dinsdag 6 juli 2021

Vierdagenweek of vierurendag



      De filosoof Bertrand Russell schreef in 1935 een essay On Idleness waarin hij ervoor pleit dat de mensen minder zouden moeten werken en meer vrije tijd zouden moeten krijgen. Als logicus wil hij daarvoor alleen de goede argumenten gebruiken; de slechte argumenten versmaadt hij. Zo’n slecht argument is volgens hem dat iemand die te veel werkt, daardoor het werk – en het brood – van iemand anders afneemt. Dat vindt hij belachelijk. Als je die redenering doortrekt, zegt hij, zouden we allemaal zo weinig mogelijk moeten werken en dan zouden we allemaal vanzelf genoeg brood hebben. Goed gezien. Ik vind het altijd grappig als men bij tegenargumenteren een ‘redenering doortrekt’.
     Russell weerlegt het slechte argument twee regels verder ook op een andere manier. Wie teveel werkt, zegt hij, verdient meer, en kan daardoor meer geld uitgeven, en daardoor zorgt hij juist voor werkgelegenheid. Uitstekend. Maar dan kan ik moeilijk aan de verleiding weerstaan om ook die redenering ‘door te trekken’. Betekent dat dan dat we allemaal zoveel mogelijk geld moeten uitgeven en dat we dan allemaal vanzelf genoeg brood hebben? Betekent dat dan dat we rijk kunnen worden door te consumeren? Naar het schijnt zou zekere Keynes zoiets met algebra hebben aangetoond, en tegenover die Keynes voelde zelfs Russell zich een dom jongetje. Ik zeg er verder dus niets over.
     De kern van Russells argument gaat over de morele waarde van arbeid. ‘Arbeid adelt,’ zegt de traditionele wijsheid*. Russell gaat daar niet meer akkoord. Dat is een leer die is uitgevonden door mensen die zelf niet werkten, zegt hij. In vroeger tijden was de productiviteit laag. De boeren konden amper genoeg produceren om in leven te blijven. Alles wat ze meer produceerden dan voor hun levensonderhoud noodzakelijk was – het surplus – kwam terecht bij hun landheer.  Die had er dus alle belang bij dat dat surplus zo hoog mogelijk was. Hij hield zijn boeren voor dat hard werken een morele plicht was, dat je met een arbeidzaam leven je hemel verdiende, en omgekeerd dat luiheid ‘het oorkussen van de duivel’ was.
     Vandaag, zegt Russell, is de oude leer van de landheer overal doorgedrongen. Iedereen gelooft dat arbeid – wat toch niet meer is dan wat materie van plaats te veranderen – een moreel goed is. De kapitalisten geloven het, de socialisten geloven, de fascisten geloven het, de communisten geloven het. En allemaal zijn ze fout. Arbeid dient alleen om iets te produceren dat kan worden geconsumeerd. Als arbeid een moreel goed was, dan zou consumptie als tegenhanger ervan ook minstens een moreel goed moeten zijn.
     Russell stelt dus voor om productiviteitsstijging om te zetten in arbeidsduurvermindering. Als men een nieuwe machine uitvindt waarmee men twee keer zo snel naalden kan maken, dan moet men de werktijd in de naaldensector van acht uur tot vier uur terugbrengen. Anders komen er teveel naalden op de markt, moeten sommige naaldenfabrieken sluiten, ontstaat er werkloosheid en breekt er ten slotte een heuse crisis uit**. Waarom, vraagt Russell zich af, ziet men dat niet? Waarom kiest men niet voor die  eenvoudige oplossing van de vierurendag in de naaldensector en later in de andere sectoren. Hij ziet maar twee verklaringen: het overleven van de oude leer van ‘Arbeid adelt’, en het gebrek aan een democratische planeconomie, waarin men allemaal samen voor de invoering van die vierurendag zou kunnen stemmen.
     Ik zie echter een derde verklaring. Ondanks alle ingelepelde ethiek willen de meeste mensen liefst weinig werken en veel consumeren. Tussen die twee zoeken ze een evenwicht. Veel mensen zouden vandaag, zonder dat daarover een landelijke stemming*** wordt georganiseerd, kunnen kiezen tussen de klassieke achturendag en de vierurendag van Russell. Fiscaal gezien is die laatste keuze zelfs voordelig. En toch blijven die mensen geheel vrijwillig voor de langere werkdag kiezen: om op reis te kunnen gaan, om een groter huis of appartement te hebben, een betere auto, fatsoenlijke kleren en een Netflix-abonnement. In het liedje van Miek en Roel verzaakte de arbeider niet alleen aan de vierurendag maar zelfs aan de grote revolutie voor een ‘koelkast en een oud-Vlaamse haard’(hier).  
    Het is met andere woorden de schuld van het consumentisme. En net zoals er vroeger moralisten waren die de adeldom van de arbeid predikten, terwijl ze er zelf zo ver mogelijk van uit de buurt bleven, zo waren er vroeger ook moralisten die tegen het consumentisme predikten**** terwijl hun eigen consumptieniveau ver boven dat van de gemiddelde arbeider uitstak. Die predikers tegen het consumentisme bestaan nog altijd. Maar prediken, dat weten onderwijsmensen, haalt niet veel uit*****.  

 

* Vandaag verdedigt Charles Murray die arbeidsethiek nog in onder andere The Pursuit of Happiness en Coming Apart

** Russell houdt in zijn redenering geen rekening met de mogelijkheid van economische reconversie. Dat mag. Je moet in een argumentatie niet altijd met alles rekening houden. Anders wordt je tekst te lang, of moet je voetnoten gaan gebruiken.

*** Zou bij een landelijke stemming die achturendag dan verbóden worden.

**** Russell zelf behoorde niet tot die predikers tegen het consumentisme.

***** De anticonsumptie-predikers zouden kunnen aanhalen dat ze oneerlijke concurrentie krijgen van de reclamesector die met grotere budgetten werken. Dat is zeker waar. Maar de hogere klassen in vroeger tijden hadden helemaal geen reclame nodig om zich allerlei vormen van materiële welstand te laten welgevallen. Waarom zouden de lagere klassen van nu die nodig hebben? Ook zijn er producten waar weinig reclame voor wordt gemaakt, en die toch in grote hoeveelheden worden geconsumeerd. Omgekeerd zijn er producten – waspoeder bijvoorbeeld – waar veel reclame voor wordt gemaakt, zonder dat het algemene consumptieniveau ervan stijgt.

5 opmerkingen:

  1. Interessant artikel. Maar volgens mij is de werkelijkheid complexer en is consumentisme niet de enige verklaring voor het gegeven dat er langer dan strikt nodig gewerkt wordt.
    Na de lockdown werd duidelijk dat veel mensen opgelucht waren dat ze terug naar hun bureau konden, en niet meer thuis moesten werken. Nochtans verdienden ze evenveel. Misschien waren er veel mensen (mannen?) gewoon blij dat ze even van huis (en van hun vrouw?) weg konden!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Weg zijn van thuis, sociaal contact ... het speelt zeker een rol, zelfs bij de arbeidsduur. Wie in het onderwijs deeltijds werkt, heeft minder sociaal contact dan de andere collega's.

      Verwijderen
  2. "Naar het schijnt zou zekere Keynes zoiets met algebra hebben aangetoond, en tegenover die Keynes voelde zelfs Russell zich een dom jongetje. Ik zeg er verder dus niets over."

    Kan je de oorsprong hiervan duiden. Ik heb de (3-delige) biografie van Russel gelezen, en dit blijkt hier zeker niet uit.

    Ten gronde zijn arbeidsduurvermindering en de gevolgen ervan een complexe zaak die in het verleden al verschillende malen met succes zijn doorgevoerd. De (licht) sofistische aanpak die ik hier lees doet weinig ter zake. Het gaat vooral over het momentum waarop dit doorgevoerd wordt en het al dan niet succesvol zijn hangt af van de hoeveelheid parameters die gunstig zijn (of niet). Jammer dat dit onderwerp vooral ideologisch wordt benaderd.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Bertrand Russell said of Keynes’s intellect that it was “the sharpest and clearest that I have ever known. When I argued with him, I felt that I took my life in my hands, and I seldom emerged without feeling something of a fool.” Robert Skidelsky, John Maynard Keynes: Hopes Betrayed, 1883-1920 (New York: Viking, 1983), p. 124.

    BeantwoordenVerwijderen