Posts tonen met het label tweede wereldoorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tweede wereldoorlog. Alle posts tonen

donderdag 29 december 2022

Laatste notities bij het boek van Arnold


 Door het boek van klasgenoot Arnold Seynnaeve vertoef ik al enkele dagen in oorlogssfeer*. Taalkundig bevat het boek een prachtig corpus van de geschreven taal die tachtig jaar geleden gangbaar was: onbeholpen verwoording, ambtenarees, dialectismen, hypercorrectismen. Ook leuk zijn de vele afkortingen in het boek die de auteur zó goed kent dat hij soms vergeet ze uit te leggen Dat verschijnsel kent de communicatiepsychologie als the burden of knowledge. Vandaag is dat eerder een voordeel dan een nadeel, want je kunt elke afkorting in een paar seconden opzoeken op het internet, en je krijgt er nog een hoop informatie bovenop. Het leukste van het boek is echter dat iemand van mijn leeftijd bij zo’n lectuur overal aanknopingspunten vindt. Bijvoorbeeld.

 

Grote gezinnen. In de genadeverzoeken van de collaborateurs wordt vaak gewezen op de gezinslast die huisvaders ertoe bracht om als truckchauffeur aan het Oostfront te gaan werken. Gezinnen van acht, negen of tien kinderen waren eerder norm dan uitzondering. Mijn moeder was enig kind en kreeg daar op de kostschool vaak honende opmerkingen over van de zusters.

 

Het hart van de zuster. Als twaalfjarig meisje had mijn moeder les van zuster Mechtilde. Tijdens de eerste oorlogsdagen sprak ze in de klas de heldhaftige woorden: ‘Mijn lichaam is hier in de klas. Mijn hart is in Duitsland.’ 

 

Duits- en Engelsgezind. Na de oorlog had je landverraders en patriotten. Tijdens de oorlog ‘Duitsgezinden’ en ‘Engelsgezinden’.

 

Verklikkers. De Duitsers hadden niet de gewoonte om de namen van verklikkers achter te houden. Wie ondervraagd of opgepakt werd, mocht gerust weten wie hem had aangebracht. Dat is dan anders dan in Amerikaanse films. Daar zien we altijd hoe de politie de namen van snitches angstvallig geheimhoudt.

 

Baantje. Ik vroeg aan mijn vader of hij de Menense collaborateur R.D. gekend had. ‘Nee, die niet,’ antwoordde hij, ‘maar zijn broer wel want die zat in mijn klas. Een heel ander type.’ ‘En R.D. zelf, wat deed die dan precies voor de Duitsers?’ ‘Wat die deed? Dat weet ik niet meer. Hij zal wel een baantje gehad hebben. De meeste zwarten hadden een baantje. Zeker degenen die zo zwart waren als een schoorsteen.

 

Wit en zwart. Na de oorlog was iedereen natuurlijk wit, maar daarvoor was de ontzwarting al ingezet. De buur van mijn grootouders was zwart tijdens en na de Blitzkrieg. ‘Wij zijn nu Duits voor de rest van onze levensdagen’, zei de man tevreden met de duimen in het vest. Na de inval in Rusland betrok zijn gezicht en zweeg hij in alle talen over het onderwerp.

 

Sebastopol. Anderen bleven wat langer zwart. Een Wevelgemnaar volgde met veel enthousiasme de Duitse successen in de Krim. ‘Sebastopol zal van ons zijn!’, was zijn vaak herhaalde uitspraak. Ook lang na de oorlog bleef hij voor velen ‘oom Sebastopol’.

 

Radio Londen. Voor geallieerde propaganda kon je je radio afstellen op de BBC. Daar kreeg je optimistische boodschappen van de Belgische regering in ballingschap te horen. ‘En zonder te boffen, we krijgen ze wel, de moffen.’ Je mocht niet vergeten om na de uitzending de naald weer te verplaatsen, want bij een huiszoeking werd zoiets gecontroleerd. Een tante in de familie had moeite om de radio juist af te stellen en kwam vaak bij de Italiaanse uitzendingen terecht: Parla Londra. Ook zij kreeg een bijnaam die bleef plakken: tante Parla Londra. 

 

Belgische strijdkrachten in Engeland. Over Radio Londen werd de bevolking opgeroepen om zich in de bossen terug te trekken en van daaruit het Duitse leger te bekampen. Zo’n boodschap had bij de nuchtere West-Vlamingen weinig succes. Ze hadden niet veel zin hadden om de koude oorlogswinters door te brengen tussen het schaarse kreupelhout dat de streek rijk is. Een oproep die beter aansloeg was die om via het buitenland naar Engeland te vluchten en daar bij de Belgische strijdkrachten aan te sluiten. Arnold vertelt over George Laperre die met dat doel probeerde te vluchten naar Spanje. Hij werd opgepakt dicht bij de Spaanse grens en werd meer dan een jaar lang van het ene concentratiekamp naar het andere gestuurd. Mijn eigen vader probeerde te vluchten naar Zwitserland, eveneens met de bedoeling om vandaaruit Engeland te bereiken en de Belgische strijdkrachten te versterken. ‘Ik was nog erg jong en naïef,’ zegt mijn vader daarover verontschuldigend. Ook hij werd opgepakt, dichtbij de Zwitserse grens, maar hij kwam er vanaf met een maand in de cel.

 

Hellend vlak. Als verplicht tewerkgestelde in Duitsland sprak mijn vader altijd met een lichte verontwaardiging over medearbeiders die vrijwillig in Duitsland waren komen werken. Uit het boek van Arnold leer ik dat die vrijwillige arbeid in Duitsland vaak de eerste stap was naar verdergaande, beter betaalde collaboratie, met uniformen en wapendracht.

 

Albert De Coninck. Wat ik niet wist, en wat ik uit het boek van Arnold geleerd heb, is dat het West-Vlaamse partizanenleger geleid werd door de Brabander Albert De Coninck. Mijn vrouw heeft De Coninck, en zijn zoon, nog gekend toen zij lid was van de Kommunistische Partij in Leuven. Ik vroeg haar of de oude De Coninck nog enig West-Vlaams kende, maar dat wist ze niet meer.

 

Oui-non. De verkozen burgemeester Remi Wallays, lees ik bij Arnold, werd pas in september 1942 door de Duitsers afgezet.  Wallays was iemand van de Christelijke Volksbond, een ‘bonder’ dus, fatsoenlijk, sluw, allemansvriend. Hij viel niet op door zijn ambitieuze plannen of zijn talenkennis. In de volksmond heette hij oui-non, omdat zijn kennis van het Frans niet veel verder reikte dan die woorden. Veel meer had hij ook niet nodig toen hij later in de senaat kwam en moest stemmen. De brave man liet het niet aan zijn hart komen.

 

Ierland. Arnold vertelt het ingewikkelde verhaal van Albert Folens die als ‘letterkundig referent van de Sicherheitsdienst’ veroordeeld werd tot 10 jaar gevangenis. Folens ontsnapte uit de gevangenis, vluchtte naar Ierland en begon daar een nieuw leven als uitgever van schoolboeken. Tiens. Zou dat vaker gebeurd zijn: collaborateurs die zich gevestigd hebben in het tijdens de oorlog het neutrale, Duitsgezinde – want anti-Engelse – Ierland?

 

Hakenkruis of Christi Kruis. Wie moet je geloven? De Wevelgemse onderwijzer Van Walleghem werd ervan beschuldigd lid te zijn geweest achtereenvolgens van VNV en DeVlag en in de les de betekenis van het hakenkruis te hebben uiteengezet. Voor de rechtbank gaf Van Walleghem het lidmaatschap van VNV en DeVlag toe, maar verklaarde dat hij in de godsdienstles de ‘verheerlijking van het Christi kruis had toegelicht, in tegenstelling tot het hakenkruis’. 

zaterdag 7 mei 2022

Professor Goddeeris over Poetin


    
 Deze week kreeg ik weer een portie professor Goddeeris op mijn bord. Op 2 mei zat hij in het panel van ‘De Afspraak’ en op 4 mei stond een interviewtje met hem in Het Nieuwsblad. Goddeeris is, naar eigen zeggen, geen ‘Poetinsupporter’, maar wel iemand die ‘begrip’ vraagt voor het Russische standpunt. Verder wil hij dat het westen in de Oekraïense kwestie stopt met de confrontatie op te zoeken, kiest voor dialoog en onderhandeling, bemiddelend optreedt en alle wapenleveringen stopzet.
     De argumentatie van Goddeeris vind ik weinig overtuigend, en zijn woordkeuze is ongelukkig. Ik wil best een poging doen om de motieven van Poetin te ‘begrijpen’, ook als die worden toegelicht door iemand als Goddeeris, maar daarom moet ik voor die motieven nog geen ‘begrip opbrengen’. Goddeeris beweert dat de Russische inval in Oekraïne ‘niet zonder aanleiding’ gebeurde. De aanleiding was, nog altijd volgens Goddeeris, dat Oekraïne lid wilde worden van de Navo. Goed, dan is dat de aanleiding. Maar is het ook een goede aanleiding? Zelf zag ik tot voor kort geen reden waarom Oekraïne bij de Navo moest komen, maar sinds Poetins aanval zie ik de reden maar al te goed. Een buurland van Rusland dat geen lid is van een internationale alliantie, is voor Poetin loslopend wild, en al zeker als het in het verleden ooit tot Rusland of tot de Sovjet-Unie behoorde.
    Goddeeris pleit voor een ‘bemiddelende rol’ van het westen. Maar dat voorstel past slecht bij zijn eigen analyse. Volgens Goddeeris zoekt Zelenski naar een compromis door voor zijn land een neutraal statuut te overwegen, terwijl het westen, bij monde van Boris Johnson het extreme standpunt inneemt ‘dat Rusland uit Oekraïne moet verdwijnen’. Je duizelt bij zoveel absurditeit. Ten eerste zijn de aangehaalde standpunten – neutraal statuut, Rusland weg uit Oekraïne – niet tegenstrijdig. Ten tweede is het standpunt van Johnson helemaal niet extreem – wil Goddeeris dan dat Rusland blijft?* –, en ten derde ziet iedereen dat het Zelenski is die het westen aanvuurt en niet het westen Zelenski. Straks gaat Goddeeris nog beweren dat het westen zijn wapenleveringen aan Zelenski ‘opdringt’. Ten slotte, als Goddeeris toch gelijk heeft – dat Zelenski de gematigde partij, en het Westen de extreme partij is – dan is het Zelenski die bemiddelend zal moeten optreden.
     Goddeeris wordt geprezen door een aantal gelijkgezinden om de intellectuele moed waarmee hij zijn standpunt verdedigt. Maar er zijn verschillende soorten van intellectuele moed. Een soort bestaat erin om iets anders te zeggen dan wat de meerderheid zegt. Die eigenschap heeft Goddeeris inderdaad. Een andere soort bestaat erin om niet te veel om de hete brei heen te draaien en te zeggen waar het op staat. Daar is hij veel minder sterk in. In ‘De Afspraak’ kwam het tot een discussie met professor De Grauwe die hem verweet de appeasement politiek van de jaren 30 tegenover Hitler te imiteren. Door de dialoog met Hitler na te streven heeft men indertijd zijn oorlogsplannen aangewakkerd, en dat zou nu met Poetin ook gebeuren, aldus De Grauwe. Goddeeris antwoordde met een verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog en het boek van Christopher Clark dat liet zien dat men toen door gebrek aan dialoog als slaapwandelaars de oorlog tegemoet liep.
   Wat biedt de beste historische parallel om de Oekraïnse toestand te benaderen: de Eerste of de Tweede Wereldoorlog? Is de roep om dialoog een uiting van diplomatiek evenwichtstreven, of is het angst om een gevaarlijke en onberekenbare pestkop iets in de weg te leggen? Op zeker ogenblik in het debat verliet Goddeeris, nogal inconsequent, de parallel van de Eerste en ging over naar de Tweede Wereldoorlog. Hij verwees naar de beroemde vraag van eind de jaren dertig: Mourir pour Dantzig?** Was het de moeite om een wereldoorlog te riskeren alleen om Dantzig/Gdansk bij Polen te houden en uit de klauwen van Hiter? ‘Vandaag,’ zei Goddeeris, ‘kunnen we de vraag stellen: Mourir pour Kiev?’
     Inderdaad, ’t is een belangrijke vraag, en het antwoord ligt ook voor mij niet voor de hand, vooral gezien de nucleaire dreiging die er nu bij is gekomen***. Maar ’t is beter de zaken duidelijk te stellen in plaats van praatjes te verkopen over ‘begrip voor de Russische positie’, de ‘aanleiding voor de inval’ en het ‘gestook van het westen’. Dat geldt ook voor de wollige taal over ‘dialoog in plaats van wapenleveringen’, ‘geweldloosheid en overleg’ en ‘beëindigen van de polarisatie’. Ik wil de moed van de Oekraïners niet onderschatten, maar zonder de Westerse militaire hulp wacht hen een spoedige nederlaag. Het zal mij benieuwen of Poetin na een Oekraïnse nederlaag nog veel interesse zal hebben voor ‘dialoog’ en ‘overleg’. Waarom wil Goddeeris die waarheid niet onder ogen zien? En als hij pleit voor ‘onderhandelen’ en ‘toegeven’, bedoelt hij dan iets anders dan een volledig capitulatie voor de Russische eisen: permanente seccessie van de Krim, van de volledig Donbas, van de veroverde gebieden, en een neutraal statuut dat de deur openlaat voor nieuwe ‘speciale operaties’?
     Vergeleken met het gebabbel, gedraai en geklets van Goddeeris is het rechtlijnige discours van Mark Elchardus een verademing. Hij stelt ongeveer hetzelfde voor, maar zonder vergoelijking en zonder mooie woorden. West-Europa moet zich uit het conflict terugtrekken en moet Poetin zijn zin geven, wat Elchardus als volgt samenvat: Donetsk en Luhansk worden onafhankelijk, de Krim blijft Russisch, en Oekraïne wordt lid noch van de Navo, noch van de EU. Elchardus probeert die keuze niet mooier voor te stellen dan ze is: ze is, zegt hij, ‘vreselijk’.
     Ik ben het niet eens met het anti-Amerikanisme van Elchardus, met zijn scherpe tegenstelling tussen ‘ethiek’ en ‘koele berekening’**** en met zijn beginsel om in de internationale politiek helemaal geen onderscheid te maken tussen iberaal-democratische en dictatoriale regimes. Maar ik hou van zijn duidelijkheid. 
     Ik hoop trouwens net als Goddeeris en Elchardus op een onderhandelde oplossing. Mijn dagen van ‘hasta la victoria siempre’ liggen ver achter mij.  Een onvoorwaardelijke capitulatie – het unconditional surrender van Ulysses S. Grant en van Franklin D. Roosevelt – is niet aangewezen. Oekraïne en de Nato moeten Rusland niet binnentrekken, Moskou niet veroveren, Poetin niet arresteren en ophangen, het Russische leger niet ontbinden, het land niet jarenlang bezetten, en de geleden schade niet laten vergoeden. Het beste zou zijn dat Poetin tijdens bilaterale of multilaterale onderhandelingen, zoals in een Shakesperiaanse komedie, tot inkeer komt, zijn troepen uit Oekraïne terugrekt en de integriteit en soevereiniteit van het land erkent. Als dat niet kan, is voor mij een compromis ook goed. Maar het mag voor de Oekraïeners iets meer zijn dan wat Elchardus luidop en Goddeeris stilletjes aanvaarden. En door de westerse wapenleveringen is de kans daarop niet helemaal uitgesloten.

 

* Goddeeris interpreteert die eis als zou Boris Johnson ook willen dat Rusland zich uit de Krim wegtrekt. Dàt heeft Johnson in elk geval niet gezegd.

** Titel van een editoriaal van Marcel Déat van 4 mei 1939. Het antwoord van de auteur op zijn eigen vraag was dat de Fransen niet moesten sterven voor Gdansk, ook al was Hitler een geweldenaar. Déat is een treffend voorbeeld van iemand die door een mengeling van pacifisme én realisme tot capitulatie en later tot collaboratie komt. Het is opmerkelijk dat Goddeeris die vraag overneemt. Wie een Chamberlain-politiek verweten wordt, verdedigt zich meestal door de parallel te ontkennen. Hier is het of Goddeeris Chamberlain (en in casu Déat) gelijk geeft.

*** Goddeeris spreekt impliciet over de nucleaire dreiging als hij het heeft over de ‘irrationaliteit van Poetin’ die zich ‘aan een oorlog gewaagd heeft die hij niet kan winnen.’ Maar Poetin had die oorlog wél kunnen winnen als het westen niet gereageerd had met militaire steun. Gokken, wat Poetin gedaan heeft, is niet hetzelfde als irrationeel handelen. Of zijn herhaalde dreigingen met nucleaire escalatie een staaltje zijn van irrationeel gedrag dan wel van berekende intimidatie, wie zal het zeggen? Het is waar, Hitlers militair-strategisch gokspel eindigde na een hele reeks nederlagen in een romantische droom van een allesvernietigende Götterdämmerung. Poetin is, net als Hitler, een gokker. Maar is hij ook een romanticus?

**** Ethiek kun je in buitenlandpolitiek niet uitschakelen, net zomin als je er het leidende principe van kunt maken. Het onderscheid tussen een pragmatische en een ethische politiek heeft overigens, wat de doelstellingen betreft, vaak te maken met het onderscheid tussen de korte en de lange termijn.

maandag 28 februari 2022

Poetin, de PVDA en de de-escalatie*

 

     De PVDA heeft, zoals bekend, geweigerd om in het Vlaamse Parlement een resolutie over Oekraïne goed te keuren. De resolutie stelde voor om (1) de Russische agressie te veroordelen, (2) solidariteit te betuigen aan Oekraïne, (3) extra Europese sancties door te voeren, en (4) humanitaire en andere hulp aan Oekraïne te verlenen. De PVDA ging blijkbaar alleen akkoord met het eerste punt en vond de rest van de resolutie eenzijdig omdat ze de verantwoordelijkheid van de Navo niet belichtte. Die had zich immers uitgebreid met nieuwe lidstaten waardoor ‘Rusland zich bedreigd voelde’. Verder had Oekraïense regering zelf ook boter op het hoofd omdat ze geen autonomie had verleend aan de oostelijke gebieden.
     In de tijd dat PVDA nog een kleine sekte was zag je in de huizen van partijleden vaak een slagzin van Mao aan de muur hangen die luidde: ‘Tegen de stroom inroeien is een marxistisch principe.’ Dat principe hebben de PVDA’ers  in het Vlaamse parlement dus toegepast. Ze hadden kunnen doen zoals Vlaams Belang, waar nogal wat sympathie voor Poetin bestaat: ze hadden kunnen zwijgen. Maar die kans hebben ze gemist. Ze hadden ook een lange toespraak kunnen houden tegen de Navo en het Amerikaanse imperialisme om dan als slot de resolutie tóch goed te keuren. Maar ook dat hebben ze niet gedaan. Ze hebben zich stoutmoedig in de strijd geworpen: één tegen allen. 
     De politieke vijanden van de PVDA – alle partijen dus – grepen de politieke flater aan om de partij scherp te veroordelen. Ze stelden het voor alsof de PVDA de invasie goedkeurde. Dat was niet helemaal waar. Maar het PVDA-standpunt deed me wel denken aan wat gebeurde toen Hitler in 1939 Polen binnenviel. De Franse communisten voelden zich gebonden door het recente verdrag tussen Duitsland en de Sovjetunie. Ze keurden de nazi-inval weliswaar niet goed, maar ze wezen erop dat die het gevolg was van het ‘Engelse en Franse imperialisme’ en dat ‘het wereldproletariaat onmogelijk het fascistische Poolse regime kon verdedigen.’ 
     De Franse communisten van 1939  en de Vlaamse communisten van 2022 hebben de inval in respectievelijk Polen en Oekraïne niet ‘goedgekeurd’, maar hun standpunt zat zo vol nuances – helaas op een moment dat die nuances niet helemaal op hun plaats waren, en bovendien, op de keeper beschouwd, berustten op de bedenkelijke analyse van ‘fouten aan de twee kanten’. Een buitenstaander die niet doorkneed is in de marxistische dialectiek kan weinig met die nuances aanvangen op een ogenblik dat een zwak onafhankelijk land wordt binnengevallen door een sterke agressieve buur, en dàt onder het absurde voorwendsel dat die agressie nodig was om de regering van dat land te zuiveren van ‘neo-nazis’ en ‘druggebruikers.’
     De PVDA is geen klein sekte meer, maar een partij die rekening moet houden met buitenstaanders die niet in de marxistische dialectiek doorkneed zijn. Op het VRT-journaal van gisteren kreeg Raoul Hedelbouw uitgebreid de kans om een elegante pirouette uit te voeren. Bart Verhulst stelde hem de vraag waarom PVDA zoveel moeite had om Poetins inval te te veroordelen. Raoul stak van wal met een reeks scheldwoorden aan het adres van Poetin: autocraat, oligarch, man van de big business, crimineel. Hij was tegen de Russische ‘agressie’ en ‘voor de erkenning van de Oekraïense staat’ en gaf verder een lange uitleg over de Helsinki-akkoorden van 1975, de ontwapening, de vredesbeweging, het belang van de-escalatie, het gevaar voor een wereldoorlog, en de noodzaak voor België om als klein land een diplomatieke rol te spelen.
     Ik vond dat Bart Verhulst aan het einde van de tirade had moeten vragen of dat nu allemaal een reden was om de resolutie in het Vlaams Parlement niet te onderschrijven. In plaats daarvan besloot Verhulst: ‘Dank u, meneer Hedebouw. Ja, dat is wel een duidelijke boodschap nadat PVDA-PTB toch wat geïsoleerd stond in de politiek en het leek alsof ze die inval niet meteen veroordeelde; die veroordeling is er nu toch wel heel duidelijk gekomen.’ Ik vond dat een erg mooi cadeautje van de journalist aan de politicus.
    De pirouette van Raoul Hedebouw bestond trouwens niet in de veroordeling van Poetins agressie – die had de PVDA inderdaad al eerder uitgesproken – maar in de verschuiving van de stugge anti-Navo retoriek naar het aantrekkelijker vredesdiscours. Communisten kunnen inspiratie putten uit een rijk verleden waarin ze op verschillende momenten verschillende deuntjes zongen: in 1939 was het dat van het anti-imperialisme, van 1941 tot 1945 werd het dat van het patriottisme, en in de jaren 50 werd het dat van het pacifisme, met de vredesduif van Picasso als symbool.
     Nu we het toch over pirouettes hebben. Ik vond de herhaalde verwijzing, vijf of zes keer, van Raoul naar de de Helsinki-akkoorden bijzonder vermakelijk. De vader van Raoul, Berten Hedebouw, moet als oude Amadees en PVDA-er, aan tientallen betogingen hebben deelgenomen tégen de Helsinki-akkoorden. Die akkoorden brachten immers, volgens de Chinese communisten en Ludo Martens, niet de vrede maar de oorlog dichterbij. Amada-PVDA beschouwde indertijd de Sovjet-Unie als verraders van het echte communisme, en bovendien als de belangrijkste ‘oorlogsstoker’ in de wereld.  De argumentatie voor die laatste stelling sneed enig hout. De Sovjet-Unie, zo hield kameraad Ludo ons voor, raakte economisch achterop. De enig mogelijkheid om haar positie op het wereldtoneel te versterken, bestond erin de militaire kaart te spelen. 
    Vandaag is Rusland economisch nog meer achterop geraakt. Daardoor kon het Westen één na één de vorige vazalstaten van Rusland aan zich binden. Poetin kan daar weinig tegenover stellen behalve militair geweld. Wellicht is Rusland ondertussen dermate achterop geraakt, dat zelfs dat militaire geweld op een zwakkere basis berust dan in de tijd van Brezjnev. Wat zou betekenen dat het oorlogsgevaar vandaag heel wat minder is dan in 1975.
    Dit alles echter is speculatie, en op grond van zulke speculaties moeten beter onderlegde mensen dan ik beslissingen nemen en geostrategische keuzes maken. Escaleren of de-escaleren? Churchill of Chamberlain? Achteraf is het makkelijk praten. De diplomatieke voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog laat zien hoe de tragedie vermeden had kunnen worden door inbinden, wederzijdse toegevingen, begraven van ultimatums, verminderde achterdocht, en bereidheid om de ‘eer van de natie’ op de tweede plaats te stellen. De-escalatie had een wereldbrand kunnen voorkomen. Dat weten we we nù.
     Maar de voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog biedt, ook achteraf gezien, het tegenovergestelde beeld. Toen had men juist wel moeten grijpen naar hoge principes van moed en eer en naar een no passaràn-mentaliteit; men had Hitler kunnen stoppen – met dreigende ultimatums en desnoods met een oorlog – toen het nog kon, dat wil zeggen toen de opbouw van zijn leger nog niet voltooid was. Churchill bleek, achteraf, gelijk te hebben: men had veel vroeger moeten escaleren. Dat weten we nù. Maar wat we nu niet weten, althans niet met zekerheid, dat is wat we nù moeten doen. Aan mij moet je het niet vragen, want ik heb geen antwoorden. En aan Raoul Hedebouw moet je het zeker niet vragen, want die heeft àlle antwoorden.

* Zie ook het artikel van Boudewijn Bouckaert op Doorbraak of op de Facebookpagina van de professor.