zondag 14 januari 2018

Voor Paus en Zoeaaf


   Ik zou de roman Spanooghes Queeste van Danny Chambaere wellicht niet gelezen hebben als ik de auteur niet persoonlijk kende. Ik zou dan veel gemist hebben: een uiteenzetting over de vroegmiddeleeuwse pornocratie, een geheime samenzwering die vele eeuwen omspant en tot op vandaag voortwoekert, een zichzelf kastijdende monnik, getrukeerde pornografische filmpjes, saffische liefde, stenen Cupidootjes die hun stenen slachtoffertjes de hersens inslaan met een gemzenhoorn, een hoogzwangere vrouw die over omheiningen klautert, een spannende ontsnapping en achtervolging in Zwitserland. En wat misschien het beste bijblijft: de koude regen en de felle wind op het Schotse eiland Saint Kilda – even ongenadig als de regen en de wind in de tweede en derde kring van Dantes Hel ….
      En dan de figuur van Gianni Utterwulghe.
     Halverwege het boek wordt een West-Vlaamse huisvrouw onder handen genomen door een gangster die dus Gianni Utterwulghe heet. De naam schijnt echt te bestaan. Utterwulghe martelt de vrouw met een elektrische prikstok zoals die in slachthuizen gebruikt wordt. Hij stelt vragen, roept af en toe enthousiast ‘Voor Paus en Zoeaaf’, en tettert voor de rest aan één stuk door in het Algemeen Beschaafd West-Vlaams*.
     “Uw orders zullen alleen via deze GSM gegeven worden [zei Utterwulghe]. Gesnopen? Draag hem altijd bij u, ook op de WC-pot, ook als ge u ligt te vingeren op de canapé. Zorg dat de batterij nooit leeg is. Want weet heel goed, madammeke, dat de batterijen van ’s Heerens Wreekstokken nooit plat zijn.” [Daarna deed hij de terrasdeur een paar keer open en dicht met één vinger]. “Bolt goed,” knikte hij goedkeurend. “Soms hebde van dieje camelot die zo steeg is als een droge hoer. Kwaliteit dit. Veel geld gekost zeker?” Hij begon te gniffelen. “Gij en ik noemen dat een porte-fenêtre, nietwaar madammeke? Weet ge hoe Ollanders dat noemen? Een schuifpui! Echt waar, schuifpui. Ge houdt het niet voor mogelijk. Een land vol zwalpeiers, Olland.” Nee, ’t is geen typische martelscène.

     Bijna de helft van de roman bestaat uit dagboeknotities van Freddy Spanooghe, een wat pedante geschiedenisleraar die de pedanterie zo ver drijft dat hij het zelfs in zijn dagboek niet laten kan om voetnoten te gebruiken. Bij alles wat hij schrijft, schieten hem dingen te binnen die hij meteen in of onder het geschrevene verwerkt. Je zou het culturele referenties kunnen noemen maar Spanooghe spreekt van ‘ankerpunten’, een ‘emotioneel kader’ dat hem later toelaat om het moment van het schrijven opnieuw te beleven.
     Een geleerde die binnen tweehonderd jaar het boek openslaat, zal een redelijk beeld krijgen van hoe een enigszins bovengemiddelde  culturele bagage bij het begin van de 21e eeuw eruit zag. Wat wist iemand die omstreeks 1953 geboren was en omstreeks 2018 een boek publiceerde? Op elke bladzijde zal de geleerde wel een of meer kennissnippers kunnen onderstrepen. Veel van die snippers van Freddy Spanooghe – en van Danny Chambare – behoren ook tot mijn bagage. Dat Germaine Greer een beroemde feministe was, dat Maria van Boergondië  van haar paard viel in de buurt van Wijnendale, dat maoïsten in de jaren zestig groene parka’s droegen, dat Schubert een lied maakte – op een tekst van Goethe – over een Elfenkoning,  dat China bij het begin van de twintigste eeuw geleid werd door een keizerin-regentes met een slecht karakter**, dat Bach een reeks canons opdroeg aan Frederik de Grote en dat één daarvan ‘quaerendo invenietis’ heet, wat Latijn is en betekent: ‘zoekt, en gij zult vinden,’ en dat dat een citaat is uit de bijbel.

     Ik vraag mij af hoeveel hiervan ook tot de bagage van onze toekomstige geleerde zal behoren: Schubert, Goethe, Bach, de Elfenkoning en Frederik de Grote wellicht wel. Maar zouden Germaine Greer, Wijnendale, de maoïsten met hun parkas, het slechte karakter van de keizerin-regentes en het Latijn er nog bij zijn?***


* Dat Algemeen West-Vlaams is ook in de rest van het boek onderhuids aanwezig. Daarbij probeert Chambaere een aantal oude zegswijzen te redden die zijn vader vroeger hanteerde. Uit die zegswijzen blijkt dat magere mensen in de oude, politiek niet correcte tijden vaak het mikpunt waren van spot en discriminatie. Iemand met een smal hoofd was een ‘flessenpikker’: hij kon immers met zijn snavelachtige kop een snip drank uit een fles ‘pikken’. Van zo iemand werd ook gezegd: ‘smijt een brood tegen zijn ongeschoren bek en het valt in boterhammen uit elkaar’. En magere mensen in het algemeen ‘konden maar twee ziektes krijgen: de velziekte en de beenderziekte.’

 ** Chambaere schrijft over de ‘dowager empress’ en verwijst naar de film van Bertolucci, The Last Emperor (1987). Ik zou spreken van de ‘keizerin-douairière’ en verwijzen naar de film van Nicolas Ray, 55 Days at Peking (1963). In de ondertiteling van de film zag ik voor het eerst dat rare woord ‘doaurière’.

 ** En dan spreken wij nog niet van het Grieks, want bij Lukas 11:8 heet het niet ‘quaerendo invenietis’ maar ‘ζητεῖτε, καὶ εὑρήσετε’.

4 opmerkingen:

  1. Ik wilde een correctie aanbrengen, maar dat gaat niet, dus nog eens: aan het ‘ζητεῖτε, καὶ εὑρήσετε’ kun je zien dat dit voor het volk geschreven is, in simpel nevenschikkend koinè-Grieks. Je Latijnse citaat, een ondergeschikt gerundium bij een indicatief, is geconstrueerder en kan meer interpretaties krijgen. Tot grote vreugde van de exegeten;-) Ik houd van dit soort blogstukjes :-)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. "Utterwulghe: die naam schijnt echt te bestaan". Het kan nog sterker: ik heb in de klas gezeten met een jongen die Wtterwulghe heette, uitgesproken Wutterwulghe.

    BeantwoordenVerwijderen