zondag 1 maart 2026

Wonen: vrije markt of 'beleid'

      Kunnen we de huizen- en huurmarkt overlaten aan het spel van vraag en aanbod? De overheid kan natuurlijk regels bepalen voor veiligheid en milieu, maar waarom moet ze ingrijpen door belastingverlagingen, sociale woningen, wetten tegen leegstand, regeling van de huurprijzen? Neem bijvoorbeeld dat laatste. Als huiseigenaren hoge huren aanrekenen, zullen kapitaalkrachtigen meer huizen laten bouwen waarmee ze hopen ook hoge huurprijzen binnen te rijven. Ten slotte komt er dan een overaanbod aan huurwoningen, waardoor de huurprijzen weer zakken. Is dat niet mooi gedaan van de markt?
     Maar bij woningbouw is er blijkbaar iets speciaals aan de hand, en de reden is dat de hoeveelheid beschikbare bouwgrond beperkt is. Daardoor moeten er keuzes worden gemaakt die bij andere markten niet nodig zijn.. Op de FB-pagina van de erg linkse Frank D’hanis las ik het volgende:

 De markt is namelijk het grote probleem. Of meer bepaald het idee dat onze overheden hebben dat de markt vraag en aanbod wel op elkaar zal afstemmen. Dat is niet zo. In een samenleving waarin een bepaald segment van de bevolking steeds rijker is tegenover een segment dat armer wordt, zal de markt zich meer en meer richten op dat rijkere segment.

     Daar moest ik even over nadenken. Sinds Friedrich Engels haalt links graag de woningnood aan als een probleem dat ‘binnen het kapitalisme niet kan worden opgelost.’ Hedendaags links heeft typische herverdelingsvoorstellen waarbij de hogere inkomens het kopen en huren van huizen subsidieert voor wie minder geld heeft. Op die herverdelingsvoorstellen kan ik met enige moeite wel een antwoord verzinnen. Maar dat er een markt bestaat waar het rijkere segement van de bevolking wel, en het armere segment niet wordt bediend, dat is toch een probleem sui generis
     Ik kan mij inderdaad voorstellen dat projectontwikkelaars liever kantoren bouwen voor grote bedrijven, of grote huizen, luxe-appartementen en tweede verblijven voor rijke burgers, omdat daar grotere winstmarges mogelijk zijn dan bij het bouwen van werkmanshuisjes en schamele appartementjes. 
     Met auto’s heb je zoiets niet. Kapitalisten kunnen grote winsten maken door Ferrari’s te verkopen aan de rijken, maar als ze heel veel Dacia’s verkopen, worden ze ook rijk. En voor wie zich zelfs geen Dacia kan veroorloven worden brommers geproduceerd. Alle segmenten van de bevolking zijn goed om winst te maken.
     Maar bij woningen ligt dat dus een beetje anders. Als er slechts een beperkte hoeveelheid bouwgrond ter beschikking staat, worden er misschien te weinig kleine woningen met goedkope materialen gebouwd.

***

      In De Standaard van 16/1 schrijft Nico Tanghe dat Trump nu plots ‘uiterst linkse ideeën’ overneemt. Meer bepaald heeft hij een idee overgenomen van de linkse democrate Elizabeth Warren.

 De Amerikanen kopen veel meer op krediet dan wij. Als je daar te laat bent met de afbetaling van schulden, rekenen de banken een woekerrente aan van 20 procent of meer. Trump wil dat halveren en een plafond opleggen van 10 procent.

       Je moet niet veel van economie afweten om de nadelen van dat voorstel te begrijpen. Ze worden ook vermeld in het artikel. Die hogere rente is namelijk een compensatie voor het hogere risico dat de bank loopt.

 In de praktijk zou het wel eens averechts kunnen werken. Banken zouden minder rente kunnen opstrijken, wat ze zouden compenseren door strengere voorwaarden te stellen voor kredietkaarten … waardoor veel arme Amerikanen niet meer aan een kredietkaart zullen raken.

      Natuurlijk kan een ‘uiterst linkse’ regering ook daar iets aan doen door de banken te verplichten om  kredietkaarten uit te reiken aan mensen met een lage kredietscore. Het is een van de voorstellen die Frank Dhanis op zijn FB-pagina doet. De overheid moet zelf woningen bouwen, huurprijzen vastleggen, projectontwikkelaars verbieden om luxe-appartementen te bouwen en zorgen voor toegang tot eigendom voor starters zonder grote spaardrempels. Dat laatste is precies wat in de VS gebeurde toen Amerikaanse financiële instellingen door de overheid verplicht werden om hypotheekleningen toe te staan aan gezinnen met een lage kredietscore. Die hypotheekleningen werden vervolgens verpakt en herverpakt tot ‘rommelkredieten’ met de financiële crash van 2008 als gevolg.



 

Vrijhandel: Reynebeau en Hendrik Vos

 Reynebeau
     Is Reynebeau nu voor of tegen Mercosur, en voor of tegen wereldwijde vrijhandel (DS 28/1) ? Dat is lastig om te zeggen. Hij kan zich moeilijk aansluiten bij het protectionisme van Trump, maar de hoofdvijand blijft toch de ‘neoliberale globalisering’. Tegen zijn pleidooi voor strenge milieunormen in de landbouw en voor veel regulering in het algemeen kan ik wegens gebrek aan dossierkennis weinig inbrengen. Maar ik lees tussen de regels toch vooral veel protectionistische afkeer van vrije handel. Hier bijvoorbeeld:

 Nochtans verdienen de Vlaamse boeren begrip. Misschien sluimert diep in hen nog de herinnering aan de late 19 eeuw, toen vrijhandel en import van (Zuid-)Amerikaans graan hen uit de markt prijsde. Ze vielen terug van akkerbouw naar kleinschalige veeteelt en tuinbouw … Net zoals enkele decennia eerder katoenfabrieken, met katoen vooral uit de VS, hun vlasproductie en thuisnijverheid ten gronde richtten.

      Niemand zal ontkennen dat dat graan uit Zuid-Amerika en dat katoen uit de VS het verdienmodel van veel mensen bij ons ontwricht heeft. Maar de kwestie is dat vrijhandel netto de welvaart bevorderd heeft. De voordelen – bijvoorbeeld goedkoper brood en goedkopere kleren – waren groter dan de nadelen. En gelukkig is de welvaart ondertussen zodanig toegenomen dat economische nadelen niet moeten leiden tot de toestanden die beschreven worden in Het gezin van Paemel.
     Reynebeau verwijst niet alleen naar dat beroemde toneelstuk van Cyriel Buysse, hij citeert ook uit het gedicht Internationale treinen*van Richard Minne. Ik neem het vers graag over als poëtische strijdkreet voor de vrijhandel, in het besef dat Minne een en ander sarcastisch bedoeld heeft.

Laat vrije baan aan de internationale treinen
Zij schuiven de toekomst open als gordijnen
En brengen ons reukwerk, guano en schoenen
Den Volkenbond en appels voor citroenen. 

* De versie van Dirk van Esbroeck staat hier. 


Hendrik Vos
     Het loont de moeite om het opiniestuk van Marc Reynebeau (DS 28/1) over Mercosur* te leggen naast het stuk van Hendrik Vos over het industrieel beleid (DS 17/2). Men merkt het verschil tussen een linkse populist als Reynebeau en een linkse liberaal als Vos, weliswaar een héél linkse liberaal. Politiek lopen de standpunten gelijk: de economie moet streng geregeld worden door de overheid om de consument en het klimaat te beschermen, en het beleid moet de vraag uit industriële kringen voor goedkope fossiele energie naast zich neerleggen. Maar er zijn verschillen in de ideologie. Bij Reynbeau overheerst het chagrijnige afgunstsocialisme, de haunting fear dat er ergens kapitalisten zouden zijn die superwinsten maken. Dat wordt meestal gekruid met verwijzingen naar grauwe 19de-eeuwse toestanden, is het Daens niet, dan is het wel Het gezin Van Paemel.
      Vos begint ook met een verwijzing naar het grauwe verleden, meer bepaald naar zijn vader die in een papierfabriek werkte, en die in de jaren 70 zijn baan verloor. Maar Vos wil met dat voorbeeld laten zien dat de fabrieksluitingen van de jaren 70 – in papier, staal, textiel en mijnbouw – niet noodzakelijke tot een sociaal-economische ramp moesten leiden. En dat het beleid van de overheid om die sectoren te redden alleen geleid hebben tot ‘zombie-achtige reanimaties’. Zo ook moet vandaag de overheid niet tussenkomen om oude energiebronnen te reanimeren, maar om de innovatie bevorderen in de richting van hernieuwbare energie. Vos verzekert ons terloops dat het geluid van windmolens, in tegenstelling tot wat Trump beweert, geen kanker veroorzaakt. ‘Niemand twijfelt eraan dat de toekomst ligt in de hernieuwbare energie,’ besluit hij.
     Vos bepleit hier een typisch liberaal vooruitgangsoptimisme. Maar los van de wetenschappelijk-technische vraag hoeveel we moeten verwachten van zonne- en windenergie, zijn er ook vanuit liberaal standpunt twee kanttekeningen te maken. Ten eerste is de prijs van fossiele brandstof zo onnatuurlijk hoog juist vanwege overheidsingrijpen met taksen, en ten tweede is het niet wijs als de overheid het tempo van een innovatie wil bepalen, noch door die te vertragen met subsidies in zombie-sectoren, noch door die te versnellen met dwingende regulaties. Zelfs áls we moeten overschakelen van petroleum en gas naar wind en zon, is het niet aan de overheid om het marstempo daarvan te bepalen. Een geforceerd marstempo kan misschien met ecologische of geopolitieke redenen worden verantwoord, maar niet met economische. 

* Zie mijn stukje hier.


 

Micromanagement in het onderwijs

     Ik vertrouwde Bruno Vanobbergen al niet toen hij kinderrechtencommissaris was, en toen hij daarna directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen werd, is dat niet veel verbeterd. In een interview met De Standaard zegt hij onder andere: ‘We mogen niet vergeten dat scholen een plek zijn om leerprocessen rond democratie vorm te geven.’
     Is dat zo? Als personeelsvertegenwoordiger binnen de Pedagogische Raad kreeg ik het vaak aan de stok met directeur M.H. Dan speelde ik wel eens de Grote Democraat. Een van de antwoorden van M.H. is mij bijgebleven. ‘De school is geen democratie. De leerlingen moeten naar jou luisteren, jij moet naar mij luisteren, ik moet naar mijn Raad van Bestuur luisteren, en de Raad van Bestuur moet naar de Guimardstraat luisteren.’ Aangezien ik ruzie aan het maken was, kon ik hem moeilijk openlijk gelijk geven, maar hij hád wel gelijk, vond ik – al moet iedereen in de hiërarchie zich natuurlijk hoeden voor machtsmisbruik.
    Gepensioneerd leraar Michel Berger - Mel Bergbewoner op  zijn FB-pagina - geeft een treffend voorbeeld van zo’n machtsmisbruik. Daarmee bakt hij voor Vanobbergen een koekje van eigen deeg. Ha, de baas van het katholiek onderwijs vindt dus dat Zuhal Demir aan ‘micromanagement’ doet. Met zoiets moet je bij Berger – die ooit nog les gaf aan Demir – niet komen aandraven:

 Als er iemand gemicromanaged heeft de laatste 30 jaar, dan wel de katholieke koepel. Ooit was die toonaangevend voor daadwerkelijk degelijk onderwijs. Maar ik heb ulieden vooral sinds 2000 eindeloos zien prullen en frunniken aan ieder vak, het zien bepotelen met regels, adviezen, verboden en didactische wenken ... tot het als een kaal geplukte kip zieltogend achterbleef, beschaamd om nog rond te lopen in haar blote kont. De kip met gouden eieren geslacht, door er niet alleen eieren uit te willen wringen maar vooral oplossingen voor ieder maatschappelijk probleem. Leerplannen die ooit geen twintig velletjes besloegen voor zes jaar en drie vakken tegelijk, en desalniettemin garant stonden voor een hoog niveau, heb ik zien verworden tot vette bundels van vele honderden bladzijden vol gepieter en gepeuter, in een jargon dat geen mens verstaat die wil weten wat er nu eigenlijk bedoeld wordt.

     Ik lees de tirade twee keer helemaal door, en het stukje over de leerplannen drie keer. Dat lucht op.

  

Kortjes

 Hoer!
     Dagelijks zie ik op FB enkele tekeningen van Peter van Straaten voorbijkomen waarop iemand iets grappigs zegt. Die grap kun je meestal niet navertellen, al heeft Karel van het Reve dat wel eens geprobeerd. Nu zag ik er gisteren een die ik wel kan navertellen. Een meneer staat op straat, kijkt boos naar een raamprostituee en roept luid: ‘Hoer!’. De grap zit in de overtreding van de communicatieregels. Sommige woorden gebruik je alleen om iemand uit te schelden die niét beantwoordt aan het scheldwoord dat je hem toeslingert. Je kunt Mussolini niet uitschelden voor ‘fascist’ of Hitler voor ‘nazi’. Er bestaan wel uitzonderingen. Je kunt bijvoorbeeld Raoul Hedebouw uitschelden voor ‘communist’. Hij zal niet ontkennen dat hij dat is, maar hij hoort het niet graag. 


Beeld en tekst bij Peter van Straaten
     Bij de meeste tekeningen van Peter van Straaten werkt de grap alleen als je beeld en tekst samen ziet. Maar deze uitspraak van een vrouw – die doet denken aan bepaald Elsschot-gedicht – werkt ook als ze alleen staat: ‘Als mijn leven een film was geweest dan had ik Herman al lang vermoord.’ De tekening die erbij staat is overigens geniaal*.

*Zie hier.


De olifanten van Gaia Schoeters
     Ook op de autoradio, maar recenter, hoorde ik een interview met Gaia Schoeters. De schrijfster heeft een nieuw boek uit: Het geschenk. Het gaat over Berlijn dat te maken krijgt met een invasie van 20.000 olifanten uit Botswana. Hoe zal de politieke wereld reageren? Volgens Schoeters gaat het  om een literaire allegorie, een poging om een onderwerp bespreekbaar te maken, tegen de bestaande vooroordelen in. Het boek gaat dus, als ik het goed begrepen heb, over de olifant in de kamer.   


Tutoyeren
     Isolde van den Eynde is een van de vele Vlamingen die er zich aan stoort dat de Brusselse minister-president geen Nederlands kent. Ze koppelt daaraan een pleidooi voor betere kennis van de twee landstalen. Als je de nuances van een taal onvoldoende aanvoelt, kun je elkaar niet goed begrijpen, vindt ze. Allemaal waar, maar op haar voorbeelden valt wel wat af te dingen. Ze schrijft:

 De Vlaming die snel tutoyeert, kan in Franstalige oren onbeleefd klinken, terwijl de ‘u’ in Vlaanderen als te stijf wordt ervaren.     Het omgekeerde is waar, geloof ik. Een Vlaming gebruikt veel te snel ‘u’, ook in informele contexten. Denk maar aan het lied ‘Ik houd van u.’ Dat komt omdat we met ‘u’ zo vertrouwd zijn als casus-vorm van het Vlaamse ‘gij’.


Een interessante verkeerssituatie
      In zijn nieuwste boek Common Knowledge becommentarieert Steven Pinker een interessante verkeerssituatie. Je staat aan de kant van de weg en wilt oversteken. Een autobestuurder heeft je gezien, vertraagt en stopt. Jullie kijken elkaar vragend aan. Hij durft niet doorrijden en jij durft niet oversteken. Dan knikt hij met zijn hoofd. Wat wil hij nu zeggen: ‘Steek jij maar over, ik wacht wel’ of ‘Ik heb begrepen dat jij niet wilt oversteken en ik dus mag doorrijden.’ Ik ken daar maar een oplossing voor. Als voetganger maak ik dan een breed zwaaiend gebaar dat de auto verder moet rijden en ik wacht tot hij dat doet. Dat is het veiligste.


‘De fascist naast Trump
       Af en toe hoor je wel eens dat Trump zelf geen ‘fascist’ is. Daarvoor is hij te dom. Maar mensen uit zijn entourage zijn het wel. Misschien moeten we daarbij denken aan de ideoloog Patrick Deneen, die een vriend is van JD Vance. Volgens Deneen moeten we afstappen van het ‘liberalisme dat geleid heeft tot ongelijkheid’. De ‘post-liberale’ orde moet gestoeld zijn op het ‘herstel van solidariteit’ en moet geleid worden door een ‘aristopopulistische elite die de belangen van de arbeidersklasse behartigt.’ Ik vind dat allemaal verontrustende woorden.


Bill White vs Conner Rousseau
     Vooruit-voorzitter Conner Rousseau heeft een filmpje op de sociale media geplaatst waarin hij president Trump vergelijkt met Adolf Hitler. De Amerikaanse ambassadeur Bill White vraagt nu dat de Belgische regering iets zou ondernemen tegen Rousseau. Hij mág dat natuurlijk vragen, maar hij moet weten dat bij ons de wet tegen het beledigen van buitenlandse staatshoofden in 2005 is afgeschaft*. Zelfs de wet tegen het beledigen van ons eigen staatshoofd is afgeschaft, zij het wat later. Sinds 2021 kunnen we straffeloos schrijven dat onze koning een idioot is.
     White zegt ook dat de VS een inreisverbod tegen Rousseau kan uitvaardigen. De VS mág dat doen, maar ik zou het niet verstandig vinden. Verenigd links en andere anti-Atlantisten willen dat België een uitwijzingsbevel zou uitvaardigen tegen ambassadeur White. België mág dat doen, maar ik zou het niet verstandig vinden. Maar dat onze pers schrijft dat White een idioot is die zich niet met onze wetgeving of rechtspraak dient te bemoeien, dat kan ik billijken.

* In de VS heeft zo’n wet geloof ik nooit bestaan. 


AI en IQ in het onderwijs
     Fouad Gandoul plaatste een berichtje op de sousjels over de wereldwijde daling van het IQ. Hij haalt een studie aan van Jared Cooney Horvath dat veranderingen in het onderwijs de oorzaak kunnen zijn. Er wordt volgens Horvath teveel gebruik gemaakt van AI en digitale technologie, terwijl

 onze hersenen niet geëvolueerd zijn om diepgaand te leren van schermen. Digitale omgevingen zijn inherent ontworpen voor snelle taakwisseling en oppervlakkig scannen. Dit stimuleert een vorm van vluchtige informatieverwerking die de noodzakelijke focus voor complexe probleemoplossing ondermijnt. In plaats van kennis te verankeren in het geheugen, leidt het gebruik van schermen vaak tot een overbelasting van de cognitieve capaciteit, waardoor de feitelijke retentie van leerstof drastisch afneemt.

     Daarop reageerde onderwijsspecialist Raf Feys, enigszins off topic:

In Vlaanderen beïnvloedde de toename van het aantal allochtone leerlingen niet enkel de daling van de algemene leerprestatie-scores, maar ook de daling van de algemene intelligentiescore, omgekeerd Flynn-effect.

      En daarop reageerde de libertaire filosoof Lode Cossaer op zijn beurt: ‘Er is geen enkel bewijs hiervoor. Raf verzint die causaliteit.’ Cossaer heeft ongetwijfeld gelijk dat er voor de stelling van Feys geen bewijs bestaat in de vorm van wetenschappelijke statistisch onderzoek. Rekening houdend met de academische weigerachtigheid om het soort intelligentieverschillen waar Feys naar verwijst te onderzoeken, zal dat bewijs er ook niet snel komen.


Mijn mentale leeftijd
     Ik ben niet, zoals Annie M.G. Schmidt, ‘altijd 8 gebleven.’  Ik geloof ook niet dat ik, zoals Yvonne Kroonenberg over Karel van het Reve zei, nog altijd een ‘leuke jongen’ ben. Leuke jongens genoeg, zei Kroonenberg. Nee, ik ben zeventig, maar met enkele nuances. Qua eetgewoontes zit ik bij de groep mannen tussen de 30 en de 49. Dat zijn de ‘functionele eters.’ Ik weet dat door een artikel dat ooit in De Standaard verscheen (30/11) en dat ik heb uitgeknipt.                  

 Mannen in de dertig en veertig hebben een beduidend hogere score op het ‘functioneel eetpatroon’. Ze gaan niet voor de beleving tijdens het winkelen en zien eten in fuctie van nutriënten. Ze checken de voedingswaardetabel en kiezen voor producten met het label ‘high in proteins.’

       Dat ben ik helemaal: een veertiger als het op eten aankomt. 
       Helaas is mijn brein heel wat ouder. Volgens nieuw onderzoek duurt onze cognitieve adolescentie van ons 9de tot ons 32de levensjaar. Daarna volgt een plateaufase tot we 66 zijn, waarna de vroege veroudering intreedt. Die cognitieve veroudering ondervind ik elke dag, of ik nu stukjes schrijf of naar een film kijk. Op mijn 83ste mag ik mij aan de late veroudering verwachten. Als ik zover geraak. 






 * Voor een Doorbraak-interview met Deneen:  zie hier.