vrijdag 27 april 2018

Moet een biografie zo dik zijn?

     Ex-VRT-journalist Johan Op de Beeck, die geloof ik verre familie is van mijn vrouw, heeft net een biografie geschreven over Lodewijk XIV. Naar wat ik er in Het Nieuwsblad over lees, moet het er een zijn in het Franse genre. Iets als Amours et amourettes du Roi Soleil. ‘Geen detail blijft onvermeld,’ schrijft de krant goedkeurend. ’t Boek telt 735 bladzijden. Dat is niet mis. Zelf ben ik nu de Dostjojevskibiografie van Joseph Frank aan het lezen – 959 bladzijden, kleine druk. En ’t is dan nog een ingekorte versie van een werkstuk dat oorspronkelijk in vijf delen werd uitgegeven en drie keer zoveel tekst bevatte.
     Dat een biografie zo dik is, kan moeilijk als bezwaar gelden. Als je voor een Belangrijk Persoon geen interesse hebt, kun je beter niets over hem lezen, en als je die interesse wel hebt: hoe meer hoe beter. De Elsschotbiografie van Vic Van de Reijt bijvoorbeeld vond ik veel te beknopt. Vic zal gedacht hebben: ‘Elsschot schreef beknopt, dus als ik over hem schrijf moet ik ook beknopt blijven.’ Dat is een treurig misverstand. Het is niet omdat Hitler een hystericus was, dat je over hem alleen hysterisch kan schrijven. Als je iets wil vertellen over een saai familiefeest, in een verhaal of op café, kun je er beter voor zorgen dat je beschrijving zelf niet saai is, anders zal men je verhaal niet lezen, of zal men op café je gezelschap mijden.
     Mijn ontgoocheling over de beknopte Elsschotbiografie was zo groot dat ik lange tijd elke korte biografie gemeden heb. Een literaire biografie kort houden was ipso facto verkeerd, dacht ik. De auteur heeft de regels van het genre niet begrepen. Hij denkt dat de lezer uit is op een korte kennismaking, terwijl de lezer juist álles wil weten over een bewonderde schrijver en dus best die drie delen van Nop Maas wil lezen over Gerard Reve, of die bijna duizend bladzijden van Richard Ellmann over Joyce. Misschien is die biografie van Ellmann zelfs meer gelezen dan de Ulysses zelf.
     Maar onlangs had ik moeite om een of andere lijvige biografie over Proust te bestellen. Ik bestelde dan maar het dunne boekje van Edmund White en kijk, daar stond warempel meer in van wat ik over de schrijver wou weten dan in menige uitgebreide biografie die ik gelezen had over andere schrijvers. Je begrijpt ook hoe het komt. ‘Er bestaan al zoveel boeken over Proust,’ zal White gedacht hebben, ‘waar alles, álles, in staat. Ik vertel hier lekker alleen wat ikzelf de moeite vind. Wie daar niet tevreden mee is, moet die andere boeken maar lezen.’ Als je een beetje talent hebt, kun je met dat recept een aardig boekje voor elkaar krijgen.
     Het tegenovergestelde bestaat ook. Over een Belangrijk Persoon bestaan nog géén biografieën. Een auteur die dan als eerste een levensbeschrijving wil plegen voelt de verantwoordelijkheid als een loden last op zijn schouders wegen. De hele wereld kijkt mee, denkt hij. En hij werpt zich op de archieven, pluist brieven en dagboeken na, en onderzoekt de stamboom van zijn onderwerp tot in het zevenentwintigste geslacht. Zo moet het Wayne Franklin vergaan zijn toen hij de Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper onder handen wilde nemen. De professor schreef uiteindelijk twee dikke delen van respectievelijk 708 en 805 bladzijden – dit terwijl over Cooper in de archieven niet zo verschrikkelijk veel te vinden is. Maar wat te vinden is, heeft Wayne gevonden. Cooper heeft ooit een winkeltje gehad waar de Amerikaanse Frontiermen spijkers, textiel, medicijnen, thee, tabak en voedingswaren konden kopen. Wayne toont over talrijke bladzijden aan dat het winkeltje niet anders dan failliet kón gaan vanwege een roekeloze financiering, een verkeerd aankoopbeleid en een ondoordacht stockbeheer. Elke beginnende winkelier zou die bladzijden moeten lezen.
     Ikzelf lees ondertussen dapper verder in de Dostojevskibiografie, terwijl zich op mijn bureau andere ongelezen boeken opstapelen. Misschien moet ik maar eens doen wat mijn vader altijd doet: hier een daar een stuk overslaan. Ik heb zojuist met enige moeite 20 bladzijden literaire analyse gelezen van Misdaad en straf. Dat is allemaal heel degelijk gedaan, maar ik merk dat mijn oordeel over dat boek niet veel veranderd is door die analyse. Misschien sla ik de analyse van De idioot en De broers Karamazov maar eens over. Het hoofdstuk over Boze geesten wil ik wel helemaal lezen. Ik ken dat boek niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten