Posts tonen met het label Friedrich Engels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Friedrich Engels. Alle posts tonen

woensdag 26 augustus 2020

De meeste mensen deugen (4) - Het verloren paradijs

 


     Bregmans boek is niet vrijblijvend, in tegenstelling tot mijn badinerende commentaar erop. In de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk hoopt hij dat zijn idee ‘een revolutie ontketent’ die ‘de samenleving op haar kop zet’. Elders laat hij verstaan dat wij in zekere zin terug moeten naar de maatschappijvorm die we kenden vóór het ontstaan van de landbouw, tienduizend jaar geleden. Een maatschappij met meer gelijkheid, samenwerking en gemeenschappelijk eigendom; een maatschappij met minder elite, minder concurrentie, en minder privé-bezit.
     ’t Is een oude droom: de terugkeer naar de paradijselijke oertoestand: de tuin van Eden waar niet moest worden gewerkt in het zweet des aanschijns, de Gouden Eeuw van Ovidius waar de  bronzen tafelen van het strafrecht niet nodig waren, de Gelukkige Tijd van Don Quichot, toen de mensen ‘de woorden mijn en dijn nog niet kenden’ –  een formulering die aan onze eigen Jacob Van Maerlant doet denken.

        Twee woorden in de wereld zijn
        Dat
s allene mijn en dijn
        Mocht men die verdriven
        Pais ende vrede bleve fijn.”

     Heeft die Gelukkige Tijd van Adam en Eva, van Ovidius en van Don Quichot ook echt bestaan? Misschien was het wel de oorspronkelijke maatschappij van de jagers-verzamelaars. Maar was die zoveel beter dan de landbouwmaatschappij die erna kwam? De archeologen zijn over de vraag verdeeld, en je kunt het aan Bregman overlaten om enthousiast te gaan plukken in de kersentuin van hen die vinden van wel. De oervorm van de samenleving was er een van minder werken, minder stress, minder ruzie, minder straffende Goden, minder virale ziekten, beter dieet, beter ouderschap, beter seksleven. Dat is allemaal best mogelijk. Maar ik vind het onvoldoende vaste grond om van dáárop nú een revolutie te ontketenen.
     Ten eerste is er de kwestie van het geweld. De jagers-verzamelaars leefden in stammen en er is nogal wat archeologisch bewijs dat die stammen meer dan eens met elkaar in botsing kwamen. Bregman antwoordt dat het archeologisch materiaal verkeerd geïnterpreteerd wordt, of verkeerd gedateerd, of dat het anders om uitzonderingen gaat. Er zouden juist bewijzen zijn dat de stammen zich gemakkelijk met elkaar vermengden. Ook vindt hij het tekenend dat overblijvende maatschappijen van jagers-verzamelaars erg vreedzaam zijn. Als er dan een gevonden wordt waar dat niet zo is, vindt hij dat we die huidige toestand niet mogen extrapoleren naar het verleden.
     Ondertussen rijst er een andere vraag. Bregman geeft toe dat de moderne afstammeling van de jager-verzamelaar wel degelijk een voorkeur heeft voor de eigen groep van gelijken, en een afkeer van ánderen, en dat die gelijktijdige neiging tot solidariteit én vijandigheid al bij peuters kan worden vastgesteld. ‘We worden geboren met een tribale knop in ons hoofd,’ schrijft hij. ‘Er hoeft alleen maar op gedrukt te worden.’ Ik zou denken dat we die tribale knop dan toch van onze pre-diluviale voorouders moeten hebben geërfd. Van wie anders? En werd in hun tijd dan nooit op die knop gedrukt?
     Ten tweede moeten we, als we een revolutie overwegen, de jagers-verzamelaarsmaatschappij niet vergelijken met de despotische of feodale landbouwmaatschappij die erop volgde, maar met de moderne oplossingen die door de Verlichting werden gestimuleerd: vrije markt, rechtstaat, scheiding der machten, verlichte bureaucratie, representatieve democratie. Als Bregman wil aantonen dat er iets beters bestaat dan díe oplossingen, kan hij best niet te veel steunen op het argument van de oermaatschappij. Hij beschrijft enthousiast hoe in de huidige Venezolaanse stad Torres (205 000 inwoners) de budgettaire beslissingen niet worden genomen op een gemeenteraad, maar op ‘honderden’ volksvergaderingen. Als blijkt dat dat de goede methode is, mij goed, als ik maar niet aan die volksvergaderingen moet deelnemen en als de jagers-verzamelaars er maar buiten worden gelaten.
     Bregman bespreekt overigens wel de moderne oplossingen van de Verlichtingsfilosofen als David Hume en Adam Smith. Die filosofen gaan er, heel verstandig vind ik, van uit dat de mens zowel uit egoïstische als altruïstische motieven handelt. Maar door die egoïstische motieven alleen al te erkennen, wakkeren die filosofen volgens Bregman het egoïsme aan, als een selffulfilling prophecy. Dat is mogelijk. Zelf vind ik het interessanter dat Smith liet zien dat het egoïsme zijn goede kanten heeft, dat zelfs de meest egoïstische bakker, slager en brouwer ervoor zorgt dat we van brood, vlees en bier worden voorzien dat we niet zelf hadden kunnen bakken, uitbenen of brouwen. Die filosofen baanden met hun leer de weg voor het soort samenwerking, niet van honderd bij elkaar levende stamleden, maar van duizenden onbekenden verspreid over de hele wereld die samen in staat zijn bijvoorbeeld een potlood tot stand te brengen (hier). Als Bregman overigens wil uitleggen waarom zo’n potlood ook, en zelfs beter, kan worden geproduceerd door democratisch overleg tussen coöperatieve hout-, lak-, grafiet- en lijmbedrijven op de vijf continenten, zal ik aandachtig luisteren.
     Ik ben hier op het punt gekomen, beste lezer, waar ik Bregman ook een keer gelijk moet geven. De vroege mensenmaatschappij wás communistisch, collectivistisch en egalitair. Ook Friedrich Engels heeft dat in 1884 met veel geestdrift in de verf gezet. En vandaag weten we uit de evolutionaire psychologie dat die honderdduizenden jaren communisme sporen moeten hebben nagelaten in onze genen. Genetisch zijn we allemaal een beetje communisten, behept met de inequality aversion waar, zoals Bregman schrijft, ‘tienduizend wetenschappelijke artikelen’ over zijn geschreven.* 
     Is het communisme dan beter in overeenstemming met de menselijke natuur dan het kapitalisme? Ik geloof dat het antwoord dubbel is. We geven de voorkeur aan de materiële welvaart die het kapitalisme biedt en we hebben een hekel aan de ongelijkheid die ermee samenhangt – en er ook in zekere zin de basis van vormt. We willen leven in een kapitalistisch land, en daar willen we dan communistische eisen aan stellen.  Het is zoals in de Wilder-Lubitsch-film Ninotchka (zie ook hier). De Sovjetdiplomaten Iranov, Boeljanov en Kopalski vallen voor de decadente luxe van het westen, ontvluchten hun land, beginnen samen een restaurant, en het laatste beeld van de film toont een stakende Kopalski die voor het restaurant met een bordje zwaait waarop hij te kennen geeft dat hij ‘unfair’ behandeld wordt door Iranov en Boeljanov.
     Zelf zou ik liefst zien dat de moderne mens de inequality aversion van oermensen en primaten als ballast overboord gooide, of minstens moderniseerde tot een afkeer van privileges**, rechtsongelijkheid en machtsmisbruik. Maar ik geloof niet dat dat snel zal gebeuren. Zoals ik ook niet geloof dat Bregman gemakkelijk een performant alternatief zal vinden voor het huidige bestel. Op bladzijde 377 schrijft hij: ‘Laten we niet vergeten dat de opkomst van het kapitalisme in de afgelopen twee eeuwen gepaard ging met een enorme groei van de welvaart.’ En op bladzijde 301 vinden we eenzelfde geluid: ‘Het kapitalisme, de democratie, de rechtstaat en de bureaucratie hebben ons leven veel beter gemaakt. De statistieken liegen niet. De wereld is rijker, veiliger en gezonder dan ooit.’ Tja, probeer het dan maar eens beter te doen.
   Wij kúnnen het natuurlijk proberen. We hebben immers allemaal, zoals Bregman, veel kritiek op het bestel. Als Bregman kankert op ceo’s, zal hij applaus oogsten op de banken van links; als hij te keer gaat tegen beroepspolitici, mag hij gejuich verwachten van de libertariërs; en als hij de bureaucratie op de korrel neemt, zal ook de volgzaamste burger, ja zelfs de bureaucraat, instemmend knikken. Maar wat Bregman in de plaats stelt is magertjes. Hier en daar een bedrijf dat zonder ceo’s werkt. Good for them. Een stijging van de ‘zorgcoöperaties, broodfondsen en energiecoöperaties’. Daar is zeker plaats voor, maar als algemene aanpak? It’s been tried before.
     Het mooiste, of eigenlijk, het zwakste voorbeeld vond ik op bladzijde 379 waar Bregman spreekt over het Alaska Permanent Fund. De olievoorraden van Alaska zijn eigendom van alle inwoners van de staat. De dividenden daarvan worden uitgekeerd als een soort universeel basisinkomen aan alle inwoners, en kan tot 3000 dollar bedragen. Hij legt uit – terecht – dat aan zo’n systeem niet de nadelen kleven van de ‘ouderwetse verzorgingsstaat … die afhankelijkheid produceert’. En hij vraagt zich af wat niet allemaal mogelijk zou zijn als bijvoorbeeld ook grondwater en patenten tot gemeenschappelijk eigendom zouden worden verklaard, zodat ze dividenden opleveren voor de individuele burgers. Veel zou mogelijk zijn, geloof ik, maar in elk geval zouden die dividenden worden betaald door de gebruikers van dat water en van die gepatenteerde uitvindingen, dus door dezelfde mensen die de dividenden ontvangen. Alleen als je zoals de oliesjeiks of de inwoners van Alaska extra rente uit je grondstoffenvoorraad haalt, die je door anderen laat betalen, krijg je een overtuigende illusie van gratis geld.
     Misschien schrijf ik morgen nog iets over Bregmans verklaring van het Kwaad in de wereld. Hopelijk valt het dan wat korter uit.


* Zie ook Hayek, The Fatal Conceit, hoofdstuk 1 (hier) en Popper, The Open Society, hoofdstuk 10.
** Privileges in de betekenis van arbitraire voordelen toegekend door officiële instanties en sommige andere gezagsdragers. 

zondag 28 april 2019

En, Peter, had Marx altíjd gelijk?

      ‘Als de mens geen klimaatactie onderneemt, is de Apocalyps dan onvermijdelijk?’ vroeg de journalist van De Zondag aan Peter Mertens (PVDA). ‘Ja’, antwoordde Peter resoluut. ‘Marx was daar trouwens ook al mee bezig.’
    
Marx bezig met het klimaat? De lezer is geneigd bij zo’n mededeling even te glimlachen. Waarom zou een Duitse filosoof-econoom uit de negentiende eeuw zich zorgen hebben gemaakt over een klimaatopwarming die men pas op het einde van de twintigste eeuw zou ontdekken? Dat is niet erg waarschijnlijk. Wellicht, denkt de lezer, haalt Mertens hier twee zaken door elkaar: de nieuwe kwestie van het klimaat dat opwarmt, en de oude kwestie van de mooie landschappen, de zuivere lucht, het heldere water en de fluitende vogels die door een verstedelijkte beschaving worden bedreigd. Marx, denkt de lezer dan, kan moeilijk een klimaatactivist geweest zijn zoals Anuna Dewever, maar misschien was hij wel een groene jongen avant la lettre, iemand die de natuur wou beschermen tegen de ‘oprukkende industrialisering’.
     Zulke groene jongens avant la lettre hebben bestaan. De Russissche schrijver Tsjechov bijvoorbeeld was op zijn landgoed in Melikhovo druk in de weer met het planten van bomen. In een van zijn toneelstukken komt een mooie lofzang op de natuur. ‘Bossen zijn een sieraad voor de aarde,’ zegt Astrov, of was het Sonja.  ‘Bossen leren de mens het schone te begrijpen. Ze verzachten een ruw klimaat en door een zacht klimaat worden de mensen milder en mooier en leniger en inniger van aard. Hun taal klinkt sierlijk, ze bewegen zich gracieus, hun wereldbeschouwing is niet somber, hun gedrag tegen vrouwen is hoffelijk.’ Je weet bij Tsjechov nooit of wat hij dénkt samenvalt met wat hij zégt, of wat hij zijn personages laat zeggen, maar het is duidelijk dat de schrijver op zijn manier ‘bezig was’ met natuurbehoud en zelfs met klimaat – of althans met wat we vandaag ‘microklimaat’ zouden noemen.
     Marx van zijn kant was daar helemaal niet mee bezig.  Om dat na te trekken hoeft de lezer niet eens de veertig delen van de Marx-Engels-Gesamtausgave door te nemen. Het volstaat vandaag om op Google de zoekterm ‘Marx and the Environment’ in te tikken. Zeker, je krijgt 2.560.000 resultaten op je zoekopdracht, maar je moet maar enkele van die resultaten aanklikken om te zien dat het allemaal artikels zijn over datzelfde ene zinnetje uit Het Kapitaal.  Marx zegt daarin dat de grond uitgeput raakt door de ‘kapitalistische landbouw’. Die uitputting van de grond was inderdaad een erg actuele kwestie in de 19de eeuw, maar heeft ondertussen veel aan actualiteit ingeboet door de ontdekking van kunstmest, verbeterde gewassen en genetische manipulatie. De groene revolutie heeft hier meer goeds gedaan dan de rode.
     Met je zoekterm op Google vind je ook artikels die gaan over de zogenaamde ‘Jonge Marx’ en wat die schreef over de Verhouding tussen Mens en Natuur. Een gepensioneerde sociologieprofessor is dan heel enthousiast over het diepe inzicht van Marx dat ‘de Mens zelf deel uitmaakt van de Natuur’. Maar hoe die professor ook trekt en wringt aan een of andere duistere passages, je hebt al snel door dat Marx bij het begrip ‘Natuur’ niet dacht aan mooie landschappen, zuivere lucht, helder water of zingende vogels die bedreigd worden door kernafval, maar aan de materiële wereld in zijn geheel, waar de mens dus deel van uitmaakte. Jawel, de mens was ook een brok materie. Dat wist Lucretius al, over wie Marx zijn doctoraatsthesis had geschreven.
     Communisten hadden vroeger de rare gewoonte om bij gelijk welke discussie enkele uitspraken van Marx aan te halen. Ze zochten in alle hoeken en kanten en vonden zo’n uitspraken over gelijk welk onderwerp. Ze stelden er zelfs brochures over samen: ‘Marx over het onderwijs’, ‘Marx over de klassieke oudheid’, ‘Marx over China’, ‘Marx over de geestelijke muziek’, ‘Marx over het seksuele vraagstuk’. In mijn opleiding germanistiek moest ik een opstel lezen van zekere Georg Lukacs. ‘Inleiding tot de esthetische werken van Marx en Engels’ heette het stuk. In de tweede zin moet die Lukács al toegeven dat Marx en Engels eigenlijk ‘nooit een samenhangend boek en nauwelijks een studie’ over esthetische problemen hadden geschreven*. En op dat niet-bestaande boek en die nauwelijks-bestaande studies had hij dan toch maar een flinke inleiding geschreven.
     Ook was er niet alleen Marx die je kon aanhalen. Als je zocht vond je wat je nodig evengoed had bij de andere ‘grondleggers’: bij Engels over goedkoop wonen,  bij Lenin over alcoholisme, bij Stalin over taalkunde en bij Mao over journalistieke stijl. Ook daar werden brochures van gemaakt. En in al die brochures ging men ervan uit dat die Marx enzovoort over onderwijs, goedkoop wonen, alcoholisme, taalkunde en journalistieke stijl altijd gelijk hadden gehad, dat was ze schreven altijd waar was.
     Voor dat dogmatische geloof zijn de communisten vaak uitgelachen. ’t Is ook is iets eigenaardigs. Zelf heb ik in een bepaalde periode van mijn leven veel gelezen van Schopenhauer, Popper en George Orwell. Die schreven ook over van alles en nog wat, en ik vond, na de taaie marxistische geschriften van mijn jeugd, alles wat die auteurs schreven bijzonder boeiend. Maar de gedachte kwam niet meer bij mij op dat dat allemaal ook waar was. Schopenhauer schreef bijvoorbeeld dat mannenlichamen mooier zijn dan vrouwenlichamen, en dat alleen de geslachtsdrift ervoor zorgt dat we dat anders zien. Ik vond dat een boeiende opmerking, maar was ze ook waar? Een vriendin wees mij erop dat de meeste vrouwen op een rustig moment ook de voorkeur geven aan een schilderij met een naakte vrouw erop boven dat met een naakte man.
     De uitspraak van Peter Mertens over Marx die ‘bezig was met het klimaat’ is, geloof ik, een restant van de communistische traditie. Meer is het niet. Ik zie de PVDA geen brochures meer uitgeven over ‘Marx en de transgenders’ of ‘Marx en de digitale maatschappij’. ‘Niet alles wat Marx neerschreef,’ zegt Peter, ‘is vandaag nog toepasbaar.’ Daarmee heeft Peter niet gezegd dat Marx zich over welke kwestie ook vergist zou kunnen hebben, maar de toegeving dat zijn ideeën niet allemaal meer ‘toepasbaar’ zijn, is een grote vooruitgang vergeleken met de PVDA die ik gekend heb.
    
* Dat opstel stond in de bundel Tekstboek algemene literatuurwetenschap van Bronzwaer, Fokkema en Ibsch. Daar kwam ook een opstel in voor van Karl Popper ‘De logica van de sociale wetenschappen’. Ik had van die Popper nog nooit gehoord, maar zijn stuk vond ik, toen nog marxist zijnde, veel interessanter dan het gejengel van Lukács.

dinsdag 6 maart 2018

Hoe bekeer je iemand tot het stalinisme?

     Gisteren 65 jaar geleden overleed Jozef Stalin. Dat was geen aardige man, want hij had vele, vele miljoenen Russen laten vermoorden. Ik moet dat geweten hebben toen ik voor het eerst, op zestien- of zeventienjarige leeftijd, het krantje kocht dat Alle Macht aan de Arbeiders heette. Op de eerste pagina van dat krantje prijkte een afbeelding van de ‘vijf koppen’. De vijf koppen,  dat waren die van vijf bekende communistische leiders: Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. Thuis nam ik een rode stift en trok een kruis over de vierde kop. Nà. Daar had die wrede dictator niet van terug.
     Hoe wist ik eigenlijk dat die Stalin niet deugde? Onze geschiedenisleraar, Danny Desseyn, had ons weinig over de Russische leider verteld, en dat weinige was nog positief geweest ook: de wilskracht waarmee hij het hoofd had geboden aan de Duitse inval, de succesvolle vijfjarenplannen. Toch wist ik, of liever voelde ik, dat werkelijk iederéén, behalve die jongens van Alle Macht, het erover eens was dat Stalin een heel slecht mens was geweest. Er hing een soort eenstemmigheid in de lucht, en daar had ik ongetwijfeld iets van opgesnoven. Misschien ook had ik ergens een kritisch opstel van Boris Souvarine gelezen. ’t Is lang geleden.
     Ik was dus, toen ik zestien-zeventien was, antistalinist, zoals iedereen. Toch hadden handige bliksems als PdB, WM en sommige anderen van wie ik mij slechts één initiaal herinner, niet al te veel moeite om me in geen tijd in een klein stalinistje om te turnen. Enkele trucjes hielpen daarbij. De terreur van Stalin erkennen (‘hij heeft dertig procent fouten gemaakt’), ontkennen (‘leugens van de burgerlijke pers’), en minimaliseren (‘veel minder erg dan de miljoenen slachtoffers van het kolonialisme en de kapitalistische wereldoorlogen’). Een ander foefje bestond erin de aandacht af te leiden van de daden van de man naar de woorden van de schrijver. Want Stalin schrééf ook, net als de vier andere koppen. ‘Lees eens een boek van Stalin zelf,’ zei men mij, ‘in plaats van alleen maar negatieve dingen over hem te lezen.’ En ik kreeg iets in handen gestopt over het ‘dialectisch en historisch materialisme’ of over ‘het nationaliteitenvraagstuk’. En ja, het klonk allemaal behoorlijk marxistisch wat daarin stond, en ook dat marxisme hing in de lucht en daar had ik meer dan mijn deel van opgesnoven.
     Nauw in verband met de truc van de boeken, was de sterkste handgreep van allemaal: het begraven van de stalinistische moordpartijen onder een menigte ideologische haarkloverijen. Zo werd er eindeloos geargumenteerd waarom in het Rusland van de jaren 30, de ene keer meer middelen naar de landbouw en de andere keer meer middelen naar de industrie moesten gaan. Zulke discussies hadden geen wetenschappelijke basis omdat, zoals Ludwig von Mises al in 1920 had aangetoond, de socialistische economie geen wetenschappelijke basis heeft. Het socialisme vervangt een aanpak van gissen, missen en leren van je fouten, door een blindemanspelletje waarbij je niet eens wéét wanneer je raak of mis slaat. Maar het zijn natuurlijk net de discussies zónder wetenschappelijke basis die met de grootste passie worden gevoerd. En na een ideologisch seminarie van drie dagen waren we het er allemaal over eens dat Stalins landbouwpolitiek de enige juiste was, terwijl die van Trotski door links opportunisme, en die van Boecharin door rechts opportunisme was gekenmerkt. Dat die landbouwpolitiek uitmondde in de Oekraïense Hongersnood van 1932-1933 – drie tot zes miljoen slachtoffers* –, was een aspect dat op zo’n seminarie minder uitvoerig werd besproken.
     Die ideologische seminaries werden dan aangevuld door vlijtige zelfstudie van communistische of half-communistische boeken. Uit die boeken bleek dat het allemaal best meeviel met de stalinistische moordpartijen. Hier en daar was wel eens een klassenvijand naar een kamp gestuurd of een spion doodgeschoten, maar er was vooral veel goeds gerealiseerd: genoeg te eten, goedkope condooms, scholen, rusthuizen, de metro van Moskou, autowegen, en op tijd rijdende treinen. De boeken waarin dat goeds werd bezongen, waren vaak geschreven door figuren van het tweede garnituur:  Anna Louise Strong, Kostas Mavrakis, Nils Holmberg, Sayers & Kahn. Soms waren het ‘neutrale’ boeken zoals de memoires van Joseph E. Davis, de Amerikaanse ambassadeur in Rusland, of een reisverslag van Hewlett Johnson, de deken van Canterbury. En af en toe vond je boek van een auteur met een grote naam, waar je dus niet beschaamd over moest zijn, zoals dat van de Franse communist Louis Aragon, die, zoals iedereen moest toegeven, voor zijn vrouw mooie gedichten had geschreven. Als je dan tien of twintig van zulke boeken had gelezen, dan wist je over Stalin meer dan 99 procent van de bevolking, en meer dan 90 procent van de niet ter zake gespecialiseerde historici. Zoals een beetje holocaustontkenner ook meer weet over Hitler dan u en ik en de doorsnee geschiedenisleraar.
     Als zo’n holocaustontkenner of zo’n Stalinnegationist in gesprek raakt met een leek in de materie, doet zich een raar verschijnsel voor. De ontkenner haalt tientallen argumenten aan, sleept er de kolen- en staalproductie bij, bespreekt partijdagen en congressen, citeert uit rapporten van geheime diensten, wijst op tegenstrijdige en onmogelijke cijfers … en de leek haalt zijn schouders op. De ontkenner wordt wanhopig. Hij brengt de graanproductie, de alfabetisering en de nationaliteitenpolitiek ter sprake. De leek blijft onverstoorbaar. De ontkenner wordt nu emotioneel, barst in tranen uit, wijst op de heldhaftigheid van het Duitse of Russische volk en op de lage maneuvers van de vijand. Maar de leek geeft geen kik. Die Hitler of die Stalin was een massamoordenaar, punt. De leek weet dat zeker, zonder ook maar één boek gelezen te hebben.
     Razend werd ik ervan.

* Ik schreef oorspronkelijk 6 miljoen slachtoffers. Nl.Wikipedia spreekt van 2,5 tot 7,5 miljoen slachtoffers. En.Wikipedia heeft uitgebreid toelichting bij de verschillende schattingen.

woensdag 11 oktober 2017

Lenin op De Afspraak

     Gisteren in De Afspraak ging het over Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin. Bart Schols stelde vragen aan Lien Verpoest, een Ruslandkundige met een erg beweeglijk gezicht. Af en toe kwam de olijke Mark Eyskens tussen met flauwe anekdotes, het soort anekdotes die ik in de klas ook wel eens vertel: dat Lenin op het Kremlin een heel klein werkkamertje betrok*, dat hij in 1917 met een ‘verzegelde’ trein naar Rusland reisde, en dat Trotski met een bijl de hersens werd ingeslagen in Mexico. Mark had dat werkkamertje en die bijl met eigen ogen gezien.
     Rond de figuur van Lenin werd in de uitzending een web van bijvoeglijke naamwoorden geweven: zeer radicaal, zeer intelligent, verbeten, recht-door-zee, zeer kordaat, rechtlijnig, open van geest. ‘De kenmerken van een echte leider,’ zo vatte Schols het samen, die er daarnaast enkele keren op wees dat Vladimir Iljitsj verantwoordelijk was voor de dood van zes miljoen mensen.**
     Niet alle omschrijvingen van Lenin leken mij even gelukkig. ‘Radicaal’ en ‘kordaat’ zijn geen slechte woorden, maar ‘fanatiek’ en ‘meedogenloos’ roepen een scherper beeld van de man op. ‘Recht-door-zee’ en ‘rechtlijnig’ geven goed aan dat Lenin nooit zijn uiteindelijke doel uit het oog verloor. Maar ze doen onrecht aan zijn eeuwige tactisch gemaneuvreer. Dit was immers de man de schreef dat communisten ‘indien nodig, gebruik moesten maken van alle mogelijke listen, kunstgrepen en onwettelijke methodes, van alle uitvluchten en verzinsels om binnen te raken in de vakbonden.’*** Als ik zo’n zin lees, denk ik niet meteen aan onze mooie, taaleigen uitdrukking ‘recht-door-zee’.
     Was Lenin ‘zeer, zeer intelligent’, zoals mevrouw Verpoest beweerde? Wie zal het zeggen? Toen de Russissche politiek in 1908 geblokkeerd leek, sloot Lenin zich negen maanden op in de academische bibliotheken van Genève en London om een boek te schrijven waarin hij de marxistische filosofie afwoog tegen de toenmalige stand van de wetenschap. Dat boek – Empirio-critisme en materialisme – zou, geloof ik, aan de meeste universiteiten aanvaard zijn als doctoraatsverhandeling, mits de promotor er de scheldwoorden en de overbodige herhalingen uithaalde. Een domme jongen was Lenin dus niet. Maar is een doctoraatsverhandeling altijd een bewijs van superieure intelligentie? Bertrand Russell heeft een uur met Lenin gepraat en vond hem heel gewoontjes. We moeten er niet aan denken wat Keynes zou hebben geconcludeerd na een uurtje Lenin.
     Wat Russell opviel was Lenins gebrek aan kennis (in verband met Engeland), zijn ontoereikend psychologisch voorstellingsvermogen, zijn bekrompenheid en zijn absolute geloof in de leer. Dat valt moeilijk te rijmen met de ‘open geest’ die door Schols werd gesuggereerd en door Verpoest werd overgenomen. Gelukkig werd die openheid toegelicht met voorbeelden.
     Hét grote voorbeeld van Lenins ‘openheid op maatschappelijk gebied’ was zijn steun aan de vrouwenbeweging. Daar kon Schols niet bij. Verantwoordelijk voor zes miljoen doden en tegelijk ook de ‘grondlegger van de vrouwenrechten’. Hoe kon dat nu? Daar kon Lenin toch zelf nooit opgekomen zijn, dacht Schols. Daar moest een vrouw achter zitten. Inessa Armand bijvoorbeeld, die misschien wel Lenins maîtresse was. De kijkers kregen een foto van Innessa te zien. Verpoest gaf toe dat Inessa er wel iets mee te maken had. Maar dat was niet het belangrijkste, zei ze. Lenin haalde zijn ideeën over vrouwenrechten, vrije liefde, wettelijke abortus en afschaffing van huishoudelijke taken uit ‘het marxisme en het leninisme dat hij zich eigen had gemaakt.’
     Dat Lenin zich het leninisme had eigen gemaakt, was een kleine verspreking van Verpoest. Dat gebeurt. Ik zou ook zenuwachtig zijn als ik over Lenin moest spreken in een studio. Maar dat Lenin zijn vrouwenrechten gehaald had bij Marx en Engels – en de Duitse sociaaldemocratie –, daar had Verpoest gelijk in. Sympathiek aan het vroege marxisme en socialisme was dat het allerlei in wezen liberale ideeën overnam en consequenter doorvoerde dan de liberalen zelf. De gelijkberechtiging van de vrouw was een van die ideeën. Het was een hoeksteen van de socialistische beweging. Lenin was in dat opzicht een brave, weinig originele socialist. We vergeten te snel dat Lenin zich amper drie jaar vóór 1917 had afgescheurd van de socialistische beweging.
     Hier hebben we meteen een reden om Lenins rol als grondlegger van de vrouwenrechten wat bij te stellen. Wat in het gesprekje tussen Schols en Verpoest namelijk ontbrak was duidelijkheid over de twee revoluties van 1917, die van februari en die van oktober. Het bleef onduidelijk wélk soort revolutie – of staatsgreep – Lenin in oktober had uitgevoerd. Kijkers met weinig achtergrond bleven wellicht met de idee zitten dat de oktoberrevolutie de tsarentroon omvergooide. Dat was natuurlijk niet het geval. De tsaar was al afgetreden na de revolutie van februari, toen Lenin nog in Zwitserland verbleef. Na het aftreden van de tsaar kwamen verschillende regeringen van conservatieven, liberalen en socialisten – met altijd maar meer socialisten.
     Lenin voerde zijn staatsgreep van oktober dus uit tegen een voornamelijk socialistische regering, een regering met mensjevieken en sociaal-revolutionairen die vrouwenrechten even hoog in hun agenda hadden ingeschreven als gelijk welke volgeling van Lenin. Zonder diens staatsgreep waren de vrouwenrechten in Rusland er ook gekomen. Daar zouden de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen wel voor hebben gezorgd. Maar dan was er niet één grondlegger van die rechten geweest. En als verhaal is dat minder.


* Eyskens vond dat kleine werkkamertje ontroerend. Het was jammer dat Lenin zo overtuigd was van zijn eigen gelijk, vond Eyskens, want daardoor kon hij, Lenin, geen democraat zijn. Maar hij, Eyskens, had wel veel bewondering voor de moed van Lenin.
** Alle zes miljoen slachtoffers aan Lenin toeschrijven is onrechtvaardig. Ook zonder Lenins staatsgreep zouden duizenden zijn omgekomen in de revolutionaire storm die over Rusland waaide. In de burgeroorlog die op de staatsgreep volgde, waren de Polen en de Tsjechen, de Witten van Koltsjak, de kozakken van Kaledin, de anarchisten van Machno en vele anderen tot even grote wreedheden bereid als de Roden van Lenin. Ze kregen ook steun vanuit het buitenland, van Engeland, van de Verenigde Staten en van andere landen. Maar zelfs hevige tegenstanders van de buitenlandse interventie, zoals Bertrand Russel, legden de verantwoordelijkheid van de burgeroorlog bij Lenins roekeloze staatsgreep.

*** Vakbonden in democratische landen wel te verstaan. Zie: De linkse stroming – Kinderziekte van het communisme, hoofdstuk 7, voorlaatste alinea).


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 9 september 2017

De vrije concurrentie volgens Lenin

     Ik heb nog les gehad van de excentrieke taalkundige Karel van den Eynde. Enkele keren per jaar herhaalde hij dat er maar één wetenschappelijke methode bestaat: die van ‘gissen en missen’. Later leerde ik de uitdrukking ‘trial and error’, en nog later, bij Karl Popper, leerde ik de uitdrukking ‘conjecture en refutation’ en zelfs ‘hypothesis and falsification.’ Zoals je ziet, ik werd altijd maar geleerder.
     Karel en Karl zullen wel gelijk hebben gehad – wat de wetenschap betreft, en de methode van gissen en missen. In de kapitalistische economie bestaat de methode trouwens ook. Daar heet ze ‘vrije concurrentie’. Er worden voortdurend nieuwe spullen uitgetest: auto’s met drie koplampen, verschillende soorten videobanden, New Coke, grotere, kleinere, bredere en smallere mobieltjes … Die producten gaan in de winkels de concurrentie aan met andere producten. Een eerste verovert de wereld, een tweede gaat stilletjes ten onder, een derde verwerft een niche met een klein maar fijn publiek. Maar aan het einde van de rit heeft iedereen wat hij wil: de klant heeft zijn spullen, de werknemer krijgt zijn loon en de kapitalist telt zijn centen.
     Tegenover dat kapitalisme met zijn vrije concurrentie hebben marxisten altijd een tweeslachtige houding aangenomen. In zijn populaire brochure Socialisme van utopie tot wetenschap (1880) klaagde Friedrich Engels dat de concurrentie tussen bedrijven leidt tot chaos, anarchie en verspilling. Maar hij gaf tegelijkertijd toe dat die concurrentie de ‘individuele fabrikant verplicht om zijn machinerie te vervolmaken’, wat toch mooi meegenomen was. De kapitalistische vrije concurrentie had technologische vooruitgang gebracht, had een ‘vooruitstrevende rol gespeeld’, misschien niet meer in 1880, maar dan toch in het verleden.
     Bij Lenin zien we die tweeslachtigheid ook. Hij was natuurlijk van mening dat de vrije concurrentie in Rusland best vervangen werd door een netjes geplande economie, maar, anderzijds – helemaal slecht was die concurrentie ook weer niet. Integendeel zelfs, als je erover nadacht was het niet onder het kapitalisme maar juist onder het socialisme dat de vrije concurrentie tot grote bloei kon komen. In zijn beroemde artikel ‘Hoe moeten we de concurrentie organiseren’ van december 1917 schrijft hij, herhaaldelijk – want hij hield van herhalingen –, dat net het socialisme meer ruimte bood aan concurrentie, initiatief, verscheidenheid en pluralisme, en dat vooral voor de ‘werkende massa’s’.
     Neem het probleem van de rijken, de profiteurs en de luieriken. Lenin beweert in zijn artikel dat er ‘duizenden verschillende manieren’ bestaan om die te registreren en onder controle te houden. Nu gebruikt een communist gemakkelijk het woord ‘duizenden’ als hij ‘enkele’ bedoelt, maar we mogen aannemen dat Lenin hier echt hoopte op een heel grote verscheidenheid. Om de fabriekscomités, volksvergaderingen en andere werkgroepen op de goede weg te helpen, reikte hij zelf vijf bescheiden ideetjes aan. ‘Op de ene plaats wordt een half dozijn rijken, profiteurs of luieriken in de gevangenis gestopt. Op een andere plaats moeten ze de toiletten schoonmaken. Op een derde plaats worden ze voorzien van een gele ‘kaart’ zodat ze ook na hun vrijlating uit de gevangenis voor iedereen herkenbaar zijn, en dat tot ze zich volledig hebben bekeerd. Op een vierde plaats wordt één op elke tien luieriken ter plaatse neergeschoten. Op een vijfde plaats wordt een deel van de rijken, van de burgerlijke intellectuelen, en van het crapuul – het deel dat voor verbetering vatbaar is – weer voorwaardelijk vrijgelaten.’
    Lenin was hier in een milde bui. Wie hem een beetje kent, weet dat hij een zwak had voor openbaar neerschieten en ophangen als voorbeeldstraf. Het is daarom merkwaardig dat hij zijn eigen remedie – ‘op de vierde plaats’ – geen hoger statuut toekende dan de overige, waarbij we nog moeten bedenken dat ook ‘duizenden’ andere remedies welkom waren. Blijkbaar wilde Lenin zijn mening dit keer echt niet opdringen. Als voorloper van het moderne management wist hij dat je moet kunnen afwisselen tussen top-down en bottom-up.
     Maar management is nog geen kapitalisme en concurrentie is nog geen vrije markt. Lenin beschouwde de Russische maatschappij als een groot maatschappelijk laboratorium waar de werkende massa’s allerlei experimenten konden uitvoeren. Verschillende werkwijzen konden worden uitgetest. Maar wie moest de resultaten van die experimenten beoordelen? Dat moest gebeuren door Lenin zelf, of het Sov-nar-kom, of het CC, of het politburo, of het orgburo – de communisten hadden uitgerekend dat je met die afkortingen heel wat tijd kon winnen.
     In de vrije markt gaat dat anders. Daar moeten producten en initiatieven twee keer examen afleggen. Een eerste keer worden de frisdranken, waspoedertjes, odeurtjes en mobieltjes uitgetest in het laboratorium. Chemici, programmeurs, geurkundigen enzovoort proberen allerlei dingen uit. Sommige van die producten komen nooit verder dan de tekentafel of de reageerbuis, andere brengen het tot prototype, nog andere worden op de markt gebracht. De beslissing daarvoor ligt bij de bedrijfsleider en de eigenaars. Maar dan komt het tweede examen. Er moeten kopers worden gevonden. Die kopers kunnen zich laten leiden door eigen smaak, krenterigheid of zucht naar luxe, door grote reclamefoto’s op rondrijdende bussen, of door een zuur consumentenmagazine. Maar per slot van rekening moeten ze bereid zijn om vrijwillig hun geld af te staan voor die rommel. Dat is een heel ander verhaal dan dat van Lenin.

Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 4 juni 2016

Strijdende godloochenarij

    Onlangs was ik bij iemand op bezoek. Op de koffietafel lag een mooi uitgegeven boek van van Richard Dawkins. ‘Nog altijd atheïst?’ vroeg ik benieuwd. ‘Ja,’ antwoordde de gastheer, ‘maar ik doe er niets mee.’
      Dat zou mij, toen ik atheïst was, niet overkomen zijn –  dat ik er niets mee deed. Iedereen moest het horen. Ik kwam als zeventienjarige op een jeugdkamp terecht dat werd geleid door enkele ‘christenen voor het socialisme’, priesters en uitgetreden priesters. Wat heb ik die mensen de oren van de kop gezeurd met mijn ‘godsdienst is opium van het volk’. Of was het ‘voor het volk’? Er staat mij vaag voor dat daar een belangwekkend verschil tussen was. In elk geval, die christenen bleven beaat glimlachen, daarbij af en toe in een andere richting kijkend, in plaats van mij met mijn hele hebben en houden het kamp uit te gooien. Christelijke lankmoedigheid. Bah!
     In de Franse les moesten we een gedicht kiezen en voordragen. Ik koos een stuk uit de lange tirade ‘La crosse en l’air’ van Jacques Prévert (1900-1977)

     Je ne suis pas libre penseur dit le veilleur
     je suis athée
     A comme absolument athée
     T comme totalement athée
     H comme hermétiquement athée
     É accent aigu comme étonnamment athée
     E comme entièrement athée
     pas libre penseur
     athée
     il y a une nuance.


     De leraar vond het niet erg.
     Later, veel later, werd ik dan zelf zo’n vrijdenker, of, met een geleerder woord, een agnost. Dat kwam omdat ik de boeken van Schopenhauer (1788-1860) las. Schopenhauer beweerde twee dingen. Eén: alle godsdiensten zijn eigenlijk verzinsels, het ene al wat krankzinniger dan het andere. Maar, twee, in al die godsdiensten zit ergens, goed verborgen, een vage waarheid – dat de stoffelijke wereld niet de enige wereld is, dat er áchter die stoffelijke wereld – mit allen ihren Sonnen und Milchstrassen – een zedelijke wereld staat, die groter is, en duurzamer, en verhevener.
     Schopenhauer kon het bestaan van die wereld niet bewijzen. Wat hij wel kon was een groot aantal vaak originele inzichten over zielkunde, kennisleer, moreel aanvoelen en schoonheidsbeleving in overeenstemming brengen met het bestaan van zo’n onzichtbare zedelijke wereld. Ik dacht, se non è vero, è ben trovato. De knorrige filosoof legde zijn leer bovendien over met een groot gevoel voor humor, een brandende overtuiging en in een glashelder Duits dat zelfs ik, ondanks of misschien wel dankzij de lange, kronkelende zinnen, prima begrijpen kon. En zo werd ik een agnost – iemand die het niet weet – want over die andere wereld, zegt Schopenhauer, weten we eigenlijk – niets.
     Van agnosten beweert men dat het angsthazen zijn. Friedrich Engels (1820-1895) vond agnosten beschaamde atheïsten. De al vermelde Richard Dawkins vindt ze bangelijke twijfelaars – fence-sitters. En Flor Vandekerckhove noemt ze op zijn blog, die ik altijd met genoegen lees, kort en krachtig ‘lafaards’ (hier).
     Als ik naar mezelf kijk, moet ik Friedrich en Richard en Flor gelijk geven. Er zal wel eens een moedige agnost bestaan hebben, maar voor een bepaald soort dapperheid moet je vooral bij de Ware Gelovige zijn – de moslim die zichzelf opblaast, de vroege christen die zich bereidwillig door wilde dieren laat verscheuren in de arena. Ook een strijdende godloochenaar zie ik, als het moet, vastberaden het schavot beklimmen, om nog een laatste keer uit te schreeuwen dat Hij luister-dan-toch-eens niet bestaat!!
     Ik zie het mij niet doen, op het schavot luid staan roepen: ‘Ik weet het niet!’

zaterdag 30 april 2016

Val van het Romeinse Rijk

     De literaire verjaardagen blijven op ons afkomen. “This week marks the 279th anniversary of the birth of Edward Gibbon,” lees ik in een artikel van zekere Tobias Carroll. Dat was me ontsnapt.
      Die Edward Gibbon heeft me met zijn Decline and Fall of the Roman Empire jarenlang achtervolgd. Het begon al in het middelbaar. Onze geschiedenisboeken waren zo opgevat dat aan de rechterkant stukken leerstof afgedrukt stonden, en aan de linkerkant plaatjes en stukken uit oude documenten. Die stukken leerstof waren merkwaardig slecht geschreven.  Bij elke nieuwe zin, vergat je wat er in de vorige stond. Als je geen goeie leraar had die uitlegde wat ‘investituurstrijd’ en ‘assignaten’ betekenden, dan zou je het nooit weten – of je moest het in een écht boek opzoeken. De documenten aan de linkerkant stonden ook wel vol moeilijke woorden, zoals ‘okshoofd’ en ‘pestilentie’, maar dat waren leuke woorden en de teksten waren in hun geheel best leesbaar (1). Daar las ik voor het eerst een stukje Gibbon – iets over Germaanse huurlingen in het Romeinse leger.
     Vele jaren later kwam ik Gibbon opnieuw tegen in de erg beknopte geschiedenis van de Engelse literatuur van J.L. Borges (2). Van de hele achttiende eeuw vermeldt Borges alleen Dr. Johnson en Gibbon, en van die laatste zegt hij dat hij op een verrassende manier staatsie en ironie – ‘la ironía y la pompa’ –  met elkaar verbindt. Decline and Fall was volgens Borges het ‘monumento histórico más importante de la literatura inglesa’. Als ik tegen zo'n zinnetje aanloop, maak ik onvermijdelijk een snelle, denkbeeldige aantekening: ‘Ooit lezen!’
     Omdat ik graag in tweedehandsboekenwinkels rondsnuister, was het onvermijdelijk dat ik ook daar vroeg of laat Decline en Fall zou aantreffen. In een winkel in Canterbury vond ik een exemplaar in vijf delen, een eerste druk nog wel, geprijsd £ 17 000 'or any reasonable offer'. Ik heb geen ‘reasonable offer’ gedaan, want het boek bevatte geen plaatjes, lettertype en spatiëring stonden mij tegen, en het formaat was onhandig om in bed te lezen. Ik heb toen voor £ 25 een twintigdelig Verzameld Werk van Mark Twain gekocht en daar evengoed veel plezier aan beleefd.
     Decline and Fall heb ik rond dezelfde tijd ook in de boekenkast van een geleerde vriend gezien. Hij bezat alleen het eerste deel van een driedelige uitgave, maar het boek bevatte wél mooie plaatjes, en een uitnodigende inleiding die begon met: ‘So, you are going to read Gibbon at last’. Dat vond ik een mooie zin.
     Maar niet zo mooi als Gibbons eigen eerste zin: ‘In the second century of the christian era, the empire of Rome comprehended the fairest part of the earth and the most civilized portion of mankind.’ Met zulke volmaakt uitgelijnde zinnen loodst de auteur u door dertien eeuwen geschiedenis, want Gibbon geeft slechts op nadat ook Byzantium gevallen is.
     In die dertien eeuwen is de wereld ingrijpend veranderd. En in de vele uren die hij aan de lectuur ervan besteedt, is menig lezer evenzo veranderd. Christenen verloren hun geloof. Churchils politieke, militaire en literaire ambitie werd erdoor gevormd. De Amerikaanse econoom Thomas Sowell (hier) noemt twee boeken die hem diepgaand beïnvloed hebben. Het eerste was het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels. Door dat boek werd hij een linkse jongen. Het tweede was Decline and Fall en had een omgekeerde uitwerking (hier). Het boek maakte hem voor altijd ‘wiser and sadder’. ‘Older’ was hij toen al.

_____________

(1) De geschiedenisboeken die Jan in het middelbaar gebruikt heeft, zijn nog altijd volgens hetzelfde recept gemaakt. Zelfs de merkwaardige onleesbaarheid van de leerstoftekst is zorgzuldig bewaard gebleven.


(2) Borges schreef zijn ‘Introducción a la literature inglesa’ in samenwerking met María Esther Vázquez.

woensdag 24 februari 2016

Gemeenschap der vrouwen

Karl Marx
     Vorige zondag was de 21ste februari. Een facebookvriend wees mij erop dat op die dag voor het eerst het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels werd uitgegeven. Het Manifest is dus vandaag precies 168 jaar en 3 dagen oud (1). 
     Wie dat boekje ooit inkeek, is misschien net als ik geschrokken toen hij midden in het tweede hoofdstuk een paragraaf aantrof over ‘de gemeenschap der vrouwen’.  De communisten, zo schrijven Marx en Engels, krijgen van de rijke klasse het verwijt te horen dat ze het huwelijk willen vervangen door de ‘gemeenschap der vrouwen’, dat wil zeggen: een regeling van vrije liefde voor iedereen met iedereen.
Friedrich Engels
     Marx en Engels antwoorden op dat verwijt met een brokje humor, en dat is jammer, want het is hun sterkste kant niet. Ze wenden voor dat het om een misverstand gaat. De communisten willen de productiemiddelen gemeenschappelijk maken – en de fout van de rijke-klassemensen is dat ze de vrouwen bij de productiemiddelen rekenen. Dat is een erg moeizaam grapje. Moeten we echt aannemen dat alle of zelfs maar de meeste rijke-klassemensen in de 19de eeuw hun vrouwen alleen voor ‘productiemiddelen’ aanzagen? Marx had genoeg romans van Balzac gelezen om te weten dat de werkelijkheid rijker geschakeerd was dan dat.
     Bovendien, schrijven de twee vrienden, doen rijke-klassemensen zelf niets anders dan elkaars vrouwen verleiden. Zij brengen dus ‘de gemeenschap der vrouwen’ in de praktijk en zetten daarbij een schijnheilig gezicht op – en dat is het ergste. Bij Marx zie je dat vaak, dat hij zich bij de rijken meer stoort aan hun schijnheiligheid dan aan hun harteloze rijkdom.
     De aandachtige lezer zal hebben opgemerkt dat Marx en Engels op geen enkel ogenblik een antwoord geven op de eenvoudige vraag: willen de communisten die gemeenschap der vrouwen nu, ja of nee? Het uitblijven van een duidelijk antwoord kan misschien als volgt worden verklaard. Eigenlijk vonden Marx en Engels die hele idee van volledig vrije liefde niet zo interessant. Ze wilden de monogamie helemaal niet afschaffen; ze wilden alleen het rijke-klassehuwelijk vervangen door een ànder soort huwelijk. Het contracthuwelijk inruilen voor een kameraadschapshuwelijk zeg maar. Dat is in elk geval de uitleg die er later aan werd gegeven in communistische dictaturen –  die vaak erg preuts waren.
     Maar Marx en Engels hadden in de communistische beweging van hun tijd allerlei concurrenten, zoals Charles Fourier, die wél de vrije liefde beloofden en daarmee veel aanhangers wonnen. Die aanhangers hadden de auteurs van het Communistisch Manifest liever in hun eigen club. Het kwam hen dus goed uit over de vrije liefde wat mist te spuiten om ook de wellustig aangelegde arbeiders aan te trekken.

(1) En laat nu net vandaag het Kapitaal van Marx precies 149 jaar en 203 dagen geleden het daglicht gezien hebben! Die samenloop van omstandigheden zou wijlen Godfried Bomans niet ontsnapt zijn.
 

vrijdag 25 september 2015

Rijkdom verdelen

   Onze leraar Nederlands in het vierde middelbaar – Antoon Vandendriessche heette hij – kwam vers van de universiteit, droeg een donkerblauwe blazer en was nogal goedlachs en los in de omgang. Maar verhandelingen verbeteren deed hij met vooroorlogse gestrengheid. Ik schreef ooit dat ‘de jongeren terecht geobsedeerd zijn door maatschappelijk onrecht’. Een obsessie kan nooit terecht zijn! stond er in rode letters in de kantlijn. Of ik ontwikkelde de redenering dat, als de rijkdom van de rijken onder de armen zou worden verdeeld, dat die armen dan minder arm zouden zijn. Triviaal! was de commentaar. Ik kende dat woord niet en moest er de betekenis van vragen.
   Niet veel later leerde ik uit marxistische geschriften hoe je de herverdelingsgedachte minder triviaal kon formuleren. In het goed verwarmde treinstation van mijn geboortestad las ik op regenachtige zondagen boekjes zoals Loon, prijs, winst van Karl Marx, Socialisme van utopie tot wetenschap van Friedrich Engels, en de in 1971 heruitgegeven oorlogsnummers van de Roode Vaan.
   In de Roode Vaan van november 1942 vond ik volgende redenering. De naamloze vennootschappen in België maakten jaarlijks 5 miljard winst. Als dat bedrag verdeeld zou worden onder de anderhalf miljoen loontrekkenden, zou elk van die loontrekkenden ‘slechts’ een verhoging genieten van 300 fr. in de maand. Dat vond de steller van het artikel ‘zeker niet te versmaden’, maar nu ook weer niet zo bijzonder. Gelukkig kwam daar iets bij. Het communisme zou niet alleen zorgen voor een betere verdeling van de taart, het zou vooral ook zorgen voor een veel grótere taart. Je kon een voorbeeld nemen aan de Sovjet-Unie. Daar had je een productie die elke vijf jaar verdúbbelde. Met zo’n groeiritme zou het niet lang duren voor men de Verenigde Staten zou inhalen.  Chroestsjov dacht later ook zoiets.
   Maar zo’n vaart is het niet gelopen. De communistische economieën raakten juist hoe langer hoe meer achterop. Later vond ik bij Karel van het Reve en Ludwig von Mises waarom dat zo was.

Oorspronkelijk geplaatst op 25 februari 2015.