Posts tonen met het label Koen Daniëls. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Koen Daniëls. Alle posts tonen

woensdag 18 januari 2023

Ben Weyts en het Nederlands van de kleuters


   Ben Weyts heeft in wezen gelijk over de ouderlijke verantwoordelijkheid bij de taalontwikkeling van hun kinderen. In mijn lessen over taalontwikkeling stelde ik mijn leerlingen gerust: ze konden niet veel fout doen. Als ze babytaal spraken tegen hun kinderen, zoals moeders vaak doen, dan was dat goed; spraken ze volwassenentaal, zoals vaders vaak doen, dan was dat ook goed. Spraken ze weinig, dan was dat genoeg; spraken ze veel, dan was dat nog beter. Alleen moesten ze ervoor zorgen dat de radio en televisie niet de hele dag aanstonden, zodat de baby’s en peuters woorden en zinnen konden horen zonder andere stemmen als chaotisch achtergrondgeluid.
     Maar Weyts verwees natuurlijk naar de bijzondere situatie van migrantenkinderen die, na de schooluren, geen Nederlands meer te horen krijgen. Mijn Facebookvriend Simon Gelten vat het zo samen:

 ‘Veel leerlingen waarover het nu gaat, groeien op in een gezin waarvan de ouders nauwelijks Nederlands spreken, ongeletterd zijn, en in veel gevallen ook nog een taal spreken (Tamazight/Berbers) die slechts beperkt op schrift is gezet. Ze groeien dus op in een linguïstische chaos, thuis Berbers en op school Nederlands, terwijl het Arabisch via de satelietzenders binnenkomt. Op straat wordt vaak onderling een soort mengtaaltje gehanteerd. Dat die situatie verre van ideaal is, zal wel duidelijk zijn. Ik begrijp dat men daar vanuit de politiek iets aan wil doen.’

      De vraag is alleen: wát kan de politiek hieraan doen? Mijn antwoord is: weinig. Het voorstel van Weyts om met financiële sancties te dreigen is geloof ik geen oplossing om veel redenen: politieke onhaalbaarheid, praktische onuitvoerbaarheid, bedenkelijke ethiek en voorspelbare ondoeltreffendheid. Ik had daar oorspronkelijk nog willen aan toevoegen: juridische onmogelijkheid, maar dat klopt niet helemaal. 
    Het ballonnetje van Weyts wordt vaak voorgesteld als een voorstel om te snoeien in het ‘groeipakket’, het vroegere kindergeld, en dat is inderdaad juridisch bijna onmogelijk. Het groeipakket is een onvoorwaardelijk recht voor elk kind dat voor minstens 3 maanden verblijfsrecht heeft in ons land. Maar het gaat in het voorstel van Weyts om iets anders: de schooltoeslag. Dat is een soort studiebeurs voor kleuters en kinderen uit gezinnen met lage inkomens. Die toeslag bedraagt 108 euro voor de kleuterschool en tussen 125 en 253 euro voor de lagere school. Daar zijn echter wél voorwaarden aan verbonden, zoals een pedagogisch engagement van de ouders. Een kind dat vaak afwezig is, verliest het recht op schooltoeslag voor het daaropvolgende jaar. Juridisch moet het mogelijk zijn om door nieuwe wetgeving strengere voorwaarden op te leggen.
     Maar mijn andere bezwaren tegen het voorstel-Weyts blijven. De politieke onhaalbaarheid is het makkelijkst om vast te stellen. CD&V, Open-Vld, Vooruit en Groen hebben zich onmiddellijk tegen het voorstel uitgesproken, en echt veel instemming van N-VA-kant heb ik nog niet gezien. 

     Bij de praktische onuitvoerbaarheid denk ik aan het lijstje dat Koen Daniëls, partijgenoot van Ben Weyts, opgesteld heeft –  een lijstje met voorstellen hoe ouders hun kind kunnen helpen met de taalontwikkeling van het kind. De ouders kunnen 

  •       interesse tonen in het Nederlands*
  •       met hun kind Nederlands oefenen 
  •       ingaan op schoolinitiatieven om het Nederlands te verbeteren
  •       Ketnet opzetten op tv 
  •       hun kind naar een Nederlandstalige sportclub, jeugdbeweging of jeugdhuis sturen 
  •       hun kind meenemen naar de bibliotheek 
  •       hun kind inschrijven in zomerscholen.
     Ik vind dat één voor één prachtige voorstellen, maar ik zie niet in hoe men op een redelijke manier kan controleren en evalueren of ouders dat nu doen of niet. Daniëls maakt daarbij de typische fout dat hij het probleem eerst erg groot voorstelt en daarna weer onderschat als het op oplossingen aankomt. Eerst schrijft hij dat in sommige grootsteden 1 op 3 kleuters onvoldoende Nederlands kent om lager onderwijs te volgen. Maar wat verder schrijft hij: ‘Helaas is er een beperkte groep ouders die niet aan de zijde van leerkrachten en school het Nederlands mee stimuleert.’ Kijk, als het echt om een beperkte groep ging, dan zouden er geen problemen zijn met 1 op 3 kleuters in de grootsteden. In werkelijkheid gaat het om tienduizenden gezinnen waar geen van de hierboven vermelde voorstellen in de praktijk worden gebracht. Gaan we bij die tienduizenden gezinnen één voor één gaan controleren of Ketnet opstaat, dan een mondelinge waarschuwing geven, dan een schriftelijke, enzovoort? En hoeveel kinderen zullen dáárdoor beter Nederlands praten?
     Ethisch is het voorstel van Weyts te kaderen in het verhaal van rechten en plichten, en in dit geval van speciale rechten en speciale plichten. Ik weet dat dat een ethische formule is die voor velen aanvaardbaar is. Paul Collier, die ik in migratiemateries heel hoog inschat, redeneert ook binnen dat kader. De redenering gaat zo. Nieuwkomers en de kinderen van nieuwkomers hebben speciale noden, bijvoorbeeld taalontwikkeling. Die speciale noden creëren speciale rechten, namelijk dat de staat, langs de scholen, extra geld vrij maakt voor taalontwikkeling. Het nieuwkomerskind met taalproblemen wordt daardoor meer gesubsidieerd dan een ‘oudkomers’-kind zonder taalproblemen. Maar die speciale rechten, zo gaat de redenering verder, doen speciale plichten ontstaan. Een ‘oudkomer’ zoals ik kan zelf beslissen of hij zijn kind naar de jeugdbeweging stuurt, of naar de Simpsons laat kijken, of ermee op vakantie gaat naar New-York; de nieuwkomer daarentegen heeft de plicht zijn kind bij een jeugdbeweging in te schrijven, naar Ketnet te laten kijken, en naar een zomerschool sturen – waardoor de jaarlijkse vakantie naar Marokko niet kan doorgaan.
     De hierboven geschetste speciale rechten en plichten zijn op zichzelf, als een soort vrijwillige afspraken, als louter morele rechten en plichten dus, heel redelijk. Maar als ze een dwingend karakter, krijgen verliezen ze die redelijkheid**. Ik vind niet dat het migrantenkind een dwingend recht heeft op meer subsidie en speciale taallessen; ik zie wel het maatschappelijk nut van zo’n subsidie: hoe sneller de integratie via taal verloopt, hoe beter voor iedereen, en dus ook voor mij. Ik ben vóór die subsidie, niet omdat ze een afdwingbaar recht is, maar uit welbegrepen eigenbelang. 
     Omgekeerd heeft het weinig zin om tegenover een recht dat geen recht is een plicht te stellen die geen plicht is. Zijn de migrantenouders eigenlijk wel vragende partij voor de extra demarches die de school doet voor taal? Of worden die aan hen opgedrongen zonder dat ze erom gevraagd hebben? Als ze echt het recht op extra taalonderwijs opeisten, dan zou dat betekenen dat ze inzien dat die in hun eigen belang is en in dat van hun kind, en dan zouden ze niet op de voorstellen van Weyts en Daniels wachten om zelf, naar godsvrucht en vermogen, iets aan de taalontwikkeling van hun kinderen te doen. Maar dat inzicht ontbreekt, en dat probeert men op te vangen met een discours over plichten, dat dan ondersteund moet worden met sancties, zoals ‘rechten’ ondersteund worden met geld***. 
     Ik zou het ook zo kunnen zeggen: in deze materie zal dwang niet werken en preken niet helpen. De automatismen die aansluiten bij welbegrepen eigenbelang zullen langzaam, heel langzaam, moeten groeien. Ik voerde ooit een emaildiscussie met Sam Van Rooy van Vlaams Belang. Op een bepaald moment reed Sam mij klem met de vraag: ‘Geloof jij dan zo sterk in social engineering?’ Daar had hij mij goed te pakken. Nee, als ik eerlijk moet zijn, social engineering werkt niet, zeker niet op korte termijn, en al helemaal zeker niet als er een diepgaande culturele mentaliteitswijziging voor nodig is. Initiatieven als OKAN – onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers – werken goed als de integratiementaliteit op voorhand al aanwezig is bij ouders en kinderen, wat vaak het geval is. Maar in gezinnen waar men na drie generaties nog steeds de taal van het land van oorsprong spreekt, daar zit inzichtelijk en emotioneel iets fout dat niet snel zal veranderen. Daar ontbreekt het inzicht dat integratie noodzakelijk en wenselijk is. En die noodzaak en wenselijkheid worden des te minder aangevoeld als immigratiegemeenschappen omvangrijk en expansief zijn. Waarom je integreren in de Vlaamse gemeenschap als je al geïntegreerd bent in je eigen grote gemeenschap? Waarom Nederlands leren als je dat niet nodig hebt in je gezin, bij je vrienden, op straat, en in een uitgestrekt gebied van wijken die bijna je hele leefwereld omvatten? 
    ’t Zou voor onze bestuurders een goede reden moeten zijn om de immigratiegemeenschappen niet verder te laten groeien en om nieuwe vluchtelingen- en gezinsherenigingsimmigratie veel, veel strenger te beperken. De demografische groei van de migrantengemeenschappen zal nog wel even verder gaan, waardoor het taalprobleem eerst nog zal toenemen voordat het kan afnemen. En daarna moeten we hopen dat de tijd zijn werk zal doen. Heeft het zin om nog meer geld investeren in Nederlands in de kleuterklas, in OKAN, in taalklassen enzovoort? Zeker, alle beetjes helpen. En heeft het zin om de migrantenouders te ‘sensibiliseren’ voor het probleem? Ach, het kan geen kwaad. Het gebaar telt ook.

 

* Het is niet voor iedereen weggelegd, maar ze zouden ‘interesse voor het Nederlands’ kunnen laten zien door zelf die taal zo goed en zo kwaad als het kan te leren. Linguïstisch zou dat voor de kinderen niet veel voordeel opleveren, maar wel emotioneel. Iedere leraar die Frans onderwijst, en a fortiori Duits, weet dat het vaak emotionele barrières zijn die leerlingen tegenhouden om zich op die talen toe te leggen.

** Er zijn veel minder problemen als het om gelijke (en niet: speciale) dwingende rechten en plichten gaat. Zie volgende voetnoot.

*** Er is een andere versie van het rechten-plichtendiscours mogelijk. Die zou inhouden dat de schooltoeslag een recht is dat slechts toegekend wordt na een examen zoals vroeger gebeurde met het Fonds van de Meestbegaafden. Alle kinderen uit lage-inkomensgezinnen zouden dan in dit geval een taalexamen moeten afleggen. Wie niet slaagt, krijgt de toeslag slechts op voorwaarden van een af te spreken parcours. Mijn ethisch bezwaar valt dan weg; mijn andere bezwaren blijven.  

dinsdag 2 oktober 2018

Inhoudelijk sterker onderwijs - Trots op mijn vakbond

     De Christelijke Onderwijscentrale (COC) komt met een opmerkelijk standpunt naar voren. Voortaan zal de bond niet alleen meer ijveren voor betere arbeidsvoorwaarden, maar ook voor een inhoudelijk sterker onderwijs. Ik ben daar erg blij mee. Natuurlijk heb ik op het einde van de maand graag een hoger loon, en aan het einde van mijn loopbaan een hoger pensioen. Maar ik ga daar niet graag voor in staking, want dat hoger loon en dat hoger pensioen moeten betaald worden door de hogere belastingsbijdragen van mijn buurman, en ik wil met die brave ziel geen ruzie. Maar inhoudelijk sterker onderwijs is goed voor iedereen: voor mij, voor mijn buurman en voor de kinderen van mijn buurman.
     In Het Nieuwsblad van 1 oktober geeft Koen Van Kerkhoven van de COC de krachtlijnen van zijn programma: gestructureerde kennis in plaats van ervaringsleren en competenties, klassikale lessen in plaats van groepswerk, discipline in plaats van eindeloze ‘gesprekken’, duidelijk afgebakende vakken gegeven door specialisten in plaats van allegaartjes gegeven door all-rounders. I second these motions. En ik ben blijkbaar niet de enige. Als zo’n vakbond die dingen zegt, dan moeten ze wel sterk leven aan de basis – om het jargon van de sector te gebruiken. De christelijke vakbond gaat hier immers in tegen wat de christelijke onderwijskoepel opdringt in leerplannen, omzendbrieven, bijscholingen en pedagogische richtlijnen.
     Ik heb de foto van Koen Van Kerkhoven eens goed bekeken, en die man lijkt mij van het redelijke type. Ik veronderstel dus niet dat hij álle vaardigheden wil bannen, élk groepswerk wil verbieden, of álle vakoverschrijdende initiatieven wil afschaffen. In sommige vakken zijn zulke methodes meer op hun plaats dan in andere. Sommige leraren hebben daar een speciaal talent voor. Sommige leerlingen vinden dat fijn. Maar die methodes moeten een aanvulling zijn, en kunnen niet het hoofdbestanddeel vormen van een gezonde didactiek. Het werd tijd dat iemand dat eens in ronde woorden durfde te zeggen. Dat iemand erop wees dat – pas op voor het cliché – de slinger veel te ver was doorgeslagen.
     Mijn cliché heeft zijn reden. Het wordt namelijk ook gebruikt in het nijdige commentaartje dat Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad van 2 oktober aan de nieuwe COC-koers heeft gewijd. Mijlemans beweert namelijk dat de COC op zijn beurt ‘de slinger enkele decennia terugslaat’. Hij gebruikt daarvoor een aantal onnozele beelden van ‘stofjassen’ en ‘ijzeren linialen’. Mijlemans geeft toe dat veel ‘onderwijsvernieuwingen’ hebben geleid tot ‘nivellering’, maar, zegt hij erbij, ze hebben ook gezorgd voor ‘nieuwe kansen’.  Dan denk ik bij mijzelf: over wélke onderwijsvernieuwingen heeft die idioot het eigenlijk? Hebben het ervaringsleren, het competentie-onderwijs, de groepswerken en de vakoverschrijdende obsessie gezorgd voor nieuwe kansen? Ik geloof het niet. En dát zijn nochtans de punten die de COC aanhaalde. Mijlemans stelt het voor alsof de bond tegen élke vernieuwing is. Dat is belachelijk. Zelfs ik ben niet tegen élke onderwijsvernieuwing.
     Mijlemans houdt verder een pleidooi voor een ‘opleiding op maat voor elke leerling’ en haalt daarbij het voorbeeld aan van Joris Janssens (17) een leerling die door ‘het watervalsysteem’ in het beroepssecundair onderwijs (bso) terechtkwam waar hij niet thuishoorde. Die leerling krijgt nu door de ‘nieuwlichterij’ van een ‘naamloos 7de jaar’ toch de kans zich voor te bereiden op hoger onderwijs en een studie in de Rechten. ‘In het klassieke model waartoe de COC zich bekeert, had hij die kans nooit gekregen,’ schrijft Mijlemans.’
     De onzin staat hier echt wel dicht opeengepakt. Het is om te beginnen al geen goed idee om het algemene onderwijsbeleid af te stemmen op de uitzonderlijke gevallen – zoals iemand die wil overstappen van het bso naar een Rechtenstudie. Je moet rekening houden met die uitzonderingen, je mag die mensen niet dwarsbomen, je moet er ruimte voor voorzien, maar je mag ze het algemene design van een systeem niet laten bepalen.
     Verder zou Mijlemans beter een keer toegeven dat de watervalregeling een broodnodig correctiemechanisme is in élk gezond onderwijsopzet. Een leerling die verkeerdelijk een zware studierichting kiest waarvoor hij de aanleg of de studie-ijver mist, moet de kans krijgen in een minder zware richting verder te gaan. Zulke verkeerde keuzes kunnen geminimaliseerd worden door meer informatie, door goede adviezen van de klassenraad of door een betere begeleiding. Maar de kans op verkeerde keuzes zal blijven staan. Of heeft Mijlemans nooit verkeerde keuzes gemaakt die hij achteraf moest corrigeren? Dat zou me verwonderen.
     Leerlingen kunnen hun verkeerde keuze ook in de omgekeerde zin maken. Ze kiezen dan voor een studierichting die niet zwaar genoeg is. Dat is wat Joris Janssens twee keer heeft gedaan: eerst toen hij van aso overschakelde naar Sociaal-technische wetenschappen en later toen hij van die richting overschakelde naar Kantoor. Ook dat zijn verkeerde keuzes die men achteraf moet kunnen rechtzetten. Elk initiatief dat die rechtzetting – de zogenaamde ‘zalmbeweging’ – vergemakkelijkt, kan op mijn goedkeuring rekenen. Een voorbereidend 7de jaar hoort daarbij. Zo’n jaar moet misschien niet, zoals Joris vraagt in een interview met Het Nieuwsblad, in héél Vlaanderen worden ingericht. Daar zullen waarschijnlijk te weinig kandidaten voor zijn. Maar het principe is gezond. Ongezond is alleen als men de zwaardere richtingen minder zwaar gaat maken met als enige doel om de zalmbeweging te vergemakkelijken.* En men mag evenmin van een school verwachten dat ze buitensporig veel investeert in begeleiding van zalmkandidaten, ten koste van de reguliere leerlingen. De zalm zal toch vooral op eigen kracht, met forse slagen van zijn staart, omhoog moeten zwemmen.
     Ook bazelt Mijlemans als hij beweert dat Joris in het ‘klassieke model’ zijn kans op hoger onderwijs zou hebben gemist. Dat is niet zo. Je kon in het verleden, net als nu, met een bso-diploma aan elke vorm van hoger onderwijs beginnen. Wij hebben op onze school een leerling gehad die rechtstreeks vanuit de beroepsopleiding Kantoor aan succesvolle Rechtenstudies is begonnen. Dat is een vergelijkbaar scenario met wat Joris voor ogen staat. Het komt niet elk jaar voor, maar gelukkig kómt het voor en wordt het niet door reglementen onmogelijk gemaakt.
     Mijlemans beweert dat ‘nieuwlichterijen’ nodig kunnen zijn om leerlingen toe te laten hun kansen te benutten. Ik zal dat niet tegenspreken. Maar mag ik er hem op wijzen dat het vaak net die ‘nieuwlichterijen’ zijn die die kansen vernietigen. Dat zien we ook in het dossier van Joris. Joris kreeg in zijn tweede jaar Sociaal-technische wetenschappen een B-attest. Hij had dat jaar ‘geen zin gehad om te studeren’. Hij had daar spijt van en wou het jaar overdoen, maar dat mocht niet van zijn moeder. Goed, dat is een zaak tussen moeder en zoon. Nu vraagt de oudere lezer zich wellicht af: als Joris spijt had van zijn verloren jaar, waarom probeerde hij dat niet goed te maken door aan herexamens mee te doen? Het antwoord zal de oudere lezer verbazen: de school liet dat niet toe. En waarom liet de school dat niet toe? Ook dat weet ik. Omdat die school bestookt werd met nieuwlichterijen vanuit Brussel, en één van die nieuwlichterijen was om géén herexamens meer te geven.**


* Dat was meen ik te weten de filosofie van de ‘gemeenschappelijke eerste graad’.
** Gelukkig is sinds kort in die herexamenskwestie – vooruit, nu we toch in clichés grossieren – de klok enkele minuten teruggezet. Koen Daniels van N-VA heeft daar een paar jaar kabaal rond gemaakt, en het heeft blijkbaar een beetje geholpen.

zaterdag 14 oktober 2017

De IQ-rel tussen N-VA en Groen

     Koen Daniëls (N-VA) heeft in het Vlaams Parlement voorgesteld om het onderwijsbeleid beter te evalueren en bij te sturen door IQ-metingen te doen bij leerlingen. Elisabeth Meuleman van Groen was tegen omdat ‘geen enkel kind herleid mag worden tot een cijfer’. Ik voelde mij persoonlijk door de discussie aangesproken omdat ik mij altijd zorgen heb gemaakt over mijn IQ.
     Nochtans studeerde ik aan de universiteit, behaalde de grootste onderscheiding – wat niet voor iedereen is weggelegd –, ik lees dikke boeken in vreemde talen, en als het meewil kan ik een leuk stukje schrijven. Dat zijn zaken die allemaal wel iets met intelligentie te maken hebben, maar ook weer niet zó veel. Toen ik mijn jongere broertjes de schaakregels uitlegde, waren zij mij na drie partijen al de baas in het spel. Voor wiskunde haalde ik altijd slechte punten. De voetnoot op bladzijde 239 van Anarchy, State and Utopia kan ik ook na herhaaldelijk lezen niet begrijpen terwijl alles nochtans heel duidelijk wordt uitgelegd en ik heel graag het verschil zou kennen tussen ‘envious’, ‘jealous’, ‘begrudging’, ‘spiteful’ en ‘competitive’. Dat is allemaal erg bedenkelijk.
     Naar wat ik ervan begrepen heb, is IQ een omstreden begrip. Je hoort soms de opmerking dat IQ niets anders is dan wat door een IQ-test gemeten wordt. Anderzijds schijnen de echte onderzoekers – zielkundigen, breinkundigen – het over veel zaken wél eens te zijn. Dat IQ in zekere mate wordt bepaald door erfelijkheid. Dat IQ bestaat uit verschillende geestelijke vermogens die redelijk goed met elkaar correleren. Dat IQ een vrij nauwkeurige voorspeller is van studieresultaten en verloop van beroepsloopbaan. Dat er verschillende soorten IQ-testen bestaan waarvan de ene meer en de andere minder op culturele voorkennis bouwen, maar dat de resultaten van die testen ongeveer gelijklopen.
    De aandachtige lezer zal mijn angstvalligheid hebben opgemerkt:  ‘in zekere mate’, ‘redelijk goed’, ‘vrij nauwkeurig’, ‘redelijk’. ‘t Is een discussie waar je voorzichtig bij moet zijn. Op een Facebookdraad las ik ergens: ‘Met wa zijt ge bezig? Zit uw IQ in uw gat of wa?’ Ik heb het leestekengebruik wat gefatsoeneerd.
     Een van de mentale hindernissen die we moeten nemen bij een IQ-discussie is dat we naar gemiddelden moeten leren kijken en de anekdotiek moeten loslaten. Ik heb zelf ooit zulke twee testen afgelegd: één in het Klein Kasteeltje, en één toen ik solliciteerde bij Sidmar. Van geen van die testen ken ik het resultaat. Maar ze waren wel voldoende om mij in het leger ongevraagd met een onderofficierenopleiding op te zadelen en om mij bij Sidmar een contract van onbepaalde duur aan te bieden. De twee organisaties hebben achteraf hun ongelijk ingezien. Toch geloof ik, met de legerleiding en de Sidmardirectie, dat, gemiddeld genomen, de kandidaten met goede testresultaten betere onderofficieren en betere Sidmararbeiders opleveren.
     Maar ter zake. Heeft Koen Daniëls van de N-VA gelijk als hij IQ-testen wil invoeren in het onderwijs?
     Zoals bij zoveel zaken is hier sprake van voor- en nadelen. Veronderstel dat die testen worden afgenomen en de resultaten worden meegedeeld aan ouders, leraren en kinderen. Dan is het wel even slikken als blijkt dat je IQ nogal laag is. Als ik een slechte wiskunde-toets aflegde, kon ik mijzelf troosten door te verwijzen naar mijn onoplettendheid in de les en mijn ziekelijke uitstelgedrag thuis. Bij een IQ-test ben je van zo’n troost verstoken. Je gedrag in de klas en thuis heeft er niet veel mee te maken. Misschien ga je als leerling, bij het nieuws van je lage IQ, nog minder uitvoeren daar voorheen.Want wat heeft het allemaal voor zin? Of stel: je hebt een heel hoog IQ. Je kijkt neer op je leraren. Je vertikt het om een boek open te doen want je bent al zo slim. Misschien ben je wel bang dat je de hoge verwachtingen niet zult kunnen waarmaken en word je onzeker. Ook dat is niet ideaal.
     En dan: hoe ga je ermee om als anderen je IQ kennen. Zeker als je competitief bent ingesteld (‘competitive’ – niet ‘jealous’ of ‘begrudging’), kan dat voor psychologische problemen zorgen. Ik veronderstel dat Koen Daniëls niet graag in het Vlaams Parlement rond zou moeten lopen met een kaartje op zijn jas gespeld dat zijn IQ aangeeft. ‘t Zou trouwens ook bedreigend zijn voor mensen buiten dat Parlement. Je moet er niet aan denken dat de partij van je voorkeur (N-VA, Groen, enzovoort) toevallig de partij is die de laagste intelligentiescores heeft, terwijl de partij die je hartsgrondig veracht (N-VA, Groen, enzovoort) uit allemaal bollebozen bestaat.
     In het bijzonder voor het onderwijs zie ik naast de nadelen van IQ-meting ook twee voordelen. Uit cijfers van bijvoorbeeld het Rekenhof blijkt dat kinderen uit kansarme middens gemiddeld slechter presteren in het onderwijs. Men meet die kansarmoede vaak aan het opleidingsniveau van de moeder. Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om te begrijpen dat een kind uit een kansarm gezin minder goed wordt voorbereid op het schoolse leren, en minder ondersteund wordt. Hier zouden IQ-tests kunnen helpen om de begaafde kinderen uit de kansarme gezinnen op te sporen. De Centra voor Leerlingen Begeleiding (CLB) zouden die kinderen in het vizier krijgen die ondanks hun slechte punten op school toch over een behoorlijk IQ beschikken. Dan moet zo’n centrum die kinderen niet oriënteren naar een beroepsopleiding terwijl ze eigenlijk een theoretische richting aankunnen. Het is natuurlijk mogelijk dat ook de IQ-test van een kansarm kind negatief beïnvloed wordt door zijn kansarme milieu. Dan worden de échte capaciteiten van dat kind alweer niet goed weergeven. Maar de vertekening door de IQ-test zal nooit zo erg zijn als die van de schoolresultaten waar vooraf opgedane kennis en vaardigheden een veel grotere rol spelen.
     We gingen hier uit van een scenario waarbij de resultaten van een IQ-test beter zijn dan die van het schoolrapport. Het omgekeerde kan zich ook voordoen. Maar dàt hoeft geen probleem te zijn. Als een leerling, kansarm of niet, door hard werken, betere punten haalt dan zijn IQ voorspelt, dan is er, vind ik, geen reden waarom het CLB hem een lagere opleidingsvorm zou aanpraten. Bovendien wil het IQ op die leeftijd nogal eens schommelen.
     Het tweede voordeel van een IQ-meting is zowel van wetenschappelijk als van beleidsmatig belang, en hier kom ik op het terrein van Daniëls en Meuleman. Je kunt haast geen stuk over het Vlaamse onderwijs lezen, of er wordt gemeld dat de schoolse kloof tussen kinderen uit hogere en lagere sociale milieus te groot is. Extreme gelijkheidsdenkers beweren dat ons schoolsysteem die kloof veroorzaakt, terwijl hun meer gematigde collega’s beweren dat de school onvoldoende doet om die kloof weg te werken. ‘t Komt geloof ik op het zelfde neer. De twee groepen bepleiten een grondige hervorming van het onderwijs om ‘de kloof weg te werken’. Maar wat als de kloof het gevolg is van de ongelijke verdeling van IQ over de verschillende lagen van de bevolking? Wat als de democratisering van het onderwijs in de jaren zestig de intelligentste elementen uit de laagste klasse heeft afgeroomd en doorgesluisd naar de hogere klasse, waardoor de lagere klasse nu – gemiddeld! – minder intelligente kinderen in haar rangen telt dan vroeger?
     Ik schreef: wat als? – ik weet niet óf het zo is. Ik heb de democratisering van het onderwijs van dichtbij meegemaakt. Arbeiders- en boerenzonen van mijn klas leerden door om leraar, arts, advocaat of ingenieur te worden. Dat gebeurt vandaag niet meer op die schaal en ik geloof dat dat door het afroomeffect komt. Maar ‘t is niet veel meer dan een geloof. Het zou eigenlijk eens onderzocht mogen worden, met de IQ-meting van Daniëls bijvoorbeeld.
     Mocht de meting er komen, dan doe ik graag de volgende belofte aan al mijn bloglezers. Als mijn vermoeden weerlegd wordt dat in kansarme gezinnen het gemiddelde IQ lager is – als met andere woorden blijkt dat het gemiddelde IQ daar even hoog is, of, wie weet, zelfs hoger dan in andere gezinnen, dan zal ik die bevinding niet alleen aanvaarden maar ook toejuichen. En allerlei toekomstige initiatieven om de schoolse kloof te verminderen, waar ik nu tegen ben, zal ik dan omarmen, ook al omdat ik dan gepensioneerd zal zijn en het er dan niet meer zo op aan komt.
     Ik vraag me alleen af of Groen, Rood en Tsjeef hetzelfde zullen doen als hùn vermoeden weerlegd wordt. Als blijkt dat de gemiddelde schoolachterstand van kansarme kinderen wel degelijk verklaard wordt uit hun minder theoretische aanleg. Zal men dan in die hoek bereid zijn om daar conclusies uit te trekken? Zal men bereid zijn om egalitaire utopieën te laten varen?  Zal men bereid zijn om realistische plannen uit te werken om kinderen vanaf hun werkelijke niveau zo hoog mogelijk mee te trekken.
     Ik denk het eigenlijk niet. Groen, Rood en Tsjeef zullen zich weren als een kat in de krullen om ervoor te zorgen dat de meting er niet komt. Dan moeten er ook geen conclusies worden getrokken.



Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zondag 17 september 2017

# Opkuisen

     In Keerbergen, waar ik woon, zie je ze niet vaak, maar in de Brusselse Noordwijk schijnt er een probleem te zijn met transitmigranten. In het Maximiliaanpark, lees ik, verblijven er tussen de vijfhonderd en zeshonderd van die mensen. Ze hebben geen verblijfsvergunning, sterker nog, ze willen geen verblijfsvergunning – ze willen alleen doorreizen naar Groot-Brittannië waar ze, helaas voor hen, niet welkom zijn.
     Zo’n situatie is niet gezond. Die vluchtelingen kunnen nergens terecht. Ze zoeken elkaar op, er komen er meer en meer, en voor je het weet krijg je zoals in Calais onhoudbare toestanden. En onhoudbare toestanden, dat weet iedereen, kunnen heel lang aanhouden. Dat kan dan weer leiden tot ‘overlevingscrimininaliteit’ waarbij de verschoppelingen der aarde brave burgers overvallen om een brood te stelen, zoals in een 19de-eeuws melodrama.  Dat is niet leuk als het om jouw brood gaat, dat je net bij de Turkse bakker om de hoek hebt gekocht. Je hebt genoeg geld om een tweede brood te kopen, maar daar gaat het niet om. De overval geeft je een gevoel van onveiligheid – hetzelfde gevoel van onveiligheid waar de transitmigranten ook onder lijden en dat volgens dr. Stephanie De Maesschalck leidt tot een verstoorde lichamelijke ontwikkeling, een versneld genetisch verouderingsproces, diabetes, angstaanvallen, depressies en slaapstoornissen. En dat is niet alles. In de buurt van zo’n transmigrantenpark kunnen hardvochtige kapitalisten opduiken – alweer zoals in een 19de-eeuws melodrama – aasgieren op zoek naar rechteloze vluchtelingen die ze dan aan een heel laag loon tewerkstellen terwijl ze tegelijk geen cent aan sociale bijdragen betalen.
     Hier moet worden opgetreden, zullen velen onder mijn lezers denken, menselijk, binnen de wet, maar kordaat. En dat betekent onder andere dat af en toe een groepje transitmigranten in het Maximiliaanpark moet worden gearresteerd. Theo Francken heeft in een tweet verslag gedaan van zo’n arrestatie en daar de hashtag ‘opkuisen’ aan toegevoegd. Na protest van alle kanten heeft hij de hashtag nader verklaard: ‘Ik kuis geen mensen op. Ik kuis problemen op.’ En voor de zekerheid heeft hij de hashtag verwijderd. Maar dat soort excuses overtuigt niet en de negatieve reacties bleven komen.
     Bij die negatieve reacties kan ik mij het beste vinden in die van Mark Van de Voorde, oud-hoofdredacteur van Kerk en Leven en gewezen speechschrijver van Yves Leterme en Herman Van Rompuy.  Van de Voorde geeft in ronde woorden toe dat er inderdaad een probleem is. Hij schrijft dat er ‘iets moet worden gedaan opdat de overlast aan het Brusselse Noordstation eindigt.’ En hij onderkent de complicatie van migranten die hier verblijven maar die hier geen asiel willen aanvragen. Je zou kunnen zeggen dat de opvattingen van Van de Voorde,  van Francken en van mij tot daar overeenkomen. Maar er zijn ook verschillen. Van de Voorde vindt het woord ‘opkuisen’ ongepast hard taalgebruik en dat vind ik ook, maar Francken blijkbaar niet. Verder meent de oud-hoofdredacteur dat met het woord ‘opkuisen’ de transitmigranten worden gelijkgesteld aan ‘zwerfvuil’. Dat vind ik dan weer een overhaaste conclusie.
     Of Francken transmigranten echt voor zwerfvuil aanziet,  kunnen Van de Voorde en ik niet weten. Slechts de Allerhoogste heeft het vermogen om hart en nieren te schouwen. Wat we wel weten is dat het stoere taalgebruik van Francken behoort tot een bepaald soort politiek spel dat door velen wordt gespeeld. Enige tijd geleden sprak Caroline Gennez over leerlingen uit het beroepsonderwijs als over ‘jongens met vuile handen’. Zelfs onze zachtaardige minister van Onderwijs vergeleek nog niet zo lang geleden slecht presterende leraren met ‘rotte appels’. ’t Is het soort kranige taal dat in een krantenkop terechtkomt, of, als soundbite, in het Het Journaal of in Het Nieuws.*
     Wat evengoed tot het politieke spel behoort, is de verontwaardigde reactie van politieke tegenspelers die de uitspraak zo ongunstig mogelijk interpreteren**. Als Francken twittert over ‘opkuisen’, twitteren oppositiepartijen en coalitiepartners over ‘de menselijke waardigheid’. Een linkse brildrager staat op en haalt de Lingua Tertii Imperii van Victor Klemperer uit de kast. En je ziet zoiets ook aan de andere kant van het politieke areaal. Toen Gennez haar uitspraak deed over de vuile handen verweet Koen Daniels haar dat ze een minachtende houding aannam tegenover een deel van de leerlingenpopulatie: ‘U blijft technische richtingen hier “de leerlingen met de zwarte handen” noemen. Hoe durft u?’ Daniels, die ik anders graag mag lijden, wist donders goed dat Gennez haar uitspraak niet minachtend had bedoeld. Maar de kans was te mooi om te laten liggen. Vooral omdat Gennez zich in haar tussenkomst zelf ook aan ergerlijke demagogie had bezondigd.
     Voor mij is dat allemaal niet nieuw. In 1973 was aan de middelbare scholen beroering ontstaan rond een plan om de legerdienst te vervroegen. Om de gemoederen van de Menense scholieren te bedaren kwam een heuse kolonel in de feestzaal van ons college uitleg geven over het plan. Op een bepaald ogenblik zei hij iets over paarden. Een medeleerling sprong verontwaardigd op en riep: ‘Hoe durft u ons met paarden vergelijken? Wij zijn geen paarden.’ Groot applaus was zijn deel.


* Dat die krachtige taal van ‘opkuisen’ en ‘vuile handen’ en ‘rotte appels’ – wat ook de bedoeling er van zij – ondertussen bij de bevolking een kwalijk beeld bewerkstelligt van transitmigranten, beroepsonderwijsleerlingen en leraren – dat zal ik niet ontkennen.

** De morele verontwaardiging die volgt op enkele sterke woorden van een politieke tegenstander – ’t is de norm. Het is het omgekeerde dat opvalt en een verklaring behoeft. Op de rotte-appelenuitspraak van onze minister van Onderwijs bijvoorbeeld is bij mijn weten weinig reactie gekomen. Toch is ook dat begrijpelijk. Geen leraar wilde de verdenking op zich laden dat hij zelf een slechte presteerder was. Niemand wou bij wijze van spreken voor rotte appel doorgaan. De christelijke vakbond was zelfs bijzonder mild. Misschien was het omdat de minister zelf tot de christelijke arbeidersbeweging behoort. Maar ‘t was niet de hoofdreden, geloof ik. Iemand die het politieke spel speelt, kijkt altijd verder dan de bewoordingen van een andere speler, ook al laat hij het anders voorkomen. In het geval van onze minister was het duidelijk. Iedereen begreep waarom ze zo’n stoere taal gebruikte. Het was om te verbergen dat zij niet van plan was om maatregelen te nemen tegen die slechte presteerders.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 2 september 2017

De Guimardstraat en de vrijheid van onderwijs

     Rond 1 september komen er in de krant stukjes die ik graag lees. Scribenten spreken dan hun vertrouwen uit in de ‘leraar voor de klas’. Crevits zegt in een interview dat de leraar meer ‘ruimte’ moet krijgen. Koen Daniëls vertelt aan ieder die het horen wil dat de leraar in zijn vrijheid wordt beknot en dat daar een einde aan moet komen. Het mooiste stuk vond ik dat van acht academici onder de sprekende titel: ‘Geef de klas terug aan de leraar’. Zulke zaken wil ik het hele jaar door lezen, want de vrijheid van de leraar is mij lief. Ik ben zelf leraar.
     Jammer genoeg legt mijn baas, Lieven Boeve, een andere klemtoon. Hij is ook voor vrijheid hoor, maar dan een beetje anders: ‘De vrijheid van onderwijs,’ zegt hij in De Standaard van 29 augustus, ‘heeft dus niet in de eerste plaats te maken met de vrijheid van de leraar om in de klas te doen wat hij wil (behalve de eindtermen dan), maar ligt bij het schoolbestuur dat onderwijs aanbiedt volgens zijn pedagogisch project.’ Juridisch gezien heeft Boeve hier gelijk, maar zelf bekijk ik de vrijheid van onderwijs graag wat breder. De vrijheid van de ouders om zelf een school te kiezen – wat Boeve trouwens ook aangeeft. De vrijheid van de Guimardstraat om scholen van de katholieke koepel te bestoken met richtlijnen en adviezen. De vrijheid van zo’n katholiek schoolbestuur om die richtlijnen fijntjes naast zich neer te leggen. De vrijheid van de leraar om zijn les, ondanks eindtermen en leerplannen, zo interessant mogelijk te maken. De vrijheid van de leerling om het allemaal even saai te vinden. Zoals ik al aangaf: die voorlaatste vrijheid is mij het liefste. Bij Boeve is dat anders. Als het over vrijheid gaat, heeft hij zelfs moeite om het woord leraar te gebruiken. Hij spreekt dan liever van lerarenteams.
     Rond de kwestie van de onderwijsvrijheid zijn Lieven Boeve en Koen Daniëls (N-VA) elkaar van de week in de haren gevlogen. Boeve verweet Daniëls dat die vanuit de overheid de vrijheid van het Katholiek Onderwijs dichtbetonneerde en Daniëls verweet Boeve dat die de vrijheid van het Katholiek onderwijs misbruikte om diezelfde vrijheid binnen zijn eigen scholenkoepel dicht te plamuren. Aanleiding van de discussie waren de eindtermen en de leerplannen – waar ik nu even niet op in ga. Maar de twee bouwkundige termen betonneren en plamuren werpen ook een algemenere vraag op: wat is het ergste voor het onderwijs: het koepeldirigisme of het staatsdirigisme? Het Katholiek Onderwijs Vlaanderen of het Vlaamse Parlement? De Guimardstraat of de Hertogstraat? Op die vraag heb ik geen principieel antwoord. Het is een kwestie van nuances, proporties en afwegen. Ik geloof, met Daniëls, dat het dirigisme van de Guimardstraat vandaag het ergste is, maar ik zou daarover niet graag in discussie gaan met iemand die het dossier kent, zoals Boeve.
     Een heel andere vraag is deze: welke van de twee soorten dirigisme – koepel of staat – is de gevaarlijkste? Daar heb ik wel een principieel antwoord op: dat van de staat. Als Boeve dus verklaart dat de typisch Belgische onderwijsregeling, met zijn netten en koepels, beoogt ‘het onderwijs te beschermen tegen al te grote overheidsbemoeienis’, dan ga ik, een beetje bedremmeld –  want ’t is nog altijd Boeve –, toch náást hem staan. Als hij daaraan toevoegt dat ook ‘democratisch verkozen overheden in de verleiding kunnen komen om de opvoeding van de kinderen ideologisch te sturen’, en dat hij, Boeve, daar tegen is, dan mompel ik zelfs stilletjes: bravo!
     Het gaat mij daarbij niet om wat de huidige bewoners van de Guimardstraat of van de Hertogstraat waard zijn. Van Boeve heb ik geen hoge pet op, maar misschien wordt hij opgevolgd door iemand met een gezondere kijk op het onderwijs. Wie weet? ’t Is ook mogelijk dat een volgend Vlaams parlement een rood-groene meerderheid heeft, met Caroline Gennez als minister van Onderwijs. Mocht dat laatste gebeuren, zou ik het in elk geval fijn vinden om dan onder de paraplu van de Guimardstraat te kunnen schuilen voor de stortvloed aan nivelleringsdecreten en bureaucratiseringsoekazes waar ik Caroline toe in staat acht. Als die paraplu dan tenminste openklapt.
     Ik geloof niet dat de vrijheid van ons onderwijs – voor ouders, schoolbesturen, leraren en kinderen – afhangt van de welwillendheid van 1-septemberscribenten en idealistische politici. Die vrijheid hangt minstens evenveel af van een ordening die door een gril van de geschiedenis vorm kreeg. De zogenaamde ‘schoolstrijd’ heeft er bij ons toe geleid dat een sterke en onafhankelijke katholieke koepel mee het onderwijslandschap bepaalt. Dat is een beetje bizar, want er bestaat tenslotte geen katholieke wiskunde,  geen katholieke fysica of geen katholiek Frans. Maar ook met gewone wiskunde, fysica en Frans heeft het katholieke onderwijs een dominante plek veroverd die zelfs door de moderne ontkerkelijking niet meteen wordt bedreigd.
     Wat daarentegen wel bedreigd wordt, is de vrije schoolkeuze – en ik leg straks uit wat die met de katholieke koepel te maken heeft. In De Standaard van gisteren lees ik op de eerste bladzijde een pleidooi van de professoren De Witte en Hindricks om de schoolkeuze van de ouders te ‘reguleren’. ‘Natuurlijk vinden ouders dat niet leuk,’ schrijven de professoren, ‘maar het draait niet alleen om hun keuze.’ Dat is dan fijn om te weten. En nog: ‘Wij zijn voorstanders van een inschrijvingsbeleid dat een sociale mix waarborgt.’ Ja, er kan altijd wel een grote kelder worden vrijgemaakt op een of ander ministerie waar een legertje bureaucraten en statistici bij kunstlicht de schoolgaande jeugd aan de verschillende scholen toewijzen volgens percentages die die van de maatschappij  weerspiegelen: zoveel jongens, zoveel meisjes, zoveel kinderen van éénprocenters, zoveel kinderen uit kansarme gezinnen, zoveel kinderen met migratie-achtergrond, waarop dan weer verder kan worden opgesplitst in Turken, Marokkanen, Berbers enzovoort, daarbij liefst ook rekening houdend met verschillen tussen eerste, tweede, derde en vierde generatie immigranten. Of willen de professoren het zover niet drijven en volstaat een grovere indeling van de categorieën en een ruwere schatting van de percentages? Dat maakt de zaak er niet beter op.
     Zulke verklaringen in de krant doen mij niet meer opschrikken. Ik verslik mij bij wijze van spreken niet in mijn koffie als ik zoiets lees, alhoewel ik nochtans stukjes schrijf. Het is volstrekt normaal dat maakbaarheidsprofessoren de vrije keuze van de ouders in vraag stellen. Het is volstrekt normaal dat nanny state politici door zulke professoren op ideeën worden gebracht. Het is bovendien volstrekt normaal dat sommige ouders dat allemaal niet eens zo erg vinden. Want zou de ene school nu zoveel beter zijn dan de andere? Getuigt het niet van zelfingenomenheid om je kind per se naar de beste school te willen sturen? En weet je als ouder dan welke school de beste is voor je kind? Trouwens, met een stelsel van administratieve toewijzing zouden er ook geen scholen meer zijn met te veel of te weinig leerlingen. En dan moeten ouders niet meer kamperen voor de schoolpoorten om er zeker te zijn dat ze hun kinderen nog kunnen inschrijven. En verder: het systeem van ‘gereguleerde schoolkeuze’ bestaat al in zoveel landen, en de treinen rijden daar nog altijd.
     Toch ben ik er redelijk gerust in dat, ondanks maakbaarheidsprofessoren en nanny state politici, de vrije schoolkeuze in ons land morgen nog niet wordt afgeschaft. Die gemoedsrust dank ik aan de Guimardstraat. De lui die daar vergaderen en richtlijnen schrijven, zijn in maakbaarheidsdenken gewaagd aan elke sociologieprofessor. Ze moeten niet onderdoen voor gelijk welke nanny state politicus als het erom gaat een betuttelende houding aan te nemen tegenover ouderlijke amateurs die, stel je voor, zomaar zelf beslissingen nemen over de opleiding van hun kind. Maar de lui van de Guimardstraat kunnen de vrije schoolkeuze van de ouders niet afschaffen of beperken. Als ze dat zouden doen, zouden ze immers tegelijk ook de vrijheid van hun eigen koepel in gevaar te brengen. Dat gaan ze niet doen, geloof ik, en daar ben ik blij om.
     Leve de Guimardstraat!

zaterdag 27 februari 2016

aso, tso en bso

Dimitri Tolstoi - De onderwijshervormer
die het niveau verhoogde
     In zaken van onderwijs ben ik behoudsgezind. Goede onderwijshervormingen bestaan, dat wil ik niet betwisten, en alles kan altijd beter. In 1871 hervormde minister Dimitri Andrejevitsj Tolstoi (1823-1889) het Russische onderwijs door meer wiskunde, meer klassieke grammatica en minder ‘praatvakken’ op het programma te plaatsen. Zijn onderwijshervorming kwam erop neer het onderwijsniveau te verhogen. Maar bij ons is het net of de wind van de hervorming toevallig altijd in de àndere richting waait.
     De vorige minister van Onderwijs was Pascal Smet. Die jongen doet nu iets in Brusselse regering. Smet had een groot plan om het verschil tussen algemeen secundair onderwijs (aso) en technisch secundair onderwijs (tso) in de eerste twee jaren van het middelbaar af te schaffen. Dat zou een ‘brede eerste graad’ worden. Na twee jaar, zei Smet, konden de leerlingen dan beter kiezen wat ze precies wilden studeren.
     Ik vond dat een heel slecht idee. Leerlingen met verschillende aanleg en interesses kun je in de lagere school nog samen in één klas houden, maar dat wordt leerjaar na leerjaar moeilijker. Het middelbaar is voor veel van die kinderen een bevrijding. Ze komen dan in klassen terecht waar het niveau weer gelijker is, en in zulke klassen leren de kinderen beter. Ik heb dat als leraar zelf vaak ondervonden en het blijkt ook uit onderzoek van echte geleerden (hier).

      Dat was nog niet alles. In Frankrijk staat bij een overweg meestal een bord met de waarschuwing: “Un train peut en cacher un autre”. Met onderwijshervormingen is het ook zoiets. Bij elke hervormingstrein die langskomt, staan de onderwijsexperts in Brussel klaar om hun eigen wagonnetje met oude nieuwigheden eraan vast te haken. De ‘brede eerste graad’ moest voor hen ook een grote inhoudelijke hervorming worden, met nieuwe lessen in economische en financiële aangelegenheden, sociale en burgerschapscompetenties, creativiteit en ondernemingszin, sociaal-emotionele ontwikkeling en relationele vaardigheden (hier). Zulke lessen, verkleuterd tot het niveau van twaalf- en dertienjarigen, nemen dan de plaats in, en bedreigen zo het niveau van, de bestaande lessen. Maar daar heb ik al eens over gezeurd (hier).
     De ‘brede eerste graad’ is er drie jaar geleden niet gekomen. Bart De Wever heeft toen iets geroepen in het latijn – tene quod bene, geloof ik – wat betekent dat men het goede moet behouden. Nu lees ik in Het Nieuwsblad van 26 februari dat de nva een ‘hardliner’ naar de onderwijscommissie stuurt, zekere Koen Daniëls, die het dossier verder ‘blokkeert’. Ik vind dat blokkeren prima.
      Een paar jaar geleden is men begonnen initaalwoorden te spellen met kleine letters. TV werd tv en DVD werd dvd. Dat kan ik billijken. Voortaan schrijf ik dus aso, tso, bso en kso. Zo behoudsgezind ben ik nu ook weer niet. Maar véél meer wil ik niet toegeven.