woensdag 1 juli 2026

Pensioen, Star Wars, fascisme


 Pensioenen, Star Wars, fascisme
     Ik heb mij er al lang bij neergelegd dat het woord ‘fascisme’ onnauwkeurig wordt gebruikt. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt om repressie aan te klagen. ‘Het fascistisch stadsbestuur van Antwerpen laat voorzitter van Groen in de boeien slaan.’ Of het wordt gebruikt om aan te geven dat men sommige mensen niet moet hebben. ‘Vuile fascist, dat was géén buitenspel.’ Claude Yande schrijft op FB een commentaartje bij ‘De Afspraak of Vrijdag’ van 26 juni. Uitgenodigd waren: professor Bart Maddens, HLN-journaliste Isolde Van den Eynde en Tom Van Grieken. ‘Met 3 fascisten aan tafel,’ schrijft hij, een beetje tegen de linkse gewoonte in om slechts één van die drie voor fascist uit te schelden.
     Daar heb ik allemaal geen probleem mee. Op den duur vind ik zoiets zelfs een beetje grappig. En toch kan ik nog altijd – heel soms – woest worden als ik het woord in de oneigenlijke betekenis zie gebruiken, bijvoorbeeld als MO*columniste Dilara Kabak schrijft: ‘Fascisme is de pensioenendiefstal, de indexblokkering, de stijging van de brandstofprijzen.’ Voor mij is hier een rode lijn overschreden. Als ik weer tot rust gekomen ben, probeer ik de redenering te reconstrueren die Kabak ertoe brengt om zoiets te schrijven. Met veel geduld en met dank aan mijn extreemlinks verleden lukt dat min of meer. Jawel: pensioenen-index-brandstrofprijzen-fascisme, ik zie het. En dan word ik weer woest.
     Nu moet ik bekennen dat ik de zin van Dilara Kabak eerst zonder context geciteerd zag. Ik heb ondertussen de hele column gelezen, en had ik dat vroeger gedaan, dan zou ik minder heftig hebben gereageerd. Kabak vertelt dat ze veel van haar kennis over het fascisme gehaald heeft uit fictie – fantasy verhalen als Star Wars, The Hunger Games, Avatar, Harry Potter – en die kennis, begrijpt ze, is onvoldoende, en kan zelfs misleidend zijn. Ik ben het helemaal met haar eens. Veel van mijn kennis over de VS – het rechtssysteem, de hospitalen, het politiewezen, de levensstijl van de rijkste 1 % - komt uit films en series, en heel betrouwbaar is dat allemaal niet.
     Ook die andere stelling van Kabak kan ik enigszins bijtreden. ‘Fascistische systemen worden vaak voorgesteld met veel drama en spektakel, maar in het echt uit fascisme zich net heel banaal.’ Historisch is die stelling twijfelachtig. Het fascisme van Mussolini en het nazisme van Hitler waren juist een opstand tegen de banaliteit. Ze dreven op drama en spektakel. Maar scherpzinnige fascisme-critici zoals Hayek wezen erop dat gelijkaardige regimes ook het resultaat konden zijn van een stapsgewijs, langdurig en banaal proces.
       Zoals Kabak veel geleerd heeft over het fascisme door naar Star Wars te kijken, heb ik veel geleerd over het totalitarisme door 1984 te lezen. Een van de lessen die ik onthouden heb is dat totalitarisme alle gevoel voor proporties verliest. Elke politieke propaganda probeert het verleden naar zijn hand te zetten, maar het totalitarisme wist hele stukken van het verleden uit, zodat ze zelfs in historische archieven niet terug te vinden zijn. Elke politieke propaganda probeert door woordkeuze en semantiek een ideologisch kader op te leggen, maar in de totalitaire wereld van 1984 verdwijnt elke band tussen woord en oorspronkelijke betekenis.
     Een beetje zoals wanneer het woord ‘fascisme’ gebruikt wordt voor een pensioenhervorming, een indexsprong voor de hogere lonen en een schommeling van de brandstofprijzen op de wereldmarkt.

* Watverder in de column noemt Kabak ook ‘subsidieverminderingen in de culturele sector’ een teken dat fascisme ‘zich traag en saai aan het ontwikkelen is,’ terwijl juist Hitler heel veel subsidies toekende aan de culturele sector.


Fascisme in Argentinië
     Ik heb lang geleden een college gevolgd over de politieke ideologie van Perón (1895-1974). Een Argentijnse professor behandelde de vraag of Perón nu ja dan nee een echte fascist was. Voor- en tegenargumenten werden zorgvuldig afgewogen, en het antwoord was: ja, Perón was een échte fascist, in tegenstelling tot valse fascisten als Mussolini, Franco en Hitler. Argentinië mocht fier zijn op zijn zoon.


Fascisme in Antwerpen
     Over de Palestina-betoging in Antwerpen en de bestuurlijke aanhouding van Aimen Horch zal ik mij in stilte hullen. Anders zou ik het redactioneel van Inge Ghijs (DS 1/7) over die kwestie moeten lezen. Misschien wordt ik dan boos op Ghijs en dat wil ik niet. Ik heb wel het stukje van Frank D’hanis gelezen. Hij maakt zich zorgen dat de uitholling van het betogingsrecht ‘de weg opent voor makkelijke machtsgrepen door allerlei vormen van totalitarisme.’ Ik wil D’hanis hier geruststellen. Dat de burgemeester bepaalt op welke plaats wél en op welke plaats niet mag worden gemanifesteerd, heb ik altijd zo geweten, en ook dat daar vaak een kat-en-muis spel tussen betogers en politie op volgde. Ik citeer het slot van een vorig stukje (zie hier) over die wekelijkse Palestina-betogingen:  

 Voor wie vreest dat we in Antwerpen meemaken hoe het fascisme in zevenmijlslaarzen vooruit stormt: dat deed het 50 jaar geleden ook al, en het is gelukkig nog niet op zijn bestemming geraakt. 

 

Fascisme in de klas 
   
 Tijdens de oorlog zat mijn moeder op pensionaat in Brugge. Sommige meisjes in haar klas waren pro-Duits, andere, zoals mijn moeder, waren pro-Engels. Eentje was van Spaanse afkomst en was pro-Franco, een ander had familie in de VS en was pro-Amerikaans. Je had dus, als je wil, fascisten en antifascisten in de klas. ‘We wisten allemaal van elkaar waar we stonden,’ vertelt mijn moeder, ‘maar we maakten daar nooit ruzie over. We waren vriendinnen.’

Betrapt
      Op dat Brugs pensionaat werd groot belang gehecht aan de goede zeden. Als de meisjes in stoet door de Brugse straten wandelden, keken de begeleidende nonnen goed uit hun ogen om te zien of er in de verte geen stoet jongens kwam aangewandeld. Als dat het geval was, werd het parcours onmiddellijk aangepast. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe enggeestig het er toeging,’ zegt mijn moeder.
     Die waakzaamheid gold ook de ongehuwde leraressen. Als ze van Brugge waren, mochten ze thuis overnachten. De sociale controle werd voldoende geacht. Maar als ze van Kortrijk waren, kon er geen sprake van zijn dat ze ’s avonds met de trein naar huis gingen. Op die trein kon van alles gebeuren. Die leraressen moesten dan op de school zelf overnachten. Ook daar kon echter van alles gebeuren. Af en toe werd zo’n lerares dan ‘betrapt’ met een non.


Buitenshuis werkende vrouw
     Arme vrouwen hebben altijd buitenshuis moeten werken, eerst op het land, en met de industrialisatie ook in de fabrieken. Maar voor vrouwen uit de hogere standen en de middenklasse werd dat als onfatsoenlijk beschouwd. Het beroep van lerares was uitzonderlijk. Voor vrouwen in de middenklasse kon het. Charlotte en Emily Brontë dachten eraan van een school te beginnen. Mijn grootmoeder had lerares willen worden, maar dat vond haar vader, een vlashandelaar, te min. Haar dochter, mijn moeder, mocht wel lerares worden, al werd dat in Wevelgem op onbegrip onthaald. De kleindochter van een vlashandelaar! De dochter van de koster!
     Ondertussen had de hoge burgerij al een bredere blik. Zo kreeg mijn moeder Franse les van Mlle Van Caillie, dochter van een rijke brouwer en via haar moeder afkomstig uit het geslacht van de van Outryve d’Ydewalles. Het was het soort vrouw dat tegelijk voornaamheid, elegantie en hartelijkheid. Ze kende geen woord Nederlands. Als ze iets niet uitgelegd kreeg in het Frans verontschuldigde zich dat ze het dan maar in de taal zou doen die ze van de meid had geleerd. En toen volgde er iets in het allerplatste Brugs, wat de leerlingen onwaarschijnlijk grappig vonden.
     Maar zo’n vrouw mocht dus enkele uren les geven, niet te veel, want het mocht niet de indruk geven dat er geld moest worden verdiend. En slechts een paar jaar, want de bedoeling was natuurlijk om daarna te trouwen met een diplomaat of een koloniale ambtenaar. 

Mansplainers in de fout

     Ik heb al verschillende keren over mansplaining geschreven omdat ik mij door het loutere woord in het defensief gedwongen voel. Ik ben namelijk een man, en ik leg graag dingen uit. Op de FB-pagina van Pierre Plum leer ik wat ik nog niet wist: dat het begrip teruggaat op een essay van ene Rebecca Solnit: ‘Men explain things to me’. Vrouwen moeten zich al eeuwen geërgerd hebben aan mannen die iets willen uitleggen, maar Solnit heeft die ergernis onder woorden gebracht.
     Plum wijst op iets anders. Mannen leggen bij voorkeur dingen uit die ze zelf niet zo goed kennen, dingen die zich buiten hun vakgebied bevinden. Weinig wiskundigen zullen in een gezelschap het binomium van Newton willen uitleggen. Daardoor komt het dat de uitleg die mannen in informele gesprekken wél geven vaak onnauwkeurig is. Plum geeft toe dat dat bij hem zeker het geval is. Een nauwkeurige uitleg vindt hij iets voor fantasieloze mensen.
     Maar ik weet niet of fantasie er zoveel mee te maken geef. Ik leg graag iets uit over economie terwijl ik daar weinig van afweet. Dat is ook omdat ik iets aan mijzelf wil uitleggen, en omdat een mens – een man? – snel trots is op wat Alexander Pope ‘a little knowledge’ noemde. Dat is één van de redenen waarom het ‘a dangerous thing’ is. Een beetje kennis is een beetje avontuur. Een soliede vakman ziet dat anders. Ik ken een professor in de economie die aan iedereen die het horen wil verkondigt dat economie hem eigenlijk niet interesseert.
     Die onnauwkeurigheid van de mansplainer is dus een bijkomende reden voor vrouwen om zich aan hem te ergeren. Niet alleen krijgen ze uitleg over iets wat hen niet interesseert, en worden ze in hun ogen vernederd door een man die kennis gebruikt om zichzelf te verheffen en hén te kleineren, die uitleg en die kennis zijn ook vaak fout. Het gebeurt wel eens dat ik aan mijn vrouw iets vertel wat ik in de krant gelezen heb, waarop ik dan moet horen dat het eigenlijk anders in elkaar zit.
    Om op Solnit terug te komen, blijkbaar bevat haar essay een anekdote die Plum als volgt navertelt: 

 In Aspen, het hippe wintersport-oord van de VS, ontwikkelt er zich in een chalet tussen dames en heren, zogenaamd van stand, een gesprek over Solnits laatste boek over de fotograaf Muybridge. Een heer haast zich om zich in het gesprek te gooien en begint aan Rebecca Solnit haar eigen boek uit te leggen, het belangrijkste boek van het jaar over de fotograaf, volgens hem. Solnit is zo van haar stuk gebracht door zijn woordenvloed en zijn zelfzekerheid, dat ze niet durft op te merken dat het haar boek is, die hij aan het bespreken is. Ze laat alles over zich heen gaan, als vertelde de man een nieuw sprookje uit duizend en één nacht. Alleen op het einde, als de man ongeveer uitgeraasd is, slaagt haar vriendin erin om de man erop te wijzen dat hij Rebeccas boek aan het bespreken is. Waarop de man lijkbleek werd, en verder ook nog duidelijk werd dat hij het boek alleen kende van een bespreking uit de New York Book Review. En dan nog vaag.

     Van die anekdote, daar geloof ik niet veel van. Ik ben ze te vaak tegengekomen in verschillende vormen. Een ervan was over een man die tegen Che Guevara opschepte dat hij Che Guevara kende. Woody Allen heeft de Wanderanekdote tot een grapje verwerkt in Annie Hall, met Marshal McLuhan in de hoofdrol.
     Er zal wel iets gebeurd zijn in dat chalet in Aspen, maar zoals het hier verteld wordt, door Plum of door Solnit, dat is veel te grappig om zo gebeurd te zijn. Het verhaal bevat de literaire truc van de ‘verdubbeling’. Solnit krijgt een dubbele rol: ze aanhoort een uitleg over een boek én ze is de auteur van dat boek. Ik legde die truc uit aan mijn leerlingen als ik les gaf over
urban legends. Aangezien er ook jongens in de klas zaten, en ik gewoon mijn vak uitoefende, geloof ik dat dat niet onder mansplaining viel. 

* Zie over mansplaining mijn stukjes hier, hier, hier en hier. 

Kortjes (vezameld)

 Modieuze woorden en uitdrukkingen 
   Geraard Goossens plaatste een mooie lijst van ongeveer 400 modieuze woorden en uitdrukkingen op zijn FB-pagina. Je wist dat je ‘goed bezig was’ als je dagelijks 10 woorden of uitdrukkingen uit dit lijstje gebruikte. Hij begint zijn lijst met Ambitie, Aanvliegroute, Afstemmen, Afvinken, Agency, Anekdotisch, Anyway … Ik dacht eerst: hoe lang heeft Geraard moeten zwoegen op die lijst? Maar toen luisterde ik vandaag naar de radio, en ik hoorde er tientallen per minuut, vaak drie naar elkaar zonder rustpauze ... de locals betrekken bij het verhaal ... Ik geloof dat van die drie woorden alleen locals op Geraards lijst voorkomt.


Koppen in De Standaard
     Een vriend van mij gaat elke vrijdag naar de bibliotheek om de kranten door te nemen. ‘Bij De Standaard geef ik het snel op,’ zei hij. ‘Veel van die koppen zijn mij te tendentieus. Als HLN zulke koppen publiceerde, zou ik onmiddellijk mijn abonnement opzeggen.’ Ik wees hem erop dat de tekst onder de koppen vaak wel wat genuanceerder was dan de koppen zelf. 
     Goed. Ik bekijk de krant van vandaag. Op de voorpagina: ‘Israëlische bedrijven exporteren systematisch landbouwproducten uit illegale kolonies naar Europa’. Systematisch, dan nog. Dat zal wel een interessant artikel zijn, maar ál die anti-Israëlstukken, en zo vaak – ik had bijna geschreven: systematisch – op de voorpagina, er zullen toch nog lezers zijn die vinden dat dat overdreven is. 


Aantrekkelijke koppen
     Vaak zie ik in mijn mailbox aantrekkelijke koppen voorbijkomen uit de Groene Amsterdammer. Ik denk dan dat dat bijzonder interessante artikels moeten zijn die ik helaas niet kan lezen omdat ik geen abonnement heb. Hoe kan ik mijzelf troosten? Wel. Ik zie in mijn mailbox ook vaak aantrekkelijke koppen voorbijkomen uit Knack. Die kan ik wel lezen, maar als ik dat doe is de ontgoocheling meestal groot. Onlangs nog een stuk van Walter Pauli: Defensie of sociale zekerheid? De Wever moet boven de loopgraven uitstijgen. Mooie kop, maar het stuk had niet veel om het lijf. Misschien is dat met de Groene Amsterdammer ook zo. 


Combinatiedenken
     Lieven Sioen (DS 25 juni) vindt dat we rond de hitte niet moeten ‘polariseren’ en geen ‘schijntegenstellingen moeten oppoken.’ Het is niet óf CO2-reductie óf adaptatie. Het niet niet óf bomen óf airco. Het is én-én. Daarop kwam een reactie van Patrick Loobuyck. Hij looft Sioen om zijn ‘combinatiedenken’. Ik erger mij aan die lof, en ik weet niet goed waarom.
     Dat stuk van Sioen zit namelijk goed in elkaar. De argumenten zijn redelijk. Mijn ergernis betreft, geloof ik, het automatische applaus waar je op kan rekenen als je je eigen ‘en-en’ tegen andermans ‘of-of’ inzet. Er is een begrotingstekort. Wat is het beste: besparen in de uitgaven of nieuwe belastingen heffen? Dan volgt al snel het antwoord: én-én. Misschien is dat juist, maar het is niet automatisch juist. 
     In de allereerste les economie leer je over de schaarste der middelen. Dat is de reden dat we vaak naar óf-óf moeten grijpen.


Jezus en de kooplieden
     Bij Pascal Cornet lees ik iets over de Brugse kerstmarkt. ‘Het bijbelhoofdstuk,’ schrijft hij, ‘waarin Jezus de kooplieden uit de tempel jaagt, is mijn favoriete Bijbelpassage.’ Ik daarentegen heb mij altijd aan dat optreden van Jezus geërgerd. Ik had er al een probleem mee als kind. Misschien lag in die ergernis mijn latere bekering tot het neoliberalisme al besloten.


Afrika
      Een geneesheer-specialist woont al 40 jaar in een Westers land, maar is afkomstig uit een Afrikaans land. Hij is hier gekomen als politiek vluchteling. Hij staat bekend als een bekwame, betrouwbare en bescheiden collega. Als hij op pensioen gaat, is hij van plan om naar zijn geboorteland terug te keren. ‘Mocht ik willen,’ zegt hij, ‘kan ik daar op enkele dagen tijd een leger op de been brengen van vijftigduizend man.’


Iran-berichtgeving
     Tijdens de eerste dagen van de Iran-oorlog dacht ik dat we op een feitelijke berichtgeving aanstuurden. Ik redeneerde: de linksliberale pers heeft een even grote afkeer van Trump als van het Iraanse regime. Daardoor zullen die mensen onpartijdiger zijn dan gewoonlijk, meer alsof ze berichten over een oorlog in een Afrikaans land waarvan men geen idee heeft wie de ‘goeden’ en wie de ‘slechten’ zijn.
     Mijn indruk is nu dat de afkeer van Trump de bovenhand heeft gehaald en dat leedvermaak overheerst omdat hij de ayatollahs en de Republikeinse Garde niet heeft kunnen verslaan. ‘Iran aanvallen was een strategische blunder en het Iraanse regime staat sterker dan ooit.’ Ik zeg niet dat die analyse correct of fout is, maar áls ze correct is, moet men dan Trump niet prijzen omdat hij zijn verliezen beperkt heeft gehouden en zich niet heeft vastgereden zoals zijn voorgangers in Vietnam, Irak en Afghanistan? 


Frank Dhanis, Dylan Thomas, Emily Dickinson
     Als we echt vinden dat de beschaving ten onder gaat – aan het neoliberalisme, het rechtspopulisme, het militarisme, de consumptieverslaving, de staatsschuld, de belastingdruk, de massamigratie, de groene waanzin, of de feminisering van alle waarden – hoe moeten we daar dan mee omgaan? Frank D’hanis op FB heeft zijn keuze gemaakt. ‘Ik heb zelf niet de persoonlijkheid om stilzwijgend en waardig de val van de beschaving te aanschouwen. Dan liever roepend en schreeuwend tot het laatst.’
       Dat is inderdaad een kwestie van persoonlijkheid en stijl – die zich niet alleen stelt bij de ondergang van de beschaving in zijn geheel, maar ook bij de ondergang van elk mens afzonderlijk. Velen zullen hierbij denken aan het gedicht van Emily Dickinson aan de ene kant, en dat van Dylan Thomas aan de andere kant. 

Because I could not stop for Death -
He kindly stopped for me -
The Carriage held but just Ourselves -
And Immortality.

versus

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.



Journalistiek en sociaal engagement


      Het is altijd een goed idee om álle journalistiek – vanwege de intrinsieke kenmerken van het medium – met wantrouwen tegemoet te treden. Zelfs de oorsprong van het woord – journal – verwijst meer naar de waan van de dag dan naar waarheidsvinding vanuit diep inzicht en breed perspectief. Maar vandaag is dat wantrouwen, lijkt mij, groter dan vroeger. Mensen op rechts én op links wantrouwen de mainstream media als een soort regime-pers.
      Het wantrouwen op rechts is recenter. Conservatieve lezers van een zekere leeftijd ergeren zich aan de linksliberale oriëntatie van de media, en aan de nadrukkelijkheid waarbij die oriëntatie wordt beleden. Ze hebben de indruk dat de kwaliteitsmedia in vroeger tijden een neutralere opstelling nastreefden. Zelf kan ik die indruk niet controleren omdat ik vroeger amper kranten las en dus niet weet ‘wie es recht eigentlich gewesen ist.’
     Behalve enkele complotdenkers, beseft iedereen dat de linksliberale opstelling van de media nogal spontaan tot stand gekomen is. Daar was niet veel sturing voor nodig. Maar de keuze voor een meer neutrale of een meer geëngageerde opstelling is geloof ik wel een bewuste keuze van hoofdredacteurs. Ik kan mij voorstellen dat Karel Verhoeven over zo’n kwestie lang en diep nadenkt. Hij moet daarbij rekening houden met zijn eigen geweten, de modetrends, de concurrentie en de verkoopcijfers.
    Die modetrends interesseren mij. Is er in de laatste 100 jaar een ononderbroken evolutie geweest van neutrale naar geëngageerde berichtgeving. Of hebben we hier, zoals zo vaak, met een slingerbeweging te maken. En waar bevond zich de slinger in de jaren 50 van vorige eeuw?
     De film Teacher’s Pet (1958) gaat over die verschuiving van modes. Clark Gable is iemand van de oude school: de journalist is voor hem een vakman die de feiten moet achterhalen en die ze beknopt en zakelijk moet weergeven. Doris Day daarentegen ziet de journalist als een intellectueel die het nieuws met een sociale interpretatie en humane boodschap moet verrijken. Zij lijkt de nieuwe mode te vertegenwoordigen. Maar is die mode werkelijk nieuw? Ze spiegelt zich vooral aan haar vader die van een nog oudere school is dan Gable, en dié school had dan weer heel veel sociale boodschap te brengen, zij het met minder intellectuele pretenties.