Posts tonen met het label Rutger Bregman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rutger Bregman. Alle posts tonen

donderdag 8 april 2021

Coronaruzies

      Op de sociale media wordt heftig ruzie gemaakt over corona en de corona-maatregelen. Buiten de sociale media, valt het, geloof ik, mee. In de politiek houdt men zich min of meer aan de Godsvrede, echtparen vinden wel andere redenen om uit elkaar te gaan, en op café ruzie maken is er al helemaal niet bij: één van de voordelen van de huidige lockdown. Maar op de sociale media … oh la la.
     Aangezien ik mijzelf als au-dessus de la mêlée beschouw, heb ik bij deze ruzie meer dan anders  vooral belangstelling voor de motieven van de ruziemakers. Mocht ikzelf polemisch betrokken zijn bij de kwestie, dan zou ik die belangstelling temperen. Voor je het weet doe je je tegenstrevers een procès d’intention aan en vergeet je de argumenten zelf op de weegschaal te leggen.
     De motieven dus ... Bij degene die in déze ruzie een rol spelen, zijn er enkele die verwijzen naar de ‘objectieve belangen’ van de opponenten: jong versus oud, gezond versus risicopatiënt, getroffen handelaar versus ambtenaar met vaste benoeming, kasteelbewoner met privé-bos versus huurder van een appartementje. Ongetwijfeld werkt dat allemaal door in de ingenomen stellingen. Maar mijn belangstelling voor ‘objectieve belangen’ is heel wat minder dan in mijn marxistische periode. Bovendien merk je er weinig van in de discussies, integendeel. Je struikelt, bij wijze van spreken, over bejaarden die de vrijheid van de jongeren bepleiten en over jongeren die zich vooral het lot van de woonzorgcentrabewoners aantrekken.
     Wat overblijft zijn een aantal karaktertrekken, voorkeuren en overtuigingen waardoor mensen zich van elkaar onderscheiden*. Ik probeer hieronder een lijstje te maken.    

  1. Links versus rechts
  2. Rechtlijnige cijferaars versus intuïtieve base-raters
  3. Maximalisten versus proportionelen
  4. Activisten versus quiëtisten
  5. Mainstreamers versus sceptici
  6. Pessimisten versus optimisten
  7. Voorzorgmensen versus risiconemers
  8. Solidairen versus egoïsten
  9. Opportunisten versus legalisten
  10. Preciezen versus rekkelijken
  11. Absoluten versus afwegers
  12. Gehoorzamen versus rebellen
  13. Langetermijn-mensen versus kortetermijn-mensen
  14. Veiligheidsmensen versus vrijheidsmensen
  15. Complotdenkers en roeptoeters versus de rest

        Over de eerste vijf tegenstellingen heb ik vroeger al iets geschreven**. Sommige tegenstellingen, dat is duidelijk, overlappen elkaar, of zijn misschien niet meer dan een parafrase van een andere. 
      Het lijstje is zo opgesteld dat je aan de linkerkant vooral voorstanders van een strikte lockdown krijgt en aan de rechterkant vooral voorstanders van snelle versoepelingen. Maar die verdeling gaat niet altijd mooi op. Complotdenkers en roeptoeters bijvoorbeeld horen nergens bij, want je kunt met hen niet fatsoenlijk van mening verschillen. Verder kun je, naargelang het je uitkomt, tot de twee kampen behoren, of veranderen van kamp. Ik was bijvoorbeeld, toen Marc Van Ranst nog sprak van een griepje, al een corona-pessimist. maar bij de eerste berichten over de vaccins werd ik een vaccinatie-optimist. Dat optimisme heeft ondertussen wat averij opgelopen. Maarten Boudry is als het op vaccins aankomt een risiconemer, maar als het op lockdowns aankomt is hij van het voorzorgsprincipe. 
     Je ziet dat ook bij andere kwesties. Veel zwaarden snijden aan twee kanten. Eén vorm van opportunisme bestaat erin de Ministeriële Besluiten aan je laars te lappen als ze je slecht uitkomen, maar een andere vorm bestaat erin om de Grondwet aan je laars te lappen en willekeurige Ministeriële Besluiten op te stellen. Eén vorm van korte-termijndenkers bestaat erin om rap-rap te versoepelen, zonder je te bekommeren om toekomstige besmettingen, een andere bestaat erin om rap-rap strenge maatregelen te nemen en repressie te organiseren, zonder je te bekommeren om een mogelijk afglijden naar Oost-Aziatisch autoritarisme. Zelfs het absolutisme laat toe om naar verschillende kampen uit te wijken. In het ene kamp wordt elk mensenleven verabsoluteerd dat kan worden gered, in het andere elke schooldag die kan worden behouden.
     Een van de categorieën heeft een wat speciale status: die van de ‘egoïsten’. Ongeveer niemand is bereid om met díe vlag te zwaaien. Anderzijds is ongeveer iedereen bereid om hem in de handen van zijn tegenstrever te stoppen.  Dat laatste is volgens mij niet terecht. In de algemene discussie speelt het egoïsme amper een rol. Omdat ik Rutger Bregman niet ben***, voeg ik er snel aan toe dat het wel een grote rol speelt in de particuliere discussies. Wat moet éérst kunnen: algemeen contactonderwijs of buitenlandse reizen? Wat moet eerst open: de restaurants of de kappers? Een vriend van mij heeft gezworen zijn haar niet te laten knippen zolang de restaurants niet open gaan. Desnoods draagt hij zijn haar in een rattenstaart, zegt hij. Maar waar is die staart dan symbool van? Van het sybaritisch egoïsme van een lekkerbek? Of van de genereuze solidariteit met een getroffen sector?

 

* Dossierkennis maakt geen groot verschil. Selectief winkelen gebeurt in de twee kampen. Zoals dat meestal het geval is, vind je iets meer dossierkennis in het kamp van de sceptici maar wordt de mainstream aangevoerd door de belangrijkste vakspecialisten.  

** Over 1 (hier), 2 (hier), 3 (hier), 4 (hier) en 5 (hier). Over 14 (‘Veiligheidsmensen en vrijheidsmensen’) schrijf ik binnenkort een apart stukje.

***Een van mijn Bregman-stukjes vind je hier. De andere staan vermeld in de voetnoot bij dat stukje.

woensdag 16 september 2020

Anamnese


     Nu Jan bijna dokter is, gebruikt hij termen als ‘functioneel probleem’, ‘decompensatie’ en ‘anamnese’. Een medische leek als ik heeft dan de indruk dat hij die termen ongeveer begrijpt, maar dat is meestal een verkeerde indruk. Anamnese bijvoorbeeld is in de wereld van Jan een vraaggesprek tussen arts en patiënt terwijl ik meteen aan een theorie van Plato denk. Die filosoof beweerde namelijk dat herinnering (ana mnesis) de bron was waar wij al onze kennis uit putten. Als wij iets ‘leren’ doen wij niets meer dan, al dan niet geholpen door een meester, ons herinneren wat we al wisten in een vorig bestaan.
     Zou Plato gelijk hebben? Voor de eenvoudige axioma’s en stellingen van de meetkunde is zijn theorie bespreekbaar; voor fysica hecht ik er weinig geloof aan. Ik las ooit een verklaring waarom de zonnestralen die door een bladerdek komen zo mooi rond zijn, terwijl de gaten waar ze doorkomen allerlei onregelmatige vormen hebben. Als ik die verklaring ooit in een vorig bestaan heb gekend, ben ik die in datzelfde bestaan onmiddellijk vergeten, zoals ik die in dit bestaan ook onmiddellijk vergeten ben. Plato zou voor dat verschil tussen wiskunde en fysica wellicht een uitleg klaar hebben gehad, waar woorden als ‘gnosis’ en ‘doxa’ bij te pas komen.
     In het levensbeschouwelijke echter is anamnese, of iets wat erop lijkt, erg aannemelijk. Mijn Facebookvriend Martin Seynaeve heeft een aantal podcasts beluisterd van Bregman en er is een wereld voor hem opengegaan. Overal om zich heen ziet hij bewijzen van de menselijke goedheid. Hij moet dat altijd al geweten hebben, van die goedheid, maar Bregman bracht het onder woorden. Ik las het boek ‘Het geloof der kameraden’ en mijn marxistische illusies overleefden het tweede hoofdstuk niet. Het leek alsof het boek alleen zaken verwoordde die ik al mijn hele militantenleven bijna gedacht had. Walter Block was in zijn jeugd een extreme socialist – d.w.z. hij was socialist in de Verenigde Staten waar socialisme op zich al een extreme denkstroming was. Hij las het boek ‘Economy in One Lesson’ van Henry Hazlitt en werd een levenslang pleitbezorger van het kapitalisme. ‘This book was so me,’ verklaarde hij zijn bekering.*

 * Ik heb die bekering hier al eens aangehaald. Het boek van Hazlitt vind je hier‘Het geloof der kameraden’ kan hier gelezen worden. Het boek van Bregman heb ik in meerdere stukjes op mijn blog besproken.

zaterdag 29 augustus 2020

De meeste mensen deugen (6)



      La Rochefoucauld wou indertijd in zijn ‘Maximes’ dolgraag laten zien dat de mensen dóór een dóór egoïstisch en slecht waren. ‘Onze deugden zijn meestal vermomde gebreken,’ schreef hij. ‘Vriendelijkheid is het gevolg van ijdelheid, luiheid of angst. Eerlijkheid is een list om het vertrouwen van anderen te winnen.’ Het is briljant geformuleerd, er zit bittere waarheid in, maar het is allemaal erg eenzijdig. Iemand die geld geeft aan een bedelaar, doet dat om geprezen te worden, of om er een goed gevoel aan over te houden, uit egoïsme dus. Tja,  akkoord. Iemand die een bedelaar vermoordt om met het vet van het nog warme lijk zijn laarzen in te smeren, doet dat om warme voeten te hebben, eveneens uit egoïsme dus*. Ook akkoord. Toch is er een aanmerkelijk ethisch verschil tussen de twee handelswijzen.
     Bregman** doet iets soortgelijks als hij het Milgram-experiment bespreekt. Iemand die weigert elektrische schokken toe te dienen doet dat uit empathie met het slachtoffer, iemand die die schokken wél toedient doet het uit empathie met de bevelvoerder. In de twee scenario’s is hij een ‘supersamenwerker’, zoals Dirk van Duppen dat noemde. Met dat ‘samenwerken’ kan dan elke slechte daad worden verantwoord. Zo geeft Bregman toe dat er in New Orleans, in de crisissituatie veroorzaakt door de orkaan Katrina, wel degelijk een en ander misliep. ‘Er was veel geplunderd’, schrijft hij, ‘maar vooral door groepen die samenwerkten.’ (blz. 26, mijn cursivering) Is dat nu een verzachtende of verzwarende omstandigheid, vraag ik mij af?
     Het is anders niet verwonderlijk dat mensen als Bregman en Van Duppen de bereidheid tot samenwerken zo hoog op hun waardenhiërachie plaatsen.  Hun vijand is de ‘neoliberale’ maatschappij en die werkt naar hun mening uitsluitend volgens het tegenovergestelde principe: dat van competitie. Die moet weg. En dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel geloof je in de ‘maakbare mens’, waarvan je het egoïsme, individualisme, en competitieve streven door chirurgie, pillen of opvoeding kunt verwijderen, ofwel geloof je dat dat egoïsme een laagje vernis is dat door de 1 procent machthebbers over de overige 99 procent wordt gespoten. In dat geval volstaat het om de machthebbers onschadelijk te maken om het vernis spuiten te stoppen.
     Een maatschappelijk ideaal dat eenzijdig uitgaat van een álgoede of álslechte mens is onrealistisch en alleen daarom al gevaarlijk. Als de mens slecht is, moet de verdorven meerderheid worden onderdrukt door een deugdzame elite (waar gaat men die vinden?) en als hij fundamenteel goed is, moet een kleine slechte minderheid worden onderdrukt (door wie?) zodat de goedheid van velen kan opbloeien. Lukt het met dat opbloeien niet zo goed, dan moet de zoektocht naar de vijanden van het Goede worden uitgebreid van 1 procent naar 2 procent en zó verder, en raak je op de duur opgescheept met Robespierre, Stalin en Mao. 
     Is onze huidige samenleving gebaseerd op een álslecht mensbeeld, op de egoïstische homo economicus, zoals Bregman beweert? Dat geloof ik niet. Een groot deel van het maatschappelijk verkeer – liefdesleven, vriendenkring, betrekkingen tussen ouders en kinderen – hebben weinig met de goede of slechte, maar alles met de complexe mens te maken. En de economie zelf, die we ‘kapitalistisch’ noemen – een term uitgevonden door haar vijanden – drijft tegelijk op doelbewust teamwerk binnen één bedrijf, competitie tussen vergelijkbare bedrijven, en nog het meest op win-winrelaties tussen complementaire bedrijven, en tussen verkopers en klanten.  Sommige van die win-winrelaties, zoals die in een supermarkt, zijn onpersoonlijk en spelen zich af tussen mensen die onverschillig staan tegenover elkaar. Het zij zo. Ook dát ligt in de menselijke aard, en het was iets wat Rousseau bijvoorbeeld heel goed wist.
     En dan: zijn samenwerken in teamverband wel het summum bonum, en individualisme en competitie het summum malum die Bregman ervan maakt? In het onderwijs vond ik dat er wel eens te véél werd samengewerkt, in vakgroepen en zo, met overbodige ruzie als gevolg. Anderzijds zou ik niet álle samenwerking door competitie willen vervangen. Dat lijkt mij vermoeiend. Toch heb ik met die competitie niet zon groot probleem mee als Bregman. Die wordt al zenuwachtig van een titel als ‘The Selfish Gene’ terwijl die zich hoogstens aan een doorzichtig antropomorfisme bezondigt. Bregman is heel gelukkig als Dawkins later toegeeft dat ‘The Cooperative Gene’ een even goede titel was geweest. Maar wat doet dat er allemaal toe? Bregman moet toch ooit gehoord hebben van de drogreden van compositie, waarbij eigenschappen van onderdelen met eigenschappen van het geheel worden verward. Wat kan het mij schelen of spermatozoïden al concurrerend of samenwerkend naar de eicel zwemmen. Zelf ben ik nooit een goede zwemmer geweest.
     De eenvoudige waarheid is dat competitie een aardige manier is om de menselijke luiheid te compenseren.*** Misschien hebben we die luiheid wel van onze voorvader de jager-verzamelaar geërfd. Ik moet in elk geval noch de jager-verzamelaar, noch de hedendaagse Homo Sapiens grondig bestuderen om die luiheid geïllustreerd te zien. Ik moet er niet eens mijn geliefde sofa voor verlaten. Maar Bregman denkt een andere oplossing te hebben om de menselijke luiheid te omzeilen: de intrinsieke motivatie. Die zou sterker doorwegen dan financiële afwegingen en er zelfs omgekeerd evenredig aan zijn.  Hij citeert bekende psychologische experimenten die laten zien dat stoppen met roken slechter werkt als me ervoor betaald wordt, of dat men zich minder houdt aan de afgesproken uren van de crèche als men daar een boete voor betaalt. 
     Maar er bestaan ook psychologische experimenten die aantonen dat een combinatie van extrinsieke en intrinsieke motivatie de beste resultaten geeft. Die sluiten goed aan bij wat we om ons heen zien. Veel wielrenners zouden ook zonder bolletjestrui of prijzengeld met gehijg en gesteun de Tourmalet, de Mont Ventoux of de Alpe d’Huez oprijden. Dat doen wielertoeristen ten slotte ook. Maar dromen van prijzengeld en gele, groene en bolletjestruien helpt in elk geval om het daar in Frankrijk 20 etappes lang vol te houden, ondanks de soms felle zon.
     Extrinsieke motivatie, materiële beloning, winstprikkel, concurrentie en competitie wérken. Ongetwijfeld krioelt het bij Apple en Microsoft van gedreven programmeurs en technici die ook in hun vrije tijd niets liever doen dan programmeren en ontwerpen, en wordt het bedrijf geleid door ceo’s die los van mogelijke bonussen een zo goed mogelijk product willen maken. Maar als er ter wereld maar één computerbedrijf bestond, met mooi afgesproken loonschalen volgens anciënniteit, dan zouden onze computers nu trager, groter, lelijker en duurder zijn dan in een systeem mét concurrentie. Het zouden Sovjetcomputers zijn.
     De mooie, snelle computer waar ik dit stukje op heb getypt, is het gevolg van samenwerking én competitie, van en tussen mensen met goede en slechte eigenschappen, en die gedreven zijn door idealisme, intrinsieke motivatie, inhaligheid en eerzucht.  Ik ben hen dankbaar.


* Het beeld komt van Arthur Schopenhauer.
** Mijn andere Bregman-stukjes vind je hierhierhier en hier en hier
*** Luiheid, gedefinieerd als aversie van onaangename maar nuttige activiteiten. De econoom Galbraith schreef ooit dat het meeste werk repetitief, vervelend, pijnlijk vermoeiend en mentaal uitputtend’ is. Mensen met een leuk werk, zoals leraren of kunstenaars, hebben daar minder last van en hebben bijgevolg een grotere intrinsieke motivatie. Hopelijk zorgt de technologie ervoor dat de onaangenaamste soorten werk stilletjes aan verdwijnen.  


donderdag 27 augustus 2020

De meeste mensen deugen (5) - Heart of Darkness


     In de godgeleerdheid bestaat een onderdeel dat ‘theodicee’ heet, en waarin verklaard wordt hoe een algoede God te rijmen valt met het kwaad in de wereld. Eenzelfde probleem stelt zich voor Bregman* die min of meer uitgaat van een algoede méns. En net zoals de godgeleerden heeft Bregman na vlijtig zoeken enkele verklaringen gevonden, zoals: de goedheid van de mens mens is verborgen onder een laag vernis; of: de goede mens wordt tot het kwade gedwongen en verleid door een boosaardige elite die de maatschappij wil omvormen naar haar beeld en gelijkenis; of: de goede mens wordt in zijn jeugd misvormd door gewelddadige videogames. Over die videogames zwijg ik verder, omdat ik er genoeg verhandelingen van leerlingen over heb gelezen.
     De vernistheorie kan op twee manieren worden gebruikt. Meestal zegt men dat de mens nogal meevalt als hij omringd is door het gezellige comfort van de beschaving, en als dat comfort wegvalt in crisissituaties, dat dan duisternis van het hart wordt blootgelegd: langdurige verbouwingen die eindigen in echtelijke ruzies, buren die voedsel stelen van elkaar tijdens een hongerwinter, Mister Kurtz die in de Congo Vrijstaat een wreedaardige afgod van de inboorlingen wordt. Bregman van zijn kant verzamelt voorbeelden van het tegendeel. 
     Maar geen van de twee reeksen voorbeelden overtuigt mij. Ik heb nooit veel gezien in de vernistheorie. Ik zie geen reden om te denken dat wat Kurtz in Congo deed beter zijn ‘ware aard’ toonde dan wat hij daarvoor in Engeland deed, of dat de solidaire Brit tijdens de oorlog authentieker was dan de individualist van de Thatcherjaren. De ‘ware aard’ van de mens is dubbelzinnig en een crisis kan nu eens het ‘goede’, en dan weer het ‘kwade’ naar boven brengen. En bij de ene mens is er wat meer van dat goede, en bij de andere wat meer van dat kwade, voilà tout.
     Dan de boosaardige elite. Het bestaan daarvan zou bijvoorbeeld de oorlogsvoering kunnen verklaren. ‘Generaals, politici en ophitsers moeten alles uit de kast trekken – geweld, dwang, nepnieuws’, schrijft Bregman, om ons zover te krijgen, want ‘oorlog zit nu eenmaal niet diep in onze natuur.’ Daar is iets van aan. Maar wie bijvoorbeeld De slaapwandelaars gelezen heeft, over de Eerste Wereldoorlog (zie ook hier), krijgt sterk de indruk dat ook de elite toen helemaal geen oorlog wilde, behalve misschien de Oostenrijkse veldmaarschalk Conrad von Hötzendorf die met militaire overwinningen indruk wilde maken op zijn minnares. In Shakespeares oorlogsstuk ‘Henry V’ willen de bisschoppen oorlog om het parlement schaakmat te zetten, willen de edelen naar het slagveld om roem te vergaren en willen de kroeglopers PistolNym en Bardolph naar Frankrijk om te plunderen en te stelen.
     Trouwens, wie zijn die ‘elite’ of ‘machthebbers’? Over het ontstaan van de landbouwmaatschappij zegt Bregman, naar mijn smaak wat anachronistisch, dat de ‘1 procent de 99 procent ging onderdrukken’. Als hij recentere gebeurtenissen bespreekt, haalt hij aan dat er één groep was die loog en manipuleerde, met name ‘de machthebbers. De wetenschappers en de hoofdredacteuren, de gouverneurs en de politiecommissarissen.’ Met die wetenschappers en de hoofdredacteuren erbij, komen we geheid aan meer dan 1 procent, vooral omdat Bregman elders ook nog de eigenaars van een Mercedes** en de economiestudenten vermeldt.
     En de ceo’s natuurlijk. Bregman citeert ‘sommige studies’ waaruit blijkt dat ‘4 tot 8 procent van de ceo’s kan worden gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, vergeleken met 1 procent van de gewone bevolking’. Maar hier botsen we op ook op de grens van de verklaring. Die antisociale aanleg manifesteert zich dus maar bij ‘4 tot 8 procent’ van de ‘1 procent’. Er zijn dus 92 tot 96 procent machthebbers die niet zo bijzonder asociaal zijn.
      Ik ben het met Bregman eens dat macht corrumpeert, en ik ben het ook met hem eens dat de meeste mensen nogal goedgelovig zijn. ‘The Erewhonians are a meek and long-suffering people,’ schreef Samuel Buttler, ‘easily led by the nose.’ Maar hele domeinen van het menselijk gedrag verklaren vanuit de manipulatie door 0,04 tot 0,08 procent van de bevolking, ceo’s en andere ‘machthebbers’, dat gaat mij wat ver.
    Ten slotte: wat is ‘goed’ en ‘kwaad’ eigenlijk? Maar die vraag hou ik voor morgen of overmorgen, waarna ik uitgeput zal neerzijgen.

* Zie ook hierhierhier en hier.
** Let wel: Mercedes, niet Jaguar (zie hier)

 

woensdag 26 augustus 2020

De meeste mensen deugen (4) - Het verloren paradijs

 


     Bregmans boek is niet vrijblijvend, in tegenstelling tot mijn badinerende commentaar erop. In de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk hoopt hij dat zijn idee ‘een revolutie ontketent’ die ‘de samenleving op haar kop zet’. Elders laat hij verstaan dat wij in zekere zin terug moeten naar de maatschappijvorm die we kenden vóór het ontstaan van de landbouw, tienduizend jaar geleden. Een maatschappij met meer gelijkheid, samenwerking en gemeenschappelijk eigendom; een maatschappij met minder elite, minder concurrentie, en minder privé-bezit.
     ’t Is een oude droom: de terugkeer naar de paradijselijke oertoestand: de tuin van Eden waar niet moest worden gewerkt in het zweet des aanschijns, de Gouden Eeuw van Ovidius waar de  bronzen tafelen van het strafrecht niet nodig waren, de Gelukkige Tijd van Don Quichot, toen de mensen ‘de woorden mijn en dijn nog niet kenden’ –  een formulering die aan onze eigen Jacob Van Maerlant doet denken.

        Twee woorden in de wereld zijn
        Dat
s allene mijn en dijn
        Mocht men die verdriven
        Pais ende vrede bleve fijn.”

     Heeft die Gelukkige Tijd van Adam en Eva, van Ovidius en van Don Quichot ook echt bestaan? Misschien was het wel de oorspronkelijke maatschappij van de jagers-verzamelaars. Maar was die zoveel beter dan de landbouwmaatschappij die erna kwam? De archeologen zijn over de vraag verdeeld, en je kunt het aan Bregman overlaten om enthousiast te gaan plukken in de kersentuin van hen die vinden van wel. De oervorm van de samenleving was er een van minder werken, minder stress, minder ruzie, minder straffende Goden, minder virale ziekten, beter dieet, beter ouderschap, beter seksleven. Dat is allemaal best mogelijk. Maar ik vind het onvoldoende vaste grond om van dáárop nú een revolutie te ontketenen.
     Ten eerste is er de kwestie van het geweld. De jagers-verzamelaars leefden in stammen en er is nogal wat archeologisch bewijs dat die stammen meer dan eens met elkaar in botsing kwamen. Bregman antwoordt dat het archeologisch materiaal verkeerd geïnterpreteerd wordt, of verkeerd gedateerd, of dat het anders om uitzonderingen gaat. Er zouden juist bewijzen zijn dat de stammen zich gemakkelijk met elkaar vermengden. Ook vindt hij het tekenend dat overblijvende maatschappijen van jagers-verzamelaars erg vreedzaam zijn. Als er dan een gevonden wordt waar dat niet zo is, vindt hij dat we die huidige toestand niet mogen extrapoleren naar het verleden.
     Ondertussen rijst er een andere vraag. Bregman geeft toe dat de moderne afstammeling van de jager-verzamelaar wel degelijk een voorkeur heeft voor de eigen groep van gelijken, en een afkeer van ánderen, en dat die gelijktijdige neiging tot solidariteit én vijandigheid al bij peuters kan worden vastgesteld. ‘We worden geboren met een tribale knop in ons hoofd,’ schrijft hij. ‘Er hoeft alleen maar op gedrukt te worden.’ Ik zou denken dat we die tribale knop dan toch van onze pre-diluviale voorouders moeten hebben geërfd. Van wie anders? En werd in hun tijd dan nooit op die knop gedrukt?
     Ten tweede moeten we, als we een revolutie overwegen, de jagers-verzamelaarsmaatschappij niet vergelijken met de despotische of feodale landbouwmaatschappij die erop volgde, maar met de moderne oplossingen die door de Verlichting werden gestimuleerd: vrije markt, rechtstaat, scheiding der machten, verlichte bureaucratie, representatieve democratie. Als Bregman wil aantonen dat er iets beters bestaat dan díe oplossingen, kan hij best niet te veel steunen op het argument van de oermaatschappij. Hij beschrijft enthousiast hoe in de huidige Venezolaanse stad Torres (205 000 inwoners) de budgettaire beslissingen niet worden genomen op een gemeenteraad, maar op ‘honderden’ volksvergaderingen. Als blijkt dat dat de goede methode is, mij goed, als ik maar niet aan die volksvergaderingen moet deelnemen en als de jagers-verzamelaars er maar buiten worden gelaten.
     Bregman bespreekt overigens wel de moderne oplossingen van de Verlichtingsfilosofen als David Hume en Adam Smith. Die filosofen gaan er, heel verstandig vind ik, van uit dat de mens zowel uit egoïstische als altruïstische motieven handelt. Maar door die egoïstische motieven alleen al te erkennen, wakkeren die filosofen volgens Bregman het egoïsme aan, als een selffulfilling prophecy. Dat is mogelijk. Zelf vind ik het interessanter dat Smith liet zien dat het egoïsme zijn goede kanten heeft, dat zelfs de meest egoïstische bakker, slager en brouwer ervoor zorgt dat we van brood, vlees en bier worden voorzien dat we niet zelf hadden kunnen bakken, uitbenen of brouwen. Die filosofen baanden met hun leer de weg voor het soort samenwerking, niet van honderd bij elkaar levende stamleden, maar van duizenden onbekenden verspreid over de hele wereld die samen in staat zijn bijvoorbeeld een potlood tot stand te brengen (hier). Als Bregman overigens wil uitleggen waarom zo’n potlood ook, en zelfs beter, kan worden geproduceerd door democratisch overleg tussen coöperatieve hout-, lak-, grafiet- en lijmbedrijven op de vijf continenten, zal ik aandachtig luisteren.
     Ik ben hier op het punt gekomen, beste lezer, waar ik Bregman ook een keer gelijk moet geven. De vroege mensenmaatschappij wás communistisch, collectivistisch en egalitair. Ook Friedrich Engels heeft dat in 1884 met veel geestdrift in de verf gezet. En vandaag weten we uit de evolutionaire psychologie dat die honderdduizenden jaren communisme sporen moeten hebben nagelaten in onze genen. Genetisch zijn we allemaal een beetje communisten, behept met de inequality aversion waar, zoals Bregman schrijft, ‘tienduizend wetenschappelijke artikelen’ over zijn geschreven.* 
     Is het communisme dan beter in overeenstemming met de menselijke natuur dan het kapitalisme? Ik geloof dat het antwoord dubbel is. We geven de voorkeur aan de materiële welvaart die het kapitalisme biedt en we hebben een hekel aan de ongelijkheid die ermee samenhangt – en er ook in zekere zin de basis van vormt. We willen leven in een kapitalistisch land, en daar willen we dan communistische eisen aan stellen.  Het is zoals in de Wilder-Lubitsch-film Ninotchka (zie ook hier). De Sovjetdiplomaten Iranov, Boeljanov en Kopalski vallen voor de decadente luxe van het westen, ontvluchten hun land, beginnen samen een restaurant, en het laatste beeld van de film toont een stakende Kopalski die voor het restaurant met een bordje zwaait waarop hij te kennen geeft dat hij ‘unfair’ behandeld wordt door Iranov en Boeljanov.
     Zelf zou ik liefst zien dat de moderne mens de inequality aversion van oermensen en primaten als ballast overboord gooide, of minstens moderniseerde tot een afkeer van privileges**, rechtsongelijkheid en machtsmisbruik. Maar ik geloof niet dat dat snel zal gebeuren. Zoals ik ook niet geloof dat Bregman gemakkelijk een performant alternatief zal vinden voor het huidige bestel. Op bladzijde 377 schrijft hij: ‘Laten we niet vergeten dat de opkomst van het kapitalisme in de afgelopen twee eeuwen gepaard ging met een enorme groei van de welvaart.’ En op bladzijde 301 vinden we eenzelfde geluid: ‘Het kapitalisme, de democratie, de rechtstaat en de bureaucratie hebben ons leven veel beter gemaakt. De statistieken liegen niet. De wereld is rijker, veiliger en gezonder dan ooit.’ Tja, probeer het dan maar eens beter te doen.
   Wij kúnnen het natuurlijk proberen. We hebben immers allemaal, zoals Bregman, veel kritiek op het bestel. Als Bregman kankert op ceo’s, zal hij applaus oogsten op de banken van links; als hij te keer gaat tegen beroepspolitici, mag hij gejuich verwachten van de libertariërs; en als hij de bureaucratie op de korrel neemt, zal ook de volgzaamste burger, ja zelfs de bureaucraat, instemmend knikken. Maar wat Bregman in de plaats stelt is magertjes. Hier en daar een bedrijf dat zonder ceo’s werkt. Good for them. Een stijging van de ‘zorgcoöperaties, broodfondsen en energiecoöperaties’. Daar is zeker plaats voor, maar als algemene aanpak? It’s been tried before.
     Het mooiste, of eigenlijk, het zwakste voorbeeld vond ik op bladzijde 379 waar Bregman spreekt over het Alaska Permanent Fund. De olievoorraden van Alaska zijn eigendom van alle inwoners van de staat. De dividenden daarvan worden uitgekeerd als een soort universeel basisinkomen aan alle inwoners, en kan tot 3000 dollar bedragen. Hij legt uit – terecht – dat aan zo’n systeem niet de nadelen kleven van de ‘ouderwetse verzorgingsstaat … die afhankelijkheid produceert’. En hij vraagt zich af wat niet allemaal mogelijk zou zijn als bijvoorbeeld ook grondwater en patenten tot gemeenschappelijk eigendom zouden worden verklaard, zodat ze dividenden opleveren voor de individuele burgers. Veel zou mogelijk zijn, geloof ik, maar in elk geval zouden die dividenden worden betaald door de gebruikers van dat water en van die gepatenteerde uitvindingen, dus door dezelfde mensen die de dividenden ontvangen. Alleen als je zoals de oliesjeiks of de inwoners van Alaska extra rente uit je grondstoffenvoorraad haalt, die je door anderen laat betalen, krijg je een overtuigende illusie van gratis geld.
     Misschien schrijf ik morgen nog iets over Bregmans verklaring van het Kwaad in de wereld. Hopelijk valt het dan wat korter uit.


* Zie ook Hayek, The Fatal Conceit, hoofdstuk 1 (hier) en Popper, The Open Society, hoofdstuk 10.
** Privileges in de betekenis van arbitraire voordelen toegekend door officiële instanties en sommige andere gezagsdragers.