zaterdag 15 augustus 2026

De Z.E.H. A. Bouckaert (1924-2026)

 


  Een schoolvriend lichtte mij in over het overlijden van onze klassenleraar van het derde middelbaar, de Z.E.H. Bouckaert. Die is in veel opzichten de ideale leraar geweest voor jongens van 14 of 15 jaar. Had ik hem als 17-jarige voor de klas gehad, dan was mijn waanwijsheid volgroeid geweest en had ik mij tegen hem gekeerd. Als 14-jarige onderwierp ik mij nog gemakkelijk aan zijn gezag.
     Bouckaert straalde autoriteit uit en was veeleisend. ‘Bijna kennen, is niet kennen,’ zei hij. Een leerling die de traag was met zijn antwoord, werd uitgenodigd om even naar de wasbak te gaan om zijn polsen onder koud water te houden. ‘Daar word je wakker van.’ Die zinnetjes vonden we grappig, vooral omdat hij die zinnen als running gag gebruikte en ze zo droog kon brengen. Naar verluid bleef hij dat soort telkens herhaalde one-liners tot op hoge leeftijd gebruiken. Vroeg men hem op het woonzorgcentrum waar hij zijn laatste jaren doorbracht hoe de soep smaakte, antwoordde hij: ‘Voorzichtig, goed’, en als men vroeg of het eten lekker was, antwoordde hij dat hij ‘soms die indruk had.’
    In zijn lessen, verveelde je je geen seconde. Hij schijnt alle vakken gedoceerd te hebben, behalve wiskunde. In ons jaar was zijn lessenpakket teruggebracht tot Latijn en Godsdienst. Het derde middelbaar – vierde Latijn-Grieks – was het jaar van Julius Caesar en van De bello gallico. Onze leraar acteerde de tekst. Hij las hem voor met een overvloed aan intonatie en gebaren. Als hij declameerde dat ‘horum omnium Belgae sunt fortissimi’, dan balde hij zijn vuist. ‘De Belgen waren de strafste,’ vertaalde hij. En als hij het had over de afschrikwekkende gezichten en ogen van de Germanen – vultum atque aciem oculorum ferre ne potuisse – dan keek hij zelf ook afschrikwekkend, en maakt hij een energiek gebaar met twee vingers die vanaf zijn gebrilde ogen vertrokken en in de klas priemden.
     Energiek was de beste manier om hem te beschrijven. Ik dacht dat hij zestig was – in werkelijkheid was hij veertig – en ik vroeg mij af waar hij die energie vandaan haalde. Hij stond kaarsrecht voor de klas – stofjas, licht gekleurde bril, zenuwtic om de ogen, haren strak achterover gekamd – en droeg met luide stem een lange Latijnse zin voor. Vervolgens schreef hij met dezelfde energie de structuur van de zin op het bord. En alsof dat nog niet genoeg was, liep hij daarna naar de andere kant van de klas, gaf bevel om ons om te draaien, en hamerde de zin er nogmaals in, dit keer zonder de visuele ondersteuning van het bord. Elk moment gebeurde er iets, het spektakel hield nooit op.
     Ook het vak Godsdienst gaf hij op dezelfde energieke en gestructureerde manier. Veel van wat hij doceerde heb ik onthouden. Zo leerden we over de temperamenten. Je had mensen die emotioneel waren ingesteld; anderen waren eerder koel. Dezelfde mensen onderscheiden zich in hoe ze reageerden: primair, snel en oppervlakkig, of juist secundair, traag en diepgaand. Als je die eigenschappen emotioneel/niet-emotioneel en primair/secundair op een assenstelsel invulde en combineerde, kreeg je de vier traditionele temperamenten: sanguinisch, melancholisch, cholerisch en flegmatisch.
      Bij elk van de temperamenten volgde een uiteenzetting over de voor- en nadelen ervan, plus nuttige wenken over hoe je met dat temperament moest omgaan. Het was bijzonder spannend, want je wilde graag weten tot welke mensensoort je zelf behoorde. Ik maakte toen voor het eerst kennis met het sterrenbeelden-effect. Elk van de vier beschrijvingen leek wonderwel bij mijn eigen karakter te passen. Ondertussen weet ik beter: ik ben sanguinisch pur sang. Tussen haakjes: mijn zoon kreeg in het derde middelbaar hetzelfde leerstofonderdeel over de temperamenten, maar dan ik de gesofistikeerde versie van het Heymans-model, met acht categorieën. Ik vraag mij af hoeveel hij dáár van onthouden heeft. En ik heb er geen idee van hoeveel combinaties men kan maken met de vijf onderscheidingen van het OCEAN-model. Ik kan zelfs de onderscheidingen niet onthouden.
     Een ander leerstofonderdeel betrof de wereldgodsdiensten: jodendom, hindoeïsme, boeddhisme, islam. Hier kregen we een gestructureerde uitleg over de voor- en nadelen van de leer en de praktijk, een benadering die mij nog altijd heel redelijk lijkt. We leerden ook dat we respect moesten hebben voor mensen van een andere godsdienst. Als je later ooit –  het was onwaarschijnlijk, maar het kon gebeuren – met een moslim op een trein kwam te zitten, een toerist bijvoorbeeld, dan gaf het geen pas om te roepen: ‘Mohamed, sliepuit.’ Bouckaert maakt daarbij het uitlachgebaar waarbij je met je ene wijsvinger over je andere wijsvinger wrijft.  Dat was dus wat je niét mocht doen.
     Bouckaert was ook begeleider van de KSA in Menen. Daar kreeg hij te maken met opgeschoten jongens die worstelden met hun ontluikende seksuele verlangens. Het was te vroeg om daaraan toe te geven, vond hij, en daar had hij wellicht gelijk in. Verder vertrok hij van de logische redenering dat als er geen énkel contact tussen jongens en meisjes was, er dan ook geen seksueel contact kon zijn. Wat moest zo’n jongen dan doen als hij aan het fietsen was, en hij zag een mooi meisje staan aan de kant van de weg? ‘Er is dan maar één oplossing,’ zei hij, ‘doorfietsen. Je benen, man, je benen!’ Overigens moet het ook in die tijd en daarvóór al moeilijk geweest zijn om katholieke jongens en meisjes zo mooi gescheiden te houden. Zelfs op de strenge kostschool waar mijn moeder school liep, was er, ondanks alle controle, in elke klas wel een meisje die het al met een jongen deed, of desnoods met een getrouwde man.
     Natuurlijk was Bouckaert in de eerste plaats de man van het leerlingen-banjo-orkest. Hij organiseerde, dirigeerde, componeerde, arrangeerde en rekruteerde. Ooit werd ik na de schooluren uitgenodigd op zijn kamer. Hij moet mijn grootvader gekend hebben die organist was in Wevelgem en vermoedde wellicht in mij een vergelijkbaar muzikaal talent. Ik moest hem teleurstellen. Toen bleek dat Bouckaert een eigenschap bezat die ik later bij veel Amada- en PVDA-militanten zou opmerken: creatieve vasthoudendheid. Als ik dan zelf geen muziek kon maken, zei hij, dan kon ik toch best een andere rol in het orkest vervullen. Er was altijd iemand nodig om alles klaar te zetten en om met de kabels te slepen. En zo iemand mocht evengoed mee op de buitenlandse tournees. Ook daar liep ik echter niet warm voor, en na nog een korte toetsing of ik geen tekenen van vroege roeping voor het priesterschap voelde, mocht ik naar huis.
     We hebben Bouckaert jammer genoeg maar één trimester als leraar gehad. Midden in het schooljaar werd hij door het bisdom weggeroepen om medepastoor in Knokke te worden. Ter vervanging kregen we voor Latijn een jonge snaak zonder aangeboren gezag of talent. Hopelijk is hij daarna in zijn vak gegroeid. Ook voor godsdienst kregen we een pas afgestudeerde voor de klas: hij had zopas de ‘maartrevolte’ in Gent meegemaakt, of kon er in elk geval over vertellen. Hij droeg toen nog een keurige jas en das, maar toen ik hem twee jaar later tegenkwam op linkse betogingen was de jas vervangen door een parka, en de das door een baard. In de klas konden we met hem fijn over politieke kwesties discussiëren, Palestina bijvoorbeeld. Dat was ook 56 jaar geleden een heet hangijzer, maar minder gedemocratiseerd dan nu. Het was meer iets voor de happy few: maoisten, trotskisten, KP’ers en de socialisten van het weekblad Links. Van dié discussies in de klas herinner ik mij niet veel meer, niet van wat ik gezegd heb en niet van wat de leraar gezegd heeft – alleen dat die laatste soms klaagde dat het niet altijd over politiek moest gaan.

                                                            ***

     Gisteren ben ik dan naar de begrafenis geweest, in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk, waarvan Bouckaert de pastoor was geweest. De dienst werd opgeluisterd door het uit de doden opgestane banjo-orkest, zeventigers en tachtigers, die nog onder leiding van Bouckaert hadden gemusiceerd. Er waren zoveel liedjes – meestal tekst van G. Gezelle en muziek van A. Bouckaert – dat de dienst meer dan anderhalf uur duurde.
     Je komt op zo’n gelegenheid altijd oude bekenden tegen. Naast mij zat mijn vriend Dirk die op examens altijd precies 10 procent meer haalde dan ik. Een stoel verder zat onze leraar Frans van het vierde middelbaar, de man met de welluidende stem, die nog mooier klonk als hij bij hoge uitzondering iets in het Nederlands zei. In de klas deelde hij gestencilde teksten uit van Allain-Robbe Grillet (La grève, wat voor één keer niet ‘staking’ betekende), van André Gide (iets over ‘l’acte gratuit’), een fragment uit Votaires Candide (de tekst begon met ‘Rien n’était si beau, si leste, si brillant, si bien ordonné …). En als Eddy Merckx een belangrijke wielerwedstrijd had gewonnen, kregen we een artikel uit Le Monde over die prestatie. Natuurlijk was onze leraar dat allemaal al lang vergeten.
      Een van de vier priesters die de dienst voorgingen – voor een van hén doet men een speciale inspanning – was hispanist Christian De Paepe. Achteraf gingen Dirk en ik nog even bij hem staan. ‘Dag professor.’ ‘Ah romanisten zeker?  Je moet mij verontschuldigen maar ik herken jullie niet meer.’ De Paepe is ondertussen 88 maar hij leek amper ouder dan toen ik 45 jaar geleden bij hem examen aflegde*.
     Ik herinnerde hem aan mijn mondelinge examen in de eerste kandidatuur. Ik was in het hele jaar geen enkele keer naar de les geweest en kende geen woord Spaans. De professor begon mij van alles te vertellen in een mij toen nog onbekende taal. Uit medelijden schakelde hij daarna over op het Nederlands. ‘Je bent de enige student ooit die op het schriftelijke examen -2 op 100 behaalde. Je hebt je naam op de verkeerde plaats ingevuld en je nummer verkeerdelijk ingevuld bij ‘nombre’; het spijt me maar ik moest streng zijn.’
     De professor had vandaag nog dezelfde guitige blik in de ogen. Het gesprek ging even over een collega-romanist die niet zoals de meerderheid Spaans had gestudeerd, maar Italiaans. ‘Verkeerde mensen,’ zei De Paepe op de licht spottende toon die ik kende van vroeger. Als ik hem indertijd in de gangen van faculteit tegenkwam, vroeg hij of ik eigenlijk niet ergens revolutionaire pamfletten moest uitdelen. Zag hij een Zuid-Amerikaanse collega voorbijlopen, dan vroeg hij of ze weer met een politiek Derde Wereld-onderzoek bezig was, in plaats van vlijtig oude literatuur te bestuderen.
     We hebben niet gevraagd hoe de professor onze oude leraar kende. Ze waren allebei priester natuurlijk. Allebei Zuid-West-Vlamingen, dat ook. En ze deelden dezelfde liefde voor muziek. Ik meen mij vaag te herinneren dat ik De Paepe nog een studentenkoor van romanisten heb zien dirigeren. Ze zongen Odi et amo van Catullus geloof ik. 
Van zulke mensen, zei Dirk, is muziek de eerste taal.

 

 

* Zelf moet ik er gisteren, met mijn onverzorgde haar en baard, ongeveer 88 uitgezien hebben. Ik ben ondertussen naar de kapper-barbier geweest.

6 opmerkingen:

  1. Zoals steeds mooi stukje, Philippe. Je bedoelt het vierde middelbaar, toen nog de omgekeerde telling.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. En de leraar Frans was Urbain Dewaele met o.a. zijn tekst over Eddy Merckx. Merckxissimo was de titel, van Felix Levitan …

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Urbain Dewaele, woonachtig te Wevelgem.

      Verwijderen
    2. Merckxissimo, inderdaad Arnold. Dewaele was ook die titel vergeten. Wij hebben in de klas nog gediscussieerd over de vraag of Levitan dat allemaal oprecht meende wat hij schreef. Ik zei dat hij gewoon voor eigen winkel sprak, en Dewaele geloofde dat zo iemand ook wel echt enthousiast kon zijn.

      Verwijderen
  3. Weet nog hoe hij ons “irrealis” aanleerde de eerste keer dat we Latijnse les kregen van hem. Hij trok het gordijn weg en zei “ daar vliegt een olifant. En wij maar verdwaasd kijken en luisteren naar zijn eerste woorden

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dat was ik vergeten. In mijn eigen lessen gebruikte ik, in een totaal andere context, de zin: 'Er zwemt een walvis op de speelkoer.' Misschien was ik onbewust wel beïnvloed door het voorbeeld van de olifant.

      Verwijderen