dinsdag 6 oktober 2026

Besparen op cultuur, e.a.

 


Cijfers
    De Vlaamse begroting bedraagt 67 miljard per jaar. Om die in evenwicht te krijgen moet 2 miljard bespaard worden in 2027, oplopend tot 3 miljard in 2029. Van die drie miljard moet 1,2 miljard komen uit besparingen op eigen werking en op subsidies, en daarvan moet moet 47 miljoen komen van subsidievermindering aan cultuur. Voor wie percentages wil uitrekenen: het jaarlijkse totale cultuurbudget bedraagt, afhankelijk van wat men er juist onder verstaat, 420 tot 520 miljoen. In tabelvorm wordt dat:

 

 

Erfgoed, musea en archieven

     Vlaanderen heeft een socialistische minister van Cultuur, Caroline Gennez, die de besparingen niet volgens de kaasschaafmethode heeft doorgevoerd – overal een beetje besparen –  maar met een progressieve visie. ‘We hebben de makers, de kritische stemmen gespaard.’ De bevriende progressieve ‘sector’ wordt ontzien; bijna de helft van de besparingen worden gerealiseerd door subsidies te schrappen voor erfgoed, musea en archieven.
     Daar is natuurlijk van die kant veel reactie gekomen. Een aantal historici heeft een open brief geplaatst in De Morgen waarin ze oproepen tot het ‘
bewaren en blijven valoriseren van wat cultuurmakers en kritische stemmen uit het verleden ons hebben nagelaten.’ Maar de solidariteit van de hedendaagse kunsten, schrijft Jan Dumolyn, blijft er beperkt als het om ‘een hoop stenen’ en om ‘oude papieren’ gaat. Hij klaagt over een ‘intrinsiek dédain in wat gemeenzaam ‘de sector’ wordt genoemd, tegenover middeleeuwse kunst, historische landschappen, volkskunde, stoeten en processies …’

 

Onherstelbare schade

     In de brief van de historici werd ik vooral getroffen door twee woorden: de besparingen zouden kunnen leiden tot ‘onherstelbare schade’. De historici hebben het dan over de universitaire opleidingen in hun vak. Zelf ben ik nog banger dat er archieven zouden verdwijnen, want dan zou een volgende regering zonder socialistische cultuurminister de situatie niet meer kunnen rechttrekken. Die gedachte kan ik moeilijk verdragen. Van Karel van het Reve wordt gezegd dat hij op faculteitsvergaderingen zijn mond hield, maar dat hij een keer is gaan razen toen iemand voorstelde om ‘verouderde atlassen uit de universiteitsbibliotheek te verwijderen.’ Ik kan er ook niet goed tegen dat bibliotheken hun weinig of niet gelezen boeken wegdoen.

 

Partijpolitiek

      Bart Eeckhout begint zijn commentaar van 2 oktober met de redelijke opmerking dat bij elke begroting geldt: damned if you do, damned if you don’t. Daarna gebruikt hij wat superlatieven om de keuze van Gennez tegen de erfgoedsector te hekelen, en daarna besteedt hij de helft van zijn commentaar aan kritiek op de N-VA ‘die dat laat passeren,’ waarbij hij in zijn enthousiasme eindigt bij het dossier van de Palestijnse beursstudenten en het luchthavenbeleid. Tja, natúúrlijk heeft het N-VA hier een verachtelijk compromis goedgekeurd waarmee haar eigen cultuurbeleid in het verleden weer wordt afgebroken. Dat is wat politieke compromissen altijd zijn: verachtelijk. Demir wil niet besparen op onderwijs, dan moet ze in ruil collega Gennez haar zin laten doordrijven op cultuur. Ik heb in elk geval liever Demir op onderwijs en Gennez op cultuur dan omgekeerd.

 

Crowdfunding

     Kan de erfgoedsector geen beroep doen op crowdfunding om zijn financiering veilig te stellen. Dat gaat niet. Het publiek is gewend geraakt aan subsidies. De burger zal redeneren: waarom zou ik geld geven aan iets dat altijd al door de overheid werd betaald? Bovendien is bijvoorbeeld historisch onderzoek op grond van archieven een buitengewoon eerbare, maar tegelijk een buitengewoon elitaire activiteit. Die kun je alleen sponsoren via mecenaat of via het verlichte despotisme van subsidies.

 

Bozar

     Naast de erfgoedsector verliest ook het kunstencentrum Bozar de Vlaamse subsidies ten bedrage van 760.000 euro. In totaal had Bozar 750.000 bezoekers. Als dat allemaal betalende bezoekers zouden zijn, dan kan de verloren subsidie gecompenseerd worden door een prijsverhoging van 1 euro per toegangsticket. Als de helft betalende bezoekers zijn, dan zou de ticketprijs met 2 euro moeten stijgen. Jan Wostyn speculeert op X.com dat die prijsstijging de welstellende cultuurconsument er niet van zal weerhouden om evenementen van Bozar bij te wonen. 

 

Bozar (2)

     Er circuleert op de sociale media een bericht van Vlaams parlementslid Maurits Vande Reyde. 

 

Kreeg bericht van iemand in Bozar. De directeur leidde het concert in. Omwille van het wegvallen van subsidies, weigerde hij het “ook in het Nederlands te doen”. 

 

     Hoe moet ik dat nu zeggen? Ik hóóp dat het bericht waar is. 

 

 Verbindende cultuur

      Dat  progressieve cultuursector ontzien wordt, neemt niet weg dat de radicaal linkse medemens in de Gennez-besparingen een aanval van rechts ziet. ‘Dat is geen besparing,’ las ik ergens op de sociale media, ‘van enkele euro’s op cultuur … maar een politieke moord en afrekening. Cultuur is gevaarlijk voor rechts … Cultuur verbindt, en rechts wil verdelen en heersen, ten dienste van de superrijken en multinationals.’

     Nou ja, cultuur kan wel eens verbinden. Het is leuk als je politieke tegenstander toevallig ook van polyfonie of barokmuziek houdt. Maar zijn de hedendaagse podiumkunsten werkelijk verbindend? Misschien gold dat voor het Griekse theater van 2.500 jaar geleden, maar ondertussen is er veel veranderd. Max Weber suggereert ergens dat het domein van de kunst mogelijk getekend is door een aristocratische geest die vijandig staat tegenover de menselijke broederlijkheid. 

 

 


Wetenschapper – politicus – publieke intellectueel


     Als je de twee essays van Weber over ‘Wetenschap als beroep’ en ‘Politiek als beroep’ samenlegt, en met Julien Benda in het achterhoofd, zou je gemakkelijk zes categorieën kunnen opstellen

 

- de zuivere – dat wil zeggen waardevrije – wetenschapper 

- de wetenschapper die politicus wil zijn (in de collegezaal)

- de zuivere publieke intellectueel

- de publieke intellectueel die zich gedraag als politicus (in het openbaar debat)

- de politicus die een publieke intellectueel wil zijn (in het beleid)

- de zuivere – dat wil zeggen ‘verantwoordelijke’ – politicus

 



De girl math van de Vlaamse regering


     Een krant kan zijn opiniestukken laten schrijven door experten, ideologen, of ervaren scribenten. De Standaard heeft daar de categorie ‘Jong talent’ aan toegevoegd, voor de ruriek ‘De mening’.  Jong zijn die mensen zeker, en getalenteerd ook: ze schrijven stukken die ik op hún leeftijd zeker niet had kunnen schrijven. Maar je merkt snel dat ze nog niet zo heel lang geleden opstellen schreven voor het vak Nederlands.

     Een van de jonge talenten is Nona De Dier. Iedere keer dat er van haar een stuk staat, lees ik het tekstje onder haar naam: ‘Nona behaalde in 2023 een diploma rechten en studeert momenteel taal- en letterkunde (Duits-Zweeds) aan de UGent. Ik denk dan: dat is iemand als ik. Na mijn eerste masteropleiding, heb ik mij ook aan een tweede gewaagd.

     In haar laatste stuk (DS 6/10) beweert ze dat de Vlaamse regering aan girl math doet. Ik kende dat begrip niet, maar Nona legt het uit: ‘de mentale bochten waarin jonge vrouwen zich wringen om hun irrationele uitgaven te legitimeren.’ Ze vindt dat begrip ook toepasbaar op Diependaele en zijn discipelen omdat ‘de aangekondigde besparingen op veel vlakken alleen te verklaren zijn aan de hand van irrationaliteit.’ Maar er is juist niets irrationeels aan de pogingen om een begroting in evenwicht te brengen. 
     ‘

De begroting is een instrument, en geen doel op zich, schrijft Nona. Of om in de Bijbelse retoriek te blijven: de sabbat is er voor de mens, de mens niet voor de sabbat.’  

 

     Het is juist die retoriek die heel sterk aan girl math doet denken. Het rode cijfer aan het eind van de maand wordt zorgvuldig verdrongen door de aangevoelde nood aan nieuwe schoenen. ‘Susan neeeeds things,’ zei mijn Amerikaanse neef schertsend als hij over zijn vrouw sprak. Ook roept Nona even het beeld op van de regering als ‘een schraapzuchtige trol gezeten op een berg geld’, waarvan ze echter moet toegeven dat het niet klopt. Maar er schermert wel, geloof ik, een volstrekt irrationele angst van de schrijfster door. Ik kan haar geruststellen: moderne staten zitten nóóit op een berg geld.

     Het stuk van Nona heeft ook een rationele kern. Sómmige uitgaven van de staat kunnen inderdaad ook inkomsten genereren. Maar juist dat argument gaat heel snel over in girl math*. Als de subsidies aan de het filminvesteringsfonds Screen Flanders stopgezet worden, hoor je heel snel dat dat geld ‘incentives voor de industrie’ zijn en dat het ‘zichzelf terugbetaalt.’ (DS 6/1). Ik koester het grootste wantrouwen tegenover die redenering**.

     Ook wijst Nona op de andere mogelijkheid om een begroting in evenwicht te brengen: meer belastingen. Daarover heb ik laatst zelf ook iets geschreven***. Mooi is echter de manier waarop Nona het formuleert.

 

Zo suggereert recent onderzoek dat een overheid die wil saneren, dat beter via belastingverhogingen doet, in plaats van te bezuinigen … dan hoeft de oefening niet zo pijnlijk te zijn als deze. 

 

     Wat pijnlijker is, laat zich moeilijk objectief meten. Is het voor mij pijnlijker als ik door nieuwe belastingen 100 euro minder pensioen krijg dan wel als ik verneem dat archieven, waar ik geen gebruik van maak, moeten sluiten? Zeker is dat mensen die een netto-loon of uitkering op hun rekening gestort krijgen minder pijn lijden door een belastingverhoging dan een middenstander die een deel van zijn inkomsten zelf moet storten aan de staat.

     Maar het mooie is vooral de naïeve formulering ‘recent onderzoek suggereert dat …’ Dat recent onderzoek zal zeker bestaan, en ook heel oud onderzoek dat hetzelfde beweert. Zoals er ook recent en oud onderzoek bestaat dat het tegenovergestelde beweert. De formule ‘recent onderzoek’ doet hier denken aan een nieuwe ontdekking die de oude paradigma’s helemaal door elkaar geschud heeft. 

 

* Een ander geval waar men snel vervalt in girl math is dat van regeringen die al te fel rekenen op terugverdieneffecten of die de kostprijs van openbare werken onderschatten. 

 

** Bij een vorige besparingsronde in het cultuurwezen heb ik enkele bedenkingen geformuleerd: hier en hier. Over de economische voordelen van cultuursubsidies schreef ik dit: ‘Cultuur zorgt voor tewerkstelling, zei ze, en die tewerkgestelden betalen belastingen. Daar kwamen nog eens de ‘indirecte’ gevolgen bij. Mensen gingen naar het theater en bezochten daarna een café. Dat lijkt mij een foute redenering. Als we belastingen betalen om het toneel te ondersteunen, en als de mensen daarna een glas drinken op café, is dat allemaal geld dat ze niet kunnen gebruiken om op Zalando een paar nieuwe schoenen te bestellen. Op die manier vermindert de tewerkstelling in de schoenenindustrie en bij Zalando. Het is de oude parabel van het gebroken venster. Nu kun je het fijner vinden om in een maatschappij te leven waar we meer belang hechten aan cultuur, dan aan schoenen.  Maar dát is een heel andere zaak.’

 

 *** Over besparen of belasten: zie mijn recente stukje hier.

 

 

maandag 5 oktober 2026

Dumolyn vs. Boudry


      Het was een grappig toeval. Ik sla de krant open (DS 26/9) en ik lees een kop ‘De lessen van Max Weber.’ Op hetzelfde ogenblik valt het boekje Wetenschap als beroep. Politiek als beroep van Max Weber in mijn brievenbus. Of eigenlijk was het anders. Ik zie die kop in de krant, en denk eraan dat ik het boekje nog uit de brievenbus moet halen. Die essays van Weber heb ik enige tijd geleden al doorgenomen in het Engels, maar ik wou het boekje nu toch graag in mijn boekenkast.
     Het stuk in de krant over ‘de lessen van Weber’ is geschreven door Jan Dumolyn en op de websiteversie luidt de kop enigszins anders: ‘De hetze tegen de UGent is een regelrechte bedreiging voor de autonomie van de universiteit en de academische vrijheid.’ Bij die ‘hetze’ denk ik in de eerste plaats aan het essay dat Maarten Boudry op zijn substack publiceerde onder de titel ‘How to Hijack a University.*’ Dumolyn vermeldt de naam van Boudry niet, maar ik vermoed dat hij wel aan hem heeft gedacht.

                                                                                   ***

     In zijn essay vertelt hoe Boudry waarom hij er na zijn humaniora voor koos om aan de UGent te studeren. Dat was een vrijzinnige universiteit. Later kwam hij als academicus terecht in de vakgroep filosofie. Hij sloot zich binnen die vakgroep aan bij enkele collega’s van de ‘naturalistische’ school. De naturalisten werden door de andere collega’s argwanend bekeken maar al bij al getolereerd. De eerste frustratie van Boudry was dat de naturalistische school stukje bij beetje aan aanhang verloor en op steeds meer vijandigheid botste. De tweede frustratie betrof de toenemende invloed, zichtbaarheid en onverdraagzaamheid van links aan de UGent. De linkse en woke dominantie aan de UGent is in de ogen van Boudry een levensgroot probleem geworden, groot genoeg om met zijn universiteit te breken.
     Ik ga niet proberen om na te gaan wie hier het meest is geëvolueerd of opgeschoven: Boudry zelf of de UGent. Ik probeer hier alleen samen te vatten wat Boudry’s dossier tegen de linkse dominantie eigenlijk inhoudt. 

 

1.- 

De naturalistische school binnen de vakgroep filosofie werd gemarginaliseerd wegens ‘rechts biologisch determinisme’; cursussen over antropologie en biologie werden van het curriculum gehaald; naturalistische projecten van o.a. professor Braeckman werden niet meer goedgekeurd.


2.- 

Filosofieprofessor Bouke De Vries werd op de vingers getikt omdat hij in de les een ‘rechts’ wetenschappelijk artikel over ‘demografie en liberalisme’ gebruikte. 

 

3.- 

Aan de faculteit verzette men zich – tevergeefs – tegen de tijdelijke benoeming van Boudry voor de Leerstoel Etienne Vermeersch. 


4.- 

De decaan van Wijsbegeerte en Letteren tekende in het kader van de Black Lives Matter-beweging, samen met andere professoren, een manifest dat opriep om de hele universiteit aan een dekolonialiseringstraject te onderwerpen


5.- 

Sommige opleidingen aan de UGent zijn rechtstreeks door de woke-ideologie geïnspireerd zoals de Gender Studies; toen Boudry zich in het universiteitsmagazine kritisch uitliet over die opleiding, werd die kritiek geschrapt.


6.-

Bij de rectorverkiezingen werd de politiek geëngageerde groen-linkse Petra De Sutter verkozen boven de zittende rector Rik Van de Walle.


7.-

Na maanden van acties, bezettingen en petities van studenten en personeel ging de UGent over  tot een boycot van Israëlische instituties en universiteiten; ze kende samen met de UA en de VUB een eredoctoraat toe aan Palestina-activiste Francesca Albanese; de rector vertelde in een interview dat het ontkennen van de genocide in Gaza niet onder de academische vrijheid viel.


8.-
UGent sanctioneerde onderzoeker Cofnas als gevolg van acties en petities van studenten en personeel, met onder andere het argument dat hij een bedreiging vormde voor het welzijn aan de universiteit; de decaan van Wijsbegeerte en Letteren verklaarde dat er aan de faculteit een ‘brede consensus’ bestond om Cofnas af te danken.


9.-
Als professor Mortier bij een proclamatietoespraak de zaak Cofnas in verband brengt met de kwestie van academische vrijheid, en met een strikte afbakening van het begrip ‘pseudowetenschap’, wordt hij door studenten en personeel uitgejouwd en wordt hem het woord afgenomen door de decaan. 

 

     Het lijstje is niet volledig en laat veel details weg die nochtans, zoals geweten, belangrijk zijn als we de duivel op heterdaad willen betrappen. Maar ook Boudry zal moeten toegeven dat het niet meteen om stalinisme gaat, of zelfs niet om McCarthy-praktijken:  rivaliteiten in een vakgroep, een bekrompen reprimande, enig getouwtrek rond benoemingen, een gepolitiseerde rectorverkiezing, enkele woke-opleidingen, een rits academische handtekeningen onder linkse manifesten, en twee dossiers die wat zwaarder wegen: de anti-Israël hetze die verdergaat dan elders in het land, en de zaak-Cofnas.

     Ik hou van beknopte lijstjes omdat hun overzichtelijkheid mijn gemoed kalmeert. Maar daar zit ook de valstrik. Ze kalmeren mij omdat ze de emotie uit een kwestie weghalen. En die emotie is belangrijk, maar moeilijk om te kwantificeren. Toen ik nog les gaf zat ik in een vakgroep waar een kloof gaapte tussen de conformistische onderwijsvernieuwers en de rebelse traditionalisten. Ik deed er alles aan om de vakgroep zo weinig mogelijk te laten samen te komen, maar zelfs als er slechts drie vergaderingen per jaar waren, wogen die momenten emotioneel een heel schooljaar door.

     Welke emoties men in Boudry’s tekst ontwaart, zal ervan afhangen. Zijn vrienden zullen vooral verontwaardiging zien, zijn vijanden daartegen rancune en verbittering. De emotie die hijzelf aanhaalt is die van desillusie. De ondertitel van zijn essay geeft het aan: Confessions of a Disillusioned Academic. Zijn eerste desillusie is dat de universiteit hoe langer hoe minder aan zijn verwachtingen voldeed. Hij dacht dat de UGent door haar vrijzinnig pluralisme de beste garanties bood tegen dogmatiek. ‘Dogma is the ennemy of progress,’ moet hij gedacht hebben, zoals andere denkers en denkmachines voor hem*. Dat soort ontgoocheling herken ik niet meer. Mijn eigen ontgoocheling in het communisme ligt zover achter mij, dat ik ze niet meer kan navoelen.

     Er is echter een andere desillusie die ik wel nog herken. Boudry beschrijft hoe hij reageerde toen in 2020 de decaan van Wijsbegeerte en Letteren opriep om de faculteit en de hele universiteit te dekoloniseren. 

 

At the time ... I didn’t take the whole decolonization issue seriously. When the proposal was discussed during a department meeting, I was even inclined to lean back in mild amusement. As a naturalist, I’m primarily concerned with real-world problems of today, not with poring over the great works of Kant, Hegel, and Aristotle. But how, I thought, would my progressive colleagues square the circle of dedicating their lives to all those Dead White Males while still staying in the good graces of the activists? You can’t exactly rewrite the history of philosophy. It struck me as somebody else’s problem. (I was dead wrong.)

 

     De illusie van Boudry was dat hij zich buiten de strijd kon houden. Ik had die illusie ook toen ik begon les te geven. In mijn school was al lang voor mijn komst gedonder aan de gang over de pedagogische aanpak. Sommige collega’s hielden vast aan ‘gewoon goed lesgeven’ terwijl de directie ‘het nieuwe leren’ met dwingende richtlijnen wou opleggen. Net als Boudry dacht ik met een glimlach achterover te kunnen leunen. Ik zou mijn gang gaan en mij verder van niets aantrekken. Dat was een dubbele illusie: ik had de impact van de richtlijnen op mijn eigen lespraktijk onderschat, en ik had mijn vermogen overschat om te blijven glimlachen over ideeën die ik grondig verkeerd vond.

 

***

 

        Het antwoord van Jan Dumolyn op de ‘hetze tegen de UGent’ laat de meeste concrete aantijgingen onbesproken. Het bestaat eerst en vooral uit een historisch overzicht, zoals dat een historicus betaamt. Dumolyn geeft uitleg over de veranderende rol van de universiteit door de eeuwen heen. Ook vat hij de opvattingen van Max Weber, Antonio Gramsci en de soixante-huitards samen en maakt daarbij niet altijd duidelijk wat hij er zelf van vindt. Zo weet ik niet of hij de ideeën van Gramsci als een kritiek dan wel als een aanvulling op Weber ziet. Evident is echter dat hij één gedachte van Weber in elk geval wél overneemt: dat een universiteitsdocent ‘zijn positie niet [mag] gebruiken om studenten zijn politieke of morele overtuigingen als waarheid op te leggen.’ 

     Door de in vele richtingen uitwaaierende geschiedenisles als aanloop, heeft Dumolyn slechts een halve krantenkolom overgehouden om op de ‘hetze’ zelf te antwoorden, met een apologie en een tegenaanval. Hij doet het summier en enigszins impliciet. Ook is het verband tussen het aanloopgedeelte en het polemisch gedeelte erg dunnetjes, op de Weber-verwijzing na.
     Aangezien ik de kritiek van Boudry in een droog lijstje heb weergegeven, probeer ik dat hier ook met de argumenten van Dumolyn te doen. Ik kan mij echter niet inhouden om er telkens wat commentaar bij te geven.

 

1.- Bijna alle proffen en onderzoekers van de UGent staan ‘als lesgevers zo onpartijdig mogelijk voor de collegezaal en ‘bieden de studenten verschillende perspectieven aan.’

 

Ik geloof graag dat verreweg de meeste professoren in verreweg de meeste studierichtingen aan die voorwaarde voldoen, zelfs als ze buiten de aula politieke of ideologische posities innemen. Ik kom hier straks nog op terug. Maar bij een masteropleiding als Intersectionaliteits- en Diversiteitsstudies heb ik weinig vertrouwen in de onpartijdigheid. Alleen al de naam van de vakken - ‘Resistance, Power Relations en Social Conflict, bijvoorbeeld – wekt mijn achterdocht.

 

2.-

De meeste academici aan de UGent zijn ‘gewoon vakspecialisten’ en geen publieke intellectuelen

 

Het tegenovergestelde zou mij verwonderen. Maar dat zegt niet veel over de liberale gezondheid van de universiteit. Ook aan de communistische en nazistische universiteiten zullen veel vakspecialisten zich louter hebben beziggehouden met middeleeuwse manuscripten, klankverschuivingen en getallentheorie. Alleen het maoïsme heeft het zover gedreven van het vakspecialisme zelf te willen afschaffen. (De lezer zal begrijpen dat ik hier niet probeer de UGent te vergelijken met de communistische en nazistische universiteiten.)

 

3.-

De academici van de UGent hebben als burgers ‘meestal gematigde’ politieke opvattingen.

 

De meerderheid heeft gematigd linkse opvattingen, wat betekent dat ze bijna altijd tolerant zijn voor radicaallinksen (zoals Jan Dumolyn) maar vaak intolerant voor radicaalrechtsen, waarbij dat laatste begrip soms nogal breed wordt geïnterpreteerd. Ik herinner mij een commentaar van lang geleden waarin Dumolyn sprak over Maarten Boudry als ‘extreemrechts op economisch gebied.’

 

4.-

Het is een ‘dwaze karikatuur’ om de universiteiten (en de UGent) voor te stellen als ‘gedomineerd door links of door woke.’ 

 

Wat betekent ‘gedomineerd’? Het betekent in elk geval niet dat er een meerderheid van de universitaire gemeenschap links of woke is. Een luidruchtige minderheid volstaat, zolang de meerderheid onverschillig of minstens ‘silent’ blijft, zoals van een ‘majority’ wordt verwacht. Van luidruchtigheid gesproken, het incident rond Freddy Mortier is een illustratie van linkse dominantie binnen Wijsbegeerte en Letteren. Dat betekent niet dat die dominantie zich in die faculteit op elk moment laat voelen. Maar je voelt ze wel scherper als je zelf geen onderdeel bent van wat Dumolyn de ‘progressieve consensus’ noemt die de na 68 de universiteit is gaan beheersen.

 

5.- 

Het is wel het geval ‘dat er bij sommige academici zekere vormen van ideologisch conformisme bestaan.’

 

Dit is een toegeving die Dumolyn doet aan de aanstokers van de hetze. Het politiek klimaat aan de UGent is niet ideaal. Je voelt ook zijn eigen ergernis.  Als radicaallinkse verheugt Dumolyn zich over de ‘progressieve consensus’ maar hij vermoedt tegelijk dat die vaak niet meer is dan een gedachteloos volgen van de mode, ook wat betreft de identitaire excessen van woke waar hij een afkeer van heeft. 

 

6.-

De richting van het onderzoek wordt niet bepaald door linkse of woke ideologie maar door ‘bureaucratische procedures en carrièrestructuren, rankings van tijdschriften, en de logica waarmee projectgelden worden toegekend.’

 

Alles wat ik weet over de interne keuken van universiteiten komt van films en van campus novels. Vanuit de logica zie ik echter geen tegenstelling tussen ideologische begrenzing enerzijds en bureaucratische procedures etc. anderzijds. Als jezelf enigszins binnen de ideologische consensus past, is de kans zelfs groot dat je die begrenzing niet ziet (Wallace’s ‘What is water?’) en alleen de variabelen binnen die begrenzing.  

 

7.-

Er bestaat een ‘internationaal netwerk’ rond de ‘openlijk antidemocratische techmiljardair’ Peter Thiel en vicepresident JD Vance om de universiteiten te zuiveren en op die manier de academische vrijheid te begrenzen vanuit de politieke overheid. 

 

De formulering in de onderkop van het artikel – waarvoor ik de eindredactie verantwoordelijk houd – is grotesk: ‘De polemiek aan de UGent wordt aangejaagd door figuren als techmiljardair Peter Thiel en vicepresident J.D. Vance.’ Maar laten we de kwestie genereus interpreteren. Als men de de UGent beschuldigt van woke onderzoek en van linkspolitiek activisme, dan kan dat leiden tot beleidsingrepen zoals we in de VS hebben gezien: de overheid die onderzoekssubsidies intrekt omdat er teveel ‘woke’ onderzoek gebeurt of omdat men politiek activisme tolereert dan wel stimuleert. Dat is inderdaad een vorm van ideologische staatsinmenging en ze wordt bij ons verdedigd door het Vlaams Belang. Ook Maarten Boudry spreekt over het gevaar van een ‘crackdown on universities’ zoals in de VS van Trump. Maar hij vreest dat het andere scenario waarschijnlijker is: een verdere toename van linkse intolerantie. Zelf heb ik mijn bezwaren tegen een Trumpiaanse crackdown uiteengezet in mijn stukje over ‘Een universitaire zuivering.’ Je kunt het ook zo zeggen: de academische vrijheid wordt op twee manieren bedreigd: van buitenuit en van binnenuit. In het ene geval schendt de politieke overheid de onafhankelijkheid van de universiteit; in het andere geval schendt de universitaire overheid, aangejaagd door activisten, de onafhankelijkheid van individuele docenten en onderzoekers.

 

8.-

Het ‘rassenrealisme’ als ‘pseudowetenschap’ - een verwijzing naar Cofnas – is al weerlegd door Henri Pirenne (1862-1935), W.E.B. Du Bois (1868-1963), en Franz Boas (1858-1942). (DS 2/5)

 

Dit argument ten gronde werd door Dumolyn ontwikkeld in een ander stuk van enkele maanden geleden (DS 2/5). Ook hier reageert hij als historicus: hij schetst het onstaan van het racisme in het koloniale tijdperk, brengt de rassenleer van de nazi’s ter sprake, en verwijst naar antiracistische denkers als Henri Pirenne (1862-1935), W.E.B. Du Bois (1868-1963), en Franz Boas (1858-1942). Die drie namen zijn mij niet helemaal onbekend. In sommige libertaire publicaties wordt wel eens bewezen naar de beperkte overheid in de middeleeuwen zoals die door Pirenne is beschreven. De fellow-traveller W.E.B. Du Bois is mij bekend vanuit mijn communistisch verleden. En met Franz Boas maakte ik kennis tijdens mijn opleiding in de taalkunde. Alle drie leggen ze uit dat verschillende persoonlijkheidskenmerken tussen ‘rassen’ verklaarbaar zijn uit sociaal-economische en culturele omstandigheden. Er bestaan modernere studies, zoals die van de libertarische conservatief Thomas Sowell, die diezelfde stelling verdedigen. Maar die stelling heeft slechts een beperkt belang voor de huidige discussie. Ongeveer niemand ontkent de invloed van omgevingsfactoren op het gemiddelde gedrag en de persoonlijkheidskenmerken van de verschillende ‘rassen’. Wat overblijft is de vraag of er naast die omgevingsfactoren ook genetische factoren een rol spelen. Als Dumolyn aan de universiteit die vraag wil verbieden – of op basis van geschiedkundig, sociologisch of antropologisch onderzoek van honderd jaar geleden, slechts één antwoord toelaatbaar acht – dan is hij het, en niet Peter Thiel of J.D. Vance die een stukje academische vrijheid bedreigt.  

 

***

 

     Hier stop ik mijn polemiek en keer ik terug naar Max Weber, naar de kwestie van de waardevrije wetenschap, en naar de moeilijkheden dat die in de praktijk kan opleveren. Dumolyn verzekert ons dat de Gentse academici ‘onpartijdig voor de collegezaal staan en verschillende perspectieven aanbieden.’ Dat zal zeker zo zijn in de colleges geneeskunde, natuurkunde, taalkunde, ingenieurswetenschappen, rechtsgeleerdheid en vele andere. Daar speelt de kwestie van partijdigheid niet eens mee, of slechts marginaal.  Maar hoe zit dat met de colleges waar Weber aan dacht: die in de sociologie, economie, staatsleer, geschiedenis, en cultuurfilosofie? Wordt voor deze vakken de academische onpartijdigheid ondermijnd door de prevalentie van linkse ideologie? Boudry spreekt er niet over en zelf zal ik mij beperken tot enkele theoretische gevaren.

      Nemen we eerst het vak van Weber waarop het prestige van Weber berust: de sociologie. Dit is een discipline waarin onder andere de gewenste en ongewenste gevolgen van het politiek beleid worden bestudeerd. De verleiding is dan groot dat sociologen gevraagd worden, of zichzelf voorstellen, als raadgevers voor de politiek. Maar Weber legt uit dat ze vanuit hun discipline geen richting kunnen aangeven, omdat die richting gebaseerd is op belangen, en op waarden, idealen en op de ‘uiteindelijke houding ten opzichte van het leven.’ Over die zaken heeft de wetenschap niets te zeggen. Die kan hoogstens aangeven of de gekozen beleidsmiddelen een of ander beoogd doel dichterbij brengen. Maar of dat doel bijvoorbeeld economische vooruitgang dan wel meer gelijkheid is, is geen vraag die de socioloog moet beslissen. Voor een overtuigde egalitair moet dat moeilijk zijn, zeker als zijn faculteit uit een gelijkgezinde club bestaat en als zijn methodologie bestaat uit rekbare enquêtes en statistiek. 

      Nemen we dan het andere vak van Weber: de economie. Net als de sociologie riskeert die wetenschap gebruikt te worden door politici – of door de wetenschappers zelf – om een beleid te verantwoorden. En het antwoord is hetzelfde: de wetenschap kan oordelen over de middelen, niet over het doel. Het voordeel hier is dat de logisch-wiskundige modellen van de micro-economie een rem vormen op haastig en direct engagement. Maar als de economen zich in navolging van de sociologen op cijfers en statistieken gooien, loert het gevaar van ideologische cherrypicking om de hoek. Daar komen nog twee andere gevaren bij. Een belangrijke discussie onder economen betreft de optimale graad van staatsinterventie in de economie. Economen die zichzelf als politieke raadgevers zien, zullen als vanzelf geneigd zijn om een grotere staatsinterventie gunstig te vinden. Dat is een links gevaar. Het rechtse gevaar is dat economen vanuit de logica van hun discipline geneigd zijn om economische groei als impliciet doel aan te nemen. Het zou mij verwonderen als degrowthers ooit het vak konden overnemen.

     Bij de geschiedenis rijst een heel ander probleem. Slechts weinig politici halen rechtstreeks hun inspiratie uit de geschiedschrijving. Bart De Wever is misschien een uitzondering. Als de geschiedschrijving als vak een relatie heeft met de politiek is het indirect, via de ideologie. En dat gaat dan zowel om de ideologische overtuiging van de historicus als om de invloed die zijn geschriften hebben op de publieke opinie – en ook politici behoren tot de publieke opinie. Hayek benoemt in zijn essay ‘History and politics’ de twee kanten van de zaak**. 

 

There is indeed no legitimate reason why, in answering questions of fact, historians of different political opinions should not be able to agree. But at the very beginning, in deciding which questions are worth asking, individual value judgments are bound to come in … The influence which writers of history thus exercise on public opinion is probably more immediate that that of the political theorists who launch new ideas. 

 

     En bij die geschiedschrijving moet je niet alleen historische monografieën tellen, maar ook historische films en romans. In hoeveel discussies over liberalisme en socialisme wordt niet verwezen naar de film Daens? De zeven delen van Gore Vidals Amerikaanse saga hebben waarschijnlijk evenveel bijgedragen tot mijn afscheid van het marxisme als een politiek tractaat als Poppers Open Society –  tractaat dat dan zelf nog een historische insteek heeft. Overigens geloof ik dat historisch onderzoek en onderwijs in een academische context zo technisch geworden is, dat het gevaar voor ideologische manipulatie vandaag veeleer gering is.

     Vervolgens de staatsleer. Ik veronderstel dat het gevaar van politieke bias hier zo evident is, dat politicologen zich juist zullen inspannen om een zekere onpartijdigheid te bewaren, zeker in zaken van partijpolitiek. Over het onderdeel politieke filosofie zou ik nog eens moeten nadenken.

     Dan de cultuurfilosofie. Ik geloof dat Weber hier vooral de cultuurgeschiedenis bedoelt. In de moderne betekenis van het woord komen we op het terrein van de culture wars, waar ik in andere stukjes al te veel over geschreven heb. 
     Wat daarentegen de algemene filosofie betreft – ik geloof dat Weber dat vak niet bij de wetenschap rekent – zie ik weinig gevaar voor politieke partijdigheid. Je kunt L’Etre et le néant van Sartre gloedvol bespreken zonder links te zijn en en Philosophical Explanations van Nozick onderwijzen zonder rechts te zijn. Anderzijds zie ik niet goed hoe een gedreven professor in de filosofie zou kunnen voldoen aan de Weberiaanse eis om ‘alle perspectieven aan te bieden.’ Ik denk niet dat vandaag eenzelfde professor in staat is om bijvoorbeeld analytische, naturalistische, fenomenologische en postmodernistische filosofie te doceren. Je kunt immers alleen in een allereerste inleiding over de ‘inhoud’ van die filosofieën spreken. Daarna moet je die filosofische visies van binnenuit benaderen. De docent helpt de studenten om te filosoferen als analyticus, naturalist, fenomenoloog of postmodernist, maar niet als alle vier tegelijk. Je kunt van Boudry niet verwachten dat hij anders filosofeert dan als naturalist, zoals je van Dumolyn niet kunt verwachten dat hij anders geschiedenis beschrijft dan als marxist. Maar dat marxisme – als het niet al te dogmatisch is – van een historicus is minder dwingend – en in zekere zin minder intiem – dan het naturalisme of postmodernisme van een filosoof. Maar filosofische partijdigheid en politieke partijdigheid zijn heel andere dingen. 

     

     

     * De twee delen van Boudry’s essay ‘How to Hijack a University’ staan hier en hier.   

** Het essay van Hayek over geschiedschrijving en politiek staat hier.

vrijdag 2 oktober 2026

Ive Marx en de dienstencheque

     Ik breng mijn gesprekspartners altijd aan het schrikken als iets zeg over de dienstencheques*. Zij klagen dat die te duur worden, en ik klaag dat ze veel te goedkoop zijn.  Ik heb in Ive Marx een medestander gevonden, want hij vindt ook dat de prijs van de cheques gerust van 10 naar 12 euro mogen stijgen, en dat het ‘eigenlijk’ 30 euro zou moeten zijn, want dat is de échte loonkost (DS29/9). De staat moet 20 euro bijpassen, voornamelijk om de sociale zekerheidsbijdragen te betalen.

     Als ik het met Marx eens ben, tik ik hem meestal tegelijk op de vingers omdat hij vanuit zijn academische positie uit de hoogte doet over het geknoei in de praktische politiek. Dit keer begint Marx daar zelf over: 

 

‘Toegegeven, ik heb makkelijk praten als columnist. Ik hoef niet verkozen te worden. Politici die de harde beslissingen moeten nemen om de rekeningen te laten kloppen en om Europa en de ratingsbureaus tevreden te houden, hebben het minder gemakkelijk.’

 

     Ik zal dus voortaan zwijgen over het stuurlui-aan-wal-gehalte van zijn columns: hij weet het zelf. En hij heeft gelijk dat hij de zaken zegt zoals ze zijn, zonder rekening te houden met politiek gekonkel. Elk zijn rol.

     Marx schrijft terecht dat de dienstencheques een cadeau zijn voor de middenklassekiezer, ‘een soort schouderklopje voor de hardwerkende Vlaming.’ En hij heeft gelijk dat de middenklassekiezer dat cadeau zelf moet betalen door ‘lagere pensioenen, meer eigen bijdragen in de gezondheidszorg en het onderwijs, nog tragere rechtbanken en nog vollere gevangenissen.’

      Alleen is zijn antwoord onvoldoende om de belangrijkste reden voor de dienstencheques te weerleggen. We vinden die reden op een andere plaats in dezelfde krant: meer werk voor laaggeschoolden, minder zwartwerk en betere sociale bescherming. Dat laatste is meteen de reden waarom niet alleen de middenklassekiezer, maar ook de vakbonden, het systeem van maximaal gesubsidieerde dienstencheques willen behouden.

     Marx antwoordt daarop:

 

De Vlaamse regering weet ook wel dat het systeem zijn initiële doel ver voorbijgeschoten is. Veel mensen die vandaag in het systeem met de dienstencheques werken, komen helemaal niet uit inactiviteit of zwartwerk. Een belangrijk deel heeft de overstap gemaakt vanuit jobs waarop netjes sociale bijdragen worden betaald …

 

     Ik ben er zeker van dat Marx dat ook kan bewijzen met economische en sociologische studies. Het zal ongetwijfeld ook waar zijn. De poetsvrouw van mijn moeder is overgestapt vanuit een kantoorjob waar ze netto minder overhield. Maar ondertussen zal iemand anders die kantoorjob hebben opgevuld, zodat er best een netto-winst in de tewerkstelling kan hebben plaatsgevonden.

     Kris Vanautgaerden van het ACV schat dat een prijsverhoging van 10 naar 12 euro kan leiden tot een banenverlies van 23.000 mensen. Aan dat cijfer hecht ik niet zoveel waarde: het kan minder zijn, of misschien ook meer, maar de laatste prijsstijging heeft in elk geval het aantal gezinnen die dienstencheques gebruiken doen dalen van 780.000 naar 757.000.

     Een harde libertair kan daarop antwoorden: so what? Laat de markt uitzoeken hoeveel vraag er is naar een bepaald type laaggeschoolde arbeid, vergeleken met andere types van laaggeschoolde arbeid, en laat de markt beslissen hoeveel gebruikers voor die arbeid willen betalen.

     Ive Marx en de harde libertair hebben een en ander gemeen. Ze delen een afkeer van ‘koterijen’. De libertair gaat daarin een stuk verder. Hij redeneert als volgt. Van zodra de overheid een maatregel neemt om een wenselijk doel te bereiken – meer werkgelegenheid voor laaggeschoolden – heeft die ingreep gunstige én ongunstige gevolgen. Die ongunstige gevolgen moeten worden gecompenseerd met nieuwe maatregelen, die weer gunstige én ongunstige gevolgen hebben, waardoor alweer nieuwe maatregelen zich opdringen, die … enzoverder. Dat verklaart waarom je koterijen gemakkelijker kunt verdubbelen dan halveren. 

 

 

* Ik heb over de poetshulpen ook al eerder iets geschreven, zoals hier, hier en hier. 

donderdag 1 oktober 2026

Verzamelde kortjes

Wat beïnvloedt onze koopkracht?
     In een interview met De Standaard (31/9) zei Vlaams minister Melissa De Praetere iets merkwaardigs. ‘Niets heeft meer impact op koopkracht dan klimaat. Denk aan onze voedselprijzen.’ Dat is economisch zó fout dat het weer vertederend wordt. Jammer dat De Standaard er de naïeve West-Vlaamse tongval niet bij kon laten horen.

 

tScheldt en JDC
     Nu Joël De Ceulaer door tScheldt is uitgemaakt voor een
‘gepriviligieerde regimekeutel die een gepriviligieerde regimeburgemeester verdedigt’ kon hij niet anders dan iets terugzeggen: 

 Ik heb nog nooit gereageerd op deze vuile smeerlapperij. Maar nu gaan ze echt te ver. Het is geprivilEgieerd!!!!!


Reynebeau en de salariswagen
     Marc Reynebeau (DS 9/9) is voor de volle belasting van salariswagens. Ik eigenlijk ook, al zwijg ik daarover tot het einde van het jaar, wanneer mijn vrouw de hare zal moeten inleveren. Maar of Reynebeau het allemaal juist uitgerekend heeft, betwijfel ik.

De salariswagen kost de schatkist jaarlijks 5,2 miljard euro. Als de regering die fiscale anomalie afschaft, is ze al halfweg in haar opdracht om in de begroting 10 miljard euro te vinden.

     Vandaag kun je zo’n zinnetje aan ChatGPT voorleggen en vragen wat er allemaal fout is aan de redenering. Het antwoord zal een sectie bevatten: ‘Mensen en bedrijven gaan na zo’n maatregel hun gedrag aanpassen.’
     Waardoor die 5,2 miljard heel hypothetisch worden.
 


DS en het lerarentekort

     Ik heb al vaker gemerkt dat er iemand op De Standaard de taak heeft gekregen om mijn blogstukjes uit te pluizen naar suggesties voor kwaliteitsverbetering. Laatst schreef ik dat ik in de krant nog nooit een kop gezien had over het slinkende lerarentekort. Vandaag, 23 september, grote kop op de voorpagina: ‘Lerarentekort is minder nijpend, starters belanden op reservelijst.’


 

Toxisch leiderschap

     Zoals Pieter Laleman schreef op zijn FB-pagina: ‘Toxisch leiderschap is als beschuldiging zelf toxisch.’ Als het woord op het juiste moment valt, en het bevat 10 procent waarheid, dan heb je geen verweer meer. Het heeft dezelfde kracht als ooit het woord ‘heks.’ Ik zal niet snel een post liken – en soms doe ik dat nochtans ondoordacht – waarin bijvoorbeeld een politieke tegenstander als Marc Van Ranst beschuldigd wordt van toxisch leiderschap. En ik zal het ook niet doen als een politieke vriend als de Oostendse N-VA-schepen Charlotte Verkeyn ervan beschuldigd wordt.

      Dat betekent niet dat toxisch leiderschap niet bestaat. Mensen die ik ken en wier oordeel ik vertrouw, vertellen mij soms bloedstollende verhalen over hun werkplaats. Maar evengoed heb ik van dichtbij beschuldigingen meegemaakt waarvan ik de onredelijkheid zelf kon beoordelen. Ik heb indertijd op de personeelsraad van mijn school oppositie gevoerd tegen het pedagogisch beleid van de toenmalige directie. Die directie was ook om andere redenen dan haar pedagogische beleid niet erg populair bij veel collega’s. Had het woord toen bestaan, dan hadden die collega’s hun strenge oordeel welhaast zeker met de term toxisch leiderschap samengevat. Maar dat strenge oordeel was vaak eenzijdig, subjectief gekleurd en onrechtvaardig. Ik besefte dat toen al, en nu nog beter. 


 

Retorische onwetendheid

       Als ik over een moeilijk onderwerp schrijf, wijs ik vaak op mijn beperkte kennis ter zake. Ik krijg dan als verwijt dat die onwetendheid strategisch, voorgewend en selectief is, en dat ze wordt ingezet als retorisch trucje. Maar onwetendheid voorwenden, of als retorisch trucje inzetten, lijkt mij veel minder erg dan het omgekeerde: expertise en zekerheid voorwenden en dáár je retoriek aan ophangen. 

 

 

Hedwig Speliers
        ‘Hedwig Speliers is dood,’ zegt mijn vrouw. ‘O nee,’ zeg ik, ‘de man die mijn Streuvels-beeld aan diggelen sloeg toen ik zestien was, met Omtrent Streuvels (1968) en Afscheid van Streuvels (1971).’

     De heilige Streuvels was dus maar een halve katholiek, en ook een halve nazi. Was me dat een revolutie in de wereld van de literatuur! Het was een gespreksonderwerp op de speelplaats! Mijn vrouw, die zes jaar jonger is dan ik, kan die onmogelijk bewust hebben meegemaakt. Maar ondertussen vraag ik mij af of ik die boeken van Speliers indertijd wel gelezen heb. Misschien. Filip De Pillecyns boek Stijn Streuvels en zijn werk (1943) heb ik toen zéker gelezen. Dat stond gewoon in de boekenkast van mijn vader.  


Francesca Albanese over Oekraïne

     Toen drie Vlaamse universiteiten een eredoctoraat toekenden aan de pro-Palestijnse activiste Francesca Albanese was dat een mooie illustratie van de linksliberale tolerantie tegenover extreemlinks. Maar zoiets leidt tot een wankel bondgenootschap, want extreemlinks munt niet uit door dankbaarheid. Op de plechtigheid zelf beschuldigde Albanese de universiteiten van laksheid. En nu verschijnt ze blijkbaar op Russia Today, en legt ze verklaringen af als: ‘Ik ga akkoord met hen die vinden dat we geen wapens meer mogen leveren aan Oekraïne.’ Daarmee gaat ze in tegen de heel brede consensus van conservatieven en sociaal-liberalen om Oekraïne te steunen tot er een werkbaar compromis gevonden wordt.

 

 


Vrije meningsuiting met excuses

     Zowat iedereen die de academische vrijheid van Cofnas heeft verdedigd, haast zich eraan toe te voegen dat hij diens meningen niet deelt. Dat kan overkomen als, een soort captatio benevolentiae tegenover een publiek dat die figuur hartsgrondig haat. Maar het schept wel klaarheid. Zelf verdedig ik wel eens de vrije meningsuiting van mensen als Van Langenhove, Hasan Piker of, welja, Cofnas, maar dan doe ik wel mijn best om aan te geven waar ik het wel, en waar ik het niet met die mensen eens ben. En als ik het nérgens met hen eens ben, probeer ik ook daarvoor enkele redenen op te geven.  



Out of Africa
   
     Vandaag kan ik alles vragen aan ChatGPT en Grok, en krijg ik brave, middle-of-the-road antwoorden. Maar surf nog altijd op Quora op zoek naar extravagante vragen en extravagante antwoorden. Een mooie vraag die soms terugkeert is: Welke film won een Oscar voor beste film en was eigenlijk niet goed. Iemand had een aantal criteria verzameld: (A) bevat een plotgat; (B) gaat nergens over; (C)  is flauw over de hele lijn.  De toepassing van de criteria leidde tot: The Deer Hunter (A), Chariots of Fire (B) , Out of Africa (A-B-C) , Argo (A-C).
       
 Alleen Out of Africa beantwoordde aan de drie criteria. Dat zou best kunnen, maar zeker weet ik het niet, want ik slaag er nooit in om meer dan een kwartier naar die film te kijken.


Dix pour cent, le film (2026).
    Om toe te voegen aan mijn lijstje van films over het maken van films. Franse komedie in de beste zin van het woord. Dankzij de film heb ik nu ook de serie ontdekt die eraan voorafgaat.


La règle du jeu (1939)
    Op Youtube kun je de mooie en historisch belangrijke film La règle du jeu zien (1939), van Jean Renoir. De klank is slecht en, als iemand die half-doof is, begreep ik weinig van de dialogen. Ik moet hem nog eens opnieuw zien in een betere versie. Maar één dialoog heb ik wel begrepen. Octave zegt :  ‘Ce qu’il y a de terrible dans la vie, c'est que tout le monde a ses raisons.’ Waarop André of Robert antwoordt : Bien sûr, et moi, je suis pour que chacun les expose librement.’

Furious (2026) 
   
 Televisiereeks over een seriemoordenares en een politie-agente. De plot is ongeloofwaardig en bevat alle clichés van het genre. Maar de uitwerking van de personages is hoogst origineel. 


Drops of God (2023)
     Serie over een jonge vrouw Camille Léger die zich vanwege een testament moet vervolmaken in de wijnproeverij. Veel over ‘premier nez’ en ‘deuxième nez’ en dat soort zaken. In de tweede aflevering ziet Camille haar jeugdvriend Thomas terug. Maar Thomas heeft een relatie met Juliette die knap is, zeven talen spreekt en van de regisseur opdracht gekregen heeft om haar vriend voortdurend aan te raken.  ‘Ik begrijp het,’ zei mijn vrouw, ‘wij moeten Juliette niét leuk vinden.’ Dat was ongeveer het moment dat we besloten om het bij twee afleveringen te laten. 


De PVDA en Iran

     Op het PVDA-feest Manifiesta was er ook plaats voor een grote boekenmarkt dat redelijk pluralistisch was opgezet. Je vond er algemeen-progressieve boeken naast meer orthodox-communistische boeken. Er was ook een stalletje van het Iraanse regime waar in eenvoudige druksels werd uitgelegd hoe het er aan toeging in het land van de ayatollah’s en de Republikeinse Garde. 
     Kijk, ik zal nooit zeggen dat de PVDA de ayatollahs ‘verdedigt’. Het zit ingewikkelder in elkaar. Ook zal ik de PVDA niet de ‘nuttige idioten’ van het regime noemen. Ik wil vulgaire polemiek als die van Karel Verhoeven vermijden*. Maar ik zou als Raoul Hedebouw toch niet graag voor de televisie uitleg moeten geven over dat pamflet over het Iraanse nucleaire programma dat op mijn feest werd uitgedeeld. Ik twijfel niet aan het talent van Raoul om er zich uit te praten, maar het zou toch een vervelend moment zijn.  




* Karel Verhoeven had in een commentaar de omschrijving ’nuttige idioten’ gebruikt voor degenen die de vrije meningsuiting van Cofnas verdedigen.