zondag 30 december 2018

De 'gele hesjes' en de 'working poor'

     ‘Waarom zijn de gele hesjes zo boos?’ vraagt filosoof en vakbondsman Robrecht Vanderbeeken zich af in De Standaard van 27 november (ook hier). Zijn antwoord is dat zij behoren tot de uitgebuite ‘working poor’ en zijn oplossing is dat een groter deel van de economie moet worden genationaliseerd. Dat nationaliseren is een oude oplossing waar allerlei bezwaren tegen bestaan, maar Vanderbeeken gelooft, denk ik, dat die bezwaren al half weerlegd zijn als je het woord ‘nationalisering’ vervangt door de uitdrukking ‘duurzame municipalisering’. Het was de eerste keer dat ik die benaming tegenkwam.
     De benaming ‘working poor’ daarentegen had ik al vaker zien opduiken, en iedere keer dacht ik, dat zou ik eens moeten uitzoeken. De moderne armoede in de Westerse wereld, had ik altijd gehoord, heeft te maken met werkloosheid. Door een rechts-liberaal beleid – privatisering, minder belastingen – stimuleer je de economie, komen er meer banen, en zijn er minder armen. Maar wat als die mensen met banen nu ook in de armoede terecht komen?
     In Humo las ik een interessante reportage van Jan Antonissen (hier, betaalmuur). Antonissen had postgevat bij een gele-hesjesbarricade aan de rotonde van Gellingen (Henegouwen). Hij sprak met de actievoerders die er trots op waren dat ze binnen tien minuten een file konden laten ontstaan van 10 kilometer lang. Ze vertelden over hun moeilijke leven: Jordan Delbosch (19), Christophe Delbosh (43), Dylan (18), Lorie Manderlier (18), Raphael (17), Cyril Carayol (45), Chloé Lejeune (22) en Logan Villet (23). De ene durft binnenkomende facturen niet openmaken, een tweede kan vrijdagavond niet meer op café en koopt blikken bier om thuis op te drinken, een derde heeft amper nog geld om zijn enige hobby te beoefenen: zijn Yamaha voltanken en ’s nachts over de landelijke wegen te scheuren. Ze gaan niet op vakantie, niet op restaurant, niet naar de bioscoop. Als ze een keer voor 60 euro pannenkoeken gaan eten, moeten ze op iets anders bezuinigen. Een jonge vrouw moet weer bij haar ouders intrekken omdat ze de huur en de crèche niet kan betalen.
     Hier en daar is een sprankel hoop. De meeste getuigen zijn nog jong, studeren nog, of hopen binnenkort een baan te vinden of een zaak te starten. Hopelijk zullen ze binnen enkele jaren hun moeilijkheden te boven zijn gekomen. Eén gezin komt maandelijks 200 euro te kort, maar binnenkort loopt de afbetaling van het huis af, waar nu 1 500 euro per maand naar gaat. Maar het blijft miserie. Iemand met een lerareninkomen zoals ik – 2800 euro netto per maand, en mijn vrouw verdient nog iets meer – kan zich die miserie nauwelijks voorstellen.

     Die miserie is sterk beïnvloed door de gezinssituatie. In de Humo-gezinnen is er altijd wel iemand die werkt, en in die zin is de omschrijving ‘working poor’ van toepassing. Sommigen werken maar deeltijds of hebben onregelmatig interimwerk, maar anderen werken wel degelijk voltijds en ontvangen een maandelijks loon: als arbeider (1700 euro), als boerenknecht (1450 euro bruto), bij de Colruyt (1600 euro), als verkoopster in een shoppingcentrum (1475 euro)*.  Maar dat zijn individuele lonen. De armoede komt door de gezinssituatie: een vader met een werkloze zoon en een invalide echtgenote, een poetsvrouw met een gepensioneerde man, een alleenstaande moeder die een dure crèche voor haar kind moet betalen.
     Ik zie ook niet direct wat er aan de situatie kán worden gedaan. Het verhogen van het minimumloon heeft niet veel zin want de geciteerde lonen liggen een stuk boven het minimumloon (ongeveer 1350 euro netto)**. Een verdere verlaging van de inkomstbelasting op die lonen vind ik geen slecht idee, maar veel meer dan 10 procent belasting betalen die kleinverdieners nu al niet. Je kan een verhoging van de pensioenen en uitkeringen overwegen, maar een deel van die verhogingen moet dan weer door de andere ‘working poor’ betaald worden***. Je kan door een omgekeerde tax shift de indirecte belastingen verlagen, op brandstof bijvoorbeeld, maar als de directe belastingen daardoor hoger worden, schiet je weer niks op.
     Reportages als die van Antonissen in Humo hebben het voordeel dat ze over mensen gaan, en niet over cijfers. Je kunt voor zulke reportages nog grondiger tewerkgaan. Je kunt zoals socioloog Herman Loos of de journaliste Barabara Ehrenreich zelf tijdelijk deel gaan uitmaken van de ‘working poor’. Je gaat dan in Frankrijk (Loos) aan de slag in tijdelijke betrekkingen als magazijnier, rekkenvuller en dozenplooier, of in de Verenigde Staten (Ehrenreich) als serveerster, vakkenvulster en als zorgkundige. Toegegeven, je ervaring is dan niet helemaal dezelfde als die van de andere ‘working poor’. Het harde bestaan dat je leert kennen is dubbel zo hard wanneer je luxueuzer omstandigheden gewoon bent. Ook zoek je met opzet slechtbetaalde en tijdelijke banen uit, terwijl veel anderen juist zoeken om vanuit die banen hogerop te raken. Maar de kennis die je opdoet, hoe subjectief gekleurd die ook is, blijft erg waardevol.
     Ook waardevol, maar anders, is de objectieve kennis die wordt aangereikt door statistische gegevens. Je hanteert dan een objectieve omschrijving van het begrip armoede, namelijk een inkomen vanaf minder dan 60 procent van het mediane inkomen. In ons land is dat mediane inkomen 1.860 euro netto per maand en in Luxemburg is het meer dan 2.800 euro. In België ben je dus arm als je onder de 1.115 euro komt, terwijl je dat in Luxemburg al bent als je onder de 1.700 euro komt. Dan moet je daar de gezinssituatie bijrekenen, waardoor de armoedegrens er bij ons als volgt uitziet****:


Alleenstaande
€ 1.115
Alleenstaande met kind
€ 1.449
Samenwonenden
€ 1.672
Gezin met 1 kind (<14 jaar)
€ 2.007
Gezin met 1 kind (> 14 jaar)
€ 2.230
Gezin met 2 kinderen (<14 jaar)
€ 2.341
Gezin met 2 kinderen (> 14 jaar)
€ 2.787

         Zulke cijfers hebben het nadeel van de abstractie. Ze zeggen weinig over de échte toestand. Twee samenwonenden die met 1.672 euro een huis huren of afbetalen, zijn veel slechter af bijvoorbeeld dan twee samenwonenden die eenzelfde inkomen hebben en een al afbetaald huis bezitten. Maar in hun algemeenheid kunnen de cijfers ons wel iets bijbrengen. Twee samenwonenden met samen 1.672 euro zijn gemiddeld veel slechter af dan twee samenwonenden met samen 3.344 euro.
     Ook kun je met de cijfers vergelijkingen maken en tendensen herkennen. In Het Nieuwsblad en De Standaard van 28 december stond een interessant interview met Ive Marx over de ‘working poor’ (hier)*****. In ons land is het aandeel van de ‘working poor’ 5 procent van de bevolking. Dat is het tweede laagste cijfer van Europa, veel lager dan het Europese gemiddelde (9,6 procent) en veel, veel lager dan in Spanje (13,1 procent) en Italië (12,3 procent).  Ook interessant is het cijfer van Nederland: 6,1 procent. Dat is helemaal geen slechte score, alhoewel Nederland vooroploopt met deeltijdse en tijdelijke banen. Die deeltijdse en tijdelijke banen leiden dus niet automatisch tot een heel groot aantal ‘working poor’.
     Terug naar ons land. Het aandeel van de ‘working poor’ is de laatste 10 jaar gestegen: van 4,3 procent naar 5 procent. Dat lijkt een kwalijke evolutie maar de werkelijkheid is genuanceerder. Die stijging komt immers door de daling van het aantal werklozen. Veel werklozen vonden een baan, maar een minder betaalde baan. Hun gezinnen, al naar gelang de samenstelling, zullen dus ondanks die baan in sommige gevallen onder de armoedegrens gebleven zijn. Maar met een werklozenuitkering waren ze nog dieper onder de armoedegrens gebleven. Dat is de andere kant van het verhaal van de ‘working poor’.
    Ik heb begrepen dat de gele hesjes van Humo willen dat de politiek in ons land een andere richting uitgaat. Ze hopen op een algemene staking die het hele land verlamt. Ik van mijn kant hoop dat de volgende regering ten minste het beleid van banencreatie in de privésector verderzet. Een hoog loon is leuker dan een laag loon, en een vast contract is leuker dan een tijdelijk contract. Maar velen zullen, geloof ik, een laag loon en een tijdelijk contract verkiezen boven alleen maar een uitkering.

* Ik ga ervan uit dat het om nettolonen gaat, al wordt dat er in het Humo-artikel niet altijd bij vermeld.
** Bovendien maakt een verhoogd minimumloon het voor een werkgever minder interessant om een ongeschoolde werkzoekende aan te werven. Daardoor kan de werkloosheid weer stijgen.

*** Of eventueel door hogere belastingen voor de ‘rijken’, maar ook die hogere belastingen zijn niet goed voor de economische groei.

**** De cijfers zijn van 2017. Je vindt ze hier. Zie verder ook hier.

***** De titel van het Standaard-artikel is wat misleidend: ‘Meer werkende armen ondanks hoogconjunctuur’. Het is dóór de hoogconjunctuur dat er meer werkende armen zijn en minder werkloze armen (relatief ten opzichte van elkaar). Dat geldt zeker ook voor de Verenigde Staten waar de werkloosheid 4 procent bedraagt. Meer in het algemeen kun je zeggen dat een deel van de werkende armen bestaat uit ex-werklozen, een deel uit jonge starters met een traditioneel laag inkomen, en een deel uit laageschoolden die nu in laagproductieve sectoren werken zoals pakjesbezorging, terwijl ze vroeger aan de slag konden in hoogproductieve sectoren zoals de automobielindustrie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten