ze op grappige wijze de metaforen door elkaar husselt. En verder:
Besparingsbeleid treft hen disproportioneel hard. Ze horen hun ouders discussiëren over de prijzen van wonen, gas, benzine en brood. Ze zien hun ouders lange dagen werken voor een loon dat niet volstaat om al die noodzakelijke dingen te betalen.
Dus: de jongeren worden disproportioneel hard getroffen, hun ouders ook en hun grootouders, neem ik aan, evenzeer. Waar het woord ‘disproportioneel’ al niet goed voor is. Bijzonder treurig is de toestand in het onderwijs.
Kinderen zitten doorgaans met 35 in een aftands klaslokaal waar het ’s winters net niet vriest en het ’s zomers 40 graden is … Verschillende leerlingen en leerkrachten getuigen over ratten en kakkerlakken die door de gangen lopen, schimmel op de muren van de lokalen, afbrokkelende en lekkende plafonds, te weinig toiletten, bovendien zonder wc-papier …
Bij harteloze rechtse mensen hoor je soms mompelen dat de vervallen scholen misschien ook komen doordat de leerlingen niet zorgzaam met hun omgeving omgaan, en dat lerarentekort deels verklaard kan worden doordat die mensen niet graag les geven aan een publiek dat niet altijd even beleefd blijft. Hoe meer hyperbolen ik lees, hoe sterker de drang om van mijn kant het understatement te hanteren.
Purnelle schrijft nog: ‘70 procent van de klassen huist meer dan 30 leerlingen.’ Zou dat waar zijn. Ik vraag het aan ChatGPT, dat mij de cijfers van de Franse onderwijsadministratie geeft: het gemiddeld aantal leerlingen per klas is 21,6 in het basisonderwijs, 25,5 in het lager secundair, 30 in het hoger secundair onderwijs en 18 in het beroepssecundair onderwijs. Dat is nog altijd veel, maar toch heel wat minder dan Purnelle aangeeft.


