Zuhal Demirs ‘vriendjes’
Onderwijsminister Zuhal Demir kende 8,5 miljoen euro toe aan het expertisecentrum Onderwijs en Leren van Tim Surma*. Ze deed dit via een ‘vertrouwelijke mededinging’ en niet via een ‘openbare aanbesteding’. Tim Surma en zijn ploeg zullen het geld gebruiken om een vijftigtal pilootscholen te begeleiden bij het toepassen van de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs. Ze zouden daarvoor onder andere een reeks podcasts maken.
Mocht ik nog les geven, dan zou ik dat wellicht grondiger onderzoeken. Nu wil ik alleen iets zeggen over twee kritieken die tot Demir werden gericht. De eerste is die van Hannelore Goeman van Vooruit. Ze stelde in een Tiktokvideo dat ‘N-VA het onderwijs voor de happy few maakt.’ Dat is een sluw verwoorde kritiek omdat ze twee – eigenlijk drie – zaken tegelijk suggereert. Ten eerste zouden alleen een beperkt aantal scholen – de ‘happy few’ – van de subsidie profiteren. Die kritiek ontkent de mogelijke dynamiek van een pilootproject dat nuttige ervaring kan opleveren voor álle scholen. Soit, n’insistons pas. Ten tweede zou het project zélf ten goede komen aan slechts een beperkte groep van leerlingen, waarbij alweer twee zaken door elkaar worden gegooid: de happy few van best presterende leerlingen dan wel de happy few van leerlingen uit de hogere klasse. Die laatste, emotionele betekenis, kleurt de hele boodschap. Het is begrijpelijk dat mijnwerkersdochter Demir daar woest op reageerde.
De tweede kritiek op Demir is dat ze aan ‘vriendjespolitiek’ doet door niet via een openbare aanbesteding te werken. Dat is een begrijpelijke kritiek. De openbare aanbesteding is een manier om corruptie te beperken. Als je politici hun gang laat gaan, zullen ze projecten kiezen die hun, in het ergste geval smeergeld, en in het beste geval stemmen zullen opleveren. Een openbare aanbesteding met verschillende offertes is daarentegen een objectieve manier om zicht te krijgen op prijs/kwaliteit.
Is ze dat ook in de materie van onderwijscurriculum? Dat betwijfel ik. Want wat is kwaliteit? Er is in de onderwijspolitiek al lang een ideologisch conflict aan de gang over de fundamentele doelstellingen van het onderwijs. Men spreekt in die context niet van ‘ideologie’ maar van ‘visie’, maar dat komt op hetzelfde neer. Toen ik les gaf, kreeg ik geen podcasts, maar wel een eindeloze stroom van vernieuwende pedagogische richtlijnen. Ik werd op studiedagen, interne vergaderingen en bijscholingen in de richting geduwd van ‘vaardigheden’, constructivisme, zelfontdekkend leren, inductieve methode, begeleid zelfstandig leren, groepsprojecten, vakoverschrijding, communicatief onderwijs, en procesevaluatie. Ook moest ik vertrekken van de leefwereld en de ‘natuurlijke leergierigheid’ van het kind. Over al die zaken dacht ik ongeveer het tegenovergestelde van wat het ministerie van Onderwijs en de Guimardstraat voor de geest stond. Maar zou men die visie-verschillen in objectieve termen van ‘kwaliteit’ kunnen duiden? Alweer: dat betwijfel ik. Aan beide kanten van de controverse schermde men met de term ‘evidence based.’
Ik moet Karel Verhoeven (DS 10/1) gelijk geven als hij de toewijzing van het curriculum-project aan Onderwijs en Leren als volgt beschrijft: ‘De minister selecteert die [onafhankelijke experts] voor hun opvattingen en hun ideologie.’ Zeker, zeker. Ik zou het ook zo gedaan hebben. Ik zou er vanuit gegaan zijn dat het hier niet gaat om een neutrale ‘kwaliteit’ – zoals die van bouwmaterialen – die dan tegen een bepaalde kostprijs kan worden afgewogen, maar dat het gaat om een ‘visie’.
Ik had natuurlijk kunnen proberen om die visie in de aanbestedingscriteria te vertalen, maar dat biedt onvoldoende garanties. Van Michael Oakeshott heb ik geleerd dat beleid met zoveel impliciete ‘details’ te maken heeft dat het niet exhaustief in teksten kan worden gevat. Ik zou dus, als minister van Onderwijs, met verschillende experten gesproken hebben om af te toetsen of ik al dan niet ‘op dezelfde golflengte’ zat. Ik denk dat ik na een informeel gesprek van vijf minuten al zou geweten hebben of iemand tot de oude garde van de vernieuwers behoorde dan wel tot de nieuwe wind van back to the basics. En die oude garde had ik niet binnengelaten, hoe goed ze ook scoorden op een openbare aanbesteding.
Demir heeft zelf toegegeven dat de toekenning van het budget ‘geen schoonheidsprijs’ verdiende. Natuurlijk was een openbare aanbesteding ceteris paribus beter geweest. De geijkte, beproefde procedures zijn de beste – behalve als je tegen de stroom wil inroeien. Dan kunnen die procedures een status-quo bestendigen die ik in het onderwijsbeleid zou betreuren.
* Tim Surma ken ik niet maar hij heeft samen met Paul Kirschner een boek geschreven over onderwijs. Van Kirschner heb ik indertijd wel enkele artikels gelezen. Ze waren een balsem op de wonden die telkens weer toegebracht werden door de richtlijnen van het ministerie en de Guimardstraat.
Het liberalisme van De Gucht
Veel Open-VLD’ers krijgen in interviews vragen over het verschil tussen hun partij en die andere min of meer liberale partij N-VA. Ze antwoorden dan in heel algemene bewoordingen. Het siert Frédéric De Gucht dat hij zocht naar een concreet voorbeeld. De Zondag(11/1) stelde de vraag wat voor hem liberalisme betekende:
Dat is simpel. Wij geloven dat het individu vrij moet zijn om zijn talenten te ontwikkelen. Elke andere ideologie gaat ervanuit dat het individu – en ook de maatschappij – gemaakt en gestuurd moet worden. Een voorbeeld? Onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) die wil bepalen wat gewenst gedrag is op school. Dat is toch niet de rol van de overheid? Dat is het verschil tussen ons en een partij zoals N-VA. Wij vertrekken vanuit vertrouwen in de mens, zij vanuit wantrouwen.
Over die kwestie leggen verschillende partijen inderdaad andere klemtonen: mensen vrij laten, mensen sturen of mensen opvoeden. Ik ben in het algemeen voor het vrij laten – van volwassenen. Bij kinderen mag flink gestuurd en opgevoed worden. En de vraag is helemaal niet wát gewenst gedrag is op school. Daarover zullen Demir, De Gucht en ik het eens zijn. Dat is dat de leerlingen beleefd zijn, liefst opletten en hun taken uitvoeren, en zeker de andere leerlingen niet storen die wel willen opletten. Demir mag als Onderwijsminister best vragen dat dat gewenste gedrag zich materialiseert in onze klassen, al moet ze zich niet noodzakelijke moeien met de manier waaróp de leraar dat voor elkaar krijgt.
Verder zou ik niet graag moeten kiezen tussen ‘vertrouwen’ en ‘wantrouwen’ in de mens. Als ik iets wil wantrouwen, is het een ideologie die uitgaat van de algehele goedheid of algehele slechtheid van de mens. Wel geloof ik als liberaal en conservatief dat er heel wat spontane mechanismen bestaan – waaronder de vrije markt en de tradities – die een grote meerderheid van mensen tot aanvaardbaar gedrag brengen, zonder dat de overheid daarvoor moet ingrijpen.
Straffen en sancties
Er moet ergens een rapport bestaan van het ministerie van Onderwijs waaruit blijkt dat straffen en sancties slechts in 0,006 % van de gevallen een hulp betekende voor kinderen met problemen. Toen ik dat las, rezen er bij mij drie vragen, waarvan de eerste mij een deed glimlachen: die 0,006 %, hoe heeft men dat berekend? Tweede vraag: zijn straffen niet vooral bedoeld als afschrikking, en als bescherming voor kinderen zonder problemen? Derde vraag: heb ik als leraar eigenlijk ooit een straf uitgedeeld? Ik weet dat niet meer. Op één klassenraad heb ik het voorstel van de directie gesteund om een gewelddadige leerling van school te sturen. In een ander geval heb ik een soortgelijk voorstel met succes bestreden. Uiteraard waren de gevallen niet vergelijkbaar.
Groenland
Een lezer vroeg mij om nu al mijn standpunt vast te leggen over een mogelijke Amerikaanse militaire verovering van Groenland. Dat was een listige vraag. Als ik nu verklaarde dat ik tégen die militaire verovering was, dan kon ik die verovering achteraf niet goedpraten terwijl de de Amerikaanse en Deense troepen om het eiland aan het vechten waren. Wat moest ik antwoorden?
Ik ‘begrijp’ dat Trump om geostrategische redenen graag Groenland bij de VS wil, zoals ik ‘begrijp’ dat Poetin om vergelijkbare redenen Oekraïne in de Russische invloedssfeer wil. Als ik zulke toestanden moet evalueren, zonder dat ik daar nota bene voor betaald wordt, dan kijk ik toch in de eerste plaats naar de manier waarop een en ander gebeurt. Als Groenland gekocht wordt, kan het mij niet veel schelen – als Groenland gebombardeerd wordt, heb ik wel enkele humanitaire bezwaren.
Ondertussen ben ik blij met het stuk van Dominique Minten in De Standaard (9/1). Ik word eraan herinnerd dat Groenland 57.000 inwoners heeft. Ik leer dat Denemarken jaarlijks 12.500 dollar per persoon naar Groenland stuurt voor gratis gezondheidszorg, onderwijs, lonen van staatsambtenaren en uitkeringen. Trump zou naar het schijnt Denemarken willen kopen en daarbij aan elke inwoner een cheque van 1 miljoen dollar geven. Moeten de Groenlanders nu kiezen tussen 12.500 dollar per jaar of in één keer 1 miljoen dollar? Of krijgen ze boven dat miljoen nog altijd een jaarlijkse subsidiëring, maar dan minder rijkelijk dan het Europese model voorziet?
Groenland heeft ook veel grondstoffen, zoals uranium, lees ik. Trump zou die graag laten ontginnen. De Groenlanders zijn echter naar het schijnt heel milieubewust en staan niet te springen om hun mooie landschappen ontsierd te zien door lelijke, vervuilende mijnen. Hendrik Schoukens, docent milieurecht, schrijft:
De huidige links-liberale coalitieregering op het eiland handhaaft het bestaande verbod op uraniumwinning en streeft niet actief naar een heropening van de sector. (DS 9/1)
Die grondstofontginning is ook niet echt nodig zolang je land massaal gesubsidieerd wordt.
Goedkope grondstoffen in Venezuela
De interventie van Trump in Venezuela wordt door sommigen gezien als een neokoloniaal project om, zoals het linkse cliché wil, ‘goedkope grondstoffen’ te roven. Nu schijnt Venezuela inderdaad over de grootste olievoorraad ter wereld te beschikken, maar naar het schijnt zou de ontginning ervan, door de ligging en de kwaliteit van de olie, allesbehalve goedkoop zijn.
Erger
Ik las ergens op de socials: ‘Ik ben absoluut geen fan van Maduro. Maar een internationale grootmacht als de VS, waarvan de president meent een ander land te mogen bombarderen en politici te mogen ontvoeren, is nog veel erger.’ Ik was aangenaam verrast dat er niet stond dat het ene ‘duizend keer erger’ was dan het andere.
Erich von Däniken (1935-2026)
Ik heb dat beroemde boek van Erich von Däniken niet gelezen. In het Duits heette het Erinnerungen an die Zukunft, in het Engels Charriots of the Gods en in het Frans Présence des extraterrestres. De Nederlandse titel was het duidelijkst: Waren de goden kosmonauten?
Ik bracht het boek wel eens ter sprake in de les als ik het begrip ‘falsificatie’ wilde uitleggen. Von Däniken, vertelde ik, reisde de wereld rond op zoek naar archeologische vondsten waar niemand een sluitende verklaring voor had en die hij dan maar aan buitenaardse wezens toeschreef. Maar wie zó tewerk ging, vond natuurlijk tientallen bewijzen. Er was altijd wel ergens een oude tekening waarop je met enige fantasie een ruimtepak kon ontdekken. Je ontdekt zulke ruimtepakken ook soms in een wolkendek. Een wetenschapper, voegde ik eraan toe, ging anders te werk. Hij formuleerde een scherpe hypothese, bijvoorbeeld: de piramide van Cheops is gebouwd door buitenaardse wezens, en ging dan op zoek naar feiten om zijn eigen hypothese te weerleggen. Soms schreef ik tijdens mijn uitleg de naam Karl Popper op het bord.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten