Posts tonen met het label Harry Mulisch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Harry Mulisch. Alle posts tonen

dinsdag 3 april 2018

Verhalen over lesbische liefde

Dit stukje is alleen bestemd voor lezers die niet van plan zijn om Harry Mulisch zijn boek Twee vrouwen (1975) te lezen - of die het al gelezen hebben. Ik ga namelijk het einde van dat verhaal verklappen. Hetzelfde geldt voor de films Carol (2015), The Handmaiden (2016) en de Black Mirror-aflevering ‘San Junipero’ (2016).  Goed. Is iedereen vertrokken die hier niet moet zijn? Dan kunnen we beginnen.

          Verhalen over lesbische liefde moeten een goede afloop hebben, dat vind ik ervan. En ik vind dat al lang. Ik las meer dan twintig jaar geleden dat boekje van Harry Mulisch over de rijke intellectuele Laura en het kapstertje Sylvia. ’t Is een netelige geschiedenis. De twee vrouwen houden van elkaar, maar Laura lijdt onder haar kinderloosheid en Sylvia is vaak nukkig en zwijgzaam. Dan gaat Sylvia ervandoor met de ex-man van Laura. Groot drama. Wanhoop. Zelfmoordgedachten. Maar plots staat Sylvia opnieuw voor de deur. Ze is zwanger, als cadeautje voor Laura. ‘Waarom heb je het mij niet gezegd,’ vraag Laura. ‘Alsof je het dan goedgevonden had,’ antwoordt Sylvia gevat. Tranen van geluk. ‘Ik ga vast uitpakken,’ zegt Sylvia.
     Ik was onder de indruk van dat happy end. Mijn reactie was dezelfde als die van Judi Dench in Philomena (2013):  I certainly didn’t see that one coming. Dat Mulisch de zaak alsnog verknoeit door er een tragische epiloog aan te breien, kon mij niet zoveel schelen. In een epiloog, zegt Macaulay, worden klappen uitgedeeld die geen pijn doen.
     Een kleine twintig jaar later zag ik een film over een rijke intellectuele in het New York van de jaren vijftig. Carol heet ze. Ze begint een verhouding met het verkoopstertje Therese. ’t Is alweer een netelige geschiedenis. Carol is getrouwd en heeft een dochtertje, en Therese is vaak nukkig en zwijgzaam – Carol eigenlijk ook. Carol wil scheiden van haar man, maar is bang om haar dochtertje te verliezen. Hoogoplopende ruzies met de echtgenoot. Breuk tussen Carol en Therese. Dan: nieuwe ontmoeting. Carol nodigt Therese uit om die avond naar een bepaald restaurant te komen. Therese weigert. Gaat toch. Carol zit aan een tafeltje. Ziet Therese. Haar gezicht bloeit open terwijl de camera langzaam nadert. De mooiste glimlach die ik ooit in een film heb gezien. I certainly didn’t see that one coming.
     Ik heb toen besloten dat verhalen over lesbische liefde een goede afloop moeten hebben. En gelukkig is er af en toe iemand die met mijn besluiten rekening houdt. Neem nu Chan-wook Park, de Koreaanse regisseur van sombere films over wraak. In zijn laatste film, The Handmaiden leek een treurig einde onvermijdelijk. Het kon niet tegelijk goed aflopen, dacht ik,  voor de sympathieke oplichtster Sook-hee, en meteen ook voor het slachtoffer van de oplichterij, de tragische vrouwe Hideko. Maar dan moet vrouwe Hideko in bad en Sook-hee moet haar daarbij helpen. Aha, dacht ik, dat kan een nog een mooie liefdesgeschiedenis worden. En vanaf dan was ik bezeten van één gedachte: het verhaal moest goed aflopen, ondanks de dreigementen van een wrede oom en de intriges van een gewetenloze schurk. En zie, ik werd op mijn wenken bediend. Het einde was niet alleen gelukkig, maar zelfs vrolijk, met meisjesgegiechel en pikante speeltjes.
     Laatst keek ik met vrouw en zoon naar een aflevering van de televisiereeks Black Mirror.  Ik weet niet of de lezer die reeks kent. Laat ik het zo stellen: het woord ‘Black’ in de titel staat er niet toevallig. Ik heb niet alle afleveringen gezien, maar wat ik gezien heb, eindigde altijd treurig. En nu keken wij naar de vierde aflevering van het derde seizoen, die zich afspeelt in het toeristische kuststadje San Junipero, ergens in de jaren ’80.  Dat is eigenaardig, want meestal speelt de reeks in de nabije toekomst. Zoals vaak in de reeks duurde het eventjes voor je kon raden in welke richting het verhaal uitging. Deze keer ging het over de truttig geklede Yorkie die in een bar wordt aangesproken door de levenslustige Kelly. Kelly wordt achtervolgd door een ex-vriendje. Of Yorkie kan helpen om dat vriendje af te wimpelen? Yorkie kan dat en wimpelt het vriendje af, waarvoor Kelly erg dankbaar is. Misschien wordt het iets lesbisch, zei Jan, want die jongen is bij de pinken. Ja, het ging die richting uit.
     Toen werd ik zenuwachtig. Hoe meer het verhaal vorderde, hoe dichter het happy end binnen handbereik kwam. Maar zagen de makers van de serie het ook zo? Ik ben tot het einde van de aflevering, tegen beter weten in, blijven hopen op een gelukkige afloop. En zie, tijdens de aftiteling komt alles goed. Of toch een beetje, want het blijft Black Mirror.

zondag 2 april 2017

Nationalisme en loyaliteit

     Op mijn eigen facebookpagina las ik onlangs een heftige discussie tussen een voor- en een tegenstander van het nationalisme – en van het Vlaamse nationalisme in het bijzonder. Ik hou mij in zo’n geval voorzichtig op de achtergrond. Wel blijft die kwestie dan weken rondspoken in mijn hoofd.
     Want wat is nationalisme? Misschien komt dit in de buurt: een speciaal gevoel van loyaliteit tegenover het eigen volk. Dat is dan wel een wonderlijk gevoel want het is meestal niet erg duidelijk waarin dat eigen volk nu precies verschilt van een ander en wat het juist gedaan heeft om die loyaliteit te verdienen.

     Zo’n onredelijke loyaliteit bestaat echter niet alleen bij naties. Je vindt ze bij politieke partijen, bij geloofsovertuigingen, bij voetbalclubs. In het Romeinse rijk had je ze bij het wagenrennen. In de arena bestreden de ‘blauwe’ en de ‘groene’ wagenmenners elkaar en achteraf leverden de supporters slag in de straten van Rome of Constantinopel. Plinius de Jongere vond dat belachelijk, maar Plinius was een snob.
     Ondertussen mogen we aannemen dat bij de nationalisten redelijke en onredelijke mensen bestaan. En bij de antinationalisten ook. Er bestaat een facebookgroep ‘Slechte Vlamingen’ en zelfs een groep ‘Extra Slechte Vlamingen’. Van die laatste weet ik het niet zeker, maar bij de eerste, de gewone Slechte, vind je wel eens een redelijke opmerking. Redelijke mensen zijn er namelijk overal. Je vindt ze bij de supporters van Stormvogels Haasrode en je vindt ze bij de supporters van – nou ja – Royal Sporting Anderlecht. De redelijk-loyalen zien de betrekkelijkheid van hun eigen standpunt, begrijpen dat de eigen club in de fout kan gaan en geven toe dat niet alles de schuld is van de scheidrechter. Boven alles schuwen de redelijk-loyalen het gebruik van geweld om hun trouw te bewijzen aan volk, partij, geloof of club.
     Je zou die loyaliteit – ook de redelijke – een vorm van tribalisme kunnen noemen. Dat is een wat negatief geladen woord. Maar je kunt het ook anders bekijken. ‘Tribalisme’ verwijst naar het begin van de menselijke beschaving. Gewoontes en gedragingen die toen ontstonden zijn diep ingesleten in onze natuur. Jonathan Haidt* bijvoorbeeld gelooft dat het gevoel voor loyaliteit evolutionair ontstaan is uit de noodzaak om coalities te vormen en hij noemt het een van de vijf of zes grondslagen van de moraal.
     Niet iedereen heeft een gelijke behoefte aan loyaliteit. Er loopt hier en daar wel een vaderlandsloze gezel rond, agnost in geloofszaken en strikt onpartijdig in de politiek en de sport. Maar of hij van geen énkele club lid is, durf ik betwijfelen. Misschien behoort hij net als ik tot de Reve-lezers-Mulisch-hatersclub of tot het Leve-Schopenhauer-weg-met-Hegelbroederschap, of tot nog een ander geheim genootschap – zo geheim dat zelfs de leden ervan niet weten dat het bestaat.
     Nee, niet iedereen heeft eenzelfde talent voor wij-en-zij-denken. Maar wie dat talent beslist in grote mate bezat, was Dr. Johnson (1709-1784) waar Marc Vanfraechem** altijd over schrijft. Toen hij in de havenstad Plymouth logeerde, had hij gezien dat er in de buurt een nieuw havenstadje was opgerezen dat ‘The Dock’ werd genoemd. Hij kantte zich onmiddellijk tegen de nieuwkomers. Als toerist in Plymouth vond hij het zijn plicht om op te komen voor de Oude Stad. Bij elke gelegenheid sprak hij kwaad van de ‘Dockers’. Toen hij hoorde dat de nieuwe stad had gevraagd om een deel van Plymouths watervoorraad te mogen gebruiken, riep hij, half voor de grap, maar met luide stem: ‘Nee, nee! Ik ben tegen die Dockers! Ik ben een Plymouth-man. De schurken. Dat ze omkomen van de dorst. Ze krijgen geen druppel.’
     Kijk, zo ver moet men het nationalisme niet drijven.
 
*Zie The Rightheous Mind (2012) en hier.
**Zoals hier bijvoorbeeld.


Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.

zondag 27 november 2016

De opgeheven vinger van Fidel Castro

     Hoewel ik niet op zijn graf zal dansen, spuwen of pissen, wil ik toch even kwijt dat ik Fidel Castro nooit erg gemogen heb.* Lenin kon een scherp polemiekje voeren, Stalin maakte graag cynische grapjes en Mao liet zich interviewen in zijn onderbroek en noemde zichzelf een ‘monnik onder een lekke paraplu’ wat, geloof ik, iets als ‘brutale vlerk’ betekent.  Maar Fidel leek altijd over zijn schouder te kijken om te zien wat de Geschiedenis van zijn optreden vond. Hij viel nooit uit zijn rol van moraliserende vader des vaderlands. Hij was geen communist van de gebalde vuist, maar van de opgeheven vinger.
     Later daagde bij mij het inzicht dat er niet alleen met Fidel maar met de hele toestand op Cuba iets niet pluis was.
     Ik ben maar één keer op Cuba geweest begin de jaren negentig. Ik heb er niet, zoals de vrienden van Cuba, diepe gesprekken gehad met arbeiders, boeren en welzijnswerkers. De enige diepe gesprekken die ik heb gehad waren met de gids van onze groepsreis. Ze heette, laten we zeggen Camila, want we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.
     Ze was de dochter van een revolutionaire strijder van het eerste uur, en kinderen van revolutionaire strijders van het eerste uur genieten op Cuba allerlei voorrechten. Ook kreeg ze als gids fooien in dollars waardoor ze af en toe wat kopen kon in een echte winkel. De andere winkels, waar je met Cubaanse pesos terecht kon, boden niets aan wat je echt wou. In het buitenland doet mijn vrouw niets liever dan de sfeer opsnuiven van voedingswinkels en supermarkten en op Cuba was die sfeer … euh … bevreemdend. Een Cubaanse pesowinkels deed denken aan een vervallen privé-museumpje in een achterafstraatje. In haar officiële rol legde Camila uit dat die winkels zo slecht voorzien waren vanwege de economische blokkade door de Verenigde Staten. Die ‘blokkade’ kwam erop neer dat de Cubanen vanuit bijna alle landen, behalve de VS, alles konden invoeren als ze de wereldmarktprijs betaalden en dat ze ook alles konden uitvoeren naar bijna alle landen, behalve de VS, maar alweer aan de wereldmarktprijs. De tijd dat ze boven de prijs verkochten en onder de prijs invoerden, vanuit het communistische Oostblok, was juist afgelopen en dat was, geloof ik, de echte reden van de economische crisis. Ondanks die crisis heb ik op Cuba geen bedelaars gezien. Wel nette, oude heren die op rommelmarkten boeken uit hun bibliotheek te koop aanboden. Daar zaten exemplaren bij die ik niet graag weg zou moeten doen.
     Wat vond Camila nu eigenlijk van Fidel? Moeilijk om te zeggen. Haar houding leek mij een beetje op die van een adolescent tegenover zijn vader of moeder. Trots, want Fidel was tenslotte een Cubaan. He may be a bastard, but he is our bastard, moet ze gedacht hebben. Maar ook schaamte. In het museum van de revolutie sprak ze zo weinig mogelijk over Fidel Castro en Che Guevara en zoveel mogelijk over Camilo Cienfuegos, die andere revolutionaire leider die op tijd overleed zodat hij niets met de communistische misère van na 1960 te maken heeft gehad. In een of ander kustdorpje vertelde Camila ons, in haar officiële rol, over een landelijke viswedstrijd die daar had plaatsgevonden. Fidel Castro en Ernest Hemingway hadden eraan deelgenomen en natuurlijk had hij gewonnen**. Wie was ‘hij’, wou ik weten. Ze mompelde zo stil mogelijk de naam van de líder máximo en ik zonk in de grond van schaamte omdat ik haar met mijn vraag in verlegenheid had gebracht.
     Verfrissend was dat Camila in persoonlijke gesprekken op geen enkel moment de líder máximo ernstig nam. Ik vroeg haar wat ze ervan vond dat hij mensen die wilden emigreren voor ‘gusanos’ – wormen – uitschold. ‘Och,’ zei ze, ‘hij houdt zo van dat woordje.’ Ik vroeg haar wat ze vond van de Cubaanse militairen in Angola. Camila keek mij vragend aan. Zoiets moest toch dagelijks op het nieuws geweest zijn, zei ik. Dat wel, maar Camila was ervan uitgegaan dat er helemaal geen Cubanen in Angola waren en dat het om de zoveelste opschepperij van Fidel ging.
     Er waren drie dingen die Camila erg vond in haar land. Het eerste was dat er ‘geen toekomst’ was. Je kon er niet ‘vooruit’ komen. Cuba was het land van de vlakke loopbaan. Nu zijn er overal ter wereld mensen die een vlakke loopbaan hebben en zich daar niet aan storen. Ik bijvoorbeeld sta in het onderwijs. Maar onder het communisme heb je de indruk dat die vlakke loopbaan van de wieg tot aan het graf wettelijk bindend is vastgelegd. Er is niet eens plaats voor de illusie dat men hogerop zou kunnen komen, als men hard zijn best deed. Sommige mensen storen zich daaraan.
     De tweede ergernis van Camila betrof de politieke toeristen in haar land. Je zag overal bussen met Mexicanen en Bolivianen van een of andere vakbond van onderwijzers of gezondheidswerkers. Die kwamen op Cuba ‘het socialistisch systeem bestuderen’, de dwaze halzen. Bovendien waren die vakbondsmensen vaak erg dik en van Indiaanse afkomst, zei Camila. In Cuba zag je weinig zwaarlijvigheid en, al was er weinig of geen discriminatie van de zwarte minderheid, met Indianen liepen ze daar niet hoog op.
    De derde reden tot kribbigheid was de corruptie. Wij kennen corruptie van de krant en het tv-nieuws maar zelf heb ik nog nooit iemand moeten omkopen. Ik heb ooit eens een bloemetje geschonken, achteraf, aan een loketbediende die een reispas vóór een moeilijke deadline georganiseerd kreeg en dat is alles. Op Cuba is dat anders. Voor alles moest je een abogado omkopen, vertelde Camila. Ik dacht eerst dat Cuba vergeven was van advocaten, zoals er in het land ook twee keer zoveel artsen zijn als bij ons***. Maar abogado’s bleken gewoon ambtenaren met een rechtendiploma. En daar waren er inderdaad veel van. In zekere zin leek Cuba op ons land. Voor alles had je een vergunning nodig en voor alles kwam je op een wachtlijst. Alleen, die vergunning kwam er nooit en je naam bleef voor eeuwig op de wachtlijst als je de juiste abogado geen geld toestopte. Sommige Cubanen renoveerden hun huis ’s nachts, en alleen aan de binnenkant, om de vergunningsplicht te ontlopen.
     Gunstig bij dit alles is dat Camila dat allemaal zomaar vertelde aan een buitenlandse toerist die ze van haar noch pluimen kende. Het bewijst dat de Castrodictatuur in dat opzicht meer op het hitleriaanse dan op het stalinistische regime leek. Onder Stalin was je zelfs niet veilig als je kritiek op het regime had in het bijzin van je zoon of dochter en ook je beste vriend en je eigen vrouw kon je maar beter niet vertrouwen. In het Duitse gastgezin waar mijn vader logeerde gedurende de laatste jaren van de oorlog had aan tafel iedereen kritiek op het regime. Alleen Frau Sacksenröder, die lid was van de nazipartij, zweeg. Niemand was bang dat ze zou klikken. In het kerkkoor van mijn grootvader werd bij elke repetitie de politieke en militaire toestand onder de loep genomen. Mijn grootvader was anglofiel en werd door een koorlid verraden. Hij kreeg van de autoriteiten een vermaning. Wellicht was dat ook de ergste straf die Camila kon krijgen voor haar indiscreties – een vermaning. In het Duitsland van Hitler moest je een openlijke opposant, een jood, een zigeuner of een homoseksueel zijn om vervolgd te worden. Of je moest je op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden. In het Cuba van Castro werd je alleen vervolgd als openlijke opposant. En als homoseksueel natuurlijk. Maar over dat laatste heeft Castro later zijn spijt betuigd.
    

Zie over Castro ook hier en hier.
** Fidel Castro was niet alleen een groot visser, maar ook een formidabele basketbalspeler. De Nederlandse auteur Harry Mulisch beschreef in zijn enthousiaste boek Het woord bij de daad hoe Fidel aan een stelletje zwarte spelers liet zien hoe het moest. ‘Soepel omspeeld door de snelle zwarte jongens, wier benen ergens bij hun oksel schenen te beginnen, maakte hij [Fidel] persoonlijk 24 punten, zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld, want daar heb ik op gelet.’ Zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld! Wat een kerel! 

*** Sp.a-volksvertegenwoordiger Kurt de Loor haalt in zijn lyrisch afscheid van Fidel de overvloed aan artsen aan als argument voor Cuba. Terwijl je juist van dat soort mensen vaak hoort dat het kapitalisme de mensen ziek maakt. Schreef Harry Mulisch niet dat op Cuba de ziekte was ‘afgeschaft’? Maar misschien brengt het socialisme zijn eigen kwaaltjes voort. Dan mogen we hopen dat de Cubaanse artsen niet alleen dubbel zo talrijk maar ook dubbel zo kundig zijn als de onze.