Het nieuwste boek van Torfs blijkt zeven citaten te bevatten die ‘gehallucineerd’ zijn. Dat is aan het licht gebracht door vrt.nws, een medium dat daarmee bewijst dat het even goed aan onderzoeksjournalistiek kan doen als Apache. De aanleiding voor dat onderzoek was, geloof ik, dat Torfs de gehallucineerde citaten van Petra De Sutter ‘gênant’ had genoemd. Dat zijn eigen citaten niet authentiek zijn, is natuurlijk zelf ook gênant. Enig leedvermaak is dan op zijn plaats, zeker als je het niet zo op Torfs begrepen hebt. Er zijn veel mensen, vooral ter linkerzijde, die het niet zo op Torfs begrepen hebben.
De hele heisa heeft ook een impact op mijn eigen planning voor deze week. Ik voel mij nu verplicht om dat boek van Torfs te lezen. Een auteur die uit het blote hoofd citeert en daarbij fouten maakt – het zou over mij kunnen gaan. En aangezien ik over Petra’s blunder geschreven heb, kan ik moeilijk zwijgen over die van Rik.
Bij De Sutter heb ik mij amper gestoord aan de verkeerde citaten zelf. Ik had er weinig mee te maken. Ze kwamen voor in een redevoering die ik niet gehoord heb en die ik normaal nooit zou hebben gelezen. Wel vond ik haar verklaringen achteraf aan de flauwe kant, en zelfs een beetje leugenachtig. Ook bij Torfs stoor ik mij minder aan de foute citaten zelf, dan aan zijn uitleg achteraf die naar mijn smaak geen volledige klaarheid schept*.
Zijn uitleg over het Camus-citaat vind ik het overtuigendst. Het gaat om de zin ‘Il n’y pas de justice dans l’absolu, il n’y a que des justes.’ Torfs geeft ronduit toe : ‘Ik dacht dat dat citaat letterlijk van Camus kwam, wat niet zo blijkt te zijn.’ Men begrijpt makkelijk hoe de fout ontstaan is. Camus heeft zinnen geschreven zoals ‘la justice absolue nie la liberté’ én hij heeft een toneelstuk geschreven Les justes. Dan duikt er al snel een valse herinnering op aan een mooi citaat dat nooit bestaan heeft. Het is best mogelijk dat er iets vergelijkbaars gebeurd is met De Sutters Einstein-citaat ‘Dogma is the ennemy of progress.’ Het was alleen dwaas van De Sutter om AI daarvoor een bronvermelding te laten verzinnen.
De rest van Torfs zijn verdediging overtuigt mij minder. Hij heeft citaten van Feyerabend en Kierkegaard tussen aanhalingstekens weergegeven, en die citaten zijn in het werk van die auteurs nergens te vinden. Torfs argumenteert uitgebreid dat hij Feyerabend en Kierkegaard wel degelijk gelezen heeft, en hij heeft de boeken uit zijn bibliotheek gepakt en er een foto van genomen. Dat was niet nodig. Ik twijfel er niet aan dat Torfs die boeken echt gelezen heeft, en dat het zijn denken heeft beïnvloed. Ik vond het ook waarschijnlijk, zoals ik al schreef, dat Petra De Sutter een essay van Paul Verhaege gelezen heeft. Torfs toont uitvoerig aan dat de ‘citaten’ wel degelijk overeenstemmen met de gedachten van Feyerabend en Kierkegaard. Opnieuw: ik twijfel er niet aan.
Torfs geeft toe dat de aanhalingstekens een fout waren omdat het parafrases waren en geen letterlijke woorden. Dat is inderdaad een vrij zware fout, en het is nog erger als ze wordt voorafgegaan door beweringen als ‘Volgend zinnetje uit Of/of illustreert die stelling helder.’ Ik sjoemel ook wel eens met mijn letterlijke citaten tussen aanhalingstekens, maar dan toch meer op het niveau van hoofdletters, leestekens, voornaamwoorden en verplaatsing van hulpwerkwoorden.
Torfs zijn gebruik van aanhalingstekens is veel lichtzinniger en roept ook vragen op. Het gaat in het totaal om vier citaten. Twee ervan kan ik nog makkelijk verklaren als ‘uit het blote hoofd citeren’, maar van de twee andere sluit ik het gebruik van een hallucinerende AI-chatbot niet uit. Vijanden van Torfs weten zoiets natuurlijk zeker.
Een apart geval zijn de verzonnen verzen van Leo Vroman. Torfs schrijft: ‘Hier vertrouwde ik te veel op mijn geheugen.’ Dat is mij onlangs ook overkomen. Mijn geheugen vertelde mij dat Herman Gorter twee gedichten geschreven had bij de dood van Lenin. Ik vroeg Grok om mij te helpen die gedichten terug te vinden. Eerst ontkende Grok dat Gorter ook maar één Lenin-gedicht had geschreven, maar na enig aandringen kreeg ik een niet-bestaand gedicht aangereikt dat handig inspeelde op mijn prompt. Ook bij de Vroman-verzen blijf ik dus achterdochtig. Het is best mogelijk dat Torfs zowel te veel op zijn geheugen als op AI vertrouwd heeft.
Blijft over dat citaat van Montaigne: ‘De nieuwsgierigheid om te onderzoeken en het verlangen om te weten zijn een passie die samen met ons wordt geboren. Zonder hen kan de menselijke geest niet gelukkig leven.’ Mooie woorden, maar niet van Montaigne. Torfs verdedigt zich door te zeggen dat de formulering ‘de gedachten van Montaigne perfect verwoordt.’ Ten bewijze echter haalt hij een aantal authentieke citaten van Montaigne aan die hij nu wél vlijtig heeft opgezocht, maar die slechts een vaag verband houden met de ‘geciteerde’ woorden. Hier zijn weer verschillende verklaringen mogelijk. Ofwel heeft Torfs zijn AI-chatbot laten hallucineren. Ofwel citeert hij uit het blote hoofd, niet wat hij ooit bij Montaigne zelf heeft gelezen, maar wat hij in boeken óver Montaigne gelezen heeft. Zoals Torfs zelfs schrijft in zijn verdediging: Uiteraard werd ik ook geïnspireerd door boeken over Montaigne uit mijn bibliotheek, onder meer door Alexander Roose, De vrolijke wijsheid, Kalmthout, Polis, 2017, tweede druk. Alsook: Sarah Bakewell: Hoe te leven met Montaigne, Amsterdam, Van Gennep, 2012, tweede druk, vertaling uit het Engels.
Ik besluit uit die verdediging dat Torfs, als hij wil, wel correct kan omspringen met bibliografische verwijzingen én dat hij wellicht het geduld niet heeft gehad om Montaigne zelf te lezen. Hij schrijft: ‘Ik verwijs hier naar de editie van Les Essais en français moderne, Parijs, Gallimard, 2009, een boek dat ik ook heb.’ Maar dat hij dat boek hééft, bewijst niets. Ik heb een editie van de Essais in renaissancistisch Frans, in vijf delen, maar gelézen heb ik ze in het Nederlands, op mijn Kindle – behalve de honderd bladzijden die we in de tweede kandidatuur Romanistiek in de oorspronkelijke tekst moesten lezen.
Het blijft in elk geval allemaal gênant voor Torfs. Naar aanleiding van het De Sutter-incident had hij gezegd:
Ik gebruik af en toe AI, zelfs geregeld, onder andere ook om ideeën die ergens diep in mijn hoofd zitten terug wakker te maken. En ik probeer ook te controleren, als ik ze voor iets gebruik – een citaat of zo – of het klopt. Maar voor citaten probeer ik daar heel voorzichtig mee te zijn.
Mochten de onderzoeksjournalisten van Apache of vrt.nws mijn blogjes willen onderzoeken, dan verklaar ik hierbij formeel dat ik wel eens een citaat controleer, maar dat zoiets bij mij nooit ontaardt in voorzichtigheid. Ze zullen een rijke buit binnenhalen.
***
Ik heb het boek van Torfs ondertussen gelezen.
***
Toen ik las dat factchecker Rien Emmery door vlijtig speurwerk nog enkele andere fouten in het boekje van Torfs had ontdekt, wilde ik wel eens zien of hij ook gemerkt had hoe Torfs zich vergiste tussen John Updike en John Osborne. Dat soort vergissingen, dat ikzelf voortdurend maak, vind ik leuk. En jawel, Emmery heeft de fout ook gezien. En hij haalt er uit wat er uit te halen valt:
Een analyse van Pigtail , een gedicht van de Poolse dichter Tadeusz Różewicz, zet Torfs op naam van de Amerikaanse schrijver John Updike, terwijl die analyse geschreven werd door de Britse dramaturg John Osborne. Osbornes toneelstuk Look Back in Anger dicht Torfs plots ook aan Updike toe.
Let op de venijnige woordjes ‘plots ook’. Wat Emmery vergeet is dat dit soort vergissing de excuses van Torfs geloofwaardiger maakt, namelijk dat de fouten in zijn boek het gevolg zijn van een falend geheugen, veeleer dan van hallucinaties van AI. (Al sluit ik dat laatste bij sommige fouten niet uit).
* Het onderzoeksverslag van vrt.nws staat hier. In het verslag staat een koppeling naar het antwoord van Torfs.