Posts tonen met het label Trotski. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Trotski. Alle posts tonen

donderdag 24 november 2022

Trotski, K3 en andere kortjes


Trotski en de meisjes van K3.
 In zijn Great Companions vertelt de Amerikaanse schrijver Max Eastman onder andere over zijn gesprekken met filosoof Santayana en met politiek agitator Leon Trotsky. Van allebei merkt hij korzelig op dat hij veel vragen aan hén stelde, maar dat zij van hun kant nooit een vraag aan hém stelden. ‘Ik voelde mij gekwetst door Trotski’s volkomen gebrek aan belangstelling voor mij als persoon,’ schrijft hij. Dat doet mij denken aan die keer dat we met Jan – hij moet een jaar of zes zijn geweest – naar Antwerpen gingen om de intocht van Sinterklaas mee te maken. We stonden in de menigte te wachten op de boot die, toen hij eraan kwam, niet alleen de Sint maar ook de zanggroep K3 aan boord bleek te hebben.  De meisjes zongen en dansten alsof hun leven ervan hing. We hadden een uitstekend plaatsje van waar we alles goed konden zien. Maar Jan begon te wenen. ‘K3 ziet mij niet,’ snikte hij. 

Joël De Ceulaer. Sommige lezers vinden dat ik met mijn stukje laatst het hoofdoekenstandpunt van De Ceulaer ‘vernietigd’ had. Welnee, Joël kan altijd antwoorden: Die Clerick ... 1) springt van principiële argumentatie naar pragmatische argumentatie en omgekeerd; 2) past het argument van neutraliteit van ambtenaren toe op schoolkinderen; 3) geeft niet aan hoe hij zijn standpunt kan rijmen met zijn libertarisch wereldbeeld; 4) zegt dat men symbolen moet afleggen in sommige contexten, maar geeft geen criteria om die contexten af te bakenen; 5) geeft niet aan of hij zijn redenering voor leerlingen ook durft doortrekken tot het hoger onderwijs; 6) ziet een correlatie tussen hoofddoekdragen en fundamentalisme, maar correlatie is geen causatie; 7) enzovoort.

Joël De Ceulaer (2) Joel kan als het moet een gesprek modereren, een interview afnemen, een boek schrijven, en een boek van een ander bespreken. Maar als hij aan polemiek doet, gaat het mis. Hij grijpt dan naar primitieve drogredenen, krankzinnige vergelijkingen en extravagante overdrijvingen, zolang ze in zijn straatje passen. Wellicht denkt hij dat dat in orde is, als hij bovenaan zijn stuk het woord satire vermeldt.

Dialect. In de les Nederlands liet ik wel eens de dialectkaart voor het lemma ‘aardappel’ zien. De variatie is groot: je hebt de familie van eerappel, êrappel, iërappel, irappel, eppel, erpel, irpel en aan de andere kant de familie van petat, petaat, petijt, petoot, petoet, petèt. Ik hoor het liefst de Gentse varianten: petatse en petaoter. Ik ga nooit voorbij de groenteafdeling van de supermarkt, zonder dat ik tot mijzelf binnensmonds zeg: ‘Kijk, petaoters. Allemaal petaoters.’

Dialect (2).  Omdat mijn vrouw keek, heb ik af en toe een paar minuten meegekeken naar de VRT-serie Chantal. Ik vond het West-Vlaams erg goed, geen woord-voor-woord vertaling van het Nederlands overgoten met West-Vlaamse klanken, maar echt West-Vlaams, ook in woordkeus en zinsbouw. Ik kan het weten, want ’t is een taal die ik zelf goed beheers, beter eigenlijk dan enige andere taal. En Cafmeyer beheerst die ook, want ze acteerde beter dan als ze dat in Herman Teirlinck-Nederlands moet doen. Nu lees ik dat kijkers uit Antwerpen en omstreken verdeeld reageerden. De enen vonden het onbegrijpelijk dialect ergerlijk, de anderen waren een beetje jaloers en zuchtten: ‘’t Ies toch schoeën, zoeën dialect, spaatig da waai da nie emme.’ Ja, die Antwerpenaars.

Subsidiedossiers. Onlangs schreef Gaea Schoeters dat kunstenaars hard moeten werken om subsidies en beurzen te verkrijgen: ‘Want dat het schrijven van die aanvragen, schreef Schoeters, vreet happen tijd die we anders zouden kunnen gebruiken om ons eigenlijke beroep, dat van kunstenaar, uit te oefenen.’ Dat is inderdaad een erg droevige en vernederende toestand. De Amerikaanse dichteres Edna Sint-Vincent Millay heeft ooit, toen ze in geldnood zat, een beurs van 5000 dollar geweigerd omdat het reglement van de Academy of American Poets, die de beurzen uitreikte, een gemotiveerde aanvraag van de dichters vroeg. De Academy had die bepaling uiteindelijk, op vraag van Edna, geschrapt maar, dat was voor de dichteres onvoldoende. De infame regel, ook al werd hij ingetrokken, wierp in haar ogen voor eeuwig een smet op de Academy. Ja, behalve op seksueel vlak was Edna erg puriteins.

Homoseksueel. Dezelfde Edna leed gemakkelijk aan hoofdpijn. Ze ontmoette een psychiater die dacht dat daar een psychische oorzaak voor bestond. Na veel aarzelingen vroeg de psychiater of de mogelijkheid bestond … euh … of ze zich misschien ... euh ... al was het onbewust ... euh ... aangetrokken voelde tot personen … euh … van hetzelfde geslacht. ‘Oh, je bedoelt dat ik homoseksueel ben,’ zei Edna. Ja, natuurlijk ben ik dat, en heteroseksueel ook, maar wat heeft dat met mijn hoofdpijn te maken?’

Sunk cost fallacy. Ondernemers leren op de ondernemersschool dat ze zich moeten hoeden voor de sunk cost-reflex. Bij het nemen van beslissingen voor een project is het enige wat telt de toekomstige kosten en welke opbrengsten daar tegenover staan. Met kosten die al gemaakt zijn mag je geen rekening houden. Maar de sunk cost-reflex in het dagelijkse leven heeft ook zijn voordelen. Piano leren spelen op oudere leeftijd bijvoorbeeld is een kwelling. Je denkt wel eens aan opgeven. Maar dan denk je aan al het werk dat je er al in geïnvesteerd hebt, en je gaat verder. 

 

vrijdag 22 januari 2021

De socialisten en hun Marx


      Kennen de socialisten van vandaag hun Marx nog? Misschien beter dan we denken. Frank Vandenbroucke zei onlangs dat we dankzij de vaccins het ‘Rijk der Vrijheid’ zouden binnentreden.  Dat verwijst naar een uitspraak van Karl Marx in deel III van Het Kapitaal. Onder het kapitalisme is de arbeider ‘vervreemd van zijn arbeid. In de eerste fase van het socialisme wordt dat opgelost. De kapitalisten worden onteigend en de bedrijven worden overgenomen door de ‘gemeenschap’, waardoor de arbeider zich bevrijd weet van de maatschappelijke uitbuiting. Maar helemaal vrij is hij nog niet. Hij is vrij van de kapitalist, maar nog niet vrij van de wrede natuur die oplegt dat hij eet en drinkt en zich verwarmt om niet om te komen van honger, dorst of kou. Daarom is het noodzakelijk dat hij blijft werken.
    Als ideaal is dat minnetjes. Maar na het socialisme komt het communisme, en dan is de mens écht vrij. Hij eet en drinkt nog wel, en verwarmt zich, en werkt, maar hij doet dat niet uit noodzaak, maar uit vrije keuze. Onder het communisme ‘beginnt […] das wahre Reich der Freiheit’ dat opbloeit op de fundamenten van het oude ‘Reich der Notwendigheit’ (Kapital III, MEW 25, 828).
     De lezer denkt nu: ja, dat is Frank Vandenbroucke, een bolleboos, een studax, een oud-Trotskist, natuurlijk kent die de communisme-theorie van Marx. Goed. Dan nemen we Conner Rousseau van wie niemand gelooft dat hij een bolleboos of een studax is, of weet wie Trotski was. Een jaar geleden schreef hij op zijn Facebookpagina het volgende: ‘Solidariteit, dat is uw deel doen, maar ook uw deel krijgen. Dat is bijdragen naar vermogen, maar ook krijgen naar noden. Die slagzin komt van een van de grondleggers van het communisme: Louis Blanc: ‘De chacun selon ses capacités, à chacun selon ses besoins.’ Marx nam die formule over. Loon naar werken vond hij burgerlijk. In het ‘Rijk der Vrijheid’ zou het anders toegaan: ‘Von jedem nach seinen Fähigkeiten, zu jedem nach seinen Bedürfnissen,’ scheef hij in zijn bekende Kritik des Gothaer Programms.
      Zelf ben ik voorstander van een universeel basisinkomen, als vervanging van de sociale zekerheid. Dat basisinkomen moet laag zijn, en moet een ziekteverzekering inhouden. De kapitalistische automatisering en robotisering maken zoiets in de toekomst misschien mogelijk. Zo’n basisinkomen kun je evengoed zien als een soort ‘Rijk der Vrijheid’. Charles Murray geeft een voorbeeld (hier). Vier vrienden die alleen in golfsurfen geïnteresseerd zijn, kunnen samen een goedkoop appartementje huren en de rest van hun dagen doorbrengen op de plank, zonder zich verder om iets druk te maken. Ze kunnen naar het woord van Jezus leven als de vogelen in de lucht en de leliën des velds.
     Maar als ideaal blijft het minnetjes. Willen de vrienden een extraatje, een breedbeeldscherm en een abonnement op Netflix bijvoorbeeld, dan zullen ze een bijbaantje moeten nemen, waarmee ze toch weer terecht komen in het ‘Rijk der Noodzaak’. Ook vrees ik dat ze zelfs met die bijbaantjes niet aan ál hun ‘Bedürfnisse’ zullen kunnen voldoen. Maar ’t stelsel is tenminste concreter dan de utopie van Marx. En er is een mooie film over gemaakt met Keanu Reeves en Patrick Swayze. Al ging die meer over het bijbaantje van de vrienden-surfers.

dinsdag 6 maart 2018

Hoe bekeer je iemand tot het stalinisme?

     Gisteren 65 jaar geleden overleed Jozef Stalin. Dat was geen aardige man, want hij had vele, vele miljoenen Russen laten vermoorden. Ik moet dat geweten hebben toen ik voor het eerst, op zestien- of zeventienjarige leeftijd, het krantje kocht dat Alle Macht aan de Arbeiders heette. Op de eerste pagina van dat krantje prijkte een afbeelding van de ‘vijf koppen’. De vijf koppen,  dat waren die van vijf bekende communistische leiders: Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. Thuis nam ik een rode stift en trok een kruis over de vierde kop. Nà. Daar had die wrede dictator niet van terug.
     Hoe wist ik eigenlijk dat die Stalin niet deugde? Onze geschiedenisleraar, Danny Desseyn, had ons weinig over de Russische leider verteld, en dat weinige was nog positief geweest ook: de wilskracht waarmee hij het hoofd had geboden aan de Duitse inval, de succesvolle vijfjarenplannen. Toch wist ik, of liever voelde ik, dat werkelijk iederéén, behalve die jongens van Alle Macht, het erover eens was dat Stalin een heel slecht mens was geweest. Er hing een soort eenstemmigheid in de lucht, en daar had ik ongetwijfeld iets van opgesnoven. Misschien ook had ik ergens een kritisch opstel van Boris Souvarine gelezen. ’t Is lang geleden.
     Ik was dus, toen ik zestien-zeventien was, antistalinist, zoals iedereen. Toch hadden handige bliksems als PdB, WM en sommige anderen van wie ik mij slechts één initiaal herinner, niet al te veel moeite om me in geen tijd in een klein stalinistje om te turnen. Enkele trucjes hielpen daarbij. De terreur van Stalin erkennen (‘hij heeft dertig procent fouten gemaakt’), ontkennen (‘leugens van de burgerlijke pers’), en minimaliseren (‘veel minder erg dan de miljoenen slachtoffers van het kolonialisme en de kapitalistische wereldoorlogen’). Een ander foefje bestond erin de aandacht af te leiden van de daden van de man naar de woorden van de schrijver. Want Stalin schrééf ook, net als de vier andere koppen. ‘Lees eens een boek van Stalin zelf,’ zei men mij, ‘in plaats van alleen maar negatieve dingen over hem te lezen.’ En ik kreeg iets in handen gestopt over het ‘dialectisch en historisch materialisme’ of over ‘het nationaliteitenvraagstuk’. En ja, het klonk allemaal behoorlijk marxistisch wat daarin stond, en ook dat marxisme hing in de lucht en daar had ik meer dan mijn deel van opgesnoven.
     Nauw in verband met de truc van de boeken, was de sterkste handgreep van allemaal: het begraven van de stalinistische moordpartijen onder een menigte ideologische haarkloverijen. Zo werd er eindeloos geargumenteerd waarom in het Rusland van de jaren 30, de ene keer meer middelen naar de landbouw en de andere keer meer middelen naar de industrie moesten gaan. Zulke discussies hadden geen wetenschappelijke basis omdat, zoals Ludwig von Mises al in 1920 had aangetoond, de socialistische economie geen wetenschappelijke basis heeft. Het socialisme vervangt een aanpak van gissen, missen en leren van je fouten, door een blindemanspelletje waarbij je niet eens wéét wanneer je raak of mis slaat. Maar het zijn natuurlijk net de discussies zónder wetenschappelijke basis die met de grootste passie worden gevoerd. En na een ideologisch seminarie van drie dagen waren we het er allemaal over eens dat Stalins landbouwpolitiek de enige juiste was, terwijl die van Trotski door links opportunisme, en die van Boecharin door rechts opportunisme was gekenmerkt. Dat die landbouwpolitiek uitmondde in de Oekraïense Hongersnood van 1932-1933 – drie tot zes miljoen slachtoffers* –, was een aspect dat op zo’n seminarie minder uitvoerig werd besproken.
     Die ideologische seminaries werden dan aangevuld door vlijtige zelfstudie van communistische of half-communistische boeken. Uit die boeken bleek dat het allemaal best meeviel met de stalinistische moordpartijen. Hier en daar was wel eens een klassenvijand naar een kamp gestuurd of een spion doodgeschoten, maar er was vooral veel goeds gerealiseerd: genoeg te eten, goedkope condooms, scholen, rusthuizen, de metro van Moskou, autowegen, en op tijd rijdende treinen. De boeken waarin dat goeds werd bezongen, waren vaak geschreven door figuren van het tweede garnituur:  Anna Louise Strong, Kostas Mavrakis, Nils Holmberg, Sayers & Kahn. Soms waren het ‘neutrale’ boeken zoals de memoires van Joseph E. Davis, de Amerikaanse ambassadeur in Rusland, of een reisverslag van Hewlett Johnson, de deken van Canterbury. En af en toe vond je boek van een auteur met een grote naam, waar je dus niet beschaamd over moest zijn, zoals dat van de Franse communist Louis Aragon, die, zoals iedereen moest toegeven, voor zijn vrouw mooie gedichten had geschreven. Als je dan tien of twintig van zulke boeken had gelezen, dan wist je over Stalin meer dan 99 procent van de bevolking, en meer dan 90 procent van de niet ter zake gespecialiseerde historici. Zoals een beetje holocaustontkenner ook meer weet over Hitler dan u en ik en de doorsnee geschiedenisleraar.
     Als zo’n holocaustontkenner of zo’n Stalinnegationist in gesprek raakt met een leek in de materie, doet zich een raar verschijnsel voor. De ontkenner haalt tientallen argumenten aan, sleept er de kolen- en staalproductie bij, bespreekt partijdagen en congressen, citeert uit rapporten van geheime diensten, wijst op tegenstrijdige en onmogelijke cijfers … en de leek haalt zijn schouders op. De ontkenner wordt wanhopig. Hij brengt de graanproductie, de alfabetisering en de nationaliteitenpolitiek ter sprake. De leek blijft onverstoorbaar. De ontkenner wordt nu emotioneel, barst in tranen uit, wijst op de heldhaftigheid van het Duitse of Russische volk en op de lage maneuvers van de vijand. Maar de leek geeft geen kik. Die Hitler of die Stalin was een massamoordenaar, punt. De leek weet dat zeker, zonder ook maar één boek gelezen te hebben.
     Razend werd ik ervan.

* Ik schreef oorspronkelijk 6 miljoen slachtoffers. Nl.Wikipedia spreekt van 2,5 tot 7,5 miljoen slachtoffers. En.Wikipedia heeft uitgebreid toelichting bij de verschillende schattingen.

woensdag 11 oktober 2017

Lenin op De Afspraak

     Gisteren in De Afspraak ging het over Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin. Bart Schols stelde vragen aan Lien Verpoest, een Ruslandkundige met een erg beweeglijk gezicht. Af en toe kwam de olijke Mark Eyskens tussen met flauwe anekdotes, het soort anekdotes die ik in de klas ook wel eens vertel: dat Lenin op het Kremlin een heel klein werkkamertje betrok*, dat hij in 1917 met een ‘verzegelde’ trein naar Rusland reisde, en dat Trotski met een bijl de hersens werd ingeslagen in Mexico. Mark had dat werkkamertje en die bijl met eigen ogen gezien.
     Rond de figuur van Lenin werd in de uitzending een web van bijvoeglijke naamwoorden geweven: zeer radicaal, zeer intelligent, verbeten, recht-door-zee, zeer kordaat, rechtlijnig, open van geest. ‘De kenmerken van een echte leider,’ zo vatte Schols het samen, die er daarnaast enkele keren op wees dat Vladimir Iljitsj verantwoordelijk was voor de dood van zes miljoen mensen.**
     Niet alle omschrijvingen van Lenin leken mij even gelukkig. ‘Radicaal’ en ‘kordaat’ zijn geen slechte woorden, maar ‘fanatiek’ en ‘meedogenloos’ roepen een scherper beeld van de man op. ‘Recht-door-zee’ en ‘rechtlijnig’ geven goed aan dat Lenin nooit zijn uiteindelijke doel uit het oog verloor. Maar ze doen onrecht aan zijn eeuwige tactisch gemaneuvreer. Dit was immers de man de schreef dat communisten ‘indien nodig, gebruik moesten maken van alle mogelijke listen, kunstgrepen en onwettelijke methodes, van alle uitvluchten en verzinsels om binnen te raken in de vakbonden.’*** Als ik zo’n zin lees, denk ik niet meteen aan onze mooie, taaleigen uitdrukking ‘recht-door-zee’.
     Was Lenin ‘zeer, zeer intelligent’, zoals mevrouw Verpoest beweerde? Wie zal het zeggen? Toen de Russissche politiek in 1908 geblokkeerd leek, sloot Lenin zich negen maanden op in de academische bibliotheken van Genève en London om een boek te schrijven waarin hij de marxistische filosofie afwoog tegen de toenmalige stand van de wetenschap. Dat boek – Empirio-critisme en materialisme – zou, geloof ik, aan de meeste universiteiten aanvaard zijn als doctoraatsverhandeling, mits de promotor er de scheldwoorden en de overbodige herhalingen uithaalde. Een domme jongen was Lenin dus niet. Maar is een doctoraatsverhandeling altijd een bewijs van superieure intelligentie? Bertrand Russell heeft een uur met Lenin gepraat en vond hem heel gewoontjes. We moeten er niet aan denken wat Keynes zou hebben geconcludeerd na een uurtje Lenin.
     Wat Russell opviel was Lenins gebrek aan kennis (in verband met Engeland), zijn ontoereikend psychologisch voorstellingsvermogen, zijn bekrompenheid en zijn absolute geloof in de leer. Dat valt moeilijk te rijmen met de ‘open geest’ die door Schols werd gesuggereerd en door Verpoest werd overgenomen. Gelukkig werd die openheid toegelicht met voorbeelden.
     Hét grote voorbeeld van Lenins ‘openheid op maatschappelijk gebied’ was zijn steun aan de vrouwenbeweging. Daar kon Schols niet bij. Verantwoordelijk voor zes miljoen doden en tegelijk ook de ‘grondlegger van de vrouwenrechten’. Hoe kon dat nu? Daar kon Lenin toch zelf nooit opgekomen zijn, dacht Schols. Daar moest een vrouw achter zitten. Inessa Armand bijvoorbeeld, die misschien wel Lenins maîtresse was. De kijkers kregen een foto van Innessa te zien. Verpoest gaf toe dat Inessa er wel iets mee te maken had. Maar dat was niet het belangrijkste, zei ze. Lenin haalde zijn ideeën over vrouwenrechten, vrije liefde, wettelijke abortus en afschaffing van huishoudelijke taken uit ‘het marxisme en het leninisme dat hij zich eigen had gemaakt.’
     Dat Lenin zich het leninisme had eigen gemaakt, was een kleine verspreking van Verpoest. Dat gebeurt. Ik zou ook zenuwachtig zijn als ik over Lenin moest spreken in een studio. Maar dat Lenin zijn vrouwenrechten gehaald had bij Marx en Engels – en de Duitse sociaaldemocratie –, daar had Verpoest gelijk in. Sympathiek aan het vroege marxisme en socialisme was dat het allerlei in wezen liberale ideeën overnam en consequenter doorvoerde dan de liberalen zelf. De gelijkberechtiging van de vrouw was een van die ideeën. Het was een hoeksteen van de socialistische beweging. Lenin was in dat opzicht een brave, weinig originele socialist. We vergeten te snel dat Lenin zich amper drie jaar vóór 1917 had afgescheurd van de socialistische beweging.
     Hier hebben we meteen een reden om Lenins rol als grondlegger van de vrouwenrechten wat bij te stellen. Wat in het gesprekje tussen Schols en Verpoest namelijk ontbrak was duidelijkheid over de twee revoluties van 1917, die van februari en die van oktober. Het bleef onduidelijk wélk soort revolutie – of staatsgreep – Lenin in oktober had uitgevoerd. Kijkers met weinig achtergrond bleven wellicht met de idee zitten dat de oktoberrevolutie de tsarentroon omvergooide. Dat was natuurlijk niet het geval. De tsaar was al afgetreden na de revolutie van februari, toen Lenin nog in Zwitserland verbleef. Na het aftreden van de tsaar kwamen verschillende regeringen van conservatieven, liberalen en socialisten – met altijd maar meer socialisten.
     Lenin voerde zijn staatsgreep van oktober dus uit tegen een voornamelijk socialistische regering, een regering met mensjevieken en sociaal-revolutionairen die vrouwenrechten even hoog in hun agenda hadden ingeschreven als gelijk welke volgeling van Lenin. Zonder diens staatsgreep waren de vrouwenrechten in Rusland er ook gekomen. Daar zouden de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen wel voor hebben gezorgd. Maar dan was er niet één grondlegger van die rechten geweest. En als verhaal is dat minder.


* Eyskens vond dat kleine werkkamertje ontroerend. Het was jammer dat Lenin zo overtuigd was van zijn eigen gelijk, vond Eyskens, want daardoor kon hij, Lenin, geen democraat zijn. Maar hij, Eyskens, had wel veel bewondering voor de moed van Lenin.
** Alle zes miljoen slachtoffers aan Lenin toeschrijven is onrechtvaardig. Ook zonder Lenins staatsgreep zouden duizenden zijn omgekomen in de revolutionaire storm die over Rusland waaide. In de burgeroorlog die op de staatsgreep volgde, waren de Polen en de Tsjechen, de Witten van Koltsjak, de kozakken van Kaledin, de anarchisten van Machno en vele anderen tot even grote wreedheden bereid als de Roden van Lenin. Ze kregen ook steun vanuit het buitenland, van Engeland, van de Verenigde Staten en van andere landen. Maar zelfs hevige tegenstanders van de buitenlandse interventie, zoals Bertrand Russel, legden de verantwoordelijkheid van de burgeroorlog bij Lenins roekeloze staatsgreep.

*** Vakbonden in democratische landen wel te verstaan. Zie: De linkse stroming – Kinderziekte van het communisme, hoofdstuk 7, voorlaatste alinea).


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zondag 6 september 2015

Politieke scheldwoorden


De eerste der vuile trotskisten
   Een collega van mij heeft een verleden bij de Revolutionaire Arbeidersliga. Zelf hoorde ik bij een groep die tot 1979 ‘Alle Macht aan de Arbeiders’ heette. ‘Toch niet álle macht?’, vroeg onze retoricaleraar verschrikt, maar dit terzijde. De Revolutionaire Arbeidersliga – kortweg RAL – vond dat veel wijsheid te halen viel bij Marx en Lenin en dat vonden wij van onze kant ook. Daarna liep het mis. Die RAL-mensen haalden het in hun hoofd dat Trotski de legitieme erfgenaam van Lenin was. Hoe kwamen ze erbij? Het was juist Stalin die de beste vriend was van de arbeiders, de boeren en de zeelui. Het debat werd niet altijd in academische termen gevoerd; de scheldwoorden waren niet van de lucht.
    Ik heb aan mijn collega voorgesteld om die oude scheldwoorden nieuw leven in te blazen. Ik zou haar met ‘vuile trotskiste’ aanspreken en dan kon zij terugsissen dat ik een ‘smerige stalinist’ was. Het heeft niet gewerkt. De scheldwoorden zaten ons niet lekker. Op de sociale media is dat even anders. Daar vliegen ze je om de oren: de ‘corrupte’ PS’ers, de ‘arrogante’ liberalen, de ‘jaloerse’ sossen, de ‘twistzieke’ NVA’ers, de ‘bekrompen’ vakbonders, de ‘zelfgenoegzame’ groenen, de ‘hypocriete’ tjeven.
    Zou de wereld niet veel mooier zijn zonder al die scheldwoorden? Ik denk het wel. Het zou natuurlijk helpen als die PS’ers wat minder corrupt, die liberalen wat minder arrogant, die sossen wat minder jaloers, die NVA’ers wat minder twistziek, die vakbonders wat minder bekrompen, die groenen wat minder zelfgenoegzaam en die tjeven wat minder hypocriet waren. Maar zoals men zegt na een voetbalmatch waarbij de eigen club verloren heeft: het is wat het is … Ik weet in elk geval wat mijn werkpuntjes zijn.

Oorspronkelijk geplaatst op 23 december 2014