Posts tonen met het label Pieter Lesaffer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pieter Lesaffer. Alle posts tonen

zaterdag 14 september 2019

Het Nieuwsblad ziet maar één democratie

     Hoewel ik nogal dweepzuchtig ben aangelegd, heb ik weinig voeling met het nationalisme. Ik krijg geen tranen in de ogen bij het horen van enig volkslied, behalve dan bij dat van het vroegere Oost-Duitsland (hier). Maar toen ik voor het eerst Bart De Wever de uitdrukking hoorde gebruiken van ‘de twee democratieën’, begreep ik onmiddellijk wat hij bedoelde. Hier werd loodrecht op de kop van de spijker geklopt.
     De zaak is immers eenvoudig. Er gaat elk jaar zeven miljard euro van Vlaanderen naar Wallonië in het kader van de sociale zekerheid. Dat komt omdat Wallonië een nogal socialistisch beleid voert. Zo’n beleid heeft als gevolg dat een relatief groter deel van de bevolking van uitkeringen leeft, en het geld voor die uitkeringen wordt dan door Vlaanderen bijgepast. De Vlamingen kunnen dat trekken want bij hen wordt een een wat liberaler economisch beleid gevoerd en er wordt dus wat meer rijkdom voortgebracht.
     De Vlamingen geven de indruk de hele toestand redelijk stoïcijns op te vatten. Onderzoekers hebben uitgerekend dat slechts tien procent van de Vlamingen onafhankelijk wil worden van Wallonië. Dat is niet zoveel. Maar er zijn naast die tien procent nog heel wat Vlamingen die misschien geen volledige onafhankelijkheid willen, maar die er in elk geval geen bezwaar tegen hebben dat de landsdelen méér eigen verantwoordelijkheid zouden krijgen. Men spreekt soms van een Vlaamse grondstroom. Je zag en ziet die grondstroom opduiken op de meest onverwachte plaatsten, zoals in de helaas lang vergeten burgermanifesten van Guy Verhofstadt, of bij CD&V’ers die verder over niets een mening hebben.
     Die Vlaamse grondstroom wordt gevoed door verschillende bijrivieren. Er is de oude taal-en-cultuurkwestie die traditionele flaminganten wakker houdt. Maar dat is lang niet het enige. Mijn broer bijvoorbeeld had nooit iets met taal, cultuur of flamingantisme te maken gehad. Toen ging hij in Brussel werken in een groot tweetalig bedrijf. Het duurde niet lang of het contact met het Waalse chauvinisme had hem al snel enig Vlaams gevoel bijgebracht. En voor mensen als ik ten slotte, mensen zonder taal, cultuur of gevoel, is er nog altijd de centenkwestie en dat socialistische blok aan ons been. Zo hebben we allemaal onze eigen redenen om enigszins Vlaams te denken.
     Bij de Walen is het eenvoudiger. Die zijn vrij eensgezind belgicistisch, en tegen eigen verantwoordelijkheid, en dat vanwege slechts één reden: de centen. PS-man Marc Uyttendaele, de man van Laurette Onckelinx, zei het onlangs nog in De Standaard (hier): ‘De sociale zekerheid is dé meerwaarde van het federale België voor de Franstaligen … Geen enkele Franstalige politicus gaat beslissingen nemen die zijn kiezers minder comfortabel laten leven … Als de sociale zekerheid springt, en ze kan springen, moet je niet verwachten dat er nog één Franstalige [toelaat] dat anderen iets te zeggen hebben over zijn eigen toekomst.’* Slechts één reden: dat is duidelijk. En als die wegvalt kan de splitsing niet snel genoeg gaan. Beter dan die PS-man kan ik het niet uitleggen.
     Vóór de verkiezingen hoorde je ook in Vlaanderen wel eens Alexander De Croo of Kristof Calvo iets zeggen over ‘herfederalisering’. Maar de recente erg verschillende verkiezingsuitslag in Vlaanderen en Wallonië maakt het moeilijk om dat verhaal vol te houden. De vorming van een Vlaamse regering gaat vlot, de vorming van een Waalse regering eveneens, maar een Belgische regering, dat wordt véél moeilijker. Hier wordt het verhaal van de twee democratieën met prenten geïllustreerd voor wie traag is van begrip - of van prenten houdt (hier).
     Allerlei politicologen en journalisten worden er wanhopig van. Knack (hier) bracht een groot stuk onder de titel ‘Confederalisten voeren de hoge tonen in het debat: waar zijn de Belgen gebleven?’  Wel, bij Het Nieuwsblad lopen er enkele van rond.  Pieter Lesaffer schrijft in een commentaar van 10 september (hier) dat Wallonië géén andere democratie is dan Vlaanderen omdat het regeerakkoord van Di Rupo ‘zo veel gelijkenissen met de Vlaamse startnota’  vertoont. En in de krant van de dag erop staat een groot artikel van Farid el Mabrouk onder de kop ‘Meer gelijkenissen dan verschillen tussen politiek Vlaanderen en Wallonië’ (hier). Daar komt onder andere politicoloog Sinardet aan het woord die zijn gelijkenissenverhaal al in 2014 aan de man bracht (hier).**
     Om het overzichtelijk te houden heeft Het Nieuwsblad een lijstje gemaakt met de gelijkenissen en de verschillen tussen de Vlaamse en Waalse programma’s. Het lijstje van de gelijkenissen is langer.*** Het Vlaamse programma wil de werkgelegenheid verhogen, wil investeren in energie, mobiliteit en klimaat, wil lucht- en waterkwaliteit verbeteren en wil dat Vlaanderen tot de meest performante regio’s behoort. En nu denk je: de Walen willen natuurlijk minder werkgelegenheid, minder investeren in mobiliteit, willen slechtere lucht en slechter water en willen tot de minst performante regio’s behoren. Maar nee, de Walen willen hetzelfde als de Vlamingen: méér werkgelegenheid enzovoort. Quod erat demonstrandum.
     Nou ja, er zijn ook verschillen, geeft Het Nieuwsblad toe, maar dát lijstje is korter: Franstalig België heeft weinig aandacht voor integratie en inburgering van nieuwkomers, wil gratis bussen inleggen, en wil niet investeren in wegen, want ze hebben er genoeg. En een laatste verschil: in Wallonië heeft men ‘een andere visie op de overheid’. Een andere visie op de overheid … dat is mooi gezegd.
    Eigenlijk komt het hierop neer: zoeken naar gelijkenissen en verschillen is een delicate aangelegenheid. In de kleuterklas kun je de kleintjes nog vragen om twee prenten te vergelijken en zeven verschillen te zoeken. Dat heet een ‘gesloten opdracht’. Er zijn zeven verschillen, niet meer of niet minder. Maar als ik in het middelbaar twee gedichten laat vergelijken is dat een heel andere zaak. Dat is een ‘open opdracht’. De leerlingen moeten dan zoeken naar significante verschillen en gelijkenissen, want ja, de gedichten bevatten allebei letters en die letters vormen woorden, en er is veel witte ruimte aan de linker- en de rechterkant van de tekst. Maar de meeste leerlingen voelen aan dat het daar niet om gaat.
     Hannah Arendt heeft indertijd een interessant boek geschreven over de gelijkenissen tussen nazisme en communisme. ’t Is een mooi voorbeeld van hoe je door vergelijken dieper kunt nadenken. Op elke bladzijde bewijst Arendt haar finesse, eerlijkheid en onderscheidingsvermogen. Ze dringt door tot de kern van het totalitarisme. Maar je kunt natuurlijk ook gemakkelijk een lijstje maken van de vele gelijkenissen tussen het Engeland van Churchill en de het Duitsland van Hitler. ’t Zou iets voor Lesaffer zijn. Er werd in de twee landen met de auto gereden, maar vaker nog gefietst. Men ging naar de cinema. Als men buitenkwam droeg men een hoed.





Niet willen dat anderen iets te zeggen hebben over je eigen toekomst, is dat geen redelijke definitie van het nationalisme, waarvan Uyttendaele beweert dat het in Wallonië niet bestaat?

** Zo heeft Sinardet wetenschappelijk vastgesteld dat Vlamingen en Walen ongeveer hetzelfde denken over ... het rookverbod. Anderzijds blijkt uit de lijstjes van Sinardet dat er meestal 5 tot 10 procentpunten verschil is tussen wat Vlamingen en Walen over bepaalde politieke kwesties denken. Zulke verschillen in procentpunten zijn geloof ik voldoende om een heel andere mentaliteit af te bakenen, en méér dan voldoende om een heel ander beleid te sturen. 

*** Je ziet gemakkelijk in dat de lengte van zo’n lijstje niet erg belangrijk is. Geleerden hebben lijstjes opgesteld van de gelijkenissen tussen het DNA van een mens en dat van een chimpansee, een hond en een banaan. Dat zijn héél lange lijstjes, en in het geval van de chimpansee veel langer dan het lijstje met de verschillen. Toch moet niemand – ook Sanctorum niet – mij een aap noemen.

zaterdag 28 juli 2018

Wantoestanden in de frietwereld

     In Spielbergs film over the Washington Post zegt eigenares Kay Graham (Meryl Streep) iets over de missie van haar krant. De krant moet zich wijden, zegt ze, aan ‘outstanding news collection and reporting’ én aan ‘the welfare of the nation’. Dat zijn twee verschillende zaken. Als je thuiskomt van een buitenlandse vakantie en je neemt het stapeltje kranten door dat zich tijdens je afwezigheid heeft opgestapeld, merk je hoe dodelijk ernstig onze journalisten dat tweede luik nemen – ‘the welfare of the nation’.
     Vooral hoofdartikelenschrijver van Het Nieuwsblad, Piet Lesaffer, schittert in de rol van muckraker die zelfs in volle komkommerperiode elke dag iets vindt om te veroordelen: oudere werklozen die niet geactiveerd worden (19 juli), de bemoeizieke traditie van het koningshuis (20 juli), plastic flessen en blikjes op de bermen (23 juli), onvoldoende Europese regels (24 juli), een Zomerakkoord met losse eindjes (25 juli), jongeren die gegokt hebben op het wereldkampioenschap voetbal (26 juli) en, ten slotte, een ongelijkvormig waterbeleid van provincies en drinkwaterbedrijven dat ‘nieuwe munitie geeft aan degenen die de provincies willen afschaffen’ (27 juli). En iedere keer vindt Pieter dat er meer regels* moeten komen en dat de overheid méér en krachtiger moet optreden, behalve dan in het geval van koning Filip, want die kan ‘een positieve balans’ voorleggen en ‘is gegroeid in zijn rol’.
     Van hoofdartikelenschrijvers in het algemeen, en van Pieter in het bijzonder*, zijn we wel wat gewend. Grappiger wordt het als het veroordelen van misstanden wordt verwerkt in de lead van een informatief artikel. Kent iemand van mijn lezers het probleem van ‘de kleine friet’? Het Nieuwsblad van 26 juli wijdt er een volledige, rijkelijk geïllustreerde pagina aan. Ik citeer de inleiding: ‘Wie “een kleintje” bestelt, weet nooit wat hij zal krijgen. Ook al meegemaakt? Je bestelt “een kleintje met mayonaise” en stapt het frietkot weer buiten met een gigantisch pak. Terwijl je in het naburige dorp wél een normale portie krijgt. Je bent niet de enige. Er staat geen maat op onze frieten. Letterlijk dan. Tien keer bestelden we een pakje over heel Vlaanderen en het verschil was ­immens. En in de kwak mayonaise zat al evenmin een lijn.’
     Is dat niet enig? De kreet ‘Wat doet de regering?’ ontbreekt, maar de eerlijke verontwaardiging is er niet minder om. ‘Er staat geen maat op’, ‘gigantisch’, ‘in het naburige dorp wél een normale portie’, ‘immens verschil’, en niet te vergeten dat gebrek aan ‘lijn in de kwak mayonaise’. De rest van het artikel biedt de nodige achtergrondinformatie. Het gemiddelde ‘normale’ pakje bevat 350 gram friet. De ‘kleintjes’ variëren van 391 gram (Chatooke, Lokeren) tot 215 gram (Red Rooster, Torhout). Van Chatooke wordt nog vermeld dat daar nog ‘extra wordt opgeschept tijdens het verpakken’. Ja kijk, als we zo beginnen.
     En het ergste is dat er geen beterschap in zicht is. Het Nieuwsblad heeft namelijk Bernard Lefevre geïnterviewd, de voorzitter van de frituristenbond Navefri. Daaruit blijkt glashelder dat die geharde frietbakker niets moet hebben van de Nederlandse aanpak met standaardgewichten. ‘We gaan niet beginnen met wegen,’ verklaart hij aan de krant, ‘we zijn geen apothekers. Een friturist is een doorsnee Belg, iemand die zijn zin doet. Wij willen onze eigen stijl: de inhoud, het type patat, op hoeveel graden ze gebakken worden. En dat geldt net zo goed voor de kwak mayonaise.’
     Het staat er werkelijk zo, beste lezer, dat geldt net zo goed voor de kwak mayonaise.


* Op 28 juni bevatte het hoofdartikel van Het Nieuwsblad een heel redelijk pleidooi voor minder regels, met name in de kinderopvang. Dát stuk was van Liesbeth van Impe.
** Pieter lijkt meestal een adept van het activistisch sofisme: ‘Er moet iets gedaan worden. Dit is iets. Dit moet gedaan worden.’ Maar dat is geen juiste redenering. Om juist te zijn moet de middenterm van het syllogisme (‘iets’) gedistribueerd zijn en dus de hele klasse van de ‘ietsen’ bevatten. Een correct syllogisme zou zijn: ‘Alle ietsen moeten gedaan worden. Dit is iets. Dit moet gedaan worden.’

vrijdag 8 december 2017

Over kernenergie, al ben ik geen ingenieur

     Op de voorpagina van Het Nieuwsblad lees ik het dat N-VA het energiepact ‘opblaast’. Dat is krachtig verwoord, maar alles kan beter, zoals bewezen wordt op bladzijde zes. Daar heet het dat N-VA ‘een atoombom plaatst’ onder de kernuitstap. Nu komen we in de buurt. Als die ‘atoombom’ van bladzijde zes ook nog wordt ‘opgeblazen’ zoals op bladzijde één, kunnen we de jodiumpillen beter bij de hand houden.
     Wie op de redactie aan die hysterische taal niet meedoet, is Pieter Lesaffer. ‘Je hebt minstens een ingenieursdiploma nodig’, schrijft hij in zijn commentaar, ‘om deze discussie met rationele elementen te beslechten.’ Nu kun je van mij veel zeggen, maar niet dat ik ingenieur ben. Toch heb ik mij in het verleden wel eens tot een discussie over kernenergie laten verleiden, zonder mij om rationele elementen te bekommeren. In 1980 wilde mijn universiteit, de KULeuven, een eredoctoraat toekennen aan Norman Rasmussen, een Amerikaanse professor die ingewikkelde berekeningswijzen had uitgevonden om de veiligheid van kerncentrales te beoordelen. Dat hij zoiets wou berekenen vond ik op zich al schandalig. Bovendien was hij tot de conclusie gekomen dat het met die veiligheidsrisico’s nogal meeviel. Dat vond ik zo mogelijk nog erger. Ik hield als studentenvertegenwoordiger in de Academische Raad een een klein toespraakje tegen het eredoctoraat voor die pro-kernenergieprofessor. Rector Piet de Somer lachte mij uit in mijn gezicht. ‘Kom,’ zei hij, ‘we gaan over naar het volgende agendapunt.’
     Sinds die dagen in de Academische Raad ben ik tot betere inzichten gekomen. Ik volg nu Pieter Lesaffer. De veiligheid van kerncentrales is iets voor ingenieurs, en niet voor leken zoals ik. Wel zijn de ingenieurs die ik ken toevallig allemaal voorstanders van kernenergie, maar daar wil ik niet te veel gewicht aan toekennen. Zolang ik de veiligheid van zo’n derde generatie thoriumreactor niet eigenhandig kan berekenen, doe ik er beter het zwijgen toe. Zelfs het begrip halfwaardetijd kan ik niet correct gebruiken, tot grote wanhoop van mijn lieve collega van fysica.
    Maar ik volg Pieter nu ook weer niet overal. Kernergie, schrijft hij, is een eindig verhaal, en dus kun je er maar beter zo snel mogelijk mee stoppen. Waarom zo snel mogelijk, denk ik dan. Wij zijn allemaal eindige verhalen, en toch willen we er graag nog even mee doorgaan. Misschien is kernenergie inderdaad een eindig verhaal. Dat kan. Misschien zal kernenergie in de toekomst wel degelijk worden afgelost door een alternatieve energiewinning die schoner, veiliger, betrouwbaarder en goedkoper is. Maar dat zegt weinig over de snelheid van die aflossing. Het is niet omdat Apple een iPhone X uit heeft, dat het ‘zo snel mogelijk’ moet ophouden met de productie van iPhone 6, 7 of 8. Die uitfasering komt er, maar het is een hele discussie om te beslissen wanneer die begint en hoe lang die duurt. Om Lesaffers woorden te gebruiken: je moet minstens een handelsingenieur zijn om die discussie met rationele argumenten te beslechten.

     Lesaffer beweert nog meer rare dingen. ‘Er staan investeerders en een hele industrie klaar om de energie van ons land vorm te geven. Maar dan hebben zij wel een stabiel kader nodig.’ Ja, dat zou leuk zijn, zo’n stabiel kader. Je wil wel investeren, op voorwaarde dat je belangrijkste concurrent – de kernenergie – door een politiek ‘energiepact’ is uitgeschakeld. Dan is het niet moeilijk om naast de veiligste en de schoonste ook de betrouwbaarste en de goedkoopste energie te produceren. Als je ongeveer de enige bent, ben je zeker de betrouwbaarste en de goedkoopste. Maar hóe betrouwbaar en goedkoop dat zal zijn, is een heel andere kwestie.
     Wie daar bijvoorbeeld geen goed oog in heeft, is het bedrijfsleven. Lesaffer schrijft dat ‘een deel van het bedrijfsleven’  graag de kernenergie nog wat aanhoudt, terwijl ‘de rest van het bedrijfsleven’ daar tegen is. Het moet omgekeerd zijn, geloof ik. Een welbepaald deel van het bedrijfsleven wil van de kernenergie af – dat is het deel dat zelf groot wil worden door  alternatieve energie te produceren. De ‘rest’ van het bedrijfleven – alle bedrijven die geen energie produceren, maar wel verbruiken –  is bang dat de nieuwe energie véél en véél duurder zal zijn, en minder betrouwbaar.
     Ik geloof dat mijn belangen als verbruiker hier samenvallen met die van de ‘rest’ van het bedrijfsleven.

zaterdag 4 november 2017

Het Nieuwsblad over N-VA ... euh ... Catalonië

     In de laatste commentaren van Het Nieuwsblad  komt de geografische naam ‘Catalonië’ vaak voor in het gezelschap van de partijpolitieke naam N-VA. Peter Mijlemans  laat verstaan dat de Catalaanse kwestie voor de N-VA een ‘bliksemafleider’ is, een list om niet over de tegenvallende begroting te moeten spreken. Liesbeth Van Impe waarschuwt de N-VA dat ze de geen ‘buitenlandse conflicten moet importeren’. En Pieter Lesaffer verwijt de partij dat ze zich onvoldoende inspant om vanuit de federale regering, tegen de andere regeringspartijen in, de Catalanen te ondersteunen.*
     Ben ik de enige die tussen de twee laatste standpunten enige onverenigbaarheid ziet?
     Misschien moet ik het voorbeeld volgen van onze Rusland- en China-watchers. Die zijn ook altijd uitstekend op de hoogte van allerlei ‘fracties’ binnen de regeringen aldaar. Misschien bestaan er binnen de Nieuwsblad-redactie ook wel verschillende ‘fracties’ waar de leek niets van afweet? Een strekking-Liesbeth, een strekking-Pieter en een strekking-Peter.
     Ik zie het voor mij. Op de redactievergadering slaat Liesbeth met de vuist op tafel. ‘Makkers, collega’s, journalisten! Hier staat meer op het spel. Het is tijd dat we als klein land met de grote jongens meespelen. De rest van Europa speelt de kaart van de Spaanse grondwet. We gaan daar een beetje als enigen ons vertrouwen in de Spaanse rechtstaat opzeggen? Neen! Neen! Neen! Het gaat om onze diplomatieke belangen. Die laten we niet in gevaar brengen door die opgeklopte romantiek rond een onafhankelijk Catalonië.’ Liesbeth loopt rood aan. Haar ogen fonkelen. Er zit wat spuug op haar onderlip. Ze lijkt een beetje op die gepassioneerde Spaanse redenares van vroeger … hoe heet ze ook weer?
     ‘Maar allez Liesbeth,’ zegt Pieter, ‘Spanje heeft zichzelf buiten Europa gezet. Een democratisch verkozen regering – ik herhaal: een democratisch verkozen regering – bestraffen met celstraffen van dertig jaar of meer, dat is vele bruggen te ver. Europa verraadt hier haar democratische waarden door de andere kant uit te kijken. De enige instantie ter wereld die een oplossing kan brengen is de Belgische federale regering. Dat is toch duidelijk.’
     Peter heeft het allemaal met een zekere minachting aangehoord. Hij zit wat onderuitgezakt en zijn benen komen onder de tafel heel wat verder dan het midden ervan. ‘It’s the economy, stupid,’ zegt hij ten slotte. ‘Wij zitten hier te ouwehoeren over Catalonië en diplomatie en democratische waarden, en ondertussen is de begrotingstrein zo ontspoord dat hij in Timboektoe zal eindigen. Draconische besparingen, dat hebben we nodig, en een daverende belastingsverhoging.’
     Dan komt de ruzie pas goed op gang.
     Maar misschien gaat het er helemaal anders aan toe. Misschien is het juist omgekeerd en is de redactie matig geïnteresseerd in Catalonië maar daarentegen als één man – sorry Liesbeth – verenigd in haar bekommernis om het wel en wee van de N-VA. Ook dat levert een fijn draaiboek op. De drie zitten dan eendrachtig aan een goed geschraagde tafel. Liesbeth neemt alweer het woord. ‘Makkers, collega’s, journalisten! We kennen allemaal de tegenvallende peilingen van onze partij. Het is tijd dat we de handen uit de mouwen steken. Ik schrijf een artikel om onze vrienden te waarschuwen dat ze zich niet te openlijk in die Catalaanse affaire moeten engageren. Daar krijgen ze niets dan last mee. Jij, Pieter, schrijft een stuk waarin je hen aanraadt om de Catalaanse zaak binnen de federale regering aan te pakken, achter de schermen zeg maar. En Peter, jij herinnert hen eraan dat ze hun besparingspolitiek niet mogen laten verflauwen. Ze waren goed begonnen maar nu …’
     Pieter steekt zijn vinger op. ‘Ja maar,’ zegt hij, ‘weten we wel zeker of de N-VA de zaak nu al niet discreet binnen de federale regering aan het bespreken is?’ ‘Neen, dat weten wij niet,’ geeft Liesbeth toe, ‘maar dat weten de anderen ook niet. Schrijf maar iets in de trant van “de N-VA excellenties zwijgen” en “ze houden zich op de vlakte”. Dat is vaag genoeg. En kleed het allemaal een beetje in als gepeperde kritiek. We willen niet de naam krijgen een N-VA-gazet te zijn.’



* Commentaren Het Nieuwsblad: Liesbeth Van Impe, 31 oktober – Peter Mijlemans, 3 november –Pieter Lesaffer, 4 november

zondag 26 februari 2017

Zuhal, Liesbeth en Unia

     Ik lees mijn krant – Het Nieuwsblad – van voor naar achter. Dat wil zeggen: ik bekijk eerst de voorpagina en blader dan door tot de voorlaatste pagina, want de allerlaatste, die met de weersvoorspelling, bekijk ik niet. Soms keer ik een paar bladzijden terug. Een kop is dan in mijn korte-termijngeheugen blijven hangen en plots wil ik toch weten waar het stuk over ging dat ik eerst oversloeg. Soms lees ik een stuk ook helemaal.
     Wat ik altijd lees is het commentaar op pagina twee. Wat Peter, Pieter en Liesbeth schrijven, brengt mij in een opgewekte stemming. Elk denkfoutje, elke kleine onredelijkheid, elk idée reçue à la mode zie ik als een kleine attentie van de krant. Voor mij werkt dat beter dan het dagelijkse mopje van de scheurkalender. Op voorwaarde natuurlijk dat het niet over onderwijs gaat, want dan is mijn gevoel voor humor erg beperkt.
    Neem nu Liesbeth haar stukje van gisteren. ’t Ging over onze nieuwe staatssecretaris Zuhal Demir. Liesbeth ging tewerk volgens haar beproefde methode van ‘enerzijds’ en ‘anderzijds’. Enerzijds  was Zuhal ‘fris’, ‘talentvol’ en ‘beloftevol’, anderzijds moest ze gelijke-kansenorganisatie Unia niet te veel op de nek zitten. Want enerzijds leed Unia wel aan ‘de ziekte van het zwaaiende vingertje’, maar anderzijds hadden we de organisatie toch nodig ‘om er ons op te wijzen dat racisme en discriminatie de wereld nog altijd niet uit zijn’.
     Dat laatste geloof ik niet. We hebben Unia niet nodig om ons daar op te wijzen. En ook niet om er iets tegen te ondernemen. Neem nu het racisme op Facebook. Ik zag gisteren enkele commentaren verschijnen over Zuhal. Dat ‘een van hen’ nu ook al staatssecretaris geworden was, in plaats van een echte Vlaming. Dat daar een einde aan moest komen. Dat ‘ze’ anders alles zouden overnemen. Moet Zuhal nu bij Unia een klacht indienen tegen die kleinzielige Facebookmensen? Zou dat ergens goed voor zijn?
      Of neem die Mechelse politie-inspecteur die een foto verspreidde van een collega van Indische origine met de commentaar ‘En waarom zou ik je een hand moeten geven? Jou[w] kleur staat mij niet aan.’ Heeft men Unia nu echt nodig om die inspecteur te schorsen en liefst ook zo snel mogelijk te ontslaan?
      Maar ik wil niet zeuren over Unia, maar lachen om Liesbeth. Liesbeth schrijft: ‘Is Unia nu echt het eerste probleem dat de beloftevolle Zuhal Demir denkt te moeten aanpakken?’ Daar moest ik even over nadenken. Hoe wist Liesbeth dat Zuhal beslist had om Unia als eerste probleem aan te pakken? Had Zuhal onmiddellijk na haar eedaflegging een persconferentie belegd waarop ze haar prioriteiten bekend maakte?
     Onderaan het stuk van Liesbeth werd ik doorverwezen naar pagina’s 8-9 , waar een interview stond met Zuhal. Zou het kunnen dat ... Tegen mijn gewoonte in sloeg ik zes bladzijden over om dat interview eens te bekijken. En jawel hoor. Na allerlei algemene vragen over haar toekomstige integratiebeleid, rondt Lesaffer het interview af met ‘Deze week heeft uw partij de aanval ingezet op Unia. Gaat u daar iets aan doen?’ Zuhal geeft wat kritische bedenkingen over de organisatie. Waarop Lessafer aandringt: ‘Wat gaat u daar als staatssecretaris aan doen?’ En Zuhal antwoordt daarop iets van ‘overleggen’ en ‘doorlichten’ en ‘nergens op vooruitlopen’.
     Dus wist Liesbeth dat Zuhal van een aanval op Unia haar ‘eerste punt wilde maken’. Een glimlach krulde zich om mijn lippen.


(Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.)

vrijdag 23 september 2016

Het Nieuwsblad doet het wéér

     Nu heb ik mij twee dagen geleden binnenste buiten geplooid om aan die mensen van Het Nieuwsblad het verschil uit te leggen tussen een commentaar en een bericht (hier)*. Ik heb hen toen speciaal gewezen op het gevaarlijke woordje ‘blijkbaar’ dat als een rood oplichtend alarmlicht aangeeft dat een ‘eigen mening’ eraan komt. En die ‘eigen mening’ hoort niet thuis in een bericht – want dat hoort een feitelijk verslag te zijn. En wat lees ik in Het Nieuwsblad van donderdag, overigens alweer over de zaak Vuye?
     “Toen Groen-parlementslid Hermes Sanctorum drie weken geleden nog uit zijn partij stapte, kreeg hij vooral vanuit nva-hoek veel positieve reacties voor deze ‘moedige beslissing’ en voor zijn ‘rechtlijnigheid’. Voor de eigen partijgenoten gelden blijkbaar andere standaarden.”
     ’t Is weer Lesaffer die aan het artikel geschreven heeft en het is weer in de laatste alinea dat hij toeslaat. Misschien heeft hij op school geleerd dat je in de laatste alinea ‘je eigen mening moet geven’.
     Ter verschoning van Het Nieuwsblad moet ik toegeven dat ik mijn stukje pas rond middernacht geplaatst heb. Toen Lesaffer het onder ogen kreeg, was zijn stuk wellicht al doorgestuurd en waren de drukkers het al aan het drukken. Ik stel me voor dat de journalist nog even getwijfeld heeft of hij niet naar Groot-Bijgaarden zou rijden om de werklui in blauwe overals toe te roepen: ‘Stop de persen’, waarna hij alsnog het woord ‘blijkbaar’ kon schrappen. Maar hij zal beseft hebben dat je zo’n melodramatisch gebaar maar ééns in je loopbaan kunt bovenhalen en dat je het dus beter bewaart voor als zich een nóg groter crisismoment dan de zaak Vuye aandient.
     Ofwel – dat kan ook – heeft hij mijn stuk aandachtig gelezen en gemerkt dat ik vooral de speculatieve connotatie van ‘blijkbaar’ in het vizier nam. Met een triomfantelijk lachje stelde hij vast dat die connotatie dit keer in zijn stuk ontbrak en daarmee was voor hem de kous af.
     Mocht Lesaffer dat gedacht hebben, dan had hij op dat eerste punt gelijk. Dit keer gebruikt hij de schampere ‘blijkbaar’, zoals in ‘Piet heeft blijkbaar  zijn boek weer vergeten.’
     Je zou tegen Lesaffer kunnen inbrengen dat het erg onredelijk is om van nva-ers te eisen dat ze op dezelfde manier reageren wanneer een lid van een vijandige partij opstapt, dan wel wanneer een lid van hun eigen partij opstapt. Zo zou het van mijn kant ook erg onredelijk zijn als ik erop wees dat Het Nieuwsblad heel anders is omgegaan met de zaak Sanctorum dan met de zaak Vuye. De zaak Sanctorum is in Het Nieuwsblad maar in twee artikels vernoemd, en een van die twee keren was in het hierboven aangehaalde stuk dat eigenlijk over Vuye ging.

     Maar daar gaat het mij niet om. Met onredelijkheid heb ik geen probleem. In polemiek kun je er iets moois mee doen, net als met opmerkingen over de grote neus van je tegenstander. Je kunt die dingen gebruiken als stijlfiguur. Maar zulke stijlfiguren – ja lezer, ik weet het, mijn verhaal wordt eentonig – horen thuis in de commentaarstukken, en niet in de berichten.
     Een van de vermakelijke personages in de animatiereeks The Simpsons is de televisieverslaggever Kent Brockman. Die zegt voor de camera dingen als: ‘At the risk of editorialising**, these women are guilty and must be dealt with in a harsh and brutal manner.’ Brockman overtreedt daarmee alle regels van de journalistieke plichtenleer, maar zijn ‘at the risk of editorialising’ bewijst dat hij naar een goede school is geweest waar het verschil tussen bericht en commentaar op klassieke wijze onderwezen werd.

* In een ander stukje heb ik ooit mijn best gedaan om het verschil tussen een feit en een mening uit te leggen (hier).
**Ik heb veel moeite om dat woord – ‘editorialising’ – uitgesproken te krijgen. Zelfs in mijn hoofd, zonder mijn lippen te bewegen, lukt het amper.

woensdag 21 september 2016

De zaak Vuye & Co

    
   Omdat ik de politiek slecht volg, en meer naar de Simpsons kijk dan naar het Nieuws, had ik tot voor kort Hendrik Vuye maar één keer op de televisie gezien. Hij zei toen iets onduidelijks en flauws in het onderwijsdebat van 2014. De Wever zei enkele dagen later iets duidelijks en ferms in dat debat. Maar hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat mijn herinnering mij bedriegt en dat het niet Vuye was maar Kris Van Dijck die toen iets onduidelijks en flauws zei. Als dat zo is had ik Vuye tot voor van de week nog nooit gezien. Ik weet van Vuye dus alleen wat ik van de week in de media las: dat hij professor Staatstrecht is, grondwetsspecialist, aanhanger van een ‘communautaire agenda’ en dat hij als nva-fractieleider in de Kamer niet erg populair was geweest onder de verkozenen van die partij. En nu is hij na een conflict met de partijleiding opgestapt, samen met een zekere Veerle Wouters
     De Amerikaanse econoom en columnist Thomas Sowell gebruikt vaak de uitdrukking ‘those of us who are not Republicans …’ en dan geeft hij goede raad over hoe de Republikeinen de zaken moeten aanpakken. Had ik dat ook moeten doen? Vanop mijn weblog Bart De Wever adviseren hoe hij de zaak Vuye en Co had moeten aanpakken? Dat hijzelf een aanvallende communautaire agenda had moeten aankondigen voor de volgende verkiezingen? Dat hij met meer vuur de boodschap van een onafhankelijk Vlaanderen had moeten uitdragen? Dat hij beter had moet luisteren naar de idealisten van de Vlaamse Beweging? Dat hij niet zo streng had moet reageren toen hij door Vuye werd bekritiseerd in de pers?
     Maar ik weet niet eens of dat goede raad is. Soms is het net beter om af te wachten dan om aan te vallen. Soms slaat ook een vurige boodschap niet aan. Soms luister je beter naar de realisten. En soms is het beter om streng te reageren. Er bestaat, geloof ik, geen algemene regel om uit te maken wanneer het ene beter is dan het andere.
      ’t Is nu in elk geval te laat, want Vuye en Wouters zijn vertrokken. Ik wens hen veel geluk toe, maar ook aan hen kan ik niet veel goede raad geven. Iemand stelde ergens voor dat ze een kleine Vlaamse partij zouden oprichten. Dan konden ze met een paar verkozenen ‘op de wip’ zitten bij de volgende regeringsformatie. Als de formatie dan wat moeilijk werd, konden ze een hoge prijs afdwingen voor hun steun of deelname aan de regering en konden ze zo hun confederale agenda realiseren samen met ... ja met wie eigenlijk? Dat moet toch eerst eens nader worden bekeken.
     Aangezien ik geen lid ben van de Alliantie, moet ik mij dat allemaal niet aantrekken. Dat politieke tegenstanders enig leedvermaak hebben? Ach, hoe zou ik zelf zijn? Dat kranten die weinig hebben met de Vlaamse zaak nu plots hun kolommen openstellen voor Vlaamse idealisten? Dat vind ik eigenlijk fijn voor die idealisten, want meestal lopen ze er wat verloren bij. Misschien krijgt een van hen wel een vaste column waarin hij wekelijks de kaakslagen … euh … aan de kaak kan stellen en de knieval van de nva kan laken. Die column zou bijvoorbeeld naast die van Abou Jahjah kunnen worden geplaatst.
     Toch beving mij ook een kleine ergernis, en wel toen ik de berichtgeving las die Het Nieuwsblad van 21 september aan de zaak wijdde. En dan heb ik het niet over het hoofdartikel want dat was zoals altijd een bron van vermaak. Maar in de verslaggeving werd ik pijnlijk getroffen door het woordje ‘blijkbaar’. De journalisten Pieter Lesaffer en Hannes Cattebeke schrijven namelijk: “We contacteerden gisteren een twintigtal parlementsleden, maar niemand wilde iets zeggen. De schrik zit er blijkbaar goed in om bij het minste verkeerde woord eenzelfde lot als Vuye en Wouters te ondergaan.”
     Blijkbaar? Hoe weten die journalisten dat – dat de parlementsleden zwijgen uit schrik? Ik zag vandaag op de televisie hoe Jan Jambon en Siegfried Bracke weigerden commentaar te geven. Zij zagen er niet erg bang uit. Ook Bart De Wever gaf geen commentaar. Had hij dan schrik dat hij hetzelfde lot zou ondergaan als Vuye?
     De kwestie is deze: ‘blijkbaar’ leidt een speculatie in, en speculaties zijn op hun plaats in krantencommentaren – niet in berichten. Die laatste moeten zich beperken tot de feiten. Een nette krant gebruikte vroeger bewoordingen als: ‘Een anonieme bron bevestigde ons dat dit zwijgen voortkwam uit schrik om bij het minste verkeerde woord – enzovoort.’ En als ze zo’n anonieme bron niet gevonden hadden die een verklaring wou afleggen over dat zwijgen, dan deed die nette krant er zelf het zwijgen toe.

woensdag 20 juli 2016

Politieke benoemingen

Links: Sir Humphrey - rechts: minister Hacker
     Het meeste van wat ik van politiek meen te weten heb ik niet van Machiavelli (1469-1527) of van James Buchanan (1919-2013) maar van de vermakelijke BBC-reeks Yes Minister (1980-1988). In die reeks krijgt minister James Hacker af te rekenen met zijn ‘permanent secretary’ Sir Humphrey Appelby. Meestal gaat het zo. De minister heeft een nieuw plan waarmee hij de krantenkoppen hoopt te halen en stemmen hoopt binnen te rijven. Hij wil dan bijvoorbeeld het aantal staatsambtenaren verminderen. De secretaris van zijn kant stelt alles in het werk om dat plan te dwarsbomen. De minister en zijn secretaris zijn de kwaadste niet. Ze zijn uit op eigen voordeel – wie niet? – maar slechts zelden worden ze geleid door het brandend verlangen elkaar, of een andere medemens, zoveel mogelijk kwaad te doen. Dat is in het echte leven wel eens anders.  
    Ik heb op deze weblog minister Hacker en Sir Humphrey al enkele keren opgevoerd (hier en hier) en nu zag ik in het Nieuwsblad van 13 juli dat Pieter Lesaffer hetzelfde deed in zijn hoofdartikel*. Daar keek ik van op. We zitten niet zo vaak op dezelfde golflengte, Pieter en ik. De journalist wijst op aanmerkelijke verschillen tussen ons politiek bestel en het Britse. In de twee systemen zijn de ministers verantwoordelijk voor het beleid, en zijn de ambtenaren verantwoordelijk voor de uitvoering. Maar in het Britse systeem moet de minister het bijna eigenhandig opnemen tegen zijn eigen administratie terwijl de Belgische of Vlaamse minister zich laat bijstaan door een legertje kabinetsmedewerkers. ‘Bij ons,’ schrijft Lesaffer, ‘ ligt de echte macht alleen bij de ministers – en hun partijvoorzitters – en worden de (top)ambtenaren zo veel mogelijk gedegradeerd tot uitvoerders.’ Lesaffer vindt dat jammer. De ambtenaren moeten meer macht krijgen, meent hij, want ‘zij hebben als taak om het langetermijnbeleid te bewaken.’ Op dat punt staat hij vierkant achter Sir Humphrey.
          Zei ik al dat Pieter en ik het niet vaak eens zijn? De journalist gaat er nogal gemakkelijk van uit dat het langetermijnbeleid van de administratie superieur is aan de zigzagbeweging van de politiek. Dat is niet noodzakelijk zo. Neem nu ons onderwijs. Daar woedt al dertig jaar een vernieuwingsgekte die, als langetermijnbeleid beschouwd, in één richting wijst – die van de algemene gelijkschakeling en nivellering, of het nu gaat om het dooreenhusselen van aso, bso en tso, het verwaarlozen van kennis ten voordele van vaardigheden, het samenvoegen van leerstof in ‘vakoverschrijdende’ projecten of het opstellen van onnozele ‘eindtermen’.  De nieuwste vondst is die van de grootschalige scholengroep, de campusschool en de domeinschool (zie hier).
     Wie in die vernieuwingsmolen wordt fijngemalen –  als ouder, kind, leraar of directeur –  zal het een zorg zijn of die molen wordt aangezwengeld door de politiek of door de administratie. Maar de administratie lijkt mij het gevaarlijkst. ‘The wheels are spinning,’ zegt Sir Humphrey, en maakt daarbij een draaiend gebaar met de twee wijsvingers. Probeer dan maar eens als kersvers minister van Onderwijs die wielen in de andere richting te laten draaien. Ik heb minister Crevits vaak beklaagd.
     Je moet weten – de laatste 22 jaar hebben de socialisten bijna onafgebroken de minister van Onderwijs geleverd en die socialisten zijn, samen met de groenen, de grote pleitbezorgers van de onderwijsgelijkschakeling. In die twee decennia hebben zij niet alleen de koers uitgezet, maar ook een reeks ambtenaren benoemd die, met of zonder partijkaart, die koers genegen zijn. De socialisten werden daarbij kordaat geholpen door secretaris-generaal George Monard, weliswaar een christendemocraat, maar dan toch een van een speciale soort. Monard behoorde immers tot de wij-zijn-ook-progressieven van het ‘Wonderbureau’** en op onderwijsgebied stonden die erg links van het centrum.
     Door de zigzagbeweging van de politiek staan de zaken er nu anders voor. Er is nu eventjes geen plaats voor een socialist op de post van Onderwijs. Daardoor wordt vandaag in Brussel een andere taal gesproken. Minister Crevits (hier, laatste alinea) vindt het goed dat ‘een leraar eigen accenten legt met zijn of haar persoonlijkheid’. Ze wil de leraar ‘meer vrijheid geven’. Lesgeven mag niet worden ‘herleid tot leerplannen, eindtermen en handboeken’. Zulke zaken lees ik graag. En Geert Bourgeois, de minister-president, heeft laatst nog in het Vlaams Parlement gezegd dat andere landen van Europa best een voorbeeld nemen aan het Vlaamse onderwijs in plaats van andersom (hier). Voorwaar, een verfrissende wind. Ik vind dat leuk.
    Tegelijk ben ik bang van de Sir Humphreys op het Onderwijsministerie, op het Gemeenschapsonderwijs en op de Guimardstraat. Zullen die geen stokken in de wielen steken nu die wielen in een andere richting draaien? Dat gebeurt op andere ministeries toch ook. ‘In verschillende beleidsdomeinen,’ schrijft Lesaffer, ‘werken centrumrechtse ministers en ‘rode’ ambtenaren, in het verleden door sp.a benoemd, meer naast elkaar dan met elkaar.’ Dat is vriendelijk geformuleerd.  Lesaffer wordt ook verdrietig als hij bedenkt dat zich in de toekomst een tegenovergestelde stand van zaken kan voordoen – dat centrum-rechtse ambtenaren, die nu wat makkelijker benoemd raken, gebrekkig zullen samenwerken met toekomstige ‘rode’ ministers.
     Daar valt allemaal weinig tegen te beginnen. Je zou aan een ‘system of spoils’ kunnen denken, zoals dat in de 19de eeuw werd toegepast door Amerikaanse presidenten: bij elke regeringswissel duizenden ambtenaren afdanken en vervangen door mensen van de eigen partij***. Maar erg kies is dat niet. Het is, geloof ik, ook niet de geschikte manier om de ‘beste man op de beste plaats’ te krijgen. Dan gaan we beter door met de huidige aanpak. Voor ondergeschikte betrekkingen laten wij kandidaat-ambtenaren vergelijkende examens afleggen en dan benoemen we die kandidaten die de beste cijfers haalden. Zo is mijn broer aan zijn mooie betrekking bij het postwezen gekomen. En voor topambtenaren huren we een selectiebureau in dat de bekwaamste kandidaten selecteert. Vaak zijn dat kandidaten met een politiek kleurtje, want je kunt van zulke topmensen niet eisen dat ze, zoals de cynische Sir Humphrey, geen enkele politieke overtuiging hebben. Als de regering dan uit die bekwaamste kandidaten een keuze moet maken– en zo’n keuze is altijd een beetje subjectief – dan zou ik het nog zo heel erg niet vinden als de socialisten en de wij-zijn-ook-progressieven daarbij een poosje in de kou blijven staan. Zeker als het over het over het Onderwijsministerie gaat. Hun kans komt nog wel terug.


_____________

* Lesaffer becommentarieert in zijn artikel de benoeming van n-va-man Jeroen Windey tot administrateur-generaal van het Agentschap Binnenlands Bestuur. Daarvóór was Windey kabinetschef van Liesbeth Homans. Kabinetscheffen hebben bij selectieprocedures een voordeel op andere kandidaten door hun praktische ervaring met de administratie. In het onderwijs worden directeurs ook bijna altijd gekozen uit kandidaten met bestuurservaring als ‘schoolcoördinator’, ‘graaddirecteur’, ‘vice-directeur’, ‘zorgcoördinator’,  enzovoort. Het komt vandaag niet vaak meer voor dat je van leraar rechtstreeks opklimt naar het directeurschap.
** Met het ‘wonderbureau’ wordt bedoeld het bestuur van de cvp-jongeren van 1967 tot 1971. De leden van dit bestuur waren Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene, Miet Smet, Georges Monard, Paul De Broe, Ward Bosmans (waar ik hier en hier al eens over schreef), Rita Jolie en Paul Pataer. Het wonderbureau bracht de geest van mei ’68, de geest van protest en progressiviteit, binnen in de christendemocratische partij. Dat gebeurde onder andere met een manifest voor ‘democratisering’ en ‘modernisering’ van het onderwijs. Hier vind je de wonderkinderen samen op de foto.

***Hoe corrupt het Amerikaanse  ‘system of spoils’ ook was, het is in niets vergelijkbaar met de omvangrijke ontslagen van rechters, ambtenaren, professoren, leraren, rectoren, enzovoort die nu in Turkije aan de gang zijn.

donderdag 7 april 2016

Panama

Pieter Lesaffer
     Een nadeel van een vrije samenleving is dat je misdaden weliswaar niet mag begaan, maar dat je ze toch mag goedpraten. Goedkeuren mag eigenlijk ook, maar dat komt minder voor. Sartre deed het.
    Of je nu een bom laat ontploffen in een luchthaven of metro, een terrorist
verbergt voor de politie, een ordehandhaver bekogelt met stenen, of zwart geld verstopt in een Panamees nepbedrijf – er zal altijd wel iemand opstaan die een excuus verzint en verspreidt langs facebook of twitter, of langs een hoofdartikel in de krant. Je weet wel, zo iemand die beweert dat repressief optreden niet veel zin heeft als je de ‘diepere oorzaken van het probleem niet aanpakt’ – het weze achterstelling in het onderwijs of een al te zware belastingdruk.
    De bedenker en verspreider van zulke excuses kun je in een vrije samenleving niet straffen. Daar staat tegenover dat je in een vrije samenleving die excuses naar hartenlust mag hekelen en de bedenkers en verspreiders ervan de les mag lezen. Pieter Lesaffer van Het Nieuwsblad (hier) doet dat met de goedpraters van de Panamese nepbedrijven.
    Gelukkig mogen we ook Pieter weer naar hartenlust over de hekel halen, want zijn artikel staat vol onzin. Hij beweert dat de hackers die binnengebroken zijn in het computersysteem van het Panamese zakenkantoor Mossack-Fonseca ‘het werk gedaan hebben dat eigenlijk door een ministerie van Financiën moest gebeuren’. Maar een ministerie van Financiën – aan wélk ministerie van Financiën denkt Pieter? – mag in zijn strijd tegen zwart geld (en terreurgeld) juist geen onwettige daden stellen zoals hacken. En als men dat heimelijk toch doet, want er is veel dat we niet weten, kunnen de aldus verzamelde gegevens niet gebruikt worden voor een rechtbank. Toch niet in een vrije samenleving.
     Misschien maken Poetin en de Chinezen zich minder druk om zo’n regeltjes. Dat kan. Maar als het over Panama gaat, is het nogal stil aan die kant (hier en hier).