Posts tonen met het label Godfried Bomans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Godfried Bomans. Alle posts tonen

dinsdag 18 mei 2021

Israël en Palestina: partij kiezen

  


    Zelfs als de gevechten tussen de Israeli’s en de Palestijnen escaleren, blijft de kans klein dat de dodencijfers  vergelijkbaar zullen zijn met wat de laatste jaren werd opgetekend in Syrië, Eritrea, Ethiopië, Sudan, Afghanistan, Yemen, Nagorno-Karabach, enzovoort. Je kunt die minder nieuwswaardige conflicten makkelijk opzoeken op Wikipedia. Van veel van die conflicten met tienduizenden slachtoffers heb ik zelfs nog nooit gehoord: de Ituri-oorlog in de Democratische Republiek Congo, de Cabo-Delgado-opstand in Tanzanië en Mozambique. Van andere heb ik wel gehoord, maar had ik geen idee van de schaal. De Mexicaanse drugsoorlogen (50 000 doden), de raids van Boko Haram (70 000 doden) … Ik lig er overigens niet wakker van: of ik goed of slecht slaap zal geen invloed hebben op wat in die verre landen gebeurt.
     Maar bij de 160 doden in Gaza en Israël – and counting – ben ik zoals velen emotioneel meer betrokken. Van landgenoten van Joodse of Palestijnse origine is zoiets begrijpelijk, en ook van wie zulke mensen in zijn vriendenkring heeft, of van wie ooit in een Kibboetz of in een Palestijns kamp gewerkt heeft tijdens een vakantie. Maar waarom voelen mensen zoals ik, die met Joden en Palestijnen niets te maken hebben, zich emotioneel betrokken? Omdat het om symbolen gaat? Ja, dat is bijna altijd de verklaring, maar wat betekent dat?
     Wat in elk geval kan meespelen is een vorm van culturele solidariteit. Israël is min of meer een Westers land, met een Westerse cultuur, en dat schept een band. Godfried Bomans beschrijft ergens een reis die hij maakte door het Midden-Oosten. Als hij in Israël aankomt, voelt het aan, schrijft hij, alsof hij thuiskomt. Ik ben nooit in het Midden-Oosten geweest, maar ik voel het toch ook zo aan. Misschien heeft Israël allerlei misdaden begaan. Dat kan. Het Westen is best tot misdaden in staat, en die misdaden moeten bestreden worden. Maar het blijft toch altijd een beetje óns Westen. Zo’n emotionele voorkeursbehandeling mag ons rechtvaardigheidsgevoel en onze ratio niet in de weg staan, maar het is goed de emotie te onderkennen en toe te geven.
     Die sympathie voor de Westerse kant van Israël heeft trouwens zelf ook een rationeel ingrediënt: Israël mag niet perfect zijn, maar steekt, wat het politieke regime betreft, nogal gunstig af tegen veel ander landen in de regio: democratie, rechtstaat, secularisme*, eigendomsrecht, tolerantie, rechten van minderheden. Men kan op al deze principes grove tot zeer grove inbreuken vaststellen, maar of er veel landen in de regio zijn die een beter rapport hebben, betwijfel ik. Mocht daar discussie over rijzen, dan laat ik die over aan de beter geïnformeerde supporters van beide kampen. Daar is geloof ik geen gebrek aan. Ook voeg ik er voor de zekerheid aan toe dat het slechte rapport van andere landen, geen rechtvaardiging inhoudt van de Israëlische inbreuken.
     Het bovenstaande kan de betrokkenheid verklaren van mensen wier sympathie eerder naar Israël uitgaat. Maar hoe zit dat met de Palestina-mensen? Daar dringen andere verklaringen zich op. Er is de linkse traditie, die na een korte periode van sympathie voor het zionisme eind de jaren 40, al gauw koos voor het Palestijns-Arabische kamp. Er is de anti-Westerse reflex die je bij mensen van links wel eens aantreft – alhoewel ik ook Palestina-mensen ken die van die reflex geen last hebben. En er is het respect voor internationaal recht en UNO-resoluties, zeker als die in het voordeel uitvallen van de partij waar je sympathie toch al naar uitging.
     Dan heb je in het Palestina-kamp nog de sympathie voor de underdog. Bij elke fase in het conflict zijn, los van de vraag wie de éérste klappen uitdeelde, de zwáárste altijd gevallen aan Palestijnse of Arabische zijde: in 1948, in 1956, in 1967, in 1973, in 1982. De Israëli’s trokken iedere keer aan het langste eind. Ook nu weer kun je de underdogpositie van de Palestijnen aflezen aan de dodencijfers: 10 aan Israëlische kant, en 150 aan Palestijnse kant. Hoeveel raketten Hamas ook afvuurt, Israël is met zijn afweergeschut en met zijn precisiebombardementen nu eenmaal vele keren sterker dan zijn vijand. De Israëlis hebben het militaire overwicht en ze gebruiken het. Mochten de militaire krachtsverhoudingen omgekeerd liggen, dan zouden de dodencijfers ook omgekeerd liggen. Ik ben alleen niet zeker of Hamas in dat geval ook de strategie van precisiebombardementen zou hanteren. Maar ondertussen zíjn de militaire krachtsverhoudingen niet omgekeerd.
     Ten slotte heb je de kwestie van het rechtvaardigheidsgevoel. De Palestina-mensen zelf zullen dat geloof ik bovenaan hun lijstje van motieven plaatsen. Zo’n rechtvaardigheidsgevoel bestaat uit twee delen: verontwaardiging om het onrecht dat is begaan in het verleden tot en met vandaag, en geloof in een rechtvaardige oplossing. Over dat onrecht uit het verleden heb ik niets te vertellen. Hoe sneller iedereen het vergeet, van welke kant het ook komt, hoe beter. Maar over een rechtvaardige oplossing, daar schrijf ik morgen misschien nog iets over. Ik ben daarover, vrees ik, niet erg optimistisch.

 

* Seculariteit is in de grondwet van enkele Arabische en moslimlanden wellicht beter verankerd dan in die in Israël. Dat betekent niet noodzakelijk dat die landen ook in de praktijk, en op alle gebieden, een grotere tolerantie aan de dag leggen tegenover godsdienstige minderheden.  

vrijdag 9 april 2021

Kortjes over kortjes*

Een van de oudste literaire genres is dat van de kortjes: aforismen, spreuken, bon mots, puntdichten, anekdotes, karakterschetsen: van Prediker tot Cioran, van Heraclitus tot Dorothy Parker, van Seneca tot Nietzsche.

 Godfried Bomans onderbreekt in Buitelingen zijn cursiefjes door af en toe een bladzijde ‘Invallen’ tussen te voegen. Elke bundel van Karel van het Reve eindigt met een reeks ‘Fragmenten’. Joe Brainard heeft zijn boekje I Remember, Jo Komkommer heeft zijn blogrubriek ‘Ik herinner mij’ en Padgett Powell heeft zijn eindeloze reeks vragen in The Interrogative Mood.

 Dan dan had je de 17de,  18de en 19de eeuw met Pascal, La Rochefoucauld, Vauvenargues, La Bruyère, Lichtenberg, Schopenhauer, Chamfort, Bloy. Soms lijkt het of de Faust van Goethe alleen geschreven is om de krachtige aforismen een plaats te geven**.

 En vandaag doet iederéén mee, dankzij Twitter en Facebook.

 Die kortjes hebben het voordeel dat je een leuke inval niet homeopathisch moet verdunnen zoals Addison deed in zijn Spectator***. Maar dat aanlengen met water is niet altijd zinloos. Je moet dan wel goed schudden. Karel van het Reve had ooit een kortje geschreven over de evolutieleer van Darwin. Later schreef hij een langer stuk, dat ongeveer hetzelfde zei, maar dat ik toch niet zou willen missen. Het voordeel van een langer stuk is dat de ene inval de andere meebrengt.

 Een ander voordeel van kortjes zal vooral de luie medemens aanspreken. Ik ben zo’n medemens. Nu noteer ik vaak een inval, met het vaste voornemen om die later uit te werken. En dan komt het er niet van.

 Enkele voorbeelden?

 Al heel mijn leven ken ik de Lettres van Mme de Sévigné. Het boek nam een opvallende plaats in in de boekenkast van van mijn vader. Pas onlangs heb ik een deel van die correspondentie gelezen****. – Al heel mijn leven weet ik dat Camus omgekomen is bij een auto-ongeluk. Pas sinds eergisteren weet ik dat hij bij dat ongeluk niet aan het stuur zat, en dat zijn uitgever bij hetzelfde ongeluk de dood vond. – Al heel mijn leven ken ik de muziek van Les parapluies de Cherbourg. Pas gisteren heb ik de film gezien. –  – Wat valt daaraan uit te werken?

 Of kijk. Ik heb geen zin om een recensie te schrijven over Les parapluies, maar ik wil toch graag iets kwijt over de interieurs. Wat was me dat allemaal? Die meubels? Dat behang? Die kleuren? Hebben die echt bestaan? Mensen die zo woonden, na hoeveel maanden werden ze opgenomen in een instelling? Wij hebben laatst bijna een appartement aan zee gekocht, en de slaapkamer was precies in dezelfde ‘style bonbonnière’ ingericht als in de film. ‘Alles gaat eruit,’ zei mijn vrouw.

 En tussen haakjes. Catherine Deneuve was 21 in die film. Julie Christie was 22 in The Fast Lady. Zouden er nog veel vrouwen zijn die na die leeftijd móóier worden?

 

* Ik herinner mij een ruzie met een professor in de taalkunde over de morfologische mogelijkheid van het Nederlands om verkleinwoorden te maken van bijvoeglijke naamwoorden. Ik had ongelijk.

**  Over de Maximes van La Rochefoucauld: zie ook hier.  Voorbeelden van kortjes bij Chamfort vind je hier, hier en hier. Van Dorothy Parker: hier. Over die aforismen in Faust: zie ook hier. Over Schopenhauer en Nietzsche, zie ook hier, met name ook over het gebruik van aforisme door die laatste. 

*** Een ander voordeel is dat je niet hoeft te argumenteren, zie ook hier.

**** Over Madame de Sévigné: zie ook hier.


woensdag 20 januari 2021

Technieken van de humor


      In het vierde middelbaar gaf ik een aantal lessen over ‘technieken van de humor’. Dat was een mooie gelegenheid om de leerlingen tekstjes te laten lezen van Godfried Bomans, Simon Carmiggelt, Kees van Kooten, Koen Meulenaere, Annie Schmidt, de twee broers Van het Reve en nog enkele anderen.
     Ik heb toen zelf ook enkele geleerde teksten gelezen óver humor, van Schopenhauer, Bergson, Daninos en nog enkele anderen. Een van die teksten was een heus doctoraat van Hans van den Bergh: Konstanten in de komedie. Een onderzoek naar komische werking en ervaring. De doctorandus had daarvoor een aantal komedies bijgewoond en had genoteerd wanneer het publiek lachte. Hij had dat ook gedaan met enkele op grammofoonplaat of op band opgenomen voorstellingen. Zo kwam hij uiteindelijk aan een lijst van  3611 ‘Komische momenten’, die hij in zijn proefschrift afkortte tot ‘K.M’ in het enkelvoud en ‘K.M.M.’ in het meervoud. Wat hebben die literatuurwetenschappers een boeiend leven.
     Je begrijpt ongeveer welke technieken van de humor ik besprak: ironie, parodie, contrast, paradox, taboedoorbreking, dubbele bodem, overdrijving, understatement, te veel of te weinig woorden gebruiken, ‘stating the obvious’ enzoverder. Het kwam erop aan om leuke voorbeelden te zoeken of te verzinnen.
     Twee dingen zijn mij door die lessen te geven duidelijk geworden. Die zogenaamde technieken werken niet altijd. Je moet er minstens een paar combineren voor een echt K.M. optreedt.* Neem de eerste de beste bekende witz. ‘Het ziet er slecht uit. Diego Maradona dood, Paolo Rossi dood, Robbie Rensenbrink dood, en ik voel mij de laatste tijd ook niet zo lekker.’ Je hebt hier een reeks ‘technieken’ tegelijk: een aperte onwaarheid (ik heb nooit gevoetbald), een heterogene opsomming (ik hoor niet in het rijtje), impliciete uitdrukking (dat ik binnenkort zou kunnen doodgaan) naast nog eens een taboedoorbrekend prijzen van mijzelf. Haal enkele van de bestanddelen weg, en veel van het effect verdwijnt. ‘Ik kan even goed voetballen als Maradonna’, is bijzonder flauw. Net als: ‘Straks kan ik ook overlijden.’
     En dan is mij nog iets opgevallen. Alle, of laat ons zeggen de meeste, technieken lijken ook als ‘gewone’ stijlfiguur gebruikt te worden, zonder op het eerste gezicht een komisch effect na te streven. Denk aan het rijtje hierboven: overdrijving, taboedoorbreking, paradox … Stentor van Homerus kon even luid schreeuwen als 50 mannen. Dat is een flinke overdrijving, maar is het grappig? ‘Alles zoop en naaide, heel Europa was één groot matras’, schreef Campert. Dat was niet alleen een overdrijving; voor oudere dichters was in die tijd, geloof ik, zelfs het woord ‘matras’ een taboe. Maar heeft iemand gelachen met het gedicht? Dickens begint A Tale of Two Cities met een reeks paradoxen waarvan de eerste de bekendste is. ‘It was the best of times, it was the worst of times.’ Maar wordt A Tale niet als een van zijn minst humoristische boeken beschouwd? 
     Mijn mening is dat die Stentor met zijn luide stem, die matras waarop ‘alles’ zuipt en naait, en ten slotte die tijden die tegelijk goed en slecht zijn, op hun manier een héél, héél klein beetje grappig zijn. In die zin is literatuur, ook op haar somberste bladzijden, altijd een heel klein beetje grappig, zoals muziek, ook in haar vrolijkste notenrijtjes, dat nooit is, of nooit zou mogen zijn**.

  

* Van den Bergh noemt dat de ‘meerwaardigheid van de K.M.M.’, maar hij gelooft niet dat zo’n meerwaardigheid het publiek harder aan het lachen brengt.

 ** Alhoewel ik soms in de lach schiet bij de prelude van BWV 855 als het K.M. eraan komt, na ongeveer anderhalve minuut voorpret. Zie hier.

dinsdag 15 december 2020

Bomans en het Zwarte Piet-activisme


      In Van de hak op de tak, een bundel van 1965, haalt Godfried Bomans een hoofdonderwijzer over de hekel die al jarenlang een verbitterd gevecht voerde tegen de figuur van Zwarte Piet*. Die hoofdonderwijzer had bezwaren van pedagogische aard, en achtte verder de zwartheid van Piet een bewijs van rassendiscriminatie. ‘Ach Heer, ook dat nog,’ zucht Bomans.
     Die hoofdonderwijzers, dat weten we nu, zijn van alle tijden. Het zijn, zegt Bomans, ‘hygiënisch denkende mensen – God spare ons voor deze zindelijke lieden.’ Ook weet hij wat we met zo’n hoofdonderwijzer moeten doen: we stoppen hem in de zak en sturen hem naar Spanje. ‘In Spanje is een tekort aan hoofdonderwijzers en daar vindt hij best weer een boterham.’
     Dat is een goed voorstel. Spanje of enig ander land waar een tekort aan hoofdonderwijzers is. Bestaan zulke landen nog?

* Zie ook hier  en hier.

dinsdag 7 mei 2019

Bart De Wever en de 'onnodige hervormingen in het onderwijs'

     ‘Met ons geen zotternijen of onnodige hervormingen in het onderwijs,’ zei Bart De Wever. Hilde Crevits antwoordde daarop: ‘En zonder mij waren er geen nieuwe eindtermen gekomen. Ik had ervoor kunnen kiezen om alleen een aantal eindtermen te laten vallen, maar ik heb gezegd: we gaan voor totaal nieuwe eindtermen.’ Er was daar heel veel werk in gegaan, voegde ze er nog aan toe, werk van honderden experts, leraren, ouders en leerlingen.*
     Dat vele werk dat daar is ingegaan, ik vind dat jammer. Karel van het Reve was, naast een erg goede essayist en columnist, ook professor in de slavistiek. Hij gaf, zij het met tegenzin, toe dat er ook voor universiteiten een soort eindtermen moesten bestaan, ‘een studieprogramma met redelijke minimumeisen waaraan iemand moet voldoen om het einddiploma te krijgen’. Maar daar moest niet te veel over worden vergaderd, en ze moesten ook niet telkens worden veranderd. ‘Als ik met laat ons zeggen Willem Vermeer en Carl Ebeling één middag om de tafel ga zitten,’ schrijft Karel, ‘maken wij een studieprogramma voor de Nederlandse slavistiek waar men twintig jaar mee vooruit kan en dat zeker niet slechter zal zijn dan enig studieprogramma waar men nu al zo’n vijftien jaar over vergadert.’
     Nu ik binnen een jaar op pensioen ga – ik word 64 – kan ik mij veroorloven om de eindtermen van Crevits cum grano salis te nemen, maar ik heb er indertijd heel wat vakanties aan besteed om die hopeloze bureaucratische onzin te vertalen in lessen die enigszins interessant konden zijn. Eigenlijk deed ik het omgekeerde. Ik bekeek eerst de leerstof die men altijd al had gegeven in een of ander jaar. Je kon dat te weten komen door het te vragen aan een meer ervaren collega, of door te bladeren in oude handboeken – hoe ouder hoe beter. Dan dacht ik na welke lessen ik daarover wou geven. En dan moest ik beginnen wringen en trekken en hangen en wurgen om de lessen die ik wilde geven en die eindtermen die ik moest volgen een beetje met elkaar in overeenstemming te brengen.
     Die werkwijze had zijn voordelen. De eindtermen waar ik mee te maken kreeg, voorzagen weinig ruimte voor literatuur maar veel ruimte voor – ik haal even diep adem –  ‘spreekvaardigheid op structurerend en beoordelend niveau voor een onbekend publiek’. Ik loste dat op door een aantal opdrachten te verzinnen en uit te werken zodat mijn leerlingen ‘structurerend en beoordelend’ over literatuur konden praten voor hun klasgenoten, die dan wel geen ‘onbekend publiek’ vormden, maar toch minstens een publiek dat vrij onbekend was met literatuur. En als ik die opdrachten een paar jaar had uitgetest en aangepast, kon ik er twintig jaar mee vooruit, op voorwaarde dat er geen nieuwe ‘innovatieve’ eindtermen kwamen die oplegden om literatuur uitsluitend nog aan te leren volgens de portfoliomethode.
     Ik zou het anders kunnen verwoorden: de beste eindtermen zijn de oude eindtermen, niet omdat die zo goed zijn, maar omdat de leraren en de handboekenschrijvers de tijd hebben gehad om het bruikbare dat erin staat te leren gebruiken en het onbruikbare te neutraliseren. Bij nieuwe eindtermen moet dat hele proces worden overgedaan, wat in tijden als deze, neerkomt op vergaderingen met de vakgroep, vergaderingen met de directie en vergaderingen met de begeleiders, waarna de woeste papierstroom op gang komt die aan zulke vergaderingen ontspringt.
     Nu zijn de nieuwe eindtermen voor het middelbaar waar Crevits over sprak ondertussen vastgelegd voor de eerste graad, en voor de andere graden zijn ze niet meer te stoppen. Goed, dan is het kwaad geschied, ik wil niet zeuren, gedane zaken nemen geen keer. Maar voor de toekomst wil er graag aan herinneren dat élke onderwijshervorming – ook een goede, ook een noodzakelijke – een aanpassingskost met zich meebrengt.
     Het is echter, helaas, veel erger. De meeste hervormingen die werden en worden voorgesteld door het onderwijsestablishment – de koepels, het ministerie, sommige medeplichtige directies – zijn nóch goed, nóch noodzakelijk. Het zijn, zoals De Wever terecht zegt, ‘zotternijen’. Het is een zotternij om leerlingen met een verschillende aanleg samen te zetten in één klas, hoezeer je ook probeert te ‘differentiëren’ om het daardoor gecreëerde probleem op te lossen. Het is een zotternij om aan scholen en klassen een ‘sociale mix’ op te leggen. Het is een zotternij om minder tijd aan kennisoverdracht en meer tijd aan vaardigheden te besteden. Het is een zotternij om elitèèère richtingen zoals Latijn-wiskunde te ondermijnen door technologische richtingen als alternatief naar voren te schuiven. Het is een zotternij om klassikaal onderwijs te vervangen door ‘groepswerk’, ‘actief zelfstandig leren’ en ‘peer teaching’. Het is een zotternij om de logische en didactische opbouw van een vak om te ruilen voor een ‘vakoverschrijdende benadering’ of door ‘vakken op elkaar af te stemmen’**. Het is een zotternij om een objectieve evaluatie in punten in te wisselen voor een subjectieve commentaar in woorden. Het is een zotternij om onderwijs te geven ‘vertrekkend van de leefwereld van de leerlingen’ en ‘rekening houdend met wat men later nodig heeft’. Het is een zotternij om op grote, diepgaande vakken te besnoeien en kleinere, ‘actuele’ vakken in te voeren. Het is een zotternij om leerplannen en inspectie toe te spitsen op specifieke pedagogische methodes in plaats van op algemene degelijkheid en resultaten. Het is een zotternij om het gewicht van de examens te verminderen ten voordele van creatieve taakjes. En het is, geloof ik, een zotternij om gelijk welk bestaand of ingebeeld probleem op te lossen door ‘co-teaching’. Als men een tweede leraar voor de klas kan zetten, kun je beter die klas splitsen in twee kleinere klassen, met elk één leraar.
     Ik heb in bovenstaande alinea, tegen mijn gewoonte, veel beweerd en weinig geargumenteerd. Ik moet het een beetje kort houden. Wie wil kan enkele argumenten terugvinden in mijn vorige stukjes*** of op de onvolprezen site van Onderwijskrant en op de Facebookpagina van Raf Feys. Ik wil hier alleen enkele misverstanden rechtzetten.
     Het is helemaal niet zo dat vroeger álles beter was. Vandaag gaan leraren vriendschappelijker om met hun leerlingen dan vroeger. Het aandeel van de tirannen en hellevegen onder hen is verminderd. De handboeken van wiskunde en biologie zijn beter dan die van 45 jaar geleden (die van Nederlands zijn slechter en die van geschiedenis zijn even slecht). In Nederlandse literatuur kan ik nu vrijuit spreken over anderstalige auteurs. Ook zijn er veel technische vernieuwingen die het leven van de leerling en dat van de leraar aangenamer maken.  Op mijn school heeft elke klas een computer met beamer. Mijn schema’s moet ik niet op bord schrijven want ik kan ze projecteren. Ik kan kaarten, tijdlijnen en prenten laten zien, en ook filmfragmenten – maar ik mag daarin niet overdrijven, want zoiets verveelt gauw. Ik kan fotokopiëren in plaats van stencilen. Dat zijn allemaal dingen die nu beter zijn dan vroeger. Ook is niet álles fout wat de ministerie- en koepelpedagogen hebben bedacht. Af en toe wat differentiatie, vaardigheden, groepswerk, vakoverschrijding, presentaties door leerlingen, het brengt enige afwisseling in de klas en het kan nuttig zijn.
     Verder is het niet billijk om voor alles wat er fout loopt de ministerie- en koepelpedagogen als schuldigen aan te wijzen. Als leerlingen vandaag minder Frans kennen dan vroeger, dan komt dat ook omdat de Franse taal uit hun omgeving is verdwenen. Wíj groeiden op met Franse films en Franse chansons en ouders die tegen elkaar Frans praatten als de kinderen niet mochten weten wat er gezegd werd. Dan pik je snel een en ander op. En als de leerlingen minder lezen dan vroeger, dan komt dat omdat ze hun verhalen ergens anders kunnen halen. Wij hadden alleen de romans van Hendrik Conscience, Ernest Claes en Charles Dickens. Zij van hun kant hebben Game of Thrones, Breaking Bad en Pretty Little Liars. Dat de leesvaardigheid dan achteruitgaat, is begrijpelijk. Laten we de pedagogen in deze dus niet te hard vallen, op voorwaarde dat ze de zaken niet erger maken door geëmmer over ‘communicatieve taaltaken’, ‘leesvaardigheidsstrategieën’ en ‘zakelijke teksten’.
     Dat waren enkele kleine misverstanden. Het grootste misverstand is evenwel dat al die hervormingen waarvan sprake onvermijdelijk, onontkoombaar en onomkeerbaar zouden zijn want, zegt men, ‘de maatschappij verandert’, ‘onze kennis veroudert’ en ‘de leerlingen van nu zijn niet meer de leerlingen van vroeger’. Neem die laatste bewering. Als ik voor een klas sta, zie ik voor mij het soort jongens dat wij ook waren**** – aardige jongens, zou Nescio’s Koekebakker zeggen, al moest hij het zélf zeggen. Het grote verschil is dat er nu ook meisjes bij zijn. Maar minder gedisciplineerd? Toen ik op mijn school begon les te geven, was het de gewoonte dat leraren die een vrij uur hadden werden ingeschakeld voor ‘toezicht’ in een van de klassen waar de leerkracht afwezig was. Dat was vreselijk. De leerlingen werden verondersteld te studeren. In werkelijkheid babbelden zij vrolijk door elkaar, liepen in het lokaal rond of waren aan het kaarten.
     Ik heb toen voorgesteld om al die leerlingen samen te brengen in één grote studiezaal zoals dat de gewoonte was toen ik zelf school liep. De toenmalige directie aarzelde. Zou er dan niet nog veel meer gebabbeld en rondgelopen en gekaart worden? We hebben het uitgeprobeerd en het viel goed mee. We doen het nog altijd zo. De leerlingen komen binnen in de zaal, krijgen een plaats toebedeeld, en gaan aan het werk. Na twee tot vijf minuten is het in zo’n studiezaal met millenials even stil als in gelijk welke studiezaal van vroeger met babyboomers of generatie-X’ers. Dat neemt niet weg dat veel klassen nu rumoeriger zijn dan vroeger. Maar ligt dat aan de veranderde leerlingen? Ik heb indertijd een pedagogisch directeur gehad die de voorkeur gaf aan klaslokalen in ‘café-opstelling’. Tja, dan krijg je wel eens café-gedrag.
     En onze verouderende kennis dan? Ach, ook dat valt best mee. Soms moet je iets aanpassen. In biologie brengt men nu het DNA ter sprake, wat in mijn tijd nog een nieuwigheid was waar niet alle biologieleraren van op de hoogte waren. En in aardrijkskunde zijn alleen de rivieren, de gebergten, de continenten en de aardlagen op hun plaats gebleven. Maar in het Latijn zijn geen nieuwe naamvallen ontdekt, de Guldensporenslag vindt nog altijd plaats in 1302 en Multatuli is nog altijd de auteur van Max Havelaar. De regels voor de subjonctif in het Frans zijn dezelfde als vroeger, al zegt men nu wat minder vaak ‘Il ’s en est fallu de peu que je ne tombasse’. In de wiskunde, de fysica, de biologie, de economie en de computationele taalkunde worden voortdurend belangrijke ontdekkingen gedaan, maar die zijn zo ingewikkeld dat ze geen plaats hebben in het middelbaar onderwijs.
     Ja, er zijn allerlei nieuwigheden zoals Facebook, Twitter en Instagram, maar daar weten de leerlingen meer van dan hun leraren. Hoe minder we daarover zeggen, hoe minder we ons belachelijk maken. Er zijn meer mogelijkheden om een wasmachine te programmeren, maar dat moet je niet op school aanleren, aangezien die wasprogramma’s alweer verouderd zijn voor het schooljaar ten einde is. Er bestaan nu nuttige computerprogramma’s zoals Powerpoint of Excel die veertig jaar geleden niet bestonden, maar die leren de kinderen wel vanzelf, of ze leren ze van elkaar. We moeten nu ook niet álle vormen van ‘zelfontdekkend leren’ en ‘peer teaching’ verwerpen.
     Je hoort vaak dat leerlingen nu makkelijker ‘informatie kunnen opzoeken’ op internet. Dat zou dan een hele verandering zijn. Het onderwijs zou daar rekening mee moeten houden. Ik wil dat best geloven. Anderzijds is té veel rekening houden met dat ‘opzoeken’ misschien wel de ergste zotternij van allemaal. Sommige pedagogen schijnen te geloven dat informatie die wordt ‘opgezocht’ op een of andere manier ook verworven is, zoals de studenten van Godfried Bomans geloofden dat je wetteksten kon memoriseren door juridische boeken onder je hoofdkussen te leggen als je slaapt. Ook veel leerlingen trouwens denken dat dat ‘opzoeken’ een waarde op zich is. Ze knippen digitaal een stuk ‘informatie’ uit en plakken die in hun eigen taak, zoals ze gewoon zijn om zoiets te plakken in hun ‘portfolio’. Ik moet dan geduldig uitleggen dat zoiets plagiaat is en dat ze dat eigenlijk niet zouden mogen doen.
     De lezer heeft al begrepen dat ik de meeste onderwijsinnovaties van de laatste 40 jaar in De Wevers rubriek van ‘onnodige hervormingen’ en ‘zotternijen’ plaats. Maar dat betekent niet dat ik tegen àlle vernieuwingen ben. Mijn Latijnse auteurs lees ik alleen in de uitgaven van Hachette ‘expliqués d’après une nouvelle méthode’. Die ‘nouvelle méthode’ dateert weliswaar van rond 1850, maar ze is in elk geval pedagogisch goed uitgekiend. En zelfs de nieuwe en moderne methode van Hachette van 1850 kan worden aangevuld met nog nieuwere digitale middelen, zoals ze worden bijgeleverd bij de elektronische edities van Perseus Digital Library. Maar dat is allemaal bijzaak: ook mét de nieuwe methode van Hachette en de digitale ondersteuning van Perseus leer je voor Latijn nog altijd best je woordjes, verbuigingen, vervoegingen en stamtijden uit het hoofd. Daar is niet veel aan veranderd.
     Onze onderwijsvernieuwers zijn uitgegaan van het vooroordeel dat de vroegere methodes fundamenteel verkeerd waren. Dat waren ze niet. Ze hadden integendeel hun deugdelijkheid bewezen. De kinderen van vroeger kenden wel degelijk Frans, Wiskunde en Geschiedenis. Daarom hadden de vernieuwers hun energie beter gebruikt om de bestaande methodes technisch te verbeteren, bijvoorbeeld door het ontwerpen van digitale ondersteuning. Ik heb dertig jaar geleden cd-roms gezien met betere didactische software dan wat nu bij de schoolhandboeken geleverd wordt. Elke klas met computers of iPads zou met de gepaste software dienst kunnen doen als zo’n taallaboratorium waar scholen indertijd miljoenen voor betaalden. Maar die software komt er niet omdat het beginsel van een taallaboratorium met driloefeningen niet past in de ideologie van communicatief talenonderwijs.
     Om kort te gaan, in het debat tussen De Wever en Crevits, stond ik pal achter De Wever. Uit alles wat hij zei, kon je afleiden dat hij de onnodige hervormingen en zotternijen mee verantwoordelijk achtte voor de achteruitgang van ons onderwijs. Dat vond ik fijn, want ik denk er ook zo over. Nog fijner vond ik zijn plan ter afschaffing van de zogenaamde centrale aanmelding, waarbij een computer beslist naar welke school een kind mag gaan. Dan nog liever kamperen voor de schoolpoort, vond De Wever. Ik heb lange tijd gedacht dat ik alleen stond met die mening. De enige vlieg die ik de N-VA-voorzitter wil afvangen, betreft zijn bewoordingen. Hij sprak van ‘pretpedagogie’ om de hervormingsonzin in onze scholen aan te klagen. ’t Is een leuk woord en het ligt goed in het gehoor, maar het kan de verkeerde indruk wekken dat er mensen bestaan die die pedagogie ook echt prettig vinden. Nou ja, die mensen zullen wel bestaan, maar zelf heb ik die pedagogie nooit prettig gevonden en ik heb in alle jaren dat ik les gaf maar enkele leerlingen gehad die daar anders over dachten. De meeste leerlingen vonden het geloof ik juist prettig om een meer traditionele leraar vooraan in de klas te hebben die aan de opgelegde pret niet meedeed. Wij hebben in elk geval vaak gelachen.


* Het debat tussen De Wever en Crevits werd uitgezonden op De Zevende Dag op 5 mei. Alhoewel ik bij het debat vooral supporter was van De Wever, zei ook Hilde Crevits wel eens dingen over de vrijheid van de leerkrachten en de scholen die mij plezier deden. Dat heeft ze vroeger ook al gedaan. De mooiste uitspraak vond ik dit keer deze. Als een school een meningsverschil had met de koepel, zei Crevits, dan moest een school haar eigen lijn volgen en zich van die koepel niets aantrekken.
** Crevits haalde met trots aan dat wetenschappen en wiskunde nu beter op elkaar worden afgestemd. Het lijkt op het eerste gezicht een goede zaak als de wiskunde die in een bepaald jaar wordt aangeleerd, tegelijk kan worden gebruikt om wetenschappelijke problemen te benaderen die in dat zelfde jaar worden behandeld. Maar vaak is er een réden waarom de wiskunde van een bepaald jaar niet is afgestemd op de wetenschappen van datzelfde jaar. Door de vakken te veel op elkaar af te stemmen kan de logische of didactische opbouw van elk vak worden verstoord.
*** Vorige stukjes: hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier en hier.

**** Ik geef les aan een plattelandsschool met een meerderheid aan autochtone leerlingen. Er zijn natuurlijk stadsscholen waar de leerlingen wél veranderd zijn.  Maar de meeste onderwijsinnovaties houden amper verband met de instroom van allochtonen leerlingen. Deden ze dat maar!

zaterdag 28 april 2018

Wat staat er in de kinderkoran?

     Op de omslag van Anke Van dermeersch haar nieuwe boek staan twee lange, slanke vrouwenbenen afgebeeld. Het is van zulke benen dat Godfried Bomans wou dat zijn vrouw er één van had.* En bij die benen horen vrouwenvoetjes in hoge hakschoentjes, waarvan er één op een Nederlandstalig exemplaar van de Koran rust. Anke versmaadt de Koran, geloof ik.
     Op de foto kan ik niet goed zien om welke vertaling het gaat. Misschien is het die van H.J. Kramers**, die ik een paar keer tevergeefs in de hand heb genomen en die zo moeilijk leesbaar is. Allah wordt er de ‘erbarmende erbarmer’ genoemd. Ik raakte er niet door. Maar om toch een beetje te kunnen meepraten als het gesprek die richting uitging, heb ik de vereenvoudigde versie van Kader Abdolah gelezen. In die versie is Allah geen ‘erbarmer’ meer, nee, hij is gewoon ‘lief’ en ‘hij geeft en vergeeft’. Zelfs een kind begrijpt wat daarmee bedoeld wordt. Abdolah heeft ook flink geschrapt in de herhalingen, maar lang niet alles, want anders was het maar een dun boekje geworden. En die herhalingen horen erbij, net zoals de afwisseling tussen helder proza, hypnotiserende bezwering, onsamenhangende verhalen, rare gedachtesprongen, cirkelredeneringen en poëtische wartaal. Zoals Abdolah alles vertaalt, is er best wel enige literaire verdienste in Mohammeds stijl te ontdekken. Ik heb mijn mening in deze enigszins bijgesteld en ben een beetje opgeschoven in de richting van wat Ernest Renan daarover schreef.
     Ik heb het boek gelezen met een onbevangen geest zoals ik de Illias zou lezen, of het Chanson de Roland, of een ander oud boek. Ik was niet speciaal op zoek naar ‘haatverzen’, of naar de zeven verborgen betekenissen, of naar mogelijkheden om de tekst in overeenstemming te brengen met de Verlichtingsidealen. Ik had veeleer tot doel om er een algemene indruk van te krijgen, to get a general feel of it. En die algemene indruk is niet zo gunstig. Toen Randolph Churchill probeerde de Bijbel te lezen, zou hij voortdurend hebben uitgeroepen: Oh God, isn’t God a shit! Zo ver wil ik niet gaan. Maar noch Allah, noch Mohammed zijn erg aantrekkelijke figuren. De eerste wil voortdurend volkeren uitroeien die ongelovig zijn. ‘Heb je er ooit bij stilgestaan hoeveel volkeren Wij vernietigd hebben,’ vraagt hij ergens. En de tweede wil boven alles erkend worden als de officiële vertegenwoordiger van de eerste.
     Ook weinig aantrekkelijk is de voorstelling van het hiernamaals. De hemel kan er nog net mee door, alhoewel er weinig plaats voor afwisseling is. Het is een soort park – het soort waar een woestijnbewoner van droomt, met veel schaduw en beekjes en riviertjes. De inrichting is aan de opzichtige kant door de rustbanken die met juwelen versierd zijn***. Maar je kunt er gaan zitten zitten om met je vrienden te praten. Ondertussen drink je een bekertje wijn waar je geen hoofdpijn van krijgt. Er is kip en vers fruit en je mag zelf kiezen wat je wil eten****. Dat komt goed uit want ik ben erg kieskeurig. Verder zijn er eeuwig jong blijvende jongelingen die als kelner optreden en ‘reine meisjes met mooie, sprekende zwarte ogen. Het zijn trouwe beminnende maagden van eenzelfde leeftijd.’ Over muziek wordt niets gezegd.
     De ongelovigen daarentegen komen in de hel terecht. Ook dat is een onaantrekkelijke plaats. Je krijgt er kokend water te drinken en stekelige doornen te eten. Er is een hete storm, zwarte rook die niet fris is, en overal vuur ‘dat vonken omhoog werpt, soms zo groot als kastelen en soms zo groot als gele kamelen.’ De ongelovigen gaan er gekleed in hetzelfde kokende pek dat in de achtste kring van Dantes Inferno zo’n grote rol speelt. En er is aan alles gedacht. Als je huid helemaal verbrand en geblakerd is zodat de zenuwen geen pijnsignalen meer doorzenden, krijg je een nieuwe huid zodat je de pijn weer geheel en al kunt voelen. Wie verzint zoiets?
     In het boek van Abdollah staan de hoofdstukjes in chronologische volgorde, eerst die van de Mekkaanse tijd, daarna die van de Medinaanse tijd. Er zou een groot verschil zijn tussen die twee delen, maar ik heb daar bij het lezen weinig van gemerkt. Wel gaat het in het tweede deel meer over militaire acties, het verdelen van de buit, het straffen van ontrouwe bondgenoten, het bedriegen van de vijand door sluwe diplomatie en het doden van ongelovigen. Je zou kunnen zeggen dat het in het eerste deel vooral Allah is die ongelovigen doodt, en in het tweede deel is het Mohammed zelf die de klus klaart, samen met zijn volgelingen.
     De Koran bevat enkele gedragsregels over eten, drinken, vasten en voorkomen, maar op dat terrein is Mohammed nogal rekkelijk. De regels moet je altijd volgen, behalve in alle gevallen dat je ze niet moet volgen. Mohammed is geen Prinzipienreiter. Met een beetje goeie wil en vindingrijkheid kun je er verschillende kanten mee uit. Op sommige punten spreekt hij zichzelf zodanig tegen dat de theologen achteraf trucjes hebben moeten bedenken zoals de ‘abrogatie’ waarbij een later hoofdstuk een eerder hoofdstuk corrigeert. Misschien hechtte Mohammed, in tegenstelling tot zijn latere volgelingen, niet zoveel belang aan details. Hij schijnt gedacht te hebben: als die gelovigen zich onder elkaar maar een beetje gedragen. Ze moeten respect hebben voor hun ouders en geen ruzie maken met buren en reisgenoten. Behoeftigen moeten ze bijstaan. Als ze hun slaven vrijlaten, levert dat goede punten op. Ze mogen niet stelen van wezen. En ook mogen ze hun eigen kinderen niet doden.  ‘t Zijn allemaal redelijke instructies. Mohammed vraagt het onmogelijke niet. Wel is hij streng voor lieden die gierig zijn, roddelen, of zich maar halfslachtig engageren voor de goede zaak.
     Mooier in de Koran zijn de zogenaamde ‘vrome’ stukjes. Het zijn de stukjes waarin Mohammed zijn ontzag uitspreekt voor de wonderen der wereld. Uit een druppel sperma groeit een mensje. Schepen drijven op het water. ’s Nachts is het donker, zodat we kunnen slapen en overdag is er licht zodat we nergens tegenaan lopen, of toch niet te vaak. Dat hadden andere mensen dan Mohammed ook wel gezien, maar zij vonden dat doodgewoon. Mohammed vond dat niet. Hij vond het een mirakel. Ondertussen kennen we de x- en de y-chromosomen, begrijpen we de wet van Archimedes, en hebben we de mechanica van Newton en Einstein om de omwenteling van de aarde om de zon te verklaren. Maar er zijn ook nu geleerden die die chromosomen, die wet en die mechanica doodgewoon vinden, en anderen die er vol ontzag, verwondering en bewondering  naar kijken. Bij mij begint dat laatste vooral als een en ander in wiskundige formules wordt omgezet.

 
*Bomans beweerde dat hij die wens gehoord had van een mannetje dat naast hem zat in de bioscoop. Maar u en ik weten beter, nietwaar beste lezer.

** Niet de vertaling van Kramers dus. Islamkenner Koenraad Elst meldt mij dat de bovenste Koran die is van de Ahmediya’s in Den Haag. 
 
*** Kramers spreekt van ‘rijkbestikte rustbedden’. Rijkbestikt … ’t is niet veel beter.

**** Dit belangrijke punt heb ik gecontroleerd in de vertaling van Kramers. Het klopt ‘… waarvan zij het beste kunnen kiezen.’

dinsdag 5 december 2017

Gewetensnood om Sinterklaas

Luns (links) en Bomans als Sinterklaas (rechts)
     Van Godfried Bomans heb ik alle stukjes meermaals gelezen, behalve die over Sinterklaas. Die vind ik kinderachtig. Ik heb nochtans in Sinterklaas geloofd tot in het derde leerjaar. Toen meester Bernard in de godsdienstles zei dat er in de moderne tijden geen mirakels meer gebeurden – het was de tijd van het tweede Vaticaans Concilie –  wees ik hem op het jaarlijkse wonder van de schoorsteen. Daar wist onze meester niet zo gauw een antwoord op. In de klas waren gelovige kinderen zoals ik, en ongelovige, die al door hun ouders waren ingelicht. Wat moest je nu als meester zeggen als je niemand wilde kwetsen?
     Dus gelóven deed ik. Maar geloven is één ding, en respecteren is een ander. Gerespecteerd heb ik Sinterklaas nooit. Ook toen ik nog in hem geloofde, vond ik hem een potsierlijke verschijning, en zijn knecht Zwarte Piet ook. Goed, de man was heilig, en hij had kinderen weer tot leven gewekt die eerder in stukken waren gesneden en ingezouten, en dat kon niet iedereen. Maar ik had meer ontzag voor Romeinen, ridders, zeerovers en musketiers, zoals ik die kende van de films, en waarvan mijn tante nochtans beweerde dat ze níet echt waren. Die films waren maar prentjes, zei mijn tante telkens weer.

     En zo komt het dat ik rond deze tijd van het jaar in gewetensnood verkeer. Ik lees dan hier en daar een stukje van de anti-Zwarte-Piet-club. In die club heeft zich het meer kinderachtige deel van de anti-racistische beweging verzameld. Een moeder denkt met pijn in het hart terug aan die keer toen haar zwarte zoontje schreiend thuiskwam van school. Sinterklaas was op bezoek geweest, herinnert ze zich, en zijn vriendjes hadden gevraagd of hij ook zo stout was als Zwarte Piet. Mens, denk ik dan, raap jezelf bij elkaar. Dat een kind voor zoiets schreit is niet ongewoon, maar daarom moet jíj nog niet beginnen janken.
     Of ik lees van een freelance journalist die in Taiwan – of all places – te horen kreeg dat Zwarte Piet ons koloniale verleden symboliseert.* Voor die journalist is dat aanleiding om daar enkele alinea’s lang over te zaniken. Het is door die kolonies van vroeger, beweert hij, dat we nu ‘extreem rijk’ zijn.  Och jongen, vloek ik stilletjes, kijk eens om je heen, daar in Taiwan. Daar zijn ze ondertussen toch ook flink rijk en ze hebben géén koloniaal verleden. Die rijkdom heeft alles te maken met de productiviteit van nu, en heel weinig met de rooftochten van toen.

     Ik zou op die stukjes willen antwoorden, maar iets houdt me tegen. Als ik antwoord, is het alsof ik de verdediging op mij neem van die hele zes-decembertraditie, en ik eet nog liever mijn hoed op. Zeg ik evenwel niks, dan lijkt het alsof ik mij laat afdreigen door flauwe moeders en door freelance journalisten. Wat moet ik doen? Ik zou aan Sinterklaas raad kunnen vragen, maar die doet daar niet aan. Marsepein en speculaas en zo, dat is meer zijn ding. En die lust ik niet.


* Het stuk van freelance journalist Jeroen Deckmyn verscheen op de radicaal-linkse site van De Wereld Morgen. Het begint met een aardige taalkundige uitweiding over de vraag : hoe vertaal je Zwarte Piet in het Chinees? Leuk. Ook vertelt de journalist over zijn verleden. Dat hij vroeger moest lachen met naïeve Amerikanen die in Zwarte Piet een racistisch symbool zagen. Voor een stuk in De Wereld Morgen, vond ik dat allemaal op een verrassend menselijke toon verteld. Daarna wordt het iets minder.

donderdag 2 november 2017

Huwelijksaanzoek op zijn Brits

     Vroeger dacht men dat je vreemde talen kon leren door grappige boekjes te lezen. Dat was vóór het ‘communicatieve talenonderwijs’, waar ik nu soms ‘visieteksten’ over ontvang. Maar wij, in onze tijd, leerden Nederlands uit Pieter Bas, Engels uit Three Men in a Boat en Frans uit Les carnets de Major Thompson, waar de leuke zin in voorkwam: ‘La France est divisée en 43 millions d’habitants.’
     Die majoor van ’t laatstgenoemde boekje heet William Marmaduke van zijn voornamen, is zo Engels als gekookte biefstuk en heeft, na het overlijden van zijn eerste vrouw, een Française als tweede vrouw genomen. In korte hoofdstukjes verkent hij de vermakelijke kenmerken van de Fransen, waarbij de lezer tussen de regels door– dat is ’t leuke – evenveel te weten komt over de vermakelijke eigenschappen van de Engelsen zelf.
     Vóór de majoor getrouwd was met zijn Française, waren de twee een keer aan het wandelen geweest langs de Seine. Martine, want zo heette zij, had hem bij die gelegenheid gezegd dat ze de grijze haartjes van zijn snor wel schattig vond. Die intieme opmerking was voor de majoor een schokkende ervaring. Het deed hem denken aan die andere emotionele uitbarsting die tot zijn eerste huwelijk had geleid: ‘Nous deux … après tout … Qu’est-ce que vous en pensez?’
     Zouden Engelsen echt ooit op zo’n flegmatieke manier een huwelijksaanzoek verwoord hebben? In het Engels dan? Laat eens kijken.
     Eind negentiende eeuw was in heel Engeland geen Engelser Engelsman te vinden dan Joseph Conrad. Aristocraat, gereserveerd, man van de zee, altijd een tweed jasje. Hij was weliswaar Pool van geboorte en nerveus van aard, maar daardoor deed hij alleen nog meer zijn best om met de heftigheid van de nieuwbekeerde in alles zo Brits mogelijk te zijn.
     Als kapitein kon Conrad op zee niet meer aarden toen zeilschepen zoetjesaan door stoomschepen werden vervangen. Hij vestigde zich op het vasteland, begon te schrijven en ging op zoek naar een vrouw. Hij werd een paar keer afgewezen en leerde toen Jessie George kennen met wie hij zo nu en dan afsprak. Een keer, op de trappen van de National Gallery, draaide hij zich naar haar toe en zei: ‘Kijk eens hier, mijn beste, zouden wij niet beter trouwen. Dan zijn we ervan af. Kijk eens naar het weer. Binnen een week kunnen we in Frankrijk zijn.’
      Hoewel hij zuiver Engels schreef, was Conrads gesproken Engels afschuwelijk: alle klemtonen fout, alle klanken fout, de meeste werkwoorden fout. Zijn kernachtige ‘We had better get married and out of this’ moet geklonken hebben als ‘Wee hard betterr get marrièd aunt out off disa.’
     Ook tijdens de huwelijksnacht was de romantiek stevig onder controle. Conrad was niet gehaast. Voor hij bij zijn vrouw ging slapen, schreef hij tot twee uur ’s nachts brieven - die hij daarna zelf op de post ging doen ook.


zaterdag 17 juni 2017

Dampen op school

     Over ‘dampen’ – elektronisch roken – heb ik geen mening. Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad is tégen en dan moet ik mij geweld aandoen om niet meteen vóór te zijn, maar tot nu toe is het mij aardig gelukt. Een andere kwestie is evenwel die van dampen op school. Wat doe je als zo’n brutale vlegel op de speelplaats gaat dampen en, daarop aangesproken, antwoordt: ‘Daar staat niets over in in het schoolreglement. Daar staat alleen iets in over roken.’ Moet dat dampen dan apart in het reglement worden opgenomen? Daar wil ik iets over zeggen vanuit mijn levenservaring en vanuit mijn boekenstudie.    
     In mijn tijd bestond een schoolreglement uit een A-4’tje dat ophing aan het raampje van de schoolwinkel. Ik heb dat reglement ooit grondig bestudeerd om te zien of het geen aanvechtbare bepalingen bevatte, bepalingen die aanleiding konden geven tot ontevredenheid, actie, of misschien zelfs staking. Dat viel niet mee. Ja, er stond ergens in dat onze haarsnit ‘verzorgd’ moest zijn. Maar kon je daar nu tegen zijn?
      Toch was op onze jongensschool bijna alles verboden. Je mocht niet spuwen op de grond. Je mocht je stofjas niet open dragen. Je mocht je haar niet over je oren kammen. En je mocht op de speelplaats niet te lang met dezelfde vriend staan praten – er mocht zich eens een ‘speciale’ vriendschap ontwikkelen, stel je voor. Maar al die verboden, die stonden niet op het A-4’tje van het winkelraam, en dat was ook niet nodig. Een repressie-apparaat van drie ‘subregenten’ en een woeste ‘secretaris’ bepaalde op elk moment wat mocht en wat niet mocht. Wij verkeerden in een staat van volslagen rechteloosheid.
     Nu is dat allemaal anders. Het schoolreglement is een heus boekje geworden – op onze school zelfs twee boekjes, samen meer dan 100 bladzijden. En nog staat niet alles erin, wat erin moet staan. Er staat bijvoorbeeld nergens een duidelijk verbod in op het gooien van schoenen in de klas, en ik heb dat nochtans een keer meegemaakt in het 4de jaar Handel. Je kunt natuurlijk zeggen dat schoenen gooien indruist tegen de bepaling ‘respectvol omgaan met elkaar’, maar dat vind ik toch een kwestie van interpretatie. Ik geloof ook niet dat het reglement verbiedt dat leerlingen gewapend naar school komen. Er staat alleen iets in over ‘gewapend zijn tegen individualisme en zelfzucht’.
 
     Wij zouden dus op mijn school, in dezelfde visie van rechtszekerheid, de regel ‘Roken levert strafstudie op’ kunnen uitbreiden tot ‘Roken en dampen leveren strafstudie op.’ Ja, dat kunnen we. Maar zijn we dan zeker dat dat genoeg is? Misschien komt na de elektronische sigaret weer iets nieuws – de digitale sigaret? – de virtuele sigaret? Nee, hier kunnen we beter bij Godfried Bomans ten rade gaan. In De avonturen van Bill Clifford  citeert hij op de eerste bladzijde al het reglement der Posterijen: ‘Alle ambtenaren, die, hetzij met een sigaret, hetzij met een sigaar, hetzij met een pijp, hetzij met enig ander rookwerkuig worden aangetroffen,  zijn gehouden hiervan aan de directeur verantwoordig af te leggen.’ Enig ander rookwerktuig - de Posterijen waren op alles voorbereid.
     Zo gaan we het doen bij ons op Sint-Ursula. We verbieden pijp, sigaar, sigaret en enig ander rookwerktuig. En geen slangen meebrengen in de klas natuurlijk, want dat zijn vieze beesten.

vrijdag 6 januari 2017

Wij en de driekoningentaart

Le gâteau des Rois - J.B. Greuze (1774)
     Ons schoolreglement is, in tegenstelling tot de Tien Geboden, opgesteld in de wij-vorm. Ik vind dat een goede zaak, want ‘wij’ is het grappigste voornaamwoord dat er bestaat. ‘Wij komen naar school om te leren.’ ‘Wij houden onze agenda nauwkeurig bij.’  ‘Wij komen steeds op tijd.’ Ik vind dat onweerstaanbaar, want die leerlingen komen nooit op tijd, en zeker niet die van 6 Wetenschappen-wiskunde A*.
     Het begint al bij de pluralis majestatis: ‘Wij koning der Belgen,’ schreef Boudewijn,  terwijl hij helemaal alleen koning was. ‘Wij maken nogal wat stof, hier zo in de woestijn,’ zegt de muis tegen de olifant, terwijl de olifant de enige is die het zand doet opstuiven. ‘Wij van Anderlecht houden niet van zo’n spel,’ zegt Jan Mulder op televisie, terwijl hij al sinds 1972 niets meer met die club te maken heeft.
     Ik moet daar altijd hard om lachen, en Mulder kan dat zo koddig zeggen.
     Ook mooi is het specialisten-wij. Godfried Bomans gebruikt dat op bijna elke bladzijde van Kopstukken: ‘Wij brandweerlieden’, schrijft hij, en ‘wij gamelankenners’ en ‘wij honderdjarigen.’ Maar als je het hele stukje leest, merk je dat die brandweerman en die gamelankenner helemaal geen echte specialisten zijn. Ze kletsen maar wat. En honderd jaar zijn is ook geen echte specialisatie.

     Een hele mooie van dat soort vond ik in een stuk waarin zekere Kaouthar Darmoni (hier), van de universiteit van Amsterdam, uitlegt dat het orgasme in de Islam beschouwd wordt als een ontmoeting met God. Dat was anders dan in Nederland, zei mevrouw Darmoni, waar de televisie zo platvloers met seksualiteit omgaat. ‘In genderstudies noemen wij dat pornification.’ ’t Lijkt Bomans wel: wij genderspecialisten … Die genderstudies – dat maakt het zo grappig –  zijn natuurlijk geen echte specialisatie en die mevrouw Darmoni is evenmin een echte specialiste. Maar ze neemt zichzelf wel even serieus als die brandweerman, die gamelankenner en die honderdjarige.          
     In de mooie anekdoteverzameling van Nicolas Chamfort (1740-1794)**  komt er ook een aardig wij-grapje voor. Ik probeer het te vertalen. Vroeger, schrijft Chamfort, at men de driekoningentaart vóór het feestmaal. Op een keer vond mijnheer de Fontenelle de boon en was hij de koning. Daarna hield hij tijdens het feestmaal alle lekkere brokjes voor zichzelf. Men zei dat de koning zijn onderdanen vergat. Waarop hij antwoordde : “Ja, wij koningen, wij zijn zo”.
     Fontenelle was geen adept van de monarchie.


* Helemaal onschuldig is zo’n ‘wij’ niet wanneer de gebruikers ervan, zoals de opstellers van ons schoolreglement, eigenlijk iemand anders op het oog hebben dan zichzelf. Maarten Boudry heeft daar onlangs nog op gewezen (hier).
** Over Chamfort schreef ik eerder al een stukje (hier).

woensdag 16 november 2016

Zwarte Piet en pikzwarte Frank


     Omdat mijn eigen baas, Lieven Boeve, het Pietenpact mee heeft ondertekend, heb ik de woordelijke tekst van het verdrag eens opgezocht, want de stijl zegt altijd wel iets over de steller. In dit geval moet er minstens een ambtenaar en een jolige oom bij de redactie betrokken zijn geweest. 
      “Het uitgangspunt is dat we Sinterklaas vieren zonder raciale stereotyperingen. Voor de rest is de invulling van het feest vrij: de Sint kiest lekker zelf* of hij zonder of met pieten - roetveegpieten, regenboogpieten, ongeschminkte pieten - jong en oud komt verblijden.”

     De lezer merkt dat hier een moeizaam compromis is bereikt. De radicaal-politiek-correcten, zoals professor Verene Shepherd van de Verenigde Naties, willen helemaal geen Piet, en eigenlijk ook geen Sint, en de behoudsgezinden willen het recht bewaren om Piet zijn gezicht helemaal zwart te schilderen, behalve het gebied om de lippen, dat helemaal rood wordt geschilderd. De middenweg is dan een roetveegpiet, op voorwaarde dat je hem geen roetmop** noemt, want dan zijn we even ver van huis. En nu is er zelfs een nieuw compromis: de initiatiefnemers hebben beloofd over Piet te zwijgen tot na 6 december. Dat mogen ze van mij nog iets langer doen.
     Alhoewel ik de politiek-correcten graag eens een tik uitdeel, laat de hele geschiedenis mij onberoerd. Ik deel ongeveer de mening van
Toon Hermans die ‘Snieklaas’ een ‘vervelend personage’ vond en die knecht van hem ‘een zak’ en ‘een idioot’. Als ik een bundel van Godfried Bomans ter hand neem, sla ik de stukjes over de Sinterklaas altijd over. En of Zwarte Piet wordt opgevoerd met dikke lippen of dunne lippen, dat houdt mij ook niet zo bezig. Ik heb zelf lippen van, ik zal niet zeggen het negroïde, maar dan toch van het wellustige type.
     Waar ik mij als leraar wel voor interesseer is de taalkundige kant van de zaak, want ook daar zijn de politiek-correcten lichtgeraakt. Is Zwarte Piet nu een schoorsteenveger of een … ja wat eigenlijk? Een neger? Een zwarte? Een ex-gekoloniseerde? Een medemens oorspronkelijk afkomstig uit Afrika? En zijn we dat laatste niet allemaal?
     Ik werd ooit getroffen door een lovend stuk van Karel van het Reve over de Surinaamse politicus Frank Essed (1919-1988). Die Essed, die door Van het Reve ongeneerd een bosneger werd genoemd, was een onvermoeibare bouwer geweest. Een paar keer minister, meestal tewerkgesteld als hoge ambtenaar, en altijd aan het bouwen: vliegvelden, wegen, waterkrachtcentrales, spoorwegen ... Daarbij was hij, naar het schijnt, onkreukbaar. Met de sergeantenrevolutie van 1980 werd hij gevangengenomen. Maar zelfs na drie jaar folteren en speuren kon men geen snippertje bewijs van corruptie vinden.
     Essed heeft als jonge man nog enige tijd in Nederland verbleven en heeft toen op Karel van het Reve een grote indruk gemaakt.
      “Hij was heel groot en heel dik,” schreef Van het Reve bij het overlijden van Essed.  “Maar hij was vooral verschrikkelijk zwart. Ik heb zelden zo’n pikzwarte neger gezien. Hij lachte graag, en omdat hij zo groot en dik was schudde het hele huis wanneer hij lachte. Hij was een bosneger en groeide op in een bosnegerdorpje aan zo’n Surinaamse rivier. Veel scholen schijnen er daar in de buurt niet geweest te zijn, maar als je daar aanleg voor hebt kun je ook lezen en schrijven leren uit een oude krant of uit oud verpakkingsmateriaal.”
     Daarna legt Van het Reve nauwgezet uit hoe Essed een middelbare schoolopleiding volgde met een schriftelijke cursus waarvan de afleveringen per boot werden bezorgd. Die afleveringen kwamen soms maanden te laat, waardoor de opleiding telkens onderbroken werd. “Maar,” voegt Karel eraan toe, bosneger of niet,“als je goed kunt leren doet het er niet veel toe wat voor opleiding je volgt.***”
     Essed ging tenslotte studeren in Nederland en behaalde daar twee academische titels - die van ingenieur en die van doctor in de wis- en natuurkunde. In Paramaribo is een voetbalstadion naar hem genoemd, het Dr. Ir. F. Essed Stadion. Ga daar maar eens tegenaan staan Piet!
 
     Postscriptum
     Ik kreeg van Facebookvrienden twee anekdotes cadeau.
     Dokter  Jan van Duppen schreef hoe hij ooit van een Surinaamse bosneger uitleg kreeg over het raciale vraagstuk in zijn land: “‘Zeg nou zelf, doc,” zei die man, “wat een oetlul moet je toch zijn om bij die Hollandse slavendrijvers aan de kust te blijven zitten en niet het bos in te vluchten. Strandnegers, dat zijn pas echte sukkels.”
     Simon Gelten schreef hoe hij in zijn studietijd bevriend was met een jongen van de Nederlandse Antillen. “We volgden verschillende studies maar woonden in de zelfde studentenflat, hielden beiden van voetbal, film en mooie vrouwen. Hij was erg zwart, maar dat was niet zo'n geweldig probleem, want racisme was in die tijd geen issue, nette mensen deden daar niet aan en je hoorde er ook niet zo veel over, een enkele keer bij Sonja (Barend), maar dat was al. Maar Surinamers en Antillianen mochten elkaar niet. Ik herinner me dat hij door Surinamers (of andere Antillianen die lichter van kleur waren) weleens ‘bosneger’ werd genoemd.
    
Een derde Facebookvriend, Mark de Mey, schreef al eerder een mooie blogpost over de kwestie hoe een zwarte medemens benoemd best benoemd wordt.

__________

* Politiek-correcte organisaties zouden beter voorzichtig zijn als ze iemand toelaten ‘lekker zelf te kiezen’, al is het dan de Sint. Je weet waar je begint, maar je weet niet waar je eindigt.
**‘Roetmop’ zou anders een mooie compromis-naam voor Piet kunnen zijn want het woord betekent volgens encyclo.nl zowel ‘nikker’ als ‘schoorsteenveger’.
*** Het stuk van Karel van het Reve is afgedrukt in de bundel Luisteraars en in het zevende deel van het Verzameld Werk.
 




 

zaterdag 2 juli 2016

Examenresultaten meedelen – hoe hoort het eigenlijk?

Godfried Bomans 1913-1971
     Het goede nieuws van Jan zijn examens bereikte ons ongeveer gelijktijdig met het slechte nieuws van de Duivels tegen Wales, waardoor, alles bij elkaar genomen, het universum in evenwicht bleef. Toch was er ook met die examens iets mis, en met name met de manier waarop de uitkomst ervan werd meegedeeld. Dat gebeurde namelijk langs het elektronische netwerk van de Katholieke Universiteit van Leuven– een netwerk dat, geloof ik, Toledo heet. De studenten kunnen  vanaf een afgesproken ogenblik, hun computer op dat netwerk aansluiten en hun punten raadplegen. Met een I- of smartphone wil dat naar het schijnt niet zo goed lukken.
     De voordelen van zo’n werkwijze springen in het oog. De student kan zijn punten bekijken van bij hem thuis, of, als hij buitenlands is, op elke hotelkamer met goeie wifi. ’t Is zeker efficiënt, wat van onze Duivels niet altijd kan worden gezegd, maar ’t mist de ernst en de plechtstatigheid van vroeger.
     Want hoe ging dat in mijn tijd? De studenten werden ergens eind juni samengebracht in een grote zaal. Na enige tijd kwamen de hoogleraren de zaal binnen en zij stelden zich op in een rij, vooraan in de zaal, en wel zo dat zij de studenten aankeken. Dan trad de voorzitter van de examencommissie naar voren. In mijn tweede kandidatuur was dat de kleine professor Angelet. Studenten in de achterste rijen moesten hun hals rekken om de professor te kunnen zien. Professor Angelet rekte trouwens ook zijn hals, maar dat deed hij altijd – om er iets groter uit te zien. En dan werden de namen afgeroepen, eerst die met grootste of grote onderscheiding, dan die met onderscheiding, dan die met voldoening en tenslotte degenen die niet geslaagd waren. Een tweede professor las mee, zodat er geen vergissingen konden gebeuren. Dat was belangrijk omdat, zo beweerde men, de afroeping ‘performatief’ was  als een student eenmaal als ‘geslaagd’ was afgeroepen, kon die titel achteraf niet meer worden afgenomen. Ik heb tenminste ooit zoiets gehoord.
     Eigenlijk was ook die gemeenschappelijke proclamatie niet de goede manier. Hoe het wel moet – examen én bekendmaking der resultaten –  staat beschreven in een der laatste hoofdstukken van Godfried Bomans’ onsterfelijke jeugdwerkje Pieter Bas. Eerst krijgt de student een persoonlijke uitnodiging per brief om voor de examencommissie te verschijnen. De afgesproken dag klopt hij aan en hij wordt binnengelaten in een zaaltje waar al zijn professoren achter een tafel zitten. De ene na de andere stelt een vraag over zijn vakgebied waarop de student het antwoord geeft of schuldig blijft. Daarna wordt de student verzocht even het zaaltje te verlaten zodat de professoren zich kunnen beraden. Tenslotte wordt de student weer binnengeroepen en neemt een der hooggeleerden het woord. Misschien is het Schuit van metabolisme, of Herijgers van anatomie of wie weet Bollen zelf van celbio 1 – we mogen niets uitsluiten. ‘Meneer Bas – ik bedoel – mijnheer Clerick,’ zegt Bollen dan, ‘het is ons een genoegen u dit document te kunnen overhandigen. U maakte in de aanvang een enigszins zonderlinge indruk, doch gaandeweg herstelde u zich dermate dat we geen bezwaar zien u dit getuigschrift te doen toekomen. Wij hebben zelfs gemeend op de daarvoor bestemde plaats “cum laude” te moeten invullen’.
     Zo zou het moeten gaan – maar zoals het nu is, mogen we ook niet klagen.