Posts tonen met het label Milton Friedman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Milton Friedman. Alle posts tonen

donderdag 22 december 2022

Dure kerstcadeaus - een voetnoot bij Friedman


     In mijn vorige stukje maakte ik, geïnspireerd door Milton Friedman, een vergelijking tussen kerstcadeaus en staatsuitgaven. Het liep in de twee gevallen vaak fout, schreef ik, door gebrek aan informatie. Het is al erg moeilijk om te weten wat je zelf wil, hoeveel moeilijker is het dan niet  om te weten wat je vrouw, je dochter, je tante en je achternichtje willen? En hoeveel moeilijker is het niet voor een minister of een burgemeester om te weten wat de burgers van zijn land of stad willen? Ik wil graag een pianolamp hebben voor Oostende, maar ik wil niet dat mijn burgemeester, mijn regering of mijn vrouw die voor mij koopt. Ik zou aan die instanties niet eens uitgelegd krijgen wat ik van zo’n lamp juist verwacht, en welke afmetingen en vorm de lamp geschikt zouden maken voor het instrument waar het op moet staan.
      In het oorspronkelijke Milton Friedman-schema ging het, in tegenstelling tot in mijn stukje, niet zozeer over de informatie als wel over de motivatie van degene die iets koopt. Als je met je eigen geld iets kocht voor jezelf, was je gemotiveerd om een zo laag mogelijke prijs te betalen voor een zo hoog mogelijke kwaliteit. Als je met het geld ván iemand anders iets kocht vóór iemand anders, dan was de prijs en de kwaliteit nog altijd belangrijk, maar toch niet zo dat je er veel tijd en moeite in wou investeren.    
     Geldt dat ook voor kerstcadeaus? Dat we er niet te veel tijd en moeite in investeren omdat het voor iemand anders is? Dat is in elk geval niet zoals ik het beleef. Ik geef toe dat ik voor een aankoop voor mijzelf een grondiger marktonderzoek doe dan voor de aankoop van een cadeau. Z
on marktonderzoek doe ik met plezier. t Is een leuk tijdverdrijf. Maar de zoektocht naar de perfect gift tegen die of die datum, dat is wat anders. Dat is een hoop miserie, stress, faalangst, en uitstelgedrag.
     Volgens Friedmans schema zou ik mij bij het kopen van cadeaus ook makkelijker tevreden stellen met een lagere kwaliteit.  Ook dat is bij mij anders. Mijn vrouw en ik hebben bijvoorbeeld een nieuwe televisie nodig. We gaan daarvoor samen naar de televisiewinkel. We kijken wat rond en we zouden allebei liefst zo’n 49 inch-scherm hebben, waarop de meer cinematografische films goed tot hun recht komen. We schrikken echter van het prijsverschil, we kijken elkaar aan, en we nemen toch maar het 43 inch-scherm. Maar veronderstel nu dat die televisie een cadeau moet zijn waar mijn vrouw al lang om vraagt. Dan nam ik de 49 inch. Mijn vrouw zou precies hetzelfde doen als de televsie een cadeau was voor mij. Als we samen de televisie kopen, nemen we de 43 inch; elk apart kopen we de 49 inch.
     Ander voorbeeld. We hebben onlangs een nieuwe radiator besteld. Er was een gewoon model en een design model dat 350 euro meer kostte. Als ik die radiator op mijn eentje had moeten kiezen, dan had ik, de smaak van mijn vrouw kennend, onmiddellijk het design model gekozen. Ik zou het ongepast gevonden hebben om te besparen op iets was zij belangrijk vond en ik niet. Maar we waren dus samen in de winkel. ‘350 euro,’ zei mijn vrouw, ‘no way.’
     Er is een nog een laatste stukje in het schema van Friedman dat in de context van ons gezin niet goed past. Friedman maakt een onderscheid tussen eigen geld uitgeven of geld uitgeven van iemand anders. Maar gezinnen zoals het onze hebben een gemeenschappelijke bankrekening, en dat geld dat daarop staat is dus gedeeltelijk van mij en gedeeltelijk van een ander. Volgens de Friedmanlogica zou ik dan geneigd zijn om met zo’n gemeenschappelijke rekening meer uit te geven dan als het geld van mij alleen was. Maar is dat wel zo?

     Ik kreeg op mijn vorig stukje een reactie van Simon Gelten die van zichzelf zegt dat hij weinig van economie afweet. Hij schreef het volgende: ‘Ik heb ontdekt dat zon gemeenschappelijke rekening bezuinigend werkt. Zolang ik mijn eigen geld uitgaf, gooide ik het bij wijze van spreken met bakken het raam uit, en daar hoefde niemand iets van te zeggen, want ik deed met mijn geld wat ik wilde en als ik het wilde verspillen aan nutteloze dingen, was dat mijn zaak. Met zon gemeenschappelijke rekening krijg ik al gauw wroeging bij flinke uitgaven, want ik zit ook aan het geld van een ander, en dat is niet zon prettige gedachte; het geld van een ander over de balk smijten, is een soort boevenstreek.’ Simon mag dan weinig van economie afweten, hij heeft toch maar mooi een tekortkoming in het schema van Friedman blootgelegd. 

     Ondertussen denk ik dat het schema van Friedman nog altijd goed genoeg verklaart waarom regeringen zo kwistig met geld omspringen. Ik zie in dit verband zelfs een extra gelijkenis tussen cadeaus en staatstuitgaven. In de twee gevallen doet men de uitgaven gedeeltelijk om een oneigenlijke reden. In het geval van cadeaus is een of andere datum – kerstsmis, verjaardag – een reden om iets te kopen, ook al heeft niemand iets nodig. In het geval van staatsuitgaven zijn er de budgetten die op moeten tegen het einde van het jaar of van de legislatuur. Een departement dat een budget niet opgebruikt, krijgt het jaar erna een kleiner budget. Dat geld moet weg.

 

* Mijn vorig stukje vind je hier.

zondag 18 december 2022

De economische logica van kerstcadeaus


     In zijn memoires beschrijft mijn vader een kerstfeest met bijhorende cadeaus. Hij huurde toen een kamer in het huis van zijn Amerikaanse tante en kreeg van haar een elektrisch scheerapparaat cadeau.  Als levenslang adept van mes, schuim en kwast, moest hij zijn uiterste best doen om zijn teleurstelling te verbergen. ’t Is geloof ik een gevoel dat velen van ons kennen. Ik hou erg van de gezelligheid van pakjes openmaken, maar vooral als iemand anders pakjes openmaakt die hij of zij ook van iemand anders gekregen heeft. Het talent om blij te zijn met de cadeaus die ik zelf ontvang of geef, heb ik slechts in geringe mate. Ik ben jaloers op mensen die het wel hebben.
    Over cadeaus geven en krijgen valt heel wat te zeggen. Een vriend van mij die filosofie studeerde, is ooit aan een doctoraat over het onderwerp begonnen. Cadeaus kun je bekijken als een filosofisch vraagstuk, of als een ethisch, een antropologisch, een psychologisch, een opvoedkundig, of zelfs een relatiedynamisch vraagstuk. En dan heb je nog de economische kant van de zaak.
     In Friedmans Free to Choose kwam ik jaren geleden een schema tegen over geld uitgeven dat mij is bijgebleven. Wanneer je geld uitgeeft, schreef Friedman, kun je ofwel je eigen geld, ofwel dat van een ander uitgeven; je kunt dat geld ook ofwel voor jezelf ofwel voor een ander uitgeven. Een combinatie van die twee alternatieven levert vier situaties op:


      In situatie (1) bevind ik mij als ik een nieuwe computer wil kopen als de oude te langzaam geworden is. Ik doe dan een uitgebreide marktstudie om een zo goed mogelijke computer te vinden: mooi, snel, gebruikersvriendelijk, duurzaam, prestigieus merk, maar niet te mooi, te snel enzovoort, want dan wordt het te duur. ’t Is een erg moeilijke afweging die maanden in beslag neemt en mij veel kopzorgen bezorgt. Situatie (2) is die van cadeautjes, zie verder, en situatie (3) is die van bedrijfslunches. Bij situatie (4) wordt het politiek interessant. Het is de situatie van een minister of van een burgemeester, die de aankoop van een gevechtsvliegtuig of de heraanleg van een straat moet goedkeuren. Die mensen, zegt Friedman ongeveer, hebben minder kopzorgen: de belastingbetaler neemt de factuur voor zijn rekening terwijl de minister zelf niet met dat vliegtuig moet vliegen en die heraangelegde weg buiten het dagelijkse parcours van de burgemeester ligt. De minister en de burgemeester zijn, volgens Friedman, minder gemotiveerd om de beste prijs-kwaliteit na te streven want hun eigen belangen staan niet rechtstreeks op het spel.
     En wat als die politicus van het zeer idealistische type is die de belangen van de burgers met hetzelfde fanatisme behartigt alsof het zijn eigen belangen betrof? Zou die dan wel even gemotiveerd zijn om de beste prijs-kwaliteit na te streven? Per definitie. Zou die dan dezelfde kopzorgen hebben als wanneer ik een nieuwe computer wil kopen? Allicht. Zou die dan bij dezelfde prijs-kwaliteit uitkomen? Daar vrees ik voor. De kwestie van economische beslissingen heeft niet alleen met motivatie te maken, maar ook met informatie*.
     Vandaag, één week voor Kerstmis, bevind ik mij enigszins in de situatie van de politicus. Ik moet kerstcadeautjes kopen voor mijn vrouw. Ik zal die betalen met geld van de gemeenschappelijke rekening, dus gedeeltelijk mijn geld – situatie 2 – maar ook gedeeltelijk dat van mijn vrouw – situatie 4. En voor die cadeautjes maak ik mij nog meer kopzorgen dan voor aankopen voor mijzelf. De reden is dat ik na al die jaren nog altijd te weinig informatie heb over wat mijn vrouw eigenlijk wil. Als ik iets zoek voor mijzelf, kijk ik vooral naar de afmetingen: hoeveel plaats zal het innemen. Als mijn vrouw iets zoekt, kijkt ze vooral naar de kleur, en de trend op dat vlak verandert elk jaar.
     Maar Clerick, zul je zeggen, hoe is dat mogelijk? Hoe lang ben je al getrouwd? Ken je de smaak van je vrouw nu nog altijd niet? Let je dan niet op als ze in de loop van het jaar voor een etalage blijft staan, en iets mooi vindt? Of als ze commentaar geeft op reclamefolders? Of als ze door de Knack Weekend bladert en opmerkt dat de dames die dat magazine maken, met een loon dat vergelijkbaar is aan het hare, zich ook al die spullen niet kunnen permitteren?
     ’t Zijn goede vragen. Ja, ik ben al lang getrouwd, en dat is in dit geval een nadeel want ik héb al veel cadeautjes gegeven. Ik kan moeilijk twee keer dezelfde CD-box geven. Ik ken mijn vrouw nu redelijk goed, en weet daardoor vooral wat ze niet wil. Als mijn vrouw iets mooi vindt in de etalage, betekent dat niet dat ze dat ook écht wil. Ooit kocht ik een jurk die ze mooi vond in de etalage. Ze heeft die jurk nooit aangedaan. En met die dure spullen in Knack Weekend doe ik haar geen plezier. Daar komt nog bij dat we ondertussen veel rijker zijn dan vroeger, en veel meer spullen hebben. Verder aarzelen we niet om als we voor onszelf een lees- of kookboek willen, dat meteen ook te kopen. Dat zijn allemaal cadeautjes die we niet kunnen kopen.
      De opdracht van de politicus is tegelijk moeilijker en makkelijker dan degene waar ik rond kerstmis voor sta. De politicus heeft geen enkel probleem om een lijstje op te stellen van wat zijn kiezers willen: beter verwarmde zwembaden, hogere pensioenen, meer rijstroken op de autoweg, bredere fietspaden, meer stadsdichters, modernere gevechtsvliegtuigen. Er is altijd wel minstens iemand die zoiets wil. De lijst is zo lang dat ze het staatsbudget ver te boven gaat. Er moeten dus keuzes gemaakt worden, en dan komt de arme politicus in de problemen. Hij weet niet hoeveel mensen écht iets willen. Actiecomités en drukkingsgroepen zijn een slechte graadmeter en opiniepeilingen ook. En er zijn bovendien altijd mensen die liever frissere zwembaden hebben, lagere pensioenen voor anderen, minder rijstroken op de autoweg, minder fietspaden**, geen stadsdichters en géén gevechtsvliegtuigen.
    Ik keer terug naar de kerstcadeaus die ik ooit kocht voor mijn vrouw. Daar zaten leuke dingen bij, maar het waren per definitie zaken – dat is een deel van de charme – die mijn vrouw voor zichzelf niet zou hebben gekocht.  ’t Waren bijvoorbeeld frivole artikels waarmee ik oh en ah oogstte, maar die daarna in de kast verdwenen. Ofwel was het iets nuttigs – dat wil zeggen iets wat ikzelf heel nuttig vond, maar mijn vrouw dan weer niet. Ook koos ik meestal een te duur model van iets***, uit onzekerheid, omdat ik niet voor een krent wilde doorgaan, of omdat ik wist dat mijn vrouw voor mij ook iets duurs had gekocht. 
     Welnu, van elk soort miskoop vind je moeiteloos een equivalent in de politiek. Frivole uitgaven genoeg, net als nuttige uitgaven die vooral de politici zelf nuttig vinden. Van te dure projecten uit zucht naar prestige, of om een aura van generositeit te verwerven, is het ook makkelijk om voorbeelden te vinden. Het laatste ten slotte, een duur project om een ander duur project te compenseren,  heeft in de Belgische context zelfs een eigen naam gekregen: wafelijzerpolitiek, naar de typische bakvorm waarmee je tegelijk twee identieke wafels bakt. In de jaren zeventig en tachtig was het de gewoonte dat een project in Vlaanderen moest worden gecompenseerd door een even duur project in Wallonië en omgekeerd. Maar het probleem gaat natuurlijk veel dieper. Het is eigen aan een economie met grote staatsuitgaven dat de verschillende bevolkingsgroepen, en hun vertegenwoordigers in de politiek en de administratie, er angstvallig voor waken dat als de ene groep iets krijgt, de andere groep ook iets krijgt, en als de ene niet bespaart, de andere ook niet bespaart. 
     De laatste dagen zijn er nogal veel pakjes aan huis bezorgd op naam van mijn vrouw. Daar zit zonder twijfel een en ander voor mij bij. Het is dus hoog tijd dat om te doen wat ik elk jaar zo lang mogelijk voor mij uitschuif: als een gek rondlopen in winkelstraten of sites met cadeautips verkennen. Een wafelijzer komt niet in aanmerking, want dat heeft mijn vrouw al, en het zou ook meer een cadeau voor mijzelf zijn.

 

* Dat is trouwens een van de kernideeën van Friedmans boek: dat een liberale economie beter in staat is om complexe informatie te laten doorstromen naar wie beslissingen moet nemen.

** Kan er iemand voor minder fietspaden zijn? Ja, ik bijvoorbeeld. Soms. Ik fiets zelf vaak en vind het vervelend als ik op een stuk weg zonder fietspad kom. Daar mag morgen al een fietspad komen als het van mij afhangt. Maar soms ben ik ook tégen nieuwe fietspaden. Aan het voetbalveld van Lierse-Jeugd was vroeger een parkeerstrook die bij matchen altijd volledig bezet was. Die moest wijken voor een nieuw fietspad, terwijl aan de overkant van de weg al een fietspad was, breed genoeg om nog 30 jaar stijgend fietsverkeer in twee richtingen te verwerken.
*** Het té-dure-model-voor-de-zekerheid, grote tv, mobieltje met veel geheugen, die ik noch mijn vrouw voor onszelf zouden hebben gekocht, kan achteraf natuurlijk precies zijn wat we nodig hadden. 

maandag 6 november 2017

Lenin was een bodybuilder

     Over de ‘glorieuze oktoberrevolutie’ – die morgen voor de honderste keer wordt herdacht – kun je lang of kort praten, naar gelang je voor of tegen bent.* Maar drie dingen zijn zeker: ze was niet glorieus, ze viel niet in oktober en het was geen revolutie. Niet glorieus, want ze was het begin van een eindeloze reeks slachtpartijen, executies, gruwelijke folteringen en jarenlange hongersnood. Niet in oktober, want volgens onze Gregoriaanse kalender viel ze op 7 november. Geen revolutie, want die had al plaats gehad in februari-maart. Wat in november gebeurde was een machtsgreep waarbij een van de revolutionaire fracties de rivaliserende revolutionaire fracties aan de kant schoof. En er is nog één ding zeker: zonder Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin, had ze nooit plaatsgevonden.
     Die Lenin heeft in zijn leven heel veel geschreven. Zijn Verzameld Werk bestond uit geloof ik 45 dikke delen van elk meer dan 500 bladzijden. Daar waren telegrammetjes bij, en kattenbelletjes, en krantenartikeltjes waarin onze vriend al eens in herhaling verviel, maar daar waren ook échte boeken bij over filosofie, over wetenschap, over de wereldeconomie, en over de kunst van de revolutie en de politieke intrige.**
     Ik leerde die Lenin-boekjes kennen toen ik zestien jaar was. In de studiezaal van ons college werd van hand tot hand, onder de banken, een lijst doorgegeven waarop je ze kon bestellen. De lijst werd dan overgemaakt aan een Leuvense student en die zorgde ervoor dat de boekjes de school werden binnengesmokkeld. Het was een succes, want de boekjes waren heel goedkoop. Voor de prijs van een zakje friet kon je al een heus klassiekertje als Staat en revolutie kopen. Zelfs wie weinig zakgeld kreeg, kon op korte tijd een mooie verzameling revolutionaire literatuur aanleggen.
     Een van die boekjes – het was iets duurder en beter gedrukt en had een lichtblauwe omslag – heette Wat te doen? Die titel was ons, jonge revolutionairen, uit het hart gegrepen. Zo’n revolutie vonden wij een machtig idee, maar hoe begon je eraan? Met andere woorden: wat moest je doen? Helaas, het boekje gaf geen duidelijk antwoord op die vraag. Dat antwoord kregen we later op ‘vormingsvergaderingen’ van Ludo Martens die uit het boekje - dat volgens hem Que Faire? heette*** - allerlei praktische aanwijzingen haalde die we er zelf nooit in hadden gevonden.
    De titel van zijn werkje had Lenin overgenomen van een roman van Tsjernysjevski, de lievelingsschrijver van zijn jeugd.**** Die roman heette ook Wat te doen? en eindigde met een visioen. In het toekomstige Rusland is een ideale maatschappij tot stand gekomen. Iedereen leeft in grote gemeenschappelijke paleizen van aluminium.  Ook de meubels zijn van aluminium. De volwassenen werken overdag op het veld onder een geweldig zonnescherm terwijl het huishoudelijk werk door kinderen en bejaarden wordt gedaan. Elke avond is er feest. Zoals in wel meer socialistische utopieën is het huwelijk afgeschaft en heerst er een systeem van vrije liefde. Daar zijn speciale kamertjes voor ontworpen.
     Maar zo’n aluminium paradijs komt er niet vanzelf. Eerst moet een generatie zich opofferen. Die generatie kan zich spiegelen aan de held van het verhaal, zekere Kairat Rachmetov. Rachmetov is een asceet. Hij slaapt als het moet op een bed van spijkers. Hij eet alleen rauwe biefstuk. Hij leest alleen wat nuttig is voor de revolutie. Verleidelijke vrouwen houdt hij op een afstand. En hij staalt zijn lichaam door dagelijks aan gewichtheffen  te doen.
     Lenin heeft zich op jonge leeftijd voorgenomen om het voorbeeld van Rachmetov te volgen. Met ijzeren wilskracht is hij dat voornemen trouw gebleven. Of hij rauwe biefstuk at weet ik niet, maar hij liet zich weinig in met verleidelijke vrouwen en las alleen wat nuttig was voor de revolutie.  Bij Orlando Figes lees ik dat hij dagelijks met gewichten in de weer was.
     Lenin was een bodybuilder.


___________

* Die mooie formulering heb ik helaas niet zelf bedacht.  Andere Leninstukjes van mij vind je hier en hier.
** Een van de belangrijkste regels van de politieke intrige is het koppen tellen. Dat demonstreert Lenin heel aardig in zijn boekje Een stap vooruit, twee achteruit, waar hij verslag uitbrengt van het tweede congres van zijn partij. Op dat congres waren 51 afgevaardigden en daarvan waren 23 op Lenins hand en 28 op de hand van zijn tegenstrever Martov. Lenin begreep dat je in zo’n geval kunt praten als Brugman maar 23 is 23 en 28 is 28. Daar helpt geen lievemoederen aan. Het enige wat je kunt doen is zorgen dat minstens zes, liefst zeven, van die 28 worden weggemaneuvreerd. De idealistische Martov begreep dat niet en bevond zich na 27 zittingen plots in de minderheid.

*** Waarom die Franse vertaling? Omdat ze korter is en beter in de mond ligt? Maar in Nederland, waar men minder Frans kent, spraken Marxisten volgens Wikipedia van ‘What Is To Be Done’. Dat is niet korter en ligt niet beter in de mond. Is het een middel om de ingewijde van de buitenstaander te onderscheiden? Zo sprak men in mijn kringen ook nooit van de ‘Geschiedenis van de KPSU' maar van de 'Bolsjewiek’.

**** Men beweert wel eens dat Tsjernytsjevski’s roman meer mensen tot het communisme heeft bekeerd dan alle geschriften van Marx en Engels samen. Ongeveer zoals men van Ayn Rands romans beweert dat die meer mensen tot het libertarisme hebben bekeerd dan de boeken van Mises, Hayek en Friedman.

Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

dinsdag 3 januari 2017

Thomas Sowell, een zwarte conservatief

     Vijf jaar geleden wilde ik een aantal moderne theaterstukken bespreken in de klas. Een van die stukken was ‘Glengarry Glen Ross’ van David Mamet. Ik begon op het internet wat over die auteur te lezen en stootte daarbij op een essay dat hij schreef in 2008: ‘Why I Am No Longer a Brain-Dead Liberal’ (hier). In dat essay vertelde Mamet hoe hij van een politiek-correcte intellectueel veranderde in een rechtse zak. Dat kwam onder andere door het lezen van Thomas Sowell, ‘our greatest contemporary philosopher’*. Een paar klikken verder vond ik een verzameling van enkele honderden columns die Sowell vanaf 1998 wekelijks geschreven had (hier). Ik heb die toen in de daaropvolgende weken allemaal gelezen, en ook daarna ben ik regelmatig de nieuwe columns gaan opzoeken.
     Daar is nu een einde aan gekomen want Sowell stopt ermee, op 86-jarige leeftijd. Het schrijven vindt hij nog wel leuk, maar om te schrijven moet hij eerst de kranten lezen en daar heeft hij niet zo’n zin meer in. Hij wil liever meer tijd hebben om mooie foto’s te maken. Je vindt hier enkele voorbeelden van zijn foto’s.
     De columns van Sowell waren altijd licht verteerbaar: korte alinea’s, onberispelijke logica, duidelijke feiten en cijfers. Hij gebruikte graag metaforen uit de sport en leuke anekdotes uit zijn moeilijke jeugd toen hij opgroeide in Haarlem, als zwarte jongen met een moeilijk karakter. Ook had hij een zeker talent voor aforismen.**
     Sowell was een ruziemaker. Op school had hij last met leraars, in het leger had hij last met officieren, als professor had hij last met collega’s die te veel punten gaven, en als schrijver had hij last met bemoeizieke redacteurs die zijn teksten veranderden. Toen hij economielessen volgde bij de latere Nobelprijswinnaar Milton Friedman, leverde hij een scriptie in waarin hij de wiskundige benadering van zijn professor parodieerde en bespotte. Friedman noteerde op de scriptie: ‘Grap begrepen.’ Zelfs met Ronald Reagan kreeg hij kwestie. De president wou Sowell als minister van Arbeid of van Onderwijs, maar Sowell weigerde omdat medewerkers van de president in een bepaalde toespraak een bepaald zinnetje niet hadden geschrapt.
In 1960 - 34 jaar oud
     Dat ruziemaken zie je ook in zijn columns. Sowell was als marxist begonnen en daarna geëvolueerd tot libertair en conservatief. De boeken die hem het meest hebben beïnvloed zijn het Communistisch Manifest – in zijn jeugd – en Decline and Fall of the Roman Empire – in zijn latere jaren. Toen hij columns begon te schrijven was die evolutie voltooid en schreef hij vooral tegen links. Tegen belastingverhoging, tegen nivellerend onderwijs, tegen betutteling, tegen de ‘positieve discriminatie’ van zwarten, tegen activistische rechters, tegen illegale vreemdelingen, tegen ‘antiracistische’ demagogen, tegen Republikeinen die geen duidelijke taal spreken. Hij herhaalde daarbij telkens dezelfde argumenten en weerlegde bij voorkeur de flauwste argumenten van de tegenpartij. Hij voerde polemiek als een straatvechter: slaan en blijven slaan op de zwakke plekken. Over de sterkste argumenten van de tegenpartij zweeg hij. ’t Is een goede aanpak als je vooral je medestanders een hart onder de riem wil steken – en hen van munitie wil voorzien. Maar je kunt er natuurlijk die van de overkant niet mee overtuigen.
     Maar Sowell kan het ook anders. Naast zijn columns heeft hij meer dan dertig boeken geschreven over zo verschillende onderwerpen als economie, opvoeding, ideeëngeschiedenis en culturele antropologie. Sommige van die boeken zijn mooie proeven van intellectuele afstandelijkheid, in het bijzonder zijn Conflict of Visions. In dat boek plaatst hij twee mensvisies tegenover elkaar, de ‘utopische’ zienswijze tegenover de ‘tragische’ zienswijze, het geloof in de ‘maakbaarheid’ van de mens tegenover het geloof in de onveranderlijke menselijke natuur. Volgens Sowell verklaren die verschillende zienswijzen een groot deel van het dispuut tussen ‘links’ en ‘rechts’. En hoewel hijzelf stellig de tweede opvatting aanhangt, ontvouwt hij op een even rechtvaardige en onverstoorbare manier de eerste opvatting.
     Sowell had het zichzelf gemakkelijk gemaakt om rechtvaardig te blijven. Voor zijn uiteenzetting van de utopische zienswijze koos hij als leidraad geen tenenkrommend artikel uit een hedendaagse krant maar een werk uit de achttiende eeuw, Enquiry concerning Political Justice (1793) van William Godwin – niet die van de Wet van Godwin, maar de vader van Mary Shelley. Dat was een goede keuze want Godwin was, net als Sowell, een libertair. Sowell moest zich dus niet druk maken over de inhoud van het utopisch denken van Godwin, want die beviel hem wel. Hij kon zijn aandacht volledig houden bij de vorm van dat denken, een vorm die hem minder beviel, maar die hij op gelijkmoedige manier uiteenzet. 
     Sommige mensen zijn daar gevoelig voor –  voor zo’n gelijkmoedige uiteenzetting. Twee van de voornaamste psychologen van vandaag, Steven Pinker (hier) en Jonathan Haidt (hier), jongens met een eerder linkse achtergrond, hebben lovende woorden gesproken over het boek. Het heeft hen aan het denken gezet. Mij ook.

 * Over Thomas Sowell schreef ik vroeger al eens een stukje (hier).

 ** Een greep uit de Sowell-aforismen
  • Meningen vind je overal, maar kennis is schaars.
  • Sociale bijstand is het geldelijk aanmoedigen van mislukking. Als je succes hebt, wordt de bijstand weer afgenomen.  
  • Veel Republikeinen hebben Engels als tweede taal. Hun moedertaal is het politieke jargon.
  • Bijna even gevaarlijk als de progressieve Democraten zijn de chique ons-kent-ons Republikeinen.
  • Een van de grote drogredenen van onze tijd is dat alles wat goed is ook subsidies moet ontvangen.
  • De eerste wet van de economie is de beperktheid van middelen. De eerste wet van de politiek is om geen rekening te houden met de eerste wet van de economie.
  • De waarheid is soms heel simpel. Veel complexer kan het zijn om aan de waarheid te willen ontsnappen.
  • Als je niet gelooft dat mensen in wezen onredelijk zijn, moet je eens proberen kinderen groot te brengen.
  • Mensen die zich uitgebuit voelen, moeten zich afvragen of hun baas hen zou missen als ze weggingen.
  • Ik vind het gek dat mensen mij soms moedig noemen. Soldaten zijn moedig, en politieagenten en brandweerlui. Ik heb alleen een dikke huid.
  • Amerika moet geen supermacht zijn om overal ter wereld tussen te komen. We moeten een supermacht zijn om ervoor te zorgen dat we met rust worden gelaten.
  • De slavernij werd afgeschaft door zakenmensen, religieuze leiders en Westerse imperialisten.
  • Veel mensen denken dat dokters-plus-medicijnen-plus-ziekenhuizen duurder zijn dan dokters-plus-medicijnen-plus-ziekenhuizen-plus-bureaucratie.
  • Als de geschiedenis afhangt van de strijd tussen de barbaren en de watjes, dan zullen de barbaren overwinnen.
  • De moderne geschiedenis heeft er vaak in bestaan iets wat werkt te vervangen door iets wat goed klinkt.
  • Socialisme klinkt goed. Het heeft altijd goed geklonken. Het zal waarschijnlijk altijd goed klinken.
  • Je vindt linkse mensen vooral in die sectoren waar ideeën niet juist hoeven te zijn om stand te houden.
  • Volwassen ben je als je het resultaat belangrijker gaat vinden dan de indruk die je maakt. Sommige mensen worden nooit volwassen.
  • Mensen die van vergaderingen houden, zouden geen verantwoordelijke functie mogen hebben.

woensdag 28 oktober 2015

Neo

In wijzerzin: vier die zichzelf om de dooie dood
nooit neoliberaal genoemd zouden hebben:
Friedrich Hayek (Burkean Whig), Milton Friedman
(small capital libertarian), Margaret Thatcher (Tory),
Ronald Reagan (American).
    Dit seizoen telt ons voetbal twee neo-eersteklassers: Sint-Truiden, dat kampioen werd in tweede klasse, en na een spannende eindronde, ook OHL. Bij die laatste club is Jan getest en goedgekeurd om bij de beloften te spelen, maar zés trainingen per week én een match leek ons wat te veel voor een toekomstige eerstejaarsstudent.
     Dat voorvoegsel ‘neo’ van daarnet in ‘neo-eersteklassers’ kom je vaak tegen in de filosofie en in de kunst: neoplatonisme, neothomisme, neopositivisme, neoromantiek, neoclassicisme … Dat is allemaal in orde, als je daar van houdt, behalve dat laatste, want classicisme betekent eigenlijk al neoklassiek, en met neo-neoklassiek krijg je wel erg slappe thee.
     In de politiek ligt het moeilijker. Daar heb je neonazi’s en neofascisten en die deugen niet, maar de oude nazi’s en fascisten deugden ook al niet; dat ‘neo’ verandert daar niets aan. Neomarxisten hoeven zich dan weer voor niets te schamen en neoconservatieven al evenmin. Ik heb ooit een bundel essays van Irving Kristol gelezen en die bundel heette ‘Neoconservatism’. Kristol was daar helemaal niet beschaamd over.
    Met het woord neoliberaal is dat anders. Onlangs vertelde Etienne Vermeersch op tv dat de NVA weliswaar ‘liberaal’ was, maar niet ‘neoliberaal’. Zó extreem was de Alliantie echt niet, vond de professor, en met Bart De Wever was het leuk praten op Reyers Laat.
     Er zijn, bedenk ik nu, helemaal geen Vlaams-nationalisten, maar ook heel weinig liberalen, hoe radicaal ook, die zichzelf ‘neo-liberaal’ noemen. Het woord wordt eigenlijk alleen door tegenstanders gebruikt. Het voorvoegsel ‘neo’ zorgt hier onmiskenbaar voor een negatieve bijklank. En dat is niet eerlijk, vind ik, want bij alle andere woorden is ‘neo’ onpartijdig en betekent het alleen ‘een nieuwe versie van’.


     Naschrift op 9 maart 2017. Vandaag lees ik op Wikipedia dat  ‘neoliberalisme’ oorspronkelijk ook de neutrale betekenis had van ‘nieuwe en afgezwakte versie van het klassieke liberalisme’.
   

Oorspronkelijk geplaatst op 27 mei 2015