dinsdag 31 december 2024

Jimmy Carter - Bart De Zwijger


Jimmy Carter (1924-2024)

     Het cliché over Jimmy Carter als ‘best ex-president ever’ hoorde ik voor het eerst 30 jaar geleden, van een politieke tegenstander van hem. Ruben Mooijman noemt hem een gutmensch, wat mij niet hetzelfde lijkt als een deugpronker. Die laatste is iemand die het moeilijke streven naar een deugdzaam leven vervangt door het innemen van bepaalde politieke standpunten die moreel superieur zouden zijn. Een gutmensch als Carter daarentegen is volgens Mooijman iemand die zelfs in de politieke jungle naastenliefde en onkreukbaarheid nastreeft, en die liever naïef dan cynisch is. Zelf hou ik van een evenwicht tussen naïviteit en cynisme, zowel in het dagelijkse leven als in de politiek en de kunst. Maar persoonlijke onkreukbaarheid is natuurlijk altijd goed.
 
     Op x.com trof ik een commentaar aan* dat een vergelijkbare strekking had als dat van Mooijman, maar een andere invalshoek hanteerde omdat moraal met rationaliteit werd verbonden. Ook werd in het commentaar een vergelijking gemaakt waar ik nooit zelf zou zijn opgekomen.

President Carter was strikingly similar to President Hoover who had served 50ish years before him: a good man, a great humanitarian, and an engineer by trade who, in a typical engineer fashion, believed that most problems could be ‘fixed’ through a logical and methodical approach. Sadly, the human world – especially the world of government affairs – rarely works that way, and his presidency suffered because of it. As a result, both Hoover and Carter suffered landslide defeats in their reelection bids, after which both men saw their public images improve .Kinda sad stories, in a way.

         De vergelijking van Carter en Hoover als ingenieurs is instructief en uitdagend. Hoover werd afgerekend op zijn economisch beleid, Carter op zijn buitenlands beleid. Ik geloof niet dat er aan de faculteit ingenieurswetenschappen een formule wordt aangeleerd om in het buitenlandse beleid te bepalen wat op een gegeven moment het juiste evenwicht is tussen een militaristische en een pacifistische koers. Carter en Reagan verschilden van mening over dat evenwicht. Net zoals Hoover en Roosevelt verschilden van mening over het evenwicht tussen interventionisme of laissez aller als beste remedie tegen de economische crisis. Van Reagan en Roosevelt wordt gezegd dat de Geschiedenis hen gelijk heeft gegeven. Dat kan. Maar we moeten niet álles geloven wat die ons vertelt. Volgens zekere filosoof was Clio ‘mit der Lüge so durch und durch infiziert wie eine Gassenhure mit der Syphilis’.

Bart De Zwijger 
     Van een orangist als Bart De Wever moet het ons niet verwonderen dat hij de laatste tijd het voorbeeld van Willem De Zwijger volgt. Dat zwijgen vind ik voor een formateur geen slechte werkwijze. Daarmee brengt hij echter zijn politieke tegenstrevers in de verleiding om hem heimelijke steken toe te brengen die niet kunnen worden gepareerd. Ik doe het even in zijn plaats. Op het VTM-nieuws van 30/12 hoorde ik dat De Wevers  aanpak door sommige onderhandelaars werd bekritiseerd. De Wever zou (1) weigeren knopen door te hakken en (2) weigeren op te schuiven van rechts naar het centrum. Dit zijn twee tegenstrijdige kritieken. Wat zouden die critici zeggen als De Wever wél knopen doorhakte, maar dat deed zonder op te schuiven naar wat zij als het centrum zien?


* Dankzij een vermelding op de FB-pagina van Luc Van Braekel.

maandag 30 december 2024

Fly Me ..., Nolan, Supersex, Olivia Hussey


Fly Me to the Moon
      Fly Me to the Moon is een romcom met Scarlett Johansson en Channing Tatum. 
De film prijkt geloof ik niet op veel eindejaarslijstjes van beste films. Het zij zo.
      Mijn eigen lijstje wou ik zoals altijd angstvallig geheim houden, maar toen kreeg ik een mail van mijn goede vriendin C., die haar beklag deed over de onderwaardering waarvan 
Fly Me volgens haar het slachtoffer was. Ik deelde haar mening over dat onrecht en heb daarom beslist om een uitzondering te maken en die ene film uit mijn top-20 alsnog bekend te maken. Hier staat een hoger belang op het spel. Echt goede romantische komedies, zoals men die in de jaren 30 van vorige eeuw aan de lopende band maakte, zijn vandaag few and far between. Het basisrecept van naïef cynisme of cynische naïeviteit dreigt verloren te gaan.
      Fly Me is een aardig niemendalletje – zoals een komedie hoort te zijn. De recensent van The Atlantic schreef terecht: ‘Its very shallowness is the point’Maar verder valt alles in de film verdomd goed op zijn pootjes, te beginnen met de zwarte kat die in het begin van de film op het lanceerplatform rondloopt. Het is een klassiek maar elegant voorbeeld van een Tsjechov-pistool, net als de terloopse vermelding van regisseur Stanley Kubrick, althans voor wie het mopje kent. Kubrick, zo gaat dat mopje, werd door de Geheime Dienst gecontacteerd om een getrukeerde maanlanding te filmen die men als een echte maanlanding op televisie zou uitzenden. De regisseur ging akkoord, op één voorwaarde: dat hij alles ‘op locatie’ kon opnemen.
 
     Veel filmrecensenten reageerden negatief op Fly Me. Ze vonden de film maar niks. The Hollywood Reporter schreef: ‘The film weirdly blends together romantic comedy, historical drama and conspiracy thriller.’ Maar wat is hier weird aan die blend? Het is alsof je zou schrijven dat Ninotchka van Wilder en Lubitch een ‘rare’ combinatie was van romantiek, anticommunisme en slapstick. Ik vind het juist aangenaam dat een zwaar onderwerp als samenzweringstheorieën wordt afgewisseld met een lichtvoetige romantische intrige. 

     Liefde, wat op zich een zwaar onderwerp is, wordt in een goede, ouderwetse romcom op een cynisch-naïeve toon aangepakt. Die toon is ook heel goed bruikbaar om zoiets als een bekende samenzweringstheorie op de hak te nemen. Andere films die een vergelijkbaar onderwerp behandelden, gleden af in sarcasme en absurde karikatuur, zoals Wag the Dog en Don’t Look Up. In Fly Me wordt sarcasme vermeden en wordt de karikaturale toets samengebald tot één personage – gespeeld door Woody Harrelson. Die doet dat heel goed. Je gelooft in zijn personage, en tegelijk weet je dat zulke types niet echt bestaan – of toch niet op die manier. Zoals samenzweringen niet echt bestaan – of toch niet op die manier.

     Sommige moderne critici lijken de échte komedie ontwend te zijn. Ze menen stijlbreuken te zien, maar merken de onderliggende eenheid van toon niet. Ze zijn vertrouwd met blends zoals tragikomedie en dramedy; bij vrolijk en naïef cynisme staan ze perplex.

 

Christopher Nolan

     Laatst botste ik aan tegen een FB-discussie over de filmregisseur Christopher Nolan. Je weet hoe dat gaat. Iemand vindt Memento en The Prestige  leuke films maar Interstellar en Oppenheimer miskleunen. Iemand anders vindt het tegenovergestelde. Zoiets is een kwestie van smaak. Je kunt wijzen op objectieve kenmerken, maar daarmee kom je er niet. Het scenario van Inception zit vol gaten terwijl de de vertelling van Dunkirk zo helder is als je die in een oorlogsfilm kunt krijgen; toch kun je de eerste film koesteren en de tweede haten. Zelf hou ik van alle Nolan-films, behalve van Tenet, maar met mate. Nolan is meer een regisseur voor de generatie van mijn zoon.

     ’t Is dus allemaal een kwestie van smaak, wat niet betekent dat er geen goede en slechte smaak zou bestaan. Het oordeel van een Beotiër heeft niet hetzelfde gewicht als dat van een erkende arbiter elegantiarum. Ik ben geloof ik geen van beide. Ik vind het vaak – niet altijd – moeilijk om uit te maken of ik iets nu goed of slecht vind. Vaak bekijk ik dezelfde film meerdere keren. Het gebeurt dat een film bij een tweede visie ongeveer dezelfde indruk maakt, of een betere, of een slechtere. Bij Nolan bijvoorbeeld vond ik dat een tweede visie meestal tegenviel. Batman Begins was natuurlijk verfrissend. De oude mythologie werd heruitgevonden, met een nieuwe balans tussen realisme en fantasie. Maar de tweede keer vond ik hem al wat vervelen. Ik zou veel liever nog een keer de Batman van Tim Burton zien, dan een van Nolan-trilogie.

     

Supersex

     Supersex is een Italiaanse serie over de carrière van de porno-acteur Rocco Sifredi. Het verhaal wordt eenvoudig verteld, met heel veel uitleg door de vertelstem, wat overigens geen bezwaar mag zijn. Centraal staan de gevoelens, de trauma’s, de familierelaties, de koppeling en loskoppeling van liefde en seks, dat soort dingen. Ik had gehoopt dat het zou gaan over de opbouw van een zakenimperium.
     Als je met een bepaalde verwachting aan een film of serie begint, kan dat de uiteindelijke appreciatie sterk beïnvloeden. Dit gezegd zijnde: de twee laatste afleveringen zijn de beste.


Olivia Hussey (1951-2024)

     Vandaag is niemand meer verbaasd als er een min of meer commerciële film gemaakt wordt van een Shakespeare-stuk, maar voor 1968 was zo’n verfilming iets voor theaterliefhebbers en cinefielen. Zeffirelli had in 1967 al een vrij geslaagde poging gedaan met The Taming of the Shrew. Het populaire acteurskoppel Richard Burton en Elizabeth Taylor was uitermate geschikt om de doorsnee kijker naar de bioscoop te lokken. In 1968 probeerde hij iets anders: een Shakespeare voor de jeugd, dat wil zeggen voor puberende hippies. Zijn invalshoek was even eenvoudig als briljant: hij koos ervoor om de 15-jarige Juliet door een 15-jarige actrice te laten spelen, en de 17-jarige Romeo door een 17-jarige acteur. Hun kapsel in de film  sloot zo dicht mogelijk aan bij dat van de toenmalige jongeren.

     Nu moest het eenvoudige en briljante idee nog verkocht worden. Daarvoor werd er een speciale trailer gemaakt. Fragmenten uit de film werden afgelost met footage waarop je de jonge acteurs in moderne kleren zag flaneren in de stad en stoeien aan de rand van het zwembad, alsof ze ook in werkelijkheid een stel waren. Die slimme trailer vind ik nergens terug. In de official trailers op Youtube komen de eigentijdse beelden niet voor. 

      Veel jongeren lieten zich door de trailer verleiden, gingen naar de film kijken, en waren achteraf ontgoocheld. ‘Ze spreken in gedichten,’ zei mijn buurjongen. Zelf vond ik de film erg mooi, en later toen ik les gaf liet ik er in de klas beelden van zien wanneer ik de renaissance behandelde. De meisjes waren dan verliefd op Romeo en zochten op hoe die de jongen die hem speelde – Leonard Whiting – er ondertussen uitzag. Ook zij waren ontgoocheld. Juliet werd gespeeld door Olivia Hussey. Ze is nu overleden. 

      



 

 



zaterdag 28 december 2024

Republikeinse moraal


     
Het is niet makkelijk om een stuk te schrijven over iets waar iedereen het eens over is. Tinneke Beeckman probeerde het laatst in De Standaard*. Ze bekritiseerde de Amerikaanse president Joe Biden omdat hij, kort voor het einde van zijn ambtstermijn, gratie had geschonken aan zijn zoon Hunter, die gerechtelijk vervolgd werd voor fraude. Beeckman keurt die gratie af en daarmee neemt ze hetzelfde standpunt in als zowat alle andere commentatoren die over de kwestie geschreven hebben. Ze heeft dus geen tegenargumenten te weerleggen; het enige wat ze nog kan doen is de zaak in een breder verband te plaatsen. Dat mag voor een veelzijdig belezen filosofe geen probleem zijn.
 
     Beeckman vindt inspiratie bij een collega, Montesquieu, die in De l’esprit des lois de principes van de liberaal-democratische rechtstaat uiteenzette. Meer in het algemeen breekt ze een lans voor de republikeinse moraal die het algemeen belang boven het persoonlijk belang stelt. 
     De neiging om het eigenbelang te koesteren is des mensen, maar Beeckman wijst erop dat er in de moderne samenleving omstandigheden aanwezig zijn die die neiging versterken. Vooreerst wordt de zucht naar eigen voordeel aangewakkerd door de alomtegenwoordigheid van wat Montesquieu de ‘handel’ noemde, en wat hedendaagse commentatoren het ‘neoliberalisme’ zouden noemen. Ten tweede wordt het moderne politieke stelsel beheerst door partijpolitiek, waarbij de grens tussen eigenbelang en algemeen belang vervaagt. En ten slotte is in de politieke zeden van de laatste dertig jaar een mode binnengeslopen van escalerende normvervaging. Politici liegen en bedriegen omdat hun voorgangers het slechte voorbeeld gaven, en zelf geven ze ook het slechte voorbeeld aan hun opvolgers. Het wordt steeds erger.
     Bij die voorbeelden van escalerende normvervaging loopt een en ander fout. Beeckman haalt er Christopher Hitchens bij die de morele corruptie van Bill Clinton hekelde, diens veelwijverij, en diens sluwe ‘strategie om linkse ideeën te verkondigen maar rechts beleid te voeren.’ Maar dat wangedrag van Clinton heeft weinig te maken met de republikeinse moraal. Enerzijds was Clintons echtelijke ontrouw, zijn hypocrisie en leugens daaromtrent, en zijn intimidatie en vernedering van vrouwen die lastig deden, ongetwijfeld egoïstisch en immoreel. Maar dat gedrag had weinig met het algemeen of staatsbelang te maken**. Anderzijds had zijn constructie van sociale maatregelen (‘linkse ideeën’) op een neoliberale economische basis (‘rechts beleid’) weinig met moraal en alles met politiek te maken, twee sferen die je niet zomaar door elkaar mag halen. Twee tegenovergestelde politieke beleidslijnen kunnen in principe allebei even moreel, immoreel of amoreel zijn.  
     Ook een ander voorbeeld dat Beeckman geeft is discutabel. ‘Barack Obama redde de hebzuchtige speculanten van Wall Street met belastingsgeld, maar zonder hervormingen te eisen.’ Dat is ongetwijfeld zo maar wat heeft dat met Obama’s eigenbelang te maken?  Ik zou als president de banken ook ‘gered’ hebben. En natuurlijk moet het financiële systeem hervormd worden, maar wélke hervormingen de goede zijn, dat is een heel andere vraag. Het is een kwestie die moet worden beoordeeld aan de hand van politieke en economische criteria, vóór er met morele beschuldigingen wordt geschermd.
     Twee andere voorbeelden die Beeckman geeft, doen wel terzake: George W. Bush die loog om de oorlog in Irak te rechtvaardigen en Trump die weigerde de kiesuitslag van 2020 te erkennen. Bij Trump is het eigenbelang evident. Bij G.W. Bush ligt het enigszins anders. Niet het eigenbelang, maar het feit van het liegen zelf is evident – wat een morele fout is, zowel in de persoonlijke als in de politieke sfeer. Beeckman mag gerust van het spreken van de waarheid ook een republikeinse deugd maken. Anderzijds kun je dat niet-liegen-maxime niet rechtstreeks afleiden uit het algemeen belang. De geschiedenis geeft genoeg voorbeelden waarin leugens met succes voor het algemeen belang werden ingezet. 
     Beekman illustreert haar betoog met een anekdote uit de Romeinse geschiedenis: over Lucius Brutus die rond 500 voor Christus de monarchie omverwierp, de republiek uitriep, en, toen zijn zonen deelnamen aan een monarchistische opstand, hen ter dood veroorddeelde. Dát is republikeinse moraal, betoogt Beeckman, iedereen gelijk voor de wet. Ze vermeldt ook het schilderij dat Louis David in 1798 aan het gebeuren wijdde.

                                                                            *

        Het is misschien dat schilderij van David dat de aandacht trok van kritische lezer Jelle Dehaen. David was namelijk een strijdmakker van Robespierre en over die laatste heeft Dehaen onlangs een boek geschreven. Het moet hem geprikkeld hebben om de tegenovergestelde positie van Beeckman in te nemen en het gedrag van Joe Biden te vergoelijken. Daardoor krijgt hij met de tegenovergestelde moeilijkheid van Beeckman te maken: een stuk schrijven met een stelling waar niemand het mee eens is.
     Dehaen betoogt als een advocaat. Hij appeleert tegelijk aan ons medelijden, ons gevoel voor proportie, en ons eigenbelang. 

Biden is een 82-jarige wiens oudste zoon overleden is. Nu dreigde zijn andere zoon voor zeventien jaar achter de tralies te verdwijnen voor belastingsfraude en het omzeilen van de wapenwetten. Welke vader zou, als hij dat kon verhinderen, zoiets laten gebeuren? … Willen we leiders die hun eigen kinderen slachtofferen?

      De arme grijsaard! Zeventien jaar! Willen we wel zulke strenge leiders? Op die laatste vraag antwoord ikzelf heel gemakkelijk: ‘nee’. We mispeuteren allemaal wel eens iets, en hopen dan dat de autoriteiten af en toe eens de andere kant uitkijken. Maar als een president van Amerika niet eens een oogje dichtknijpt voor zijn eigen zoon, hoe streng zal hij wel niet zijn voor ons? Misschien krijgen wij wel zeven maal zeventien jaar gevangenis voor het verkeerd invullen van onze belastingsbrief! – Ô suprême lâcheté! zou Robespierre bij zo’n gedachtegang hebben uitgeroepen.
 
      Dehaen maakt handig gebruik van het Brutus-voorbeeld dat Beeckman introduceerde. We weten niet eens of die Brutus echt bestaan heeft, schrijft hij. En ondertussen verdoezelt hij de onmiskenbare verschillen tussen de primitieve Romeinse republiek en het half-decadente westerse liberalisme. Niemand verwacht van Biden dat hij, zoals Brutus, zélf zijn eigen zoon veroordeelt. Daar zijn onafhankelijke rechters voor. Dehaen schrijft dat Biden volgens de Brutus-moraal ex-president Trump en zijn aanhangers voor de bestorming van het Capitool had moeten laten executeren – liefst nog op de trappen van het gebouw zelf.  Maar ook die kwestie kwam aan de rechters toe die verantwoordelijkheden moesten toewijzen op grond van harde bewijzen, en die de strafmaat en -modaliteit moesten bepalen binnen wat de wet voorziet.
     Daarna is Dehaen aan zijn pièce de résistance toe. Hij schrijft:

De Franse revolutionairen … verkondigden om de haverklap hun toewijding aan het algemeen belang, het liefst op nachtelijke bijeenkomsten waar ze tranen met tuiten huilden … In theorie lijkt het algemeen belang een onfeilbaar moreel kompas … In realiteit is het een vaag concept dat iedere uitwas kan rechtvaardigen … Toen de revolutie ontspoorde, werden politieke rivalen niet langer mensen met wie je van mening verschilde, maar vijanden van het algemeen belang.

       Daar kan ik natuurlijk woord voor woord akkoord mee gaan. Wel heb ik twee bijkomende vragen. Eén: is die tirade toepasbaar op het geval Biden? Uiteraard niet. Fiscale fraude en illegaal wapenbezit zijn geen kwestie van een politiek meningsverschil, en het gerechtelijk bestraffen ervan is geen uitwas. Twee: is die tirade een weerlegging van Beeckmans exposé? In zekere zin wel. Beeckman springt al te gemakkelijk over van algemeen belang naar de wet, en van de wet naar het algemeen belang. Ze schrijft, met verwijzing naar Montesquieu:

Het lijkt erop dat Biden het belang van zijn familie boven het algemeen belang stelt … In een republiek zijn burgers soeverein: ze hebben de macht om de wetten vorm te geven. Tegelijk zijn burgers onderdanen – ze zijn aan de wetten onderworpen. Het moeilijke is dat mensen voor zichzelf graag uitzonderingen maken. Ze zijn geneigd hun privé-belangen voorrang te geven.

     De ene keer wordt het eigenbelang tegenover het algemeen belang gesteld, de andere keer tegenover de wettelijkheid. Maar algemeen belang en wettelijkheid zijn niet hetzelfde. Wetten worden verondersteld in het algemeen belang te zijn. En het is in het algemeen belang dat dezelfde wetten voor iedereen gelden. Maar er is geen a priori reden om aan te nemen dat een bepaalde fiscale of wapenwetgeving het algemeen belang weerspiegelt. Ook is er niets a priori fout aan het nastreven van het eigenbelang als de wet gerespecteerd blijft.
     Heeft Hunter Biden de wet gerespecteerd? Waarschijnlijk niet. Heeft Joe Biden de wet gerespecteerd? Eigenlijk wel. Het is juist de Amerikaanse wet die voorziet dat Amerikaanse gouverneurs en presidenten gratie kunnen verlenen. De wet heeft die mogelijkheid voorzien omdat ze uitgaat van mogelijke onvolmaaktheden zowel in de wetgeving als in het rechtsverloop. ‘Een samenleving,’ schrijft Dehaen, ‘bestaat niet uit filosofische concepten, maar uit concrete mensen.’ En wat geldt voor de samenleving, geldt ook voor de rechtspraak.
     Het conflict tussen de strikte wet en de menselijkheid is een oud conflict dat ook in de literatuur zijn sporen heeft nagelaten. Bert Brecht maakt er een parodie op aan het einde van de Driestuiversopera, wanneer het ‘geehrtes Publicum … wenigstens in der Oper seht, wie einmal Gnade for Recht ergeht.’ De moordenaar, verkrachter en brandstichter Macheath wordt niet gestraft maar krijgt gratie en wordt beloond. Shakespeare neemt de zaak serieuzer op in The Merchant of Venice, waarin hij de even sympathieke als geleerde Portia laat zeggen:

The quality of mercy is not strain’d.
It droppeth as the gentle rain from heaven
Upon the place beneath. It is twice blest:
It blesseth him that gives and him that takes.

     Ik wil mij hier niet mengen in de twist tussen enerzijds de harde republikeinen van de strekking Beeckman en Brutus, en anderzijds de zachtaardiger schipperaars van de strekking Dehaen en Edmund Burke, welke laatste ook pleitte voor het behoud van genade als uitzonderingsregel op de rechtspraak. Maar juist wie voorstander is van de genade-regel is, zou het gedrag van Biden, desnoods begripvol, moeten afkeuren. Biden heeft niet gezondigd tegen de wet, maar tegen de geest van de wet. De bedoeling van genade is niet dat een machthebber die gebruikt voor eigen voordeel (al is de mogelijkheid van zon misbruik inherent aan de regeling.) Portia wou genade voor Antonio, niet voor haarzelf of haar familie. Als een wettelijke regeling misbruikt wordt, komt de legitimiteit ervan in het gedrang. 

      

     

De Standaard 5/12/2024. Het antwoord van Dehaen verscheen op 9/12. 

** De burgers van een republiek hebben natuurlijk het recht om een staatshoofd af te rekenen op zijn seksuele moraal, en die van zijn vrouw, zijn moeder en zijn dochter. In de Europese traditie heeft men de gewoonte – for better or for worse - om die zaken enigszins gescheiden te houden.  

vrijdag 27 december 2024

Ecologisch en klimaatprotectionisme

     Er kunnen verschillende redenen worden ingeroepen om economisch protectionisme toe te passen. Die reden zijn onder andere (1) economisch, (2) sociaal, (3) ecologisch, (4) klimaat, (5) geopolitiek*.
     De economische reden is logisch onzinnig, de sociale reden berust op het bevoorrechten van een minderheid ten koste van een meerderheid**, en de ecologische reden – natuurbehoud – is in het beste geval een excuus en in het slechtste geval een gevolg van een neokoloniale mentaliteit***.
      Je vindt de ecologische reden – samen met de sociale – terug in de tussenkomst van Europees parlementslid Barbara Bonte (VB) tegen een Europees handelsakkoord met de Zuid-Amerikaanse landen van Mercosur:

Eerst een Green Deal, nu Mercosur. De Europese Unie legt onze boeren regeltjes op die hun concurrenten niet hoeven te volgen: een recept voor dumping uit vervuilende lageloonlanden terwijl onze boeren worden kapotgemaakt. Voor ons en onze boeren is het duidelijk: nee aan de Green Deal, nee aan Mercosur!

     Volgens die redenering mogen de Zuid-Amerikaanse boeren slechts naar ons uitvoeren als ze dezelfde milieunormen gebruiken als onze boeren. Maar arme landen hechten natuurlijk een groter belang aan verhoging van hun levensniveau, meer dan aan het terugdringen van het vervuilend neveneffect. Die vervuiling beschouwen ze als iets voor later, als ze zo rijk zijn als wij.  Het is niet aan ons om hen onze keuzes op te dringen. Als zij hun milieu vervuilen, moeten zij de gevolgen daarvan dragen****. Maar ondertussen is het onrechtvaardig om onze consumenten te verbieden  goedkope landbouwproducten uit vervuilende landen te kopen
.
     Bij de klimaatreden is het enigszins anders gesteld. Wie gelooft dat de CO2-uitstoot de aarde opwarmt en daarmee de hele wereldbevolking schade berokkent, die zou moeten voorstander zijn van een algemene koolstoftaks. Maar zoiets valt niet af te spreken op mondiaal vlak. De hoogte van een koolstoftaks moet worden afgesproken door de klimaatalarmisten en klimaatsceptici van een land of zone. Het is dan ook geoorloofd dat een land of zone met een hoge koolstoftaks een importheffing oplegt aan een land of zone met een lage koolstoftaks*****, zodat het verschil wordt weggewerkt. 
     De geopolitieke reden ten slotte zou ik enkele jaren geleden als excuus hebben afgedaan. Dat is een luxe die ik mij vandaag niet meer kan veroorloven. De enige luxe die ik mij hier kan veroorloven is erover te zwijgen.

 

* Er worden ook soms redenen van voedsel- en andere veiligheid ingeroepen. Of redenen van culturele aard.

** Over het sociale excuus voor het protectionisme, zie mijn stukje hier. Kort gezegd: natuurlijk verdwijnen er jobs - en worden er andere bij gecreëerd. In het algemeen worden producten goedkoper (anders zou men niet uit Mexico importeren) en daar worden alle consumenten, ook de boeren en arbeiders die een andere job hebben moeten zoeken, beter van.

** Neokolonialistische mentaliteit: de rijke landen leggen aan de arme landen op welke afweging ze moeten maken tussen natuurbehoud en welvaart. Maar die afweging is haast per definitie verschillend.

**** De redenering geldt niet voor álle vormen van milieuschade: ontbossing, overbevissing, plastic afval in zee ... 

***** Een dergelijke heffing is in de maak: de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). In theorie is daar niks mis mee. In de praktijk zou het kunnen tegenvallen, omdat de regeling een grote administratieve last met zich meebrengt, hetzij voor de staat, hetzij voor de bedrijven. Stel je voor dat elk bedrijf dat onderdelen gebruikt waarin buitenlands staal is verwerkt, moet gaan uitrekenen met welke CO2-uitstaat dat gepaard is gegaan. 

 

donderdag 26 december 2024

Literaire syfilis

     De literaire liefhebber die af en toe een iets ouder boek leest, komt wel eens een vermelding van syfilis tegen. De auteur van het boek is eraan overleden zoals Maupassant, Baudelaire, of Daudet, of een van de personages lijdt aan de ziekte. Er is een scène in Ibsens Poppenhuis die een moderne lezer niet kan begrijpen als hij niet op de hoogte is van syfilis en van het overerfbare karakter van die geslachtsziekte. Als ik dan in de krant een stuk zie staan over syfilis, zal ik dat altijd snel lezen. Zo bijvoorbeeld dat stuk over de Amerikaanse oorsprong van de ziekte in De Standaard (19/12). Volgens modern DNA-onderzoek staat nu ongeveer vast dat de bacterie werd meegebracht naar Europa door Columbus en zijn bemanning. Eén passage is wat onhandig.

Vandaag is syfilis een seksueel overdraagbare aandoening die goed te behandelen is met antibiotica. Maar vijfhonderd jaar geleden kon je aan de soa een fysieke of geestelijke handicap overhouden, of er zelfs aan sterven. [De zin wordt ook overgenomen onder de illustratie bij het stuk].

       Wat er staat is helemaal juist: vijfhonderd jaar geleden kon je inderdaad aan syfilis sterven. Maar tweehonderd jaar geleden ook, net als honderd jaar geleden. Dat ‘vijfhonderd jaar’ suggereert ten onrechte dat de ziekte honderd of tweehonderd jaar geleden haar dodelijk karakter verloren had. En jammer genoeg was dat niet waar voor Maupassant, Baudelaire en Daudet en al die anderen. 

De elektriciteit van Groen en Vooruit

Energie-eiland
     Tinne Van der Straeten had het plan opgevat om in de Noordzee een energie-eiland te laten bouwen. De werken waren begroot op 2,2 miljard, maar worden ondertussen op 7 miljard geschat. Dat grote openbare werken vaak een veelvoud kosten van wat oorspronkelijk geraamd was, is niets nieuws. Nobelprijswinnaar Kahneman heeft indertijd uitgelegd hoe dat in zijn werk gaat. Verontrustend is eigenlijk alleen dat het begrote bedrag nu al met 300 procent gestegen is. Je moet er niet aan denken wat de uiteindelijke kostprijs zou kunnen zijn. 

Opzienbarende cijfers
     
Twee cijfers waarvan ik deze week opschrok, hadden met de energietransitie te maken. Eén: de staalreus ArcelorMittal is verantwoordelijk voor 8 procent van de CO2-uitstoot in België. Twee: elektriciteit kost ondertussen vier keer zoveel als gas.
      Wat nu? Staal zullen we ook in de toekomst nodig hebben. En met grootschalige investeringen in het hoogspanningsnet, laadpalen, dure energie-eilanden, extreme voorzorgsmaatregelen rond kernenergie, en af een toe een Dunkelflaute, zie ik niet meteen veel mogelijkheden om de elektriciteitsprijzen naar beneden te krijgen.

Elektriciteit goedkoper maken
   De West-Vlaamse politica Melissa Depraetere ziet wel mogelijkheden om de elektriciteitsprijs naar beneden te halen 

Het kan zo niet verder. Jaar na jaar zien mensen hun elektriciteitsfactuur stijgen. Terwijl we elektriciteit, de energie van de toekomst toch, net goedkoper moeten maken. (DS, 19/12)

     Goedkoper maken ...  daar zijn de socialisten weer met hun maakbaarheid. De eenvoudige waarheid is dat de je de elektriciteit niet goedkoper kúnt maken. Bij versnelde overschakeling naar elektriciteit zal die energie, door de stijgende vraag, nóg duurder worden. Je kunt  alleen de kost verschuiven, bijvoorbeeld door hogere taksen op andere energie – zolang die nog bestaan.  Margaret Thatcher zei ooit: ‘The problem with socialism is that you eventually run out of other people’s money.’ Dat is hier ongeveer hetzelfde: eventually you run out of other taxable sources of energy.
 
     Met een koolstoftaks – waar ik in principe niet tegen ben – doe je natuurlijk ook aan verschuiving van de energiekosten. Je rekent bijvoorbeeld uit dat directe gasconsumptie vier keer meer CO2 uitstoot dan elektriciteit dat doet. Dan kun je door taksen het gas vier keer duurder maken, volgens het gezonde principe ‘de vervuilende consument betaalt’. Daarmee is de prijs van het gas gestegen, maar helaas is daarmee de productieprijs van elektriciteit niet gedaald. 

Elektrische apparaten goedkoper maken
      Melissa Depraetere wil niet alleen de elektriciteit goedkoper maken. Ze wil hetzelfde doen met de elektrische apparaten. Haar plan is om kortingsbonnen van 250 euro uit te delen delen aan de lage-inkomensgezinnen waarmee die dan een energiezuinige wasmachine of koelkast kunnen kopen. Naast de talrijke bezwaren die ik al gelezen heb, lijkt de maatregel mij ook onrechtvaardig tegenover de lage-inkomensgezinnen die nog maar pas zo’n elektrisch apparaat hebben gekocht, net vóór de kortingsbon werd ingevoerd.



Enkele films en series

Nobody Wants This
       Soms heb je aan één beeld, of enkele noten van de muziek, genoeg om te weten of een film of serie iets voor jou is. De Netflix-reeks Nobody Wants This begint met een beeld van palmbomen, gefilmd vanuit een kivorsperspectief - en lelijk gefilmd. Ik heb daarna nog twee afleveringen verder gekeken uit solidariteit met mijn vrouw. Het schijnt dat de serie verder evolueert van chick flicknaar vinnige sitcom 

 Monsieur Aznavour
     Mijn vrouw wil de film over het leven van Charles Aznavour zien, mijn zoon wellicht ook als hij hoort dat Chalamet meespeelt, en ik eigenlijk evengoed, want ik ben dol op muzikale biopics, en biopics in het algemeen.
      Recensent Ruben Aerts (DS 23/10) wijst erop dat dat soort films vaak de werkelijkheid verdraait om een klassieke verhaallijn te bekomen. Dat is inderdaad een groot probleem, want ik ben geneigd te geloven wat ik op het scherm zie en ik zal over Aznavour geen vuistdikke biografie lezen om de échte waarheid te kennen. Ik had een oud-tante die bij elke film die ze zag dezelfde commentaar gaf: ‘Het zijn maar aan elkaar geplakte prentjes.’ Ze had ooit een filmrol gezien. Maar die boodschap over die prentjes is bij mij nooit goed aangekomen.
     Soms pakt regisseur een biopic anders aan, en houdt hij zich met opzet aan de feiten om op die manier de voorspelbaar-klassieke verhaallijn te doorbreken. Ik heb daar onlangs een voorbeeld van genoteerd, maar ik ben die notitie kwijt. Ze staat ergens om mijn Macbook die al twee maanden in herstelling is.

Say Nothing
     In een vorig stukje beschreef ik twee mooie scènes uit Say Nothing, een televisieserie die een indringend beeld ophangt van het IRA-terrorisme. Ook mooi is de volgende scène. De oudere Gery Adams heeft een geslaagde politieke carrière uitgebouwd. Hij heeft gebroken met zijn jeugdvriend Brendan Hughes, een populair maar dissident IRA-lid. Als Hughes overlijdt wordt zijn kist gedragen door gelijkgezinden. Adams baant zich een weg tussen de omstanders, stapt resoluut op de kist af, duwt een van de dragers weg en neemt zijn plaats in. ‘Don’t make a fuss!’ zegt hij zacht. De andere drager druipt af.
     En de afsluitende tekst zorgde bij ons thuis altijd weer voor hilariteit. ‘Gerry Adams has always denied being a member of the IRA or participating in any IRA-related violence.’ Daar heeft een of ander advocatenkantoor een flinke stuiver aan verdiend. Het is bijna zo hilarisch als de tekst waarmee elke aflevering van de serie Fargo begint: “This is a true story. The events depicted in this film took place in Minnesota in … At the request of the survivors, the names have been changed. Out of respect for the dead, the rest has been told exactly as it occurred.” En dan volgen de waanzinnigste toestanden.

The Playlist en het kapitalisme
     Ik hou van films en series waarin je ondernemers aan het werk ziet die een bedrijf uitbouwen. Soms gaat het over een succes, zoals in Air over de sportschoenen van Nike, soms gaat het over een mislukking, zoals The Dropout over de miraculeuze bloedanalyses die Elizabeth Holmes beloofde, soms gaat het over een aanvankelijk succes dat eindigt in een mislukking zoals Blackberry over de gelijknamige smartphone. Leuk is ook Superpumped over Uber, waarvan de uiteindelijke afloop nog altijd onzeker is aangezien het bedrijf nog altijd geen winst maakt.
     Die verhalen helpen mij om na te denken over het kapitalisme – iets wat ik graag doe. Neem nu de Zweedse Netflix-serie The Playlist. Die brengt het verhaal van de streamingdienst Spotify. De verschillende afleveringen hebben telkens een andere focus, met als opeenvolgende protagonisten de visionair, de bedrijfsleider, de advocate, de programmeur, de financier en de muzikante.
     De eerste vijf afleveringen zijn een ode aan het creativiteit van het kapitalisme, de laatste aflevering stelt kritische vragen: over het intellectueel eigendomsrecht, over uitbuiting die kan optreden bij monopolie en monopsonie. De kwestie van het intellectueel eigendomsrecht is voor mij wat te moeilijk. Over monopolies van grote bedrijven maak ik mij weinig zorgen. Theoretisch kunnen die bedrijven de klant uitbuiten door te hoge prijzen aan te rekenen en door slechte kwaliteit te leveren. Maar als ze dat doen, zullen ze snel concurrentie krijgen en hun monopolie verliezen.
     Rest nog de kwestie van het monopsonie: de marktsituatie met één koper en talrijke verkopers. Die ene koper is Spotify, die talrijke verkopers zijn de muzikanten. Door haar machtspositie kan Spotify de muzikanten uitbuiten door ze te laag te betalen voor hun muziek. En waar gaat dat geld van die uitbuiting dan naartoe? De CEO Daniel Ek bouwt een heel groot huis. De medewerkers in het bedrijf worden royaal betaald. De aandelen staan hoog. Maar in het geheel van het zakencijfer spelen dat grote huis, die royale lonen en die hoge aandelen niet zo’n grote rol. Het bedrijf is voortdurend in geldnood. De grootste uitbuiters – als dat woord hier op zijn plaats is – zijn dus de betalende en niet-betalende gebruikers van Spotify. 

Honderd jaar eenzaamheid
     Sommige kijkers storen zich aan het discrete gebruik van een vertelstem in de televisiebewerking van Honderd jaar eenzaamheid. ‘Dat is geen cinema.’ ‘Show, don’t tell’. Ik heb dat helemaal niet. Ik hou van vertelstemmen in films. In slechts een van de talrijke versies van Blade Runner wordt een vertelstem gebruikt. Ik vind dat de beste. Trouwens, in Honderd jaar eenzaamheid heeft men volgens mij de vertelstem alleen gebruikt om de openingszin van Marquez te kunnen hergebruiken.

BDW
     Ik heb de film BDW in de zaal gezien. Het publiek leek mij niet uit de reguliere cinefielen te bestaan. Paul Jambers liet Bart De Wever van een andere kant zien. Meestal mag De Wever voor de camera’s spreken over politiek, iets waar hij goed in is. Paul Jambers wilde De Wever laten spreken over zijn gevoelens, iets waar hij slecht in is. Twee keer dacht ik: hé. De eerste keer was toen hij zijn verontwaardiging uitsprak over de manier waarop Jan Jambon werd afgeschilderd in de pers. Ik herkende dat gevoel, want ik had dat ook. Het tweede gevoel had te maken met de talrijke haatboodschappen die hij kreeg van Vlaams Belangers. ‘Dat raakt mij diep,’ zei De Wever. ‘Ik kom uit dat milieu.’

Conclave
     In Conclave speelt Ralph Fiennes een van de beste rollen uit zijn carrière in een voor de rest verzorgde, onderhoudende, maar oerdomme film. Dat oerdomme zit niet zozeer in de voorspelbaarheid én ongeloofwaardigheid van de ontknoping, maar in de toon die er niet in slaagt politieke analyse, humor, en elementen uit het detectivegenre op een evenwichtige manier samen te brengen. Misschien was de film beter geweest als Fiennes wat slechter, of minder geloofwaardig, had geacteerd.

Fly Me to the Moon
      In de jaren 30 van vorige eeuw werden aan de lopende band goede komedies gemaakt, terwijl ze vandaag, ondanks de overvloed aan romcoms, few and far between zijn. Gelukkig kennen we allemaal enkele van die uitzonderingen. Dit jaar behoort Fly Me to the Moon tot de uitzonderingen. Het is een aardig niemendalletje 
 zoals een komedie hoort te zijn  waar alles verdomd goed op zijn pootjes valt: van de zwarte kat die op het lanceerplatform rondloopt, tot de occasionele vermelding van regisseur Stanley Kubrick.
     De filmrecensenten reageerden verdeeld. The Hollywood Reporter schreef: 
The film weirdly blends together romantic comedy, historical drama and conspiracy thriller. Het is alsof je zou schrijven dat Ninotchka van Wilder en Lubitch een rare combinatie was van romantiek, anticommunisme en slapstick. Sommige moderne critici lijken de échte komedie ontwend te zijn. Ze menen stijlbreuken te zien, maar merken de onderliggende eenheid van toon niet. Ze zien niet hoe mooi cynisme en naïviteit in elkaar kunnen opgaan.

Drive my Car
     In de film Drive my Car (Doraibu mai kâ, 2021) wordt een theaterregisseur rondgereden door een jonge vrouw die een uitzonderlijk goede chauffeur is. De regisseur heeft de indruk dat de auto nooit versnelt of vertraagt, maar zweeft. Karel van het Reve heeft ooit in de auto gezeten naast een professionele autoracer. Hij had de indruk dat de man nooit schakelde. Ik heb ooit in de auto gezeten naast een F-16 piloot. Ik had de indruk dat de man nooit aan het stuurwiel draaide.

Emilia Perez
     De zang- en dansnummers in Emilia Perez zijn weinig spectaculair maar de film is er niet minder om. Ook zijn er twee uitzonderingen: het lied Aqui Estoy dat de midpoint scène uitmaakt, en de finale, met de zingende menigte die door de Mexicaanse straten trekt. Maar welk lied zong die menigte? Welk lied-welk lied-welk lied? Het was oorspronkelijk zeker geen Spaans lied. Misschien iets Engels? Of was het Duits? De scène was bijna afgelopen voor ik het antwoord wist*. Ik was zo verdwaald geraakt in de krochten van mijn geheugen, dat ik de scène opnieuw heb moeten afspelen. 

Who by Fire
     Een goedgekozen muziekje bij het einde van een film kan een emotionele dreun verkopen. Het hangt af van de timing en wat er aan dat muziekje voorafgaat. De film Golda eindigt met Leonard Cohens Who By Fire en ik had het lied nog nooit zó gehoord**. In de televisieserie Bad Sisters eindigt elke aflevering met hetzelfde lied, zij het in een bewerkte versie. Het doet mij niets. Ik spoel het onmiddellijk door. --- Nu ik erover nadenk wordt Who by Fire gebruikt voor de begingeneriek van Bad Sisters. Om het even: ik spoel het even snel door.

* Een videofragment van de scène is nog niet voorhanden, maar een geluidsfragment kan men hier vinden. 

** Mijn commentaar over Who by Fire zoals het lied gebruikt wordt in Golda staat hier.



Hendrik Vos en de Europese defensie


     Tot de linksliberale geloofspunten behoren een milde houding tegenover de woke-excessen, een soepele migratiepolitiek, een radicaal-snelle klimaattransitie, en méér Europa – met meer centrale bevoegdheden, een eigen Europees buitenlands beleid en een eigen Europese defensie. Dat laatste was vooral populair toen die defensie geen ander doel leek te hebben dan ‘los te komen van’ de Verenigde Staten.’ Maar de tijden zijn veranderd, met Trump en vooral met Poetin. Sommige linksliberalen zijn nu hun mening over een Europese defensie aan het herwerken, vooral degenen die altijd al meer links dan liberaal waren.
 
     Vorige week riep Navo-baas Mark Rutte de Europese landen op om veel meer geld uit te geven aan defensie. Als de Verenigde Staten minder garanties bieden, zullen we zelf voor garanties moeten zorgen. België besteedt 1,3 % van het BBP uit aan defensie, terwijl de Europese landen eigenlijk 3 % zouden moeten uitgeven om bij iemand als Poetin enig respect af te dwingen
.
      Die redenering en die conclusie zijn niet naar de zin van Europaspecialist Hendrik Vos. We geven al ‘8 miljard’ uit. Er is geen reden tot ‘paniek’. We moeten een ‘tunnelvisie’ vermijden. We moeten ons niet als ‘preppers’ gedragen. We moeten niet vrezen dat ‘Russische grondtroepen straks met berenmuts door het land zullen marcheren.’ Rusland bekampt ons vooral ‘met behulp van Tiktok’ en het is ‘twijfelachtig of we ons daartegen kunnen verdedigen met F-35’s.’
     Net als Vos geloof ik niet dat Rusland binnen de eerste vijf jaar een openlijke aanval zal uitvoeren op een Navo-land. Daar is Rusland nog niet sterk genoeg voor. Maar aan het tempo dat de Russische wapenindustrie zich nu ontwikkelt, zal dat niet lang meer duren. Omgekeerd denk ik dat wij meer dan vijf jaar zullen nodig hebben om een geloofwaardige Europese defensie uit te bouwen die Poetin of zijn opvolger voldoende afschrikt zodat de berenmutsen ons alsnog bespaard blijven.
      Ik heb gisteren Poetins persconferentie gezien.  Hij zei niets over Tiktok maar stelde voor om bij wijze van weddenschap zijn nieuwe raket eens uit te proberen op Kiev, en dan te zien of de Europese luchtafweer die uit de lucht kon schieten. Hij dacht van niet. ’t Was een mooi staaltje van ironie waarbij de grens tussen grap en dreigement heel vaag bleef. Stalin kon dat ook. Aan Churchill stelde hij ooit voor om alle Duitse krijgsgevangen officieren tot de rang van kapitein te fusilleren. Toen Churchill in een woedende tirade uitbarstte, zei Stalin dat het maar een grapje was. Stalin en Poetin houden je wakker met hun superieure dubbelzinnigheid.
     Daarmee vergeleken zijn onze links-liberalen slaapverwekkend saai en voorspelbaar. Als ze niet willen dat een probleem stevig wordt aangepakt – terrorisme, migratie, criminaliteit, defensie – beginnen ze over iets anders, desnoods over het gevaar van overstekende everzwijnen, zoals indertijd professor Coolsaet. Vos beëindigt zijn stuk – over defensie en oorlogsdreiging – met een eigen everzwijntirade:

Het blijft belangrijk om het brede plaatje te zien en ook andere bedreigingen in kaart te brengen. Vorige week presenteerde het Europees Milieuagentschap een rapport dat aantoonde dat er in België jaarlijks 4.100 vroegtijdige sterftes zijn door fijnstof … Dat haalde amper het nieuws. Elke dag veroorzaken dronken automobilisten meer dan tien ongevallen, waarvan minstens een met doden of gewonden … Rusland is zeker een van de dreigingen. Maar laten we er goed het hoofd bij houden en in onze paniek niet in een tunnelvisie terechtkomen. Met een bunker vol bonen in blik houdt de prepper per slog van rekening het fijnstof en Tiktok niet tegen.

         In de retorica staat zoiets bekend als een red herring, een rookgordijn waarmee de lezer wordt afgeleid van het eigenlijke onderwerp. Is Vos nu voor of tegen een verdubbeling van ons defensiebudget? Of vindt hij dat éérst het probleem van het fijnstof en dat van dronken automobilisten moet worden opgelost voordat we meer uitgeven aan het leger?      

 

 

Bouchez - Pélicot - Van Doesbrug - IQ

Reynebeau en Bouchez
     Marc Reynebeau (DS 18/12) verwijt Bouchez dat hij de voorrang geeft aan het partijbelang en daarmee besturen moeilijker maakt. Ik heb ook ooit zoiets geschreven, maar dat Reynebeau dat ook schrijft, vind ik heel onaangenaam. Ik zoek mijn oude tekst op en speur naar zoveel mogelijk verschillen tussen wat ik schreef en wat Reynebeau schrijft. 

Torfs en Pélicot
     Op Doorbraak probeerde Rik Torfs een uitermate emotioneel probleem op een uitermate rationele manier te behandelen, en daar is hij niet helemaal in geslaagd. Hij bespreekt de beslissing van Knack om Gisèle Pélicot, als slachtoffer van jarenlange verkrachtingen, als persoon van het jaar te kiezen. Hij schrijft:

De uitverkiezing van mevrouw Pelicot bevestigt de cultus van het slachtofferschap die in onze samenleving al even aan de gang is maar geleidelijk een nieuwe dimensie heeft verkregen.

     Dat is om verschillende redenen een ongelukkige zin. Vooreerst is Pélicot niet alléén slachtoffer. Door klacht neer te leggen, heeft ze een daad gesteld die een zekere moed vereist. Het is niet het soort moed van een brandweerman die een kind redt uit een instortend huis – maar het is het soort moed dat andere slachtoffers van seksueel geweld ertoe aanzet om ook méér te zijn dan alléén slachtoffer.
     Torfs stoort zich net als ik aan het victimisme, maar dát is toch nog iets anders. Victimisme is de vervelende gewoonte om complexe kwesties – sociale ongelijkheid, onderwijs, immigratie, cultuur- en taalverschillen, klimaat, geopolitiek – te zien als een kwestie van daders en slachtoffers. Maar sómmige kwesties zijn in wezen niets anders, en seksueel geweld tegen vrouwen is daar één van.
     Ten slotte ziet Torfs in de ‘cultus van het slachtofferschap’ iets modieus
, iets wat ‘al even aan de gang is, maar geleidelijk een nieuwe dimensie heeft gekregen.’ Dat is heel toepasbaar op wat ik hierboven victimisme noemde. Maar het brede, collectieve, sentimentele medegevoel met slachtoffers is van alle tijden. De Griekse tragedie bouwde op dat fundament, net als het toneel van Racine, het melodrama van de 19de eeuw en de tearjerker van vandaag. De massamedia hebben er alleen – dat deel klopt – een ‘nieuwe dimensie’ aan gegeven.

Tom Lanoye en Els van Doesburg
 
       De Standaard (16/12) wijdde laatst een portret aan Els van Doesburg die misschien burgemeester van Antwerpen wordt. Zo’n portret dient informatief te zijn, met een carrière-overzicht, opvattingen, en gelardeerd met quotes van intimi, anonieme bronnen, politieke bondgenoten of rivalen, en tegenstanders. Ruud Goossens eindigt met het citaat van een tegenstander, Tom Lanoye. Die had Van Doesburg omschreven als ‘een arrogant ijskonijn met een grootvadercomplex en het oerconservatieve Italiaanse draaiorgel Giorgia Meloni als rolmodel.’
      Ik ken Van Doesbrug alleen van haar goed geschreven stukjes. Ik weet dus niet of Lanoye voor de rest gelijk heeft. Maar ik vind niet dat je een portret moet eindigen met een citaat van een tegenstander. Dat Lanoye-citaat had ergens in het midden van het stuk een plaats moeten krijgen. Een portret moet eindigen als een filmrecensie, met een afgewogen oordeel. 

IQ en onderwijs
     Bij onderzoek van onderwijsresultaten lees je steeds over de opleiding van de moeders, maar nooit over het IQ van de kinderen. Het is politiek niet correct om dat IQ in het onderzoek te betrekken. Er wordt rond dat IQ een stevige muur gebouwd en niemand mag onderzoeken wat zich achter die muur bevindt. Maar nu heeft zekere Laurence Mettewie, hoogleraar Nederlands aan de universiteit van Namen, onderzocht waarom Waalse leerlingen in het middelbaar onderwijs al dan niet Nederlands als keuzevak kiezen. En wat lees ik in een interviewtje in De Standaard (19/12): 

Uit onderzoek blijkt dat kinderen met hoogopgeleide moeder vaker kiezen voor Nederlands. Andere factoren zoals intelligentie bleken in dat onderzoek amper een impact te hebben.

Is dat IQ echt onderzocht of zegt Mettewie zomaar wat? Is hier een bres geslagen in de politiek-correcte muur? Misschien. 

Wat is dat, feminisme?

    Ik weet wel dat Marc Reynebeau haar ooit omschreef als een ‘gepensioneerde die vergeten is hoe dat precies werkt, die wetenschap,’ maar ik ben voor de zekerheid toch gaan luisteren toen Magda Michielsens in Mechelen haar nieuwe boek voorstelde: Even verlicht – Zes vrouwelijke filosofen en hun impact op de wereld. Ik heb het boek daarna ook in één ruk uitgelezen. 
    
Michielsens vertelde op de voorstelling, en het staat ook in haar boek, dat vijf van de zes voorgestelde vrouwen zich niet als feministe presenteren: Rosa Luxemburg, Ayn Rand, Hannah Arendt, Susan Neiman en Martha Nussbaum. Badinter doet dat wel, maar de laatste tijd vooral om zich af te zetten tegen het onnozele feminisme van de woke-beweging.
     Ik moet dat aan mijn feministische vriendin Maria vertellen, dacht ik. Maar mijn tweede gedachte was, zoals altijd: wat is dat feminisme nu eigenlijk? De opvatting dat vrouwen dezelfde rechten moeten hebben als mannen? Ja, dat vind ik ook. Dat álle verschillen tussen mannen en vrouwen zijn opgedrongen door een patriarchale cultuur? Dat betwijfel ik. Dat de relaties tussen mannen en vrouwen vooral een kwestie zijn van machtsverhoudingen? Ik hoop van niet. Dat elk maatschappelijk verschijnsel vooral moet worden getoetst aan de gendergelijkheid? Maar is dat geen erg eentonige bezigheid? Ten slotte: dat mannen en vrouwen evenveel taken moeten opnemen in het huishouden? Dan zal ik toch eerst even nadenken hoe dat  takenpakket in zijn geheel kan worden beperkt.

 

Statutory Rape

     Als motto voor mijn licenciaatsverhandeling koos ik Re intellecta, in verbis simus faciles. Als het duidelijk is waarover het gaat, moeten we niet moeilijk doen over woorden. Ik probeer mij aan dat maxime te houden, maar soms krijg ik het moeilijk als de gevoelswaarde van woorden te zwaar gaat wegen. Naar aanleiding van de Tom Waes-perikelen las ik hier en daar voor de zoveelste keer dat alcohol een ‘hard drug’ was. En ja, het is natuurlijk waar dat alcohol bijvoorbeeld met heroïne gemeen heeft dat een overdosis ervan dodelijk is. Maar het woordgebruik staat mij tegen, niet omdat het alcohol te zwaar veroordeelt, maar omdat het heroïne te veel banaliseert.
      Ik heb dat ook met het woord ‘verkrachting’. Het met fysiek geweld – of met dreiging van fysiek geweld – penetreren van iemand is een misdaad die streng moet worden veroordeeld, moreel en gerechtelijk. Elke vrouw zal daarmee akkoord gaan. Een man moet maar even nadenken over wat hij ziet in Amerikaanse gevangenisfilms om tot dezelfde conclusie te komen. En precies om die reden erger ik mij eraan als het begrip wordt uitgebreid tot andere laakbaar seksueel gedrag. Humbert Humbert en Lolita, Rhett Butler en Scarlett, Victor Hugo en de tegenstribbelende dame in zeker gedicht dat ik niet terugvind, is dat allemaal ‘verkrachting’? Ik twijfel.
     Ik heb het begrip statutory rape altijd onsympathiek gevonden: seksuele betrekkingen die als ‘verkrachting’ worden omschreven louter vanwege een wettelijke bepaling, bijvoorbeeld over leeftijdsgrenzen. In België kan een rechter een 19-jarige – jongen of meisje - veroordelen wegens verkrachting als hij of zij seksuele betrekkingen had met een 15-jarige – meisje of jongen. Ik heb niets tegen een wettelijke bepaling van seksuele minderjarigheid. Ik heb er ook niets op tegen dat een 15-jarige klacht kan neerleggen tegen de 19-jarige en dat die laatste dan veroordeeld kan worden zelfs als de toenmalige ‘wederzijdse toestemming’ kan worden bewezen. Wet is wet. Ik teken alleen bezwaar aan tegen het woord.
     Als de kwestie van de semantiek is opgelost, word ik voor de rest een agnost. Waar ligt in die gevoelige materie de grens tussen wet, moraal, macht, geaardheid, emotie, etiquette – en vrouwenrechten? Als ik Rhett Butler de tegenspartelende Scarlett de trappen op zie dragen, begin ik niet ongemakkelijk op mijn stoel te schuiven. Maar toen ik 30 jaar geleden in Ayn Rands Fountainhead las over de eerste ontmoeting tussen Howard Roark en Dominique Francon was ik geschokt en schreef ik Rape! in de marge. Laatst werd ik hieraan herinnerd door de feministische filosofe Magda Michielsen in haar laatste boek Even verlicht. Ze schrijft: 

De Amerikaanse feministen hebben The Fountainhead op hun index geplaatst omdat er volgens hen een verkrachtingsscène in voorkomt. Howard zit op een bepaald moment zonder werk als architect en hij werkt als arbeider. Hij heeft een opdracht rond het huis van Dominique Francons ouders. Zij logeert daar op haar eentje. De twee kennen elkaar op dat ogenblik niet persoonlijk. Wel weten ze van elkaar wie de ander is. Terwijl hij noest aan het werk is, loopt zij langs. Er worden blikken gewisseld, maar er wordt niets gezegd. ’s Avonds laat zij (opzettelijk) de terrasdeur openstaan. Hij dringt binnen en ze hebben seks (zonder dat dat vriendelijk is gevraagd, zonder dat het afgesproken is, zonder woorden zelfs). Enig tegenstribbelen van Dominique hoort erbij. Daarna hebben ze niet echt een relatie, maar zijn ze altijd welkom bij elkaar voor seks. Ik heb geen bezwaar tegen een dergelijke scène en een dergelijke verhouding, maar sommige vrouwen hadden dat wel.

     Ik heb geloof ik op dat terrein te weinig levenservaring om dat soort verhoudingen aan te voelen. Wel volg ik Michielsen in haar oordeel dat het niet aan andere vrouwen is om voor te schrijven aan Dominique hoe ze zich moet voelen of gedragen. Dominique heeft het recht om na de gebeurtenis naar de rechter te stappen en Howard als verkrachter aan te klagen. Door die klacht wórdt hij het ook – en is de term op zijn plaats*. Hij verdient dan de veroordeling die eraan vasthangt. Maar Dominique heeft ook het recht om de seksuele betrekkingen te aanvaarden en ze bij wijze van spreken achteraf te bekrachtigen. Of Howard ook dan gezondigd heeft, is voer voor experten. 

 * Dat geldt natuurlijk ook als het slachtoffer om een of andere reden geen klacht durft neer te leggen, of als er ten onrechte geen veroordeling volgt. De term verkrachting zou trouwens, in tegenstelling tot een geval dat louter op leeftijdsgrenzen teruggaat, correct zijn. Om elk mogelijk misverstand te vermijden: ik bedoel niet dat een seksueel contact tussen consenting adults een verkrachting wordt door het loutere feit van een klacht achteraf. Het gaat om een situatie waarbij de seks minstens, zoals Michielsen schrijft, met enige tegenstribbelen gepaard ging. In een rechtszaak zou om te beginnen dat tegenstribbelen bewezen moeten worden.

De 'irationele' Milei

     Wat Harold Polis beweert in zijn essay’tje Het jaar van de eekhoorn (DS 14/12), is mij uit het hart gegrepen. Het dominerende cultuurmodel dat we beleven, schrijft Polis, is dat van de Duitse Romantiek. Ik vertelde ook zoiets in de klas. Eerst legde ik uit dat de Romantiek een reactie was op de Verlichting en op het neoclassicisme, dat de stroming eind 18de eeuw ontstond in vooral Duitsland, en dan eindigde ik met de vraag, na een dramatische pauze: ‘En hoelang heeft die Romantische periode geduurd?’ En na nog een dramatische pauze gaf ik het antwoord: ‘Die Romantische periode loopt door tot vandaag.’
     Ik ben het met Polis ook eens over een andere kwestie, die van wat hij het ‘morele realisme’ noemt. Polis citeert de Amerikaanse historicus Christopher Lasch die over het hedendaags cultureel narcisme schreef; ik denk aan de Amerikaanse filosoof Robert Nozick die in The Examined Life de morele principes van de realiteit – het waren er acht geloof ik – zo meeslepend beschrijft.
     Waar ik Polis niet kan volgen is in zijn uitweidingen. Zo schrijft hij: ‘Niemand leest nog het hoogdravende proza van Borges.’ Ik vind het proza van Borges helemaal niet hoogdravend. Goed, dat is een detail. Maar  bij de volgende zinnen trok ik toch echt mijn wenkbrauwen heel hoog op. Hij heeft het over Milei die met zijn honden praat over filosofie en economie.

Er zit Zuid-Amerikaanse operette in Mileis performance, maar evenzeer de diepgewortelde overtuiging dat een flinke dosis irrationaliteit oké is. Je kunt onmogelijk alles plannen. Wie het tegendeel beweert, beknot de vrijheid die noodzakelijk is om een leven op te bouwen. Murray Rothbard [Mileis leermeester] ontwikkelde een extreme afkeer van planning, omdat de bevolking dan meer zou verwachten van de overheid. Meer verwachtingen leiden tot meer ambtenaren, vergaderingen, ministeries en koffiezetapparaten. Een opgeblazen overheidsapparaat is de grootste bedreiging van de vrijheid die nodig is om welvaart op te bouwen* … Die absurde paleo-reactionaire standpunten duiken uiteraard ook op in het geraaskal van Milei.

     Het anarchokapitalisme van Milei en Rothbard wordt hier – behalve in de eerste zin – correct samengevat. Polis weet waarover hij schrijft. Zijn scheldwoord ‘paleo-reactionairen’ is trouwens een mooie variant van het etiket ‘paleo-libertariërs’ waarmee die ancaps zichzelf soms omschrijven. En dan wil ik Polis nog iets toegeven. Het is zelfs mogelijk dat de voorkeur van Milei en Rothbard voor een vrije markt ontspringt uit een onbewust of onderbewust romantisch verlangen. Alles is daar mogelijk, in die krochten van de ziel.
     De suggestie echter dat Rothbard  net als Milei  ‘een flinke dosis irrationaliteit oké’ zou vinden, is dan weer meer dan onrechtvaardig. Rothbard redeneert juist zenuwslopend rationeel en consequent. Van hem is de uitspraak dat hij iedereen het recht gunt op één inconsequentie, één, en niet meer dan één. Polis lijkt ervan uit te gaan dat planning van de economie bij uitstek rationeel is. Maar dat is nog zo zeker niet. Rothbard, en diens leermeester Mises, hebben heel uitgebreid geargumenteerd dat juist die planning in laatste instantie irrationeel is. Maar het is een redenering met veel tussenstappen.
    Het beste lijkt mij om de controverse rond geplande of vrije economie te scheiden van de controverse rond romantisch narcisme en moreel realisme. Misschien levert een geplande economie de beste resultaten op. Of misschien doet een vrije economie het beter. Of misschien is het samengaan van de twee het beste. Zelf denk ik, zoals de meeste gematigde libertariërs, dat de vraag niet is of er gepland moet worden maar hoe er gepland moet worden. Volgens Hayek zijn er twee soorten planning. Zoals er voor hem – soit dit en passant – ook twee soorten rationaliteit bestaan. En bij het soort rationaliteit van Mises-Rothbard had hij ernstige bedenkingen. 

                                                                                *

     Maar ondanks al die bemerkingen heeft Polis natuurlijk gelijk om Milei in verband te brengen met Murray Rothbard, en bijvoorbeeld niet met Donald Trump, zoals meestal gebeurt. Ik ben niet de enige die dat vindt. In De Standaard vind je vaak op pagina 18  het economisch commentaar  de wijsheid die je op pagina 2 – het politieke commentaar – moet ontberen.  Ten bewijze citeer ik een alinea van Nico Tanghe uit De grote markt van 2/12 

Toch mogen we Milei en Trump niet zomaar over dezelfde kam scheren. Hoewel links hem haat en de Trump-aanhangers hem adoreren, behoort Milei economisch tot geen van beide kampen. De ultrarechtse Argentijnse president is een neoliberale aanhanger van vrijhandel en begrotingsdiscipline  zoals wijlen Margaret Thatcher dat was  niet van Trumpiaans protectionisme en begrotingstekorten.

     Ik zou moeilijk kunnen doen over de omschrijving ultrarechts, maar het gaat mij, zoals altijd, om de inhoud. 

* Ik heb hier een stukje weggelaten uit Polis zijn samenvatting  ‘Ook vrouwenrechten of de emancipatie van minderheidsgroepen zijn [volgens de anarcho-kapitalisten] verwerpelijk, omdat ze een grotere overheid vereisen.’ Dat is een andere kwestie. Het ‘dikke’, half-libertijnse libertarisme bestrijdt álle concrete vormen van onvrijheid  ook die tussen burgers onderling; het ‘dunne’ libertarisme van de anarchokapitalisten kant zich alleen tegen onvrijheid opgelegd door de staat – de rest moeten de burgers maar onder elkaar regelen.