Posts tonen met het label Marc Reynebeau. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marc Reynebeau. Alle posts tonen

dinsdag 23 maart 2021

Reynebeau en Mohammed in Dantes Hel

 


     Ik had mij nog zo voorgenomen om de eerstkomende maanden te zwijgen over Marc Reynebeau*, en schrijft hij daar nu weer geen stuk over de nieuwe Dante-vertaling, die waarin de Mohammed-passage is geschrapt. Aangezien ik die passage in mijn lessen gebruikte, voel ik mij aangesproken. En aangezien Reynebeau de geschrapte passage niet citeert, doe ik het maar:

Als ‘t vat een middenstuk of bodemduig verliest
Vertoont het nooit een scheur als ik toen zag
Bij een die openspleet van kin tot gat.

Tussen zijn benen hing zijn ingewand
Hart, lever, long en ook die nare zak
Die alle voedsel weer in drek verandert.

Terwijl ik hem met aandacht gadesloeg
Keek hij naar mij, en trok met eigen hand
Zijn borst uiteen. ‘Kijk hoe ik mij verscheur.’

‘Kijk toe wat hier gebeurt met Mohammed.
Degene die daar huilend voor mij loopt,
Is Ali, zijn gezicht gekliefd van kin tot kuif. 

’t Is een van de vele sadistische passages uit de Hel.     
     Ik heb op het stuk van Reynebeau eigenlijk niet veel aan te merken. Hij houdt zijn mening voor zichzelf en geeft de woorden weer van vertaalster Lies Lavrijsen en uitgeefster Spiteri, die uitleggen waaróm de passage is geschrapt. Men wilde voor ‘jongeren uit andere culturen’ het muurtje afbreken dat hen zou tegenhouden kennis te  nemen van de ‘humanistische boodschap’ van Dante. ‘Het zou jammer zijn als die lezers door die passage op de tekst zouden afknappen.’
     Reynebeau schrijft alweer wat slordig. ‘Corrupte ... pausen boeten bij Dante, met immer brandende voeten bijeengepropt in een soort koker, voor het onheil dat ze hebben aangericht. Net als, onder zeer veel anderen, Judas, de moordenaars van Julius Caesar of homoseksuelen.’ Je zou hieruit kunnen besluiten dat ook Judas, de moordenaars van Julius Caesar en de homoseksuelen door Dante met brandende voeten  in een koker worden gepropt. Dat is niet zo: ze krijgen elk hun eigen soort straf, anders was de Hel een dun boekje geworden. Ook zou je kunnen denken dat die pausen allemaal samen in één koker ‘bijeengepropt’ zijn. Dat is alweer niet zo. Ze zijn elk in hun eigen koker begraven, het hoofd naar beneden, en met alleen de brandende voeten die boven de grond uitkomen. Het zorgt zelfs voor een grapje. Als Dante eraan komt, denkt een van de pausen, die niets kan zien, dat hij met een collega van doen heeft en roept uit: ‘Ben jij dat Bonifatius?’
     Eén zinnetje heeft Reynebeau erg knullig geformuleerd. ‘Dante blijft tenslotte, zoals een studie het samenvatte, een middeleeuwse gelovige met een beperkte culturele horizon.’ Spreken van de ‘beperkte culturele horizon’ van een zo universele geleerde als Dante, heeft iets potsierlijks, en spreken van ‘een’ studie, als men de oceaan van Dante-publicaties voor ogen houdt, heeft iets komisch. Maar als je het genereus interpreteert, is het waar wat Reynebeau schrijft: Dante wist allerlei belangwekkende zaken niet – over aardrijkskunde, sterrenkunde, geschiedenis en vreemde culturen – zaken die wij wel weten. En hij wist allerlei middeleeuwse zaken over godgeleerdheid die wij niet zo belangwekkend vinden. Onze culturele horizon verschilt inderdaad van de zijne.
     Voor een keer had ik van Reynebeau trouwens liever een commentaarstuk gehad, in plaats van een neutraal bericht waarin hij de meningen van anderen citeert. Wat vindt hijzelf van het schrappen van zulke passages? Karel van het Reve haalt de Mohammed-passage aan als voorbeeld om censuur en blasfemieverbod te hekelen. Als we zo beginnen, redeneert hij, moeten we op de duur nog een cultureel monument als Dante gaan censureren. Helaas, wat bij Karel van het Reve nog een reductio ad absurdum was, is ondertussen werkelijkheid.
    Reynebeau citeert verder een Italiaanse actiegroep die in 2012 vond dat Dante geen plaats had in het middelbaar onderwijs, ‘omdat hij racistisch, homofoob**, islamofoob en antisemitisch zou zijn’. Ook hier had ik graag de mening van Reynebeau gekend. Zelf ga ik niet akkoord met die actiegroep. Ik vind net als Lies Lavrijsen en Spiteri dat Dante de moeite waard blijft om aan jongere lezers aan te bieden. En ik vind zeker dat men daarbij de islamofobe, homofobe en anderszins verdachte passages niet uit de weg moet gaan. Die passages bieden juist een gelegenheid om het verschil te verduidelijken tussen de middeleeuwse ‘culturele horizon’ en de onze.
     Neem die homoseksualiteit. Kerk en staat beschouwden dat als een doodzonde en een misdaad, maar uit de Comedia blijkt dat er in Dantes tijd ook notoire homoseksuelen waren die blijkbaar hun straf pas kregen in het hiernamaals. Interessant hierbij is dat Dante de homoseksuelen in dezelfde hellekring plaatst als de bankiers. Die twee soorten mensen doen binnen zijn ‘culturele horizon’ iets tegennatuurlijks: seksuele betrekkingen hebben met iemand van hetzelfde geslacht, en interest aanrekenen terwijl iedereen weet dat geld niet vanzelf toeneemt en ‘geen jongen legt’ zoals Thomas van Aquino dat verwoordde. Dat is een mooie gelegenheid om die middeleeuwse inzichten te vergelijken met die van de hedendaagse biologie en economie.
     En kijk eens hoe Dante zijn homoseksuelen beschrijft:

Toen zag ik daar drie schimmen van een groep
Zich losmaken, al lopend naar ons toe
Beregend door de woeste martelvlammen

En ze begonnen weer, zodra wij stonden,
Hun oude klacht, en toen ze bij ons kwamen,
Gedrieën vormden ze een kring.

Als worstelaars geolied, naakt en glimmend
Die ‘t voordeel van hun eerste greep beloeren
Voordat het vechten echt begonnen is.

Zo draaiend, richtte ieder zijn gezicht
Naar mij toe; en in d’ omgekeerde richting
Bewogen steeds hun nekken en hun voeten …

‘k Begon: ‘Geen afkeer is ‘t, maar droefenis
Die ’k voel bij ‘t overschouwen van uw lot
Zo erg, dat ik die moeilijk kwijt zal raken …

      Is het niet enig hoe Dante de homo-erotische sfeer oproept, met die geoliede, naakte worstelaars in contrapost die elkaars lichamen beloeren? En is het mededogen dat hun straf bij hem oproept, niet ontroerend? Vertaalster Lies Lavrijsen spreekt van de ‘moderne humanistische boodschap’ van Dante. Dat gaat mij te ver. Ik wil niet zoals de vroegere Sovjetautoriteiten elke klassieke auteur annexeren als een ‘groot humanist’ en een ‘vooruitstrevend kunstenaar’. En of in de dertiende eeuw nu de Ghibellijnen dan wel de Zwarte Welfen, of misschien zelfs de Witte, waar Dante toe behoorde,  aan de goede kant van de geschiedenis stonden, dat weet ik niet. Ik ben in die twist strikt neutraal. Maar elke vorm van mededogen, waar die ook opduikt, is de moeite waard om even onder de aandacht te brengen van jongeren, tot welke cultuur ze ook behoren.


* Over Reynebeau schreef ik dus al enkele stukjes: hier, hier en hier

** Die beschuldiging van homofobie hoor je ook bij anderen. Op het Radio 1-programma ‘Nieuwe Feiten’ zei Tom Lanoye vlakaf: ‘Dante was een homofoob’. Ik ben geen Dante-kenner, maar dat lijkt mij fout. Dante plaatst homoseksuelen in de hel waar ze zich volgens de theologie van die tijd ook echt bevonden. In zijn ogen was dat een feitelijkheid. Maar als je Canto XVI leest, merk je dat hij de verdoemde homoseksuelen met heel veel sympathie tegemoet treedt. Hij wil hen voortdurend omhelzen. Die sympathie heeft hij ook voor sommige andere verdoemden, zoals voor overspelige minnaars, en hij wordt daarvoor vaak bekritiseerd door zijn reisgenoot Vergilius, die vindt dat zo’n mededogen een rebellie inhoudt tegen de wil van God. Maar bij de homoseksuelen is zelfs Vergilius blijkbaar niet erg verguld met het Godsbesluit. ‘Tegenover die mensen moet je hoffelijk zijn,’ zegt hij.
Lanoye vindt overigens dat de naam ‘Mohammed’ niet had moeten worden geschrapt. Hij noemt het zelfs een 
verminking. Hij wil er wel geen ‘cultuuroorlog’ voor opstarten, want uiteindelijk gaat het niet om een ‘officiële vertaling’ maar een ‘schoolproject’ en dat heeft hem ‘gerustgesteld’. Zulke fijne nuances vind je bij Lanoye, geloof ik, niet elke dag.

zondag 14 maart 2021

Woke met Marc Reynebeau

 


     Toen ik mij links en rechts aan het inlezen was over woke, stootte ik op enkele stukken van Reynebeau. In een van die stukken stelt hij wokeness voor als een ‘kinderziekte’ van een gezond lichaam, enkele kleine excessen  gedrapeerd rond een voor de rest voortreffelijke kern van verzet tegen racisme en vrouwendiscriminatie. Wat die kleine excessen zijn, zegt hij nergens.
     Dat woke als een ‘kinderziekte’ omschreven wordt, vind ik raar. De strijd tegen racisme en vrouwendiscriminatie is geen nieuw beweginkje dat in de kinderschoenen staat en weldra volwassen en verstandig wordt. De National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) werd opgericht in 1909. De Women’s Social and Political Union (WSPU) werd opgericht in 1903. De bewegingen bestaan al zó lang dat ze nu eerder aan een ouderdomsziekte toe zijn, na de gezonde, productieve jaren van een halve eeuw geleden.** Dat die ouderdomsziekte zich vooral manifesteert in wat Reynebeau ‘jonge, vaak hoogopgeleide activisten’ noemt, moeten we dan opvatten als het zoveelste grapje van schalks universum.
     ‘Kinderziekte’ suggereert verder dat de buikkrampjes en hoestjes van woke van korte duur zullen zijn. Reynebeau schrijft ook letterlijk het het snel in orde komt als de andere kant een ‘volwassen gesprek’ aangaat en begrip toont.*** Maar dat valt nog te bezien. Op de Amerikaanse campussen is woke al een hele poos aan de gang, hoezeer de academische autoriteiten zich ook inspannen om een  ‘volwassen gesprek’ ermee aan te gaan en hoeveel begrip ze er ook voor tonen – en oh, wat tonen ze begrip – het lijkt niet veel te helpen om de excessen te kalmeren.
   Zelf vind ik het altijd moeilijk om een onderscheid te maken tussen de kern van de goede zaak en de excessen die erbij komen kijken, vooral als men die kern begrijpt als de zelfverklaarde goede bedoelingen van de zaakvoerders. Bestond de kern van de Russische collectivisatie uit de modernisering van de landbouw of uit het uitroeien van de koelakken? Bestond de kern van de collaboratie uit de zoektocht naar Vlaamse onafhankelijkheid of uit de samenwerking met de nazibezetter? Bestaat de kern van de woke-beweging uit het beëindigen van alle discriminatie, of uit de onverdraagzaamheid, de censuur en het omgekeerde racisme? Op de eerste twee vragen ken ik het antwoord, want aan de vruchten kent men de boom. Bij de derde vraag heb ik een vermoeden.
    Het stuk van Reynebeau bevat veel vage, weinigzeggende gedeeltes waarin de goede woke-zaak beschreven wordt in algemene woorden: ‘inclusie’ versus ‘privileges’, verandering in ‘de machtsverhoudingen’, en ‘minderheden die erkend, gehoord, gezien, gepresenteerd en ernstig genomen willen worden’. Tja, als het zo vaag blijft ga ik akkoord, hoor. Weg met de privileges en leve de inclusie, en ik wil iedereen erkennen, horen, zien en laten representeren. Het ernstig nemen van de woordvoerders zien we later wel.
     Zelfs als hij de vertaling van Gormans gedichten aanhaalt, blijft Reynebeau vaag. Ik zoek vruchteloos naar een standpunt. Vindt hij nu wel of niet dat alleen een zwarte de gedichten van een andere zwarte mag vertalen? Want dat was toch de oorspronkelijke vraag, de vraag die het debat op gang bracht****. Dààr geeft Reynebeau geen antwoord op. Het enige wat duidelijk wordt – dan pas wordt hij concreet –  is dat hij het niet begrepen heeft op Bart De Wever. Díe informatie heeft geloof ik geen grote nieuwswaarde.
     Als polemist neemt Reynebeau het niet nauw. Wanneer De Wever het ‘waanzin’ noemt dat alleen zwarten in aanmerking komen om gedichten van zwarten te vertalen, vraagt Reynebeau zich of  ‘in zijn Europa’ – dat wil zeggen het Europa van De Wever – ‘alleen witte vertalers poëzie mogen vertalen?’ Een vooraanstaand intellectueel als Reynebeau zal mij begrijpen als ik zeg dat hij hier een erg sofistische implicatuur geconstrueerd heeft. In ronde woorden: ‘alleen witte poëzievertalers’, dat is toch écht niet wat De Wever bedoelt. Waarschijnlijk denkt Reynebeau dat hij met zijn suggestie wegkomt als hij ze als retorische vraag formuleert en ze drenkt in een sarcastisch sausje.
     Reynebeau citeert de volgende zin van Bart De Wever: ‘Beeld je in dat iemand zou zeggen dat een kleurling (sic) ongeschikt is om een blanke auteur te vertalen.’  Hier is de implicatuur wél eenvoudig. De Wever suggereert dat verzet tegen zwarten als vertalers van blanke auteurs, even schandelijk racisme zou zijn als het omgekeerde. Met díe suggestie is niks mis, zou je denken. Maar Reynebeau triomfeert. ‘[De Wever] hoeft zich dat niet in te beelden,’ schrijft hij, ‘zijn partijgenote en medestrijdster op het anti-woke front Assita Kanko deed het al voor.’
     Hoe nu? Heeft Kanko geschreven dat een zwarte ongeschikt is om een blanke auteur te vertalen? Of iets in die aard? Reynebeau citeert als bewijs een tweet waarin Kanko bezwaar maakt tegen de televisieserie Bridgerton, waarin zwarte acteurs rollen spelen ‘die meestal aan witte acteurs te beurt vallen’. Dat is een oneerlijke vergelijking en een al even  oneerlijke omschrijving van de Bridgerton-controverse. Het is alsof je  verontwaardigd zou spreken over films waarin ‘de rol van Martin Luther King  meestal te beurt valt aan een zwarte acteur’. Zelf had ik overigens weinig bezwaar tegen de zwarte acteurs die in de serie negentiende-eeuwse Britse edellieden speelden. Alleen bij de zwarte actrice die de Engelse koningin moest voorstellen, vroeg ik voor de zekerheid aan mijn vrouw, die de serie aandachtiger volgde, of dat wel écht de koningin was. En het wás haar, in de serie althans. 

 

* Over woke schreef ik hier al een stukje. En over Reynebeau hier. En over zwarte acteurs voor blanke personages hier.

 ** Die ouderdomsziekte kan erin bestaat dat de beweging, naarmate ze succesvol was in het terugdringen van racisme en discriminatie, zich voortaan op futiliteiten gaat richten. Steven Pinker schreeft daarover in ‘The Better Angels of our Nature’ en ‘Enlightenment Now’.

 *** Eigenlijk schrijft Reyenbeau dat het in orde komt als beide kanten een volwassen gesprek aangaan, maar wat de woke-kant betreft is dat een petitio principii.

 **** Wie er naast die oorspronkelijke vraag ook de vertaalervaring van Rijneveld en haar kennis van het Engels erbij haalt, verdenk ik van mistspuiterij. Dat doet Reynebeau overigens niet, maar anderen die aan het debat deelnamen deden het wel.

Reynebeau en de 'flietjes'


      Waarom staat in elk stuk van Reynebeau dat ik lees nogal wat onzin? Is het omdat het toevallig die stukjes zijn die onder mijn aandacht komen? Is het omdat Reynebeau minder slim is dan zijn welbespraaktheid en belezenheid doet vermoeden? Of is het omdat hij wat snel en onnadenkend schrijft, en dan achteraf niet herleest wat hij geschreven heeft? Die laatste verklaring zou ik niet meteen uitsluiten.
     Neem nu zijn stuk over de ‘flietjes’-rel in De Standaard van 6 maart. Met zijn stelling ben ik het eens. Het is beter om het bewuste mopje achterwege te laten in het bijzijn van Chinezen. Als ik als West-Vlaming een g/h-fout maak, is er vaak iemand in de buurt die de ‘gulp van de geilihe heest’ inroept. Ik lach dan mee, want ik hou van oude, flauwe mopjes met een baard, ook van dat van de ‘flietjes’, en ook van dat van Mao die voorstander was van ‘elections, yes, yes, evely mo’ning’. Maar Joey Kwan, die als eerste protesteerde toen het ‘flietjes’-mopje in Thuis werd gebruikt, zegt dat haar ouders in ons land veel haatmisdrijven hebben moeten ondergaan. Hoewel ik geloof dat er, zoals Liesbeth van Impe dat verwoordt,  ‘geen rechte lijn loopt van een flauw grapje naar genocide’, ben ik toch liever voorzichtig.
     Dus, met de stelling van Reynebeau ben ik het eens. Maar wat hij daar allemaal bij schrijft! Ik haal er een korte alinea uit en cursiveer een en ander: ‘Het Mandarijn kent de ‘r’ niet zoals die in westerse talen bestaat, en omgekeerd is dat ook zo. Een eigen ervaring: soms spreken ze de letter gewoon niet uit, wat in het Engels overigens ook vaak het geval is. In het Spaans luistert het dan weer wel heel erg nauw en krijgt zeker de dubbele ‘r’ een expliciete nadruk.’
     Dat ‘expliciete nadruk’ is een pleonasme, maar het is hier op zijn plaats. Sinds ik zelf schrijf, heb ik de voordelen van af en toe een pleonasme ontdekt. En wat Reynebeau verder over het Spaans zegt, is niet fout. Hoogstens zou je kunnen zeggen dat de enkele en dubbele ‘r’ in het Spaans eigenlijk twee verschillende klanken zijn, fonetisch geschreven als /r/ en /ř/, dat woorden als ‘coro’ en ‘corro’ dan ook een andere betekenis hebben, en dat de enkele /r/ bij het begin van het woord eigenlijk ook een  /ř/ is en dus ‘expliciete nadruk’ krijgt, zelfs al wordt de letter níet dubbel geschreven. Maar als ik zo doorga wordt het water waarin ik mijn spijkers zoek wel heel laag. En Reynebeau is tenslotte geen hispanist.
     Wat te denken echter van het Mandarijn dat de ‘r’ van de Westerse talen niet kent ‘en omgekeerd is dat ook zo’. Wat betekent dat nu weer? Zoiets als: Reynebeau schrijft snel en herleest niet, en omgekeerd is dat ook zo? Ongetwijfeld bedoelt Reynebeau dat het Mandarijn op zijn beurt klanken onderscheidt die in de Westerse talen niet gekend zijn. Ja, dat klinkt dan wat omslachtig en als je daar een kortere, maar even duidelijke formulering voor wilt, moet je even zoeken.
     Reynebeau voegde  er nog een ‘eigen ervaring’ aan toe: de Chinezen spreken de ‘r’ soms gewoon niet uit. Dat ‘eigen ervaring’ vind ik alweer nogal kort, maar wat mij intrigeert is hetgeen erop volgt, namelijk dat dat ‘in het Engels ook vaak het geval is’. Ik heb daar lang over nagedacht. Gaan de Chinezen anders met de ‘r’ om als ze Engels spreken dan wel als ze Nederlands spreken? Zeggen ze ‘flieten’ in het Nederlands en ‘f’ies’ in het Engels? Uiteindelijk snapte ik het: ook Engelsen spreken de ‘r’ soms niet uit.
     Nu is dat strikt genomen weer niet helemaal correct. Een Brits-Engels woord als ‘reader’ heeft gewoon maar één ‘r’, namelijk die aan het begin van het woord, en die wordt altijd uitgesproken. De andere ‘r’ is een spellingsanomalie, een erfenis van een vorig taalstadium. Dat die ‘r’ wel wordt uitgesproken vóór een klinker, zoals in ‘the reader is ill’ heeft daar zelfs weinig mee te maken. Die hiaatdelgende ‘r’ duikt ook op als de letter niet geschreven wordt, zoals in ‘Victoria-r-and Albert’.
     De lezer merkt dat Reynebeau-stukjes lezen de schoolmeester in mij wakker maken. En als die eenmaal wakker is, grijpt hij ook snel naar de hyperbolenhamer. Reynebeau vindt het flietjesmopje  ‘wreed … een brute grap … die niet naar boven klauwt, zoals het hoort, maar naar beneden stampt en minderheden en machtelozen tot de orde roept en op hun nummer zet.’ Dan denk ik terug aan wat Reynebeau in een vorig stukje schreef toen hij Bart De Wever de les las omdat die de woorden ‘waanzin’ en ‘zelfhaat’ had gebruikt. Toen schreef Reynebeau: ‘Allemachtig, wat een hyperbolen’. Hij ként het begrip dus.
     Om luchtig te eindigen, nog een woord over de diminutiefvorm ‘flietje’ of  ‘frietje’. Reynebeau is daar radicaal tegen. Het is infantiel taalgebruik volgens hem. Hij houdt van een robuuste, dappere, trotse ‘friet’. Volgens mij is het diminutief echter geen gevolg van infantilisering maar van feminisering. Mijn grootouders, mijn ouders, mijn vrouw en nu mijn zoon spreken altijd van ‘frietjes’, althans in het meervoud. Eén friet, twee frietjes.  Als ik als kind ‘frieten’ had gezegd, zou mijn moeder, geloof ik, met een snelle blik duidelijk hebben gemaakt dat ik een ongeschreven regel van de beschaving had overtreden. Alleen mijn grootvader langs vaderskant sprak soms van ‘fruts’. Hij was dan ook de enige macho in de familie.

vrijdag 29 januari 2021

Marc en het populisme


      Ik vroeg aan mijn vrouw of ze de laatste column van Reynebeau wou doorsturen. Ha, die column  van Marc, zei ze. Ze noemt hem dus Marc! Dat zal ik dan ook maar doen. ’t Is een korte naam en dat is gemakkelijk als je hem vaak moet herhalen. Bovendien, in een polemisch stukje klinkt zo’n voornaam een beetje denigrerend, wat mooi meegenomen is.
     Marc heeft dus een column geschreven over de Nederlandse rellen tegen de avondklok, en voor hem is het een gelegenheid om eens flink zijn mening te zeggen over het populisme en de populisten. Hij is er tegen*. Hij is meer van het politiek-correcte kamp. Binnen dat kamp is hij de tegenpool van Tom Naegels. Die laatste redeneert zorgvuldig, stap voor stap, genuanceerd; hij formuleert slim, soms geestig, zoekt dekking als het nodig is, en wist zijn sporen. Vaak wil ik antwoorden, hem aanvallen op de flank, maar dan zie ik dat hij ook daar een goed gecamoufleerd verdedigingsmuurtje heeft opgetrokken. Maar voor Marc is dat allemaal tijdverlies. Hij werkt anders: identificatie van de slechteriken (Trump! Steve Bannon!), schermutselingen in het luchtledige, stromannen, hyperbolen, sarcasme, intentieprocessen, en af en toe een exotische term die we al lang niet meer hadden gehoord zoals sociaaleconomische ‘vervreemding’.
     De relschoppers in Nederland, beweert Marc, zijn ‘misschien’ de voorhoede van het Europese populisme 2.0. Dat ‘misschien’ is het tweede woord van de tekst, en staat daar goed op zijn plaats. Als redenering is het immers een doodlopend straatje en dat weet Marc ook. Het corona-probleem is er een op korte termijn en is niet, zoals migratie, een kwestie die al enkele generaties aansleept en die dat nog enkele generaties zal blijven doen. Bovendien zegt Marc zelf, en hij citeert heuse ‘in de VS docerende politicologen’, dat populistische ideeën slechts aanslaan als ze worden overgenomen door politiek centrumrechts. Dat is met corona niet gebeurd, en dat zal nu ook niet meer gebeuren. 
     Vervolgens, ook niet onbelangrijk, past de ‘coronascepsis’ niet zo goed in de definitie die Marc van het populisme geeft: nativistisch, nationalistisch, autoritair en illiberaal. Die eerste twee kenmerken hebben met de corona-acties weinig te maken, en die laatste twee zijn eerder van toepassing op de corona-politiek van de regeringen dan op het verzet ertegen. En ten slotte: wie de relschoppers op de filmpjes bezig heeft gezien zal zich twee vragen stellen. Waarom stelen die lui nu prularia in plaats van nuttige voorwerpen zoals televisies – wat je altijd ziet bij rellen in de VS? En wat heeft dat allemaal met politiek te maken? Maar dat is weer een ander verhaal.
     Midden in zijn stukje verandert Marc dus wijselijk van onderwerp en bezint zich over de vraag waar het populisme vandaan komt. Ja, waar komt het vandaan? Volgens Marc komt het bijvoorbeeld van de blanke Europeaan die vreest dat men ‘oude tradities’ zou verbieden, zoals Zwarte Piet, en ‘warempel, nu ook Pippi Langkous’. Ik begrijp niet goed waarom Marc hier ‘zou’ gebruikt. Zwarte Piet ís ondertussen verboden op Facebook, en nu wil men in de Gentse bibliotheken ‘warempel ook’ waarschuwen voor de Pippi Langkous-boeken. Mij lijkt het dat het hier de verbieders en de waarschuwers zijn die zich illiberaal en autoritair opstellen.
     Aan het einde van zijn tekst, in zijn zevende alinea, graaft Marc nog wat dieper. Bart De Wever zei onlangs op de televisie dat populisme een reactie is van de ‘verliezers van de globalisering’. Zoiets zit Marc dwars. Dat moet worden weerlegd als het ‘ultieme cliché’. Alleen, die weerlegging komt er niet. Iets een cliché noemen is onvoldoende. Iets met ‘zou’ formuleren, bewijst niet dat het onwaar is. En iets als een afleidingsmaneuver omschrijven om ‘geen aandacht te moeten hebben voor de groeiende sociale ongelijkheid’ – zoiets telt evenmin als argument.
     Het is nochtans een eenvoudige vraag: bestaan ze echt, de ‘verliezers van de globalisering’ die de lasten krijgen van  ‘de moeilijke diversiteit’? Als Marc vindt dat die verliezers niet bestaan, dat hij het dan zegt. Als Marc vindt dat migranten op de arbeidsmarkt géén neerwaartse druk uitoefenen op de lonen** en dat migranten met vervangingsinkomens géén probleem vormen voor de sociale zekerheid, dat hij dan als een man opstaat, op tafel slaat en dat luidop zégt. Of schrijft, want ik laat mij weer meeslepen door mijn verbeelding.
     Maar Marc zegt of schrijft dat niet. In plaats daarvan schrijft hij dat het populisme een reactie is op telkens herhaalde vernederende uitspraken. Daar zit een kern van waarheid in als je denkt aan uitspraken als die van Hillary Clinton over de deplorables. Maar Marc denkt aan andere uitspraken. Hij maakt er een lijstje van en plaatst ze onder de noemer 
opinions chics  een uitdrukking die hij overneemt van Bart De Wever.
     Eigenlijk zouden die ‘opinions chics’ uitspraken moeten zijn die je vaak letterlijk hoort of zegt in een burgerlijke conversatie - anders zijn ze niet 
chic. Ik citeer het hele lijstje en heb het voor de aardigheid gerubriceerd: ‘dat arbeid niets mag kosten (a), dat coöperatie moet wijken voor concurrentie (b), dat tegenslag altijd aan eigen falen is te wijten (c), dat collectieve voorzieningen te duur zijn (d), dat armoede slechts voortvloeit uit verkwisting en luiheid (e), dat aanpassing en integratie maar van één kant moeten komen, die van de machtelozen (f), en dat wie het moet stellen met een uitkering slechts een potentiële fraudeur is die desnoods met detectives moet worden opgespoord (g).’ Dat is het discours dat ‘de waardigheid en het zelfbeeld van zoveel mensen aantast.’
     De status van het lijstje is onduidelijk. Beschrijft Marc veelgehoorde uitspraken? Of heeft hij het over bestaande praktijken. Of probeert hij weer te geven wat rechtse mensen denken in het diepst van hun gedachten? Alleen dat eerste – veelgehoorde uitspraken –  zou eventueel als vernederend ‘discours’ kunnen worden aangemerkt en als dusdanig verantwoordelijk zijn voor een populistische reactie.  In dat geval komen (c) en (e) in aanmerking, het ‘eigen falen’ en de ‘verkwisting en luiheid’. Maar die verwijtende uitspraken hoorde je, geloof ik, vooral in de negentiende eeuw. Dat uitkeringstrekkers ‘potentiële fraudeurs’ zijn (g) heb ik wel eens gehoord in een échte conversatie, maar die was niet burgerlijk. De linkse tegenhanger ervan, dat elke ondernemer een potentiële fiscale fraudeur is, heb ik vaker gehoord. De vraag ten slotte dat migranten zich zouden aanpassen aan het land van aankomst (f) is inderdaad een veelgehoorde uitspraak. Maar ik geloof niet dat ze behoort tot het discours waar de populistische kiezer zich aan stoort. Die stoort zich eerder aan het tegenovergestelde discours: dat hij zich moet aanpassen.
     De items (a) en (d), de lage lonen*** dus en de dure collectieve voorzieningen, die kunnen volgens mij moeilijk als vernederende ‘opinions’ worden omschreven. Het zijn eerder bestaande praktijken, wat niet wegneemt dat ze ook tot ontevredenheid kunnen leiden. Maar hier kun je andere vragen stellen. Zijn die lonen inderdaad te laag, en die voorzieningen te schaars? Vergeleken waarmee? Hoe moet daaraan worden verholpen? En, in de context van de populismediscussie: heeft een grote migratie-instroom daar een gunstige of ongunstige invloed op? Het loont de moeite om eens te lezen wat migratiespecialist Paul Collier daarover schrijft****. Ik geloof in elk geval niet dat (a) komt door (b), met andere woorden dat de lage inkomens veroorzaakt worden door de economische concurrentie en mededinging.
     Eigenlijk lijkt het of Marc met zijn lijstje vooral gepoogd heeft om de geheime gedachten van rechts weer te geven. Daar is hij dan niet goed in geslaagd. Op alle punten die Marc opsomt heb ik een behoorlijk rechts standpunt, meestal rechts van N-VA en O-Vld, maar de verwoordingen zijn zo gekozen dat ik er weinig in kan ontdekken van wat ik ongeveer denk. Ik maak een uitzondering voor (f): dat migranten zich best zo goed mogelijk aanpassen aan het land van aankomst. Dát vind ik wel. Ze moeten dat niet doen, zoals Marc schrijft, omdat ze ‘machteloos’ zijn, maar omgekeerd omdat ze dan zo snel mogelijk die toestand van machteloosheid achter zich zouden laten.
     Ik wil graag op een positieve noot eindigen: met de slotzin van de column kan ik akkoord gaan: een samenleving moet ‘zorgzaam en inclusief’ zijn. Daar vinden vinden Marc en ik elkaar. En in onze afkeer van clichés natuurlijk.

 

* Marc doet trouwens ook uit de hoogte tegen de anti-populisten want die ‘zwaaien’ met het woord ‘om zelf veilig, weldenkend, maar ook zeer onproductief, in het politieke centrum beschutting te zoeken.’ Het politieke centrum? Foei!

** De relatie tussen migratie en lonen is een moeilijke kwestie. Een kleine tot matige arbeidsimmigratie heeft volgens de meeste economen een gunstige invloed op de gehele economie en dus op het reële inkomen van iedereen, maar door de druk op de lonen, profiteren sommige bevolkingslagen, bijvoorbeeld de laaggeschoolden, er minder van dan de andere. Een te grote immigratie die niet goed is afgestemd op de arbeidsmarkt heeft een ongunstige invloed op de economie.

*** Je hoort werkgevers inderdaad zeuren over te hoge loonlasten, maar die worden dan in verband gebracht met de concurrentiepositie en de verhouding bruto-nettolonen, twee contexten die, geloof ik, niet ‘de waardigheid en het zelfbeeld’ van de werknemer aantasten.

**** Zie over Collier ook  hierhierhierhier en hier en hier.