Posts tonen met het label De Standaard. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Standaard. Alle posts tonen

woensdag 12 mei 2021

Corona-verliefdheid en controle-verliefdheid

 


   Sinds de vaccins ben ik nogal optimistisch geworden over corona. Te  optimistisch eigenlijk, want ik had gedacht dat het prikken sneller zou gaan. Toen dat niet zo was, heb ik eventjes vergeefs naar schuldigen gezocht*, maar ten slotte begreep ik dat iets opstarten zijn tijd nodig heeft.
     Een ding maakte mij ongerust: de kwestie van de groepsimmuniteit. Ik had dat in de begindagen van de crisis opgezocht. Er bleek een formule te bestaan waarmee je kon berekenen hoeveel procent van de bevolking gevaccineerd moest zijn –  of besmet en genezen – vooraleer die groepsimmuniteit werd bereikt. De belangrijkste term van de formule was de besmettelijkheid, de R0, die van corona niet goed gekend was – en dat nog altijd niet is. Men nam toen meestal een R0 aan die een immuniteit van 70 procent van de bevolking noodzakelijk maakte. Toen de vaccins werden aangekondigd leek dat percentage haalbaar.
     Maar ondertussen werden nieuwe, besmettelijker varianten van corona dominant en bleek vaccinatie de overdracht van het virus niet helemaal te stoppen. Mijn gewezen klasgenoot Dirk Desreumaux, die dokter is geworden, rekende op zijn facebookpagina uit dat je daardoor voor groepsimmuniteit onrealistisch hoge percentages moest halen. Van die kant moesten we de redding niet verwachten. Anderzijds, dacht ik, is die groepsimmuniteit ook niet echt nodig. Als ongeveer iedereen die kwetsbaar is gevaccineerd is, dan moeten we het virus eindelijk maar eens los laten. Wie een vaccin wil, heeft dan zelf zijn risico gekozen. Wie geen vaccin mág krijgen, die zal heel voorzichtig moeten zijn.
     Wat mij nu ongerust maakte, was dat ik die redenering nergens anders duidelijk en ondubbelzinnig terugvond. Nu echter, slaap ik weer op mijn twee oren. In De Standaard van 6 maart** las ik in een interessant artikel dat groepsimmuniteit een ‘onhaalbare droom’ is geworden, maar dat ook een minder hoog vaccinatiepercentage voldoende is om weer normaal te gaan doen. ‘Dan wordt het een harde, politieke beslissing,’ zie epidemioloog Lipsitch, ‘of het echt een prioriteit is om het ­virus uit te roeien.’ ’t Was leuk dat een professor daar hetzelfde over dacht als ik en dat ik dat in De Standaard kon lezen. En misschien, dacht ik, zou die politieke beslissing niet zo ‘hard’ zijn als door de vaccinatie de cijfers van overlijdens, ziekenhuisopnames en IZ voldoende naar beneden gingen. De besmettingen zelf, who gives a sh…?
      Dat stuk in De Standaard was één ding. Kranten kunnen schrijven wat ze willen. Maar vandaag hoorde ik Alexander De Croo op de televisie, en dat is de Eerste Minister van ons land. Uit zijn uitleg besloot ik dat hij de ‘harde politieke beslissing’ voor zichzelf al had genomen. Zíjn mijlpaal was niet de groepsimmuniteit maar ‘eind juni, het ogenblik dat iedere volwassene de kans heeft gekregen om zich te laten vaccineren … Als mensen naar grote concerten zullen gaan, dan is dat hun keuze. Die brengen dan ook niemand anders in gevaar. Want de mensen die kwetsbaar zijn, die zijn gevaccineerd. We kunnen de samenleving toch niet op slot houden omdat een bepaald risico blijft bestaan.’ Een logica van ijzer en staal, vond ik.
     En de virologen? zul je zeggen. Dan kijk ik naar Van Ranst, want als iemand de communicatielijnen uittekent, is hij het wel. Nadat de virologen in het begin van de crisis weken aan een stuk de mondkapjes verketterd hadden – tot mijn grote ergernis – hoorde ik hem op een dag, langs zijn neus zeggen ‘nee, geen mondkapjes, maar die kunnen natuurlijk wel een rol spelen later in de exit-strategie.’ ‘Tiens’, dacht ik, ‘dus toch. Dat is het ook het eerste dat ik daar van die kant van verneem. De bocht is ingezet.’ En nu lees ik van Van Ranst weer zoiets in Het Nieuwsblad. ‘Met drempels en vaccins gaan we de curves wel naar beneden krijgen, waardoor het risico op corona vergelijkbaar wordt met een seizoensgriep. Wat we niet mogen doen, is verliefd worden op het controleren ervan.
     De vergelijking die Van Ranst met verliefdheid maakt is treffend. Dat virologen en epidemiologen een intieme haat-liefde ontwikkelden voor ‘hun’ virus, dat is menselijk. Dat de strijd ertegen een dosis irrationele hardnekkigheid insluit – zoals we die kennen van de eerste fasen van een amoureuze bevlieging  dat is begrijpelijk. Maar je kunt daar niet eeuwig mee doorgaan. Op het juiste moment moet je ermee ophouden. Over wanneer dat juiste moment valt, is nog wat discussie, maar Van Ranst weet al dat het komt. Nu de anderen nog. En Joël De Ceulaer, want die heeft het zwaar te pakken. Een gebroken hart helen, daar kan wat tijd over gaan.

 

* ‘Naar schuldigen gezocht’: zie hier.

** Ik vond dat stuk in De Standaard eigenlijk beter dan het uitgebreider stuk in Nature (hier) over hetzelfde onderwerp.

maandag 30 november 2020

‘Geen normale partij’


      Ik zag Karel Verhoeven vorige week op de televisie in het programma ‘Alleen Elvis blijft bestaan’: een vriendelijke vent met lang haar, enorme oren, en niet dom. Hij heeft meerdere universitaire diploma’s, is gepromoveerd op een onderzoek naar ‘De lach en de roman’ – daar zou ik wel eens in willen bladeren – en hij kijkt ongeveer naar dezelfde films en series als ik. Hij improviseert met gemak een keurig en genuanceerd exposé over de de grondbeginselen van goede journalistiek. En tijdens vakanties trekt hij door gevaarlijke, woeste natuurgebieden met wilde dieren, waar hij ‘berekende risico’s’ neemt. Ik kijk een beetje naar hem op.
     Natuurlijk: quandoque dormitat bonus Homerus, de besten laten al eens een steek vallen. In zijn laatste stuk in De Standaard (hierschrijft Verhoeven iets over Vlaams Belang. Dat is geen ‘normale partij’, vindt hij, en hij gebruikt het voorbeeld van gemeenteraadslid Carrera Neefs die bloemen had gelegd op het graf van een SS’er, daarvan een foto had geplaatst op de sociale media, en die nu uit Vlaams Belang was gezet. Tom Van Grieken had nagelaten om de daad zelf van Neefs ‘moreel te veroordelen’. ‘Er is nu geen sprake meer van dubbelzinnigheid bij Vlaams Belang,’ schrijft Verhoeven. Ik zou precies het tegenovergestelde zeggen: enerzijds uit de partij zetten, en anderzijds moreel niet veroordelen, dat is juist een goed voorbeeld van dubbelzinnigheid.
     Verhoeven dringt in zijn stuk aan op een kordate veroordeling van nazi-nostalgie, ook als die zich (a) ‘in stilte’, (b) ‘binnenskamers’ of (c) als ‘rouwen’ voltrekt. Maar zoiets is moeilijk te organiseren. Voor het eerste zouden cameras moeten worden geplaatst bij graven van SS’ers. Voor het tweede zouden in de huizen interactieve schermen met afluisterapparatuur moeten worden geïnstalleerd. Voor het derde ontbreekt geloof ik vandaag nog de technologie. Misschien kan de rouw zelf op hersenscans worden afgelezen, maar om wie gerouwd wordt, dat is vooralsnog op zo’n scan niet te zien.
     We zitten hier al een beetje in de sfeer van double-plus ungood thoughtcrime. In het fameuze proces tegen de Chicago 7, werd activist Abbie Hoffmann gevraagd of hij gehoopt had op een confrontatie met de poltie. Volgens de meeslepende verfilming van dat proces aarzelt Hoffmann voor hij antwoordt. De procureur vraagt waarom hij aarzelt. ‘Give me a moment, would you, friend?’, zegt Hoffmann ten slotte. ‘I have never been on trial for my thoughts before.’ Dat laatste heeft hij ook echt gezegd.
     Ik geloof niet dat Verhoeven aanstuurt op rechtbanken, of partijraden, die mensen beoordelen of veroordelen voor de thoughtcrime van nazi-nostalgie. Hij neemt wellicht genoegen met een algemene ‘morele veroordeling’ van het gedachtegoed zelf, zoals N-VA dat indertijd gedaan heeft. Ik zou het heel fijn vinden als Van Grieken zon veroordeling zou uitspreken. Maar bekijken we het eens vanuit zijn standpunt. Waarom zou hij dat doen als daar niets tegenover staat? Veronderstel dat 1, of 5, of 10 procent van de Vlaams Belang-stemmers uit nazi-nostalgieken bestaat. Waarom zou Van Grieken die stemmen weggooien met ferme uitspraken over het verleden? Dat hij over dat verleden een ‘flou artistique’ aanhoudt, bewijst dat hij een electoraal rekenaar is, niet noodzakelijk dat hijzelf een nazisympathisant is die zijn ideeën verdoezelt met, zoals Verhoeven schrijft, ‘vals burgermannetjestheater’, waar  ook erg  sommige N-VAers moedwillig aan meedoen door te dromen’* van een coalitie.
    Soms hoor je een zin die je hele wereldbeeld overhoop haalt. Verhoeven beweert dat Vlaams Belang geen ‘normale’ partij is. Ik zei ooit precies hetzelfde in een gesprek met mijn broer. ‘Vind jij de PS dan een normale partij?’ antwoordde mijn broer. Dat moet geweest zijn in de tijd van een of ander spectaculair rood schandaal beneden de taalgrens. Ik begreep op slag dat er eigenlijk géén normale partijen bestaan. Die nazi-nostalgieken die voor Vlaams Belang stemmen, zijn misschien een reden om nooit met die partij een coalitie aan te gaan – alhoewel ik nog betere redenen ken – maar ik ken ook goede redenen om nooit een coalitie aan te gaan met de PS of met Groen. Toch zou ik een regering met een van die partijen niet a priori verwerpen. Als de belastingen maar niet té veel stijgen, en er iets leuks tegenover staat op korte of of op lange termijn. En als de kerncentrales openblijven natuurlijk.

 * Dreamcrime?

woensdag 26 juni 2019

Johan Leman en de wetten van Croughs

     Kent iemand de wetten van Croughs? De Nederlandse libertariër formuleerde in 1995 de ‘drie wetten van het progressief-intellectuele denken’:
  1.  De wet van het abjecte Westen: ‘Bij een conflict tussen westers en niet-westers kiest de progressieve intellectueel voor niet-westers.’
  2. De wet van de onderdrukte minderheid: ‘Bij een conflict tussen een minderheid en een meerderheid kiest de progressieve intellectueel voor de minderheid.’
  3. De wet van de botsing: ‘In gevallen waar de twee wetten met elkaar in botsing komen, wordt het ingewikkeld.’
     Van die laatste wet zagen we van de week een fraai voorbeeld. Pater Johan Leman, die aan pluralistisch bekeringswerk doet in Molenbeek, had in De Standaard verklaard dat je nu eenmaal moet ‘weten dat je hier als homokoppel misschien niet hand in hand over straat kan lopen’. Wat moet de progressieve intellectueel nu denken bij zo’n uitspraak? Die homo’s vormen een minderheid (wet 2)  maar de moslims die geen homokoppels hand in hand in hun buurt willen zien wandelen, komen uit een niet-westerse cultuur (wet 1). Wat nu?
   In de reacties op Leman zag je drie soorten linkse mensen opstaan. Gert Verwilt (Vlinks) bijvoorbeeld koos onverkort voor de homorechten. Zijn reactie telt in dit verband niet mee, want Gert is een secularist en een tegenstander van moslimobscurantisme. Als dusdanig volgt zijn denken niet de wet van het abjecte Westen.  Helemaal anders is dat bij Hilde Sabbe (One Brussels). Die volgde heel plichtsgetrouw wet 1 en nam het voor de moslims op: die moesten meer tijd krijgen om te wennen aan die homo’s. ‘We moeten niet in hun nek staan hijgen.’ En ze verwees naar het abjecte West-Vlaanderen waar een lesbische vriendin van haar haar partner niet kon meebrengen op een familiefeestje. Nog anders was de reactie van Gaea Schoeters (schrijfster). Op haar facebookpagina noteerde ze: ‘Met dank aan Johan Leman om weer een hoop holebi’s in de armen van rechts te duwen en rechtse demagogen als Maarten Boudry een open goal te bieden.’ Rechtse demagogen als  Maarten Boudry ...
     Wat moeten we denken van die groen-linkse activisten die zich, zoals Schoeters, ontzettend boos maken op Leman. Er kan bij hen, zoals bij Verwilt, een zeker secularisme meespelen. Dat is uiteindelijk een linkse traditie. Maar misschien is er ook iets anders aan de hand. In De Afspraak viel Leman uit tegen een ‘progressieve middenklasse’ die ‘een droombeeld heeft van het multiculturalisme’. Het minste dat je kunt zeggen is dat Leman dat droombeeld met zijn uitspraken heeft verstoord. ‘Ik verbloem dat niet,’ zegt hij in De Standaard, ‘je moet daar niet naïef in zijn.’
     Eigenlijk komt het hierop neer. Leman beschrijft de zaken zoals ze zijn. In Molenbeek ligt meer vuil op straat dan ergens anders. Vrouwen die er in een zomerse korte rok rondlopen, krijgen schunnige opmerkingen. Je kunt er als homokoppel niet hand in hand over straat lopen. En daar nog eens bovenop is Leman nogal pessimistisch voor de onmiddellijke toekomst en gelooft hij niet dat er voor die problemen eenvoudige oplossingen bestaan. Dat pessimisme verklaart zijn raad aan de middenklasse Vlaming die naar Molenbeek wil verhuizen: pas je wat aan, probeer aan te voelen wat mogelijk is, provoceer niet, lok niets uit, schrik niet van wat vuil, en als je dat niet kunt, kom dan hier niet wonen want het zal niet snel veranderen. Maar dat is een onduldbare toestand, vindt de boze progressieve intellectueel. Ja, dat is een onduldbare toestand, maar het is nu eenmaal zo, en niet anders.
     Is de raad van Leman een voorbeeld van ‘soumission’? Ik weet het niet. Het is in elk geval een voorbeeld van realisme. Als ik een zoon had die homo was, zou ik hem evenmin aanraden om hand in hand met zijn vriend in Molenbeek rond te lopen. Als ik een dochter had, zou ik haar evenmin aanraden om er in een korte, zomerse rok rond te lopen. En ik zou én mijn homo zoon, én mijn hetero dochter afraden om daar te gaan wonen, ook al zijn de huizen er goedkoop.
     Kan er iets aan de toestand worden gedaan? Leman weet in elk geval wat níet werkt: grote verklaringen, boze tweets, verontwaardigde lezersbrieven en ‘inburgeringscursussen’ waarop een toets volgt met meerkeuzevragen als : Wanneer is de vrouw gelijkwaardig aan de man? (A) Altijd – (B) Meestal – (C) Soms – (D) Nooit. Hij meent ook te weten wat je wél kunt doen: een ‘stevig’ immigratiebeleid en een ‘verstandig’ uitwijzingsbeleid voeren, de Saoedische invloed in moskeeën beperken, meer politiepatrouilles op straat sturen, en meer subsidies aan zijn ‘Foyer’ geven.
     Aan die subsidies twijfel ik een beetje. Ik geef niet graag veel geld aan een man die, toen hij zelf nog beleidsverantwoordelijkheid had, weinig deed om een ‘stevig’ immigratiebeleid uit te werken. Hij was toen vooral bezig geloof ik met ‘racismebestrijding’. Nu heeft hij het echter begrepen. ‘Denk vooral niet dat alle Marokkanen voor open grenzen zijn,’ zegt hij. Onlangs had hij er nog enkele horen discussiëren. ‘Je gaat toch geen vrouw zoeken in Marokko,’ had een van hen gezegd. Dat zijn wijze woorden die vanuit een strengere gezinsherenigingswet enige ondersteuning verdienen.

     Leman wil ook meer politiemensen in Molenbeek. Liefst meteen 200. Ik geef hem gelijk. En als er dan toch meer politiemensen zijn, mogen ze wat harder optreden ook. Ik herinner mij de rellen van vorig eindejaar waarbij van alles vernield werd en in brand gestoken terwijl de politie toekeek. Wie het filmpje niet gezien heeft waarin burgemeester Cathérine Moureaux die rellen in lachwekkend Nederlands minimaliseert, moet zeker hier eens kijken.
     Maar de homo-en-korte-rokken-vraag is daarmee niet opgelost. Als de instroom van nieuwe moslimmigranten in Molenbeek stopt, en de politie loopt wat meer rondjes op straat, en treedt wat strenger op, kun je dán als homokoppel hand in hand op straat lopen zonder gevaar voor verbale agressie of erger? Ik zal de raad van Leman volgen, niets verbloemen en niet naïef zijn. Het antwoord is neen. De droom van een nabij harmonieus multiculturalisme laat ik over aan degenen die Leman ‘bepaalde progressieve Vlamingen’ noemt.
     Vierde wet van het intellectueel-progressieve denken: ‘Wanneer de progressieve intellectueel gewekt wordt uit zijn droom, is hij boos.’

zondag 31 maart 2019

De Standaard schaft aprilgrap af

     De redactie van De Standaard is voornemens dit jaar geen aprilgrap te publiceren. ’t Is jammer. Vroeger las je op 1 april in de krant dat bijvoorbeeld de autostrada van Brussel-Oostende eenrichtingsverkeer werd – zaterdag zou je alleen naar de kust kunnen rijden en zondag alleen terug. Dat tijdperk is nu afgesloten.
 ‘De aprilvis is het slachtoffer geworden van de strijd tegen fake news,’ schrijft Dominique Deckmyn. ‘Een aprilvis is elitair en neerbuigend; je zet je eigen lezers te kijk om hun naïviteit.’  Ik schrijf het op in mijn schriftje zodat ik niet vergeet: ik zal in De Standaard voortaan geen elitair gedoe meer aantreffen, ik zal niet meer neerbuigend behandeld worden, alle berichten zullen wáár zijn, en mijn naïviteit – waar ik om bekend sta – zal niet meer worden te kijk gezet. Dat is allemaal goed nieuws.
     De bekende schrijver en misantroop Jonathan Swift zou dat wellicht betreurd hebben. Hij hield wel van een stevige aprilgrap. Zijn bravourestuk bracht hij ten uitvoer in 1708. In die tijd leefde er in Londen een zekere John Partridge die een astrologisch tijdschrift uitgaf met allerlei nuttige voorspellingen over de nabije toekomst. Vooral gokkers kochten het. Swift kon die Partridge niet uitstaan vanwege diens kwakzalverij en religieus fanatisme en hij bedacht een listig plan. Een goede voorbereiding is het halve werk, wist hij, en hij begon er al aan in februari. Hij schreef een artikel – onder een schuilnaam – waarin hij de dood van de astroloog voorspelde. Die zou plaatsvinden op 29 maart. Het stond in de sterren geschreven. Om alles nog wat spectaculairder te maken werd ook nog de dood voorspeld van de aartsbisschop van Parijs (4 april), de kroonprins van Oostenrijk (11 april), de kroonprins van Frankrijk (7 mei), de Franse koning (29 juli) en de paus (11 september) – allemaal net als Partridge zelf vijanden van de Anglicaanse Kerk waar Swift toe behoorde.
     Dat artikel was nog maar het voorbereidende werk, maar het verkocht goed en er kwamen veel reacties op. Men vroeg zich af wie de auteur wel kon zijn. Swift zelf schreef ook een reactie – onder een andere schuilnaam. De auteur, zo heette het daarin, was een ‘getalenteerde gentleman’ die zich als astroloog voordeed en ‘met opzet slordig schreef’ om iedereen op een dwaalspoor te brengen en ondertussen met zijn vrienden ‘niet bijkwam van het lachen’.

     Op 30 maart volgde dan de genadeslag. Swift publiceerde een nieuw artikel over ‘Het uitkomen van een voorspelling’. Daarin deed een ‘gepensioneerd boekhouder’ uitgebreid verslag van de dood van John Partridge. Partridge was op zijn sterfbed  overgegaan tot bekentenissen. Hij had zelf nooit geloofd in de wichelarij waar hij zijn brood mee verdiende. Maar nu hij aan het sterven was moest hij toegeven dat andere wichelaars blijkbaar wél goede voorspellingen deden. De ‘gepensioneerde boekhouder’ merkte nog op dat de dood vier uur later intrad dan voorspeld. De datum was juist geweest, maar het uur was fout. In de sterren lezen is geen exacte wetenschap.
    De grap werd gewaardeerd en geen Londenaar voelde zich neerbuigend behandeld. Op 1 april werd het overlijden van de John Partridge in de hele stad gevierd. De pers schreef er wekenlang over. Elk protest van Partridge zelf werden weggelachen. Toen hij schreef dat de aartsbisschop van Parijs níet was overleden op 4 april, antwoordde Swift dat je de Fransen niet moest geloven. En ook alle andere tegenwerpingen van de arme astroloog werden met gemak weggewuifd. Men kon toch geen rekening houden, besloot Swift, met de mening van een ‘slecht geïnformeerd lijk’.

donderdag 31 januari 2019

De klimaatbijlage van De Standaard


Who thinks greenhouse gases have no effect and therefore we all need
new jobs. Anyone - Ter illustratie van het begrip 'intentieproces'
    Je ziet vaak mensen van rechts die zich boos maken op de berichtgeving in de kranten en op de televisie. Ik vind dat altijd een beetje raar. Zou het hélpen als we ons boos maken? Of als we ons héél boos maken? Ik geloof het niet. Veel van die persjongens en -meisjes leunen nu eenmaal naar links. Daar is niet veel aan te doen; die zullen niet zo gauw veranderen. Zelf wacht ik geduldig tot de hoofdredacteuren zelf ook begrijpen dat er wat meer evenwicht nodig is en ondertussen laat ik er mijn goed humeur niet door bederven.
     Maar soms voel zelfs ik een lichte ergernis en kan ik het niet laten er een opmerking over te maken. Neem nu de klimaatbijlage van De Standaard.  Ik heb die nog niet helemaal gelezen, maar een deel ervan werd overgenomen in Het Nieuwsblad. De hoofdredactrice van die laatste krant, Liesbeth van Impe wijdt er haar commentaar aan. De klimaatwetenschap is meer dan wat alarmistisch giswerk, schrijft ze. ‘Over het grootste deel van de diagnose zijn ernstige wetenschappers het eens en is de weerstand marginaal. De aarde warmt op en ze doet dat bijzonder snel. Dat is voor een groot deel het gevolg van menselijk gedrag. Over de modellen en toekomstvoorspellingen kan je altijd blijven discussiëren, maar over de grote lijnen bestaat evenveel consensus als een rigoureus wetenschappelijke opstelling toelaat.’
     Ik ben het misschien niet met elk woord eens, maar ’t is een redelijk standpunt en ’t is redelijk verwoord. De ‘weerstand onder ernstige wetenschappers’ waar Van Impe naar verwijst, blijkt uit afwijkende publicaties die drie tot negen procent bedragen van het totale aantal bedragen. Je kunt dat als je wil gerust ‘marginaal’ noemen.* Van Impe roemt de ‘rigoureuze wetenschappelijke opstelling’ van de klimaatwetenschap. Dat die ‘opstelling’ rigoureus ik betwijfel ik niet. Dat betekent echter niet dat die klimaatwetenschap zelf een erg rigoureuze discipline is. De woordkeuze van Van Impe laat vermoeden dat ze die nuance begrepen heeft.**
     In de informatieve bijlage in dezelfde krant wordt echter uit een ander vaatje getapt. ‘Zoveel wetenschappers,’ schrijft wetenschapsjournalist pvd, ‘zijn het daarover eens dat de enkelingen die nog tegenspartelen tot de franje gerekend moeten worden, of tot de omgekochten … Lange tijd kregen ze onevenredig veel aandacht omdat […] ze niet werden tegengesproken door de andere wetenschappers.’
     Dat is de omgekeerde wereld. De journalistieke traditie laat toe dat een commentaarschrijver zich eens een keertje laat gaan, maar in informatieve stukken hoort een auteur zich sober op te stellen. Maar hier is het omgekeerd. De commentaarschrijfster kijkt behoedzaam naar links en naar rechts vooraleer ze oversteekt naar de volgende alinea, terwijl de wetenschapsjournalist in het midden van de rijweg wild staat te zwaaien met gekleurde woorden (‘tegenspartelen’, ‘franje’), intentieprocessen (‘omgekocht’), subjectieve beoordelingen (‘onevenredig veel aandacht’), halve waarheden (‘niet tegengesproken’).




* Het aantal wetenschappelijk klimaatpublicaties die de rol van het menselijk gedrag bespreken in de klimaatwijzing is trouwens maar een kleine fractie van het totale aantal van die publicaties.

** Ik heb indertijd een scriptie gemaakt over het lidwoordgebruik in het Spaans. Ik heb daarbij rigoureuze definities gebruikt, vijf controleerbare parameters en betrouwbare statistische methodes. Maar ik heb er geen idee van hoeveel parameters er een rol spelen die ik níet in rekening heb gebracht. Ik zal taalkunde daarom niet bij de rigoureuze wetenschappen rekenen, ook al gebruikt ze rigoureuze methodes.

donderdag 14 juni 2018

Belgen wonen ruimer dan nodig

Molensloot - waar kapitein Haddock Bianca Castafiore ontvangt
     Ik zal nooit iets slechts zeggen over ons aardige huisje aan de bosrand, maar ’t is geen kasteel, en eigenlijk kun je toch niet helemaal gelukkig zijn als je niet in een kasteel woont. Dat kasteel moet dan liefst niet zo groot zijn als dat van Chambord, of dat van Citizen Kane in die film – liever iets als Molensloot van kapitein Haddock, of dat landhuis van Milou en mai, of zo’n neo-gotisch optrekje midden in een parkje, zoals je vaak ziet langs de kant van de weg als je ergens naartoe rijdt. Zelf heb ik het geluk om op een kasteelachtige school les te geven, met ruime lokalen, hoge muren, brede gangen, royale trappen en een uitgestrekt park. De verkwisting van ruimte is er hartverwarmend.
     Zo’n kasteel – ’t is vind ik de enige beschaafde manier van wonen. Iedereen zou er eentje moeten hebben. Ook het dienstmeisje dat er het stof opneemt en de butler die er opdient zouden ’s avonds thuis moeten komen in een woning van vorstelijke afmetingen. Soms zie je interviews met rijke mensen uit Hollywood, oude filmsterren of populaire zangers of producers, en die zitten dan hun verhaal te vertellen in een kamertje van vier op vier, met de rug tegen de muur gedrukt, in een fauteuil die te veel te groot is voor de krappe ruimte. Zielig vind ik dat.
Château du Calaoué waar Milou in mei zijn gasten ontvangt
     Iedereen een kasteel? Wij zijn er nog lang niet, maar in ons land zijn we al wat dichter bij dat ideaal dan andere landen. Europa houdt daar statistieken van bij. ’t Zijn helaas niet de cijfers die ik zou willen weten, namelijk die van de hoeveelheid vierkante meter woonruimte waarover de gemiddelde Belg, Nederlander, Fransman of Maltees beschikt. Of liever nog: van de hoeveelheid kubieke meter, want de hoogte van de kamers telt ook mee. Ik ben opgegroeid in een huis met hoge kamers.
     Maar de Europese cijferaars hebben dus geen kubieke meters geteld. Ze hebben geteld hoeveel slaapkamers een gezin heeft per aantal gezinsleden, zonder de grootte of de hoogte van die slaapkamers mee te tellen.* En aangezien het om Europa gaat, heeft men meteen een Europese norm uitgewerkt voor dat aantal slaapkamers. Als je bijvoorbeeld een gezin hebt met twee kinderen van hetzelfde geslacht en die zijn jonger dan twaalf jaar, dan hebben die recht op één gemeenschappelijke slaapkamer. Maar als er eentje ouder wordt dan twaalf, moet het gezin verhuizen zodat de kinderen elk een aparte slaapkamer krijgen – anders wordt niet aan de norm voldaan. Zo’n twee jongens of zo’n twee meisjes – één van twaalf en één van dertien – op één kamer, dat kan Europa moeilijk goedkeuren, dat begrijp je wel.
     In ons land valt het in elk geval goed mee. Slechts 5 procent van de bevolking woont krapper dan de norm en 67 procent  woont ruimer dan de norm, wat De Standaard van 13 juni dan verwoordt als ‘ruimer dan nodig’. Dan nodig? Ik zal het maar meteen toegeven: wij wonen ruimer dan nodig, want we hebben drie slaapkamers en maar één kind. We reizen ook verder dan nodig, we baden ons vaker dan nodig, en we eten grotere ijsjes dan nodig. Ik zit langer achter de computer dan nodig, mijn vrouw ververst de lakens vaker dan nodig, en mijn zoon voetbalt scherper dan nodig. Naar zijn punten te oordelen, studeert hij ook harder dan nodig. En ik denk dat we met het hele gezin– als we het oude Indische ascetisme als maatstaf nemen – frequenter inademen dan nodig.
     Uitstekend nieuws dus: wij Belgen wonen ruimer dan nodig. Maar we moeten niet op onze lauweren rusten. In 2012 woonde nog 73 procent van de Belgen ruimer ‘dan nodig’ en nu maar 67 procent meer.Wij zijn dus zes procentpunten gezakt. Wij zijn potverjandriedubbeltjes ingehaald door Cyprus, terwijl we enkele jaren geleden nog drie procentpunten voor lagen op die eilandbewoners. Het is tijd dat we die inzinking te boven komen. Op naar de 100 procent overschrijding van de norm! En op middellange termijn: iedereen zijn kasteel!


* Ook de keuken met kookeiland, de studeerkamer en het biljartzaaltje worden in de Europese cijfers niet in rekening gebracht.

zaterdag 18 november 2017

Bart Eeckhout over de 'relletjes'

      Met het kopje hierboven heb ik u, beste lezer, bij de neus genomen. Bart Eeckhout heeft van de week in De Morgen twee stukjes (hier en hier) geschreven over het Brusselse straatgeweld en hij heeft daarbij niet, zoals De Standaard de week ervoor (hier), het vergoelijkende woord ‘relletjes’ gebruikt. Bart Eeckhout gebruikt net heel flinke taal: de gewelddadige jongeren zijn ‘idioten’, ‘asociale onruststokers’ en ‘crapuultjes’. Hij gebruikt nog net niet de ruwe term ‘kutmarokkanen’ die in de kolommen van Het Laatste Nieuws verscheen. Eeckhout heeft de gouden regel begrepen: als je slappe praatjes in de aanbieding hebt, kun je beter sterke woorden gebruiken.
     Eeckhout behandelt in zijn twee stukjes de vraag wat de overheid moet doen om het straatgeweld te bestrijden. Politieoptreden en gevangenisstraf zijn volgens hem niet voldoende. ‘Die overheid,’ schrijft Eeckhout ‘kan niet garanderen dat jongeren zich gedragen … Maar ze kan bijvoorbeeld wel het recht op degelijk onderwijs garanderen.’
     Ordehandhaving en onderwijs, ’t is een oude kwestie en ik kom er nog op terug. Maar zoals Eeckhout ze formuleert, haalt hij beleid en garantie op succes door elkaar. De overheid kan wel politie op straat sturen, maar ze kan niet garanderen dat de crapuultjes zich daardoor laten afschrikken, en de overheid kan ook wel onderwijs aanbieden, maar ze kan evenmin garanderen dat dat onderwijs degelijk is.
     Eeckhout schrijft dat in veel Brusselse scholen ‘deplorabele’ toestanden heersen. Kinderen worden naar een school gestuurd waar ‘het onderbemande en onderbetaalde onderwijspersoneel … dweilt met de kraan open’. Daar klopt niets van, behalve dat van de dweil en de kraan. Kinderen worden niet naar zo’n school ‘gestuurd’ want ons land heeft gelukkig vrije schoolkeuze.* Onderbetaald en onderbemand? Er zullen heus wel financieringsproblemen zijn maar het onderwijspersoneel wordt in die scholen geloof ik hetzelfde betaald als in andere scholen en er zullen ook wel evenveel leraren zijn per aantal leerlingen.
     U hebt mij niet horen zeggen dat die ‘deplorabele’  toestanden in de Brusselse scholen niet bestaan. Die bestaan juist wel. En de oorzaak ligt, vrees ik, bij dezelfde crapuultjes die de straat onveilig maken. Zelf zou ik in zo’n school geen les willen geven, al bood men mij een miljoen en al plaatste men, om ook het probleem van de onderbemanning op te lossen, een co-teacher naast mij. Mocht men in zo’n school een ijzeren tucht willen en kunnen afdwingen, dan wil ik het overwegen, maar daar zal meer voor nodig zijn dan extra financiële middelen.

     Eeckhout schrijft dat gepast repressief optreden tegenover de jonge geweldenaars het ‘gemakkelijke deel’ van de opdracht is. Waar haalt hij dat toch vandaan? De laatste weken hebben net laten zien dat dat ‘deel’ helemáál niet gemakkelijk is. Snel ter plaatse zijn met voldoende politiemensen, ter plaatse oppakken van minderjarige geweldplegers, snelle en efficiënte straffen uitspreken– het stelt allemaal ernstige problemen op het bestuurlijke, juridische en menselijke vlak. Wetgeving moet worden aangepast. Strafinstellingen moeten worden bijgebouwd of omgevormd en vernieuwd. En dan moet de PS-burgermeester mee willen werken en dient er ook nog eens een politieke consensus te worden gevonden met oppositiepartijen als CD&V.
     Ik wil Eeckhout zijn standpunt niet verkeerd voorstellen. De man pleit niet tégen politieoptreden en uitsluitend vóór meer geld naar de scholen. Politieoptreden en welvarende scholen zijn allebei belangrijk, schrijft hij. ‘Laten we niet in de luie redenering trappen dat de ene beleidskeuze de andere uitsluit.’ Maar ook hier is weer van alles fout. Je kunt ten eerste niet in een redenering ‘trappen’.** Er is ten tweede niemand die de redenering aanhangt. En ten slotte, mocht al iemand die redenering aanhangen: zij is zeker niet ‘lui’. Het is net ‘lui’ om géén keuzes te maken en géén rangorde vast te leggen.
     Ik weet niet of Eeckhout lui is. Hij heeft in elk geval op het vlak van geweldbestrijding zíjn rangorde uitgekiend. Bij die rangorde is  repressie noodzakelijk, maar krijgt onderwijs de voorrang. Degelijk onderwijs staat voor preventie, betekent winst op de lange termijn en is de kerntaak van de overheid. Dat zijn goede argumenten, maar onvoldoende om de vraag van de voorrang te beslechten. Tegen alle drie valt immers wel iets in te brengen. Misdaadpreventie door onderwijs –  akkoord, maar een streng strafbeleid heeft ook al menig aankomend straatboefje afgeschrikt. Onderwijs efficiënter op de lange termijn – misschien, maar die lange termijn is nogal speculatief nu blijkt dat integratieproblemen met allochtonen generatie na generatie erger worden. Onderwijs als kerntaak van de overheid – mja, maar er zijn lange periodes in de geschiedenis geweest dat onderwijs werd verstrekt door private of kerkelijke organisaties. Dat is voor repressieve ordehandhaving slechts uitzonderlijk het geval geweest.

     De twist over het beste middel tot misdaadbestrijding is al lang aan de gang. In 1834 bijvoorbeeld zei Victor Hugo dat Frankrijk de lonen van zijn tachtig  beulen beter zou gebruiken om zeshonderd leraren te betalen.*** Dat zou het beste middel zijn om misdaad en prostitutie te voorkomen. Wie weet? Ik ben zelf erg blij dat we in een land leven met meer leraren dan politiemannen. We besteden gelukkig veel meer middelen aan onderwijs dan aan ordehandhaving. Maar als het op ordehandhaving aankomt, geloof ik dat het zwaartepunt toch het beste ligt ... bij ordehandhaving.

 _____________
 
* Als bijna alle Franstalige scholen in Brussel ‘deplorabel’ zijn, en dat kan best, dan blijft er in de praktijk van die vrije schoolkeuze niets meer over. Dàt is natuurlijk wél waar.

** Ook elders gaat Eeckhout creatief om met de taal. ‘Natuurlijk treffen leerkrachten geen schuld,’ schrijft Eeckhout. Is de opiniërende hoofdredacteur van mening dat die leerkrachten het onderwerp van de zin uitmaken in plaats van het lijdend voorwerp? Of wil hij Mia Doornaert jennen die laatst voor die fout waarschuwde op de televisie en daarna nog eens in De Standaard? ’t Is mogelijk. Maar verder schrijft hij ook: ‘Natuurlijk treffen scholen daar geen verantwoordelijkheid.’ Welja: ik tref geen verantwoordelijkheid, jij treft geen verantwoordelijkheid, wij treffen geen verantwoordelijkheid ... Onze taal is in voortdurend in beweging. (Met dank overigens aan Herman Jacobs die mij wees op enkele taalfoutjes in míjn stukje.)


*** Tachtig … zeshonderd … dat is een behoorlijke loonkloof.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 5 augustus 2017

Collega Brinckman over feiten en meningen

     In Knack van vorige week interviewt Walter Pauli zijn collega Bart Brinckman van De Standaard. Men moet daar geen gewoonte van maken vind ik, een journalist die een journalist interviewt, maar voor één keertje is het fijn. De geïnterviewde journalist wordt dan een mens van vlees en bloed die ‘zucht’ (eerste woord) en ‘lacht’ (laatste woord). Brinckman, leren we, voelt zich verwant met de kleine jongen uit Road to Perdition die als enige tegen de stroom van vertrekkende fabrieksarbeiders in fietst. Dat is mooi, zo’n zelfbeeld.
      Ook vertelt Brinckman veel wetenswaardigheden. Omdat hij het wat moeilijk heeft om feiten van meningen te onderscheiden, heb ik dat hier zelf gedaan. Feiten:
  •  Brinckman heeft als kind nog op de knie gereden van vader De Wever;
  • sommige anonieme hooggeplaatste N-VA’ers raken zoon De Wever stilletjes aan beu;
  • de redactie van De Standaard heeft in 2010 beslist om de regering Di Rupo te steunen.*
Misschien is dat niet allemaal waar en is er ook wat fantasie bij – wie weet? – maar laten we voor het gemak de fantasieën dan maar onder de feiten rekenen.
     Dan Brinckmans meningen:
  • Bart De Wever heeft het recht om in het openbaar te zeggen wat hij van Brinckman vindt;
  • een burgemeester van Antwerpen moet zijn taak niet combineren met partijvoorzitterschap en marathonlopen;
  • het is onvermijdelijk dat de grens tussen berichtgeving en opinievorming in kranten versmalt.
Dat eerste vind ik ook, over dat tweede heb ik geen mening en over dat derde wil hier iets zeggen.
     Brinckman gelooft dat het door de opkomst van het internet is dat de gedrukte media meer naar opinievorming neigen. De ‘feitelijke berichten, zegt hij, belanden op onze websites, waar ze gratis worden gelezen door iedereen die constant op zijn smartphone checkt of er nog nieuws is’. Dat is juist. Ik doe dat en mijn vrouw doet het nog veel meer. We bevinden ons met deze uitspraak in het rijk van de onweerlegbare feiten. Maar dan voegt Brinckman er een mening aan toe: ‘Een modern krantenbericht moet ‘meerwaarde’ hebben. En dus moet je, als journalist, het nieuws duiden, er extra uitleg bij verschaffen en achtergronden aandragen … Natuurlijk versmalt de grens tussen berichtgeving en opinie dan.’
    Hélà, hola! En wat is duiden? Wat is extra uitleg? Wat zijn achtergronden? Mij lijkt het dat voor duiding, uitleg en achtergrond een journalist juist méér feiten moet opdiepen dan die die je ook in een Belga-bericht vindt. Daarvoor moet je telefoneren, archieven raadplegen, erop uit trekken, getuigen en specialisten spreken, enfin, Brinckman weet dat zelf ook wel. Natuurlijk is het moeilijk om bij die tweede feitenronde even objectief te blijven als bij het korte bericht. De achtergrondfeiten moeten worden gekozen uit een schier eindeloze voorraad. Het ene feit moet als belangrijk worden weerhouden en het andere als niet ter zake doend aan de kant geschoven. En wie bepaalt wat belangrijk is en wat niet ter zake doet? Vanzelfsprekend de journalist, met zijn onvermijdelijke vooroordelen, voorkeuren en overtuigingen. Dat is allemaal waar, maar ik hoop dat Brinckman zelf ook wel inziet dat de ‘meerwaarde’ van zo’n achtergrondsjournalistiek juist niet ligt in die vooroordelen en voorkeuren, maar daarentegen afhangt van de mate waarin de journalist die ter zijde schuift en ze bewaart voor een écht opiniestuk.
     Er is een tweede reden waarom Brinckmans uitleg over het internet niet bevredigt. Het is zeker waar dat we op onze schermen en schermpjes overstelpt worden met feiten; we worden evenwel nog veel meer overstelpt met meningen. Je zou het argument van Brinckman dus heel gemakkelijk kunnen omdraaien: in een tijd waarin we digitaal bedolven worden onder meningen en opinies, moeten kranten zich op hun core business terugtrekken: het aanleveren van harde, betrouwbare data.
     De verklaring van Brinckman mist dus plausibiliteit. Maar daarmee zijn de feiten die hij aangeeft nog niet van de baan. We kunnen allemaal zelf ook wel zien dat de kranten wel degelijk opschuiven van berichtgeving naar opinieverstrekking. Hoe kunnen we dat verschijnsel dan wél verklaren?
     Zoals bij meer ongewenste ontwikkelingen, ligt de verklaring ervan ten dele bij consument. Er loopt ergens wel een enkeling rond die ‘alle theorieën ter wereld zou opgeven voor één feit’, maar de meesten van ons – ‘le commun des mortels’ zoals professor Jozef Mertens altijd zei – zijn dol op meningen. Ik heb zopas een dik boek over Thomas Jefferson gelezen. Dat boek stond vol feiten: over Jefferson als landbouwkundige, als ruiter, als vioolspeler, als architect, als uitvinder, als diplomaat, als president. Maar wat ik eigenlijk wou weten was dit: was die Jefferson nu een fidele kerel of eerder een berekende klootzak zoals we die leren kennen in de roman Burr van Gore Vidal? Ik ben nu weer een dik boek aan het lezen over de Russische revolutie. Ik wil al die feiten er graag bij nemen: die die ik al kende, die die ik vergeten was, en die die ik nooit geweten heb. Maar ik wil ook graag dat de auteur af en toe zegt of suggereert dat die revolutie een ramp was voor de mensheid, want dat is wat ik ervan vind. Als hij zegt dat die revolutie geen ramp was voor de mensheid, maar een zegen: ook goed, want dan kan ik mij over dat standpunt opwinden en dat is voor mijn gezondheid even bevorderlijk.**
     Dat De Standaard de laatste tijd meer opinie brengt, moet ons dus niet verwonderen.*** De klant is koning en de klant wil meningen. Evenmin verwonderlijk is het dat de krant daarvoor beloond wordt met een licht stijgend lezersaantal in een nochtans krimpende markt. Meer opiniëring voldoet aan een vraag.
     Maar naast de vraag, is er ook de kwestie van het aanbod, en meer bepaald de kostprijs om dat aanbod tot stand te brengen. Ik doel hiermee niet zozeer op de geldelijke kostprijs maar op de kostprijs berekend in menselijke inspanning. Feiten verzamelen, ziften, ordenen en zo uitleggen dat de gemiddelde lezer ze begrijpt, is moeilijk. In bijna elk krantenbericht dat ik lees, staan dingen die ik niet begrijp, vooral als het over ‘regeringsmaatregelen’ gaat. Dat heeft twee redenen: mijn trage hersenen én de gebrekkige uitleg van de journalist: te snelle overgangen, lacunes, onduidelijke verbanden, schijnbare tegenstrijdigheden, gebrekkige achtergrondinformatie. Nee, iets goed uitleggen is niet gemakkelijk, ook al omdat je het eerst zelf begrijpen moet. Hoeveel gemakkelijker is het niet voor een journalist om, in plaats van een goed gestructureerd informatief stuk, gauw-gauw een mening neer te schrijven, of om een stelletje magere feiten met enkele pikante meningen op te sieren?
     Erasmus vatte het mooi samen in hoofdstuk XLV van zijn Lof der Zotheid: ‘De zaken zelf moet men zich vaak met grote moeite eigen maken … Maar een mening kan men gemakkelijk opvatten’.**** Dat heeft die oude humanist goed gezien. Meningen zijn inderdaad gemakkelijk. Als dat niet zo was, lieve lezer, zou deze blog niet bestaan.

* Letterlijk formuleerde Brinckman het als volgt: ‘Bij de federale verkiezingen (in 2010) had Bart De Wever de N-VA dat jaar naar een landslide geleid. U kent het vervolg: de N-VA probeerde samen met de PS een regering te vormen en dat mislukte. In die periode heeft De Standaard de kant gekozen van de partijen die hun nek uitstaken om een nieuwe regeringsvorming te laten slagen. Op de redactie leefde het gevoel: ‘Het is goed geweest.’ We vonden ook dat De Wever een historische kans had gemist. Dat is nog altijd onze overtuiging. Dus kwam er in de kolommen al meer kritiek op de N-VA dan zij gewend waren.’
  
** Vroeger was mijn hang naar opinie nog veel heviger. Als zestienjarige was ik verzot op het opinieblad De Nieuwe van de onlangs overleden Mark Grammens. Ik was er trots op dat ik zo’n ‘moeilijk’ blad las. In mijn grootheidswaanzin besloot ik dan ook maar meteen Le Monde Diplomatique te gaan lezen. Dat viel tegen. Het blad was niet alleen in het Frans, het stond ook vol feiten. En die feiten waren niet eens in zo’n slagorde opgesteld dat je zag wie de goeien en wie de slechten waren. Wat kon het mij interesseren wat het hooggerechtshof in Chili beslist had, of hoe de economische situatie in dat land was. Ik wou lezen dat Pinochet een moordenaar was en Allende een verrader. Feiten die die stellingen ondersteunden waren welkom.

***De opiniërende strategie van De Standaard is evenwel niet perfect. De krant zou geloof ik nog meer gelezen worden als de opiniëring wat minder eenzijdig was, wat evenwichtiger gespreid over politiek correct en politiek recalcitrant dus, en als de kwaliteit van die opiniëring wat hoger was … en die van de berichtgeving ook, want de klant is lastig en wil alles tegelijk.

*** Quandoquidem res ipsas aliquoties magno negotio pares oportet … At opinio facillime sumitur.

Dit stukje verscheen ook op https://doorbraak.be/

zondag 30 juli 2017

Brinckman vs De Wever vs Brinckman

      Laatst ontsnapten twee nogal boosaardige gevangenen toen ze moesten verschijnen voor de Antwerpse rechtbank. Journalist Bart Brinckman van De Standaard had kritiek op Burgemeester Bart De Wever omdat die de schuld van zijn eigen politiepersoneel doorschoof naar Justitie. Het was de politie die ‘geblunderd’ had, beweerde Brinckman. (hier)
         Ik zal het antwoord van De Wever niet samenvatten, want je kunt het hier nalezen. Wat mij bezighoudt is De Wever zijn conclusie. Die luidde als volgt: De Standaard zou er beter aan doen de schrijfsels van Brinckman te plaatsen daar ‘waar ze thuishoren: op de opinie-pagina’s.’ Is dat zo? Ik geef daar les over in het vijfde jaar. ‘Het verschil tussen een bericht en een commentaar’ staat er bovenop de dia’s die ik projecteer. En met ‘commentaar bedoel ik ‘opiniestuk’.
     Eerst moeten mijn leerlingen aandacht leren hebben voor de uiterlijke kenmerken van een krantenstuk. Gebruiken we die maatstaf  voor het stuk van Brinckman, dan hebben we geen commentaar maar een bericht: kop én bovenkop, credit (van onze redacteur), vermelding van plaats (Brussel), een ‘lead’ als begin en ten slotte een thematische foto met onderschrift. Eén van die vijf kenmerken is niet genoeg, maar als die vijf  kenmerken samenkomen, ja, dan gaat het meestal om een bericht.
     Die uiterlijke kenmerken zijn natuurlijk niet alles. Anders zou mijn examen wel erg gemakkelijk zijn. Mijn leerlingen moeten ook de taal van een stuk bekijken en daar de verschillen tussen opinie en bericht herkennen. En als we de zaak vanuit de taal bekijken, dan moeten we De Wever minstens ten dele gelijk geven. Het stuk van Brinckman bevat inderdaad veel kenmerken van een opinie. We treffen aan:
  • Hyperbolen*: blunderen, ongemeen felle uitval
  • Ironische aanhalingstekens: de ‘geëngageerde’ voorzitter van het Antwerpse Hof
  • Dode metaforen: het hazenpad kiezen
  • Retorische vragen: Wat bezielde De Wever?**
  • Suggestieve taal: De ontsnapping verleidde BDW tot een uithaal.
  • Ongenuanceerd woordgebruik: De verantwoordelijkheid ligt volledig bij de lokale politie.
  • Geen of vage bronvermelding: Waarnemers denken …
  • Intentieproces: de burgermeester wilde lokaal stoken …
  • Speculaties: door toeval haalde de zaak het nationale nieuws
  • Vage insinuaties: … er wordt gespeculeerd over de rol van ...
  • Afsluiten met een pointe: Ondanks zijn uithaal had De Wever deze week geen tijd voor een gesprek met Geens.***
      Niet alle staaltjes hierboven zijn ondubbelzinnig. Ik zou de meeste niet als voorbeeld in de klas gebruiken. Maar alles samen zijn het er vrij veel voor een artikel van 549 woorden.
    Dat betekent ook weer niet dat het stuk van Brinckman losweg op de opiniepagina kan. Daarvoor bevat het toch wat te veel informatie  over wat Geens beweerd heeft, over wie nu juist verantwoordelijk is voor de transport van gevangenen, over de rol van het GEOV-team daarbij, over de onderbemanning van het Veiligheidskorps ... Dat hoort allemaal thuis in een bericht. Alleen is de informatie die ik van Brinckman krijg onvoldoende voor een lezer zoals ik.
  • Wat wordt nu precies beweerd door Geens en wat door Brinckman?
  • Wat is nu juist de verantwoordelijkheid van het Veiligheidskorps in de hele zaak?
  • Wat is het GEOV? Is dat een onderdeel van de politie of van Justitie?
  • Hoe stond het precies met de onderbemanning omstreeks 20 juli toen de gevangenen ontsnapten?
     Die informatie moet ik ergens anders zoeken. Een redelijk gedetailleerde versie van wat Geens beweert, vind ik op De Morgen.be (23.07.2017). Daaruit blijkt dat Brinckman nogal sterk leunt op Geens zijn versie, zonder al te veel aanhalingstekens te gebruiken. Op de site van de politiezone van Ieper lees ik dat een van de taken van het Veiligheidskorps bestaat uit het ‘overbrengen en bewaken van gevangenen tussen de gevangenissen en de ...  rechtbanken.’  Dus toch niet volledig de verantwoordelijkheid van de poltie? Uit Het Laatste Nieuws (20.07.2017) leer ik dan weer dat GEOV staat voor ‘Gerechtshoven en Overbrengingen’ en dat het een onderdeel is  van de Antwerpse lokale politie. En over de onderbemanning leer ik uit hetzelfde artikel dat op bijvoorbeeld 14 juli slechts 4 van de 36 leden van het Antwerpse Veiligheidskorps beschikbaar waren – en die 36, dat is nog niet de helft van de 77 die gevraagd zijn.****
     Het artikel van Brinckman presenteert zich dus als een bericht, heeft veel taalkenmerken van een opiniestuk, en bevat minder duidelijke informatie dan kortere stukken die ergens anders gepubliceerd zijn. Maar wat moeten we daaruit besluiten? Ik ben het niet zomaar met De Wever eens dat Brinckman zo snel mogelijk moet verhuizen naar de opiniepagina. Dat is al te gemakkelijk. Die jongen kan nog groeien. Als iemand hem nu eens geduldig de verschillen uitlegde tussen een bericht en een commentaar. Misschien komt alles dan nog goed.

* De recente polemiek rond Brinckman-De Wever leverde een aantal fraaie proeven van hyperbool op. De Wever sprak van ‘persoonlijk vendetta tegen hem’, Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard sprak van ‘brutaal pestgedrag jegens zijn krant’. Het verst ging Pol Deltour van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ). Hij had het over een ‘krant helemaal de afgrond in duwen’ en een ‘journalist kaltstellen’. Verder vergeleek hij De Wever met Trump, en op het VTM-nieuws zelfs met Erdogan. Voor een nuchtere benadering: zie Leo Neels zijn bijdrage.

** Dit is geen zuiver voorbeeld van een retorische vraag omdat ze past in een rijtje informatieve vragen, en er ook een antwoord op wordt geformuleerd. De woordkeuze ‘Wat bezielde’ geeft evenwel een retorische klank aan de vraag.

*** Wie het verschil wil proeven met een ‘informatieve’ – zij het wat zware – afsluiter, vergelijke met het artikel in De Morgen (23.07.2017): ‘De minister wil graag opnieuw in overleg met de Antwerpse burgemeester en de minister van Binnenlandse zaken de verzekering van de justitiële veiligheid in de nabije toekomst bespreken’.

**** Geens beweert dat die 77 alleen gevraagd zijn, De Wever beweert dat ze ook toegezegd zijn. Brinckman zou dat eens kunnen uitzoeken. ’t Zou een goede oefening zijn in het schrijven van informatieve berichten.


Dit stukje verscheen ook op http://de-bron.org/