Posts tonen met het label Paul Goossens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paul Goossens. Alle posts tonen

maandag 21 mei 2018

Mei '68

     Mei 1968 viel voor ons in januari of februari van dat jaar. Ik zat in het eerste middelbaar, in het provinciestadje Menen. Tijdens de voormiddagpauze verscheen een groepje jonge mannen op de speelplaats. Ze vertelden ons dat ze studenten uit Leuven waren en ze vroegen of we mee wilden staken voor ‘Leuven Vlaams’.  Behalve een klasgenootje wiens vader lid was van de Volksunie, wist niemand waar ze het over hadden. Maar dat ‘staken’ leek ons wel wat. We trokken in een soort stoet naar de andere speelplaats, liepen daar een paar rondjes om het  plein, en riepen mee met de studenten. Leu-ven Vlaams! Leu-ven Vlaams! Misschien werden ook obscene dingen geroepen zoals Wa-len bui-ten! Als dat zo was, hoop ik dat het Paul Goossens indertijd niet ter ore is gekomen en dat hij nu dit stukje niet leest. Wat er ook van zij, na de rondjes trokken we weer naar het klaslokaal, want dat Latijn leerde zich niet vanzelf.
     Ik was in dat eerste jaar nog niet ‘politiek bewust’. Maar in het tweede jaar werd dat al anders. Ik kreeg vriendjes die wisten dat Rudi Dutschke en Cohn-Bendit ‘belangrijke leiders’ waren. In het derde jaar hadden we een jonge leraar die de Maartrevolte in Gent had meegemaakt en die ons kon vertellen dat in onze streken Ludo Martens zo’n grote leider was. Nog eens een jaar later – in 1971 dus – kon ik die dingen al zelf vertellen, want die Leuvense studenten kwamen af en toe nog eens terug om in kleine Menense lokaaltjes aan ons, scholieren, uit te leggen wat die Ludo Martens aan hén had uitgelegd: over de klassenstructuur van onze samenleving en het socialisme van Mao. Mei ’68 kwam daarbij soms ter sprake, maar in de ongunstige zin. Het was immers een ‘kleinburgerlijke’ beweging geweest, ‘spontaneïstisch’ ook. Maar gelukkig had een deel van de studenten zich van dat spontaneïsme afgekeerd, hadden ze zich ‘verbonden met de arbeidersklasse’, en bestond er daardoor een ‘nieuwe communistische partij in opbouw’. En nu werd er ernstig gewerkt aan de voorbereiding van de revolutie. Maar we moesten niet ongeduldig worden. Revolutie was een werk van lange duur. Het kon best vijf of tien jaar duren voor het zover was – tot 1976 dus of tot 1981. Of misschien duurde het nóg langer. Dat nóg langer konden we ons moeilijk voorstellen.
     We zijn nu geen vijf of tien, maar vijftig jaar later. De revolutie is er niet gekomen, maar er is wel veel veranderd. Het gezag is zachter geworden. De bedrijfsleider loopt met open kraag rond, draagt op vrijdagen een jeansbroek en laat zich door zijn werknemers aanspreken als ‘Jan’ of ‘Piet’. De schooldirecteur maakt geen aanmerkingen meer op het ongepaste schoeisel van zijn leraren. En die leraren zelf maken op de speelplaats een babbeltje met hun leerlingen alsof het hun vrienden zijn. De papa’s slaan niet meer en de mama’s kijven … ach dat nog wel, geloof ik. Maar ’t is allemaal meer ontspannen, minder verkrampt. Het leven is een stuk aangenamer geworden voor werknemers, leraren, leerlingen en kinderen. En op een andere manier soms ook niet.
     Hebben die veranderingen iets te maken met de vermaarde ‘geest van mei ’68’? Iets, allicht, maar veel zal het niet zijn. Zonder die vlugschriften, spandoeken, toespraken, betogingen, ‘volksvergaderingen’ en maoïstische groupuscules zou de verslapping der zeden ook wel opgetreden zijn. In het ene land waren de studenten roerig en in het andere hielden ze zich rustig – veel verschil heeft dat voor de verdere ontwikkeling niet uitgemaakt. En ’t zelfde geldt voor al die andere veranderingen die aan mei ’68 gekoppeld worden. Die zouden er zonder die paar maanden oproer ook wel gekomen zijn: de ‘inspraak’, de daarmee samenhangende vergadercultuur, de verlinksing van de intelligentsia, de nivellering van het onderwijs, de vervrouwelijking van het openbaar leven, de nieuwe politiek correcte bekrompenheid.
     Er is onlangs, geloof ik, nogal wat verschenen over de hele historie. Zelfs Paul Goossens, die toch moeizaam naar woorden zoekt, heeft een boekje uit waarin hij ‘komaf maakt met de karikaturen die conservatief Vlaanderen maakt van de erfenis van 1968’* en waarin hij ‘de hypocrisie van de conservatieve restauratie blootlegt’. Eddy Daniëls heeft er op Doorbraak een paar smalende woorden aan gewijd zonder het eerst te lezen. Daarvoor kreeg hij – terecht – op zijn donder. Als penitentie heeft hij zich nu voorgenomen om het boekje alsnog te lezen. Mij zal zoiets niet gebeuren. Ik zal geen énkel van die boekjes lezen over de legendarische strijdbeweging en ik zal er ook niets over zeggen.
     In de plaats daarvan heb ik naar de dvd Leuven ’68 gekeken.** Mooie zwart-witbeelden. Jongensstudenten met dassen. Meisjesstudenten met opgemaakte haren. De Rijkswacht die betogers natspuit met een waterkanon. Prominenten die uitleggen waarom de Leuvense universiteit wel of niet moet worden gesplitst. Piet De Somer die er plezier in heeft. Walter De Bock die analyses maakt. Ludo Martens die geconcentreerd aan het lezen is. En al die Vlaamse studenten die als het moet van dat mooie Frans spreken, in lange fraaie zinnen, met correcte lidwoorden, geraffineerde subjunctieven en een aanvaardbare uitspraak. Behalve dan Paul Goossens.***

    

* Ik moet mijzelf geweld aandoen om de onwelluidende zin in haar oorspronkelijke vorm te laten staan.
** Ondanks de titel had ik gehoopt dat de dvd ook beelden zou bevatten van Gent ’69. Ik wou graag nog eens zien hoe Ludo Martens aan een zaal vol studenten en studentinnen het historisch belang van één en ander uitlegt.
*** Marc Ernst meldt mij dat hij andere fragmenten van Paul Goossens beluisterd heeft en daar bleek zijn Frans wel behoorlijk.

maandag 25 september 2017

Paul Goossens vs. Theo Francken

     Volgens onderzoek worden stukken met ‘Theo Francken’ in de titel meer gelezen dan andere. ‘t Is een bekende naam, en mensen lezen graag over iets wat ze al kennen. Maar de naambekendheid van Francken zit Paul Goossens, oud-hoofdredacteur van De Morgen, niet lekker. In De Standaard van 23 september schrijft hij een uitgebreide column over en tegen Francken, waarbij hij de naam Francken zorgvuldig vermijdt. In het laatste zinnetje heeft Goossens het over ‘hij, de staatssecretaris zonder scrupules’. Ik begrijp dat. Karl Popper schreef een lang pamflet in twee delen tegen Hitler zonder de naam Hitler ook maar één keer te vermelden.
     Goossens slaat met een stevige stok. Waar Francken samenwerkt met het regime van Soedan om illegaal in ons land verblijvende Soedanezen te identificeren, wijst hij, Goossens, erop dat Soedan geen fijn land is, en president al-Bashir geen fijne leider. Al-Bashir is gedagvaard voor volkerenmoord door het Strafhof in Den Haag. Hij heeft oorlogen en burgeroorlogen uitgelokt waarbij meer dan twee miljoen slachtoffers vielen. Hij heeft waterputten vergiftigd, massamoorden bevolen en tegenstanders laten opsluiten en martelen. Het staat allemaal in de rapporten van Amnesty International.
     Goossens ziet de samenwerking met Soedanese ambtenaren - volgens hem leden van de geheime politie - als een eerste stap om de Soedanese vluchtelingen uit te leveren aan hun beul. De Belgische regering ontkent dat. Volgens haar kunnen de vluchtelingen nog altijd asiel aanvragen in ons land, maar willen ze dat zelf niet. Ze willen naar Engeland. Aan de andere kant staat Goossens niet alleen met zijn vrees dat identificatie uiteindelijk zal leiden tot uitwijzing naar het land van herkomst. De groene en socialistische oppositiepartijen beweren ongeveer hetzelfde.
     Wat ik daarom niet goed begrijp, is dat Goossens zo’n sterk dossier verknoeit met allerlei kinderachtigheden. Waarom beweert hij bijvoorbeeld dat Kim Jong-un ‘een koorknaap’ is vergeleken met al-Bashir? Je kunt als je wil - binnen een ethische redenering - de bloeddorst van twee regimes tegen elkaar afwegen. Maar dan moet je beslagen ten ijs komen. Maarten Boudry heeft dat onlangs gedaan door het nazisme met de Islamitische Staat te vergelijken. En hoewel hij van die twee regimes wel iets afwist, is op zijn stuk veel reactie gekomen. Maarten heeft zich zijn vergelijking achteraf wellicht beklaagd. Maar Goossens spreekt achteloos over Kim die ‘ongetwijfeld … tientallen, misschien zelfs honderden, zo niet duizenden doden op zijn geweten heeft’. Tientallen, honderden, duizenden ... heel precies is dat allemaal niet. Ook had Goossens beter de slachtoffers van de héle Kim-dynastie bij zijn vergelijking betrokken. Maar daar heeft hij even niet aan gedacht. ‘Goossens, die van toeten noch blazen weet als het over geschiedenis gaat …,’ zei zijn vroegere strijdmakker Ludo Martens vaak op interne vergaderingen.
     Waarom schrijft Goossens verder dat een democratisch land nooit zaken moet doen met een dictatuur? Dat is een regel die geen enkel democratisch land bij mijn weten ooit heeft gevolgd. Goossens schrijft dat voor die regel zelfs geen argumenten moeten worden gegeven. Wie die regel niet volgt doet immers aan ‘realpolitiek van de meest cynische soort’. Hier is Goossens in elk geval trouw aan zichzelf want dat laatste is inderdaad geen argument. Net zoals het geen argument is om Goossens’ stelling ‘utopisme van de meest naïeve soort’ te noemen.
     En ten slotte: waarom noemt Goossens het verbod om zaken te doen met dictaturen ‘een categorische imperatief’? Als je er graag Immanuel Kant bij betrekt, doe het dan goed. Je kunt niet spreken van ‘een’ categorische imperatief. Er is bij Kant maar één categorische imperatief, dé categorische imperatief, en de laatste keer dat ik het nagekeken heb - een half uurtje geleden -, was dat niet de regel die Goossens formuleert.



Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.