dinsdag 31 maart 2026

Te mijden columnisten


      Hoewel de tekst redelijk kort is, heb ik de column van Frank Van Laeken “Ad hominem: weg met deze columnisten” niet helemaal gelezen. Ik was natuurlijk wel nieuwsgierig naar de namenlijst. Voor de lezer die de column niet gezien heeft, het zijn deze: 1) Maarten Boudry, 2/3) Rik Torfs & Mia Doornaert, 4) Marnix Peeters, 5) Koen Meulenaere, 6) Wouter Duyck, 7) Joren Vermeersch, 8) Mark Elchardus, 9) Joris Van Cauter, 10) Christophe Vekeman. Wat me aan die lijst bevalt is dat er enkele onverwachte namen op staan.
 
     Ik heb even getwijfeld of ik er een stukje aan zou wijden. Maar toen vond ik op X.com een leuk plaatje om bij een eventueel stukje te zetten: een parodie op de Index Librorum Prohibitorum.  Dat was al één reden om er iets over te schrijven. Wat later vond ik een tweet van geëngageerd cultuurmens Michaël De Cock die mij rechtstreeks aansprak: ‘Ow ow. Frank Van Laeken heeft op veel zere teentjes getrapt, bij de ridders van het het vrije woord.’ Welja, dat ben ik helemaal: een ridder van het vrije woord, alhoewel mijn tenen, zoals dat bij ridders gaat, goed beschermd zijn door stalen schoeisel. Die verwijzing naar ‘zere teentjes’ leverde alweer een leuk plaatje op om bij de tekst te plaatsen. Op die manier, met die plaatjes erbij, werd reageren niet alleen een verdomde, maar ook een aangename plicht.



    Welaan dan. De inleiding van Van Laeken heb ik wél helemaal gelezen. Hij schrijft onder andere: ‘Waarschuwing: in dit stuk speel ik man én bal (maar toch in de eerste plaats de man).’ Dat is een stijlfiguur die ik wel kan smaken: een auteur die cynisch uitlegt hoe hij te werk zal gaan. Alleen wordt die positieve indruk verknoeid door de rest van de inleiding:

Ik ga hieronder een top 10 publiceren van columnisten/opiniemakers van wie ik vind dat die niet meer thuishoren in de media, niet omdat hun mening mij niet aanstaat, maar omdat hun mening reactionair of achterhaald of vals of een combinatie van de drie is. Zeker in media die zichzelf, wel of niet terecht, een kwaliteitslabel geven, horen de meningen van deze lieden niet langer thuis. Controverse mag, moét soms. Een mening die haaks staat op die van mij, laat maar komen. De randjes van het toelaatbare opzoeken, ach ja, moet af en toe kunnen. Maar voor deze dames en heren past maar één conclusie: weg ermee!

     Het enige leuke is hier de scandeerbare conclusie: weg-er-mee! De rest is van een hemeltergende naïviteit. ‘Controverse mag, moet soms.’ Alsof daar de toestemming van Van Laeken voor nodig is. ‘Niet omdat hun mening mij niet aanstaat …’ Natuurlijk is dat de reden van de lijst  dát en de verontwaardiging over die onbeschaamde auteurs die hun mening ook nog eens publiceren en af en toe herhalen. ‘Maar omdat hun mening reactionair is …’ Ik zal maar niets zeggen over de ruime invulling van het begrip ‘reactionair’, maar waarom zouden de kwaliteitsmedia geen meningen mogen publiceren die ‘reactionair’ zijn? Heeft Van Laeken zich ooit die vraag gesteld? Ik verwacht niet dat hij zijn redenen uiteenzet in een stukje dat ‘Ad hominem’ heet, maar de lezer zou toch de indruk moeten krijgen dat achter het boosaardige proza ook enige gedachte schuilgaat, of althans die Schimmer einer Idee.
     Kijk, een auteur mag – moét soms, nietwaar – boosaardig schrijven. Maar dan moet hij zichzelf in zijn inleiding niet voorstellen als een brave hendrik. Hij moet ronduit schrijven dat Doornaert haar mond moet houden juist omdát haar mening hem niet aanstaat. De polemist ergert zich aan bloemetjesbehang? Verbieden dat behang! De polemist ergert zich aan Doornaert? Verbieden die columns! Dan weten we tenminste dat de polemist het bloemetjesbehang en Doornaert écht haat, en tegelijk dat zijn eis tot verbieden gespeeld is.
      Maar een polemist die schrijft dat bepaalde auteurs geen toegang moeten krijgen tot de media omdat hun mening ‘reactionair’ is, een polemist die impliceert dat controverse mag en moet, maar zonder te overdrijven, en dat een mening die haaks staat op de zijne best gepubliceerd mag worden, maar alleen als ze op de juiste manier haaks staat, bij zo’n polemist vrees je dat niet alleen zijn haat, maar ook zijn eis tot verbieden gemeend zijn.
     Ik heb mij ondertussen een mening gevormd over Van Laeken. Hij lijkt mij iemand die zou kunnen antwoorden dat hij Doornaert en anderen niet wil censureren, dat hij hun meningsuiting niet bij wet wil laten verbieden, maar dat hij het alleen fijn zou vinden als ze geweerd worden uit de kwaliteitsmedia. Dat is wellicht zo. Ik verwijt hem niet dat hij een inquisiteur is, alleen dat hij de mentaliteit van een inquisiteur heeft.

maandag 30 maart 2026

Onderwijsdiversiteit en wiskunde











Onderwijsdiversiteit en wiskunde
     
Schooldirectrice Charlotte Zwemmer werd, geloof ik, door De Standaard speciaal aangetrokken om mij om de twee weken op de zenuwen te werken. Of misschien moet ik niet alles op mijzelf betrekken. Misschien is ze eerder aangetrokken om ervoor te zorgen dat het onderwijsdiscours van Zuhal Demir voldoende tegenwicht krijgt. Zo formuleert ze het namelijk zelf. In elk geval, ik lees Zwemmers stukken meestal maar heel opervlakkig om mij een overmaat aan ergernis te besparen.
     Maar dit keer gebruikt ze in haar column belangwekkende cijfers, en cijfers zijn voor mij heilig. Zwemmer citeert namelijk een ‘prijswinnend Vlaams onderzoek van de KU Leuven bij 3000 leerlingen.’ In dat onderzoek werd nagegaan of een ‘sense of belonging’ een positieve invloed had op schoolresultaten. Dat bleek, voorspelbaar, zo te zijn. Maar niet alles wat in de studie staat was even voorspelbaar. Wat moet er volgens het onderzoek gebeuren om de 
sense of belonging aan te wakkeren? Dat is onder andere 
  • leerlingen toelaten om de niet-Nederlandse thuistaal op school te gebruiken
  • rekening houden met de religie van alle kinderen
  • koloniale geschiedenis en racisme bespreken in de les
  •  voorbeelden gebruiken uit andere culturen
      Dat zijn allemaal zaken waar ik geen grote voorstander van ben. Ik vind het beter als de kinderen wél Nederlands spreken op school. Ik zou in scholen zo weinig mogelijk rekening houden met religie. Er mag in de geschiedenisles iets over het kolonialisme worden gezegd, maar niet ten koste van de Bourgondiërs, Rubens, het verlicht despotisme, en de Franse Revolutie. Leraren die voorbeelden gebruiken uit andere culturen zijn mooi meegenomen, maar zoiets hoeft niet per se in het leerplan. Het was aardig dat Michel Berger in de Griekse les over de Koerden sprak als hij een Koerdische leerlinge, Zuhal Demir, in de klas had, maar niet elke leraar kan zo’n grondige kennis van wereldculturen hebben als Michel, en zonder de verwijzing naar de Koerden was hij er ook wel in geslaagd om Demir te interesseren voor zijn vak.
     Maar nu blijkt uit het prijswinnend onderzoek dat het door toepassing van de hierboven geciteerde richtlijnen mogelijk is om de resultaten op een wiskundetoets met 10 tot 20 punten te laten stijgen. Als we die punten als procenten mogen lezen, dan is de correlatie zo spectaculair dat ik mijn mening moet herzien. Zwemmer:

Als leerlingen vinden dat het curriculum aandacht besteedt aan een gedeeld mensbeeld en racisme bespreekbaar maakt, kan de score op de wiskundetoets zelfs stijgen tot 20 punten en meer.

     Het is menselijk dat men feiten en cijfers die de eigen overtuiging tegenspreken met wantrouwen tegemoet treedt. Maar ze gewoon aan de kant schuiven, is onverantwoord. Een specialist die de conclusies niet lust, moet de cijfers grondig onderzoeken, en zal misschien tot de conclusie komen dat de onderzoeksmethode gebrekkig is. Ik las ooit over een onderzoek waaruit bleek dat scholen met een autochtoon, een allochtoon en een gemengd leerlingenbestand precies even goed scoorden op toetsen. Wat later las ik een grondige analyse van de cijfers die liet zien dat de conclusie heel wat minder ver reikte dan wat de krantenkoppen ervan maakten. Eigenlijk toonde de analyse alleen aan dat even slimme, vlijtige kinderen – of ze nu autochtoon of allochtoon waren  even goede punten haalden. Dat dank je de koekoek. 
     Nu ben ikzelf helaas geen specialist. Als leek heb ik niet de plicht noch de mogelijkheid om het prijswinnend onderzoek op methodologische gebreken na te vlooien. Ik kan wel een aantal valstrikken bedenken waar men misschien niet aan gedacht heeft –  of misschien wel. Maar ondertussen zeg ik tegen mijzelf: 20 procent meer op een wiskundetoets omdát racisme bespreekbaar is in een school, dat bestáát niet. 


 Cijfers in columns
     Professor Tom De Herdt begint zijn column (DS 30/3) met een aardige grap over de economische wetenschap. De ene econoom zegt tegen de andere dat er een biljet van 20 euro op de stoep ligt, waarna die laatste poneert dat dat onmogelijk is, want iemand zou het al lang hebben opgeraapt. We kunnen lachen met het dogmatisme van die tweede econoom die zijn theoretisch model boven de empirische werkelijkheid plaatst, maar dat neemt niet weg dat hij meestal gelijk heeft. Briefjes van 20 op de stoep worden heel snel opgeraapt door een voorbijwandelende homo economicus.
      Alleen weten we allemaal dat de staat zich niet altijd als een rationele homo economicus gedraagt, en daarover gaat de column van Tom De Herdt. Hij klaagt de beslissing van de Vlaamse regering aan om nog slechts maximaal 2 procent niet-Europese studenten aan Vlaamse hogeronderwijsinstellingen te subsidiëren. Dat is een besparing van 83,1 miljoen. Maar nu schijnt er een onderzoek te bestaan waaruit blijkt dat een één euro geïnvesteerd in een internationale student 2,4 tot 3,1 euro oplevert aan onze economie en samenleving. De professor besluit:

Dat is goed voor 130.000 tot 197.000 euro per student, oftewel een aderlating van 4,3 miljard euro op het jaarinkomen van het land. Een briefje van 4,3 miljard op onze stoep.

     Het is een van de jammerlijke kenmerken van de column als genre dat je die niet kunt overladen met cijfers. Ik geloof best dat je van 2,4 euro via enkele vermenigvuldigingen aan het bedrag van 4,3 miljard komt, maar de lezer mist enkele factoren om zelf het product te berekenen. De professor kent die factoren maar de lezer kent ze niet niet. Daardoor weet de lezer niet hóe de 83,1 miljoen besparing moet worden vergeleken met de 4,3 miljard verlies. Op welke termijn wordt dat verlies berekend? Gelijkt dat virtuele bedrag op de fameuze ‘terugverdieneffecten’ die meestal virtueel blijven? Moet de ene vogel in de hand altijd versmaad worden vanwege die tien in de lucht? Kan men dat verlies van 4,2 miljard beperken door de subsidiëring van buitenlandse studenten beter te concentreren op de economisch rendabele studierichtingen?
     Vroeger zou ik mij aan die onbeantwoorde vragen geërgerd hebben. Vandaag weet ik dat ik met een uurtje te chatbotten al een flink deel van het antwoord zou kennen. Dat geeft rust. Ik móet die antwoorden niet kennen. Zo erg interesseert het mij ook niet. Dat regeringen vaak moeten kiezen tussen de lange en de korte termijn wist ik al langer. Ik kan hen daarbij niet helpen.


Hoe het transdebat voeren
     Cultuurfilosoof Simon Truwant doet in zijn column  over het transdebat (DS 30/3) iets wat ik ook vaak doe in mijn stukjes: de discussie verleggen naar het metaniveau. Hij neemt geen standpunt in, maar geeft goede raad hóe men een zindelijk gesprek kan voeren over een bepaald thema. Door dat iemand anders te zien doen, besef ik hoe futiel dat is. Mijn eigen excuus voor zulke oefeningen is dat ze me helpen om zelf klaar te zien. Ik vind dat een leuk tijdverdrijf.



De ‘dogmas’ van Tom Hannes
     Dat ik wel eens iets schrijf over Marc Reynebeau was mij ook opgevallen. Ik neem mij voor om daarmee te minderen. Maar blijkbaar neem ik ook makkelijk filosofisch onderzoeker Tom Hannes als schietschijf. Ik heb eens gescrold door mijn eigen stukjes en in minder dan een minuut ben ik zijn naam al vier keer tegengekomen, en altijd om er kritiek op te leveren*.
    En nu lees ik in zijn laatste stuk (DS 28/3) veel waar ik het mee eens ben:

 Niet gelovig zijn is een fulltimejob en een specialisatie. Niet iedereen heeft er evenveel talent en tijd voor. Geloven is de menselijke fabrieksinstelling. We kunnen niet bij alles wat ons verrast ons hele wereldbeeld aan diggelen laten gaan. Het is economischer om een wereldbeeld te bewaren … tot het onhoudbaar wordt en we tot een andere beeld moeten overgaan … [We hebben nood aan] een visie op de wereld en onze plaats daarin … Het eerste biedt intellectuele stabiliteit: zo zit de wereld min of meer in elkaar en daarop kun je vertrouwen. Het tweede biedt een emotionele motivatie … Dat levert enthousiasme op. Dat is belangrijk, want zonder enthousiasme gaat het heel snel slecht met ons.

      Dat lijkt mij allemaal slim gezien en wijs gedacht. Hannes schrijft nog dat ‘enthousiasme’ komt van het Griekse ‘enthousiazein’: geïnspireerd of bezeten zijn door een god. Ook dat kan best waar zijn. Goed, Voltaire schrijft in zijn Dictionnaire philosophique iets anders. ‘Ce mot grec signifie émotion d’entrailles, agitation intérieure.’ Maar in die Dictionaire philosophique staan nog meer vreemde zaken.
     Nee, ik moet mij gewonnen geven, Hannes heeft gelijk. Hij schrijft ook:

Als onze wereld in de greep is van doorgedraaide en funeste vormen van geloof, zit er maar één ding op: een beter wereldbeeld maken dat niet alleen plausibel is, maar ook enthousiasmerend.

     Dat is mij allemaal muziek in de oren. Plausibiliteit speelt een grote rol in mijn wereldbeeld. Ik neem afscheid van Hannes, zwaai met mijn hand, maar net als ik bij de deur kom, draai ik mij zoals inspecteur Columbo om, en stel de schijnbaar naïeve vraag wat die doorgedraaide en funeste vormen van geloof zijn. En dan verraadt de verdachte zichzelf. Het is wel degelijk Tom Hannes. 
 
De moderne westerse esoterie zie je ook in de theologie van het neoliberalisme: het dogma dat alles in orde komt als iedereen voor zijn eigen portemonnee zorgt en de Markt bevrijd is van menselijke inmenging … Dat er weinig van klopt speelt geen rol. De ware gelovige houdt immers voet bij stuk. Toen na de val van de Berlijnse Muur in 1989 hier en daar nog een verzorgingsstaat bleef bestaan, dreven radicale neoliberalen de zaak op de spits met het rechts-populisme.

      Deze korte alinea bevat vijf of zes denkfouten, te beginnen met de gedachte dat de Markt met een hoofdletter moet worden geschreven en dan kan worden geplaatst tegenover de ‘menselijke inmenging.’ De markt is niets anders dan menselijke inmenging. Ik haal er nog één denkfout uit: dat neoliberalisme een dogma is. Het neoliberalisme is evenmin een dogma als het marxisme er een is. Dat betekent niet dat er geen dogmatische marxisten bestaan, of dogmatische neoliberalen. Natuurlijk zijn die er. Karel van het Reve heeft uitgelegd hoe het marxisme in de Russische communistische handboeken tot een dogma verworden was, maar dat betekent niet dat Ion Elster, of bij dichter bij ons Jan Dumolyn, per definitie dogmatici zijn als ze marxistische interpretatieschema’s gebruiken. 

 

  * Die zure oprispingen aangaande Tom Hannes staan  hierhierhier en hier.

   

 

zondag 29 maart 2026

StuBru-iconoclasten


Stubru en de katholieke beelden
     Mag ik iets schrijven over die journalisten van Stubru die in een rageroom van alles hebben stukgeslagen, waaronder ook een beeld van Jezus en Maria? Ik heb het filmpje niet gezien, maar ik heb erover gelezen. Bijna iedereen maakt spontaan de vergelijking met het vernietigen van Mohammedaanse symbolen. Wat zou het verschil geweest zijn als de Stubru-journalisten ook een Koran in brand hadden gestoken?
      De mensen van Stubru zelf vonden dat je symbolen van de eigen cultuur mocht stukslaan, maar niet die van een andere cultuur. Frank D’hanis vindt dat je in onze streken best kunt lachen met Jezus, want dan ‘bevraag’ je een ‘machtsbastion dat nog steeds pedofielen beschermt.’ Dat is volgens hem ‘trappen naar boven’, in tegenstelling tot lachen met de Islam, dat een voorbeeld is van 
trappen-naar-onder. Tja. En dan is er nog het verschil waar Isolde Van den Eynde over spreekt wanneer ze een gebeurtenis aanhaalt die gebeurde in de redactielokalen van Charlie Hebdo.
     D’hanis legt verder nog uit dat het onmogelijk is om beelden van Mohammed te schenden, want die bestaan niet. Maar is Dhanis dat wel helemaal zeker? Lezen we niet in het Chanson de Roland hoe de moslims in Spanje omgingen met het standbeeld van hun Mohammed, nadat ze zich door hem in de steek gelaten voelden: 

                    E Mahummet enz en un fosset butent 
                    E porc e chien le mordent e defulent

                    En M. gooien ze in een ravijn 
                    Waar varkens en honden hem vertrappelen en bijten.


StuBru-iconoclasten
      Ik heb ze niet speciaal gezocht, de verontwaardigde commentaren aangaande de Stubru-iconoclasten, maar ik heb er toch een aantal zien voorbijkomen, van links en van rechts. Rechts was verontwaardigd over het stukslaan van de beelden, en links was verontwaardigd over die verontwaardiging: men had over iets ánders verontwaardigd moeten zijn.
   
     Een veelgedeelde FB-post van rechts was geschreven door Joren Vermeersch. Hij vindt dat zulke respectloze humor niet mag worden uitgezonden door een openbare omroep die betaald wordt met het geld van alle – ook de katholieke – belastingbetalers. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind dat zoiets wél moet kunnen, zeker op zenders waarvan we geredelijk kunnen veronderstellen dat ze weinig katholieken onder hun publiek hebben.
     Vermeersch schrijft ook dat men ‘doelbewust op de ziel van elke katholiek getrapt heeft.’ Dat is zeer twijfelachtig. Als je die StuBru-mensen achteraf hoorde, bleek juist dat ze niét doelbewust, maar eerder ondoordacht te werk waren gegaan. Vandaar dat de katholieke districtburgemeester van Antwerpen Paul Cordy een van hen een ‘stom kalf’ noemde. Met die onkarakteristieke uitspraak bewijst Cordy echter dat er inderdaad op zijn ziel is getrapt. Maar dat betekent weer niet dat er op de ziel is getrapt van élke katholiek. Van véél katholieken, dát geloof ik wel.
     Wat mij in deze reacties van Vermeersch en Cordy geweldig meevalt is dat ze de smakeloze actie aangrijpen om nog eens – tegen hun eigen belangen in zou je kunnen zeggen – de vrije mening te verdedigen. Zij maken tenminste het elementaire onderscheid tussen laakbaarheid en juridisch verbod. Vermeersch schrijft: 

Valt dit nog onder vrije meningsuiting? Wat mij betreft wel, ook al vind het het, naast stupide, moreel verwerpelijk.   

En Cordy schrijft:

Zolang je niet het bezit van een ander, of een stuk erfgoed, stukslaat is dat in een vrije samenleving toelaatbaar. Het getuigt misschien van weinig respect, maar respect is niet altijd een verplichting. Beeldenstormerij getuigt wellicht van intellectuele armoede, maar goed, ook daar hebben mensen recht op.

     Bij links ligt die reflex veel minder voor de hand. Het eerste voorbeeld dat mij te binnenschiet is het autobiografische boekje Another Life, van de Grieks-Zweedse schrijver Kallifatides. Daarin legt hij uit waarom hij destijds geweigerd had de vrije mening van de Charlie Hebdo-redactie te verdedigen. Hij vond dat de vrije mening geen ‘recht op belediging’ inhield. De moslims – de zwakkeren in de samenleving – waren door de cartoons beledigd. In het algemeen mocht er niet worden gespot met godsdienst, want daarmee werd ‘op de ziel getrapt’ van mensen als zijn gelovige grootmoeder, die zoveel had meegemaakt in het leven. Ook had Voltaire nooit gezegd dat je de vrijheid moest verdedigen van meningen waar je niet mee akkoord ging, en bovendien bedoelde hij iets anders. En ten slotte waren spottende afbeeldingen van Mohammed niet beter dan nazi-vlugschriften destijds waarin Grieken als apen werden voorgesteld.
       Een ding moet ik Kallifatides nageven: hij heeft een repliek gevonden op de oude wijsheid: Sticks and stones will break my bones, but words can’t hurt me. Zijn antwoord, dat hij aan zijn grootmoeder toeschrijft, luidt: Words have no bones, but they can break bones. Het is aardig, maar toch heel wat minder leuk dan het origineel. Van de treffende wissel van trochee naar jambe schiet in het vormloze ritme van het alternatief niets meer over;  het rijm stones/bones is vervangen door een rime riche bones/bones, wat meestal onhandig klinkt; en van de mooie assonantie words/hurt blijft niets meer over. Maar misschien klonk de boutade beter in het Grieks of het Zweeds.


donderdag 26 maart 2026

China-pater

     Als we binnenkort verhuizen naar ons appartement, zullen we de meeste van onze boeken niet mee kunnen nemen. Ik heb drie  plankjes China-boeken, en daar zullen er heel wat van sneuvelen. De deeltjes Simon Leys neem ik mee, maar wat doe ik bijvoorbeeld met Jung Chang? Neem ik Han Suyin mee uit nostalgie? Of Fanshen van William Hilton?
     Een van de boeken die ik naar alle waarschijnlijkheid niet zal meenemen is dat van de franciscaanse pater Gabriel Boutsen. Mijn vader kreeg het cadeau van een bevriende abt van die orde. Het boek is van 1963, maar ik moet het gelezen hebben rond 1990. Het heet De vier China’s, waarmee Boutsen Honkong, Macao, Taiwan en Rood China bedoelt. Ik herinner mij nog veel van wat in het boek staat. De pater heeft rondgereisd in het Oosten en met veel mensen gesproken, zelfs met de legendarische Chiang Kai-shek.
      Een van de obsessies van de pater is de ontucht in de wereld. Hij moet op zijn reizen nogal wat straatprostitutie gezien hebben. Hij wordt niet moe van te herhalen dat de andere godsdiensten – Islam, Hindoeïsme, Boeddhisme – wel mooie praatjes hebben over goede zeden, maar dat alleen de christenen en de Kerk echt iets dóen om de ontucht te bestrijden.
     Het voornaamste doel van de pater was om de opkomende sympathie voor communistisch China in het Westen te bestrijden. Het was de tijd dat onze Koningin Elisabeth naar China reisde en bij haar terugkeer verklaarde dat de Chinese bevolking ‘bijna’ zo goed leefde als de Belgische. De pater kon in tegenstelling tot Elisabeth het grootste van de vier China’s niet bereizen, en moest daarom op zoek gaan naar experten. Hij vertelt hoe hij in Hongkong in het gezelschap komt van een groep Westerlingen en de volgende vraag stelt.

 ‘Mijne heren, vrienden in Chicago en de Mid-West hebben me gevraagd om naar Amerika terug te keren met een juist beeld over de toestanden van het eigenlijke China … Mensen in Amerika zien alles, horen alles, lezen alles, maar ze zeggen als besluit: “Nu weten we niets meer. Ga jij maar eens kijken” … Daarom, mijne heren, ik zoek een man, hij moge zijn een atheïst, een vrijmetselaar, een jood, een gestampte heiden. Ik zoek een man die (1) vroeger in China geweest is, (2) perfect Chinees spreekt en verstaat, (3) Chinees leest en schrijft, en (4) die zich uitsluitend met de studie en de wetenschap van het Chinese communisme bezighoudt.’ Ik dacht Zo’n man hebben ze toch niet,maar ze antwoorden met drieën tegelijk: We hebben zo’n man voor jou, met de schaar geknipt.’ Ik vroeg: Is het een atheïst, een francmaçon, een ongelovige? Wel, zeiden ze, het is een jezuïet. Ik was totaal uit mijn lood geslagen. Je verwacht je aan een francmaçon en ze je gooien je daar een jezuïet voor de voeten.

     En dan vertelt de pater over de ontmoeting met de expert.

 ‘Het schijnt, eerwaarde,’ zie ik bescheiden, dat u een en ander weet over het communisme op het Chinese vasteland. De de man sloot zijn ogen, opende heel wijd de armen en zei: ‘Daar weten we alles van.’ Ik antwoordde flitsvlug: ‘You are a true Jesuit’.

     Mooi toch, die milde naijver tussen de verschillende religieuze ordes.
     Ik heb dat allemaal 35 jaar geleden gelezen, maar herinnerde mij die woorden bijna letterlijk. Ik wist ook dat die jezuïet, van wie de naam niet wordt vermeld, Laszlo Ladany moet zijn, van wie ik rond dezelfde tijd het boek over The communist Party of China and Marxism had gelezen. Maar, nu komt het, ik kon die passages die ik mij zo goed herinnerde niet terugvinden in het boek van mijn franciscaan. Ik heb het boek de laatste vijf jaar zeker tien keer uit de kast gehaald, en bladzijde per bladzijde bekeken, en niet gevonden wat ik zocht.
     Maar, en nu komt het opnieuw, gisteren neem ik het boek nogmaals ter hand, en op de titelbladzijde zie ik een aantal notities in potlood, waaronder: p.136-147: Ladany. Hoe is dat nu mogelijk? De waarschijnlijkste verklaring is dat ik het boek niet al te lang geleden – vorig jaar bijvoorbeeld – opnieuw doorbladerd heb, toen het citaat wél gevonden heb, de vondst meteen genoteerd heb, en daarna alles weer vergeten ben.  Maar waterdicht is die verklaring niet. De titelbladzijde bevat nog andere notities en die zijn maar al te duidelijk van 1990, toen ik nog veel wist, en niet van 2025, toen ik al veel vergeten was. Dat Ladany-notitie staat daar waarschijnlijk al van 1990. 
     Is het mogelijk dat ik bij het doorbladeren van het boek iedere keer opnieuw de titelbladzijde heb overgeslagen? Dat kan, maar dat verklaart niet dat ik geen enkele keer de passage zelf gevonden heb, aangezien die toch waarlijk niet verstopt is, meer dan tien bladzijden telt, en in de inhoudstafel vermeld staat als 
‘Grote Hongkong-dialogen. Misschien heb ik al die keren veel minder nauwkeurig gezocht dan ik mij herinner. Of misschien heb ik al die keren een ánder boek doorbladerd. Maar welk boek?
     In elk geval, nu heb ik gevonden wat ik zocht, en de woorden die ik citeer kon ik letterlijk overtypen, zonder mij te moeten verlaten op mijn onbetrouwbare geheugen.

 

The Man From U.N.C.L.E.

     Toen mijn ouders  in 1954 een bioscoop openden in mijn geboortedorp waren er geloof ik nog drie concurrerende zalen, maar na enkele jaren bleven er maar twee zalen meer over, allebei met een naam die verwees naar de antieke oudheid: de Forum van mijn ouders, en de Olympia van de concurrent. De productiehuizen, en dus de films, werden bij gentlemens’s agreement onder elkaar verdeeld: wij kregen Metro Goldwyn Mayer en Universal, de concurrent kreeg Gaumont en 20th Centrury Fox. Als gevolg daarvan zag je bij de concurrent The Sound of Music en James Bond, terwijl wij Mary Poppins en de Man From U.N.C.L.E. hadden, met Napoleon Solo en de enigszins androgyne Illya Kuryakin*. Die laatste films waren eigenlijk niet meer dan uitgesponnen afleveringen van een televisiefeuilleton.
     Guy Ritchie heeft 50 jaar later van de Man From U.N.C.L.E.  een echte speelfilm gemaakt. Ik wist dat die zou tegenvallen, maar heb toch gekeken. Voor de derde keer kom ik een film hetzelfde mopje tegen: een sovjetburger – hier Illya Kuryakin – die tegenover een westerling opschept – impliciet en zeer ten onrechte – over de superioriteit van de Russische mode. De scène speelt zich af in een chique kledingszaak. Napoleon Solo kiest een dure jurk voor Gaby die zich moet voordoen als Kuriakins verloofde. Maar die vind de jurk niet chique genoeg. ‘There is no way my woman is wearing this dress.’ Waarop Solo sarcastisch antwoordt: ‘Really, now you’re a Russian fashion expert?’ De andere films waarin ik het mopje opmerkten waren Ninotchka (1939) en Cold War (2018).**
     Het ergste in The Man From U.N.C.L.E. was de scène met speedboten. In zo’n film woont de geniale slechterik – dit keer een vrouw – op een eiland, en men begeeft zich naar dat eiland met behulp van een speedboot. Ik gooi dan geen schoen naar de televisie, maar roep heel luid: ‘Saai!’ De regel is eenvoudig: scènes met speedboten zijn saai, scènes met helikopters zijn fraai, vooral als die helicopters vanuit de diepte op lijken te stijgen. Ik denk aan Blue Thunder, We Were Soldiers, en een derde film met helikopters waarvan de naam mij nu niet te binnenschiet.
      Pas op, die helikopters kunnen ook saai zijn. Managers met aktetassen bijvoorbeeld die naar een wachtende helikopter lopen en hun hoofd intrekken uit irrationele angst voor de draaiende schroeven. Het ergste is als er iemand aan een vliegende helikopter hangt met de bedoeling om naar binnen te klimmen en daar amok te maken. Dat is gruwelijk, even gruwelijk als scènes waarin de protagonist en de antagonist vechten op het dak van een trein. In de laatste Indiana Jones-film The Dial of Destiny wordt eindeloos rondgerend op het dak van een trein, terwijl de charme van de eerste Indiana-Jones film juist was dat die obligate scènes zo snel mogelijk werden afgewerkt. 

* Over Kuryakin, zie ook mijn stukje hier.

** Over de Russische mode-mopjes, Zie mijn stukje hier

 

woensdag 25 maart 2026

Reynebeau en de kemel van BDW


       Marc Reynebeau heeft zijn bijdrage geleverd aan de discussie rond Cofnas. In tegenstelling tot de meeste bijdragen over dat onderwerp begint hij met een tirade tegen Bart De Wever en N-VA. Ik vermoed dat die obligate omweg langs N-VA begonnen is als een weddenschap, en dat ze dan geëvolueerd is tot een gimmick die dienst doet als handtekening van de auteur. Dat komt ook voor in de dicht-, schilder- en filmkunst. Men identificeert de stukken van Reynebeau niet alleen dankzij de naam onderaan, maar ook door de vindingrijkheid waarmee hij de afkorting N-VA in zijn tekst heeft gesmokkeld. Dit keer verloopt de omweg langs een citaat dat onze premier 
onvolledig, zonder context en in een andere betekenis heeft aangehaald. 

Premier Bart De Wever gaf er nog een staaltje van omtrent zijn mislukte btw-hervorming. Het ‘raspaard’ dat hij in gedachten had, bleek als een stinkende, lelijke en gehandicapte kameel’ uit het coalitieberaad te zijn gekomen. De Wever suggereerde zo dat compromissen alleen tot misbaksels kunnen leiden, al kwam dat, zeker in dit geval, door een gebrek aan politieke coherentie en leiderschap. Om zijn gelijk te illustreren maakte De Wever een allusie op een stelling van zijn verre voorganger Gaston Eyskens. Die illustreerde ermee hoe politiek overleg plannen zo grondig kan transformeren, dat wat als een paard in de kabinetsraad wordt gebracht, er als een dromedaris weer uitkomt.

      De brave Reynebeau schijnt met zekerheid te weten dat De Wever verwijst naar de uitspraak van Gaston Eyskens, terug te vinden in diens postume Memoires : “een dromedaris is een paard dat door de kabinetsraad is gestapt.” Maar dat is lang niet zeker. Heeft Reynebeau zelf de kameel-uitspraak nog nooit in een andere context gehoord, gelezen of gebruikt? Dat valt mij van hem tegen. Ikzelf ken de kameel-uitspraak al heel lang, en heb ze al vaak in gesprekken gebruikt. De Memoires van Gaston Eyskens had ik daarvoor niet nodig. Verder leert internet mij dat de grap in een minder expliciete versie al voorkwam in Reader’s Digest van september 1954, en in zijn klassieke vorm in Sports illustrated van december 1957: ‘A camel is a horse that was designed by a committee.’ 
      Maar Reynebeau heeft nog iets anders ontdekt, (of hij praat die ontdekking na): het racistische en discriminerende taalgebruik van De Wever.

De Wever maakt van Eyskens’ paard een raspaard, wat al een zweem van raciale superioriteit oproept. Dat contrasteert met het inferieure scharminkel   geen dromedaris (één bult), maar een kameel (twee bulten) – inferieur door fysieke gebreken, lelijk en gehandicapt [Reynebeau vergeet hier ‘stinkend’]. Het zijn eigenschappen die niet alleen neerbuigend klinken, maar in het register van de discriminatie bekendstaan als bodyshaming en validisme. Zo schoot De Wever twee keer een kemel.

     Alleen is nog niet duidelijk of De Wever met opzet, dan wel onbewust, voor een kameel-met-twee-bulten gekozen heeft in plaats van voor een dromedaris-met-één-bult. Misschien dacht hij gewoon aan het Engels waar dat onderscheid nog minder strikt dan in het Nederlands wordt gemaakt. Het is evenmin duidelijk of De Wever bedoelde dat álle kamelen stinken en lelijk zijn  een stigmatiserende veralgemening  dan wel alleen die ene kameel waarmee hij de btw-hervorming vergeleek. Ten slotte kan De Wever best eens verduidelijken of hij een ‘raspaard’ nu echt superieur vindt aan, en mooier dan, aan een robuust trekpaard van gekruiste afkomst.
       Dat De Wever niet had mogen spreken over een ‘gehandicapte’ of zelfs ‘andersvalide’ kameel is daarentegen evident. Dat behoeft geen verduidelijking. Het kan best dat een metaforische kameel mank gaat aan zijn linkerpoot, maar dan moet je dezer dagen niet spreken van een ‘gehandicapte kameel’ maar van ‘een kameel met een handicap’ of ‘een kameel met een beperking’. Tot mijn verbazing las ik onlangs dat je ook beter niet spreekt van ‘Turken’, maar van ‘Turkse mensen’.
      Hoe Reynebeau dan uiteindelijk van de kameel bij de Cofnas-rel terechtkomt, zal de lezer zelf moeten ontdekken. Het stuk staat in De Standaard van 25 maart, op de laatste bladzijde. 



dinsdag 24 maart 2026

Luiheid als 7de hoofdzonde


 
     In een column op Doorbraak schrijft Siegfried Bracke tegelijk over een podcast van Steven Fry en over een Humo-interview met neuroloog Guy Leschziner. Zowel in de podcast als in het interview komen de Zeven Hoofdzonden ter sprake: woede, gulzigheid, lust, afgunst, luiheid, hebzucht en trots. Podcasts beluisteren behoort niet tot mijn dagelijkse routine en ons Humo-abonnement hebben we 26 jaar geleden opgezegd. Ik ben dus blij dat Bracke een en ander voor mij samenvat, onder andere dat elke hoofdzonde een positieve en een negatief kant heeft. Bijvoorbeeld: 

Woede is vaak de vonk in het kruitvat geweest, waardoor hele naties in ellende werden gestort.  Maar tegelijk is woede ook de motor van rechtvaardigheid. Vervang woede door verontwaardiging en we spelen een heel ander spel.

     Ik geloof dat dat waar is. Mocht ik wat meer aanleg hebben tot woede en verontwaardiging, stond ik misschien op een iets andere plaats op het politieke spectrum, Hetzelfde geldt voor mijn aanleg tot ‘afgunst’, die trouwens een ondeugd is waarvan Bracke vergeet om de positieve en negatieve kant te belichten. Luiheid is hij niet vergeten, maar over die hoofdzonde verschillen we van mening. Bracke is een bezig bijtje.

Luiheid vind ik de moeilijkste, schrijft hij, daar is geen goede kant aan. Iets doen kan kwalijk zijn; niets doen ook. Niet hervormen bijvoorbeeld, ook als het zonneklaar is dat het niet anders kan en dus moet. Dat is een echte zonde. 

    Terwijl luiheid mijn lievelingszonde is!  Bij het aanwerven van computer programmeurs schijnt men een voorkeur te geven aan luieriken die op zoek gaan naar de gemakkelijkste, en vaak de beste, oplossingen. Op het advocatenkantoor waar ik ooit werkte, keken de oudere partners met wantrouwen naar jonge medewerkers  die tot laat in de nacht achter hun dossiers zaten. Die waren wellicht niet efficiënt bezig. En zelfs mijn eigen inefficiënte luiheid heeft mij vaak voor onnodige of zelfs schadelijke activiteit behoed.
     In de politiek vind ik luiheid nog beter. In het algemeen doet de staat te veel in plaats van te weinig. Bracke heeft gelijk dat men moet ‘hervormen als het zonneklaar is dat het niet anders kan.’ Maar wanneer is het ‘zonneklaar’?  Je kunt a priori zeggen dát er hervormingen nodig zijn, maar je kunt niet a priori zeggen wélke hervormingen er op wélk moment nodig zijn. De twee gulden regels zijn: niet te radicaal,  niet te snel, en niet te veel hervormen. En áls je toch radicale hervormingen nodig acht, kies dan één terrein uit om je reformisme bot te vieren, en stel je voor de rest behoudsgezind op. 


maandag 23 maart 2026

Livestro over BDW

      Ook de Nederlandse historicus Joshua Livestro geeft commentaar bij de normalisering-uitspraak van Bart De Wever, die hij samenvoegt met vergelijkbare uitspraken van Macron en van de Finse president Alexander Stubb.

Ze illustreren hoe Europa nog altijd niet weet hoe om te gaan met dat op expansie gerichten rijk aan zijn Oostgrens.

     Dat klinkt wat kritisch voor BDW, Macron en Stubb, maar ik geloof dat die drie heren het met zijn analyse eens zullen zijn. Ik ook, al ben ik het meestal niét eens met Livestro. De historicus betoogt dat Rusland drie eeuwen heen en weer zwalpt tussen verzoening met en vijandigheid tegen het Westen, dat die vijandigheid zowel geopolitieke als ideologische redenen heeft, en dat we ons voor de toekomst niet veel illusies moeten maken.

De invasie van Oekraïne heeft laten zien dat Poetins Rusland niet geïnteresseerd is in ene partnerschap op basis van betrouwbaarheid en wederzijds respect. Het beste wat we kunnen hopen in de blijvende confrontatie met Rusland is een wapenstilstand, geen eeuwige vrede.

      Dat lijkt mij een realistische inschatting. We kunnen uit de voorbije drie eeuwen geen conclusies trekken voor de komende drie eeuwen. Uiteindelijk is ook een wellicht definitief einde gekomen aan de eeuwenlange vijandschap tussen Engeland en Frankrijk, en Frankrijk en Duitsland. Maar zolang Rusland een autoritair-nostalgische richting uitgaat, is er weinig beterschap te verwachten. Zo bezien is het stuk van Livestro niet gericht tegen BDW, Macron en Stub, maar tegen degenen die in een ‘nieuwe veiligheidsarchitectuur voor Europa’ een alternatief zien voor een stevige bewapening: Walter Zinzen, Tom Sauer, Dirk Rochtus … 

 

zondag 22 maart 2026

De Cofnas-kwestie: Naegels en Devisch


Tom Naegels
       Ik schreef eerder al iets over de 45 Gentse filosofen die Nathan Cofnas willen uitsluiten van hun universiteit omdat hij onderzoek doet naar de relatie tussen ras en IQ. Ik was tegen die vorm van censuur*. En nu heeft de Grand Old Man van de Amerikaanse filosofie Peter Singer lucht gekregen van de zaak en samen met andere professoren, een open brief opgesteld om de academische vrijheid in deze kwestie te verdedigen. Ik heb dus Singer aan mijn kant. Maar er zijn van de week ook enkele stukjes geschreven die de andere richting uitgaan. Eerst was er Seppe De Meulder in De Wereld Morgen. ‘Heb je dat stuk van De Meulder gelezen?’ vroeg een vriend gisteren met een brede grijns. Ik grijnsde terug**.
      Dan was er het stuk van Tom Naegels in De Standaard, dat een antwoord was op een stuk van Boudry. Bij de stukken van Naegels moet ik meestal niet grijnzen. Dan krijg ik veeleer een denkrimpel. Een beetje kort door de bocht vindt Naegels de academische vrijheid in dit geval schadelijk, nutteloos en onmogelijk. Dat is ook zijn standaardbenadering van de immigratiebeperking: schadelijk, nutteloos én onmogelijk.
    Met de schadelijkheid van het onderzoek heeft Naegels zijn beste argument te pakken. Een onderzoek naar ras en intelligentie, schrijft hij, is geen ‘spielerei’, geen ‘interessante piste’ of geen ‘statistisch model’. ‘Als je zwart bent … staat er veel meer op het spel.’ Naegels werkt het argument niet uit, maar dat hoeft ook niet. Anderen, zoals Chomsky, hebben het al gedaan. Zo’n onderzoek als dat van Cofnas kán tot conclusies leiden die mensen leed berokkenen. Of tenminste: zoiets kan in elk geval niet worden uitgesloten.
     Ook dat het Cofnas-onderzoek nutteloos is, maakt niet de hoofdlijn van Naegels zijn redenering uit. Hij schrijft het nergens letterlijk, maar hij vergelijkt Cofnas met getuigen van Jehova, met klimaatontkenners en met lieden die beweren dat ‘de Joden doelbewust samenzweren om het blanke ras te verzwakken.’ De lezer kan dan zelf zijn conclusie trekken. Als de U Gent geen geld en middelen besteedt aan de bijbelstudie van de Getuigen, waarom zou ze dat wel doen met even onzinnig onderzoek naar ras en intelligentie?
      Zo geformuleerd vertoont dat argument verschillende zwakheden. Om te beginnen wordt de onzinnigheid van dat onderzoek op voorhand bewezen verondersteld, een werkwijze die men petitio principii noemt. Een belangrijker bezwaar is dit. De nutteloosheid van onderzoek kan in een academische context enkel worden gemotiveerd door een overduidelijk gebrek aan wetenschappelijke methode – zoals bij de bijbelstudie van de Jehova-getuigen – of door een inbreuk op een overduidelijke wetenschappelijke consensus – zoals die over de gemeten temperatuurstijging. Maar dat geldt allemaal niet over het ras-en-IQ-onderzoek. Het onderzoek, waar het gebeurt, gebruikt biologische, statistische of moraalfilosofische redeneringen die allemaal kunnen worden getoetst op hun wetenschappelijke methodiek.
     Bovendien hangt er rond dat onderzoek weliswaar een taboe, maar dat is niet hetzelfde als een consensus. Er bestaat een verpletterende hoeveelheid aan cijfermateriaal over de ongelijkheid in gemiddelde IQ-scores van blanke, zwarte en Aziatische Amerikanen. Over die cijfers zelf is er geen controverse. De discussie gaat onder meer over de vraag óf, en in welke máte, deze verschillen teruggaan op een genetische basis.
     Op zijn Substack citeert Maarten Boudry bevragingen waaruit blijkt dat een belangrijke minderheid van IQ-onderzoekers en psychologen een zekere mate van genetische invloed niét uitsluiten. Als buitenstaander heb ik de indruk dat de hedendaagse genetica nog niet in staat is om de vraag definitief te beantwoorden. Je kunt uit die omstandigheid zelfs een voorlopig argument puren tegen ras-en-IQ-onderzoek op dit moment: is het niet beter om dergelijk onderzoek uit te stellen en om de genetische onderzoeksmethoden eerst verder te verfijnen aan de hand van minder gevoelige onderwerpen?
     Maar goed, de schadelijkheid en de nutteloosheid van het onderzoek is niet de echte invalshoek van Tom Naegels. Hem is het vooral te doen over de onmogelijkheid ervan. Daarmee bedoelt hij niet dat er geen statistische, biologische of moraalfilosofische methodologie rond het onderwerp mogelijk is, maar hij ziet geen ruimte voor een ‘vruchtbare’ academische discussie. Daarvoor moet er immers voldoende common ground zijn, moet er een sfeer van 
pluralisme, relativering en onthechting heersen, en een mentaliteit van let’s agree to disagree. ‘In deze context,’ schrijft Naegels,

 zou dat iets betekenen als: ‘Als jij accepteert dat ik onderzoek doe naar de lagere intelligentie van zwarte mensen, dan accepteer ik dat jouw onderzoek structureel racisme blootlegt … en daarna drinken we een pint.” 

     Voor mij is dat de ideale wereld, maar Naegels oordeelt terecht dat die mentaliteit vandaag in de verdrukking staat.

 Geen van de beide kampen wil dat [pluralisme]. Ze voelen zich bedreigd door elkaar. En ze verwijten de mensen in het midden, de gematigde progressieven en conservatieven, dat ze geen kant durven kiezen. Voor beide kampen betekent pluralisme lafheid. Wie denkt dat een universiteit zich aan die confrontatie kan onttrekken met een ‘vecht het onder elkaar uit, maar laat ons erbuiten, wij vinden dit gewoon heel erg boeiend’, die maakt zichzelf – weliswaar met een indrukwekkend notenapparaat onderbouwde – blaasjes wijs.

     Ik vind dat onnodig defaitisme. Waarom zouden we ons neerleggen bij een betreurenswaardige situatie? Waarom zouden de mensen in het midden niet terugvechten om het pluralisme te bewaren of te herstellen? Het is niet omdat ze door de extremisten laf genoemd worden dat ze dat ook moeten zijn. En ze hebben allerlei goede troeven. Ze kunnen zich beroepen op een traditie van academische vrijheid. Ze kunnen steun krijgen van een bestuur dat om pragmatische redenen het liefste de twee kampen binnen de universiteit houdt. De wetenschappelijke methodologie biedt een maatstaf om de prestaties van de ‘kampen’ te beoordelen en kan dezelfde functie hebben als de Marquess of Queensberry Rules bij een boksmatch. En er zijn faculteiten waar de discussies nog altijd bestaan uit botsende argumenten, in plaats van uit botsende waarden en wereldvisies. Waarom zouden de sobere wiskundigen het goede voorbeeld niet kunnen geven aan de filosofen en de sociologen?
      Verder is het niet helemaal duidelijk hoeveel kampen er in het geding zijn. Zijn er slechts twee kampen, rechts tegen woke, of is het ‘onthechte’ midden ook een kamp dat kan meestrijden? Dan is dat laatste, zoals ik hierboven betoogde, niet kansloos. Maar beter nog lijkt het mij om aan de kampenverdeling een tweede as toe te voegen: die van verdraagzaamheid versus onverdraagzaamheid. Ik volgde enkele maanden geleden de discussie tussen Maarten Boudry en Stijn Bruers over Gaza. De twee namen allebei een radicaal, zo je wil, extreem standpunt in, alhoewel ze dat misschien allebei zullen ontkennen. Ik heb de argumenten van Bruers en Boudry over Gaza zonder opwinding gelezen. Mijn onthechting verdween echter toen Bruers begon aan te dringen op het ontslag van Boudry als hij niet ophield zijn mening te verdedigen.
       Daarmee plaatste Bruers zich in het kamp van de openlijk-onverdraagzamen, zelfs als hij over Gaza misschien gelijk had. Die twee kwesties – Gaza enerzijds en de academische verdraagzaamheid anderzijds – kunnen van elkaar worden losgekoppeld. Singer, Pinker, Boudry etc. zijn ook tussengekomen in de Cofnas-kwestie zonder zich over de strekking van het onderzoek zelf uit te spreken. Dát is wat een universiteit moet doen. Ze kan zich ‘niet de confrontatie onttrekken,’ ze moet kamp kiezen, en wel voor het pluralisme en verdraagzaamheid***.
     Ten slotte mogen we de lat van het pluralisme gerust wat lager leggen dan Naegels doet: het móet niet altijd, en voor iedereen, en onmiddellijk, leiden tot een ‘vruchtbaar’ gesprek. Ideologische tegenstanders binnen dezelfde universiteit of hetzelfde vakgebied móeten samen geen pint gaan drinken. Ze móeten niet onthecht zijn. Ze mógen vernietigende reviews schrijven waar dan weer vernietigende antwoorden op volgen. De kans dat ze elkaar ‘overtuigen’ is ongeveer nihil. Ze moeten het inderdaad maar onder elkaar uitvechten –  als het kan met argumenten, als het moet met scheldwoorden – want het alternatief is dat je de ‘andere kant’ het zwijgen oplegt. En die censuur is voor de wetenschap erger dan een onvruchtbaar ‘dovemansgesprek.’
      Ik beweer niet dat het waardenvrije wetenschapsideaal van Max Weber binnenkort opnieuw zal overheersen aan onze universiteiten, maar iéts moeten we toch kunnen doen aan de huidige onverdraagzaamheid. Het is één zaak dat progressieve sociologen of neoliberale economen konkelen om geloofsgenoten aan benoemingen te helpen, of dat ze in reviews onrechtvaardig oordelen over de publicaties van hun ideologische tegenstanders. Maar het is een andere zaak als sommigen de onbeschaamdheid zo ver drijven dat ze openlijk benoemingen willen tegenhouden vanwege meningsverschillen, bijvoorbeeld door middel van petities en open brieven. Zo’n openlijke onbeschaamdheid moet openlijk worden aangeklaagd, zoals Peter Singer, Steven Pinker, en die anderen gedaan hebben. Ik had graag gehad dat Naegels dat ook had gedaan.

* Zie mijn stukje hier.

** Over De Meulder zijn stuk durf ik niets schrijven. Hij noemt The Bell Curve een racistisch boek omdat er in de voetnoten naar racistische onderzoekers verwezen wordt. Misschien ben ik nu ook een racist omdat ik op mijn beurt in deze voetnoot naar The Bell Curve verwijs. En dan wordt iemand die mijn blogje deelt ook een racist. Want wie anders dan een racist deelt een blogje van een racist die verwijst naar een racistisch boek waarin naar racisten verwezen wordt? 

*** Ik probeer mij, zo ver als mijn temperament dat toelaat, in het kamp van de verdraagzamen te plaatsen. Onlangs was er aan de VUB een rel rond de aanstelling van de extreem-linkse academicus Harry Pettit. Ik zwijg nu even over diens rare berichten op X, maar ik heb gelezen dat hij onderzoek doet op het gebied van de sociale geografie. Gezien de ideologische meningsverschillen tussen Pettit en mij, verwacht ik dat de conclusies van dat onderzoek ingaan tegen alles waarin ik geloof. Ik zou het daarom fijn vinden als andere sociaal geografen de methodologie van Pettit fileren. Maar ik zou het niet fijn vinden als ze in een moeite door de aanstelling van Pettit betwisten. 



Ignaas Devisch vs. Cofnas

      Hoewel Ignaas Devisch (DS 23 maart) de aanstelling van Nathan Cofnas als onderzoeker aan de U Gent betreurt, schrijft hij ook

 ... dat je niet aan zelfscensuur mag doen, zelfs als je onderzoeksresultaten maatschappelijk ongemakkelijk zijn … Ik zal het ontslag van Cofnas niet eisen. Gegronde kritiek blijft evenwel op haar plaats.

        Daar ben ik het helemaa mee eens, en dat was ook de strekking van mijn stukje dat ik gisteren aan de rel gewijd heb. Of de kritiek van Devisch zelf tot de ‘gegronde’ soort behoort is een andere kwestie. 
     Devisch gebruikt veel scheldwoorden: ‘Cofnas en zijn trawanten,’ ‘obsceen geroep’, ‘Cofnas en zijn kliekje.’
  Hij grijpt nogal gemakkelijk terug naar dubieuze analogieën met ‘de eugenetica die mee de basis gelegd heeft voor politiek moorddadige regimes’. Hij trekt verregaande conclusies uit een algemeen aanvaard beginsel zoals ‘dat ras geen wetenschappelijke categorie is’. En boven alles rijgt hij de intentieprocessen aan elkaar: het enige doel van Cofnas is ‘om aan de bak te komen’, en om met zijn provocaties te bewijzen dat ‘de universiteit woke is.’ Dat zijn in het polemische genre dat Devisch wil beoefenen allemaal geoorloofde kunstgrepen, maar soms is het beter om ze niet allemaal tegelijk in te zetten. Dat laat ik echter volledig aan het oordeel van de polemist over.
     Over het argument dat het ras-en-IQ onderzoek afgesloten is – ‘het zou gek zijn het nog eens over te doen,’ schrijft Devisch – heb ik gisteren als iets gezegd. Ik zal dat niet ‘nog eens overdoen.’ Maar een andere opmerking trok mijn aandacht:

Het komt mij voor dat de betekenis van de academische vrijheid die Cofnas verdedigt, overeenstemt met wat Isaïah Berlin omschreef als “negatieve vrijheid”. Dat negatieve vrijheidsbegrip gaat uit van de gedachte dat anderen je niet mogen hinderen in wat je doet. Grenzen of beperkingen worden consequent geduld als ‘censuur’ of ‘woke’. Of de individuele vrijheidsbeleving mogelijk negatieve gevolgen heeft voor anderen, is vanuit dat perspectief geen overweging … Berlin had het gelukkig ook over een tweede, positief vrijheidsbegrip: vrijheid gericht op de mogelijkheid jezelf te realiseren in relatie tot anderen en de wereld. Dan hou je rekening met de impact van wat je doet, de context waarin je functioneert of de vraag hoe je de vrijheid van anderen en jezelf op elkaar afstemt. 

       Welnee, dacht ik, wat Devisch hier vertelt over de concepten van Isaiah Berlin is helemaal fout. Hij stelt ‘negatieve vrijheid’ voor als egoïsme en ‘positieve vrijheid’ als een evenwicht tussen altruïsme en eigenbelang. Ik hoor hier een pastoor die vanaf de kansel preekt over het verschil tussen ‘vrijheid van’ en ‘vrijheid voor’. Dat heeft allemaal niets met Berlin te maken. Ben ik nu de enige die dat opmerkt? En juist wanneer ik mij klaar maak om over de kwestie in de aanval te gaan, zie ik dat Maarten Boudry op zijn FB-pagina de vervalsing ook heeft opgemerkt:            

 Overigens, Devisch geeft een volkomen verkeerde toepassing van Isaiah Berlins concept van ‘positieve vrijheid’: dat gaat om zelfontplooiing en autonomie, niet om de ethiek van het verantwoord gebruik van vrijheid ten opzichte van anderen.

      De uitleg van Boudry is correct, al heb ik het concept ooit wat polemischer uitgelegd in een voetnoot bij een stuk over Elchardus. Ik citeer hier mijzelf:

 Het 19de-eeuwse onderscheid tussen ‘positieve’ en ‘negatieve’ vrijheden en rechten werd populair dankzij Isaiah Berlin met zijn Two Concepts of Liberty (1958). Bart De Wever gebruikte het in zijn laatste essay in De Standaard. Ook Elchardus gebruikt het onderscheid in Reset, zij het met een zekere tegenzin. Het verschil is niet altijd even duidelijk, biijvoorbeeld bij de migratie- en milieuproblematiek, maar in het algemeen is de negatieve vrijheid van de burger veeleer abstract en inhoudsloos en bestaat erin dat hijzelf om het even wat mag doen of zeggen, zolang hij niemand anders schade berokkent. De positieve vrijheid is concreet en houdt in dat de burger zich ook werkelijk kan ontplooien en daartoe bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen. Persvrijheid is bijvoorbeeld een negatieve vrijheid;  subsidies aan de pers zijn een positieve ‘vrijheid’. Recht op eigendom is een negatieve vrijheid omdat niemand vastlegt wat je met je eigendom moet doen. Een werkloosheidsuitkering is een positieve ‘vrijheid’ omdat de gerechtigde met dat geld, in de woorden van Elchardus ‘greep krijgt op zijn leven.’ Negatieve vrijheden worden in verband gebracht met liberalisme, positieve vrijheden met socialisme.

     Nu geef ik toe dat positieve en negatieve vrijheid moeilijke concepten zijn. Ook Alicja Gescinsca, die zich daarin gespecialiseerd heeft, raakt er niet altijd aan uit. Ik hoorde haar ooit de kwestie uitleggen aan de hand van de Palestijnse vluchtelingenkampen. Het zou een voorbeeld zijn van positieve vrijheid zei ze als de Palestijnen vrij de kampen mochten verlaten en vrij rondreizen. Ik vroeg haar achteraf of het niet juist een kwestie van negatieve vrijheid was die de Palestijnen onthouden werd als hen verboden werd rond te reizen. Ja, zei Gescinsca, ik had dat voorbeeld niet mogen gebruiken.