donderdag 15 maart 2018

De mondaine feestjes van Marcel Proust

     Menig Proustlezer zal, net als ik, opgelucht ademhalen als Swann of Marcel zich naar een mondain feestje begeeft.* Het onderwerp van de seksuele jaloezie wordt even verlaten, de stijl ontspant zich, er komt ruimte voor wat spreektaal, de zinnen worden korter en je moet minder vaak in de tekst terugkeren om te weten of ‘son’, ‘sa’, ‘lui’ en ‘l-apostrophe’ verwijzen naar de dame dan wel naar de heer die voorafgaand ter sprake kwamen.**
     In Du côté de chez Swann hebben we natuurlijk de onvergetelijke ‘avondjes’ van de onnozele Verdurins, die met elkaar wedijveren in om ter langst lachen om de geestige opmerkingen van henzelf of die van hun gasten. Alletwee hebben ze hun trucjes. Madame bedekt haar gezicht met de handen en schokt daarbij met de schouders, en Monsieur doet alsof hij zich in de rook van zijn pijp verslikt en eindeloos moet hoesten.
     Ja, die avondjes bij de de Verdurins zijn onovertroffen. Maar een feestje bij Mme de Sainte-Euverte, wat verder in het boek, is anders ook niet mis. Proust beschrijft één voor één de oogglazen van de mannelijke gasten, die bij chique gelegenheden hun bril thuislaten, en brengt verslag uit van wat die oogglazen aanrichten in het gezicht van de dragers ervan. Dat is bij iedereen anders. Er wordt op het feestje ook muziek gespeeld – veel Chopin – en Proust merkt op dat die componist toen – rond 1880 – uit de mode was. Dat doet mij plezier, want ik hou niet van Chopin. Ik reageer op die muziek zoals bij Proust de jonge Mme de Cambremer ‘qui souffrait quand elle en entendait jouer’.
     Rond die naam ‘Cambremer’ weeft Proust een mooi scènetje. De mooie, geestige, hooggeboren Mme de Guermantes is in al haar goedheid bereid gevonden om een half uurtje acte de présence te geven op het feest. Ze is aan het praten met een generaal die zijn ogen niet kan afhouden van de jonge Mme de Cambremer. Hij zou liever met haar in bed liggen, zegt hij, dan opgegeten worden door de wilden. Mme de Guermantes heeft daar begrip voor, maar merkt op dat ‘Cambremer’ toch een wonderlijke naam is. Dat begrijpt de generaal niet goed. ’t Is een oude, degelijke naam, vindt hij. Maar goed, die Guermantes hebben veel ‘esprit’. Dan moet je aanvaarden dat je niet altijd meteen kunt volgen. ‘Vous n’êtes pas Guermantes pour des prunes,’ antwoordt hij galant.
     Mme de Guermantes gaat dan naar Swann en probeert bij hem haar zelfde geestigheid uit. Deze keer heeft ze meer succes, want er ontspint zich volgend gesprekje.

- Enfin ces Cambremer ont un nom bien étonnant. Il finit juste à temps, mais il finit mal! dit-elle en riant.
- Il ne commence pas mieux, répondit Swann.
- En effet cette double abréviation!...
- C’est quelqu’un de très en colère et de très convenable qui n'a pas osé aller jusqu'au bout.

     Dat is nogal subtiel. Waarom eindigt de naam Cambremer ‘juist op tijd’? Waarom is het een een ‘dubbele afkorting’? Waarom zou je de naam willen uitspreken ‘als je erg boos bent’, en waarom zou je niet tot het einde durven gaan ‘als je erg fatsoenlijk bent’? Wie de zeventiende voetnoot gelezen heeft bij mijn stukje ‘Aanschouwelijk geschiedenisonderwijs’ kent het antwoord op die vragen. De uitdrukking ‘le mot de Cambronne’ is een eufemisme voor het vloekwoord ‘merde’. ‘Cambremer’ is dan, in de lezing van Mme de Guermantes en Swann, een samenvoeging van Cambr(onne) en mer(de). Verder moet je het niet gaan zoeken.
     Veronderstel nu, lieve lezer, dat je in een gezelschap komt waar dergelijke subtiliteiten schering en inslag zijn. Je hebt geen idee waarover het gaat, en toch word je om je mening gevraagd. Het beste wat je kunt doen is dan zeggen zoals Mme de Guermantes:  ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’  Je moet die woorden enigszins uit de hoogte uitspreken. Probeer het maar eens: ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’ Als de lezer van het mannelijk geslacht is, moet hij daarbij ook een oogglas dragen. Het effect zal vernietigend zijn.

 
*Het half jaartje Proust dat ik in de eerste kandidatuur gedoceerd kreeg van Roland Beyen bestond hierin dat de brave professor een stukje voorlas uit zo’n feestscène, onbedaarlijk begon te lachen, zich verontschuldigde met een ‘c’est tellement drôle’, en dan weer verder ging met lezen tot de volgende lachbui. Veel tijd voor diepergravend commentaar bleef er op die manier niet over.

**Die lange, opzettelijk moeilijke zinnen vond ik ook bij andere ‘modernisten’ zoals de late Reve (Op weg naar het einde), de late Salinger (Raise High the Roofbeam) en Thomas Pynchon.

2 opmerkingen:

  1. Lijkt me al te eng toegespitst op het reilen en zeilen in die kringen. Lees Le temps retrouvé waar ze op stelten lopen en hoe door de verlopen tijd bepaalde karaktertrekken lichamelijk welhaast op de voorgrond worden gehaald nu in hun voordeel dan weer in hun nadeel. Die stelten zijn de jaren waarop ze zich overeind houden en die ze onkenbaar hebben gemaakt of waardoor ze eerst met een verwant iemand worden verward, uiteindelijk toch herkend. Ik was twintig toen ik begon aan Proust en nu meer dan bejaard laat hij mij nog minder los. En van een Proustiaanse volzin hou ik nu net.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. misschien moet ik toch Proust eens lezen, wat ik tot vandaag nog niet gedaan heb.

    BeantwoordenVerwijderen