woensdag 1 april 2026

R. Trivers en het morele Godsbewijs, e.a.


Robert Trivers (1943-2026) en het morele Godsbewijs
      Er was een tijd dat Godsdienst een antwoord leek te bieden op wetenschappelijke vragen. Waar komt de bliksem vandaan? Wie heeft ervoor gezorgd dat vogels vleugel hebben om te vliegen en de mensen benen om te lopen? Hoe komt het dat we een geweten hebben? Die vragen zijn ondertussen opgelost door Benjamin Franklin (1706-1790), Charles Darwin (1809-1882), en Robert Trivers (1943-2026). Van die drie is de laatste het minst bekend. Hij heeft zelfs geen lemma op de Nederlandstalige Wikipedia.  Hij overleed één dag voor Paul R. Ehrlich en twee dagen voor Jürgen Habermas, maar in tegenstelling tot de beroemde milieuactivist en de beroemde filosoof kreeg hij weinig aandacht in onze pers.
    
     Dat is nu rechtgezet door de column van Griet Vandermassen (DS 1 april). Vandermassen legt kort enkele ontdekkingen van Trivers uit en haalt een persoonlijke herinnering op: aan die keer in 2002 dat ze een wetenschappelijk congres verlieten om ‘een toeter van een joint te roken.’  Trivers schreef tussen 1971 en 1975 vijf grensverleggende artikels, maar daarna was het gedaan met de spectaculaire ontdekkingen. Volgens zijn collega Steven Pinker kwam dat omdat hij in zijn vijf artikels het maximum gewrongen had uit het uitgangspunt van de ‘selfish gene’ maar ook omdat hij zich voor de rest van zijn leven te goed deed aan ‘toeters van joints’. Trivers was bipolair, en Pinker speculeert dat zijn wetenschappelijke creativiteit losbarstte in periodes van hypomanie, die hij later door marihuanagebruik onder controle had weten te krijgen. 
     Het in memoriam van Pinker is prachtig*. Voor wie nog niets van hem gelezen heeft, is het een mooie inleiding in diens geestige schrijftijl, met dat elegante evenwicht tussen associatie en architectuur. Ook is zijn verzameling Woody Allen-citaten groter dan de mijne. En mocht de lezer niet de minste interesse hebben voor evolutionaire psychologie, kan hij meteen naar de laatste alinea’s scrollen, het deel over de excentrieke persoonlijkheid van Trivers, dat begint met de zin: ‘Trivers’s other contradictions could not be explained by any DSM diagnosis.’
     Trivers, legt Pinker uit, voelde zich aangetrokken tot de zelfkant van de samenleving. Mij doet hij daarom denken aan Sue Hamilton, dat personage in Hammetts Flypaper.  Sue is, net als Trivers, in een voornaam gezin geboren was. 
‘She grew out of childhood with a kink that made her dislike the polished side of life, like the rough,’ schrijft Hammett over zijn heldin. ‘He was afflicted with a strong nostalgie de la boue, schrijft Pinker over zijn held. Trivers was aangenaam gezelschap, had een schat aan straffe verhalen, en kon, door ervaring wijs geworden, goede raad geven over hoe je moest vechten met een machete: ‘It’s all about the angles.’
     En het is dus die Trivers die het morele godsbewijs in zijn simplistische versie, zoals we het in de humaniora aangeleerd kregen, onderuit heeft gehaald. We hebben een geweten, leerden we, dat ons vertelt wat goed en kwaad is, en het was God die dat geweten in ons hart had gelegd. Trivers legt uit dat dat geweten evengoed kan worden verklaard vanuit de evolutie en vanuit de genen. Coöperatief ingestelde exemplaren van het menselijke ras hebben tegenover profiteurs en bedriegers, naast evolutionaire nadelen, ook evolutionaire voordelen. Wat begint** als egoïstische berekening – I’ll scratch your back and you’ll scratch mine – krijgt vorm in gevoelens van sympathie en vertrouwen, van dankbaarheid en trouw, van schuld en schaamte, en van verontwaardiging en minachting. De reden is dat die gevoelens krachtiger werken dan het rationeel afwegen van voor- en nadeel. Daarmee is niet weerlegd dat ons geweten van God komt, maar die stelling is, naar het woord van Laplace, een wetenschappelijk overbodige hypothese geworden was.
     Natuurlijk is daarmee het mysterie van de moraal niet opgelost. De evolutietheorie legt uit hoe het altruïsme ontstaat, niet waaróm het altruïsme ‘goed’ is. De theorie legt uit wat mensen ‘goed’ vinden, maar onderbouwt niet waarom datgene wat mensen ‘goed’ vinden, ook ‘goed’ ís. De theorie legt uit waarom de evolutie ons zowel met egoïstische als altruïstische kenmerken opzadelt, maar zegt niet waarom ík aan het tweede de voorkeur zou móeten geven. Zelfs Pinker geeft toe dat dat ándere vragen zijn. Theologen, filosofen en ethici zullen geloof ik voor hun vak niet zoveel hebben aan Trivers. Trivers heeft geen problemen opgelost voor hun vak, maar voor zijn vak. En naar wat ik ervan begrepen heb, valt er tegen zijn oplossing niet veel in te brengen.

*Zie voor het Pinkers In memoriam: hier.
** Begint ... volgens de logica, niet volgens de chronologie.


Hendrik Vos over deportaties
        Naast veel verontwaardiging bevat de nieuwste column van Hendrik Vos (31/3) een aantal expliciete en impliciete stellingen, waarvan ik er hier enkele overneem overneem.

  1. Trump is een smeerlap
  2. De meerderheid van de asielmigranten zijn géén criminelen
  3. Asielzoekers komen van plekken waar het vreselijk leven is
  4. De draagkracht voor migratie is niet eindeloos
  5. Terugkeerbeleid zal nodig blijven
  6. Gedwongen terugkeer (deportatie) is uit den boze
  7. Er bestaat een ondergrens aan wat menselijk aanvaardbaar is bij migratiebeperking
  8. De kernboodschap van het christendom is mededogen, ook met vreemdelingen.

        Ik ga min of meer akkoord met die stellingen, behalve dan met de zesde. Als 80 procent van de afgewezen asielzoekers weigeren om een uitwijzingsbevel op te volgen, moeten ze met dwang worden uitgewezen. Maar met de rest ga ik akkoord. Zó groot zijn de meningsverschillen tussen Vos en mij dus niet.


Waarom ik niet aan steelmanning doe
     Bij stroman-argumentatie verzwak je het argument van je tegenstander door er een karikatuur van te maken. Dan is het makkelijker om het te weerleggen. Ook het tegenovergestelde bestaat: ‘Steelmanning’.  Dat is een manier van argumenteren waarbij je de positie van je opponent zo sterk mogelijk voorstelt, zelfs beter dan die persoon het zelf deed. Popper doet het allebei in The Open Society. Het deel over Plato is een voorbeeld van steelmanning, het deel over Hegel is een voorbeeld van stromanargumentatie.
    Zelf ben ik zuinig met de twee argumentatievormen. Door te stromannen win je aan bondigheid, en kun je de lachers op je hand krijgen, maar je hebt er zelf weinig aan. Als je discussieert om te overtuigen zal je geen stap verder raken, en als je discussieert om te winnen, voelt de zege aan als onverdiend en leeg. Je hebt de pop onthoofd en de kop rolt voor je voeten, maar het blijft van stro. De overwinning is nep.
     Steelmannen is dat weer te hoog gegrepen. Dan zou ik een boek, of minstens een paper, moeten schrijven in plaats van een blogstukje. Ik zou systematisch moeten op zoek moeten gaan naar de geleerdste en vernuftigste argumenten die tégen mijn zaak pleiten. Misschien komen daar zelfs wiskundige modellen aan te pas. Wat zou ik, die noch geleerd, noch vernuftig ben, noch wiskundig aangelegd ben, daar dan nog aan toe kunnen voegen?
     Ik ben hier, zoals in veel zaken, een man van het midden. Ik argumenteer op het niveau van opiniepagina’s in de krant. Dat is lijkt mij, naast een aangename, ook een nuttige bezigheid. Het is in die journalistieke vorm dat allerlei ideeën leven in de hoofden van de krantenlezende middlebrows. En als er in die vorm allerlei tegenstrijdigheden, dubieuze veronderstellingen, slordige redeneringen, en onhoudbare formuleringen ingeslopen zijn, dan mag daar iets over gezegd worden. Het is een aanwijzing dat de onderliggende, gesofistikeerde, beter onderbouwde versie wellicht ook niet helemaal koosjer is.  


De cijfers van Dikke Freddy 
   
 'Brieven van dikke Freddy’ is een column die in De Standaard verschijnt. Auteur Erik Vlaeminck kruipt in de huid van een dakloze die zijn problemen aankaart bij de groten der aarde. Ik ken mensen die fan zijn van die columns. Wellicht zijn die stukjes goed geschreven, maar mijn ideologische vooroordelen maken het voor mij moeilijk om ze te smaken. ‘Dikke Freddy is een dikke demagoog,’ denk ik vaak. Waarom zou trappen naar boven zoveel hoogstaander zijn dan trappen naar onder? Waarom moet een welgestelde auteur in de huid kruipen van een dakloze? In Nederland had je in de jaren 80 de ‘Notities van een bijstandmoeder’. Daar ontstond toen een hele rel toen bleek dat die stukjes niét door een bijstandmoeder geschreven werden. Het hele genre lijkt mij sociaal engagement op doping. ‘Borrowed suffering’ las ik ooit in een sociologische paper.
     Eigenlijk zou ik die Dikke-Freddy-stukjes wat grondiger moeten bekijken. Dat ze graag gelezen worden, bewijst dat ze een gevoelige snaar raken bij de welgestelde krantenlezer. En vaak staan er ook harde feiten in die de moeite waard zijn om te overwegen. In DS van 1 april schrijft Dikke Freddy dat Colruyt een noodvoedingspakket verkoopt dat toelaat om 24 uur te overleven. Prijs van dat pakket: 29,99 euro. Dat is een interessant getal. Vermenigvuldig dat met 30 en je moet concluderen dat een mens 900 euro per maand nodig om zich alleen al te kunnen voeden. Dat is een getal dat we dan moeten leggen naast bijvoorbeeld de bedragen van OCMW-uitkeringen. Dikke Freddy zelf ontvangt trouwens van zijn schuldbemiddelaar exact 50 euro per week. Dat is geen ideologie, dat zijn cijfers.
     Ik heb, terwijl ik toch bezig was, ook eens aan ChatGPT gevraagd hoeveel de Vlaming dagelijks uitgeeft aan voeding alleen. Wie alleen thuis eet en zuinig boodschappen doet, zou toekomen met 8 tot 10 euro per dag. Wie ook af en toe maar niet te vaak op restaurant gaat of take-away maaltijden gebruikt, komt op 12 tot 15 euro per dag. En wat die schuldbemiddeling betreft, daar geeft ChatGPT toe dat Dikke Freddy gelijk heeft. Het is inderdaad mogelijk, zij het uitzonderlijk, dat iemand met zeer zware schulden een leefgeld krijgt van niet meer dan 50 tot 70 euro per week, waarvan, zoals Freddy schrijft ‘niet alleen voeding, maar ook zeep, het wassalon, kleren, schoenen, sigaretten en horecaverbruik’ moeten worden bekostigd. Alleen de vaste kosten (huur, energie, verzekeringen …), weet ChatGPT, worden apart beheerd en betaald door de schuldbemiddelaar.


D’hanis, Debruyne, Shriver
     Ik zag op Facebook iets voorbijkomen van Frank D’hanis en Heleen Debruyne. ‘In de nieuwe aflevering van onze boekenpodcast bespreken we A Better Life van Lionel Shriver. De hamvraag: is het een rechts boek, of net een satire op rechts? We geraakten het niet eens!’
     Ik wist meteen een aantal dingen met grote zekerheid: 

  1. Dat ik die podcast zou beluisteren, terwijl ik niet van podcasts hou
  2. Dat ik mij flink zou ergeren, niet alleen aan de meningen maar ook aan het zelfgekozen tijdverlies
  3. Dat D’hanis degene was die het boek ‘rechts’ vond en dat Debruyne degene was die er een ‘satire op rechts’ in zag
  4. Dat ze allebei gelijk en allebei ongelijk hadden 
  5. Dat ik er een kort stukje over zou schrijven.
       Het gesprek tussen de geliefden verliep rustig, zonder stemverheffing. Debruyne liet D’hanis uitspreken ook als die niet goed uit zijn woorden raakte. Het gemis aan een moderator die het gesprek in goede banen leidde liet zich voelen: de sprekers herhaalden nogal eens zichzelf, vooral wanneer ze niet goed wisten wat ze eigenlijk wilden vertellen, of als ze over iets niet zo veel te vertellen hadden.
      
Hadden ze het mij gevraagd, had ik kunnen helpen bij de vraag of Shriver nu rechts of links was. Shriver schreef zelf ergens dat ze van kamp verandert als ze van continent verandert. In Engeland is ze rechts, maar als ze naar Amerika reist, wordt ze halverwege de Oceaan links. Of anders gezegd: ze is min of meer libertair, ecomisch centrumrechts, cultureel centrumlinks, en nogal gebeten op woke.
      
Het besproken boek gaat over migratie en migranten. Een progressieve New Yorkse neemt een Hondurese migrante in huis, waarop er andere Hondurese migranten volgen, en dat zijn geen lieverdjes. Een aantal van de autochtone Amerikanen in het boek hebben radicale opvattingen over en tegen migranten. D’hanis gelooft dat het boek de vooroordelen van rechts over migratie bevestigt en dat Shriver minstens een aantal van die vooroordelen deelt. Debruyne gelooft dat met die vooroordelen de spot wordt gedreven. Om het zeker te weten zou ik het boek moeten lezen, maar zoals ik Shriver ken is de kans groot dat ze met iederéén spot: met de do-gooders die geloven dat alle Hondurezen lieverdjes zijn, en met de simplistische MAGA-figuren die geloven dat alle Hondurezen criminelen zijn –  terwijl ze ondertussen zelf gelooft dat er best iets tegen de illegale immigratie mag worden ondernomen.
      
In de discussie liet Debruyne zien dat haar snaren wat literatuur betreft fijner zijn afgestemd dan die van D’hanis. Ze aanvaardt bijvoorbeeld de mogelijkheid dat Shriver in ‘een rechtse rabbit hole terecht is gekomen,’ maar dat ze als schrijfster boven haar politieke opvatting uitstijgt en haar personages tegelijk als karikaturen en als mensen neerzet. Wel vindt ze dat de Hondurese personages slecht getroffen zijn. Dat komt, denkt ze, omdat Shriver niet genoeg met Hondurezen heeft opgetrokken. Als ik het boek lees, zal ik dat waarschijnlijk niet merken, omdat ikzelf ook weinig met Hondurezen optrek.
      
D
hanis en Debruyne hebben zich op de podcast voorbereid door commentaren over het boek te lezen, en daar hebben ze allebei iets interessants over te zeggen. D’hanis heeft vooral commentaren op Goodreads gelezen, en daar waren veel vijfsterrenrecensies bij. Hij vond dat verdacht. Vijf sterren werden in zijn ervaring alleen gegeven aan absolute meesterwerken, of aan boeken die een voor de lezer welgevallige politieke strekking hadden. Dat is juist. Zo werkt dat bij het sterrengevend lezerspubliek. Bij allerlei enquêtes naar het meest geliefde boek in de VS komt stelselmatig Ayn Rands Atlas Shrugged naar boven drijven. Ook ken ik veel mensen die een middelmatig-tot-goed boek als Dubbelganger van Naomi Klein een meesterwerk vinden. 
      Eigenaardig genoeg schijnt Dhanis te denken dat hijzelf een uitzondering op die regel is. Zelfkritische reflectie lijkt mij zijn sterkste kant niet. Hij haalt aan dat hij een ongelooflijk rechts boek als Soumission van Houellebecq toch wel goed geschreven en grappig vond. Dat is fijn voor hem, maar het is niet omdat we soms een keer boven onze politieke vooroordelen uitstijgen dat we ons niet meestal door die ballast naar beneden laten trekken in onze beleving van film en literatuur*.
      Wat Debruyne zei was nog interessanter. Het was haar opgevallen dat de meer officiële kritiek het boek heel negatief had besproken. Ze vond dat verdacht. Ze had al vaker gemerkt, zei ze, dat critici hun politieke voorkeuren lieten meespelen. Boeken die zeker niet beter waren dan dat van Shriver kregen heel wat betere kritieken omdat ze binnen de linkse consensus vielen. ‘Heb je daar een voorbeeld van?’ vroeg D’hanis. Zo’n voorbeeld kon Debruyne niet één-twee-drie geven. Je zou zulke voorbeelden telkens als je ze tegenkomt moeten noteren in een klein boekje. 
     Zelf heb ik wat Debruyne vertelt al vaak gemerkt bij filmrecensies. Bij heel lovende of afbrekende filmrecensies probeer ik snel na te gaan of de film niet een of andere ‘maatschappijkritische tendens’ bevat. Dan krijgt hij meestal enkele sterretjes teveel. Is een film daarentegen niet maatschappijkritisch genoeg, dan merk je dat niet alleen aan de karige sterretjes, maar ook aan de minachtende opmerkingen die de recensent daarover maakt. Ik schrijf zulke voorbeelden niet op in een boekje, maar ik heb er geloof ik al een paar blogstukjes aan gewijd. 


* Zelf ben ik als filmliefhebber aan de links-liberale bias van Hollywood zo gewend geraakt dat het mij niet meer stoort. Mocht dat niet zo zijn, had ik al lang van hobby moeten veranderen. Maar als die bias ontbreekt, is dat voor mij altijd een aangename verrassing.