 |
Die van links heeft ondertussen zijn haar bij laten knippen |
Over Pinkers boek Verlichting nu bestaan twee vooroordelen die ik meteen van de baan
wil. Het eerste is dat het boek over de Verlichting zou gaan. Dat is niet het
geval. Pinker heeft niet in oude boeken zitten snuffelen om na te gaan wat
Voltaire nu weer juist gezegd heeft, en in welke mate dat verschilt van wat
Diderot, Rousseau of Beccaria beweerd hebben. Die namen komen een paar keer in
het boek voor, maar ontbreken in de literatuurlijst. Je vindt in die lijst wel
de namen van Kant en Adam Smith, en van Nietzsche, als
anti-Verlichtingsdenker, maar veel verder gaat het niet. Je merkt aan alles dat
Pinker zijn tijd liever besteedt aan recente vakliteratuur over feiten, meer
dan aan boeken met overpeinzingen uit een erudiet verleden. Een mens kan niet alles doen.
Dat is overigens geen groot nadeel. De grondgedachte van Pinkers boek is dat we
in een altijd maar betere wereld leven en dat dat komt door de wetenschap, de
rede en het humanisme. Je moet al van kwade wil zijn om te ontkennen dat
wetenschap, rede en humanisme wel degelijk iets, en wellicht veel, met de
Verlichting te maken hebben. Zo fout is de boektitel dus niet.
Het tweede vooroordeel, gevoed door een
aantal recensies, is dat het boek een saaie en vermoeiende opsomming zou zijn
van statistieken. Dat is niet het geval. Er komen wel veel statistieken in voor
– 75 – maar het boek wordt daardoor niet saai, zelfs als je niet van die dingen
houdt. Dat komt omdat Pinker, binnen zijn genre, een heel goede schrijver is.
Ook als hij over statistieken schrijft, blijft hij boeiend en levendig. Bij elk
cijfer gaat hij op zoek naar een originele invalshoek, een treffende
vergelijking, een leuke anekdote, een onverwachte interpretatie, een aardige
omschrijving van de onderzoeksmethode … En het sterkst is hij in zijn boutades.
Pinker heeft daar een talent voor, zowel om die zelf te verzinnen als om die te
verzamelen bij andere auteurs. Van Steven Radelet leent hij een fraaie
uitspraak over de held van mijn jeugd: ‘In 1976 heeft Mao in zijn eentje de
aanzet gegeven tot een dramatische daling van de wereldarmoedecijfers: door te
sterven.’ Bij Morgan Housel vindt hij een treffende samenvatting van zijn eigen
probleem als prediker van de vooruitgang: ‘Pessimisten geven de indruk dat ze
je willen helpen, optimisten dat ze je iets willen verkopen.’ En voor wie
ontevreden blijft zolang de diepste zin van het bestaan niet achterhaald is,
heeft hij enkele phrases assassines van eigen makelij. ‘Een lang leven, een
goede gezondheid, begrip, schoonheid, vrijheid, liefde … Ja, er moet toch iets
meer zijn!’ Of deze: ‘De eerste stap naar wijsheid is het besef dat de wetten
van het universum zich van jou niets aantrekken.’ Ook regelneven krijgen ervan
langs: ‘Een regering die de macht heeft om pottenbakkerij te verbieden, zal nog
wel enkele andere dingen verbieden ook.’
Het nadeel van Pinkers levendige stijl
is dat hij zich soms laat meeslepen door zijn voorbeelden en dan schrijft hij
wel eens iets dat hij niet zo precies meer weet of nooit zo precies geweten heeft. ‘Schopenhauer
was een ‘cultuurpessimist’. Dat woordje ‘cultuur’ is er geloof ik teveel aan. ‘Heidegger
en Carl Schmitt waren “gung-ho nazis”.’ Gung-ho – dat heb ik opgezocht – betekent
enthousiast en overijverig, en dat lijkt mij niet de juiste nuance voor de
voornoemde geleerden. ‘Hitler was een “deïst” die meende Gods werk uit
te voeren door de Joden uit te roeien.’ Mja … neen, eigenlijk niet. ‘Hayek
heeft in Road to Serfdom voorspeld
dat sociale zekerheid naar dictatuur zou leiden, en dat is niet gebeurd’. Als ik mij goed herinner had Hayek het over
de planeconomie die naar dictatuur
zou leiden. Die dictatuur is er niet gekomen, maar die planeconomie ook niet. ‘Anna
Karenina zou géén zelfmoord hebben gepleegd indien ze in een verlicht en kosmopolitisch
milieu had geleefd.’ We kunnen het haar niet vragen natuurlijk, maar haar
milieu was in elk geval behoorlijk kosmopolitisch en verlicht, en die zelfmoord
zat er al aan te komen na dat ongeluk met die spoorwegarbeider in het
achttiende hoofdstuk van deel I. Toch doen al die onnauwkeurigheden weinig af
aan de boodschap die Pinker wil meegeven. Er bestáán cultuurpessimisten. Veel
intellectuelen hébben meegeheuld met de tirannen van de twintigste eeuw. Sociale
zekerheid ís verenigbaar met democratie. En in de negentiende eeuw wáren er onafhankelijke
vrouwen die leden onder de verstikkende normen van hun milieu, en we kunnen dat
inderdaad afleiden uit romans van die tijd.
Eén enkele keer strekt de levendige
stijl van Pinker zich ook uit tot de titel van een hoofdstuk. In het begin van
het boek, krijgt de lezer een beknopte samenvatting van de huidige stand van
zaken in het heelal, onder de aanstekelijke titel: ‘Entro, evo, info’, wat
staat voor entropie, evolutie en informatie. De materiële wereld valt uit
elkaar (entro), binnen dat verval ontstaat en evolueert het leven (evo), en een
van die levensvormen, de mens, verzamelt en verwerkt informatie (info) om zijn
omgeving, in weerwil van de entropie, naar zijn hand te zetten. Het is een
meeslepend stuk voor wie daar weinig van afweet, want Pinker is erg knap in het
vulgariseren. En het plaatst de Verlichting tegen een heldhaftige achtergrond. De
strijd gaat niet alleen tegen enkele achterlijke opvattingen of praktijken uit
de middeleeuwen, nee, de strijd gaat tegen niets minder dan de almachtige entropie
zelf. Dat is enthousiasmerend. Zo konden marxisten indertijd een staking in een
textielfabriekje voorstellen tegen de achtergrond van een klassenstrijd die al
begonnen was bij Spartacus. Bij Pinker is alles al begonnen, niet tweeduizend
jaar geleden, maar 13 miljard jaar geleden.
Pinker gebruikt een groot deel van
zijn boek om te bewijzen dat het met de mensheid de goede kant op gaat. De
wereld waarin we nu leven, is een betere dan die van vroeger. Om te beginnen
leven we langer dan vroeger. De gemiddelde Europeaan werd in 1870 niet ouder
dan 35 jaar. Nu wordt de gemiddelde Europeaan 80, de gemiddelde Aziaat 70 en de
gemiddelde Afrikaan bijna 60. Met zulke cijfers krijgt de zwartkijker het
moeilijk. Hij zal iets mompelen over luchtvervuiling, ongezonde levensstijl,
stijgende misdaad, discriminatie, kinderarbeid, terrorisme, en over al die
landen waar oorlog woedt en dictatuur heerst. Dat is nu juist iets wat je niet
moet zeggen als Pinker in de buurt is en hij je kan horen, want dan komt hij
pas goed op dreef. Voor al die zaken diept hij cijfers en statistieken op die
laten zien dat de luchtvervuiling daalt, de gezondheid verbetert, de discriminatie
afneemt, het met de misdaad de goede kant op gaat, kinderen overal langer naar
school gaan in plaats van vroeger te gaan werken, en dat er nu minder – en
minder grote – oorlogen zijn dan vroeger, en meer democratie. Over
IS-terrorisme valt natuurlijk niets positiefs te zeggen, behalve dat het in het
Westen minder doden vallen dan we soms denken*, en dat aan vroegere
terreurgolven van anarchisten, nihilisten, marxisten en nationalisten ook een
einde is gekomen.
Bij die cijfers kun je je verschillende
vragen stellen. Vooreerst, zijn ze betrouwbaar? Mark Twain vond statistieken de
overtreffende trap van leugens, en Churchill beweerde alleen díe statistieken
te geloven die hij zelf had vervalst. Maar in tijden van Google, Wikipedia en
fact checking worden geloof ik weinig cijfers en statistieken nog echt
vervalst. Wel zie je vaak spectaculaire getallen die speciaal worden uitgekozen
om een boodschap te ondersteunen: over de 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten
van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566
procent in één jaar. Daar kun je Pinker niet op betrappen. Zijn cijfers hebben
goede bronnen, laten vergelijking toe, overspannen grote periodes, doen ter
zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en
gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes. De vijanden
van Pinker (Taleb, John Gray) hebben een aantal scherpe bedenkingen geformuleerd
bij zijn cijfers en zijn interpretaties, maar ik geloof niet dat ze even goede
cijfers en statistieken kunnen voorleggen die het tegenovergestelde van wat Pinker beweert ondersteunen.
Het zou fijn zijn als die tegenstanders eerst toegaven dat Pinker in grote
lijnen gelijk heeft, voor ze aan detailkritiek beginnen.
Toch zal menige lezer net vanwege de
cijfers het boek boos dichtklappen, zeker als die cijfers niet overeenkomen met
het beeld van de werkelijkheid dat die lezer koestert. Het zal de godsdienstleraar veel verdriet doen, als hij verneemt dat de armoede in de wereld
afneemt, want als het zo verder gaat zijn er straks geen armen meer om solidair
mee te zijn. Menig groene jongen of meisje zal humeurig worden bij cijfers over
een grondstoffenvoorraad die toeneemt, over uitlaatgassen die afnemen, over een
tropisch regenwoud dat minder ontbost
wordt, over tankers die minder olie
in zee lozen. En voor de herverdelende socialist is er ook slecht nieuws: de
armen worden niet armer en de ongelijkheid neemt op wereldschaal niet toe. Ik heb in een vorige stuk op Doorbraak (hier) al eens de
‘olifantengrafiek’ besproken die Pinker overneemt en die laat zien dat er in de
wereld twee groepen spectaculair vooruitgaan: de grote groep werkende mensen in
Azië en de kleine groep grootverdieners overál. Maar de armen in Afrika gaan óók
vooruit, net als de kleinverdieners in de rijke landen.
Feiten, cijfers en statistieken zijn
lastig als ze niet ondersteunen wat je graag gelooft. Maar er is nog iets
anders dat sommigen vervelend vinden. Feiten, cijfers en statistieken vertonen
geen emoties; ze zijn harteloos. Daarom zal de gevoelsmens vaak afhaken. Pinker
wijst erop dat de extreme armoede (momenteel vastgelegd op een dagelijks
inkomen van 1,9 $) sinds 1970 gedaald is van 50 % van de wereldbevolking, naar
10 % van de wereldbevolking. Als hij zich daarover verheugt, dan lijkt het
alsof hij die 10 % allerarmsten van vandaag niet zo erg vindt. ‘Verlichting nu,
empathie later,’ schrijft één van de tegenstanders van Pinker.
Je komt die reflex vaak tegen bij de
tegenstanders van Pinker. Ja, er is vooruitgang, minder armoede, meer
veiligheid, betere gezondheid, geeft men toe, maar niet overal!!!. Dat klopt evenwel niet. Die vooruitgang is er
juist wél overal. Of je nu in Europa, Azië, of Afrika geboren wordt, overal heb
je vandaag statistisch meer kans op een langer leven, een betere gezondheid, en
een veiliger omgeving. Maar de gevoelsmens maalt niet om statistiek. Wat heb je
eraan dat de extreme armoede gedaald is tot 10 %, zo denkt hij, als je zélf tot
die 10 % behoort? Wat heb je eraan dat er minder oorlog is in de wereld, als jóuw
ziekenhuis gebombardeerd wordt? Wat heb je eraan dat het aantal verkeersslachtoffers
daalt, als jóuw kind door een auto wordt meegesleurd? Zolang er één iemand in
extreme armoede leeft, zolang er één bom valt op één ziekenhuis of school,
zolang er één kind door één auto wordt meegesleurd, is er geen reden om te
juichen. De meeste van die gevoelsmensen die zich aan Pinker storen behoren
overigens niet tot die tien procent allerarmsten, komen in ziekenhuizen die
niet gebombardeerd worden, en hun kinderen komen dagelijks veilig op school aan.
Zij lijden, zou je kunnen zeggen, aan een ‘borrowed suffering’-syndroom. Pinker
noemt het de illusie van ‘I’m OK, They’re Not’.
Nu, er zijn onder de cijferaars en de statistici ongetwijfeld harteloze
mensen, zoals er onder hen die het wereldleed torsen ongetwijfeld
schijnheiligen zijn. Die verwijten van harteloosheid en van schijnheiligheid
brengen ons niet veel vooruit. Het is interessanter om ons af te vragen wat we
we uit die cijfers van Pinker kunnen besluiten. Pinker gelooft dat de wereld in
toenemende mate in de ban is van Verlichting en liberalisme en gereguleerd
kapitalisme. Dat is volgens hem de verklaring van het goede wereldrapport voor
levensverwachting, gezondheid, enzovoort. De linkerzijde kan daar vier dingen
tegen inbrengen: (a) de cijfers zijn fout, (b) die cijfers zijn niet het gevolg
van dat gereguleerde kapitalisme, (c) die cijfers zouden onder een socialistisch
systeem nog beter zijn en (d) Pinker is een ploert. Ik heb in de
anti-Pinkerstukken die ik las weinig overtuigende pogingen gezien om
(a), (b) of (c) hard te maken.
Het eerste deel van Pinkers boek
ondergraaft dus vooral de zekerheden van links. Iets over de helft komt Pinker
op het terrein van rechts. Wat betekent al die materiële vooruitgang voor de
morele vooruitgang en voor het menselijk geluk? En: is het menselijk geluk het
opperste ideaal? Moeten we niet eerder streven naar een deugdzaam, misschien
zelfs religieus leven? En: moet een samenleving niet steunen op
gemeenschappelijke waarden in plaats van op altijd maar meer consumptie? Over
dat geluk kan Pinker nog terugvallen op statistieken, maar ze bieden minder
vaste grond. De trendlijnen zijn minder steil, de begrippen zijn minder
afgebakend, de factoren die meespelen zijn talrijker? Wat is geluk? Is er een
verschil tussen een gelukkig en een zinvol bestaan? Zíjn we eenzaam of vóelen
we ons eenzaam of zéggen we dat we ons eenzaam voelen? Bieden de sociale media
écht menselijk contact? Voel je je door stress gelukkiger of ongelukkiger? Zijn
cijfers over zelfmoord en depressie betrouwbaar?
Pinker probeert zo goed en zo kwaad als
hij kan, tussen de moeilijkheden door te laveren. Ja, geluk stijgt met
toenemende rijkdom, maar veel trager dan die rijkdom zelf. En ja, je moet met
veel dingen rekening houden. Als je met dezelfde rijkdom in Costa-Rica geboren
bent dan wel in Rusland, zul je in dat eerste land gelukkiger zijn dan in het
dat tweede. In de VS is er de laatste tijd een daling in het aangegeven geluk,
ondanks de toegenomen welvaart. Het onderzoek naar geluk is nog nieuw en de
conclusies gaan niet altijd in dezelfde richting. Dat neemt niet weg dat volgens
het recentste onderzoek, de relatie tussen rijkdom en geluk eigenlijk nauwer is
dan men eerst had gedacht. Ook zou het geluk, in tegenstelling tot wat Gentse
onderzoekers onlangs beweerden (hier),
blijven stijgen zelfs als men al veel rijkdom heeft. Als het over geluk gaat,
schrijft Pinker, had Wallis Simpson half gelijk toen ze zei: “You can’t be too
rich or too thin.”
Ook is het moeilijk om het geluk
over de eeuwen heen te meten. Het gedachte-experiment met de teletijdmachine
helpt ons niet veel verder. In de romantische komedie Kate & Leopold kiest Meg Ryan ervoor om haar geliefde te
volgen naar het Victoriaanse tijdperk. Maar misschien heeft ze een voorraadje
anticonceptiemiddelen meegenomen en iets tegen de hoofdpijn. Zelf wil ik niet
terug naar de tandartsen en de sanitaire voorzieningen van mijn jeugd. Maar was
ik daardoor ongelukkiger? Ik weet het niet. Misschien zou de discussie wat
makkelijker verlopen als Pinker af en toe erkende dat er naast vooruitgang ook
achteruitgang kán zijn. Ik heb de school meegemaakt van de jaren 60-70 en ik
ken de school van nu. Veel is gelijk gebleven, sommige dingen zijn verbeterd,
andere zijn slechter geworden. Ik betrouw mijn geheugen onvoldoende om die
dingen af te wegen – we are wired for
nostalgia, schrijft Pinker – maar dat er én verbeteringen én verslechteringen zijn,
dat weet ik wel zeker. Om maar iets te noemen, de leerlingen spreken beter voor
de klas, en ze kennen minder Frans. Ze kennen meer films, en minder boeken.
Over deugd en deugdzaamheid is Pinker
nog voorzichtiger. Hij beseft de valkuilen van de Kantiaanse plichtsmoraal, net
zo goed als die van de utilitaristische leus ‘zoveel mogelijk geluk voor zoveel
mogelijk mensen en zo weinig mogelijk leed voor zo weinig mogelijk mensen’.
Maar hij heeft een voorkeur voor de tweede benadering. ‘Humanisme komt met een
utilitaristisch smaakje,’ schrijft hij voorzichtig. Zijn sterkste argument
heeft Pinker beet als hij het utilitarisme als gemeenschappelijke grond aanduidt
voor mensen met verschillende morele overtuigingen. ‘Wanneer mensen met een
verschillende culturele achtergrond met elkaar overeen moeten komen over een
morele code, grijpen ze terug naar het utilitarisme.’ Pinker illustreert dat
met een uitspraak van Jacques Maritain die samen met andere intellectuelen –
christenen, atheïsten, moslims, confucianisten – een lijst van mensenrechten
moest opstellen. Het opstellen van die lijst verliep vlot ondanks de hevige
ideologische meningsverschillen. ‘We gaan akkoord over die mensenrechten,’
zeiden de opstellers, ‘maar alleen op voorwaarde dat niemand ons vraagt naar
het “waarom” ervan.’ Misschien was er ook een verzwegen voorwaarde dat niemand
mocht vragen naar het “hoe”, denk je dan.
Minder voorzichtig is Pinker als hij
schrijft over godsdienst. Hij verwerpt, helemaal in de lijn van Richard
Dawkins, élke vorm van godsdienst die hij voor een wat achterlijke en niet
helemaal eerlijke concurrent van het wetenschappelijke denken houdt. Maar zijn
zwaarste kritiek geldt de Islam. ‘Alle oorlogen die woedden in 2016 vonden
plaats in landen met een moslimmeerderheid of hadden te maken met islamistische
groepen, en die groepen waren verantwoordelijk voor de grote meerderheid van de
terreuraanslagen.’ Pinker wijst daarbij streng naar de fundamenten zelf van
de Islam. ‘Het probleem begint met het feit dat veel voorschriften van de
Islamitische leer, letterlijk genomen, uitbundig anti-humanistisch zijn. De
Koran bevat tientallen passages die oproepen tot haat tegen ongelovigen, tot
martelaarschap en tot een heilige oorlog onder de vorm van gewapende strijd.’ En
het ergste vindt hij dat de moslims hun godsdienst, ook mét die ingebouwde
haatboodschappen, zo letterlijk en zo serieus nemen. ‘De Islam heeft ook zijn
versie van ‘culturele joden’, ‘cafetaria katholieken’ en ‘CINO’s’ (Christians
in Name Only),’ schrijft Pinker. ‘Het probleem is dat die goedaardige
hypocrisie zo onderontwikkeld is in de hedendaagse moslimwereld.’ Pinkers enige
hoop is dat de moslimjeugd, althans in de moslimlanden, zich in versneld tempo
aanpast aan de Verlichtingswaarden, waarbij hij, misschien wat optimistisch,
verwijst naar de Arabische lente. Pinker heeft ook weinig geduld met berichten
over islamofobie en geweld tegen moslims in de VS. ‘Die komen van organisaties,’
schrijft hij, ‘die voor hun financiering afhankelijk zijn van paniek en
overdrijving, eerder dan van objectieve registratie.’ Zouden wij in Vlaanderen
ook zoiets hebben?
In sociaal-economische aangelegenheden is Pinker een centrist, een
Obama-bewonderaar, een Ikea-socialist als je wil, die probeert gelijke afstand
te bewaren van conservatisme, marxisme en libertarisme. Links en rechts vindt
hij achterhaald, omdat ze problemen willen oplossen die in de samenleving van
vandaag al grotendeels zíjn opgelost. Zo’n centristische positie is verduiveld comfortabel.
Je kunt naar believen kritiek geven op de twee ‘extreme’ standpunten zonder zelf
te moeten aanduiden waar precies het juiste midden ligt. Pinker verwijt links
dat het de voordelen ontkent van de vrije markt, en rechts dat het de voordelen
niet ziet van ‘herverdelende’ maatregelen. Zelf zegt hij dat vrijemarktkapitalisme
verenigbaar is met “any amount of
social spending”. Any – om het even
welk – dat is behoorlijk veel, vooral omdat hij op andere plaatsen wel degelijk
schrijft over ‘too much social spending”
dat ‘perverse incentives’ in het leven roept. Pinker lost het probleem nogal
gemakkelijk op door zowel van rechts als van links een karikatuur te maken. Zo
verwijt hij de Amerikaanse republikeinen dat ze tegen élke vorm van sociale
uitgaven zijn, en de Bernie Sanders-mensen dat ze tegen élke vorm van vrije
markt is. Geen van beide is waar, geloof ik.
Dat centrisme van Pinker zie je ook als
het over immigratie gaat. In een interview met De Volkskrant zei hij het volgende: ‘De Verlichting kan geschaad worden
door overhaaste immigratie. In 2015 rees in Europa het beeld van een grote
instroom van mensen die niet of moeilijk geïntegreerd kunnen worden. Dat kan
een deel van de Verlichting, het vrije verkeer van mensen, in gevaar brengen … Neem mijn eigen land, Canada. Canada heeft een
doordacht en gecontroleerd immigratiebeleid. Geen open grenzen, maar elk jaar
wordt een quotum aan legale arbeidsmigranten en vluchtelingen toegelaten.’ Wij
krijgen hier een rationeel principe aangereikt: een land bepaalt hoeveel immigranten
het toelaat in functie van zijn eigen noden en draagkracht. Maar dat principe
kan worden gebruikt om een heel restrictief of juist een heel permissief beleid
te voeren. Hoe hoog moet dat quotum zijn? Welke instroom kunnen we ons als land
permitteren? Spreken we van 1000 per jaar of van 30 000 per jaar? Ik ben
geen specialist, maar ik geloof dat dat laatste cijfer voor ons land de
realiteit van de laatste 20 jaar best goed benadert als we arbeidsimmigranten,
erkende vluchtelingen, illegalen en gezinsherenigers samentellen.
Er is één politieke kwestie waarin Pinker
allesbehalve centristisch en dat is die van het populisme. Verlichting nu! Is Pinkers ‘war effort’ tegen Trump. Dat Trump door
verkiezingen aan de macht is gekomen, is niet iets wat Pinker gunstig stemt tegenover
verkiezingen. ‘Ondanks het
wijdverspreide geloof dat verkiezingen de essentie van een democratie uitmaken,
zijn ze slechts één mechanisme waarmee de regering ter verantwoording kan
worden geroepen door het volk, en dan nog niet altijd een erg constructief
mechanisme.’
Koenraad Elst heeft op Doorbraak ooit geschreven dat
antipopulisten in werkelijkheid antidemocraten zijn (hier).
In het geval van Pinker zit daar veel waarheid in. In zijn hoofdstuk ‘Democratie’
geeft hij verschillende definities van het begrip, maar de omschrijving als een
staat waarin de meerderheid van het volk de beslissingen stuurt, is daar niet
bij. Pinker gebruikt het begrip ‘democratie’ om te verwijzen naar een vrije
maatschappij die ‘het midden houdt tussen tirannie en anarchie’. Burgers die
meebeslissen over het algemeen belang en vertegenwoordigers kiezen om hun
wensen te realiseren, dat heeft volgens hem weinig met de werkelijkheid te
maken. Het is een idealisering die geschikt is voor de ‘civics-class’***. De
werkelijkheid is anders. Het aantal democratieën dat werkt volgens het
civics-class-boekje, schrijft Pinker, ‘was nul in het verleden, is nul in het
heden, en zal hoogstwaarschijnlijk nul zijn in de toekomst.’ De burgers kúnnen bij
verkiezingen niet duidelijk maken wat ze willen, want zij wéten niet wat ze
willen – of ze willen de meest tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Beter is
het dus, suggereert Pinker in bedekte termen, als de burgers door een goed
geïnformeerde en verlichte elite in de juiste richting worden geleid. ‘Nudging’
heet dat nu. In de Verlichtingstijd heette het: ‘Alles voor het volk, niets
door het volk’. Het was de slagzin van verlichte despoten die een Romeins
cijfers twee bij hun naam hadden staan: Jozef, Catherina en Frederik.
Nu vertellen geschiedschrijvers ons
veel kwaads van Jozef, en nog meer van Catherina en Frederik. Dat neemt niet
weg dat de kerngedachte van het verlicht despotisme zich moeilijk laat weerleggen. De
burgers zijn inderdaad niet goed geïnformeerd over politiek, weten niet altijd goed
wat ze willen, en vaak wíllen ze inderdaad tegenstrijdige en onmogelijke dingen.
Ook kan een meerderheid kiezen voor minder vrijheid. Als ik moest kiezen tussen
vrijheid enerzijds en een verkiezingsdemocratie anderzijds, zou ik zonder lang
te aarzelen kiezen voor het eerste****. Toch zijn er argumenten om niet al te
cynisch te doen over de verkiezingsdemocratie en niet al te gretig toe te geven
aan de elitaire verleiding. Burgers informeren zich beter in tijden van
verkiezingen en volksraadpleging. Leden van de verlichte elite zijn buiten hun
specialisatie vaak even slecht geïnformeerd als anderen, ze zijn
moreel niet superieur aan de eenvoudige dorpers*****, ze zijn zoals iedereen
onderhevig aan vooroordelen. En, verkiezingen leiden tot een periodieke afwisseling
van de wacht waarbij de stommiteiten van het ene kamp na enkele jaren in
evenwicht worden gebracht door de stommiteiten van het andere kamp.
Ik neem aan dat Pinker díe argumenten
vóór de verkiezingsdemocratie kent, en overwogen en verworpen heeft. Maar het
schijnt mij toe dat er één argument is dat hij niet opmerkt, en dat is het
volgende. In de westerse landen, en in de VS in het bijzonder, is er iets aan
dat hand dat mijn professor Europese literatuur Marcel Janssens in een andere
context de ‘aristocratische secessie’ noemde. Charles Murray spreekt van ‘the
new segregation’. De samenleving raakt opgesplitst in twee groepen, de 5 % en
de 95 %. Die groepen hebben een verschillend gemiddeld IQ, een verschillende
opleiding, een verschillend inkomen, wonen in verschillende buurten, lezen
andere kranten, kijken naar andere films, vinden andere dingen in het leven
belangrijk, en trouwen binnen de eigen groep.
Die groepen zou je nieuwe klassen, of
nieuwe standen kunnen noemen. Ze leven in hun eigen ‘bubbel’. Ze hebben allebei
hun eigen bekommernissen, maar kennen slecht de bekommernissen van de andere
groep. Hier stelt zich dus in alle scherpte de democratievraag: is het wijs om
de elite van 5 % over allerlei zaken te laten beslissen waarvan de gevolgen
niet door hen, maar door de 95 % wordt gedragen? Moeten beslissingen over
migratie, zware beroepen, armoedebestrijding eigenmachtig genomen worden door
lui die in een buurt wonen zonder migranten en wier kinderen naar homogeen
blanke scholen gaan, die op het einde van een werkdag geen pijn hebben voelen
aan armen, schouders of rug, en die armoede alleen kennen van horen zien
zeggen? Die vragen ziet Pinker niet. Het is zijn blinde vlek. Hij behandelt
alle mogelijke maatschappelijke problemen, van armoede en ongelijkheid tot
geluk en eenzaamheid. Hij heeft daarover de beste statistieken bij elkaar
gezocht. Maar het probleem van de ‘new segregation’ laat hij onbehandeld, ook
al had hij kunnen putten uit de tientallen statistieken die Charles Murray verzameld
heeft in zijn boek Coming
Apart. En Pinker hield toch zo van statistieken?
Een hele reeks mensen zich zal zich in
mindere of meerdere mate ergeren aan Steven Pinkers boek: geboren zwartkijkers, cijferhaters,
gevoelsmensen, en iedereen met een uitgesproken linkse of rechtse overtuiging.
Ook zullen sommigen zich ergeren aan de directe toon waarop de auteur zijn
lezer (Pinker zou schrijven: lezeres) aanspreekt. Pinker
treedt niet in dialoog, danst niet om een onderwerp heen, komt meteen ter zake
en laat zijn twijfels niet blijken – zoals minder rechtlijnige schrijvers dat soms
wél doen: Hume, Burke, Maistre, Nozick, Karel van het Reve. Pinker is een wat
autoritaire schoolmeester die van bij het begin zegt waar het op staat.
Zelf
vind ik dat zo’n directe manier van spreken en schrijven grote voordelen
heeft, en al zeker in mijn vak: het onderwijs. Het is dan ook jammer dat Pinker
die voordelen net dáár niet ziet, en ze zelfs ontkent. Het is altijd
pijnlijk als je met een auteur van mening moet verschillen over een onderwerp
dat je zelf een beetje kent en waar je bij betrokken bent. Eerst wil Pinker een nieuw schoolvak invoeren dat
kritisch denken moet aanleren. Ik ben daar al geen voorstander van (hier)
en het verbaast me niet dat experimenten met zo’n vak tot flauwe resultaten
hebben geleid. De leerlingen zagen er een nieuwe ‘civics class’ in, denk ik
dan. Daarna maakt Pinker de zaken nog erger door die flauwe resultaten toe te
schrijven aan de onderwijskundige aanpak. ‘Elk vak zal pedagogisch inefficiënt
zijn als het bestaat uit een docent die voor het bord staat de drenzen en een
cursus die leerlingen moeten bewerken met een gele stift.’ Pinker schrijft dat
de leerlingen op die manier nooit kritisch zullen leren denken. Ik weet dat nog
zo niet. Als leraar sta ik heel vaak te drenzen voor het bord, en stop ik mijn
leerlingen een cursus in de hand die ze moeten bewerken met een gele stift. En
ook als leerling heb ik vaak geluisterd naar leraren die stonden te drenzen
voor het bord, en heb ik cursussen bewerkt met een gele stift. En toch hebben
dat gedrens en die stift mij, geloof ik, geholpen om over Pinkers boek kritisch
na te denken.
*
Ik had bij het schrijven van dit stuk de Nederlandse vertaling van Pinkers boek
niet bij de hand. Mijn eigen ‘vertalingen’ zijn, geef ik toe, vaak meer een verkorte
parafrase dan een letterlijke weergave van de tekst.
**
Pinker merkt, zoals velen vóór hem, op dat het aantal slachtoffers van het
terrorisme weinig voorstelt vergeleken met de verkeersslachtoffers, ongeveer
3 %. Hij maakt echter dezelfde vergelijking in verband met de schietpartijen in
Amerikaanse scholen en die hoor je minder vaak. Ook merkt hij op dat er emotionele
en rationele redenen zijn waarom mensen anders reageren op tragedies van kwaad
opzet dan die van ongeluk en toeval. We maken ons terecht grote zorgen over enkele
dissidenten die door dictatoriale regimes worden gedood, ook al zijn die véél
minder talrijk dan verkeersslachtoffers.
*** De civics-class is een bijzonder saai vak dat aan Amerikaanse scholen gedoceerd
wordt en dat binnenkort ook bij ons zijn intrede doet onder de naam
‘Burgerschap’.
****
Er bestaat een andere mogelijkheid om de nadelen van een verkiezingsdemocratie
te temperen. Pinker wijst erop dat mensen bij politieke vraagstukken sterk door
vooroordelen en groepsgevoel geleid worden, maar dat ze in zaken waar hun persoonlijk
belang direct van een persoonlijke beslissing afhangt veel redelijker te werk
gaan. Alles verandert als men ‘skin in the game’ heeft. Dat lijkt mij een argument
om de sfeer van de politieke beslissingen te verminderen en de sfeer van markt
te vergroten.
*****
Pinker beroept zich voor zijn democratie-interpretatie op Popper, maar juist
Popper wijst die morele superioriteit van de elite af. Ik heb daar indertijd
iets over geschreven naar aanleiding van de Brexit. (hier)