vrijdag 9 oktober 2026

'Ras bestaat niet', e.a.


‘Ras bestaat niet’
      Op de opiniepagina’s van De Standaard (2/10) stond een groot stuk geschreven door vier biologische experts onder de titel ‘Ras bestaat niet, behalve als sociale constructie.’ Het is in de eerste plaats een les in genetica. Daar valt niets op aan te merken. Het stuk vat goed samen wat ik elders over de zaak gelezen heb, en helpt me om het beter te begrijpen. Maar het stuk heeft ook een polemische inslag. Hier en daar valt een beledigend woord. Cofnas wordt een ‘rassenfabulist’ genoemd en professor Mortier heeft een formulering gebruikt ‘waar een geneticus achterover van valt.’ Zoiets valt ruim binnen de grenzen van het welvoeglijke, evenals de andere kunstgrepen waar – zij het matig – gebruik van wordt gemaakt: een milde stropopredenering, een vage veralgemening, een sluwe suggestie en een gemakzuchtige verzwijging. Niemand kan het de polemisten kwalijk nemen dat ze – zij het matig – gebruik maken van die kunstgrepen. En niemand zal het hopelijk kwalijk nemen dat ik op die kunstgrepen wijs.
     Professor Mortier heeft inderdaad de claim van Cofnas en Co over IQ-verschillen tussen ‘rassen’ ongelukkig geformuleerd door te spreken van ‘verschillende huidskleur’. De experts antwoorden dat huidskleur eigenlijk alleen te maken heeft met de hoeveelheid zonlicht in de streek waar iemands verre voorouders leefden. We mogen veronderstellen dat Mortier dat ook wel wist, maar in een informeel praatje een wat korte bocht nam. 
     Verder, en meer ten gronde, leggen ze uit dat er maar één menselijk ‘ras’ bestaat, dat we binnen dat ene ras alleen verschillende ‘populaties’ kunnen onderscheiden, dat die populaties, gedeeltelijke verschillen in DNA vertonen, dat die gedeeltelijke verschillen geen scherpe begrenzing toelaten, en dat de variatie binnen de populaties groter is dan die tussen de populaties onderling. Dat zijn allemaal stellingen die niet alleen onweerlegbaar zijn, maar ook pertinent in de discussie. 
     De conclusie die uit al die stellingen volgt is deze: ‘Ras bestaat niet’ en ‘afkomst is een statistische reconstructie.’ Het tweede deel van de conclusie is scherp en precies, maar het eerste deel lijkt mij een vage veralgemening, zoals ‘de vrije markt bestaat niet’, of ‘de oorlog in Gaza was disproportioneel, of ‘de anti-Israël protesten zijn antisemitisch.’ Zelfs als die conclusies juist zijn, dekken ze niet de volledige feiten, noch de redenering die eraan voorafgaat.
     Ter illustratie verwijs ik Charles Murray’s Human Diversity waar de auteur uit de statistische reconstructie een tegenovergestelde – en in zekere zin evenmin gefundeerde conclusie trekt: ‘ras bestaat wel.’ Murray vertrekt van de genetische analyse uitgevoerd door Li, Absher, Tang, et al. (2008). Je stopt allerlei gegevens van het Human Genome Diversity Project in een de computer en dan vraag je die onbevooroordeelde computer om de gegevens op te delen in een aantal (K) clusters volgens afkomst en zonder al te veel mengvormen. Het resultaat is het volgende

 2 K:    Zwart Afrika,  Oost-Azië

3 K: + ‘Kaukasisch gebied’

4 K: +  Amerika (oorspronkelijke bewoners)

5 K: + Oceanië 

6 en 7 K: ‘Kaukasisch gebied’ valt uiteen in
                            Europa

                            Midden-Oosten en Noord-Afrika

                            Centraal- en Zuid-Azië

 

      Die zeven groepen die de computer onderscheidt lijken redelijk goed overeen te komen met wat Murray noemt de categorieën van ‘self-identified race and ethnicity.’ Ze komen te goed overeen om de thesis ‘ras is alleen maar een sociale constructie’ zonder meer aan te nemen. Maar anderzijds zijn er in de zeven groepen te veel mengvormen en overlappingen om ‘ras’ tot een onwrikbare biologische realiteit te verheffen. 
     En uiteraard kun je de computer ook een om een opsplitsing in 12, 33, of 79 groepen vragen. Je kunt, lees ik bij Murray , de analyse blijven verfijnen. Als je de Europese bevolking analyseert met 100 of 1000 genetische kenmerken blijft ze homogeen, maar met 100.000 kenmerken ontstaan redelijke grenzen om Italianen, Spanjaarden, Duitsers en Roemenen af te zonderen, terwijl bijvoorbeeld de grenzen tussen Britten, Nederlanders, Zweden en Ieren redelijk vaag blijven. Enzovoort.

     Met hun uitleg over ‘ras’ hebben de experts in zekere zin een stropop bevochten: een onnauwkeurige formulering van professor Mortier, en een stelling die academische rassenrealisten niét verdedigen. Het pleit voor de experts dat ze dat beseffen en dat ze ook een sterkere versie van de bestreden stelling onder handen nemen. Ze schrijven:

 

Daarmee is de centrale claim van de rassenrealist, of liever rassenfabulist, nog niet helemaal van tafel. Hij of zij kan immers antwoorden: laat die grove categorieën als ‘zwart’ en ‘wit’ dan achterwege en vergelijk beter omschreven populaties. Kunnen verschillen in gemeten intelligentie tussen zulke populaties dan wel deels genetisch zijn?

 

      Ook in dat verband brengen ze een aantal onomstreden bevindingen in herinnering. Dat intelligentie niet alleen afhangt van genetica, maar ook van omgevingsfactoren. Dat de erfelijkheid van intelligentieverschillen binnen de populaties niet bewijst dat de intelligentieverschillen tussen populaties óók erfelijk zijn. Dat er weinig doorgedreven genetisch onderzoek bestaat over Afrikaanse populaties, waar de variatie heel hoog is. En ten slotte: dat de genetische component van intelligentie onnoemelijk complex is. Daarom besluiten ze:

 

Het eerlijke wetenschappelijke antwoord is niet dat genetische verschillen tussen populaties onmogelijk zijn. Wel dat we niet weten of ze bestaan, hoe groot ze zouden zijn of in welke richting ze zouden werken. 

 

     De hele tekst suggereert iets anders, maar mij lijkt het dat de auteurs hier wezenlijk hetzelfde zeggen als wat professor Mortier zei: ‘dat de uitspraak vals is, is nooit aangetoond. En het tegendeel, dat ze waar is, ook niet.’ In tegenstelling tot de algemene suggestie die hun tekst kleurt, schrijven de experts hier dat de wetenschap het (nog) niet weet.

     Nu is het op zich redelijk om deze onwetendheid als argument te gebruiken tegen de ‘rassenfabulisten’. ‘De claim aan de basis van het hele debat,’ schrijven de experts,  ‘vindt in de genetica geen steun.’ Maar daarmee wordt een ander type onderzoek verzwegen dat wél in de richting wijst van een genetische basis voor groepsverschillen in IQ. The Bell Curve (1994) indertijd trok de aandacht op het vrij grote verschil in IQ-testresultaten – 10 à 15 procent om het wat eenvoudig uit te drukken – tussen Amerikanen van Europese en Afrikaanse afkomst**. 

     De cijfers van die de Bell Curve citeerde waren onweerlegbaar, en de auteurs ondernamen een uitgebreide poging om ze statistisch te analyseren.  De mogelijke bias van de IQ-test werd onderzocht. De sociale, culturele en andere factoren die de testresultaten konden beïnvloeden, werden een voor een onderzocht en uit de cijfers gefilterd. De auteurs concludeerden dat een genetische component waarschijnlijk, maar niet bewezen was. 

     Op de argumentatie van de Bell Curve is veel en grondige kritiek gekomen, maar lang niet alles werd onomstotelijk of volledig weerlegd, zodat mensen als Cofnas nog altijd op dat soort onderzoek – en het moderne vervolgonderzoek – kunnen voortbouwen om hun eigen constructies op te zetten. Of ze daarin te voortvarend zijn, of meegesleept worden door vooroordelen, kan ik niet inschatten. Ik beweer alleen dat hun hypothese – misschien is het voor hen een dogma – niet alléén afhangt van het biologisch-genetisch onderzoek.

     Achteraf beschouwd hebben de auteurs van de Bell Curve zich over minstens één zaak grondig vergist. Ze voorspelden dat hun IQ-onderzoek binnen enkele decennia achterhaald zou worden door de biologische genetica. Het is niet zo gegaan. Het menselijk genoom blijkt ingewikkelder in elkaar te zitten dan ze hadden gedacht. 

  

 

* Over professor Mortier, zie mijn stukje hier.

** Uiteraard is er ook een gemeten IQ-verschil tussen de Afro-Amerikanen en de Afrikanen in Afrika. Bij die laatste kan met grote zekerheid aangenomen worden dat de sociale omstandigheden – o.a. de armoede – een zeer grote rol spelen. Tussen haakjes: de genetische variatie tussen de Afro-Amerikanen is veel minder groot dan die onder de Afrikanen op het Afrikaanse continent.  


 

 

Overlastplegers in Antwerpen

     De Standaard (8/10) bericht over een interne nota van de korpschef van de Antwerpse politie, Serge Muyters. Hij vraagt dat men overgaat tot bestuurlijke arrestaties wan overlastplegers ook als ze op dat moment geen aanleiding daartoe geven. Daarmee worden mensen bedoeld die opgenomen zijn in een app van de politie omdat ze bekend staan voor openbare dronkenschap, druggebruik, vechtpartijen, bedelarij, vuilstorten, lastig vallen van voorbijgangers enzovoort. 
     De richtlijn is geïnspireerd door het kabinet van burgemeester Els van Doesburg. ‘Onze doelstelling is dat Antwerpenaren niet worden lastiggevallen door agressieve, aanklampende (vaak illegale) lavelozen,’ zegt een woordvoerder. ‘Volgens het kabinet,’ schrijft De Standaard, ‘trof de politie de voorbije weken tbc, schurft, een een vleesetende bacteren aan tijdens verschillende acties.’

      Het zal altijd een delicate oefening blijven: het evenwicht bewaren tussen ‘vrijheid’ en ‘law and order,’ het recht van iedereen om te gaan en staan waar hij wil, en het recht van de brave burger om zich veilig te voelen. De kwestie wordt wel eens aangeraakt in Amerikaanse films over de jaren 30: hobo’s met een pet of slappe hoed op, die door de politie worden achternagezeten terwijl ze op dat moment geen misdaad hebben begaan, behalve dan de victimless crime van zich in een goederentrein te verstoppen om gratis mee te reizen.

     Aan de andere kant, men begrijpt waarom de ordehandhavers in die materie graag zelf ook wat vrijheid hebben om preventief op te treden. Moeten ze echt wachten tot met geijkte procedures is vastgesteld dat de de have- of laveloze weer een burger heeft lastiggevallen? Wat als deze have- of laveloze zich koest houdt zolang de politie zichtbaar in de buurt, en daarna weer in zijn storende gedrag vervalt? De Standaard van de dag erop (9/10) laat buurtbewoners aan het woord die opgelucht zijn dat er iets gebeurt, dat er ‘een grens getrokken wordt’, en dat de veiligheid ‘iets beter’ is geworden.

     Natuurlijk zit er nog altijd een interne paradox in zo’n preventieve arrestatie. Als men een moderne landoper zonder directe aanleiding voor 12 uur kan opsluiten, kan men hem dan na zijn vrijlating, als hij een tiental meter verder gewandeld is, niet opnieuw zonder directe aanleiding opsluiten? Hij voldoet immers nog altijd aan de richtlijnen voor administratieve arrestatie. Maar in de praktijk zal men het wel zo ver niet drijven., 

     Terwijl ik het moeilijk heb om hier een standpunt in te nemen, en eigenlijk overhel naar law and order, heeft Karel Verhoeven geen moeite om resoluut voor het andere kamp te kiezen. Misschien helpt het dat de maatregel een N-VA-stempel draagt. Hij hekelt het gebrek aan wettelijk kader. Het Antwerpse beleid zou volgens hem de herinvoering van de oude wet op landloperij verreisen. Ik weet niet of dat waar is en of men een aanhouding van 12 uur kan gelijkstellen aan een langdurige opsluiting in Meksplas.

     Verder schrijft Verhoeven de Antwerpse burgermeester de waangedachte toe dat de overlastbezorgers ‘na 12 uur cel rap zullen veranderen.’ Dat zou zeker een illusie zijn. Maar geldt dat ook niet voor de oplossing die hij zelf suggereert: meer hulpverlening? 

 

Hoe het leven waar die mensen aan lijden weer een beetje rechter te trekken, de hardnekkige verslavingen, de jaren van miserie, geestelijke en lichamelijke ziektes, armoede, isolement, dat is niet meer aan de orde. 

 

     Tegen die hulpverlening als wonderzalf zijn veel bezwaren in te brengen. Een van die bezwaren heeft Verhoeven in een vorige alinea vermeld, waar hij de overlastplegers karakteriseert als ‘mensen die elke hulpverlening weigeren.’

 

 

woensdag 7 oktober 2026

Scholierenprotest, e.a.

 


De scholierenstakingen
     Radicaal-links schijnt heel actief te zijn in het huidige scholierenprotest. In Frankrijk is dat La France Insoumise, en Wallonië is het Redfox, de jongerenorganisatie van de PVDA. De jonge Waalse stakers leggen in Le Soir mooi de rol van radicaal-links uit: ‘Ze geven ons informatie.’ Zo is dat. Als je aan het staken bent, wil je graag informatie krijgen waaróm je staakt. En het is de taak van de communisten om die informatie te verstrekken. Ik heb het altijd zo geweten. Helaas, toen mijn vriendjes en ik staakten tegen het plan-Vanden Boeynants duurde het tot een week na de staking voor we met de Kommunistiese Jeugdbond een brochure klaar hadden die uitlegde waarom we gestaakt hadden. 
     Wat zijn vandaag de redenen om te staken. In de krant van vandaag (DS 7/10) lees ik  over mistanden als ‘uitgebluste leraren voor de klas, vakken die afwisselend door twee verschillende leerkrachten gegeven worden omdat anderen hun baan verloren, klassen met dertig of meer …’ Die klassen van ‘dertig of meer’ vind ik ook beangstigend. Ik heb in mijn hele loopbaan maar één keer een klas gehad van 33 leerlingen. Meestal had ik in mijn aso-klassen tussen 20 en 26 leerlingen. Mijn tso-klassen waren gemiddeld kleiner. Ondertussen heeft ChatGPT mij uitgelegd dat dat die  ‘dertig of meer’ in Wallonië verwijst naar het wettelijke maximum aantal leerlingen in een aso-klas in de derde graad: 32. 
     Zijn de klassen in Wallonië ook werkelijk groter dan in Vlaanderen? In het lager onderwijs zijn ze iets kleiner, in het middelbaar iets groter. Vlaanderen heeft in het middelbaar 7,8 leerlingen per leraar, Wallonië heeft er 8,4. Die leraren in het middelbaar hebben een opdracht van 20 of 22 lesuren.  Na wat doorvragen concludeer ik dat een Waalse aso-klas in de derde graad gemiddeld ongeveer 2 leerlingen meer telt dan de groepen waar ik les aan gaf. Als die leerlingen zich een beetje gedragen is dat geen ramp. Ondertussen is het best mogelijk dat de stakende scholieren iets kleinere klassen willen om zo meer en beter te kunnen leren. Dan heb ik sympathie voor hun eis.
     En in Frankrijk? Ik ga mijn ChatGPT-krediet niet opgebruiken om precies te achterhalen wat dáár allemaal de grieven zijn. In een van de eerste stukken in De Standaard vertelden Franse scholieren dat ze de druk niet meer aankonden: de selectie was te streng, de examens te moeilijk en de schooldag duurde van 8 uur ’s morgens tot 6 uur ’s avonds. Dat laatste moet dan in sommige scholen zijn waar het lesrooster heel slecht georganiseerd is want de Franse scholieren – ik heb het toch maar eens opgezocht – hebben ongeveer evenveel lestijd als de onze : 1680 minuten per week tegenover 1600 in Vlaanderen.
     Nu, misschien zijn dat ook de echte grieven niet. Hier en daar lees ik iets over ‘onvoldoende middelen’ voor het onderwijs. Volgens Frank D’hanis zou het kunnen liggen aan de discriminatie: de wetenschapscores van kinderen uit de lagere klassen zijn slechter dan die van de hogere klassen, en dat verschil wordt voor 13,5 procent verklaard door de socio-economische achtergrond. Als dat geen stakingsgrond is! Volgens Joren Vermeersch mogen we het islamitisch-communautair element niet vergeten: maghrebijnse jongeren die hun misprijzen willen etaleren voor Frankrijk, Franse waarden en het Franse onderwijssysteem. Zou dat kunnen meespelen? Scholieren die staken om, ik zeg maar iets, Palestina te helpen**.
     Ik hoop in elk dat er in Frankrijk geen doden vallen. Wat zouden de Iraanse autoriteiten dan zeggen? Op 4 oktober klaagde de Iraanse woordvoerder van Buitenlandse Zaken al ‘het brutale en disproportionele politiegeweld’ in Frankrijk aan. En op 6 oktober werd de Franse ambassadeur in Teheran om dezelfde reden op het matje geroepen. Toegegeven, Frankrijk heeft ook kritiek gegeven toen de Republikeinse Garde in Iran enige tijd geleden enkele tienduizenden jongeren doodschoot en terechtstelde. 

 

*  Over die staking tegen Vanden Boeynants, zie ook mijn stukje hier.

** Zie bijvoorbeeld déze scholier: hier, met dank aan Geraard Goossens. 



 

De datacenters en de spoorwegen

     Lieven Sioen besteedt zijn commentaar van vandaag (DS 7/10) aan de datacenters. ‘Het is de grootste investeringsgolf ooit in de geschiedenis, schrijft hij, na de aanleg van de spoorwegen in de VS eind negentiende eeuw.’ Dat is ook de vergelijking die spontaan bij mij opkomt als ik aan AI denk. Sioen pleit voor meer staatscontrole (‘democratische zeggenschap’) over de datacenters om ervoor te zorgen dat niet ‘alle baten voor de techreuzen zijn.’

     Je hebt mensen die stoppen met lezen als ze in een stuk over hedendaagse politiek de term ‘fascisme’ tegenkomen. Anderen stoppen als ze het woord ‘neoliberalisme’ zien opduiken. Ik moet mijn best doen om niet te stoppen als ik een verwijzing zie naar de ‘baten’ of de ‘superwinsten’ die allemaal naar de ‘techreuzen’ gaan. De belangrijkste baten van zulke technologische vernieuwen zijn altijd voor de consument. Dat was ook zo met die Amerikaanse spoorwegen, al werden sommige aartsschurken er steenrijk mee, als ik de versie van Once Upon a Time in the West mag geloven.

dinsdag 6 oktober 2026

Besparen op cultuur, e.a.

 


Cijfers
    De Vlaamse begroting bedraagt 67 miljard per jaar. Om die in evenwicht te krijgen moet 2 miljard bespaard worden in 2027, oplopend tot 3 miljard in 2029. Van die drie miljard moet 1,2 miljard komen uit besparingen op eigen werking en op subsidies, en daarvan moet moet 47 miljoen komen van subsidievermindering aan cultuur. Voor wie percentages wil uitrekenen: het jaarlijkse totale cultuurbudget bedraagt, afhankelijk van wat men er juist onder verstaat, 420 tot 520 miljoen. In tabelvorm wordt dat:

 

 

Erfgoed, musea en archieven

     Vlaanderen heeft een socialistische minister van Cultuur, Caroline Gennez, die de besparingen niet volgens de kaasschaafmethode heeft doorgevoerd – overal een beetje besparen –  maar met een progressieve visie. ‘We hebben de makers, de kritische stemmen gespaard.’ De bevriende progressieve ‘sector’ wordt ontzien; bijna de helft van de besparingen worden gerealiseerd door subsidies te schrappen voor erfgoed, musea en archieven.
     Daar is natuurlijk van die kant veel reactie gekomen. Een aantal historici heeft een open brief geplaatst in De Morgen waarin ze oproepen tot het ‘
bewaren en blijven valoriseren van wat cultuurmakers en kritische stemmen uit het verleden ons hebben nagelaten.’ Maar de solidariteit van de hedendaagse kunsten, schrijft Jan Dumolyn, blijft er beperkt als het om ‘een hoop stenen’ en om ‘oude papieren’ gaat. Hij klaagt over een ‘intrinsiek dédain in wat gemeenzaam ‘de sector’ wordt genoemd, tegenover middeleeuwse kunst, historische landschappen, volkskunde, stoeten en processies …’

 

Onherstelbare schade

     In de brief van de historici werd ik vooral getroffen door twee woorden: de besparingen zouden kunnen leiden tot ‘onherstelbare schade’. De historici hebben het dan over de universitaire opleidingen in hun vak. Zelf ben ik nog banger dat er archieven zouden verdwijnen, want dan zou een volgende regering zonder socialistische cultuurminister de situatie niet meer kunnen rechttrekken. Die gedachte kan ik moeilijk verdragen. Van Karel van het Reve wordt gezegd dat hij op faculteitsvergaderingen zijn mond hield, maar dat hij een keer is gaan razen toen iemand voorstelde om ‘verouderde atlassen uit de universiteitsbibliotheek te verwijderen.’ Ik kan er ook niet goed tegen dat bibliotheken hun weinig of niet gelezen boeken wegdoen.

 

Partijpolitiek

      Bart Eeckhout begint zijn commentaar van 2 oktober met de redelijke opmerking dat bij elke begroting geldt: damned if you do, damned if you don’t. Daarna gebruikt hij wat superlatieven om de keuze van Gennez tegen de erfgoedsector te hekelen, en daarna besteedt hij de helft van zijn commentaar aan kritiek op de N-VA ‘die dat laat passeren,’ waarbij hij in zijn enthousiasme eindigt bij het dossier van de Palestijnse beursstudenten en het luchthavenbeleid. Tja, natúúrlijk heeft het N-VA hier een verachtelijk compromis goedgekeurd waarmee haar eigen cultuurbeleid in het verleden weer wordt afgebroken. Dat is wat politieke compromissen altijd zijn: verachtelijk. Demir wil niet besparen op onderwijs, dan moet ze in ruil collega Gennez haar zin laten doordrijven op cultuur. Ik heb in elk geval liever Demir op onderwijs en Gennez op cultuur dan omgekeerd.

 

Crowdfunding

     Kan de erfgoedsector geen beroep doen op crowdfunding om zijn financiering veilig te stellen. Dat gaat niet. Het publiek is gewend geraakt aan subsidies. De burger zal redeneren: waarom zou ik geld geven aan iets dat altijd al door de overheid werd betaald? Bovendien is bijvoorbeeld historisch onderzoek op grond van archieven een buitengewoon eerbare, maar tegelijk een buitengewoon elitaire activiteit. Die kun je alleen sponsoren via mecenaat of via het verlichte despotisme van subsidies.

 

Bozar

     Naast de erfgoedsector verliest ook het kunstencentrum Bozar de Vlaamse subsidies ten bedrage van 760.000 euro. In totaal had Bozar 750.000 bezoekers. Als dat allemaal betalende bezoekers zouden zijn, dan kan de verloren subsidie gecompenseerd worden door een prijsverhoging van 1 euro per toegangsticket. Als de helft betalende bezoekers zijn, dan zou de ticketprijs met 2 euro moeten stijgen. Jan Wostyn speculeert op X.com dat die prijsstijging de welstellende cultuurconsument er niet van zal weerhouden om evenementen van Bozar bij te wonen. 

 

Bozar (2)

     Er circuleert op de sociale media een bericht van Vlaams parlementslid Maurits Vande Reyde. 

 

Kreeg bericht van iemand in Bozar. De directeur leidde het concert in. Omwille van het wegvallen van subsidies, weigerde hij het “ook in het Nederlands te doen”. 

 

     Hoe moet ik dat nu zeggen? Ik hóóp dat het bericht waar is. 

 

 Verbindende cultuur

      Dat  progressieve cultuursector ontzien wordt, neemt niet weg dat de radicaal linkse medemens in de Gennez-besparingen een aanval van rechts ziet. ‘Dat is geen besparing,’ las ik ergens op de sociale media, ‘van enkele euro’s op cultuur … maar een politieke moord en afrekening. Cultuur is gevaarlijk voor rechts … Cultuur verbindt, en rechts wil verdelen en heersen, ten dienste van de superrijken en multinationals.’

     Nou ja, cultuur kan wel eens verbinden. Het is leuk als je politieke tegenstander toevallig ook van polyfonie of barokmuziek houdt. Maar zijn de hedendaagse podiumkunsten werkelijk verbindend? Misschien gold dat voor het Griekse theater van 2.500 jaar geleden, maar ondertussen is er veel veranderd. Max Weber suggereert ergens dat het domein van de kunst mogelijk getekend is door een aristocratische geest die vijandig staat tegenover de menselijke broederlijkheid. 

 

 


Wetenschapper – politicus – publieke intellectueel


     Als je de twee essays van Weber over ‘Wetenschap als beroep’ en ‘Politiek als beroep’ samenlegt, en met Julien Benda in het achterhoofd, zou je gemakkelijk zes categorieën kunnen opstellen

 

- de zuivere – dat wil zeggen waardevrije – wetenschapper 

- de wetenschapper die politicus wil zijn (in de collegezaal)

- de zuivere publieke intellectueel

- de publieke intellectueel die zich gedraag als politicus (in het openbaar debat)

- de politicus die een publieke intellectueel wil zijn (in het beleid)

- de zuivere – dat wil zeggen ‘verantwoordelijke’ – politicus

 



De girl math van de Vlaamse regering


     Een krant kan zijn opiniestukken laten schrijven door experten, ideologen, of ervaren scribenten. De Standaard heeft daar de categorie ‘Jong talent’ aan toegevoegd, voor de ruriek ‘De mening’.  Jong zijn die mensen zeker, en getalenteerd ook: ze schrijven stukken die ik op hún leeftijd zeker niet had kunnen schrijven. Maar je merkt snel dat ze nog niet zo heel lang geleden opstellen schreven voor het vak Nederlands.

     Een van de jonge talenten is Nona De Dier. Iedere keer dat er van haar een stuk staat, lees ik het tekstje onder haar naam: ‘Nona behaalde in 2023 een diploma rechten en studeert momenteel taal- en letterkunde (Duits-Zweeds) aan de UGent. Ik denk dan: dat is iemand als ik. Na mijn eerste masteropleiding, heb ik mij ook aan een tweede gewaagd.

     In haar laatste stuk (DS 6/10) beweert ze dat de Vlaamse regering aan girl math doet. Ik kende dat begrip niet, maar Nona legt het uit: ‘de mentale bochten waarin jonge vrouwen zich wringen om hun irrationele uitgaven te legitimeren.’ Ze vindt dat begrip ook toepasbaar op Diependaele en zijn discipelen omdat ‘de aangekondigde besparingen op veel vlakken alleen te verklaren zijn aan de hand van irrationaliteit.’ Maar er is juist niets irrationeels aan de pogingen om een begroting in evenwicht te brengen. 
     ‘

De begroting is een instrument, en geen doel op zich, schrijft Nona. Of om in de Bijbelse retoriek te blijven: de sabbat is er voor de mens, de mens niet voor de sabbat.’  

 

     Het is juist die retoriek die heel sterk aan girl math doet denken. Het rode cijfer aan het eind van de maand wordt zorgvuldig verdrongen door de aangevoelde nood aan nieuwe schoenen. ‘Susan neeeeds things,’ zei mijn Amerikaanse neef schertsend als hij over zijn vrouw sprak. Ook roept Nona even het beeld op van de regering als ‘een schraapzuchtige trol gezeten op een berg geld’, waarvan ze echter moet toegeven dat het niet klopt. Maar er schermert wel, geloof ik, een volstrekt irrationele angst van de schrijfster door. Ik kan haar geruststellen: moderne staten zitten nóóit op een berg geld.

     Het stuk van Nona heeft ook een rationele kern. Sómmige uitgaven van de staat kunnen inderdaad ook inkomsten genereren. Maar juist dat argument gaat heel snel over in girl math*. Als de subsidies aan de het filminvesteringsfonds Screen Flanders stopgezet worden, hoor je heel snel dat dat geld ‘incentives voor de industrie’ zijn en dat het ‘zichzelf terugbetaalt.’ (DS 6/1). Ik koester het grootste wantrouwen tegenover die redenering**.

     Ook wijst Nona op de andere mogelijkheid om een begroting in evenwicht te brengen: meer belastingen. Daarover heb ik laatst zelf ook iets geschreven***. Mooi is echter de manier waarop Nona het formuleert.

 

Zo suggereert recent onderzoek dat een overheid die wil saneren, dat beter via belastingverhogingen doet, in plaats van te bezuinigen … dan hoeft de oefening niet zo pijnlijk te zijn als deze. 

 

     Wat pijnlijker is, laat zich moeilijk objectief meten. Is het voor mij pijnlijker als ik door nieuwe belastingen 100 euro minder pensioen krijg dan wel als ik verneem dat archieven, waar ik geen gebruik van maak, moeten sluiten? Zeker is dat mensen die een netto-loon of uitkering op hun rekening gestort krijgen minder pijn lijden door een belastingverhoging dan een middenstander die een deel van zijn inkomsten zelf moet storten aan de staat.

     Maar het mooie is vooral de naïeve formulering ‘recent onderzoek suggereert dat …’ Dat recent onderzoek zal zeker bestaan, en ook heel oud onderzoek dat hetzelfde beweert. Zoals er ook recent en oud onderzoek bestaat dat het tegenovergestelde beweert. De formule ‘recent onderzoek’ doet hier denken aan een nieuwe ontdekking die de oude paradigma’s helemaal door elkaar geschud heeft. 

 

* Een ander geval waar men snel vervalt in girl math is dat van regeringen die al te fel rekenen op terugverdieneffecten of die de kostprijs van openbare werken onderschatten. 

 

** Bij een vorige besparingsronde in het cultuurwezen heb ik enkele bedenkingen geformuleerd: hier en hier. Over de economische voordelen van cultuursubsidies schreef ik dit: ‘Cultuur zorgt voor tewerkstelling, zei ze, en die tewerkgestelden betalen belastingen. Daar kwamen nog eens de ‘indirecte’ gevolgen bij. Mensen gingen naar het theater en bezochten daarna een café. Dat lijkt mij een foute redenering. Als we belastingen betalen om het toneel te ondersteunen, en als de mensen daarna een glas drinken op café, is dat allemaal geld dat ze niet kunnen gebruiken om op Zalando een paar nieuwe schoenen te bestellen. Op die manier vermindert de tewerkstelling in de schoenenindustrie en bij Zalando. Het is de oude parabel van het gebroken venster. Nu kun je het fijner vinden om in een maatschappij te leven waar we meer belang hechten aan cultuur, dan aan schoenen.  Maar dát is een heel andere zaak.’

 

 *** Over besparen of belasten: zie mijn recente stukje hier.

 

 

maandag 5 oktober 2026

Dumolyn vs. Boudry


      Het was een grappig toeval. Ik sla de krant open (DS 26/9) en ik lees een kop ‘De lessen van Max Weber.’ Op hetzelfde ogenblik valt het boekje Wetenschap als beroep. Politiek als beroep van Max Weber in mijn brievenbus. Of eigenlijk was het anders. Ik zie die kop in de krant, en denk eraan dat ik het boekje nog uit de brievenbus moet halen. Die essays van Weber heb ik enige tijd geleden al doorgenomen in het Engels, maar ik wou het boekje nu toch graag in mijn boekenkast.
     Het stuk in de krant over ‘de lessen van Weber’ is geschreven door Jan Dumolyn en op de websiteversie luidt de kop enigszins anders: ‘De hetze tegen de UGent is een regelrechte bedreiging voor de autonomie van de universiteit en de academische vrijheid.’ Bij die ‘hetze’ denk ik in de eerste plaats aan het essay dat Maarten Boudry op zijn substack publiceerde onder de titel ‘How to Hijack a University.*’ Dumolyn vermeldt de naam van Boudry niet, maar ik vermoed dat hij wel aan hem heeft gedacht.

                                                                                   ***

     In zijn essay vertelt hoe Boudry waarom hij er na zijn humaniora voor koos om aan de UGent te studeren. Dat was een vrijzinnige universiteit. Later kwam hij als academicus terecht in de vakgroep filosofie. Hij sloot zich binnen die vakgroep aan bij enkele collega’s van de ‘naturalistische’ school. De naturalisten werden door de andere collega’s argwanend bekeken maar al bij al getolereerd. De eerste frustratie van Boudry was dat de naturalistische school stukje bij beetje aan aanhang verloor en op steeds meer vijandigheid botste. De tweede frustratie betrof de toenemende invloed, zichtbaarheid en onverdraagzaamheid van links aan de UGent. De linkse en woke dominantie aan de UGent is in de ogen van Boudry een levensgroot probleem geworden, groot genoeg om met zijn universiteit te breken.
     Ik ga niet proberen om na te gaan wie hier het meest is geëvolueerd of opgeschoven: Boudry zelf of de UGent. Ik probeer hier alleen samen te vatten wat Boudry’s dossier tegen de linkse dominantie eigenlijk inhoudt. 

 

1.- 

De naturalistische school binnen de vakgroep filosofie werd gemarginaliseerd wegens ‘rechts biologisch determinisme’; cursussen over antropologie en biologie werden van het curriculum gehaald; naturalistische projecten van o.a. professor Braeckman werden niet meer goedgekeurd.


2.- 

Filosofieprofessor Bouke De Vries werd op de vingers getikt omdat hij in de les een ‘rechts’ wetenschappelijk artikel over ‘demografie en liberalisme’ gebruikte. 

 

3.- 

Aan de faculteit verzette men zich – tevergeefs – tegen de tijdelijke benoeming van Boudry voor de Leerstoel Etienne Vermeersch. 


4.- 

De decaan van Wijsbegeerte en Letteren tekende in het kader van de Black Lives Matter-beweging, samen met andere professoren, een manifest dat opriep om de hele universiteit aan een dekolonialiseringstraject te onderwerpen


5.- 

Sommige opleidingen aan de UGent zijn rechtstreeks door de woke-ideologie geïnspireerd zoals de Gender Studies; toen Boudry zich in het universiteitsmagazine kritisch uitliet over die opleiding, werd die kritiek geschrapt.


6.-

Bij de rectorverkiezingen werd de politiek geëngageerde groen-linkse Petra De Sutter verkozen boven de zittende rector Rik Van de Walle.


7.-

Na maanden van acties, bezettingen en petities van studenten en personeel ging de UGent over  tot een boycot van Israëlische instituties en universiteiten; ze kende samen met de UA en de VUB een eredoctoraat toe aan Palestina-activiste Francesca Albanese; de rector vertelde in een interview dat het ontkennen van de genocide in Gaza niet onder de academische vrijheid viel.


8.-
UGent sanctioneerde onderzoeker Cofnas als gevolg van acties en petities van studenten en personeel, met onder andere het argument dat hij een bedreiging vormde voor het welzijn aan de universiteit; de decaan van Wijsbegeerte en Letteren verklaarde dat er aan de faculteit een ‘brede consensus’ bestond om Cofnas af te danken.


9.-
Als professor Mortier bij een proclamatietoespraak de zaak Cofnas in verband brengt met de kwestie van academische vrijheid, en met een strikte afbakening van het begrip ‘pseudowetenschap’, wordt hij door studenten en personeel uitgejouwd en wordt hem het woord afgenomen door de decaan. 

 

     Het lijstje is niet volledig en laat veel details weg die nochtans, zoals geweten, belangrijk zijn als we de duivel op heterdaad willen betrappen. Maar ook Boudry zal moeten toegeven dat het niet meteen om stalinisme gaat, of zelfs niet om McCarthy-praktijken:  rivaliteiten in een vakgroep, een bekrompen reprimande, enig getouwtrek rond benoemingen, een gepolitiseerde rectorverkiezing, enkele woke-opleidingen, een rits academische handtekeningen onder linkse manifesten, en twee dossiers die wat zwaarder wegen: de anti-Israël hetze die verdergaat dan elders in het land, en de zaak-Cofnas.

     Ik hou van beknopte lijstjes omdat hun overzichtelijkheid mijn gemoed kalmeert. Maar daar zit ook de valstrik. Ze kalmeren mij omdat ze de emotie uit een kwestie weghalen. En die emotie is belangrijk, maar moeilijk om te kwantificeren. Toen ik nog les gaf zat ik in een vakgroep waar een kloof gaapte tussen de conformistische onderwijsvernieuwers en de rebelse traditionalisten. Ik deed er alles aan om de vakgroep zo weinig mogelijk te laten samen te komen, maar zelfs als er slechts drie vergaderingen per jaar waren, wogen die momenten emotioneel een heel schooljaar door.

     Welke emoties men in Boudry’s tekst ontwaart, zal ervan afhangen. Zijn vrienden zullen vooral verontwaardiging zien, zijn vijanden daartegen rancune en verbittering. De emotie die hijzelf aanhaalt is die van desillusie. De ondertitel van zijn essay geeft het aan: Confessions of a Disillusioned Academic. Zijn eerste desillusie is dat de universiteit hoe langer hoe minder aan zijn verwachtingen voldeed. Hij dacht dat de UGent door haar vrijzinnig pluralisme de beste garanties bood tegen dogmatiek. ‘Dogma is the ennemy of progress,’ moet hij gedacht hebben, zoals andere denkers en denkmachines voor hem*. Dat soort ontgoocheling herken ik niet meer. Mijn eigen ontgoocheling in het communisme ligt zover achter mij, dat ik ze niet meer kan navoelen.

     Er is echter een andere desillusie die ik wel nog herken. Boudry beschrijft hoe hij reageerde toen in 2020 de decaan van Wijsbegeerte en Letteren opriep om de faculteit en de hele universiteit te dekoloniseren. 

 

At the time ... I didn’t take the whole decolonization issue seriously. When the proposal was discussed during a department meeting, I was even inclined to lean back in mild amusement. As a naturalist, I’m primarily concerned with real-world problems of today, not with poring over the great works of Kant, Hegel, and Aristotle. But how, I thought, would my progressive colleagues square the circle of dedicating their lives to all those Dead White Males while still staying in the good graces of the activists? You can’t exactly rewrite the history of philosophy. It struck me as somebody else’s problem. (I was dead wrong.)

 

     De illusie van Boudry was dat hij zich buiten de strijd kon houden. Ik had die illusie ook toen ik begon les te geven. In mijn school was al lang voor mijn komst gedonder aan de gang over de pedagogische aanpak. Sommige collega’s hielden vast aan ‘gewoon goed lesgeven’ terwijl de directie ‘het nieuwe leren’ met dwingende richtlijnen wou opleggen. Net als Boudry dacht ik met een glimlach achterover te kunnen leunen. Ik zou mijn gang gaan en mij verder van niets aantrekken. Dat was een dubbele illusie: ik had de impact van de richtlijnen op mijn eigen lespraktijk onderschat, en ik had mijn vermogen overschat om te blijven glimlachen over ideeën die ik grondig verkeerd vond.

 

***

 

        Het antwoord van Jan Dumolyn op de ‘hetze tegen de UGent’ laat de meeste concrete aantijgingen onbesproken. Het bestaat eerst en vooral uit een historisch overzicht, zoals dat een historicus betaamt. Dumolyn geeft uitleg over de veranderende rol van de universiteit door de eeuwen heen. Ook vat hij de opvattingen van Max Weber, Antonio Gramsci en de soixante-huitards samen en maakt daarbij niet altijd duidelijk wat hij er zelf van vindt. Zo weet ik niet of hij de ideeën van Gramsci als een kritiek dan wel als een aanvulling op Weber ziet. Evident is echter dat hij één gedachte van Weber in elk geval wél overneemt: dat een universiteitsdocent ‘zijn positie niet [mag] gebruiken om studenten zijn politieke of morele overtuigingen als waarheid op te leggen.’ 

     Door de in vele richtingen uitwaaierende geschiedenisles als aanloop, heeft Dumolyn slechts een halve krantenkolom overgehouden om op de ‘hetze’ zelf te antwoorden, met een apologie en een tegenaanval. Hij doet het summier en enigszins impliciet. Ook is het verband tussen het aanloopgedeelte en het polemisch gedeelte erg dunnetjes, op de Weber-verwijzing na.
     Aangezien ik de kritiek van Boudry in een droog lijstje heb weergegeven, probeer ik dat hier ook met de argumenten van Dumolyn te doen. Ik kan mij echter niet inhouden om er telkens wat commentaar bij te geven.

 

1.- Bijna alle proffen en onderzoekers van de UGent staan ‘als lesgevers zo onpartijdig mogelijk voor de collegezaal en ‘bieden de studenten verschillende perspectieven aan.’

 

Ik geloof graag dat verreweg de meeste professoren in verreweg de meeste studierichtingen aan die voorwaarde voldoen, zelfs als ze buiten de aula politieke of ideologische posities innemen. Ik kom hier straks nog op terug. Maar bij een masteropleiding als Intersectionaliteits- en Diversiteitsstudies heb ik weinig vertrouwen in de onpartijdigheid. Alleen al de naam van de vakken - ‘Resistance, Power Relations en Social Conflict, bijvoorbeeld – wekt mijn achterdocht.

 

2.-

De meeste academici aan de UGent zijn ‘gewoon vakspecialisten’ en geen publieke intellectuelen

 

Het tegenovergestelde zou mij verwonderen. Maar dat zegt niet veel over de liberale gezondheid van de universiteit. Ook aan de communistische en nazistische universiteiten zullen veel vakspecialisten zich louter hebben beziggehouden met middeleeuwse manuscripten, klankverschuivingen en getallentheorie. Alleen het maoïsme heeft het zover gedreven van het vakspecialisme zelf te willen afschaffen. (De lezer zal begrijpen dat ik hier niet probeer de UGent te vergelijken met de communistische en nazistische universiteiten.)

 

3.-

De academici van de UGent hebben als burgers ‘meestal gematigde’ politieke opvattingen.

 

De meerderheid heeft gematigd linkse opvattingen, wat betekent dat ze bijna altijd tolerant zijn voor radicaallinksen (zoals Jan Dumolyn) maar vaak intolerant voor radicaalrechtsen, waarbij dat laatste begrip soms nogal breed wordt geïnterpreteerd. Ik herinner mij een commentaar van lang geleden waarin Dumolyn sprak over Maarten Boudry als ‘extreemrechts op economisch gebied.’

 

4.-

Het is een ‘dwaze karikatuur’ om de universiteiten (en de UGent) voor te stellen als ‘gedomineerd door links of door woke.’ 

 

Wat betekent ‘gedomineerd’? Het betekent in elk geval niet dat er een meerderheid van de universitaire gemeenschap links of woke is. Een luidruchtige minderheid volstaat, zolang de meerderheid onverschillig of minstens ‘silent’ blijft, zoals van een ‘majority’ wordt verwacht. Van luidruchtigheid gesproken, het incident rond Freddy Mortier is een illustratie van linkse dominantie binnen Wijsbegeerte en Letteren. Dat betekent niet dat die dominantie zich in die faculteit op elk moment laat voelen. Maar je voelt ze wel scherper als je zelf geen onderdeel bent van wat Dumolyn de ‘progressieve consensus’ noemt die de na 68 de universiteit is gaan beheersen.

 

5.- 

Het is wel het geval ‘dat er bij sommige academici zekere vormen van ideologisch conformisme bestaan.’

 

Dit is een toegeving die Dumolyn doet aan de aanstokers van de hetze. Het politiek klimaat aan de UGent is niet ideaal. Je voelt ook zijn eigen ergernis.  Als radicaallinkse verheugt Dumolyn zich over de ‘progressieve consensus’ maar hij vermoedt tegelijk dat die vaak niet meer is dan een gedachteloos volgen van de mode, ook wat betreft de identitaire excessen van woke waar hij een afkeer van heeft. 

 

6.-

De richting van het onderzoek wordt niet bepaald door linkse of woke ideologie maar door ‘bureaucratische procedures en carrièrestructuren, rankings van tijdschriften, en de logica waarmee projectgelden worden toegekend.’

 

Alles wat ik weet over de interne keuken van universiteiten komt van films en van campus novels. Vanuit de logica zie ik echter geen tegenstelling tussen ideologische begrenzing enerzijds en bureaucratische procedures etc. anderzijds. Als jezelf enigszins binnen de ideologische consensus past, is de kans zelfs groot dat je die begrenzing niet ziet (Wallace’s ‘What is water?’) en alleen de variabelen binnen die begrenzing.  

 

7.-

Er bestaat een ‘internationaal netwerk’ rond de ‘openlijk antidemocratische techmiljardair’ Peter Thiel en vicepresident JD Vance om de universiteiten te zuiveren en op die manier de academische vrijheid te begrenzen vanuit de politieke overheid. 

 

De formulering in de onderkop van het artikel – waarvoor ik de eindredactie verantwoordelijk houd – is grotesk: ‘De polemiek aan de UGent wordt aangejaagd door figuren als techmiljardair Peter Thiel en vicepresident J.D. Vance.’ Maar laten we de kwestie genereus interpreteren. Als men de de UGent beschuldigt van woke onderzoek en van linkspolitiek activisme, dan kan dat leiden tot beleidsingrepen zoals we in de VS hebben gezien: de overheid die onderzoekssubsidies intrekt omdat er teveel ‘woke’ onderzoek gebeurt of omdat men politiek activisme tolereert dan wel stimuleert. Dat is inderdaad een vorm van ideologische staatsinmenging en ze wordt bij ons verdedigd door het Vlaams Belang. Ook Maarten Boudry spreekt over het gevaar van een ‘crackdown on universities’ zoals in de VS van Trump. Maar hij vreest dat het andere scenario waarschijnlijker is: een verdere toename van linkse intolerantie. Zelf heb ik mijn bezwaren tegen een Trumpiaanse crackdown uiteengezet in mijn stukje over ‘Een universitaire zuivering.’ Je kunt het ook zo zeggen: de academische vrijheid wordt op twee manieren bedreigd: van buitenuit en van binnenuit. In het ene geval schendt de politieke overheid de onafhankelijkheid van de universiteit; in het andere geval schendt de universitaire overheid, aangejaagd door activisten, de onafhankelijkheid van individuele docenten en onderzoekers.

 

8.-

Het ‘rassenrealisme’ als ‘pseudowetenschap’ - een verwijzing naar Cofnas – is al weerlegd door Henri Pirenne (1862-1935), W.E.B. Du Bois (1868-1963), en Franz Boas (1858-1942). (DS 2/5)

 

Dit argument ten gronde werd door Dumolyn ontwikkeld in een ander stuk van enkele maanden geleden (DS 2/5). Ook hier reageert hij als historicus: hij schetst het onstaan van het racisme in het koloniale tijdperk, brengt de rassenleer van de nazi’s ter sprake, en verwijst naar antiracistische denkers als Henri Pirenne (1862-1935), W.E.B. Du Bois (1868-1963), en Franz Boas (1858-1942). Die drie namen zijn mij niet helemaal onbekend. In sommige libertaire publicaties wordt wel eens bewezen naar de beperkte overheid in de middeleeuwen zoals die door Pirenne is beschreven. De fellow-traveller W.E.B. Du Bois is mij bekend vanuit mijn communistisch verleden. En met Franz Boas maakte ik kennis tijdens mijn opleiding in de taalkunde. Alle drie leggen ze uit dat verschillende persoonlijkheidskenmerken tussen ‘rassen’ verklaarbaar zijn uit sociaal-economische en culturele omstandigheden. Er bestaan modernere studies, zoals die van de libertarische conservatief Thomas Sowell, die diezelfde stelling verdedigen. Maar die stelling heeft slechts een beperkt belang voor de huidige discussie. Ongeveer niemand ontkent de invloed van omgevingsfactoren op het gemiddelde gedrag en de persoonlijkheidskenmerken van de verschillende ‘rassen’. Wat overblijft is de vraag of er naast die omgevingsfactoren ook genetische factoren een rol spelen. Als Dumolyn aan de universiteit die vraag wil verbieden – of op basis van geschiedkundig, sociologisch of antropologisch onderzoek van honderd jaar geleden, slechts één antwoord toelaatbaar acht – dan is hij het, en niet Peter Thiel of J.D. Vance die een stukje academische vrijheid bedreigt.  

 

***

 

     Hier stop ik mijn polemiek en keer ik terug naar Max Weber, naar de kwestie van de waardevrije wetenschap, en naar de moeilijkheden dat die in de praktijk kan opleveren. Dumolyn verzekert ons dat de Gentse academici ‘onpartijdig voor de collegezaal staan en verschillende perspectieven aanbieden.’ Dat zal zeker zo zijn in de colleges geneeskunde, natuurkunde, taalkunde, ingenieurswetenschappen, rechtsgeleerdheid en vele andere. Daar speelt de kwestie van partijdigheid niet eens mee, of slechts marginaal.  Maar hoe zit dat met de colleges waar Weber aan dacht: die in de sociologie, economie, staatsleer, geschiedenis, en cultuurfilosofie? Wordt voor deze vakken de academische onpartijdigheid ondermijnd door de prevalentie van linkse ideologie? Boudry spreekt er niet over en zelf zal ik mij beperken tot enkele theoretische gevaren.

      Nemen we eerst het vak van Weber waarop het prestige van Weber berust: de sociologie. Dit is een discipline waarin onder andere de gewenste en ongewenste gevolgen van het politiek beleid worden bestudeerd. De verleiding is dan groot dat sociologen gevraagd worden, of zichzelf voorstellen, als raadgevers voor de politiek. Maar Weber legt uit dat ze vanuit hun discipline geen richting kunnen aangeven, omdat die richting gebaseerd is op belangen, en op waarden, idealen en op de ‘uiteindelijke houding ten opzichte van het leven.’ Over die zaken heeft de wetenschap niets te zeggen. Die kan hoogstens aangeven of de gekozen beleidsmiddelen een of ander beoogd doel dichterbij brengen. Maar of dat doel bijvoorbeeld economische vooruitgang dan wel meer gelijkheid is, is geen vraag die de socioloog moet beslissen. Voor een overtuigde egalitair moet dat moeilijk zijn, zeker als zijn faculteit uit een gelijkgezinde club bestaat en als zijn methodologie bestaat uit rekbare enquêtes en statistiek. 

      Nemen we dan het andere vak van Weber: de economie. Net als de sociologie riskeert die wetenschap gebruikt te worden door politici – of door de wetenschappers zelf – om een beleid te verantwoorden. En het antwoord is hetzelfde: de wetenschap kan oordelen over de middelen, niet over het doel. Het voordeel hier is dat de logisch-wiskundige modellen van de micro-economie een rem vormen op haastig en direct engagement. Maar als de economen zich in navolging van de sociologen op cijfers en statistieken gooien, loert het gevaar van ideologische cherrypicking om de hoek. Daar komen nog twee andere gevaren bij. Een belangrijke discussie onder economen betreft de optimale graad van staatsinterventie in de economie. Economen die zichzelf als politieke raadgevers zien, zullen als vanzelf geneigd zijn om een grotere staatsinterventie gunstig te vinden. Dat is een links gevaar. Het rechtse gevaar is dat economen vanuit de logica van hun discipline geneigd zijn om economische groei als impliciet doel aan te nemen. Het zou mij verwonderen als degrowthers ooit het vak konden overnemen.

     Bij de geschiedenis rijst een heel ander probleem. Slechts weinig politici halen rechtstreeks hun inspiratie uit de geschiedschrijving. Bart De Wever is misschien een uitzondering. Als de geschiedschrijving als vak een relatie heeft met de politiek is het indirect, via de ideologie. En dat gaat dan zowel om de ideologische overtuiging van de historicus als om de invloed die zijn geschriften hebben op de publieke opinie – en ook politici behoren tot de publieke opinie. Hayek benoemt in zijn essay ‘History and politics’ de twee kanten van de zaak**. 

 

There is indeed no legitimate reason why, in answering questions of fact, historians of different political opinions should not be able to agree. But at the very beginning, in deciding which questions are worth asking, individual value judgments are bound to come in … The influence which writers of history thus exercise on public opinion is probably more immediate that that of the political theorists who launch new ideas. 

 

     En bij die geschiedschrijving moet je niet alleen historische monografieën tellen, maar ook historische films en romans. In hoeveel discussies over liberalisme en socialisme wordt niet verwezen naar de film Daens? De zeven delen van Gore Vidals Amerikaanse saga hebben waarschijnlijk evenveel bijgedragen tot mijn afscheid van het marxisme als een politiek tractaat als Poppers Open Society –  tractaat dat dan zelf nog een historische insteek heeft. Overigens geloof ik dat historisch onderzoek en onderwijs in een academische context zo technisch geworden is, dat het gevaar voor ideologische manipulatie vandaag veeleer gering is.

     Vervolgens de staatsleer. Ik veronderstel dat het gevaar van politieke bias hier zo evident is, dat politicologen zich juist zullen inspannen om een zekere onpartijdigheid te bewaren, zeker in zaken van partijpolitiek. Over het onderdeel politieke filosofie zou ik nog eens moeten nadenken.

     Dan de cultuurfilosofie. Ik geloof dat Weber hier vooral de cultuurgeschiedenis bedoelt. In de moderne betekenis van het woord komen we op het terrein van de culture wars, waar ik in andere stukjes al te veel over geschreven heb. 
     Wat daarentegen de algemene filosofie betreft – ik geloof dat Weber dat vak niet bij de wetenschap rekent – zie ik weinig gevaar voor politieke partijdigheid. Je kunt L’Etre et le néant van Sartre gloedvol bespreken zonder links te zijn en en Philosophical Explanations van Nozick onderwijzen zonder rechts te zijn. Anderzijds zie ik niet goed hoe een gedreven professor in de filosofie zou kunnen voldoen aan de Weberiaanse eis om ‘alle perspectieven aan te bieden.’ Ik denk niet dat vandaag eenzelfde professor in staat is om bijvoorbeeld analytische, naturalistische, fenomenologische en postmodernistische filosofie te doceren. Je kunt immers alleen in een allereerste inleiding over de ‘inhoud’ van die filosofieën spreken. Daarna moet je die filosofische visies van binnenuit benaderen. De docent helpt de studenten om te filosoferen als analyticus, naturalist, fenomenoloog of postmodernist, maar niet als alle vier tegelijk. Je kunt van Boudry niet verwachten dat hij anders filosofeert dan als naturalist, zoals je van Dumolyn niet kunt verwachten dat hij anders geschiedenis beschrijft dan als marxist. Maar dat marxisme – als het niet al te dogmatisch is – van een historicus is minder dwingend – en in zekere zin minder intiem – dan het naturalisme of postmodernisme van een filosoof. Maar filosofische partijdigheid en politieke partijdigheid zijn heel andere dingen. 

     

     

     * De twee delen van Boudry’s essay ‘How to Hijack a University’ staan hier en hier.   

** Het essay van Hayek over geschiedschrijving en politiek staat hier.