Van rechtse lui hoor je vaak dat links vroeger beter was: 1848, het
algemeen stemrecht, de sociale zekerheid, het antifascistisch front, Algerije,
Indochina … Bij enkele van die kwesties heb ik mijn bedenkingen, maar in het
algemeen geef ik de nostalgici gelijk. Het mooiste voorbeeld is de Dreyfusaffaire
waar links aan de goede, en rechts aan de verkeerde kant stond.
Ik heb daar redelijk veel over
gelezen. De grote lijnen zijn eenvoudig. Een Joodse kapitein in het Franse
leger, Alfred Dreyfus, wordt in 1894 veroordeeld voor spionage. Hij zou
militaire geheimen hebben verkocht aan de Duitsers. Na zijn veroordeling
ontdekt men dat die geheimen eigenlijk verkocht waren door een andere officier. De
legerleiding wil haar fout niet toegeven. De linkerzijde eist een nieuw proces.
Emile Zola schrijft zijn beroemde brief ‘J’accuse’. Dreyfus wordt in eer
hersteld.
Als je het zo samenvat, stelt het
allemaal niet veel voor. Toch heeft de zaak gedurende tien jaar de Franse politiek
beheerst. De kranten bléven erover schrijven. Er kwamen altijd maar nieuwe
processen. En vooral: de zaak veroorzaakte (of versterkte) het Franse schisma. Het volk werd opgesplitst in twee kampen:
monarchisten tegen republikeinen, katholieken tegen vrijdenkers, antisemieten
tegen kosmopolieten, autoritairen tegen democraten. Plots gingen kunstenaars en geleerden die van
toeten noch blazen wisten zich met politiek moeien. Levenslange vriendschappen
kwamen ten einde; broers wilden tegen elkaar niet meer spreken; joden waren
niet meer welkom op feestjes. Er werden manifestaties georganiseerd, steuncomités
samengesteld, tijdschriften opgericht, advocaten ingeschakeld. Sommige van die
advocaten werden neergeschoten op straat. Er werd geld verzameld, geduelleerd, geostraceerd.
Men beweert dat de strijd tussen collaboratie en verzet in Frankrijk werd
uitgevochten tussen de kinderen en kleinkinderen van de Dreyfusards en de
anti-Dreyfusards. Sociologen beweren dat je aan de hedendaagse
verkiezingsuitslagen nog altijd ziet in welke streken een van de twee kampen
het sterkst stond, 120 jaar geleden.
Over zo’n zaak wil je wel eens wat
meer details kennen. En dan wordt het moeilijk: het borderel, de spionerende
dienstmeid, de handschriftkwestie, de vervalsingen, homoseksuele relaties
tussen officieren en diplomaten, het geheime dossier, het briefje over ‘cette
cannaille de D.’, en een eindeloze rij eigennamen van militairen met allemaal
dezelfde snor zodat je ze moeilijk uit elkaar houdt: Picquart, Henry, Esterhazy,
Mercier, Boisdeffre, Sandherr, Gonse, Cavaignac … Ik kon het nooit onthouden.
Maar nu is alles anders. Polanski
heeft de affaire verfilmd en dat op zo’n manier gedaan dat ik al die snorren nu
wel uit elkaar kan houden. Ik weet nu voor altijd hoe dwaas Henry uit zijn ogen
keek, althans in de film, en ik zal niet vergeten dat Picquart voortreffelijk
piano speelde, dat Esterhazy op een operetteheld leek, dat generaal Gonse vaak in de tuin werkten en dat dat Sandherr beefde als een blad omdat hij syfillis had. Daar ben ik de regisseur erg
dankbaar voor.
’t Is ook een mooie film vind ik, een
beetje traag, zoals we van Polanski gewend zijn, maar bij zo’n ingewikkeld kluwen
had die traagheid als voordeel dat zelfs ik de draad goed kon volgen. Sommige
recensenten prijzen de ‘nuchtere’ toon van het verhaal, anderen vinden die toon
‘koud’. ’t Komt ongeveer op hetzelfde neer. Weer anderen brengen de film in verband met Polanski’s
eigen proces en veroordeling vanwege seksuele betrekkingen met een meisje van
13.
In een erg onrechtvaardige recensie op Indiewire schrijft David Ehrlich: ‘Of course … the film isn’t
really a film about the Dreyfus Affair at all.’ Dat is onzin. Polanski heeft
weliswaar verklaard dat de film hem herinnerde aan zijn eigen ervaring met het
gerecht, de media en de publieke opinie, maar in de film merk je daar niets
van. Die Ehrlich weet geloof ik niet veel van Dreyfus af, anders zou hij moeten
toegeven dat elke klemtoon in de film volledig door de zaak van 1894 is ingegeven, en geen enkele door
die van 1977. Polanski heeft zorgvuldig alles vermeden wat had kunnen wijzen op
een overeenkomst met zijn eigen zaak.
Toch bestaan die overeenkomsten. Als
iemand als Polanski, Woody Allen, Kevin Spacy of Bart De Pauw vandaag beschuldigd
wordt van seksueel wangedrag, staan er onmiddellijk tienduizenden klaar om hartstochtelijk
te geloven dat die beschuldigingen waar zijn en dat weer eens een man zich als
seksueel roofdier heeft gedragen. Het dossier moeten de gelovigen daarvoor niet
kennen; het is voldoende dat iemand zich een slachtoffer noemt. In de
Dreyfuszaak waren er eveneens tienduizenden mensen die hartstochtelijk geloofden
in de schuld van Dreyfus. Ook zij moesten het dossier niet kennen, dat trouwens
geheim was; het was voor hen voldoende dat de naam van het leger werd besmeurd en dat Dreyfus een jood was. Dat hartstochtelijk geloven zonder
bewijs, aan het einde van de negentiende en aan het begin van de
eenentwintigste eeuw, is een opvallende overeenkomst.
Er is ook een verschil. In het Frankrijk van 1890 waren er naast de tienduizenden
anti-Dreyfusards ook tienduizenden Dreyfusards die even hartstochtelijk geloofden
als hun tegenstanders, maar dan in de onschuld van hun held; die tienduizenden
geloofden ook zonder veel bewijs. Het was voor hen voldoende dat generaals en
kolonels een jood vervolgden om te concluderen dat die ónschuldig was. Er
waren, zoals ik al zei, twee kampen.*
Maar waar is vandaag het andere kamp
als een publieke persoon door #MeToo-vrouwen beschuldigd wordt van seksueel
wangedrag? Die mensen moeten bestaan, mannen bijvoorbeeld die zonder veel bewijs,
rotsvast geloven dat die #MeToo-vrouwen, zoals alle vrouwen, liegen tot ze
scheel zien. Ze bestaan, die mannen, maar ze houden zich schuil, behalve soms op de sociale media. In nette
kranten, op nette televisieprogramma’s en op nette Hollywoodfeestjes komen ze
niet aan het woord. Je had, zou je kunnen zeggen, in de Dreyfustijd twee
politiek-correcte stromingen, met hun eigen woordvoerders, partijen en kranten.
In de #MeTootijd heb je er maar een.
Polanski heeft zijn film terecht
opgehangen aan de figuur van kolonel Picquart zonder wie de Dreyfuskwestie
nooit een affaire zou zijn geworden. Picquart was een militarist en een
antisemiet, en dat is hij altijd gebleven. Hij geloofde in de schuld van de
jood. Maar toen hij bewijs van het tegendeel vond, liet hij zich dáárdoor
leiden, en niet door zijn geloof. Hij was bereid zijn weg te vervolgen ‘wherevever
the evidence leads’. Dat is mooi.
* Je had in de twee kampen ook ongelovigen, of althans lui voor wie de schuld van Dreyfus slechts een bijzaak was. De anti-Dreyfusard Charles Mauras vond de kwestie van schuld of onschuld onbelangrijk. Waar het om ging was het prestige van het leger. De Dreyfusard Julien Benda, van zijn kant, was alleen geïnteresseerd in het volgen van de abstracte rechtsprincipes. Als Dreyfus schuldig was geweest, schreef hij, dan zou hij hem met nog meer enthousiasme hebben verdedigd omdat die schuld door het ‘geheime dossier’ hoe dan ook niet op een rechtsgeldige manier was vastgesteld.