Posts tonen met het label Ludo Martens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ludo Martens. Alle posts tonen

maandag 28 november 2022

Algemeen Schoon Vlaams en ABN


      Toen ik naar school ging was ABN – Algemeen Beschaafd Nederlands – nog een vanzelfsprekend ideaal. Er bestonden ABN-clubs, ons spraakkunstboek heette ‘Kleine ABN-syntaxis’, in de gangen hingen bordjes met de wervende boodschap ‘Spreek ABN’. De West-Vlaamse chansonnier Will Tura probeerde zich met een correcte a-klank ook in andere provincies aanvaardbaar te maken. De Oost-Vlaamse boerenzoon Wilfried Martens bereidde zich met een soortgelijke a-klank voor op een carrière in de landelijke politiek. ABN was het middel om de grenzen van dorp en klasse te overstijgen. Het was een middel tot emancipatie.
     Niet iedereen slaagde erin om dat ideale ABN te beheersen. West-Vlamingen als de communistenleider Ludo Martens en de zakenadvocaat Louis Verbeke konden het wel – ze spraken een Nederlands dat leek op dat van Boudewijn de Groot; andere West-Vlamingen, zoals ikzelf, bleven, zelfs na drie jaar dictie aan het conservatorium, hangen in een tussentaal waarin één keer op de drie een ‘g’ met een ‘h’ wordt verwisseld, en een keer op de twee een ‘ei’ als een ‘è ‘wordt uitgesproken. In andere provincies kreeg je een soortgelijk verschijnsel, er ontstonden brede regionale varianten en uiteindelijk begonnen die naar elkaar toe te groeien om een soort Algemeen Schoon Vlaams te vormen.
     Ik heb dat Algemeen Schoon Vlaams voor mijzelf altijd als een vorm van onkunde ervaren. Maar toen ik leraar Nederlands werd, merkte ik tot mijn verbazing dat de nieuwe schoolboeken, onder invloed van taalsociologen, zoetjesaan begrip kregen voor wat zij de ‘tussentaal’ noemden. Ze beschouwden het als een ‘register’ dat geschikt was voor bepaalde situaties en niet voor andere. Ik moest mij geen zorgen maken. Met mijn ouders kon ik dialect spreken, met mijn vrouw en kind kon ik een tussentaal hanteren, en voor de klas moest ik AN - Algemeen Nederlands – spreken. De B van ABN was in de nieuwe egalitaire tijden weggevallen: dialectsprekers of tussentaalsprekers mochten niet impliciet als onbeschaafd worden omschreven.
     De nieuwe schoolboeken legden uit dat alles om ‘keuzevaardigheid’ en ‘register’ draaide. De leerlingen moesten vooral leren dat ze hun register moesten kiezen naargelang de ‘sociale afstand’.  Dialect was voor bij de grootouders, de tussentaal voor thuis en het ABN voor school. Ze mochten die situaties niet met elkaar verwisselen. Als ze bijvoorbeeld ABN gebruikten tegen hun landbouwende grootouders maakten ze een registerfout. Ze hadden de ‘sociale afstand’ overschat. Tegenover de leraar moesten ze dan weer niet met dialect of tussentaal afkomen, want dan hadden ze de sociale afstand onderschat. Wat ze onder elkaar moesten spreken, stond in een ander hoofdstuk uitgelegd, dat over ‘jongerentaal’.
     Die registeruitleg over dialect, tussentaal en standaardtaal bevalt mij niet. Ze is, vind ik, een capitulatie voor le fait accompli, en het argument waar ze op steunt is verkeerd. Ik geef toe dat de feitelijke toestand juist wordt weergegeven. Zo dom zijn die sociologen ook niet. Ik spreek inderdaad min of meer dialect met mijn ouders, tussentaal met mijn vrouw en kind, en toen ik voor de klas stond probeerde ik ABN te spreken. Maar door tussen die drie varianten te laveren, is er geen enkele die ik zuiver kan gebruiken. 
     Zo heb ik drie voltooide deelwoorden voor het werkwoord ‘eten’. In mijn dialect is het ‘kê heetn’, in mijn tussentaal is het ‘ik eb geëten’ en in mijn ABN is het ‘ik heb gegete’. Ik weet perfect waar die verschillende vormen zijn aangewezen. Met mijn situationele keuzevaardigheid is alles in orde. Mijn taalvaardigheid daarentegen … Eens om de zoveel keer zeg ik tegen mijn vrouw ‘ik eb heëtn’, en zei ik in de klas ‘ik eb geëten’, of misschien zelfs ‘ik eb heëten’. Zou het niet veel eenvoudiger zijn als ik altijd ‘ik heb gegete’ probeerde te zeggen? Niet dat het zal lukken in de jaren die mij nog resten, maar elegant pianospelen zal mij ook niet meer lukken en toch blijf ik proberen. En ’t gaat trouwens niet om mij maar om de volgende generaties.

zaterdag 23 juli 2022

Kortjes


Leeuwenvlaggen. Mijn grootmoeder kwam uit een belgicistische familie. Haar broers, die aan het IJzerfront gevochten hadden, waren lid van de Nationale Strijdersbond (NSB), en niet van de rivaliserende Vlaamse Oud Strijders (VOS). Mijn grootmoeder hield dan ook niet van leeuwenvlaggen. Die volledig zwarte vlag, dat kon er nog mee door zei zij, maar die vlag met de rode klauwen, dat was die van de fanatici. Die klauwen, die zagen rood van het bloed. Brrr.

Lief voor Groen. In het Het Nieuwsblad (22 juli) becommentarieert Farid El Mabrouk de houding van Groen/Ecolo tegenover kernenergie. Eerst een onvoorwaardelijke kernuitstap, dan een onrealistische strategie tegenover Engie, en ten slotte de grote bocht. Conclusie van El Mabrouk: ‘‘Straks kan niemand nog met veel aplomb zeggen dat de groenen dogmatische warhoofden zijn.’ Tja.

Communistische scheldwoorden. De communistische traditie is rijk aan genuanceerde scheldwoorden. Zo is er een belangrijk verschil tussen ‘vuile trotskist’ en een ‘trotskist’ tout court. Het eerste wordt gebruikt voor de aanhangers van Trotski, het tweede voor iedereen die binnen de partij of beweging iets zegt of doet wat de leiding niet aanstaat. Zo had je begin de jaren zeventig een Comité Joseph Staline pour l'Unité rouge. Ludo Martens noemde die lui ‘trotskisten’.

Achteromkijken. Ik heb al meer dan dertig jaar last van een stijve nek.  Dat is vooral gevaarlijk als ik met de fiets een straat wil oversteken. Mijn nek blijft halverwege steken. Maar van de week vertelde mijn kinesiste terloops dat je je hoofd veel verder kunt draaien als je je kin naar beneden houdt en over je schouder draait. Ik heb het onmiddellijk geprobeerd en het werkte. Had ik wat beter opgelet tijdens de Ronde van Frankrijk, had ik gezien dat de renners altijd zo achterom kijken.

Oude films. Midden de jaren zeventig begon ik televisie te kijken. Je kon in die tijd nog van die heerlijke oude films zien op zaterdagmiddag of zondagavond. Films uit de jaren veertig en vijftig, films die toen dus twintig of dertig jaar oud waren. Nu laten ze die films niet meer zien. Ik vraag me af waarom. Nu spelen ze veel jongere films, uit de jaren tachtig en negentig enzo. Of wacht …

Feestelijk bedanken. Elke taal zal wel de mogelijkheid hebben om iemand te bedanken. Maar die mogelijkheid staat blijkbaar open voor spottend gebruik. ‘bedankt hoor!’, ‘feestelijk bedanken’, ‘toch bedankt’. In het Engels hoor je ‘thank you very much’ (met stijgende intonatie), ‘thank you for nothing’, ‘thanks but no thanks’. In het Frans ken ik ‘merci quand-même’, een bedankje als troostprijs.

Nouvelle vague. Mijn vader was geen voorstander van de Nouvelle vague in de film. In een van die films, van Vadim of Goddard geloof ik, kwam er een scène van een man die op een toilet zat. Mijn vader vond dat getuigen van slechte smaak. Later draaide hij wat bij, vooral als het om films van Louise Malle ging. Ik vertelde dat ik onlangs L’année dernière à Marienbad gezien had. Mijn vader had die niet gezien en wou weten hoe die was. ‘Nogal pretentieus,’ zei ik.  ‘Maar die film kreeg toch heel goede kritieken,’ antwoorde mijn vader. ‘En speelde Delphine Seyrig niet mee in die film?’ Ja, als Delphine Seyrig meespeelde mocht een film een beetje pretentieus zijn.

De maskers vallen af. Er bestaan clichés waar je veel pret aan kunt beleven. Het verontwaardigde ‘de maskers vallen af,’ is er zo een. Mijn FB-vriend Geraard Goossens kan zijn pret niet op als die uitdrukking valt. Desnoods gebruikt hij ze zelf. Maar nu lees ik dat Margueritte Yourcenar een toneelstuk heeft geschreven dat heet: Elektra: de maskers vallen af. Wat zou Geraard daarvan denken?

vrijdag 6 mei 2022

Professor Goddeeris en het bloedbad van Katyn

 



     Professor Idesbald Goddeeris, een van de weinige  Vlaamse experts die in zijn stukken meer begrip vraagt voor Poetin, maakte bij het begin van de oorlog een valse start toen hij in De Standaard  terloops sprak over het ‘Duitse bloedbad in Katyn’, een fout die de dag erna in de krant werd rechtgezet. In de bossen van Katyn werden in 1940 vele duizenden Poolse officieren doodgeschoten en begraven, maar dat gebeurde niet door de Duitsers, maar door de Russen. Dat was een vervelende fout voor een historicus.
     Katyn is natuurlijk lang een controversiële materie geweest, en al zeker ten huize Clerick in de jaren 70 van vorige eeuw. Mijn vader haalde Katyn vaak aan om de moordlust van de communisten te illustreren. Niets van aan, antwoordde ik, het waren de nazi’s die het bloedbad hadden aangericht. En dan ging het minutenlang over de juiste datering van de executies, de grenslijn tussen Duitse en Russische zones, de herovering van Smolensk, het effect van de vrieskou op de staat van de lijken, de rapporten van het Rode Kruis, de koehandel tussen Churchill, Roosevelt en Stalin, de Poolse regeringsleider Sikorski die omkwam in een mysterieus vliegtuigongeval, het proces van Neurenberg, enzovoort. We kwamen er niet uit en het geluidsvolume, altijd al hoog aan onze keukentafel, moest weldra het gebrek aan nieuwe argumenten goedmaken.
     Ook elders was de materie controversieel. Ik herinner mij een ‘vorming’ van Ludo Martens die ergens een spitsvondige uitleg over Katyn gevonden had bij de Pools-Franse gauchist K.S. Karol: ’t waren de Duitsers geweest maar Martens en Karol konden precies verklaren hoe de ‘verkeerde’ versie van de feiten was ontstaan. Ik stak voorzichtig mijn hand op en zei iets over de datering, de grenslijn, de vrieskou en het Rode Kruis, in de hoop die argumenten definitief weerlegd te zien. Martens antwoordde echter laconiek: ‘Als je liever de propaganda van Goebbels gelooft, kan ik daar ook niets aan doen.’ Ik vond dat zwak van onze voorzitter.
     Dat was allemaal in de jaren 70 of 80 van vorige eeuw. Sinds 1990 is de mist opgetrokken. De Russen zelf, van Gorbatsjov tot Poetin, geven nu toe dat de moorden gebeurden op bevel van Stalin en zijn trawanten. Er zijn een aantal films aan de kwestie gewijd – zoals Katyn van Andrzej Wajda (2007), en Inspeckja (2017), die vooral de interne machinaties van de NKVD nader bekijkt. Stalin wou met liquidatie van de officieren de Poolse elite elimineren als mogelijke bron van verzet. Die officieren waren trouwens allemaal militaristen, reactionairen, primaire anticommunisten en contrarevolutionairen. Je vraagt je af waarom Ludo Martens hun terechtstelling eigenlijk niet toejuichte. 
     In elk geval: de Russische verantwoordelijkheid staat vast. Ik ben er zo goed als zeker van dat professor Goddeeris als Polen-specialist dat ook weet. Zijn fout moet een lapsus geweest zijn. Als ik een stuk over Katyn schrijf moet ik er ook voor oppassen dat de adjectieven ‘Duits’, ‘Russisch’ en ‘Pools’ niet van plaats verwisselen en ook nog eens verkeerd gespeld worden. Ik ga Goddeeris zijn vergissing dan ook niet gebruiken om zijn discours te ondermijnen, wat ik nochtans graag wil doen. Misschien kan ik dat wel zonder Katyn erbij te betrekken. Ik zal morgen eens zien hoe ver ik geraak.

dinsdag 22 maart 2022

Buitenlandse politiek vind ik moeilijk


     Toen ik zeventien was, heb ik een poosje pijp gerookt en Le monde diplomatique gekocht. Die pijp heb ik een poosje volgehouden, maar dat Franse weekblad … tja … dat stond vol met stukken die ik niet begreep, over landen die ik niet kende, waar zich problemen voordeden die mij niet interesseerden. Ik ben er snel mee gestopt. Ook toen ik in het maoïstisch milieu terechtkwam, bleef mijn interesse in vreemde landen – China uitgezonderd – beperkt. Mijn klasgenoot en beste vriend destijds vond internationale politiek de enige echt interessante. De inzet was er hoog: oorlog of vrede, hongersnood of welvaart, dictatuur of vrijheid. Ik was bij wijze van spreken meer geïnteresseerd in de kwestie van de ‘democratische school’. De school was iets wat ik kende, maar die buitenlandse politiek leek mij een te moeilijk onderwerp om zelf veel over na te denken. De studie van de Pentagon Papers en andere ingewikkelde dossiers, liet ik graag aan Ludo Martens en Patrick De Boosere over.
     Je kunt je nu afvragen: waaróm is buitenlandse politiek eigenlijk zo moeilijk? Dat komt natuurlijk omdat álles moeilijk is als je iets echt goed wil kennen of kunnen. Een perfecte tuin aanleggen is moeilijk. Een vreemde taal spreken zoals ‘native speakers’ dat doen is ook moeilijk, en áls je dat niveau bereikt, gaat het vaak ten koste van je eigen moedertaal. Wiskunde is voor wie daar geen aanleg voor heeft héél moeilijk; en wie er wél aanleg voor heeft, stoot vroeg of laat evengoed op een muur: hij moet zich specialiseren op één domein van de wiskunde om daar meer van af te weten dan zijn collega-wiskundigen, en dan moet hij aanvaarden dat hij in andere domeinen van het vak alleen nog de klok hoort luiden zonder te weten waar de klepel hangt.
     Ook is buitenlandse politiek zo moeilijk omdat het buitenland zelf ongrijpbaar blijft voor wie de broodnodige achtergrondkennis mist. Wij zijn allemaal min of meer expert in binnenlandse materies. Neem de economie. Het Bruto Binnenlands Product of de GINI-coëfficiënt van ons land moet ik telkens weer opzoeken, maar ik heb wel een ruw idee van de welvaart en de inkomensverdeling. Ik weet ongeveer  hoeveel je een poetsvrouw of een loodgieter betaalt en hoe moeilijk het is om er een pakken te krijgen. Om te weten hoe de huizen van de rijken eruitzien moet ik maar naar het meer van Keerbergen fietsen. Op de autostrada tel ik onbewust het aantal Ford Fiesta’s en het aantal Jaguars. Als Paul D’Hoore mij op de televisie iets vertelt over de levensduurte kan ik dat aftoetsen aan mijn ervaring in de winkel. Als ik lees over de stijgende of dalende werkloosheid, kan ik mij, in mijn confortabele positie van gepensioneerde, toch een voorstelling maken van het bestaan van de werkloze die samen met mij boodschappen doet in de Aldi. Ik heb een soort basisintuïtie die mij helpt om de realiteit achter de cijfers te zien.
      Dat is allemaal anders als het over het buitenland gaat. Mensen die zich storen aan mijn neoliberale en libertaire opvattingen gooien mij vaak de sociale wantoestanden in de Verenigde Staten voor de voeten. Is dát soms wat ik wil, vragen zij. Wat moet ik daar op antwoorden? – ik, die ik amper het verschil ken tussen social security, pension en welfare of tussen medicare, medicaid en health insurance. Trouwens, als ik doorvraag, blijkt meestal dat mijn gesprekspartner die verschillen ook amper kent. En zelfs als die gesprekspartner of ikzelf die zaken gaan opzoeken, kennen we eigenlijk nog alleen maar de theorie. Ik zou jaren in de VS moeten hebben gewoond om de intuïtieve expertise te verwerven waarmee de geboren Amerikaan die begrippen een plaats geeft.
     Kun je die expertise niet verwerven door vlijtig de buitenlandkatern in de krant te lezen? Ik vrees ervoor. Als ik in Spaanse krant iets lees over België, valt dat vaak vreselijk tegen. Ik krijg de indruk dat die krant over een ánder land schrijft dan dat waar ik woon. Zou onze pers dan zoveel beter zijn als zij over Spanje schrijft, of over een ander land? Zijn ónze experten zoveel beter? Ik denk het niet. Het buitenland is zo groot en onze buitenlandredacties zijn zo klein. Zo’n buitenlandredacteur kan zich niet in álle landen specialiseren. En zelfs als hij één, twee of drie landen goed kent, zal wat hij neerschrijft nog altijd het armzalige, gefilterde materiaal zijn en niet het ruwe materiaal met al zijn rijkdom van context.
     Ik schreef onlangs iets over de economie in Oekraïne. Het BBP per inwoner in dat land was in 2021, volgens het IMF, $ 4 384, dus minder dan de helft van dat van Rusland en tien keer minder dan dat van België. Maar betekent dat werkelijk dat een Rus twee keer zo rijk, en een Belg tien keer zo rijk, leeft als een Oekraïner? Ik zou het niet weten. Zo’n BBP is interessant maar zegt niet alles. Het voorbeeld is bekend: als ik het gras maai in mijn tuin en mijn buurman doet hetzelfde in zijn tuin, dan gebeurt er niets met het BBP; mocht ik echter het gras van mijn buurman maaien, en hij maaide mijn gras, en we betaalden elkaar, dan ging het BBP wel omhoog. Nu ken ik ongeveer de grasmaai-toestand in onze wijk maar ik heb geen idee wat de Oekraïners met hun gras doen, en met al de rest.
    Je kunt dat gebrek aan achtergrondkennis van een vreemd land proberen te compenseren door reisverslagen te lezen, televisiereportages te bekijken, of door dat land te bereizen. Maar reisverslagen lees ik niet zo graag, televisiereportages vind ik vaak te belerend; en reisformules waarbij je overnacht bij de plaatselijke bevolking zijn mij te avontuurlijk. Zo blijft het buitenland natuurlijk een onbekende. En als de verschillende onderdelen van dat buitenland met elkaar slaags raken – wat men ‘oorlog’ noemt – dan begrijp ik er al helemaal niets meer van, want zulke conflicten spelen zich af in een ander moreel universum dan dat van mij en mijn omgeving. Daar zou ik eens een ander stukje over moeten schrijven.

maandag 28 februari 2022

Poetin, de PVDA en de de-escalatie*

 

     De PVDA heeft, zoals bekend, geweigerd om in het Vlaamse Parlement een resolutie over Oekraïne goed te keuren. De resolutie stelde voor om (1) de Russische agressie te veroordelen, (2) solidariteit te betuigen aan Oekraïne, (3) extra Europese sancties door te voeren, en (4) humanitaire en andere hulp aan Oekraïne te verlenen. De PVDA ging blijkbaar alleen akkoord met het eerste punt en vond de rest van de resolutie eenzijdig omdat ze de verantwoordelijkheid van de Navo niet belichtte. Die had zich immers uitgebreid met nieuwe lidstaten waardoor ‘Rusland zich bedreigd voelde’. Verder had Oekraïense regering zelf ook boter op het hoofd omdat ze geen autonomie had verleend aan de oostelijke gebieden.
     In de tijd dat PVDA nog een kleine sekte was zag je in de huizen van partijleden vaak een slagzin van Mao aan de muur hangen die luidde: ‘Tegen de stroom inroeien is een marxistisch principe.’ Dat principe hebben de PVDA’ers  in het Vlaamse parlement dus toegepast. Ze hadden kunnen doen zoals Vlaams Belang, waar nogal wat sympathie voor Poetin bestaat: ze hadden kunnen zwijgen. Maar die kans hebben ze gemist. Ze hadden ook een lange toespraak kunnen houden tegen de Navo en het Amerikaanse imperialisme om dan als slot de resolutie tóch goed te keuren. Maar ook dat hebben ze niet gedaan. Ze hebben zich stoutmoedig in de strijd geworpen: één tegen allen. 
     De politieke vijanden van de PVDA – alle partijen dus – grepen de politieke flater aan om de partij scherp te veroordelen. Ze stelden het voor alsof de PVDA de invasie goedkeurde. Dat was niet helemaal waar. Maar het PVDA-standpunt deed me wel denken aan wat gebeurde toen Hitler in 1939 Polen binnenviel. De Franse communisten voelden zich gebonden door het recente verdrag tussen Duitsland en de Sovjetunie. Ze keurden de nazi-inval weliswaar niet goed, maar ze wezen erop dat die het gevolg was van het ‘Engelse en Franse imperialisme’ en dat ‘het wereldproletariaat onmogelijk het fascistische Poolse regime kon verdedigen.’ 
     De Franse communisten van 1939  en de Vlaamse communisten van 2022 hebben de inval in respectievelijk Polen en Oekraïne niet ‘goedgekeurd’, maar hun standpunt zat zo vol nuances – helaas op een moment dat die nuances niet helemaal op hun plaats waren, en bovendien, op de keeper beschouwd, berustten op de bedenkelijke analyse van ‘fouten aan de twee kanten’. Een buitenstaander die niet doorkneed is in de marxistische dialectiek kan weinig met die nuances aanvangen op een ogenblik dat een zwak onafhankelijk land wordt binnengevallen door een sterke agressieve buur, en dàt onder het absurde voorwendsel dat die agressie nodig was om de regering van dat land te zuiveren van ‘neo-nazis’ en ‘druggebruikers.’
     De PVDA is geen klein sekte meer, maar een partij die rekening moet houden met buitenstaanders die niet in de marxistische dialectiek doorkneed zijn. Op het VRT-journaal van gisteren kreeg Raoul Hedelbouw uitgebreid de kans om een elegante pirouette uit te voeren. Bart Verhulst stelde hem de vraag waarom PVDA zoveel moeite had om Poetins inval te te veroordelen. Raoul stak van wal met een reeks scheldwoorden aan het adres van Poetin: autocraat, oligarch, man van de big business, crimineel. Hij was tegen de Russische ‘agressie’ en ‘voor de erkenning van de Oekraïense staat’ en gaf verder een lange uitleg over de Helsinki-akkoorden van 1975, de ontwapening, de vredesbeweging, het belang van de-escalatie, het gevaar voor een wereldoorlog, en de noodzaak voor België om als klein land een diplomatieke rol te spelen.
     Ik vond dat Bart Verhulst aan het einde van de tirade had moeten vragen of dat nu allemaal een reden was om de resolutie in het Vlaams Parlement niet te onderschrijven. In plaats daarvan besloot Verhulst: ‘Dank u, meneer Hedebouw. Ja, dat is wel een duidelijke boodschap nadat PVDA-PTB toch wat geïsoleerd stond in de politiek en het leek alsof ze die inval niet meteen veroordeelde; die veroordeling is er nu toch wel heel duidelijk gekomen.’ Ik vond dat een erg mooi cadeautje van de journalist aan de politicus.
    De pirouette van Raoul Hedebouw bestond trouwens niet in de veroordeling van Poetins agressie – die had de PVDA inderdaad al eerder uitgesproken – maar in de verschuiving van de stugge anti-Navo retoriek naar het aantrekkelijker vredesdiscours. Communisten kunnen inspiratie putten uit een rijk verleden waarin ze op verschillende momenten verschillende deuntjes zongen: in 1939 was het dat van het anti-imperialisme, van 1941 tot 1945 werd het dat van het patriottisme, en in de jaren 50 werd het dat van het pacifisme, met de vredesduif van Picasso als symbool.
     Nu we het toch over pirouettes hebben. Ik vond de herhaalde verwijzing, vijf of zes keer, van Raoul naar de de Helsinki-akkoorden bijzonder vermakelijk. De vader van Raoul, Berten Hedebouw, moet als oude Amadees en PVDA-er, aan tientallen betogingen hebben deelgenomen tégen de Helsinki-akkoorden. Die akkoorden brachten immers, volgens de Chinese communisten en Ludo Martens, niet de vrede maar de oorlog dichterbij. Amada-PVDA beschouwde indertijd de Sovjet-Unie als verraders van het echte communisme, en bovendien als de belangrijkste ‘oorlogsstoker’ in de wereld.  De argumentatie voor die laatste stelling sneed enig hout. De Sovjet-Unie, zo hield kameraad Ludo ons voor, raakte economisch achterop. De enig mogelijkheid om haar positie op het wereldtoneel te versterken, bestond erin de militaire kaart te spelen. 
    Vandaag is Rusland economisch nog meer achterop geraakt. Daardoor kon het Westen één na één de vorige vazalstaten van Rusland aan zich binden. Poetin kan daar weinig tegenover stellen behalve militair geweld. Wellicht is Rusland ondertussen dermate achterop geraakt, dat zelfs dat militaire geweld op een zwakkere basis berust dan in de tijd van Brezjnev. Wat zou betekenen dat het oorlogsgevaar vandaag heel wat minder is dan in 1975.
    Dit alles echter is speculatie, en op grond van zulke speculaties moeten beter onderlegde mensen dan ik beslissingen nemen en geostrategische keuzes maken. Escaleren of de-escaleren? Churchill of Chamberlain? Achteraf is het makkelijk praten. De diplomatieke voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog laat zien hoe de tragedie vermeden had kunnen worden door inbinden, wederzijdse toegevingen, begraven van ultimatums, verminderde achterdocht, en bereidheid om de ‘eer van de natie’ op de tweede plaats te stellen. De-escalatie had een wereldbrand kunnen voorkomen. Dat weten we we nù.
     Maar de voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog biedt, ook achteraf gezien, het tegenovergestelde beeld. Toen had men juist wel moeten grijpen naar hoge principes van moed en eer en naar een no passaràn-mentaliteit; men had Hitler kunnen stoppen – met dreigende ultimatums en desnoods met een oorlog – toen het nog kon, dat wil zeggen toen de opbouw van zijn leger nog niet voltooid was. Churchill bleek, achteraf, gelijk te hebben: men had veel vroeger moeten escaleren. Dat weten we nù. Maar wat we nu niet weten, althans niet met zekerheid, dat is wat we nù moeten doen. Aan mij moet je het niet vragen, want ik heb geen antwoorden. En aan Raoul Hedebouw moet je het zeker niet vragen, want die heeft àlle antwoorden.

* Zie ook het artikel van Boudewijn Bouckaert op Doorbraak of op de Facebookpagina van de professor.

woensdag 26 mei 2021

Israël-Palestina: de vluchtelingen


      Ik ben opgegroeid als een pro-Palestijntje. Toen ik 14 of 15 jaar was, scheurde ik een interview met Yasser Arafat uit de Humo en hing de bladen op in de klas. Een oud-leerling van het college was lid van het Palestina-comité en kwam ons ‘vorming’ geven over de kwestie aan de hand van kaartjes* waarop je zag hoe de Joden na de eerste wereldoorlog, en versneld na de tweede wereldoorlog, naar Palestina immigreerden** en  steeds meer land van de Palestijnen ‘afpakten’. Toen ik in het ziekenhuis lag met een hersenschudding kwamen vriendjes mij een pamflet bezorgen over de burgeroorlog in Jordanië tussen het leger van koning Hoessein en de PLO: ‘Amman brandt!’ In mijn boekenkast staan een aantal boeken over het onderwerp. Op zolder ligt nog een Palestijnse sjaal.
     Later kwam de klad erin. De oude zekerheden vielen weg. Er kwamen Israëlische regeringen die veroverd gebied wilden afstaan in ruil voor vrede. Er werd ook feitelijk wat gebied afgestaan, misschien niet genoeg, maar de beloofde vrede van Palestijnse kant bleef uit. Ik begon mij af te vragen of de Israëli’s voor méér gebiedsafstand eigenlijk wél ooit echte vrede zouden krijgen. Ik betwijfelde het. Ook begon ik mij ongemakkelijk te voelen bij een zekere Palestijnse mentaliteit. Ik herinnerde mij Ludo Martens die geestdriftig verteld had over de Palestijnse strijdlust. Een vrouw had 7 zonen verloren in de strijd tegen Israël. Toen men haar vroeg wat haar toekomstdroom was, zei ze dat ze zo snel mogelijk weer een zoon wou baren om de strijd tegen Israël verder te zetten. Ludo vond dat fantastisch, maar zelf was ik een beetje geschrokken. Ik begon mij hoe langer hoe meer de simpele vraag te stellen waar ik liever zou wonen: in Israëlisch gebied, desnoods als Palestijn en dus als ‘tweederangsburger’, of in gebied onder Palestijnse controle. Ik helde over naar de eerste keuze.
     Daarop begon ik mij meer te interesseren voor de twee kanten van het verhaal. Ik had al snel door dat de informatie van de Israël-lobby veel hiaten bevatte, en uitvluchten, en intentieprocessen. Maar dat gold ook voor de informatie van de Palestina-lobby, die, ondervond ik, de strijd achter de schermen op Wikipedia had gewonnen. Bij gebrek aan neutrale en objectieve informatie leek het mij het beste om af en toe iets van de beide partijen in het geding te lezen.
     Die gewoonte hielp om de grote lijnen in het verhaal te ontdekken, vooral omdat de bronnen het over sommige feiten verrassend eens waren en meer in woordkeuze verschilden. Volgens de ene bron waren er na de oorlog van 1948 meer dan 700 000 Palestijnse vluchtelingen, volgens de andere hoogstens 650 000. Zo’n groot verschil is dat niet. Volgens de ene bron was 1948 het jaar van de ‘Onafhankelijkheidsoorlog’, volgens een ander dat van de ‘Catastrofe’. ’t Is maar hoe je het bekijkt. Ik las een stuk van de Israëlische lobby over de wisselende grenzen in de regio. De landkaarten die de Palestijnen gebruiken om hun gelijk te halen werden één voor één kritisch belicht en er werden andere kaarten tegenover geplaatst … die ongeveer dezelfde waren, met een andere terminologie. Wat op de ene kaart een ‘grens’ heette, werd op de andere kaart een ‘bestandslijn’ genoemd. Er schijnt een compromis te bestaan om van een ‘groene lijn’ te spreken. Ik dacht: ze doen maar.
     In een vorig stukje*** gaf ik als mijn mening dat de ruzie moeilijk zal worden bijgelegd als de partijen vooral naar het bloederige verleden blijven kijken: de tientallen gedode Joodse burgers in Hebron (1929), en de tientallen gedode Palestijnse burgers in Deir Yassin (1948) en Kafr Qasim (1956) … Het is begrijpelijk dat die vreselijke gebeurtenissen blijven leven in de herinnering. Of die herinnering de oplossing van het conflict dichterbij brengt, betwijfel ik.
     Maar met de vluchtelingenkwestie is het anders gesteld. Die kun je niet afdoen als een vreselijke herinnering, want de gevolgen strekken zich uit tot vandaag. De VN hadden in 1947 een plan opgesteld om het gebied te verdelen onder een Israëlische en een Palestijnse staat. De Arabische landen verwierpen het voorstel en in 1948 vielen ze Israël aan. Tijdens de bittere gevechten, die tot een Israëlische overwinning zouden leiden, kwamen de Palestijnse burgers tussen twee vuren terecht en meer dan drie kwart van hen nam de vlucht, vooral naar Jordanië en Egypte.
     Over de precieze oorzaken van die vlucht kan worden gediscussieerd****, maar niet over wat daarna volgde: toen de Palestijnen terug wilden keren, werden ze niet meer binnengelaten. De Israëli’s redeneerden: ‘Opgestaan is plaats vergaan.’ Ze vreesden, terecht of ten onrechte, dat zich onder de terugkeerders grote groepen saboteurs, terroristen en vijandelijke strijders zouden bevinden. Die vrees is begrijpelijk: Israël had toen nog niet de militaire overmacht die het later zou krijgen. Maar ondertussen werden laat ons zeggen 690 000 burgers de toegang geweigerd tot hun geboortegrond omdat er zich onder hen laat ons zeggen 10 000 potentiële terroristen bevonden. Een buitenstaander die de zaak 70 jaar later bekijkt, kan het vermoeden niet wegredeneren dat de Israëli’s van de situatie gebruik hebben gemaakt om hun controle over het gebied te versterken en hun numeriek overwicht erin te verzekeren. Dat is niet erg netjes. Dat in de nasleep van de oorlog ook ongeveer een miljoen Joden uit de Arabische landen vluchtten, of moesten vluchten, naar Israël, verandert daar weinig aan. Two wrongs don’t make a right.
     En vandaag? Vandaag is er een Israëlische staat met ruwweg 9 miljoen inwoners: een kleine 7 miljoen Joden en een kleine 2 miljoen Palestijnen. Daarnaast zijn er twee ‘autonome Palestijnse gebieden’ Gaza, met 2 miljoen Palestijnen, en de Westbank, met 2,5 miljoen Palestijnen en een 0,5 miljoen Joodse kolonisten. En die 14 miljoen mensen moeten proberen in vrede samen te leven. En dat lukt niet zo best. Morgen schrijf ik iets over de grote principes die het conflict zouden kunnen beslechten. 

* Zie de vier eerste kaartjes hierboven. De witte en groene kleur heeft eigenlijk kaart per kaart een andere betekenis. Op de derde kaart bijvoorbeeld zijn de groene gebieden respectievelijk Egyptisch en Jordaans gebied. Ook wordt geen onderscheid gemaakt tussen privébezit van gronden en politieke grenzen.

** In 1918 waren er niet veel meer dan 50 000 Joden in Palestina. in 1939 waren dat er al 500 000 en in 1948 meer dan 700 000 (tegen 1,3 miljoen Palestijnen). Grote Joodse immigratiestromen bleven komen, in de jaren 40, 50, 60, 70 en 90.

*** Mijn vorige stukje vind je hier.

**** En.Wikipedia somt op: ‘Factors involved in the exodus include Jewish military advances, destruction of Arab villages, psychological warfare, fears of another massacre by Zionist militias after the Deir Yassin massacre, which caused many to leave out of panic, direct expulsion orders by Israeli authorities, the voluntary self-removal of the wealthier classes, collapse in Palestinian leadership and Arab evacuation orders, and an unwillingness to live under Jewish control.’ (‘1948 Palestinian Exodus’).

zondag 21 februari 2021

De exponentiële curve als ‘matraque’

 


De exponentiële curve als matraque
  
   Een maand geleden haalde Maarten Boudry zwaar uit naar minister Weyts. Er was in die tijd veel te doen rond de besmettingen in de scholen. Het Journaal en Het Nieuws openden ermee. Ben Weyts wees erop dat in slechts 50 van de 4000 scholen besmettingen waren vastgesteld. Toch nam de druk om de scholen te sluiten nam toe. Boudry schreef toen op zijn Facebookpagina: ‘Mijn inschatting: het is een kwestie van tijd tot de Belgische scholen dichtgaan. ALS dat klopt, dan beter vroeg dan laat. Nu nog even wachten tot de curve helemaal ontploft, is het summum van kortzichtigheid.’
     Op de laatste vijf woorden na, dacht ik toen ongeveer hetzelfde: dat de sluiting van de scholen, al was het dan om politieke redenen, onvermijdelijk was, en dat een snelle korte sluiting beter was dan een die later kwam en langer duurde. Uiteindelijk is de scholensluiting er niet gekomen en met de lente in het verschiet is het niet waarschijnlijk dat ze er nog komt. Het is te laat op het jaar. Boudry en ik hebben ons vergist. Boudry kan zich dit keer niet troosten met zijn theorie van de ‘zelfweerleggende voorspelling’*. Daarvoor moet een maatregel eerst genomen zijn om achteraf nutteloos te schijnen. Maar de maatregel, de sluiting van de scholen dus, ís niet genomen. En misschien is het maar beter ook, want het zou – om nogmaals Boudry’s woorden te gebruiken - geen ‘spijtloze maatregel’** geweest zijn.
     Hoewel ik dus indertijd dezelfde inschatting als Boudry maakte, was ik het niet zo eens met zijn argumentatie die berustte op de exponentiële groei van de besmetting. Hij schreef toen: ‘Stel dat je één balletje in je soep doet, Ben Weyts, en elke minuut verdubbelt het aantal. Hoeveel balletjes heb je dan als je een halfuurtje roert? Een miljard balletjes! … Het is hemeltergend om Weyts op het VRT-journaal te horen. De man heeft werkelijk géén idee van exponentiële groei.’
     Die vergelijking met soepballetjes klopt, geloof ik, niet helemaal. Leerlingen in scholen besmetten elkaar misschien als zich vermenigvuldigende soepballetjes, maar dat is niet noodzakelijk het geval met scholen onderling. Ik vermoed dat Weyts, zoals iedereen die middelbaar onderwijs gevolgd heeft, wél op de hoogte is van het begrip van exponentiële groei, een begrip dat in tegenstelling tot wat Boudry beweert, redelijk goed aansluit bij onze intuïtie en zeker bij de mijne***. Het probleem was niet dat Weyts rekening moest houden met een exponentiële groei – dat moest hij – maar dat hij ook moest afwegen hoe groot de kans was op zo’n groei. Boudry schrijft in zijn pandemieboek: ‘Een exponentiële curve kan eerst onschuldig lijken, een beetje zoals een lineaire curve, maar dan plots exploderen.’
     Ik heb het woordje ‘kan’ gecursiveerd omdat het ons brengt bij de kwestie van de proportionaliteit. De mogelijkheid van de explosie bestond, maatregelen waren nodig – maar welke maatregelen waren proportioneel? Moesten alle scholen dicht, of was het voldoende om de veiligheidsmaatregelen te verstrengen, meer testen in te voeren, en buitenschoolse activiteiten te verminderen, waardoor kinderen van de ene school minder gemakkelijk kinderen van een andere school zouden aansteken? Dat is geen eenvoudige afweging.
     Maar het hele begrip ‘proportionaliteit’ wordt door Boudry en De Ceulaer in vraag gesteld. ‘[H]oed u bij dreiging van een pandemie voor het woord proportionaliteit,’ schrijven ze. ‘Tegen een probleem dat exponentieel uit de hand kan lopen, moet je preventief harder optreden dan je in ‘normale’ – zeg maar: niet-exponentiële – omstandigheden zou kunnen verantwoorden.’****
     Het exponentiële karakter van de pandemie wordt hier naar mijn smaak teveel als troefkaart gebruikt. De auteurs vertellen de parabel van het schaakbord en de rijstkorrel. Als je op het eerste vakje van dat bord 1 korrel legt en dat bij de volgende vakjes telkens verdubbelt, heb je eerst 2 korrels, 4 korrels, 8 korrels en op vakje 64 niet minder dan 18.446.744.073.709.551.615 rijstkorrels, ‘[g]enoeg om heel het Indische continent onder een rijstlaag van een meter dik te bedelven.’ Dat is een mooi verhaal dat ik ken van de lagere school, maar die extreem hoge cijfers trekken niet alleen de aandacht, ze vertroebelen ook de blik.
     Als je in ons land het coronavirus ongehinderd laat razen, dan ga je geen 18,5 triljoen doden hebben, en ook geen 11 miljoen. De coronadodentol heeft geen exponentiële cúrve, maar een exponentiële fáse, zoals Boudry ergens anders terecht opmerkt. Je eindigt bij 30 000 doden, of 50 000 doden of 100 000 doden en die cijfers zijn niet meer dan veronderstellingen. En tegenover díe hypothetische cijfers weeg je de maatregelen af – niet tegenover een exponentiële abstractie die als een komeet door de ruimte schiet.
     De manier waarop Boudry over de exponentiële curve spreekt doet mij denken aan mijn jeugdjaren, zoals tegenwoordig alles mij doet denken aan mijn jeugdjaren. Een groot deel van die jaren was ik geëngageerd in de marxistische partij Amada, later PVDA, een organisatie die toen geleid werd door Ludo Martens. Die laatste was niet alleen een ideoloog, een pedagoog en een demagoog, maar ook, zoals veel politici, een intrigant. Het gebeurde meer dan eens dat hij basisgroepen ging opstoken tegen hun plaatselijke leiders. Die plaatselijke leiders gebruikten dan citaten van Marx en Lenin om zich tegen hun basisgroep te verdedigen. Waarop Martens antwoordde dat die leiders het marxisme gebruikten als matraque. En hij kon het weten, want hij deed het zelf wel eens.
    Hetzelfde denk ik nu bij Boudry: dat hij de exponentiële curve gebruikt als wapenstok, als matraque. Terwijl hij zou moeten weten dat het, naar het woord van Lenin, aankomt op de ‘concrete analyse van de concrete situatie’, en naar het woord van Karel van het Reve, op ‘moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties’. Een discussie over een scholensluiting los je niet op met soepballetjes en rijstkorrels maar met ‘concrete’ reproductiegetallen, ‘concrete’ besmettingskanalen en, jawel, proportionele ingrepen.


 * Ook ‘preventieparadox’ genoemd in het boek van Boudry en De Ceulaer: ‘Door slecht nieuws te voorspellen, zorg je ervoor dat mensen actie ondernemen, waardoor je eigen voorspelling niet uitkomt.’

 ** ‘Spijtloze maatregelen. Maatregelen die achteraf nutteloos of onnodig kunnen blijken, maar die nooit tot grote spijt zullen leiden. Winkelkarren ontsmetten is zo’n maatregel, mondmaskers afraden niet.’

 *** De enorme getallen die de curve uiteindelijk opleveren zijn wél anti-intuïtief.

**** De redenering doet mij denken aan de tipping points van de klimaatalarmisten die op dezelfde manier de proportionaliteitskaart overtroeven. Zie ook hier.

donderdag 17 december 2020

De PVDA en de Grote Kameraad Stalin


      Het getuigt van een slecht karakter om aan PVDA-leden altijd maar vragen over Stalin te stellen. Die mensen hebben dat niet graag. Hun partij heeft vroeger hoog opgegeven van de Grote Kameraad, maar dat is ondertussen meer dan 10 jaar geleden. Vlaams Parlementslid Jos D’Haese werd dan ook humeurig, toen hem vorige week in een interview (hier) de ja/nee-vraag werd voorgelegd: ‘Was Stalin een massamoordenaar?’ Daar had hij kort op kunnen antwoorden: ‘Ja!’, of ‘Absoluut!’, of ‘Natuurlijk!’ en daarna had hij verder kunnen uitweiden over de superrijken en hun superwinsten.  Maar in plaats daarvan zuchtte Jos: ‘Ik ga de historische balans niet opmaken. Hoeveel keer moet ik dat herhalen? Er zijn zware fouten gemaakt in het verleden. Het model van Stalin is niet mijn model. Maar ik kijk naar de toekomst.’ Je leest dat antwoord best twee keer en beeld je daarna in dat een Vlaams Belang-parlementair een soortgelijke vraag over Hitler in dezelfde zin zou beantwoorden: geen historische balans opmaken, zware fouten, verleden, niet mijn model, naar de toekomst kijken.
     Als je PVDA-sympathisanten het vreemde antwoord* van Jos onder de neus wrijft, halen ze het collaboratieverleden van de Vlaamse beweging erbij, waar ook N-VA uit is voortgekomen. Dat is niet zo slim, want juist N-VA heeft dat collaboratieverleden erg ondubbelzinnig veroordeeld. De Wever deed dat bijvoorbeeld in 2015: ‘[De collaboratie] is een zwarte bladzijde in de geschiedenis die het Vlaams nationalisme onder ogen moet zien en die het nooit mag vergeten. In de geschiedenis van ieder individu is er zwart en wit, en vooral veel grijs. Maar het nazisme en de Shoah waren misdadig fout. Dat mag niemand ontkennen, dat behoeft zelfs geen enkele nuancering.’ (hier)
     Jos zou hetzelfde kunnen doen als De Wever. Dat hele stalinisme was vóór zijn tijd. Hij was amper twee jaar toen toenmalig PVDA-voorzitter Ludo Martens zijn boek over de Grote Kameraad uitbracht (hier). Waarom maakt hij het zichzelf dan zo moeilijk? Eén antwoord op die vraag zou kunnen zijn dat er in zijn partij nog veel oude Stalin-nostalgieken rondlopen die hij niet voor het hoofd wil stoten. Eigenlijk kun je iedereen die lid was van de PVDA vóór ongeveer 2006 of 2008** minstens een gewézen stalinist noemen. Een jaar of vijf geleden bekeek ik een lijst van leidende kaders op een PVDA-site, een vijftigtal mensen, en ik herkende minstens de helft ervan. Toen ik de partij verliet, midden de jaren 80 waren al die mensen niet alleen stalinisten, maar hevige stalinisten. Peter Mertens zelf schreef in 1997 nog Stalin-artikels (hier).
     Toch geloof ik niet in een wijdverbreide Stalin-nostalgie binnen de PVDA. Het stalinisme is er altijd wat kunstmatig, geïmporteerd, en opgelegd geweest. In de jaren 30, 40 en 50 van vorige eeuw kon een communist nog écht in Stalin geloven, maar na 1956 werd dat moeilijk omdat men het zelfs in Rusland niet meer deed. Het stalinisme kreeg een kunstmatig tweede leven toen er een machtsstrijd ontstond tussen de Chinese en Russische communistische partij. Omdat de Sovjets in die tijd afstand namen van Stalin, kwam het de Chinezen goed uit om van de weeromstuit de nagedachtenis van Grote Kameraad extra te gaan eren, en de Europese maoïsten namen dat over, ondanks alles wat toen al over de massamoorden geweten was***. Iemand als Ludo Martens kon met ijzeren wilskracht zijn volgelingen daarin meesleuren (zie ook hier), maar toen in 2008 ook op dat punt het roer werd omgegooid, zullen velen in zijn partij een zucht van verlichting hebben geslaakt, sommigen onmiddellijk, en sommigen na enige weken of maanden gewetensnood.
     De kwestie is deze. Het gaat niet om Stalin maar om het sovjetcommunisme in zijn geheel. Daar waren volgens mensen als Jos veel mooie dingen bij. Men had de oorlog met Duitsland beëindigd en de grond onder de boeren verdeeld. De fabrieken waren onteigend. Er kwam een planeconomie. In de landbouw verschoof de nadruk van een individualistische naar een collectieve aanpak. Van de wreedheden en moordpartijen die daarmee gepaard gingen zal Jos zeggen dat ze ‘zijn model’ niet zijn, maar die hervormingen zelf vindt hij, geloof ik, best mooi. Dat deden veel socialisten vroeger ook. De socialistische burgemeester van mijn geboortedorp (hier) had de Sovjet-Unie bezocht en had er veel moois gezien. Er waren daar veel ingenieurs, zei hij.
     Zelf vind ik dat allemaal niet zo mooi. De Russische vrede verplaatste vooral de Duitse troepen naar het westelijke front, de landbouwgrond werd eerst verdeeld en daarna weer afgenomen, de onteigening van de fabrieken heeft de economie meer kwaad dan goed gedaan, de planeconomie bleek geen alternatief op lange termijn, en die collectieve landbouw is alleen mooi op papier. Over al die zaken verschil ik van mening met Jos. En daarom is het voor mij zo veel gemakkelijker om de Grote Kameraad, die aan al die zaken heeft meegewerkt,  te veroordelen als de massamoordenaar die hij was.
     Ik begrijp dus Jos zijn probleem. Kijk, als men mij in een interview zou vragen om de misdaden van Churchill te veroordelen, zou ik dat ook niet prettig vinden. Veel van wat hij nastreefde vind ik bewonderenswaardig: individuele vrijheid, markt, democratie, maar wat moet ik doen als men mij een racistische uitspraak van hem onder de neus duwt? Of zijn verantwoordelijkheid voor de hongersnood in Bengalen? Of het bombardement van Dresden? Dan zou ik misschien ook iets mompelen over ‘fouten in het verleden’ en ‘historische balans’. 
     Maar Churchill is Stalin niet. Als Jos een beetje zijn best doet, moet hij dat inzien, en als hij nog een beetje beter zijn best doet moet hij het woord ‘massamoordenaar’ toch kunnen uitspreken, of minstens mompelen. Hij moet niet de hele communistische geschiedenis verwerpen, want dat interesseert de journalisten niet. Hij moet de Stalin-manie van zijn partij vóór 2008 niet bestempelen als een ‘zwarte bladzijde die nooit mag worden vergeten’. Als hij ze liever vergeet, vooruit dan maar. Jos kan ook zwijgen over Lenin, want diens misdaden zijn minder bekend en wat niet weet, niet deert. Hij mag verder bloemen leggen op het graf van elke Vlaamse, Franse, Duitse, Russische of Georgische stalinist die gestorven is in de strijd, of in zijn bed. Daar waren aardige mensen bij met oprechte idealen. Alleen even op de tanden bijten en Stalin een massamoordenaar noemen, dat is alles wat van hem gevraagd wordt. Hij kan ook ‘Fuck Stalin’ antwoorden, zoals Peter Mertens ooit ‘Fuck Noord-Korea’ zei (hier)****. Maar zo’n uitspraak blijft dubbelzinnig. ‘Fuck Stalin’ en ‘Fuck Noord-Korea’, dat kan van alles betekenen, maar vooral dit: ik ben die eeuwige vragen over Stalin en Noord-Korea meer dan beu. 
     Nee, ‘massamoordenaar’ is beter. Als Jos dat antwoord een paar keer geeft, is hij voor altijd van de vraag af.


 Het kan natuurlijk nog vreemder. In 2014 werd Mie Branders, de moeder van Jos, op Canvas, enkele vragen over stalinistisch verleden van haar partij voorgelegd. Het is een onderdeel van de partijgeschiedenis, geeft ze toe, maar het hoofdstuk is afgesloten. ‘Stalin had nooit mogen bestaan?’ vraagt Van Gils. ‘Dan zouden we nu niet zijn wie we zijn,’ antwoordt Mie. ‘We hebben daar lessen uit getrokken.’ Van Gils dringt aan: ‘Dus jullie hebben hem nodig gehad.’ Waarop Mie weer: ‘Euh … Misschien heeft de CD&V Jezus nodig gehad om de CD&V te worden.’ (Zie hier) 

** Op een vernieuwingscongres in 2008 heeft de PVDA voor een minder extreme politiek gekozen, waarbij verwijzingen naar Stalin geen plaats meer hadden. Paul Cordy heeft in 2006 nog Stalin-verwijzingen op de PVDA-site genoteerd die De Wever dan in een publieke verklaring verwerkte. Enkele dagen later waren de verwijzingen van de website gehaald. (Hier, eerste reactie, eerste antwoord).

*** Juist omdat Stalin algemeen verfoeid werd, kon hij gebruikt worden als toetssteen. De sympathie voor het Chinese communisme was begin de jaren 70 vrij algemeen verspreid; het was toen zaak om de modevolgers af te stoten en een kern van fanatici aan te trekken: de rots waar je een partij op kon bouwen.

 **** Over Noord-Korea is Jos kordater. Sympathisanten van Noord-Korea worden uit de partij gezet, zegt hij. Dat is een duidelijker breuk met het verleden. In 1997 reisde de voornoemde Mie Branders nog naar Noord-Korea om daar de kraamzorg te bestuderen en ze schreef er bij haar terugkeer – gelukkig is ze teruggekeerd – een lovend stuk over (hier).

maandag 5 augustus 2019

Leuke gedichtjes over Stalin


Toen ik twijfels kreeg over mijn communistische geloof, begon ik een aantal boeken te lezen die ik tot dan toe gemeden had. Twee daarvan waren Karel van het Reves Geloof der kameraden en Robert Conquests Great Terror. Een voordeel van die boeken was dat ze beter geschreven waren dan dan het soort dat ik daarvóór las. Ik heb zojuist nog eens gebladerd in dat Ludo Martensboek over Stalin. ‘De officiële woordvoerders van de Amerikaanse oorlogsmachine, Kissinger en Brzezinksi, hebben niets dan lof voor de werken van Solzjenitsijn en Conquest, die als bij toeval ook twee favoriete auteurs zijn van de sociaal-democraten, de trotskisten en de anarchisten.’ * Nou, nou. En zo gaat dat verder, zin, na zin, alinea na alinea, bladzijde na bladzijde, hoofdstuk na hoofdstuk.
    Wat Conquest en Reve schreven lag minder zwaar op de hand. En de twee schrijvers hadden nog meer gemeen. Het waren allebei grappenmakers. Reve schreef op de achterflap van zijn boeken lovende of kritische teksten die hij ondertekende met de naam van bestaande journalisten die hij  niet kon luchten. Conquest stuurde aan een vriend, de bekende dichter Philippe Larkin, een brief op briefpapier van de Zedenpolitie, waarin gemeld werd dat Larkins naam was aangetroffen op een adressenlijst van een in pornografie gespecialiseerde uitgeverij. Larkin, die net als Conquest een groot liefhebber was van pornografie, vreesde toen dat hij zijn baan zou verliezen als universiteitsbibliothecaris.
     Ook hebben Conquest en Reve allebei ooit hun mening over het communisme in dichtvorm gegoten.** Reve deed dat in 1948, in een sonnet dat hij opdroeg aan een fabriekseigenaar waarmee hij samen de Sovjet-Unie bereisde. De schrijver was toen zelf nog een halve communist, maar ironie had duidelijk al een eerste bresje geslagen. 

Gewend om links en rechts te commanderen 
En iedereen te zetten naar uw hand 
Waart gij te gast in ’t Rode Vaderland, 
Gij, Kind der Bourgeoisie, maar ’t kan verkeren
  
Gij zaagt met eigen ogen hoe de heren 
Van Stalins bent aan lieden van uw stand 
Schijt hebben tot en met. Tot aan de rand 
Vult u de weerzin tegen hun begeren
  
Om allen in het arm Moscovisch Rijk 
Te doen geloven dat het Koninkrijk 
Der Hemelen daar is. Zou dit hun wens 

Of ook de waarheid zijn? Wie zal het zeggen? 
Wij weten weinig. Is er soms één mens 
Die het Geheim der Schepping uit kan leggen?

       Conquest leverde zijn dichterlijke bijdrage in een limerick, een genre dat hij goed in de vingers had, vooral als het schunnige materie betrof. Die schunnige durf ik hier niet afdrukken, maar déze moet kunnen.  

“There was an old bastard named Lenin 
Who did two or three million men in. 
That’s a lot to have done in 
But where he did one in 
That old bastard Stalin did ten in.”

       Let erop dat niet alleen het metrum en het aabba-schema correct zijn, met dat ‘Lenin’ waar je moeilijk een rijmwoord op vindt, maar ook de aangehaalde cijfers, die Conquest zelf, als historicus, voor het eerst op een betrouwbare manier berekend heeft.


* Dat Ludo Martens hier de liberalen en conservatieven onvermeld laat, kan ik begrijpen. Hún gedachtegoed hield hem niet zo bezig. Maar waarom hij hier niets over de ‘fascisten’ zegt, dat vind ik vreemd. 

** Deze proeven van light verse staan natuurlijk niet op dezelfde hoogte als het beroemde gedicht van Mandelstam. (hier). Maar Reve en Conquest hebben dan weer niet, zoals Mandelstam, hun gedicht met hun leven moeten bekopen

maandag 21 mei 2018

Mei '68

     Mei 1968 viel voor ons in januari of februari van dat jaar. Ik zat in het eerste middelbaar, in het provinciestadje Menen. Tijdens de voormiddagpauze verscheen een groepje jonge mannen op de speelplaats. Ze vertelden ons dat ze studenten uit Leuven waren en ze vroegen of we mee wilden staken voor ‘Leuven Vlaams’.  Behalve een klasgenootje wiens vader lid was van de Volksunie, wist niemand waar ze het over hadden. Maar dat ‘staken’ leek ons wel wat. We trokken in een soort stoet naar de andere speelplaats, liepen daar een paar rondjes om het  plein, en riepen mee met de studenten. Leu-ven Vlaams! Leu-ven Vlaams! Misschien werden ook obscene dingen geroepen zoals Wa-len bui-ten! Als dat zo was, hoop ik dat het Paul Goossens indertijd niet ter ore is gekomen en dat hij nu dit stukje niet leest. Wat er ook van zij, na de rondjes trokken we weer naar het klaslokaal, want dat Latijn leerde zich niet vanzelf.
     Ik was in dat eerste jaar nog niet ‘politiek bewust’. Maar in het tweede jaar werd dat al anders. Ik kreeg vriendjes die wisten dat Rudi Dutschke en Cohn-Bendit ‘belangrijke leiders’ waren. In het derde jaar hadden we een jonge leraar die de Maartrevolte in Gent had meegemaakt en die ons kon vertellen dat in onze streken Ludo Martens zo’n grote leider was. Nog eens een jaar later – in 1971 dus – kon ik die dingen al zelf vertellen, want die Leuvense studenten kwamen af en toe nog eens terug om in kleine Menense lokaaltjes aan ons, scholieren, uit te leggen wat die Ludo Martens aan hén had uitgelegd: over de klassenstructuur van onze samenleving en het socialisme van Mao. Mei ’68 kwam daarbij soms ter sprake, maar in de ongunstige zin. Het was immers een ‘kleinburgerlijke’ beweging geweest, ‘spontaneïstisch’ ook. Maar gelukkig had een deel van de studenten zich van dat spontaneïsme afgekeerd, hadden ze zich ‘verbonden met de arbeidersklasse’, en bestond er daardoor een ‘nieuwe communistische partij in opbouw’. En nu werd er ernstig gewerkt aan de voorbereiding van de revolutie. Maar we moesten niet ongeduldig worden. Revolutie was een werk van lange duur. Het kon best vijf of tien jaar duren voor het zover was – tot 1976 dus of tot 1981. Of misschien duurde het nóg langer. Dat nóg langer konden we ons moeilijk voorstellen.
     We zijn nu geen vijf of tien, maar vijftig jaar later. De revolutie is er niet gekomen, maar er is wel veel veranderd. Het gezag is zachter geworden. De bedrijfsleider loopt met open kraag rond, draagt op vrijdagen een jeansbroek en laat zich door zijn werknemers aanspreken als ‘Jan’ of ‘Piet’. De schooldirecteur maakt geen aanmerkingen meer op het ongepaste schoeisel van zijn leraren. En die leraren zelf maken op de speelplaats een babbeltje met hun leerlingen alsof het hun vrienden zijn. De papa’s slaan niet meer en de mama’s kijven … ach dat nog wel, geloof ik. Maar ’t is allemaal meer ontspannen, minder verkrampt. Het leven is een stuk aangenamer geworden voor werknemers, leraren, leerlingen en kinderen. En op een andere manier soms ook niet.
     Hebben die veranderingen iets te maken met de vermaarde ‘geest van mei ’68’? Iets, allicht, maar veel zal het niet zijn. Zonder die vlugschriften, spandoeken, toespraken, betogingen, ‘volksvergaderingen’ en maoïstische groupuscules zou de verslapping der zeden ook wel opgetreden zijn. In het ene land waren de studenten roerig en in het andere hielden ze zich rustig – veel verschil heeft dat voor de verdere ontwikkeling niet uitgemaakt. En ’t zelfde geldt voor al die andere veranderingen die aan mei ’68 gekoppeld worden. Die zouden er zonder die paar maanden oproer ook wel gekomen zijn: de ‘inspraak’, de daarmee samenhangende vergadercultuur, de verlinksing van de intelligentsia, de nivellering van het onderwijs, de vervrouwelijking van het openbaar leven, de nieuwe politiek correcte bekrompenheid.
     Er is onlangs, geloof ik, nogal wat verschenen over de hele historie. Zelfs Paul Goossens, die toch moeizaam naar woorden zoekt, heeft een boekje uit waarin hij ‘komaf maakt met de karikaturen die conservatief Vlaanderen maakt van de erfenis van 1968’* en waarin hij ‘de hypocrisie van de conservatieve restauratie blootlegt’. Eddy Daniëls heeft er op Doorbraak een paar smalende woorden aan gewijd zonder het eerst te lezen. Daarvoor kreeg hij – terecht – op zijn donder. Als penitentie heeft hij zich nu voorgenomen om het boekje alsnog te lezen. Mij zal zoiets niet gebeuren. Ik zal geen énkel van die boekjes lezen over de legendarische strijdbeweging en ik zal er ook niets over zeggen.
     In de plaats daarvan heb ik naar de dvd Leuven ’68 gekeken.** Mooie zwart-witbeelden. Jongensstudenten met dassen. Meisjesstudenten met opgemaakte haren. De Rijkswacht die betogers natspuit met een waterkanon. Prominenten die uitleggen waarom de Leuvense universiteit wel of niet moet worden gesplitst. Piet De Somer die er plezier in heeft. Walter De Bock die analyses maakt. Ludo Martens die geconcentreerd aan het lezen is. En al die Vlaamse studenten die als het moet van dat mooie Frans spreken, in lange fraaie zinnen, met correcte lidwoorden, geraffineerde subjunctieven en een aanvaardbare uitspraak. Behalve dan Paul Goossens.***

    

* Ik moet mijzelf geweld aandoen om de onwelluidende zin in haar oorspronkelijke vorm te laten staan.
** Ondanks de titel had ik gehoopt dat de dvd ook beelden zou bevatten van Gent ’69. Ik wou graag nog eens zien hoe Ludo Martens aan een zaal vol studenten en studentinnen het historisch belang van één en ander uitlegt.
*** Marc Ernst meldt mij dat hij andere fragmenten van Paul Goossens beluisterd heeft en daar bleek zijn Frans wel behoorlijk.

zaterdag 24 maart 2018

Liegt John Crombez?

     Ik behoor niet tot de jongens die bij mooi lenteweer de blauwe lucht afspeuren naar straaljagers. Als ik er toevallig een paar zie, grom ik alleen goedkeurend : ‘The fair weather brings them out.’ Maar dat is maar een spotternij. Een van de redenen waarom ik geen minister van Defensie wil worden is dat je dan een paar keer moet meevliegen met zo’n tuig, zodat de kranten daar een foto van kunnen publiceren. Maar ik word al misselijk in een tuimeltrein op de kermis.
     De rel rond de straaljagers is mij dus goeddeels voorbijgegaan. Wat Van der Maelen gezegd heeft, en wat Van de Put geantwoord heeft en wie wat verzwegen of gelekt heeft, ik heb er weinig mee. En dan struikelde ik op Facebook over een boodschap van John Crombez. Wat zou jij doen met 15 miljard euro, vraagt John: 1100 nieuwe scholen bouwen of een stel gevechtsvliegtuigen kopen van het F-35-type? Met een hartje en een boos gezichtje maakt John duidelijk wat híj zou doen als het van hem afhing.
     Dat berichtje was niet helemaal in de haak. Ik zal niet zeggen dat John liegt. Als John beweert dat nieuwe scholen hem blij maken en dat  hij droevig of boos wordt van gevechtsvliegtuigen, dan geloof ik hem op zijn woord. De zielenroerselen van John zijn zijn eigen zaak. Every man’s duty is to his king, but every man’s soul is his own, zei de Bard. Of wil John met zijn hartje en zijn boos gezichtje suggereren dat hij nooit in een regering zou stappen die gevechtsvliegtuigen of oorlogshelikopters koopt? Dat is wat anders. Het zou me, in het licht van 70 jaar na-oorlogs socialisme, heel erg verwonderen, maar het kan. Toch wordt het bericht nog altijd geen leugen als John volgende keer met zijn partij in een regering stapt die zelf ook vliegtuigen van het F-35-type bestelt, of van een ander type dat beter in de smaak valt van zijn Waalse kameraden. John zou in die regering nog altijd boos of verdrietig kunnen zijn.
     Het is iets anders wat me stoort. John spreekt van 15 miljard. Waar haalt hij dat nu weer vandaan? Die nieuwe vliegtuigen zijn begroot op 3,5 miljard. Met 3,5 miljard kun je ook veel scholen bouwen, maar toch heel wat minder dan met 15 miljard. Hoe kom je nu aan een verschil van 15 - 3,5 = 11,5 miljard, vroeg ik mij af. Professor Luc De Vos, een man van grote pedagogische bekwaamheid, legt het mij allemaal netjes uit in Het Laatste Nieuws van vandaag. Die 3,5 miljard, zegt hij, is de aankoopprijs van de vliegtuigen; die andere 11,5 miljard, dat zijn kosten voor ‘opleiding, training, onderhoud, infrastructuur van de twee basissen en alle lonen van de manschappen die zich [de volgende 40 jaar] met de straaljagers [gaan] bezighouden.’ De Vos had deze keer voor zijn uitleg zelfs geen aanwijsstok of zandbak nodig. Ik had het begrepen. Die 11,5 miljard ‘verschil’, dat is de som die we ook moeten uitgeven als we met veertig jaar oude F-16-toestellen blijven vliegen. Het is een som die dus helaas in geen geval naar nieuwe scholen gaat.
     We moeten niet elk cijfer van De Vos als onbetwistbare waarheid aannemen. Tegenstanders van de F-35 betogen dat de tuigen, met nieuwe opleiding en software eerder 5,3 miljard zullen kosten dan 3,5 miljard. Dat lijkt mij heel goed mogelijk. Alles kost uiteindelijk meer dan je begroot hebt. Dat zal overigens ook wel zo zijn met de 1100 scholen van Crombez.
     Er is nog iets. Zo’n berichtje als dat van Crombez geeft je onbewust de indruk mee dat er veel te veel geld gaat naar leger, soldaten en kazernes en veel te weinig naar onderwijs, leraren en schoolgebouwen. Is die indruk juist? Ik heb voor de zekerheid de cijfers eens opgezocht. We geven jaarlijks ongeveer 4 miljard uit aan het leger, en 19 miljard aan het onderwijs. Een verhouding van één of vijf. Nu kun je zeggen: dat eerste is nog altijd te veel en het laatste nog altijd te weinig. Best mogelijk. Ik weet dat niet. Als iemand zegt dat we geen énkele euro moeten uitgeven aan het leger, zal ik daarover niet redetwisten. Legeruitgaven zijn een onderdeel van een internationaal spel, met onbetrouwbare bondgenoten en mogelijke vijanden, een spel dat als doel heeft om een volgende oorlog zo lang mogelijk uit te stellen. Ik heb daar niets over te melden. Komen die onderwerpen op tafel, dan druk ik mijn snor. ’k Ga meteen low profile en je krijgt me niet uit mijn tent. Maar ’k heb wel graag de goede cijfers.
     Er zijn eigenlijk twee soorten cijfers die ik vervelend vind. De eerste zijn de cijfers die in een eindeloze stroom op je worden losgelaten. De vroegere PVDA-voorzitter Ludo Martens was daar goed in. Bij zo’n 1-meiredevoering van hem werd je ondergedompeld in een zee van cijfers waarin zelfs een vis zou verdrinken. En de tweede zijn de geïsoleerde cijfers, cijfers zonder context die je als leek moeilijk kunt plaatsen: 15 miljard voor gevechtsvliegtuigen, een pensioenschuld van 1500 miljard euro … Daar heb ik niet veel aan. Die cijfers zijn meestal niet gelogen, maar zij zijn vaak wel bijzonder goed gekozen, en niet altijd van die aard dat ze de zaken verhelderen.
     Ik voor mij heb liever cijfers van gehelen.* En als het over geld gaat, mogen die liefst met het bruto binnenlands product vergeleken worden. Het budget voor ontwikkelingshulp is geloof ik 0,5 procent van het BBP. Het defensiebudget is  0,91. Het onderwijsbudget is 4,4 procent. En dat van pensioenen is 11 procent. Van die vier zal vooral het laatste nog flink stijgen in de komende jaren.

* Ooit vond ik leuke cijfers over de verdeling van de rijkdom in Nederland. De 10 % rijksten verdienen er 30 % van alle inkomens, bezitten 55 % van alle vermogens en betalen 70 % van alle belastingen. Zulke cijfers kan ik onthouden. Zouden die voor ons land ook te vinden zijn?