Posts tonen met het label populisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label populisme. Alle posts tonen

zaterdag 27 augustus 2022

Lukkassen vs. Clerick


     Het overkomt mij niet vaak, maar laatst was ik het onderwerp van een internet-artikel in De Dagelijkse Standaard*. Sid Lukkassen vond dat ik ‘de democratische geloofsbrieven van van Paul Cliteur in twijfel had getrokken.’ Hij heeft mijn stukje over Cliteur en Sting gelezen en daaruit besloten dat ik Cliteur geen ‘échte democraat’ vind, dat Cliteur ‘zijn democratisch standpunt verwaarloost’, en dat hij door zijn houding tegenover Oekraïne ‘verraad pleegt aan de democratie’.
     Lukkassen heeft, vrees ik, mijn stukje slechts heel vluchtig gelezen. Ik ben er namelijk redelijk gerust in dat Paul Cliteur een échte democraat is, en uit wat ik van hem gelezen heb, een van de rechts-liberale soort, wiens opvattingen over een en ander dus dicht bij de mijne liggen. Alleen vond ik het fout dat hij de democratische dimensie van de Oekraïense onafhankelijkheidsstrijd loochende met een ontoereikend argument. Cliteur beweert namelijk dat het Poetins aanval ingegeven was door geopolitieke motieven, niet door de bedoeling om de democratie in Oekraïne te vernietigen. Ik ga daar eigenlijk mee akkoord. Maar ik vond het een denkfout om de inzet en gevolgen van een conflict te herleiden tot de bedoeling van een van de actoren.**
     Dezelfde denkfout vind ik terug bij Lukassen zelf, maar dan zodanig uitvergroot dat ik mij afvraag of Cliteur hem erin zou kunnen volgen. ‘Iedereen weet,’ schrijft hij, ‘dat het “vrije Westen” nooit werkelijk op zoek was naar het verspreiden en verdedigen van de democratie … het was nooit het doel om de democratie ongeacht alle belangen te verdedigen.’ ‘Iedereen weet’, tja, ’t is een uitdrukking die ik mij herinner van mijn communistische jeugd. In elk geval wordt ook hier weer de bedoeling ingeroepen om de  inzet van conflicten te bepalen.
     Lukkassen ondersteunt zijn kijk door te laten zien hoe inconsequent het Westen zich getoond heeft als het om democratie ging: het verraden van Polen in WO II, het steunen van dictaturen tijdens de Koude Oorlog, het gedogen van Erdogan in het Westerse bondgenootschap, enzovoort, tot en met de terugtrekking uit Afghanistan. Met die inconsequenties ben ik het eens, en als Lukkassen mijn stukje wat beter gelezen had, zou hij dat gemerkt hebben in de passage waar ik het voorbeeld van Latijns-Amerika aanhaal.
    Maar over die inconsequenties denk ik anders. Geopolitiek en democratie zijn voor mij niet per definitie en in alle gevallen tegengesteld. Je kunt tegelijk geopolitieke doelstellingen en democratische doelstellingen nastreven – alhoewel je sóms moet kiezen –, je kunt de democratie ook op een inconsequente manier verdedigen, en je kunt ten slotte ook de democratie proberen uit te dragen juist omwille van geopolitieke belangen. De oorlog in Irak is daarvan een voorbeeld. Amerika droomde – naïef – dat het de Sadam-dictatuur, een potentieel machtige vijand, kon vervangen door een democratisch model dat zich juist daarom op het Westen zou oriënteren***. Het is allemaal niet zo gelopen, dat weten we, en een beetje meer Realpolitik, en wat minder ideologie, was beter geweest, ja. 
     Wat de door Lukkassen zelf voorgestelde Realpolitiek betreft – Rusland te vriend houden en vooral China in de hand houden –  daar heb ik geen mening over. Ik stoor mij wel aan de demagogie die hij gebruikt van ‘verarmde omaatjes’ die hun gas niet kunnen betalen terwijl er ‘miljoenen euro’s aan donaties en wapentuig naar Oekraïne gaan.’ Dezelfde omaatjes kunnen immers van stal worden gehaald als er straks miljoenen geïnvesteerd moeten worden in eigen defensie, zij het, in Lukkassen zijn analyse, met het oog op China. Bij budgettaire keuzes mogen de noden van een buitenlands beleid niet bepaald worden door de noden van een sociaal beleid, en ook het omgekeerde is misplaatst. Elk beleid heeft zijn eigen logica en vertrekt van eigen noden****.
     Een laatste vraag: is Lukkassen zelf een echte democraat? Op basis van zijn stuk neem ik aan van wel. Alleen vind ik het jammer dat hij zo denigrerend spreekt over de Westerse democratie zoals ze bestaat. Hij vindt ons systeem ‘caesarisme’.  Hij schudt gauw-gauw een lijstje uit zijn mouw van wat er fout loopt. Het is overigens een interessant lijstje. Veel van wat hij aanhaalt vind ik ook onrustwekkend. Het coronabeleid van de Westerse regeringen bijvoorbeeld heeft mij ook wantrouwiger gemaakt. Maar de afstand tussen de Westerse democratie met al haar fouten en het poetinisme is, naar mijn inschatting, even groot als die tussen het poetinisme en het stalinisme. Als dat nuances in totalitarisme zijn, dan zeg ik: leve de nuance!

 * Het artikel van Lukassen vind je hier. Mijn stukje waarop hij antwoordt vind je hier.

** Ik heb deze alinea lichtjes aangepast omdat Lukkassen in een vervolgartikel er ongeveer het tegenoverstelde in las van wat ik bedoelde. Hopelijk is het nu duidelijk.

*** Een aantal lezers vonden dat ik hier de Amerikaanse inval in Irak goedpraatte. Dat is niet wat ik beoogde. Buitenlandse politiek wordt tegelijk beïnvloed door vele factoren: geopolitiek, ideologie, economisch belang, binnenlandse agenda, humanisme. De poging om een democratie in te voeren in Irak zie ik niet als een humanistische, maar als een ideologische factor die, dít wou ik dus zeggen, een geopolitiek doel diende. 

**** Zie ook mijn stukje hier.

 

 

woensdag 14 april 2021

Populisme en elitisme (2)

 


     In mijn stukje van gisteren* schreef ik iets over reëel bestaande, ‘zichtbare’ elites:  jonkers, zakenlui, kerkleiders, generaals, professoren, theaterregisseurs, hoofdredacteurs en voetballers in Eerste Klasse. Ze vormen een soort clubs, waar de toelatingsvoorwaarden min of meer bekend van zijn. Met een morele elite is het anders gesteld. Die is onzichtbaar, niemand weet wie er lid van is – nog het minst de leden zelf. En als zo’n morele elite toch een echte club gaat vormen zoals de Farizeeën, de Puriteinen, of de Orde van de Politiek-Correcten, dan loopt het niet goed af. Je eindigt bij Molières onsmakelijke held Tartuffe. Ach, zo erg is dat ook weer niet. Een maatschappij zonder zulke exemplaren is eigenlijk niet goed denkbaar.
     De ware ellende begint als men, zoals Plato, Lenin, Himmler en Roeland Raes, naast moraal en elite, er ook nog eens de politieke macht bij betrekt. Het is nochtans de meest logische gedachte ter wereld: vertrouw de macht toe aan de besten in de maatschappij. Maar ’t is een drogreden. In de praktijk gebeurt het tegenovergestelde: degenen die de macht hébben, vertellen aan iedereen dat zij, en niemand anders, de besten zijn en dat je hen maar beter gelooft, want anders zwaait er wat. Op die aristocratische drogreden heeft de filosoof Karl Popper een goed antwoord uitgewerkt. Hij draaide de zaken om: of je de macht toevertrouwt aan de besten, kun je op voorhand niet weten. Het kan achteraf blijken dat het  de slechtsten waren. Zorg dus voor een plan B – regelmatige verkiezingen – waarmee je die slechtsten weer in alle rust en kalmte naar huis kunt sturen. Daarmee onderbouwde hij de bestaande democratische praktijk met een stevige theorie.
     Onze representatieve democratie omzeilt de kwestie van de ‘besten’ en de ‘slechtsten’. De macht komt bij de verkozenen en iedereen bepaalt mee wie verkozen wordt: van profvoetballers tot professoren en van dokters tot straatvegers. En het mooie is: die dokters en straatvegers stemmen ongeveer op dezelfde partijen, misschien niet uit dezelfde overwegingen, en misschien niet in gelijke mate, maar toch ongeveer. Als we alleen dokters of alleen straatvegers, zouden laten stemmen, zou dat zeker een verschuiving geven, maar die zou helemaal niet zo groot zijn als je zou verwachten. We denken bij een Brexit-stemmer aan een lager opgeleide bejaarde, maar uit de onderzoeken blijkt dat er ook heel wat hoger opgeleide jongelui bij waren – minder natuurlijk, maar niet zoveel minder als je zou denken.
     Zeker, als alleen een heel specifieke elite aan verkiezingen mocht deelnemen, zoals  theaterregisseurs of  onderzoekers in de menswetenschappen, dan zou je een aardverschuiving naar links en naar politiek-correct krijgen, maar daarmee is nog niet gezegd dat dat een wenselijke aardverschuiving zou zijn. Er is een tijd geweest dat veel theaterregisseurs en onderzoekers in de menswetenschappen voor de nazi’s of voor de communisten stemden, en ondertussen weten we dat dat eigenlijk geen wenselijk stemgedrag was.
     Wie nu denkt dat het elite-probleem in de politiek verdwijnt door verkiezingen, vergist zich. Door de representatieve democratie ontstaat een nieuw elite-probleem. Die verkozenen worden zelf weer een aparte elite, met een eigen mentaliteit, voorkeuren en gewoontes. Of ze als elite nog andere kwaliteiten hebben dan de gave om zich te laten verkiezen en af en toe te luisteren naar mensen die wél op de hoogte zijn**, dat is niet helemaal duidelijk. Maar veel zakenlui, professoren en topvoetballers hebben ook geen andere gave dan die ene waar ze zo’n succes mee boeken. Ook is het waar dat binnen de elite van verkozenen weer nieuwe elites ontstaan, van partijvoorzitters en ministeriabelen, die zich afscheiden van de bankzitters. Daar valt weinig tegen te beginnen. We kunnen ons troosten met de gedachte dat plan B ook die elite binnen de elite naar huis kan sturen als ze het té bont maken. ’t Is moeilijker, want het werkt onrechtstreeks, maar moeilijk gaat ook.
     Men heeft vroeger wel eens gedacht dat de aparte mentaliteit van de politieke verkozenen – eerder elitistisch dan elitair – op mysterieuze wijze veroorzaakt werd door het pluche van de stoelen waarop ze zaten. Dat is een nogal esoterische verklaring. Zelf zou ik veeleer denken aan de macht der gewoonte, de tunnelvisie van de vergaderkamer, de techniciteit en verwevenheid van de problemen, de internationale complexiteit, de fragiliteit van de evenwichten ... Dat alles leidt ertoe dat men zich voor het gemak op oude problemen richt en naar vertrouwde oplossingen grijpt, vooral als men die oplossingen een nieuwe naam kan geven. Een probleem waar men geen vertrouwde oplossing voor heeft, is een probleem waar men liever niet over spreekt, of waar men juist heel veel over spreekt om er niets wezenlijks aan te doen. Het migratieprobleem is een voorbeeld van het eerste, de opwarming van de aarde een voorbeeld van het tweede. En dat terwijl grote delen van de bevolking de genegeerde problemen scherper zien of zelfs op een directe manier ervaren***.
     Het is geloof ik vooral die directe ervaring van genegeerde problemen die leidt tot het ontstaan van populistische partijen en stromingen. Technische oplossingen – referenda, lotto-democratie, online bevraging en gemengde burgerpanels – zijn hier niet het beste en zeker niet het enige antwoord. Een beter antwoord is dat men een dialoog aangaat met de populisten en hen aan de macht laat deelnemen,****, en dat de centrumpartijen hun best doen om de verzuchtingen van het populisme over te nemen en in realiseerbare plannen om te zetten. Dat zijn taken voor een verantwoordelijke elite. En dan houdt zo’n elite best voor ogen dat niet alle populistische verzuchtingen terecht zijn, en dat ze niet allemáál in realiseerbare plannen kunnen worden omgezet.

 

* Mijn stukje van gisteren vind je hier

** Mensen die wél op de hoogte zijn, technocraten dus, hebben hun eigen plannen, voorstellen en stokpaardjes. Ook die kunnen wel eens mank lopen, of tegenstrijdig zijn met die van technocraten uit een andere sector. Of op mijn zenuwen werken, zoals hier.

 *** Radicale anti-populisten zullen zeggen dat die problemen niet ervaren maar aangepraat worden, zoals indertijd de Duitsers een Jodenprobleem werd aangepraat. Net zoals radicale klimaatontkenners zullen beweren dat de opwarming van de aarde een ‘aangepraat’ probleem is. Of dat zo is, valt moeilijk a priori uit te maken. In werkelijkheid bestaan er zowel echte als aangeprate problemen, zoals er ook problemen bestaan die overdreven en geminimaliseerd worden.  

 **** Je zou die machtsdeelname kunnen vergelijken met de komst van de socialisten in de regeringen, na de Eerste Wereldoorlog. Of die een verandering ten goede heeft meegebracht, laat ik hier in het midden. Zeker is dat het extremisme van die partijen – alles nationaliseren – erdoor werd afgezwakt, eerst in de praktijk, en later in de theorie.

dinsdag 13 april 2021

Populisme en elitisme

 

     Er wordt al jaren gesproken en geschreven over populisme, maar veel minder over de noodzakelijke pendant ervan: het elitisme. Het zijn blijkbaar allebei vieze dingen. Slechts een moedige enkeling zoals Marc Ernst of Koenraad Elst durft het ene dan wel het andere onbeschroomd bepleiten.
     Ik heb weinig moeite met ‘welbegrepen’ populisme of elitisme. In het leger was ik lid van een regiment – hét regiment – dat zich trots tot de elite van het leger had uitgeroepen. Jan speelde in het jeugdvoetbal in de zogenaamde nationale ‘elite’-reeks. Doe je iets fout als je beter een pas opvangt of doorgeeft dan je vriendjes, of godbetert vaker scoort, of als je een speedmars en een hindernissenparcours in een heroïsche tijd aflegt terwijl je, in tegenstelling tot in die Amerikaanse films, je geweer en ‘stormgordel’ meesleurt?
     Tom Naegels verwondert er zich op zijn facebookpagina over dat gewezen Vlaams Blok-kopstuk Roeland Raes in 1973 zonder schroom opriep tot het vormen van een ‘elite’. ‘Men zou er maar eens mee moeten ophouden, schreef Raes toen,  om iedereen te willen overtuigen dat de massa gezag, wijsheid en collectieve wil bezit … Het tegendeel is waar: de massabeweging is verward, onzeker, manipuleerbaar.’ Mij verwondert het helemaal niet dat Raes dat schreef, want ’t was de zuivere waarheid, toen en nu. Akkoord, Tom van Grieken zou zoiets nu niet meer zeggen, maar de elite waar Raes over schreef was een andere dan die waar hedendaagse populisten tegen te keer gaan. 
     Wél fout is de conclusie die Raes, en met hem het Vlaams Blok van de begindagen, aan de stelling verbond: dat democratie, in die tijd door sommigen ook ‘domocratie’ genoemd, een slecht systeem was. Ik heb lang geleden Jurgen Ceder op een meeting nog rustig horen uitleggen dat je staatszaken niet aan de democratie moest overlaten, net zomin als je een medische diagnose overliet aan de schoonmaakploeg van het ziekenhuis. Ik heb toen heftig geprotesteerd vanuit de zaal, terwijl mijn eigen democratische overtuiging in die tijd vooral de ‘leidende rol van de voorhoedepartij’ behelsde, een extreem elitisme dat was uitgewerkt door Lenin in Que faire?
    Het is gewoon erg moeilijk om je een maatschappij voor te stellen met helemaal géén elites die een stempel zetten op de gehele samenleving. Zo’n maatschappij zou voortdurend de spontaan opduikende elites moeten onderdrukken, en dat onderdrukken zou ook weer door een elite moeten gebeuren. In zulke omstandigheden is het beste nog om het bestaan van elites te aanvaarden als een fact of life, en om de aandacht te verplaatsen naar de vraag hóe de elites tot stand komen en wát ze doen.
     Er zijn om te beginnen soorten elites: de financiële elite, de culturele elite, de artistieke elite, de onderwijzende elite, de intellectuele elite, de technologische elite, de sportieve elite, de politieke elite, de bureaucratische elite, en wie wil kan er nog veel meer bedenken. Er heeft wellicht nooit een samenleving bestaan waar de verschillende elites mooi samenvielen, en dat is vandaag evenmin het geval. Ik had bijna geschreven: vandaag, minder dan ooit, maar zoiets zou ik dan weer moeten gaan controleren en hoe begin je dááraan?
     Met dat alles verwant is de kwestie van de toetredingsvoorwaarden. Hoe word je lid van een elite? Is het je aristocratische afkomst die het hem doet? Moet je een staatsexamen afleggen zoals de Chinese mandarijnen? Kun je een entreekaartje kopen als je veel geld hebt? Hoe belangrijk zijn de netwerken van ons-kent-ons? Word je makkelijker notaris, apotheker of dokter als een van je ouders notaris, apotheker of dokter is? Jan studeert geneeskunde en de meeste van zijn vrienden zijn dokterskinderen. In Spanje, liet ik mij vertellen, gebeurde het wel eens dat een universitaire leerstoel overging van vader op zoon. Zelf hou ik nogal van het meritocratisch beginsel – ‘la carrière ouverte aux talents’ zoals Napoleon het verwoordde – maar ook dat heeft zijn nadelen: als je er niets van terecht brengt, kun je de schuld niet geven aan het milieu waarin je geboren werd, het kastesysteem waarin je opgesloten bent, het glazen plafond waar je tegenaan botst of de ‘structurele’ discriminatie die in het systeem zit ‘ingebakken’.
     Toen Roeland Raes in 1973 scheef over de noodzaak van een elite, dacht hij ongetwijfeld niet aan een sportieve, financiële of technologische elite, maar aan een morele elite, in de traditie van Plato en, zeg, Joris Van Seeveren, Dát is een heikel punt. Er bestaan ongetwijfeld mensen die hogere morele principes hebben dan andere, en er ook naar leven. Maar zoeken die mensen elkaar op? Vormen ze samen een club? En wat gebeurt er áls ze samen een club vormen? Zoals de Farizeeën waar Jezus tegen te keer ging, of de Brahmanen waar Boeddha zo kritisch over was. Bij zo’n club rijst al snel de vraag of het om ‘heiligen’ of ‘schijnheiligen’ gaat. De ‘Compagnie du Saint-Sacrement’ had Tartuffe als vooraanstaand lid. De puriteinen van Salem waren op hun manier erg deugdzaam, maar verdraagzaamheid stond op hun deugdenlijstje niet bovenaan.
     En wat gebeurt er verder als je moraal, elite en politieke macht in één discours probeert te vatten? Daar schrijf ik morgen misschien een stukje over.

 

vrijdag 29 januari 2021

Marc en het populisme


      Ik vroeg aan mijn vrouw of ze de laatste column van Reynebeau wou doorsturen. Ha, die column  van Marc, zei ze. Ze noemt hem dus Marc! Dat zal ik dan ook maar doen. ’t Is een korte naam en dat is gemakkelijk als je hem vaak moet herhalen. Bovendien, in een polemisch stukje klinkt zo’n voornaam een beetje denigrerend, wat mooi meegenomen is.
     Marc heeft dus een column geschreven over de Nederlandse rellen tegen de avondklok, en voor hem is het een gelegenheid om eens flink zijn mening te zeggen over het populisme en de populisten. Hij is er tegen*. Hij is meer van het politiek-correcte kamp. Binnen dat kamp is hij de tegenpool van Tom Naegels. Die laatste redeneert zorgvuldig, stap voor stap, genuanceerd; hij formuleert slim, soms geestig, zoekt dekking als het nodig is, en wist zijn sporen. Vaak wil ik antwoorden, hem aanvallen op de flank, maar dan zie ik dat hij ook daar een goed gecamoufleerd verdedigingsmuurtje heeft opgetrokken. Maar voor Marc is dat allemaal tijdverlies. Hij werkt anders: identificatie van de slechteriken (Trump! Steve Bannon!), schermutselingen in het luchtledige, stromannen, hyperbolen, sarcasme, intentieprocessen, en af en toe een exotische term die we al lang niet meer hadden gehoord zoals sociaaleconomische ‘vervreemding’.
     De relschoppers in Nederland, beweert Marc, zijn ‘misschien’ de voorhoede van het Europese populisme 2.0. Dat ‘misschien’ is het tweede woord van de tekst, en staat daar goed op zijn plaats. Als redenering is het immers een doodlopend straatje en dat weet Marc ook. Het corona-probleem is er een op korte termijn en is niet, zoals migratie, een kwestie die al enkele generaties aansleept en die dat nog enkele generaties zal blijven doen. Bovendien zegt Marc zelf, en hij citeert heuse ‘in de VS docerende politicologen’, dat populistische ideeën slechts aanslaan als ze worden overgenomen door politiek centrumrechts. Dat is met corona niet gebeurd, en dat zal nu ook niet meer gebeuren. 
     Vervolgens, ook niet onbelangrijk, past de ‘coronascepsis’ niet zo goed in de definitie die Marc van het populisme geeft: nativistisch, nationalistisch, autoritair en illiberaal. Die eerste twee kenmerken hebben met de corona-acties weinig te maken, en die laatste twee zijn eerder van toepassing op de corona-politiek van de regeringen dan op het verzet ertegen. En ten slotte: wie de relschoppers op de filmpjes bezig heeft gezien zal zich twee vragen stellen. Waarom stelen die lui nu prularia in plaats van nuttige voorwerpen zoals televisies – wat je altijd ziet bij rellen in de VS? En wat heeft dat allemaal met politiek te maken? Maar dat is weer een ander verhaal.
     Midden in zijn stukje verandert Marc dus wijselijk van onderwerp en bezint zich over de vraag waar het populisme vandaan komt. Ja, waar komt het vandaan? Volgens Marc komt het bijvoorbeeld van de blanke Europeaan die vreest dat men ‘oude tradities’ zou verbieden, zoals Zwarte Piet, en ‘warempel, nu ook Pippi Langkous’. Ik begrijp niet goed waarom Marc hier ‘zou’ gebruikt. Zwarte Piet ís ondertussen verboden op Facebook, en nu wil men in de Gentse bibliotheken ‘warempel ook’ waarschuwen voor de Pippi Langkous-boeken. Mij lijkt het dat het hier de verbieders en de waarschuwers zijn die zich illiberaal en autoritair opstellen.
     Aan het einde van zijn tekst, in zijn zevende alinea, graaft Marc nog wat dieper. Bart De Wever zei onlangs op de televisie dat populisme een reactie is van de ‘verliezers van de globalisering’. Zoiets zit Marc dwars. Dat moet worden weerlegd als het ‘ultieme cliché’. Alleen, die weerlegging komt er niet. Iets een cliché noemen is onvoldoende. Iets met ‘zou’ formuleren, bewijst niet dat het onwaar is. En iets als een afleidingsmaneuver omschrijven om ‘geen aandacht te moeten hebben voor de groeiende sociale ongelijkheid’ – zoiets telt evenmin als argument.
     Het is nochtans een eenvoudige vraag: bestaan ze echt, de ‘verliezers van de globalisering’ die de lasten krijgen van  ‘de moeilijke diversiteit’? Als Marc vindt dat die verliezers niet bestaan, dat hij het dan zegt. Als Marc vindt dat migranten op de arbeidsmarkt géén neerwaartse druk uitoefenen op de lonen** en dat migranten met vervangingsinkomens géén probleem vormen voor de sociale zekerheid, dat hij dan als een man opstaat, op tafel slaat en dat luidop zégt. Of schrijft, want ik laat mij weer meeslepen door mijn verbeelding.
     Maar Marc zegt of schrijft dat niet. In plaats daarvan schrijft hij dat het populisme een reactie is op telkens herhaalde vernederende uitspraken. Daar zit een kern van waarheid in als je denkt aan uitspraken als die van Hillary Clinton over de deplorables. Maar Marc denkt aan andere uitspraken. Hij maakt er een lijstje van en plaatst ze onder de noemer 
opinions chics  een uitdrukking die hij overneemt van Bart De Wever.
     Eigenlijk zouden die ‘opinions chics’ uitspraken moeten zijn die je vaak letterlijk hoort of zegt in een burgerlijke conversatie - anders zijn ze niet 
chic. Ik citeer het hele lijstje en heb het voor de aardigheid gerubriceerd: ‘dat arbeid niets mag kosten (a), dat coöperatie moet wijken voor concurrentie (b), dat tegenslag altijd aan eigen falen is te wijten (c), dat collectieve voorzieningen te duur zijn (d), dat armoede slechts voortvloeit uit verkwisting en luiheid (e), dat aanpassing en integratie maar van één kant moeten komen, die van de machtelozen (f), en dat wie het moet stellen met een uitkering slechts een potentiële fraudeur is die desnoods met detectives moet worden opgespoord (g).’ Dat is het discours dat ‘de waardigheid en het zelfbeeld van zoveel mensen aantast.’
     De status van het lijstje is onduidelijk. Beschrijft Marc veelgehoorde uitspraken? Of heeft hij het over bestaande praktijken. Of probeert hij weer te geven wat rechtse mensen denken in het diepst van hun gedachten? Alleen dat eerste – veelgehoorde uitspraken –  zou eventueel als vernederend ‘discours’ kunnen worden aangemerkt en als dusdanig verantwoordelijk zijn voor een populistische reactie.  In dat geval komen (c) en (e) in aanmerking, het ‘eigen falen’ en de ‘verkwisting en luiheid’. Maar die verwijtende uitspraken hoorde je, geloof ik, vooral in de negentiende eeuw. Dat uitkeringstrekkers ‘potentiële fraudeurs’ zijn (g) heb ik wel eens gehoord in een échte conversatie, maar die was niet burgerlijk. De linkse tegenhanger ervan, dat elke ondernemer een potentiële fiscale fraudeur is, heb ik vaker gehoord. De vraag ten slotte dat migranten zich zouden aanpassen aan het land van aankomst (f) is inderdaad een veelgehoorde uitspraak. Maar ik geloof niet dat ze behoort tot het discours waar de populistische kiezer zich aan stoort. Die stoort zich eerder aan het tegenovergestelde discours: dat hij zich moet aanpassen.
     De items (a) en (d), de lage lonen*** dus en de dure collectieve voorzieningen, die kunnen volgens mij moeilijk als vernederende ‘opinions’ worden omschreven. Het zijn eerder bestaande praktijken, wat niet wegneemt dat ze ook tot ontevredenheid kunnen leiden. Maar hier kun je andere vragen stellen. Zijn die lonen inderdaad te laag, en die voorzieningen te schaars? Vergeleken waarmee? Hoe moet daaraan worden verholpen? En, in de context van de populismediscussie: heeft een grote migratie-instroom daar een gunstige of ongunstige invloed op? Het loont de moeite om eens te lezen wat migratiespecialist Paul Collier daarover schrijft****. Ik geloof in elk geval niet dat (a) komt door (b), met andere woorden dat de lage inkomens veroorzaakt worden door de economische concurrentie en mededinging.
     Eigenlijk lijkt het of Marc met zijn lijstje vooral gepoogd heeft om de geheime gedachten van rechts weer te geven. Daar is hij dan niet goed in geslaagd. Op alle punten die Marc opsomt heb ik een behoorlijk rechts standpunt, meestal rechts van N-VA en O-Vld, maar de verwoordingen zijn zo gekozen dat ik er weinig in kan ontdekken van wat ik ongeveer denk. Ik maak een uitzondering voor (f): dat migranten zich best zo goed mogelijk aanpassen aan het land van aankomst. Dát vind ik wel. Ze moeten dat niet doen, zoals Marc schrijft, omdat ze ‘machteloos’ zijn, maar omgekeerd omdat ze dan zo snel mogelijk die toestand van machteloosheid achter zich zouden laten.
     Ik wil graag op een positieve noot eindigen: met de slotzin van de column kan ik akkoord gaan: een samenleving moet ‘zorgzaam en inclusief’ zijn. Daar vinden vinden Marc en ik elkaar. En in onze afkeer van clichés natuurlijk.

 

* Marc doet trouwens ook uit de hoogte tegen de anti-populisten want die ‘zwaaien’ met het woord ‘om zelf veilig, weldenkend, maar ook zeer onproductief, in het politieke centrum beschutting te zoeken.’ Het politieke centrum? Foei!

** De relatie tussen migratie en lonen is een moeilijke kwestie. Een kleine tot matige arbeidsimmigratie heeft volgens de meeste economen een gunstige invloed op de gehele economie en dus op het reële inkomen van iedereen, maar door de druk op de lonen, profiteren sommige bevolkingslagen, bijvoorbeeld de laaggeschoolden, er minder van dan de andere. Een te grote immigratie die niet goed is afgestemd op de arbeidsmarkt heeft een ongunstige invloed op de economie.

*** Je hoort werkgevers inderdaad zeuren over te hoge loonlasten, maar die worden dan in verband gebracht met de concurrentiepositie en de verhouding bruto-nettolonen, twee contexten die, geloof ik, niet ‘de waardigheid en het zelfbeeld’ van de werknemer aantasten.

**** Zie over Collier ook  hierhierhierhier en hier en hier.