Posts tonen met het label Greta Garbo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Greta Garbo. Alle posts tonen

maandag 2 januari 2023

Paul Newman: het innerlijke en het uiterlijke zelf

 


   40 jaar geleden zei ik op gezellige bijeenkomsten dingen als ‘Barry Lyndon is de mooiste film aller tijden,’ of  ‘Greta Garbo is de beste actrice aller tijden’ of  ‘Paul Newman is de beste acteur aller tijden.’ Het gezelschap probeerde dan een eind mee te gaan in mijn enthousiasme, wat altijd beter is dan ruzie te maken. ‘Ja, ja, Paul Newman, ja, heel goede acteur.’ Dat was wel niet wat ik gezegd had, maar het kon ermee door. En als men toen zei dat Jack Nicholson ook een heel goede acteur was, knikte ik op mijn beurt bevestigend.
     Ik moet hem voor het eerst aan het werk gezien hebben toen ik een jaar of 11, 12 was, vermoedelijk in Harper en Hombre, maar zeker in Torn Curtain, de eerste Hitchcock die ik als kind zag. Nog veel meer indruk maakte hij het jaar daarna met Cool Hand Luke, ook al heb ik die film toen niet gezien, want hij was ‘Kinderen niet toegelaten’. Maar mijn ouders zeiden dat het een heel speciale film was, en ik heb de trailer meerdere keren gezien en dat was genoeg om mij te overtuigen dat de film inderdaad speciaal was.
     Het waren de films van George Roy Hill die voor bioscoopbezoekers van mijn generatie de doorslag gaven: Butch Cassidy and the Sundance Kid (1969), The Sting (1973) met die mooie Scott Joplin muziek en het minder bekende Slap Shot (1977) met de verrukkelijke vuilbekkerij. De oudere films zag ik pas later, begin de jaren 80, op televisie: The Long Hot Summer, The Hustler, Hud, The Left Handed Gun … Het was geloof ik één bepaalde scène in die laatste film die mij inspireerde tot mijn apodictische uitspraak over de ‘beste acteur aller tijden’.
     Newman behoort tot de eerste generatie ‘moderne’ acteurs. Hij was minder arrogant dan Marlon Brando, sympathieker dan Montgomery Clift en extroverter dan James Dean. Newman was cool én fatsoenlijk, jeune premier en karakterspeler, schoft én gentleman, beau garçon en toch mannelijk, puberaal en toch volwassen, all american en toch gekweld, ernstig maar met de nodige ironie. Hij kon een pak dragen als Gary Grant, maar ook een trui als Steve McQueen. Hij was veelzijdig, niet zozeer in de betekenis die men er gewoonlijk aan geeft, van iemand die heel verschillende soorten rollen aankon, maar in de betekenis dat hij in één personage veel eigenschappen kon samenbrengen.
     En daarbij waren zijn ogen zó blauw dat ze een belangrijke reden waren om een in de vroege jaren zestig een film in dure technicolor te draaien in plaats van in zwart-wit. Zijn seksuele aantrekkingskracht was breed en diep. Weinig vrouwen plaatsten hem in de categorie ‘niet mijn type’. In de huidige generatie kun je hem een beetje vergelijken met George Clooney; in zijn generatie stak gunstig hij af tegen Robert Redford, die het dommige van zijn personages soms iets te overtuigend uitbeeldde. Mijn lerares Spaanse grammatica in Salamanca sprak over Newman als ‘die acteur met zijn blauwe ogen, je weet wel, niet die domme maar die andere.’ Tja, de ogen van Redford waren ook blauw, maar er is blauw en blauw en het komt er ook op aan hoe je uit die ogen kijkt.
     Ik heb zojuist de autobiografie van Newman uitgelezen. The Extraordinary Life of an Ordinary ManJe hebt binnen het memoire-genre twee soorten. De eerste soort is die waarin iemand zelf zijn herinneringen ordent en neerschrijft in de toon die hem eigen is: zelfverheerlijkend, klagend, ironisch, streng-maar-rechtvaardig. De tweede soort is die waarbij een ghostwriter uitgebreid interviews afneemt en met dat materiaal een systematisch levensverhaal neerschrijft in een ‘vlotte’ stijl. De Newman-memoires behoren tot geen van die twee soorten. Ze zijn wel het resultaat van opgenomen interviews door Stewart Stern, maar die interviews worden min of meer letterlijk weergegeven, waardoor je de indruk krijgt dat je een lang Humo-interview leest, en geen memoires.
     Het beeld dat Newman van zichzelf geeft is erg streng. Hij vond zichzelf half ongeletterd. Hij had een slechte band met zijn vader en haatte zijn moeder. Hij was geen goede vader voor zijn kinderen. Hij had weinig echte vrienden. Veel van zijn professioneel succes had hij te danken aan zijn uiterlijk. Hij was eigenlijk geen bijzondere acteur. Hij beleefde ook weinig plezier aan acteren: het was een job, waarvoor hij wel bereid was zijn best te doen – maar als je je best moest doen was dat eigenlijk al een aanwijzing dat je niet zoveel talent had. Verder had hij een koude persoonlijkheid, en kon voor zijn acteerwerk amper putten uit emoties die hij niet had. Als hij niet aan het werken was, was hij aan het drinken. Op latere leeftijd begon hij te racen, en al hij won wel eens een belangrijke wedstrijd, écht talent had hij niet. Hij heeft zich ingelaten met partijpolitiek maar was naïef en liet zich misbruiken*. Hij heeft veel geld ingezameld, en zelf gegeven, voor humanitaire projecten, maar voorzover hij kon zien deed hij dat uit egoïstische motieven, om een goede indruk te maken. ‘I’m terribly concerned about the appearance of things, and charitable is a nice thing to be.’ Hij beschrijft het allemaal nuchter, zonder op zijn Dostojevski’s te koketteren met zijn slechtheid en zonder zijn gebreken te dramatiseren.
     Is dat zelfportret de échte Newman? Dat is zeer de vraag. Toen het boek uiteindelijk zijn vaste vorm kreeg, meer dan tien jaar na de dood van Newman, is men zo slim geweest om het lange interview met Newman te onderbreken en aan te vullen met korte getuigenissen van mensen die hem gekend hebben: schoolvrienden, familieleden, collega-acteurs, regisseurs, autoracers, zijn vrouw. En wat vertellen die over de acteur? Buitengewoon verstandig, bescheiden, een warme persoonlijkheid, collegiaal, fun to be around, altijd in voor een flauwe grap, bewoog hemel en aarde om vrienden te helpen, kon in enkele seconden oude vooroordelen van zich afschudden, deed zijn uiterste best bij elke rol die hij moest spelen, maar deed minstens evenveel moeite om ook zijn medeacteurs te laten schitteren.
     Wat is het nu? Zal God bij zijn eindbalans het strenge oordeel volgen van Newman over zichzelf, of eerder dat van zijn welwillende vrienden? We kunnen het Hem niet vragen. Maar men heeft het, om in dezelfde sfeer te blijven, gevraagd aan de aartsvaderlijke John Huston die Newmans regisseur was in het prachtige Life and Times of Judge Roy Bean‘I find no flaw, no fault in him, as an actor or as a man. He is a moral and ethical man.’
     We hebben dus een ironische situatie. Op het scherm was Newman een meester in het uitbeelden van het ruwe-bolster-blanke-pit type. Welke schurkenstreek hij ook uithaalde**, je bleef hem sympathiek vinden, omdat je voelde dat zijn kern fatsoenlijk was. Zijn films sterkten je in wat Nabokov ‘the irrational belief in the goodness of man’ noemde – en wat een van de beste redenen is om films te zien of boeken te lezen. Maar zelf zag Newman, als hij eigen hart en nieren doorschouwde, het omgekeerde: een klootzak onder een sociaal-fatsoenlijk uiterlijk. 
     Ik geloof dat zich hij vergiste. Het is onvermijdelijk dat mensen met een sterk moreel besef ontevreden zijn over zichzelf. Het ongunstige oordeel van Newman over zijn innerlijke zelf, samen met het gunstige oordeel van zijn omgeving over zijn uiterlijke zelf, brengt mij ertoe te denken dat John Huston het ongeveer bij het juiste einde moet hebben gehad.

  

* Hij geeft als voorbeeld dat hij L.B. Johnsons kandidatuur voor het presidentschap steunde. De reden van zijn steun was dat Johnson de indruk gaf dat hij de oorlog in Vietnam wou stoppen, terwijl zijn Republikeinse opponent Barry Goldwater de indruk gaf dat hij wou die oorlog wou doorzetten. Later las Newman in de Pentagon Papers dat Johnson voor de verkiezingen al beslist had om de oorlog door te zetten, en dat Barry Goldwater, als lid van de Armed Service Committee op de hoogte was van die beslissing, maar die kennis in de verkiezingscampagne niet kon gebruiken vanwege de geheimhoudingsplicht.

 

** Behalve misschien de verkrachting in The Outrage, maar dat is dan ook geen erg goede film.

vrijdag 16 april 2021

Op welke leeftijd pik je iets op?


 Lang geleden zag ik de film Young Cassidy. Veel herinner ik mij daar niet van. Rod Taylor, een arbeider met brede schouders en sterke armspieren, heeft een moeilijk bestaan en besluit schrijver te worden. Zijn eerste toneelstuk is een succes, maar aangezien het nogal autobiografisch is, krijgt hij ruzie met familie en vrienden, die zich in de personages herkennen. Zoiets.
     De film is van 1965. Ik moet dus tien jaar geweest zijn toen ik hem zag. Nu is er iets eigenaardigs aan de hand. Zolang ik mij kan herinneren, heb ik die film in verband gebracht met toneelauteur Eugene O’ Neil, een schrijver die in mijn leven als tienjarige geen grote rol speelde, en ook later niet. Dankzij Wikipedia weet ik nu dat de film niets met O’Neil te maken heeft maar met een andere toneelauteur Seán O’Casey. Je kunt het een tienjarige vergeven dat hij die vergissing maakt.
     Maar waar haalde zo’n tienjarige die namen dan vandaan? Mijn vader bracht O’Neil soms ter sprake als hij over Anna Christie sprak, een film met Greta Garbo, zoals hij Pirandello soms ter sprake bracht als hij over As You Desire Me sprak, ook een film met Greta Garbo. Mijn vader is een groot bewonderaar van Greta Garbo. De naam O’Neil in verband met Young Cassidy kan dus van mijn vader komen. Misschien heeft híj zich vergist tussen O’Neil en O’Casey.
     Maar die tienjarige versie van mijzelf blijft mij dwarszitten. Is dat nu een leeftijd dat je zulke namen oppikt? Ik geloof het niet. Een mogelijke verklaring is deze. De bioscopen van vroeger werkten met het systeem van een ‘double feature’: twee films voor de prijs van één. Er was een ‘voorfilm’, een entr’acte met ijsjesverkoop, en een ‘hoofdfilm’. Die voorfilm was dan een film van enkele jaren ouder die de distributiemaatschappijen gratis meegaven met de andere. Misschien heb ik Young Cassidy dus niet gezien toen ik tien jaar was, maar toen ik twaalf of dertien jaar was. Dan is dat hele oppikken al wat geloofwaardiger. Dan ken ik de naam O’ Neil nog geen 55 jaar, maar 53 of 52 jaar.
     Om maar te zeggen: gisteren zag ik voor het eerst Long Day’s Journey into the Night. Op Youtube. Lage resolutie.

Naschrift. Een dag nadat ik dit stukje schreef, heb ik mijn ouders teruggezien, na een jaar. Zij waren nu gevaccineerd en ik was blijkens een sneltest corona-vrij.  Ik kon mijn vader dus persoonlijk om opheldering vragen over Young Cassidy. Hij herinnert zich niet meer dat die film in onze bioscoop werd vertoond, wat mijn vermoeden bevestigt dat hij slechts als ‘voorfilm’ onze zaal bereikt heeft. Long Journey into the Night heeft mijn vader nooit gezien. ‘Geen film voor Wervik,’ vond hij. ‘Was dat niet met Katharine Hepburn en Fredric March?’ Maar daar vergist mijn vader zich. Fredric March speelde James Tyrone in de Broadway-productie van 1957, niet in de verfilming van 1962.


dinsdag 23 juli 2019

Dankbaarheid

Moeten nieuwkomers ‘dankbaar’ zijn tegenover het land dat hun nieuwe thuis is geworden? ’t Is geen gemakkelijke vraag. Ik heb daar enkele maanden geleden een stuk over geschreven, dat vooral ging over de Amerikaanse politica Ilhan Omar. Nu heeft de Vlaamse politica Nadia Sminate (N-VA) iets gezegd waardoor ik mijn oude stukje weer eens bovenhaal.  ‘Mensen,’ zei Sminate, ‘ zoals meester Lahlali en ik, met buitenlandse roots, moeten dankbaar zijn voor de kansen die we gekregen hebben hier in Vlaanderen.’
    
     In zijn twitterbericht van vorige week week (juli 2019) zei Trump enkele onvriendelijke dingen over  niet nader genoemde ‘Congresswomen who originally came from countries whose governments are a complete and total catastrophe … and [who are] viciously telling the people of the United States, how our government is to be run.’ Dat Congresswomen is meervoud, maar het is eigenlijk het beste toepasbaar op één Congresswoman in het bijzonder, namelijk Ilhan Omar, die geboren is in Somalië en op twaalfjarige leeftijd als vluchtelinge met haar familie in de VS terechtkwam.
     Nu is Ilhan Omar sinds 2000 Amerikaans staatsburger en behoort ze dus zelf tot ‘the people of the United States’. Ze heeft dus, in weerwil van wat Trump suggereert, het recht om mee te bepalen hoe haar eigen ‘government is to be run’, zonder dat ze eerst even als ingangsexamen orde op zaken moet gaan stellen in haar geboorteland. Ze zou dat niet kunnen, geloof ik, maar ik zou het ook niet kunnen en Trump evenmin. Ilhan Omar heeft het recht, als elke Amerikaanse burger, om, zonder bijkomende voorwaarden, scherpe kritiek te hebben op haar nieuwe land, zijn leiders, zijn instellingen en zijn tradities. Geen vooruitgang zonder kritiek. Daarmee is alles gezegd.
     Of toch bijna.
     Als ik Omar bezig zie, of over haar lees, vormt zich bij mij onweerstaanbaar de gedachte: wat is er mis met een beetje dankbaarheid? Dat kind komt uit een van de armste en onveiligste landen van de wereld. Ze heeft vier jaar overleefd in een vluchtelingenkamp in Kenia. Als zo iemand aankomt in een van de rijkste landen ter wereld, dan waant die zich toch in een soort paradijs, zou je denken. Maar zo is het niet. Van bij haar aankomst loopt alles fout. De brief van George W. Bush waarmee hij de familie welkom heet, staat vol belachelijke formele taal en is wellicht niet eens door hemzelf geschreven. Het appartementsblok waar ze gaat wonen is vervallen, de straten zijn vuil, op school voelt ze zich gepest om haar hoofddoek, en overal waar ze om zich heen kijkt ziet ze extreem onrecht en racisme. En hoe ouder ze wordt, hoe meer onrecht en racisme ze ziet.
    Later gaat ze over dat onrecht vertellen op scholen. Ooit zag ze in een rechtszaal in Minneapolis een ‘lieve Afrikaans-Amerikaanse dame die in de cel terechtkwam omdat ze een brood had gestolen om haar vijf jaar oude kleindochter van de hongerdood te redden.’ Omar had zich in de rechtszaal niet kunnen bedwingen en had haar verontwaardiging luidkeels uitgeschreeuwd. Het is een verhaal dat zo uit een negentiende-eeuwse roman zou kunnen komen. Of beter: het verhaal kómt uit een negentiende-eeuwse roman. In Les misérables van Victor Hugo is het Jean Valjean die na het stelen van een brood in de gevangenis komt. De plotwending moet toen al een cliché  zijn geweest. Achteraf heeft Omar toegegeven dat ze zich sommige details misschien niet correct herinnerd had. De politie van Minneapolis, zo bleek, mag geen mensen arresteren voor  een winkeldiefstal waarbij geen geweld werd gebruikt, en de typische straf voor zo’n diefstal is het bijwonen van een cursus van drie uur. Ik neem aan dat in die cursus wordt uitgelegd hoe je in de VS legaal aan gratis voedsel kunt komen met food stamps.
     Op National Review las ik een lange discussie tussen Charles C.W. Cooke en David French over de dankbaarheid die immigranten en asielzoekers zouden moeten voelen. De twee heren hebben allebei goede redenen voor hun standpunt, maar na lang aarzelen, ga ik eerder akkoord met Cooke. Migranten zijn géén speciale dankbaarheid verschuldigd voor wat vorige generaties in hun nieuwe land met vallen en opstaan hebben opgebouwd. Dat soort dankbaarheid mag je verwachten van álle burgers, autochtoon of allochtoon.  Natuurlijk mogen die burgers ook kritiek hebben op wat hun voorgangers fout hebben gedaan en op de hedendaagse gevolgen ervan, maar het is zoveel gemakkelijker voor iedereen als die kritiek gematigd is, opbouwend, en de goede kanten niet uit het oog verliest. En als je toch een radicale verandering noodzakelijk acht, dan is het wenselijk om Friedrich Hayeks raad te volgen en dat radicalisme te beperken tot één welomschreven terrein. Zo deden de mensenrechtenactivisten dat bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie.
     Het probleem van veel migranten, besef ik nu, is niet dat van de wenselijke dankbaarheid, maar dat van feitelijke ondankbaarheid. De dankbaarheid of loyaliteit tegenover de gemeenschap is bij een groot deel van de autochtone bevolking zo vanzelfsprekend dat ze niet eens wordt aangevoeld. Migranten moeten die dankbaarheid en loyaliteit verwerven in een strijd met zichzelf. Er is immers een werktuigelijke loyaliteit met het land van herkomst die de nieuwe loyaliteit bemoeilijkt.
     Die dubbele loyaliteit moet natuurlijk niet altijd tot problemen leiden. Als het gaat om een beschaafd uitgedrukte sympathie voor een vreemde voetbalploeg die het tegen ónze jongens opneemt, ach, vooruit dan maar. Amerikanen van Duitse afkomst hadden rond de voorlaatste eeuwwisseling in hun huis wel ergens een boek liggen met fraaie illustraties over ‘Germany’s Iron Chancellor’. Ik heb dat boek ook, uitgegeven in Akron, Ohio, 1897. Amerikanen van Italiaanse afkomst hadden een klein borstbeeldje van Mussolini op hun bureau. Zoiets moest niet noodzakelijk tot grote moeilijkheden leiden.
     Het wordt allemaal wat ingewikkelder als het land van herkomst volgens bepaalde maatstaven inferieur is aan het nieuwe gastland. Zoiets geef je niet graag toe. In de alleraardigste komedie Ninotchka (Lubitsch, 1939) komt een Russische communiste, gespeeld door Greta Garbo, in het mondaine leven van Parijs terecht. Het duurt even, maar na enige tijd valt ze voor de decadente charme van het kapitalisme. Als ze dan op een feest verschijnt in een dure baljurk wordt ze daar door een aartshertogin op aangesproken. ‘Madame Yakushova,’ zegt de aartshertogin, ‘Is that what they’re wearing in Moscow this year?’ – ‘No, last year, Madame,’ luidt het antwoord. Dat is heel leuk gezegd, maar het is ook een leugen, en uit die leugen blijkt dat onze communiste, zelfs na haar bekering, de achterstand van haar land van oorsprong moeilijk kan toegeven.*
     Bij de hedendaagse derde-wereld-immigratie speelt nog een andere kwestie.** Die derde-wereldlanden zijn gewezen kolonies. Hun inwoners hebben zich vernederd gevoeld door buitenlandse superieuren. Ze hadden gehoopt dat met de nieuwe onafhankelijkheid alles anders zou worden. Zonder koloniale uitbuiting zou de welvaart toenemen, de cultuur bloeien, en iedereen zou gelukkig zijn. Toen dat niet gebeurde was de verleiding groot om de moeilijke zoektocht naar oplossingen op te geven en op zoek te gaan naar wie nu eigenlijk schuld had aan het debacle. En die schuldigen waren snel gevonden: dat waren de vroegere koloniserende landen. De tijd heelt alle wonden zegt men, maar na de dekolonisatie gebeurde het tegenovergestelde. De begrijpelijke rancune tegenover het Westen werd in veel landen niet stilletjes aan minder en minder maar werd juist groter en groter. Het Westen kreeg de schuld voor alle problemen van het verleden, het heden en de toekomst. En in het Westen stonden geleerden en activisten klaar, mensen als Jean-Paul Sartre en Ludo Martens, om die rancune te prijzen.
     Het is die anti-Westerse rancune die veel derde-wereldimmigranten, zoals Ilhan Omar, meebrengen naar hun nieuwe gastland waar ze de gedaante aanneemt van slachtofferdenken – slachtofferdenken dat dan mooi past bij het autochtone politiek correcte discours op campussen, in kranten en op televisiezenders. Zo’n rancune kan in sommige gevallen leiden tot terechte kritiek op de Westerse samenlevingen maar evengoed tot overdrijvingen, verdraaiingen en leugens. Bovendien, en daar is het mij hier om te doen, staat ze een natuurlijk gevoel van dankbaarheid en loyaliteit tegenover het nieuwe land in de weg.
     Nu, ondankbaar of niet, enig politiek talent kun je Ilhan Omar ondertussen niet ontzeggen. Ze leert bij. Indertijd noemde ze de aanslag op de Twin Towers ‘something some people did’. Trump heeft die uitspraak tegen haar gebruikt en ik geloof niet dat ze dat ongelukkige eufemisme in de toekomst nog zal gebruiken. Ze heeft ooit de Amerikaanse Israël-politiek afgedaan als een zaak van corrupte Joodse financiers. ‘It’s all about the benjamins,’ had ze geschreven, daarmee verwijzend naar briefjes van honderd dollar met het portret van Benjamin Franklin. Ze heeft geleerd dat zoiets ook in linkse kringen slecht aankomt, en ze spreekt nu, gemeend of niet, kwaad van het antisemitisme. Ze heeft in 2016 acties ondersteund om mildere, alternatieve straffen te krijgen voor jihadisten die op het punt stonden naar Syrië te vertrekken. Sindsdien houdt ze zich ver van dat soort acties. Ze heeft geleerd dat ze nog het meeste succes behaalt als ze haar aanhangers gewoon vertelt dat Trump elke niet-blanke uit de VS wil deporteren. Er is altijd een publiek dat zoiets wil geloven, in de VS en in Europa.
     Eén raad zou ik Omar nog willen geven, en die betreft haar kledij. Je ziet haar op foto’s zowel met een traditionele moslimse hijab als met een gestileerde afro tulband. Ik zou haar aanraden om resoluut voor dat laatste te kiezen. Theologisch zal het niet veel verschil maken, want de haren zijn in de twee gevallen bedekt, maar de afro tulband doet minder denken aan islamitisch fundamentalisme en meer aan seculier zwart activisme à la Maya Angelou. Veel linkse kiezers in de VS zullen nog altijd dat laatste verkiezen boven dat eerste.




* Een soortgelijke scène komt voor in de prachtige Poolse film Zimna wojna (Cold War). Een arrogante Parisienne vraagt aan de Poolse emigrante Zula of ze niet onder de indruk is van de luxueuze Franse winkels. Dat is Zula helemaal niet. De winkels in Polen zijn veel luxueuzer, vindt ze. 

** En nog veel andere kwesties. Ik ga in dit stukje niet in op het onvermijdelijke ongemak die immigranten in hun nieuwe land meemaken: vreemde taal, vreemde omgeving, racisme. Een speciaal probleem is de vaak optredende declassering. Omars vader was in Somalië docent aan een instituut voor lerarenopleiding. In de VS moest hij aan de kost komen als taxichauffeur en later als postbeambte. Misschien verdiende hij in de laatste betrekkingen wel meer dan vroeger als docent, maar zo’n daling in sociale status moet bijna zeker een bittere smaak in de mond nalaten.

maandag 19 december 2016

Het grote dictee

     Ik heb ook deze keer niet meegedaan aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Ja, één keer heb ik mij laten verleiden. Ik ben toen met mijn leerlingen naar een cultureel centrum getrokken waar een voorronde plaatsvond. ’t Was op een zaterdagmorgen. De eerste zin begon, geloof ik, aldus: ‘In Middeleeuwse hospitia inktten monniken hun ganzenveren …’ Van die woorden had ik alleen ‘in’ en ‘hun’ correct. En ook met het woord ‘annalen’ dat verder in de zin kwam, had ik moeite. Mijn reputatie lag op straat.
     Voor Frans dictee was dat hetzelfde. Op mijn eerste proefdictee bij professor Jozef Mertens haalde ik -73 op 20 terwijl mijn medestudenten vlot -50 en zelfs -40 scoorden. De goede professor troostte ons: ‘Mes dictées, ça s’apprend.’ En dat was waar. Tegen het examen van juni spelde ik al zo goed dat ik positieve punten overhield, maar helaas nog niet genoeg om ook geslaagd te zijn. Ik heb toen, om mij op het examen van september voor te bereiden, een boekje gekocht met allemaal moeilijke Franse dictees. Eerst liet ik mij die voorlezen door mijn grootmoeder. Die sprak uitstekend Frans, maar bij dictees had ze de neiging om het mij te gemakkelijk te maken. In een zin als ‘La chanson qu’elle a chantée’ sprak ze het laatste woord uit als ‘chanté-eu’. Dan was het ook niet moeilijk meer. Ik heb de dictees dan maar opgenomen op een bandje en zo de hele verdere vakantie lang vlijtig geoefend.
     Een van die moeilijke dictees uit het boekje was geschreven door Prosper Mérimée, de auteur van Carmen en Colomba en een goede vriend van Toergenjev. Dat dictee is een pittige tekst van 177 woorden die Mérimée* geschreven had als gezelschapsspel voor Napoleon III en zijn vrienden. De keizer maakte naar verluid wordt 75 fouten, de keizerin 62, de schrijver Alexandre Dumas fils 24 en zijn collega Octave Feuillet 19. De zoon van Metternich ten slotte, die ook Metternich heette, en een Oostenrijker was, maakte maar 3 fouten.
     Ik heb het dictee van Mérimée ooit afgenomen van mijn vader. Hij maakte 25 fouten, drie keer minder dan Napoleon III en maar één foutje meer dan de auteur van La dame aux camélias*. Mijn vader brengt dat wapenfeit soms ter sprake op familiefeestjes.

*Dumas’ boek werd in 1937 verfilmd als Camille, met Greta Garbo in de hoofdrol. Mijn vader spreekt altijd van Le roman de Marguerite Gautier.