zondag 1 maart 2026

Vrijhandel: Reynebeau en Hendrik Vos

 Reynebeau
     Is Reynebeau nu voor of tegen Mercosur, en voor of tegen wereldwijde vrijhandel (DS 28/1) ? Dat is lastig om te zeggen. Hij kan zich moeilijk aansluiten bij het protectionisme van Trump, maar de hoofdvijand blijft toch de ‘neoliberale globalisering’. Tegen zijn pleidooi voor strenge milieunormen in de landbouw en voor veel regulering in het algemeen kan ik wegens gebrek aan dossierkennis weinig inbrengen. Maar ik lees tussen de regels toch vooral veel protectionistische afkeer van vrije handel. Hier bijvoorbeeld:

 Nochtans verdienen de Vlaamse boeren begrip. Misschien sluimert diep in hen nog de herinnering aan de late 19 eeuw, toen vrijhandel en import van (Zuid-)Amerikaans graan hen uit de markt prijsde. Ze vielen terug van akkerbouw naar kleinschalige veeteelt en tuinbouw … Net zoals enkele decennia eerder katoenfabrieken, met katoen vooral uit de VS, hun vlasproductie en thuisnijverheid ten gronde richtten.

      Niemand zal ontkennen dat dat graan uit Zuid-Amerika en dat katoen uit de VS het verdienmodel van veel mensen bij ons ontwricht heeft. Maar de kwestie is dat vrijhandel netto de welvaart bevorderd heeft. De voordelen – bijvoorbeeld goedkoper brood en goedkopere kleren – waren groter dan de nadelen. En gelukkig is de welvaart ondertussen zodanig toegenomen dat economische nadelen niet moeten leiden tot de toestanden die beschreven worden in Het gezin van Paemel.
     Reynebeau verwijst niet alleen naar dat beroemde toneelstuk van Cyriel Buysse, hij citeert ook uit het gedicht Internationale treinen*van Richard Minne. Ik neem het vers graag over als poëtische strijdkreet voor de vrijhandel, in het besef dat Minne een en ander sarcastisch bedoeld heeft.

Laat vrije baan aan de internationale treinen
Zij schuiven de toekomst open als gordijnen
En brengen ons reukwerk, guano en schoenen
Den Volkenbond en appels voor citroenen. 

* De versie van Dirk van Esbroeck staat hier. 


Hendrik Vos
     Het loont de moeite om het opiniestuk van Marc Reynebeau (DS 28/1) over Mercosur* te leggen naast het stuk van Hendrik Vos over het industrieel beleid (DS 17/2). Men merkt het verschil tussen een linkse populist als Reynebeau en een linkse liberaal als Vos, weliswaar een héél linkse liberaal. Politiek lopen de standpunten gelijk: de economie moet streng geregeld worden door de overheid om de consument en het klimaat te beschermen, en het beleid moet de vraag uit industriële kringen voor goedkope fossiele energie naast zich neerleggen. Maar er zijn verschillen in de ideologie. Bij Reynbeau overheerst het chagrijnige afgunstsocialisme, de haunting fear dat er ergens kapitalisten zouden zijn die superwinsten maken. Dat wordt meestal gekruid met verwijzingen naar grauwe 19de-eeuwse toestanden, is het Daens niet, dan is het wel Het gezin Van Paemel.
      Vos begint ook met een verwijzing naar het grauwe verleden, meer bepaald naar zijn vader die in een papierfabriek werkte, en die in de jaren 70 zijn baan verloor. Maar Vos wil met dat voorbeeld laten zien dat de fabrieksluitingen van de jaren 70 – in papier, staal, textiel en mijnbouw – niet noodzakelijke tot een sociaal-economische ramp moesten leiden. En dat het beleid van de overheid om die sectoren te redden alleen geleid hebben tot ‘zombie-achtige reanimaties’. Zo ook moet vandaag de overheid niet tussenkomen om oude energiebronnen te reanimeren, maar om de innovatie bevorderen in de richting van hernieuwbare energie. Vos verzekert ons terloops dat het geluid van windmolens, in tegenstelling tot wat Trump beweert, geen kanker veroorzaakt. ‘Niemand twijfelt eraan dat de toekomst ligt in de hernieuwbare energie,’ besluit hij.
     Vos bepleit hier een typisch liberaal vooruitgangsoptimisme. Maar los van de wetenschappelijk-technische vraag hoeveel we moeten verwachten van zonne- en windenergie, zijn er ook vanuit liberaal standpunt twee kanttekeningen te maken. Ten eerste is de prijs van fossiele brandstof zo onnatuurlijk hoog juist vanwege overheidsingrijpen met taksen, en ten tweede is het niet wijs als de overheid het tempo van een innovatie wil bepalen, noch door die te vertragen met subsidies in zombie-sectoren, noch door die te versnellen met dwingende regulaties. Zelfs áls we moeten overschakelen van petroleum en gas naar wind en zon, is het niet aan de overheid om het marstempo daarvan te bepalen. Een geforceerd marstempo kan misschien met ecologische of geopolitieke redenen worden verantwoord, maar niet met economische. 

* Zie mijn stukje hier.


 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten