Posts tonen met het label Alexander Poesjkin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Alexander Poesjkin. Alle posts tonen

maandag 20 augustus 2018

Foute kledij*

     Erg veel van geschiedenis afweten, moet een zware last zijn om te dragen. Je krijgt voortdurend te maken met mensen die geen geschiedenis kennen, die het onderscheid niet kunnen maken tussen Karel de Grote en Keizer Karel en die niet goed kunnen inschatten of Napoleon nu voor of na de Franse revolutie kwam. En die mensen rijden ook allemaal met de auto.
     Zeker als er een historische film op de televisie is, moet de geschiedkundig gevormde op zijn tanden bijten. Die ridderhelm, zucht hij dan, werd pas twee eeuwen later gedragen. Kijk, en die Homerische Grieken beréden hun paarden niet, maar spanden ze in voor hun strijdwagens. En, nee hoor, de Romeinen rond de tijd van Christus hadden geen galeislaven, dat was iets van veel later, bij de Genuezen.  En, ach, dacht je nu echt dat zo’n kasteel van de Tudors iedere week gereinigd werd met een industriële stofzuiger? Allemaal fout, fout, fout. Het ergste is nog wanneer een Hollywoodse sandalenfilms van de jaren 60 wordt uitgezonden. Zelfs de kleur van de bomen, de lucht en de zee zit daar fout.
     Gelukkig weet ík niet zoveel van geschiedenis af, maar zelfs het kleine beetje dát ik weet, kan mij al flink wat ergernis bezorgen. Laatst waren we in Sint-Petersburg. Op allerlei pleinen en straten lopen daar mannen en vrouwen rond die beweren dat ze Peter de Grote en Catharina de Tweede zijn, en tegen een kleine vergoeding zijn ze bereid te poseren voor een foto. Je kan ook op die foto als je dat wil.
     Ik heb daar wel tien keer een opmerking over gemaakt tegen mijn zoon. Die Catherina was gekleed in een Marie-Antoinette-pakje; dat kon er nog mee door. Die twee leefden grofweg in dezelfde tijd. Maar Peter was gekleed als Marie-Antoinettes man, en dat is er toch minstens driekwart eeuw naast. Een 17de-eeuwer is geen 18de-eeuwer. En dat voor iemand die zoals Peter zóveel belang hechtte aan kleren dat hij aan zijn onderdanen de lengte van hun jassen voorschreef.
     Ik weet toevallig, of denk te weten, hoe dat vestimentair anachronisme kan worden verklaard. Die Petersburgse mannen en vrouwen lopen natuurlijk niet altijd rond in die historische kleren. In het gewone leven dragen ze gewoon een hemd en een spijkerbroek zoals u en ik. Die historische kostuums huren of kopen ze in een carnavalswinkel. En die winkels hebben nu eenmaal hiaten in hun assortiment. Je vindt er gemakkelijk de Marie-Antoinettemode, maar Engelse Restoration bijvoorbeeld, of Regency en Franse Empire, zijn veel moeilijker te pakken te krijgen.
     Enkele jaren geleden had ik met mijn klas afgesproken dat we ons voor de 100-dagenviering zouden kleden naar de mode van het Jane Austen-tijdperk. De carnavalwinkels in de buurt werden grondig doorzocht en de meisjes vonden al gauw wat ze zochten, of anders hadden ze een moeder of grootmoeder die handig was met naald en draad. Maar voor de jongens was het een heel andere zaak. In Huis Baeyens vond ik voor mijzelf een vest, broek en jas die min of meer voor Regency konden doorgaan, maar ik had geloof ik het laatste exemplaar te pakken. Voor de leerlingen bleef niets anders over dan een Biedermeierjas, -vest en broek aan te trekken. Ach, goed genoeg, vond ik.
     Dat Biedermeierkleren ook in Russische carnavalswinkels gemakkelijk te vinden zijn, blijkt overigens uit het volgende. Vanuit Petersburg maakten we een uitstapje naar Tsarskoje Tselo. Er is daar een mooi park en een mooi paleis en ook kun je er het lyceum bezoeken waar Poesjkin school gelopen heeft, al is die school niet goed aangeduid en moet je even zoeken. We liepen wat door de straten en al gauw zagen we een Catharina de Tweede en een Peter de Grote paraderen, op hun laat achttiende-eeuws. Maar wie was dat heertje dat naast hen liep, met zijn uitwaaierende haardos, zijn donkere geklede jas en zijn korte hoge hoed? ’t Was warempel Poesjkin. Zijn Biedermeier outfit paste hem prima. En historisch viel er niets op aan te merken.

* Mijn andere stukjes over Sint-Petersburg vind je 
hier1, hier2, hier3 en hier4.

dinsdag 7 augustus 2018

Vrouwenvoetjes

     Flaubert was naar het schijnt een voet- en laarsjesfetisjist. Toen ik op het examen bij professor Beyen een fragment uit Madame Bovary van commentaar moest voorzien, mompelde ik dus iets over dat fetisjisme. De belangstelling van de professor was meteen gewekt. Où est-ce que vous voyez donc ce fétichisme?* Ik las een zin voor over een voet. Mais ce n’est pas du fétichisme ça. Est-ce que vous savez bien ce que c’est que le fétichisme du pied? C’est quand on préfère le pied de la femme à la femme elle-même, à l’exclusion du reste. Professor Beyen was erg geïnteresseerd in zulke zaken.
     Ook Poejskin was naar het schijnt een voetfetisjist. Men concludeert dat onder andere uit de strofen 30 tot 34 van  het eerste hoofdstuk van Jevgeni Onegin. De dichter bezingt daarin ‘twee voetjes die ik nooit vergeet / hoewel de tijd mijn passie sleet’. Hij verkiest verder ‘het voetje van Terpsichore’ boven de ‘borstjes van Diana, het blosje van Flora en de lippen van Armida’, en vindt het jammer dat je in Rusland met moeite drie paar fijngevormde vrouwenvoetjes vindt. Nabokov gebruikt in zijn vertaling van de bewuste strofen tien keer het woord ‘foot’ en ‘feet’. Die vertaling wordt weliswaar verfoeid door Edmund Wilson, Hans Boland en Marc Vanfraechem, maar dat Nabokov op zijn minst vertaalt wat er staat, wordt geloof ik door niemand ontkend.
     Vertalen wat er staat is evenwel niet zo gemakkelijk. In het Russisch van Poesjkin staat het woordje ‘нога’ (noga) dat zowel ‘voet’ als ‘been’ kan betekenen. Het is één van de vijf Russische woordjes die ik ken omdat ik er iets over zeg in mijn lessen taalkunde. De talen verschillen van elkaar, zeg ik dan, omdat de ene taal bijvoorbeeld wel een apart woord heeft voor ‘hand’ en ‘voet’ en een andere taal alleen in het algemeen spreekt van ‘arm’ en ‘been’, zonder een apart woord voor het uiteinde ervan.** Maar alle talen lijken dan weer wel op elkaar door de volgorde waarin ze woorden opnemen. Een taal vindt het bijvoorbeeld belangrijker om een woord te hebben voor ‘hand’ dan een woord voor ‘voet’. Of beter: als een taal, gelijk welke taal, een apart woord heeft voor ‘voet’ heeft ze ook gegarandeerd een apart woord voor ‘hand’.
     Maar het Russisch heeft dus géén apart woord – noch voor ‘hand’, noch voor ‘voet’. En toch hebben alle vertalers die ik ken Poesjkins ‘noga’ stelselmatig vertaald door ‘voet’: Nabokov, Boland, Jonkers, Mitchel, Van Stekelenburg-Van Agt, Toergenjev-Viardot. Het is de vertaling die zich opdringt. Het ‘vrouwenvoetje’ vervangen door een ‘vrouwenbeen’ zou van de vijf hierboven genoemde strofen een obsceen stuk hebben gemaakt, en Poesjkin spaarde zijn obsceniteiten op voor aparte gedichten. Als de dichter schrijft over Terpsichore denk je aan dansende voetjes, en niet aan benen. De Griekse godinnen dansten geloof ik niet in de stijl van Bob Fosse. Het zijn ook voetjes die sporen laten in de sneeuw. Het is aan die lieve voetjes dat de dichter zich neervlijt. Het is een voetje dat hij in de stijgbeugel helpt.
     Maar het kan anders. Douglas Hofstadter – professor in de computerwetenschappen en schrijver van Gödel, Esscher, Bach – heeft ook een vertaling gemaakt van Onegin. In de inleiding legt hij uit dat hij alleen een beetje schoolrussisch kent, maar dat hij na de dood van zijn vrouw de strofen van Onegin uit het hoofd begon te leren om zichzelf te troosten. Na enkele maanden was dat memoriseren niet genoeg meer en begon hij te vertalen. En omdat hij weinig van Poesjkin afweet – hij weet bijvoorbeeld niet dat diens manuscripten vol staan met getekende vrouwenvoetjes – gelooft hij dat de dichter bij ‘noga’ aan ‘benen’ dacht.*** ’t Is meteen een manier om zich van andere vertalers te onderscheiden en dat is ook iets waard. ‘Pushkin,’ schrijft Hofstadter, ‘is referring just as plausibly to “legs” as to “feet”. Indeed every single Russian friend whom I have consulted – mostly female I might add – has been absolutely convinced that “leg” and not “foot” is what Pushkin had in mind.’ Je zou daar kunnen op antwoorden dat Nabokov en Toergenjev, toch ook Russen, in hun vertaling wél ‘voet’ gebruikten.
     Hofstadter vindt de ‘voet’-vertaling ‘slightly puritanical’. Hij presenteert Poesjkin, zegt hij zelf, als een ‘leg man’*** en daarom vertaalt hij  ‘noga’ op verschillende manieren– limbs, legs, feet, ankle, thigh****. Hij spreekt van een ‘whole spectrum of words that run admiringly up and down milady’s limb, all the way from top to bottom.’
     Ik heb er verder niets mee te maken, maar ik vind ‘voetjes’ mooier.



* Zou Beyen mij echt gevousvoyeerd hebben? Zo herinner ik het mij toch.
**  In het Nederlands spreken wij van de ‘poot’ van een poes, terwijl het Engels een onderscheid kan maken tussen haar ‘leg’ en haar ‘paw’.

*** Nabokov noemt de vijf strofen ‘the pedal digression’. Iemand noemde Hofstadters versie een ‘iambic diversion’. Hoe goed moet een Amerikaan zijn Frans kennen en op de hoogte zijn van versificatie om die woordspeling te smaken? Hofstadter beledigt  trouwens door zijn keuze het grote Rusland en zijn inwoonsters als hij schrijft : ‘You’ll find in Russia three or fewer / Well-tapered pairs of legs.’ Met ‘voetjes’ vervalt naar mijn smaak de belediging. ‘Maar fijngevormde voetjes komen / In Rusland zelden voor – misschien / Kreeg ik er drie paar van te zien.’ Boland kreeg dan ook de grote Poesjkinprijs, en Hofstadter niet – prijs die Boland overigens weigerde omdat hij die uit handen van Poetin had moeten ontvangen.

**** De dansende dij van Terpsichore? Honestly?

zaterdag 21 juli 2018

Sint-Petersburg (1) - In de zomer*

      Misschien wilde u, lieve lezer, al lang eens een bezoek brengen aan Sint-Petersburg, maar hebt u die reis dit jaar uitgesteld uit angst om Engelse en vaderlandse voetbalvandalen tegen het lijf te lopen. Wij hebben aan die angst niet toegegeven, en ik kan u geruststellen: Sint-Petersburg-Petrograd-Leningrad-Sint-Petersburg staat er nog.
     Uit de literatuur hebben we de stad vaak leren kennen in een winters kader. Toen Isaak Babel er opdook ‘met valse papieren en zonder een duit op zak’ was het bitter koud.  Poesjkin beschreef hoe de Neva bij nacht en ontij uit zijn oevers trad:
 

Het weer werd bozer, winden gierden
Het water steeg, de golven tierden
Tot plotseling als een razend beest
De Neva op de stad zich stortte.
 
    En Gogol had het over over het verraderlijke spel van donkerte en schaarse verlichting:
  

De Nevsky Prospekt** is bedrieglijk op elk uur van de dag, maar het meest nog ’s nachts, als de duivel zelf erop uit trekt en de straatlampen aansteekt met slechts één doel: alles in een vals daglicht te plaatsen.
 
     Maar wíj hebben de Hoofdstad van het Noorden dus in de zomer bezocht, als de Neva zich kalm en waardig gedraagt, en het op de Nevski Prospekt nooit echt donker wordt*** . Om twaalf uur ’s nachts konden we nog goed het lichtblauw, okergeel, vaalgroen of zalmroze van de statige gebouwen onderscheiden.
     Ook was het er even drukkend warm als toen Raskolnikov naar die huurkazerne trok om de oude woekeraarster het hoofd in te slaan. Wijzelf kregen alleen te maken met woekerende taxichauffeurs die eerst heel overtuigend hun opvliegend karakter demonstreerden door hun rijstijl en daarna een hogere prijs eisten dan afgesproken. Wij hebben die prijs braaf betaald, want we hadden, in tegenstelling tot Raskolnikov, geen bijl onder onze jas verscholen. Met dat weer hadden we zelfs geen jas aan.



* Voor mijn andere impressies van de stad: zie hier2, hier3, hier4, hier5
 
** Wikipedia schrijft:  ‘De Nevski Prospekt is één van de bekendste straten van Sint-Petersburg.’ Dat is een stijlfout waar ik mijn leerlingen voor waarschuw. ‘Napoleon was een van de bekendste Franse generaals die deelnamen aan de Slag bij Waterloo.’

 *** Of, zoals Poesjkin schrijft:
          Als ’t avondrood door ’t ochtendgloren
          In allerijl wordt afgelost
 


woensdag 9 mei 2018

Afgunst en de welgestelde socialist

     Zijn socialisten jaloers? En communisten en groen-linksen? Natuurlijk, zijn ze dat. Alle mensen zijn immers jaloers. Sterker nog: alle primaten zijn jaloers. Waarom zou de socialist een uitzondering zijn? Geef aan de ene kapucijnaap een lekker stukje komkommer en aan de andere kapucijnaap een nog lekkerder trosje druiven, en je raadt al wat er gebeurt. Die eerste aap wordt woedend en gooit het stukje komkommer in je gezicht, terwijl hij eigenlijk best komkommer lust. Maar het dier laat zich niet leiden door zijn buik, maar door het hogere, metafysische ideaal van de gelijkheid en gelijkberechtiging van alle kapucijnapen.
     Afgunst in zijn zuivere vorm is niet zomaar de wens om te hebben wat de ander heeft. Zo’n wens is tenslotte niets meer dan wat hebberigheid die aangewakkerd wordt door wat je rondom je ziet aan mogelijkheden. De afgunst van de primaat gaat dieper en is destructiever. Het is de wens dat wat jij niet bezit (druiven, geld, aanzien, talent), ook niet bezeten wordt door iemand anders.* En ik geloof dat je die eigenschap weliswaar bij alle primaten, maar toch het vaakst bij die van socialistische gezindte, aantreft.**
     De welgestelde socialist die het niets ontbreekt zal dat ontkennen. Hij zal zeggen dat hij niet jaloers is op de dure golfclubs, het motorjacht en de privéjet van de rijke ondernemer. Hij zal opmerken dat hij voor die dingen geen belangstelling heeft. Dat laatste geloof ik. Maar toch vindt die socialist, geloof ik, diep in zijn hart dat iemand die wél belangstelling heeft voor golfen, varen of vliegen, die activiteiten niet zou mogen beoefenen zonder zich eerst ergens in te schrijven op een wachtlijst en dan geduldig uit te kijken tot zijn beurt komt. Van iemand die voor zulke dingen geen belangstelling heeft, lijkt mij dat op zijn minst bemoeizucht, en daarnaast ook afgunst – hij gúnt de ander niet waar hij zelf geen interesse voor heeft.
Zon setje clubs van Honma Five Stars heb je al
voor ongeveer $ 76 000
     Nu slaat de socialist aan het protesteren. Hij vindt van zichzelf dat hij níet gedreven wordt door afgunst. Hij wil alleen dat de middelen die nu naar dure golfclubs, motorjachten en jets gaan, zouden worden besteed aan meer personeel in de bejaardentehuizen, betere opvang van illegale migranten en hogere minimumlonen. De welgestelde socialist heeft alleen een afkeer van armoede, zegt hij, niet van rijkdom. Misschien bewijst hij dat wel door vrijwillig een wezenlijk deel – bijvoorbeeld een kwart – van zijn inkomen weg te schenken aan hen die het meer nodig hebben dan hijzelf.
    Tegen dat protest valt niet veel in te brengen. Je bent als buitenstaander niet goed op de hoogte van de beweegredenen van iemand anders, ook al is hij dan een socialist. Maar wie zegt dat de socialist zelf zo goed op de hoogte is van zijn eigen beweegredenen? Zijn behoefte aan solidariteit kan best samengaan met een primatenafgunst die hij aan zichzelf niet wil toegeven. 
     Zelf word ik altijd getroffen door de argumenten en de bewoordingen van een socialist die tegen privatisering te keer gaat. Ik lees vandaag in Het Nieuwsblad dat ACV-voorzitter Marc Leemans – dat is toch ook een soort welgestelde socialist – waarschuwt voor hospitaliseringsverzekering, inkomensverzekering en pensioensparen. ‘Wie wordt daar beter van?’, vraagt Leemans. Hij bedoelt dat het de verzekeraar is die er beter van wordt, terwijl het echte antwoord is dat zowel de verzekeraar als de verzekerde baat hebben bij hun overeenkomst. Maar net dát de verzekeraar er ook iets aan overhoudt, dat schijnt Leemans hem niet te gunnen.
     Ik volgde onlangs op Facebook een discussie over de ideale manier van reizen: plooifiets, auto, bus, trein, TGV of vliegtuig? De meeste deelnemers aan de discussie bekeken de zaak vanuit de ecologische gevolgen, en die bleken te schommelen al naar gelang  de af te leggen afstand. Voor een afstand van rond de 1000 kilometer bleek de bus de minst vervuilende reisvorm. Maar ook andere invalshoeken kwamen aan bod: hoe snel je ter bestemming bent, algemeen comfort, klantvriendelijkheid, mogelijkheid om een dutje te doen, plaspauzes, wifi. Er werd niet over de prijs gesproken. ’t Was een discussie onder welgestelden, geloof ik, en money was not an issue. En toen keerde één deelnemer zich met name tegen de toeristenbus omdat ‘de mensen die erin investeren zoveel mogelijk geld willen verdienen’. Hij gaf de voorkeur aan de trein omdat die ‘nog wat uit handen van de winstjagers bleef’. Dat was een erg socialistische reactie, maar alles wel beschouwd eerder afgunstig dan solidair.*** De winst die met toeristenbussen gemaakt wordt, gaat in elk geval niet af van het budget voor bejaardentehuizen of voor opvang van illegale immigranten. En wat de chauffeurs betaald krijgen, moet in de buurt liggen van het door de socialistische vakbond voorgestelde – eerder dan van het nu geldende – minimumloon.
     Zijn het vooral afgunstig ingestelde lieden die makkelijk socialist worden, of is het omgekeerd zo dat socialistisch ingestelde lieden, met hun theoretisch onderbouwde aversie van ongelijkheid, die makkelijker afgunstig worden? Zijn het onze gevoelens die ons ideeënsysteem bepalen of ons ideeënsysteem dat onze gevoelens bepaalt?**** Als dat laatste het geval is, zou ik nu minder jaloers moeten zijn dan vroeger, toen ik nog socialistisch dacht. Maar of dat zo is, durf ik niet te zeggen, want dat is allemaal zo lang geleden en ik heb indertijd verzuimd een dagboek bij te houden. Zeker weet ik dat ik mijn afgunst nu redelijk onder controle heb. Als ik mooie grote huizen zie, of beter nog, kleine bewoonde kasteeltjes in een park, ben ik altijd een heel klein beetje blij voor de bewoners. Good for them, denk ik dan. Als een collega een mooiere lesopdracht heeft dan ik, met veel brave en weetgierige leerlingen, vind ik dat een beetje fijn voor die collega en behoorlijk erg voor mij, maar daar komt geen afgunst bij kijken. Op een slechte dag kan ik nog jaloers zijn op een collega die onder de leerlingen bijzonder populair is. Dan voel ik heel vaag een heel klein steekje. ’t Is niet meteen Shakespeares ‘groenogige monster’ of Poesjkins ‘koude hand die ’t hart omknelt’.
     In zijn boekje over de Kunst van goed leven, geeft Dobelli zijn lezers enkele wenken over hoe ze hun afgunst kunnen beteugelen. ’t Is de enige zonde,  zegt of citeert hij, waar je geen enkel plezier aan beleeft. Je kunt dus beter jezelf niet met anderen vergelijken, de sociale media vaarwel zeggen en niet naar klasreünies gaan. Sluit je niet aan bij een club waarvan de meeste leden beter af zijn dan jezelf. Denk eraan dat je buur veel minder plezier beleeft aan zijn mooie auto dan jij vermoedt, en dat zijn vrouw een veel slechter karakter heeft dan ze laat zien.
     Zelf heb ik ook nog twee suggesties. Eén: geef je eigen primatenafgunst ronduit toe en bezorg het een héél, héél klein plaatsje in je gevoelsleven. Twee, to be on the safe side: wees geen socialist.

 
* Je kunt je ook een experiment voorstellen waarbij het aapje zijn eigen druiven weggooit  omdat een ánder aapje geen druiven krijgt. Die bereidheid om persoonlijk voordeel op te offeren wanneer alléén een ander benadeeld wordt, beantwoordt niet aan de klassieke definitie van afgunst. En wellicht ook niet aan de praktijk van de meeste socialisten.

**Misschien is het vooral een bepaald soort afgunst die vaakst voorkomt bij socialisten en zijn er andere vormen van afgunst die bevorderd worden door een identitaire overtuiging.

**Die solidariteit komt wel even naar boven als ter sprake komt hoe de buschauffeur slachtoffer kan zijn van het winstjagen der investeerders.

*** Ik ga er maar even van uit dat onze gevoelens niet helemáál door ons primateninstinct bepaald worden. Overigens lijkt het mij om dezelfde reden mogelijk dat een neo-liberale overtuiging opzichtige hebberigheid bevordert.

donderdag 24 december 2015

Kerstnacht op Ekeby

Het plaatje is van Anton Pieck,
waar Karel van het Reve zo'n bezwaar tegen had
     In de boekenkast van mijn goede vader staan naast elkaar zes, zeven deeltjes in eendere grijs-bruine bandjes: iets van Strindberg, de Verhalen van Poesjkin, het eerste hoofdstuk van Canterbury Tales met uitgebreide aantekeningen … Het lijvigste van die deeltjes is Gösta Berling van Selma Lagerlöf. Ik las het enkele keren toen ik dertien was. Een kennis des huizes vroeg me, toen ze me erin zag lezen: ‘’t Is zeker iets hoogs?’
     Het boek is geschreven op het einde, maar speelt in het begin van de negentiende eeuw. Het gaat over een rijke majoorsvrouw, de Majoorske. Ze woont op een kasteel in het Zweedse Ekeby en ze heeft rondom zich een hofhouding van kleurrijke figuren verzameld, de twaalf ‘cavaliers’: gepensioneerde officieren, verarmde edellieden, muzikanten, woeste jagers, koppige kaartspelers … ‘Geen eendagsvliegen,’ schrijft Lagerlöf in haar ritmische stijl, ‘geen modejonkers, maar mannen, moedige sterke mannen. Geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken, maar arme zorgeloze mannen. Geen slaperige thuiszitters, die ’t hoofd laten hangen, maar rondzwervende mannen, blijde ridders met honderd avonturen, die nooit iets doen dat wijs of nuttig of oudewijfachtig is.’ En onder die cavaliers is Gösta Berling, de afgezette dominee, die altijd met vrouwen van doen heeft.
     Het eerste hoofdstuk van het boek heet ‘Kerstnacht’. Terwijl brave mensen in boshutten zich klaarmaken om naar de kerkdienst te vertrekken, houden de cavaliers een drinkgelag in de smidse van het kasteel. Ze zitten rond een grote koperen ketel waarin de blauwe vlam flikkert van de hete, zoete punch. Gösta Berling houdt een hoogdravende tafelrede, vol mythologische verwijzingen. Dan zetten de cavaliers de stoelen weg, doen een rondedans en gaan op de vloer liggen, rond de punchketel die van mond tot mond gaat, tot hij wordt omgeduwd en de kleverige drank op de dronken cavaliers terecht komt. Ook is er die nacht een onverwachte gast, zoals je kunt zien op het plaatje.
     Selma Lagerlöf is een goeddeels vergeten schrijfster. Ooit was ze gevierd. Haar werk werd verfilmd en vertaald in alle beschaafde talen – maar toch vooral in het Duits, want die Duitsers houden van boeken met dennenbossen. In 1909 kreeg ze de Nobelprijs voor Literatuur. De jonge Karl Popper vond haar boeken prachtig1 en Menno ter Braak noemde Gösta Berling ‘het boek waarmee we onze beste romantische uren beleefden’.
     Maar heb je eigenlijk iets aan zo’n boek als je niet in de negentiende maar in de eenentwintigste eeuw leeft, en je bent geen Duitser, en ook geen dertien jaar meer? Ik herlas het boek niet zo lang geleden, op vakantie in Sorrento. Bij dat herlezen valt mij altijd op dat die nieuwe lezing zich niet in het geheugen nestelt. Díe plaats in het geheugen wordt al ingenomen door de vorige lezing. Als ik mij nu Gösta Berling voor de geest haal, herinner ik mij het boek van zevenenveertig jaar geleden, en niet dat van kortgeleden. Maar verder maakte het boek op de bijna zestigjarige ongeveer dezelfde indruk als op dertienjarige. De hoofdstukken die mij nu het meeste bevielen, waren de hoofdstukken die mij toen ook het beste meegevallen waren: de kerstnacht in de smidse; Gösta en Anna achtervolgd door de wolven; de Boze – hij wiens naam men niet noemen mag –  die op zondagmiddag op bezoek komt bij de oude Ulrika; ‘mijn bleke vriend, de Dood,’  die aarzelt voor de deur van kapitein Ugla; de eerzuchtige filosoof Eberhard die uit liefde voor de gravin zijn alleszermalmende werk niet openbaar maakt, maar het verstopt in een kist onder de trap van de kerk in Svartsjö. En ook omgekeerd: de hoofdstukken die me toentertijd het minste bevielen, die waren ook dezelfde gebleven: over de uitvinder Kevenhüller, over de heks van Dövre, en nog een paar.
    Onlangs zag ik dat er van het boek een nieuwe Nederlandse vertaling uit is, van een zekere Greta Baars-Jelgersma. Daar kan ik niet akkoord mee gaan. Er is maar één vertaling en dat is die van Margaretha Meyboom uit 1919, in de oude spelling en met ‘jelui’ in plaats van ‘jullie’. Bij antiqbook.be zijn er nog enkele exemplaren van te krijgen, maar na dit blogpostje zul je snel moeten zijn.

1 Behalve Gösta Berling, mais passons.
 

maandag 16 november 2015

Handkus

De zestienjarige Poesjkin draagt voor - voorovergeborgen
en ingespannen luisterend: Derzjavin
      In 1982 ging ik in Brussel wonen. Daar was toen een Engelse boekenwinkel WHSmith – misschien is die er nog – en in die winkel lagen toen grote stapels van Richard Elmanns Joycebiografie, die zojuist opnieuw was uitgebracht. Wat had ik graag het geld gehad om die te kopen, dacht ik, en tijd om ze te lezen … Nu, na zovele jaren,  heb ik het geld, en af en toe ook de tijd.
     Die lijvige biografie van professor Ellmann (842 p.) staat vol aardige anekdotes. Zoals deze, op bladzijde 114. Een jongeman benaderde Joyce en vroeg: ‘Mag ik de hand kussen die Ulysses geschreven heeft.’ ‘Nee,’ antwoordde Joyce, die hand heeft nog wel meer dingen gedaan.’ Heel leuk, en voor één keer doet de auteur niet uit de hoogte.
     Een soortgelijk verhaal als dat van Joyce vinden we in de eveneens lijvige Poesjkinbiografie van professor Binyon (731 p.). Op bladzijde 33 citeert de professor een grappig stuk van Poesjkin, die vertelt hoe hij als scholier de beroemde dichter Derzjavin ontmoette. De oude dichter bezocht Poesjkins school en de jonge dichter rende de trappen af om ‘de hand te kussen die “De waterval” geschreven had’. Maar toen Poesjkin de inkomhal bereikte, hoorde hij de oude dichter aan de portier vragen: ‘Waar is hier het toilet, beste kerel?’ Poesjkin heeft Derzjavins hand toen niet gekust. Die hand had nog wel meer dingen gedaan.

Oorspronkelijk geplaatst op 7 augustus 2015

dinsdag 28 juli 2015

Poesjkins geslachtsziekte


   Uit de biografie van Poesjkin kunnen we leren hoe hoerenlopen de gezondheid kan schaden. Zekere keer wilde Poesjkin een prostituee bezoeken die op dat moment last had van een of andere geslachtsziekte. Ze wilde haar klant niet besmetten en weigerde de deur open te doen.
    Daardoor bleef de dichter buiten in de kou staan en liep hij een longontsteking op.
   Oorspronkelijk geplaatst op 30 oktober 2014