Oud-journalist Bavo Claes
schreef onlangs een stukje waarin hij de superrijken van vandaag vergelijkt met
de slaveneigenaren van gisteren (hier).
De rijkdom van die superrijken is ‘een misdaad’, ‘een morele ontsporing’ en
vergelijkbaar met de slavernij die vroeger ook ‘doodnormaal' gevonden werd. Hij
hoopt dat zijn ‘schatten van kleinkinderen’ het nog zullen meemaken dat de
graaiers en de poenscheppers uit het beeld zijn verdwenen en iedereen zich
hoofdschuddend afvraagt hoe men vroeger die rijkdom van de superrijken heeft
kunnen dulden. Claes beroept zich voor zijn stelling onder andere op een zekere
Richard Wilkinson en dat is een ‘emeritus hoogleraar’.
Hoewel hij sterke taal niet
schuwt, is Claes ook voorzichtig. Zo spreekt hij niet over de ‘rijken’ in het
algemeen. Het zijn alleen de ‘superrijken’, de ‘schatrijken’, de ‘puissant
rijken’, de ‘absurd rijken’ en de ‘exorbitant rijken’ die in de toekomst zullen
verdwijnen. De welgestelde lezer van zijn stuk hoeft zich geen zorgen te maken,
zolang hij zichzelf niet ‘absurd’ of ‘exorbitant’ rijk vindt.
Nu zijn speculaties over wat
in de toekomst zal gebeuren geen sterk argument. Daarom haalt Claes ook
‘onverdachte bronnen’ aan die ‘cijfers in de hand’ bevestigen dat
inkomensongelijkheid de economische groei fnuikt, het kapitalistisch systeem
kapot maakt en de maatschappij ontwricht*. Vooral dat het kapitalistisch
systeem kapotgemaakt werd, maakte me erg ongerust.
Mijn vijanden verwijten mij
dat ik in mijn polemiek aan detailkritiek doe. Dat ik van één argument de
logische of feitelijke fout aantoon, terwijl er honderden andere argumenten
zijn waar ik niet op inga. Laat ik dat weer maar eens doen. Ik ga dus niet in
op de vraag of de inkomensongelijkheid de economie fnuikt, het systeem kapot
maakt of de maatschappij ontwricht. Maar ik beweer stellig dat die gefnuikte
economie, dat kapotte systeem en die ontwrichte maatschappij niet bewijzen dat
inkomensongelijkheid een ‘morele ontsporing is’. Of iets een moreel goed of een
moreel kwaad is, moet minstens in
abstracto kunnen worden behandeld zonder er meteen de gunstige of kwalijke
gevolgen in een ander domein bij te halen. Slavernij was een moreel kwaad op
zichzelf, ook als het de economische groei stimuleerde, het systeem bestendigde
en de maatschappij in stand hield, in plaats van die te fnuiken, kapot te maken of te ontwrichten.
We moeten de vraag dus opnieuw
stellen: is inkomensongelijkheid een moreel kwaad op zichzelf, en is
inkomensgelijkheid een moreel goed op zichzelf? In plaats van het aan een epidemioloog als
Wilkinson te vragen, al is hij dan emeritus hoogleraar, lees ik liever wat een
moraalfilosoof daarover schrijft. Harry G. Frankfurt is zo’n moraalfilosoof en
hij is bovendien ook emeritus hoogleraar. Hij schreef het kleine boekje On Inequality – een trage lezer als ik
heeft het uit in twee uurtjes – waarin hij beredeneert waarom ongelijkheid geen
moreel kwaad is op zichzelf, in tegenstelling bijvoorbeeld tot onnodige
armoede, en waarom gelijkheid geen moreel goed is op zichzelf. Als je in een maatschappij alle rijkdom van
de rijken zou vernietigen, zo redeneert Frankfurt ongeveer, als je al hun geld zou
vernietigen, al hun huizen zou afbranden, al hun boten zou laten zinken, en al
hun auto’s zou laten pletten door een erkende autosloper, dan heb je
ontegenzeggelijk een grotere gelijkheid tot stand gebracht. Maar je hebt geen
moreel goed tot stand gebracht. En verder wijst Frankfurt erop dat het
vergelijken van inkomens en bezit de aandacht afleidt van de echte morele
vragen in dat verband.
Het boekje van Frankfurt is
bescheiden van opzet. De schrijver blijft volledig binnen het domein van de
moraalfilosofie en de zielkunde. Hij bestudeert niet het verband tussen
‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’. Hij bespreekt niet de voor- en nadelen van de vrije
onderneming of de staatsregulering. Hij geeft geen antwoord op de vraag of
inkomensongelijkheid de economische
groei fnuikt of juist bevordert. Hij is best bereid om toe te geven
dat er allerlei redenen kunnen
bestaan om naar meer – of zelfs naar volledige – gelijkheid te streven. Dat moeten
anderen maar eens uitzoeken. Maar op zijn terrein spreekt hij zich duidelijk
uit: gelijkheid is geen moreel goed, en
ongelijkheid is – in tegenstelling tot
slavernij – geen moreel kwaad. Vroeger niet, nu niet en ook in de toekomst
niet, als kleinkinderen van Bavo Claes
groot zullen zijn.
* Misschien bedoelt Bavo Claes
met die onverdachte maar naamloze bronnen wel het succesboek The Spirit Level. Dat zou kunnen, want
dat boek is geschreven door Richard Wilkinson – de emeritus hoogleraar die hij
wél met name vermeldt. Die bron bevestigt, ‘cijfers in de hand’, dat allerlei
maatschappelijke kwalen zoals slechte gezondheid, korte levensduur, misdaad,
wantrouwen, tienerzwangerschappen, alcoholmisbruik, geestesziekten, enzovoort
niet alleen gerelateerd zijn aan lage inkomens, zoals men vroeger dacht, maar
aan de ongelijkheid op zichzelf. De mensen worden ziek, of leven korter, of
worden zwanger op jonge leeftijd, niet omdat ze arm zijn, maar omdat ze rondom
zich of op de televisie mensen zien die rijker zijn.
Een criticus van de
theorie vergeleek het met vliegtuigreizen. De gewone reiziger verlaat het
vliegtuig dodelijk vermoeid, geradbraakt en hongerig. Dat komt niet door de
slechte stoelen, het gebrek aan beenruimte en de karige maaltijden, maar omdat
hij ziet dat de eersteklasreizigers fris en monter en verzadigd het toestel
verlaten. Voor wie dieper op de kwestie wil ingaan, raad ik aan om zowel The Spirit Level te lezen, als het
antwoord erop, The Spirit Level Delusion
van Christopher Snowdon. Al naar gelang je maatschappelijke overtuiging zul je
aan minstens van één van die twee boekjes veel plezier beleven.