donderdag 4 juni 2026

Reacties op het DVL-vonnis

 


  
 Wat heeft Dries Van Langenhove ook al weer gezegd op die meeting in Leuven op 28 februari 2024 – en waarvoor hij dan veroordeeld werd op 26 mei 2026? Dat je meer kans maakte om je mobieltje te laten stelen door een Roma-vrouw dan door Vlaams uitziende vrouw, dat allochtone jongeren disproportioneel vaker gewelddaden plegen, en dat je van een zwarte Afrikaan makkelijker een langeafstandsloper dan een ingenieur maakt? In dat laatste moet ik overigens de superioriteit van de zwarte Afrikaan erkennen, want ik had noch het talent om langeafstandsloper, noch het talent om ingenieur te worden. Mijn talenten lagen meer bij de menswetenschappen. Rechtenstudies, zoals Van Langenhove die ondernomen heeft, had ik volgens mijn klassenleraar in het humaniora ook nog aangekund. Menswetenschappen en rechtenstudies dus, twee branches waar zwarte Afrikanen wel beter vertegenwoordigd zijn.
     Soit: Roma-vrouwen, allochtone jongeren, Afrikaanse ingenieurs. Men begrijpt de redenering van de procureur en van de rechter. Zelfs als de feiten en cijfers die Van Langenhove aanhaalt correct zijn, is het niet goed dat hij ze zó vaak herhaalt en zó eenzijdig te benadrukt, dat de verkeerde gedachte ontstaat dat alle Roma-vrouwen stelen, dat alle allochtone jongeren gewelddaden plegen en dat alle zwarte Afrikanen, zoals ik, de intelligentie missen om ingenieur te worden. Je kunt zelfs vermoeden dat die veralgemenende conclusie de echte bedoeling van Van Langenhove is, dat hij daarmee minachting en haat tegenover die groepen wil opwekken, en dat hij zo een beleid wil voorbereiden waarbij zwarte Afrikanen, Roma-vrouwen en allochtone jongeren, alleen al op basis van hun afkomst, wettelijk kunnen worden gediscrimineerd.
     Tot daar geef ik de procureur en de rechter gelijk. Ik vind hun vermoedens plausibel. Zij hebben wellicht de huidige wet aan hun kant. Ik daarentegen heb de liberale principes aan mijn kant, en het zouden die liberale principes zijn waar de wetgever zich op moet steunen. Een wet die die vrijheid beknot moet door de wetgever worden afgeschaft, vervangen of aangepast. Hier kent mijn grootheidswaanzin geen grenzen. Ik moet en zal die wetgever ervan overtuigen dat hij zich in 1981 met de anti-racismewet vergist heeft.
      Gelukkig ben ik niet de enige die last heeft van die grootheidswaanzin – zie hieronder het voorbeeld van Joël De Ceulaer. Om niet al het denkwerk zelf te moeten doen heb ik enkele reacties van anderen verzameld.  


Bart Eeckhout (De Morgen 27/5)

     Bart Eeckhout vindt het vonnis zelf wat magertje: de stap van ‘schokkende, verwerpelijke uitspraken’ tot ‘aanzetten tot haat’ vindt hij moeilijk om concreet te bewijzen. Vanuit die vaststelling pleit hij voor het herzien van de wetgeving om voortaan slechts ‘expliciete en concrete oproepen tot geweld tegen mensen’ strafbaar te stellen. Hij haalt ook de vorige veroordeling van DVL aan die hij indertijd ‘correct vond’. Het is niet helemaal duidelijk of hij dat vandaag nog altijd vindt. Mensen veranderen soms van mening zonder dat ze het zelf merken. Ze zien dan geen tegenstelling tussen hun vroegere en hun nieuwe mening.
`

Lode Cossaer (Knack 30/5) 

    Van alle commentatoren, legt Lode Cossaer het duidelijkste uit wat het alternatief is voor de huidige anti-haatwetgeving. Dat alternatief is de logica die het Amerikaanse Hooggerechtshof gebruikte om Ku Klux Klan-leider Brandenburg tegen vervolging te beschermen. Volgens die logica mogen álle meningen – ook van de weerzinwekkende en opruiende soort – in het openbaar worden geuit. 

De vervolgbare uitzondering geldt alleen wanneer de spreker bewust aanzet tot onmiddellijk illegaal handelen en dat handelen ook waarschijnlijk is. Dat is een hoge grens om meningsuitingen strafbaar te stellen. Deze veeleisende norm laat racistische theorieën en algemene propaganda toe. Ook het proberen aanzetten tot haat blijft toegestaan zolang het niet onmiddellijk en waarschijnlijk tot illegaal handelen leidt. Pas bij een concrete oproep — val deze mensen nu of in de nabije toekomst aan’ — komt het strafrecht in beeld. Dat is een veel duidelijker criterium dan het rekbare begrip ‘aanzetten tot haat’.

      Er moet dus (1) een intentie worden aangetoond, maar ook (2) de waarschijnlijkheid van een (3)  onmiddellijk (4) illegaal handelen. Dat zijn vier voorwaarden die gelijktijdig moeten worden vervuld. Daarmee zijn de oproepen van Herman Brusselmans om Joden met een puntig mes te bewerken, en van Stijn Meuris om Trump dood te schieten geen zaken meer voor de strafrechter. Het doodschieten of met een puntig mes bewerken mogen dan illegale handelingen zijn, je kunt noch de misdadige intentie van Brusselmans en Meuris bewijzen, noch dat die uitspraken onmiddellijk en waarschijnlijk tot aanslagen zouden leiden. 
     Als adept van strikte logica herhaalt Cossaer natuurlijk een argument dat veel andere critici al tegen de antiracisme-wet hebben ingebracht: hoe bizar het is dat haat op zichzelf niét strafbaar is, maar het aanzetten tot haat wél strafbaar is?    Over Cossaers pleidooi om de haatspraak van zowel racisten als van islamisten te beschermen tegen vervolging heb ik in een vorig stukje al iets gezegd. Af en toe kom je een conservatief tegen die de logica omdraait, en die bereid is de anti-racismewet te aanvaarden als er ook een anti-islamismewet komt. 


Joël De Ceulaer (De Morgen, 29/5)

     De Ceulaer heeft op 24 november 1991 – de eerste grote verkiezingsoverwinning van het Vlaams Blok – beslist dat hij voortaan ‘een flink deel van zijn tijd en energie zou besteden aan de strijd tegen extreemrechts.’ Toch wil hij het vrije woord voor iedereen verdedigen. Hij doet dat met een verhaal waarin hijzelf de hoofdrolspeler is. Niet alleen schildert hij zichzelf met zijn vrijheidsstandpunt, af als een moedige dissident binnen de linkse kerk, hij ziet zichzelf ook als een toekomstig slachtoffer dat in de gevangenis terecht komt wegens zijn meninkjes die wel eens ‘schuren met wat de verpletterende meerderheid van mijn collega’s bij alle mainstreammedia of academia denken of geloven.’
      De Ceulaer in de gevangenis om een schurend meninkje – het is een onwaarschijnlijk scenario. Ook in de VS onder Trump kunnen mensen als De Ceulaer schurende meninkjes kwijt in grote persorganen. De fantasie zegt iets over het genre van de column – kan sporen van satire bevatten – en over het karakter van de auteur. De Ceulaer heeft niet het aura van nederigheid. Langs de andere kant is hij, geloof ik, de enige in het debat die bekent – en dat is wél nederig – dat hij van mening is veranderd. ‘Ik vond in 2004 het proces tegen het VB een knappe vertoning,’ schrijft hij. ‘De popcorn smaakte. Maar ik dwaalde. De politieke strijd hoort thuis in de politieke arena, niet in de rechtbank.’


Patrick Loobuyck (x.com)

     Moraalfilosoof Patrick Loobuyck heeft in zijn boek In de ban van Wij en Zij reeds uitgebreid geargumenteerd voor het vrije woord. Nu kondigt hij voor november een nieuw boek aan over dat onderwerp: Wij mogen niets meer zeggen. Pleidooi voor meer vrijheid van meningsuiting. Ik kijk ernaar uit.
     Ondertussen probeert hij op x.com enkele misverstanden uit de weg te ruimen. Zoals: ‘Wie beperkingen op de vrijheid van meningsuiting problematiseert, doet dat niet in de eerste plaats uit vrees dat die beperkingen ooit hemzelf zullen treffen.’ Daar mag Joël De Ceulaer eens over nadenken. Bart Eeckhout had geschreven: ‘Eis het recht op vrije meningsuiting op als wat het is: een progressieve, liberale grondwaarde.’ Loobuyck corrigeert: ‘Vrijheid van meningsuiting is echter een grondwaarde die progressieven én conservatieven met elkaar zouden moeten delen.’ Ik corrigeer op mijn beurt: het is een grondwaarde die liberale progressieven en liberale conservatieven zouden moeten delen. Maar de twee stromingen hebben ook een illiberale traditie. 
     Een voorbeeld van die illiberale variant vond ik op de draad van Loobuyck zelf. Een X-commer reageert: ‘Daarom is het doel van de vrijheid van meningsuiting het nivelleren van macht, niet het schoppen naar beneden.’ Die X-commer erkent de vrijheid van meningsuiting dus niet als een grondwaarde, maar alleen als instrument voor verder egalitarisme. 


Johan Sanctorum (Doorbraak, 31/5/2026)

      Sanctorum is uit zijn humeur omdat linksliberalen als Eeckhout en De Ceulaer nu óók opkomen voor het vrije woord van DVL. Ze zijn veel te laat – hij, Sanctorum timmert al jaren aan die weg– en hun motieven zijn onzuiver. Ze verdedigen het vrije woord van Van Langenhove alleen om hem inhoudelijk ‘verder als schietschijf te kunnen gebruiken’. Ze gunnen hem zijn martelaarschap niet. Hun tolerante praatjes dienen alleen om voor hun ‘elitaire nicheproduct’ lezers te lokken die wat meer DVL-minded zijn. Nee, Sanctorum moet ze niet, die luxe-journalisten met hun oh-la-la-perskaart en hun gepriviligieerde leventje. Geef hem maar een ‘eenzame rebel’ zoals Van Langenhove. Ik geloof dat Sanctorum zichzelf ook zo ziet: als een eenzame rebel. Die linksliberalen moeten zijn eenzaamheid niet verstoren door op zijn wagentje te springen.
       In het midden van stuk beschuldigt Sanctorum de mainstreamers ervan dat ze tegenover Van Langenhove iets toepassen dat overeenkomt ‘met wat de filosoof Marcuse ooit als repressieve tolerantie betitelde’. Toen wist ik zeker dat ik het met Sanctorum niet eens kon zijn. Ik ben een groot voorstander van repressieve tolerantie, vooral als dat repressieve deel erin bestaat dat men bepaalde denkbeelden ‘als schietschijf’ gebruikt. Repressieve tolerantie is altijd beter dan repressieve repressie.


Jogchum Vrielink (DS 29/5)

     Jogchum Vrielink is hoogleraar grondrechten aan UCLouvain Saint-Louis en KU Leuven en schreef een doctoraat over haatspraak-wetgeving schreef. Hij onderscheidt drie soorten rechtszaken: tegen zelfverklaarde racisten, tegen activisten à la Van Langenhove die ‘de grens opzoeken’, en tegen geïsoleerde individuen die een keer ‘uit de bocht gaan.’
     De grenzen tussen de rechtszaken zijn dubieus. Het verschil tussen de zelfverklaarde racisten en de activisten is er een in handigheid en hypocrisie. De tweede categorie gebruikt een zogenaamd ‘hondenfluitje’ en ik hoop bij God dat dat begrip nooit in de wet wordt opgenomen. De derde categorie is de meest kwetsbare. Dat zijn de mensen die, in tegenstelling tot de activisten, geneigd zullen zijn hun mond te houden uit schrik.
    Vrielink ziet vooral nadelen in de formule ‘aanzetten tot haat’.  Het is is een al te vage juridische bepaling, die leidt tot heel uiteenlopende rechtspraak. Ze vraagt van rechters bijna dat zij een discoursanalyse uitvoeren op wat iemand zegt. Daar is een rechter niet toe opgeleid. Dat is ook niet waar het strafrecht voor dient. 


Marc Reynebeau (DS 3/6)

      Marc Reynebeau houdt zich wat op de vlakte, maar hij heeft wel een redelijk tegenargument tegen Vrielink, of althans tegen diens formulering over discoursanalyse:

Maar discoursanalyse en, in bredere zin, bronnenkritiek en argumentatietheorie zijn gevestigde academische disciplines. De rechter kan er een beroep op doen, zoals hij ook, buiten zijn persoonlijke expertise, een beroep kan doen op forensische, psychiatrische, ballistische en andere analyses.

      Daar zit iets in. De rest is van Reynebeaus stuk is fraseologie – performative speech acts, linguïstische velden – rond de slogan ‘haatspraak is ook een vorm van geweld’. Als we zo beginnen! Dan is zijn eigen wekelijkse column met haatspraak tegen rechts en extreemrechts ook een vorm van geweld. Voor mij is dat prima, zolang Reynebeau voor dié vorm van geweld maar niet door een rechter wordt veroordeeld. 
     Zo vind ik het op zich ook prima dat Reynebeau in zijn kritiek op Van Langenhove pleit voor ‘een minimum aan beleefdheid, kiesheid en empathie als een kwestie van beschaving.’ Maar een verdere ‘discoursanalyse’ brengt mij ertoe om hierin een verholen pleidooi voor censuur en intolerantie te zien ten aanzien van radicaal-rechts.


Boudewijn Bouckaert (Interview op Doorbraak 27/5)

     Professor Bouckaert heeft het onder andere over de meest geciteerde alinea van het vonnis: 

 Aan beklaagde wordt immers niet verweten dat hij foutieve informatie zou hebben verspreid, maar wel dat hij door zijn voorstelling van zaken doelbewust heeft aangezet tot haat.’ 

         Hier wordt de vraag naar het waarheidsgehalte Van Langenhoves uitspraken tussen haakjes gezet. Natuurlijk moet de rechter de waarheid van de uitspraken niet beoordelen. Het gaat niet om een beschuldiging van laster. Ook is wat de rechter zegt waarschijnlijk in overeenstemming met de wet van 1981. Anderzijds is er de brede context. Zo’n alinea, en de wetgeving eracher, legitimeert intellectuele oneerlijkheid. Interviewer Roan Asselman merkt op: ware ideeën kunnen dus verboden worden als ze niet leiden tot sociale harmonie. En Bouckaert verwoordt het zo:

 De discussie moet zijn: is een uitspraak [bijvoorbeeld van Van Langenhove] juist of is ze vals? En als ze waar is, dan is dat maar zo. We moeten beweringen afmeten op de inhoud, niet op hun speculatief effect, zoals de rechtbank hier doet en zoals de wet voorschrijft.

              En dié discussie moet niet voor de rechtbank gevoerd worden. 


Koen Lemmens (interview in De Morgen)

     De tussenkomst van Koen Lemmens in het debat betrof vooral de legitimiteit van het vonnis. Over de wet zelf is hij voorzichtig. Hij verdedigt de racismewet niet, hij betoogt alleen dat die wet verdedigbaar is. Zijn argumenten zijn de volgende:

  1. Ook met een striktere wet, die bijvoorbeeld alleen oproepen tot geweld zou verbieden, blijft het noodzakelijk dat de rechter de context interpreteert.
  2. De wet geeft een signaal naar de slachtoffers van racistische uitspraken dat hun leed wordt erkend
  3. De wet past in de juridische visie van de Europese Unie
  4. Er zijn internationaalrechtelijk verplichtingen om grenzen te stellen aan het verspreiden van denkbeelden rond rassensuperioriteit.

     Lemmens heeft gelijk dat interpretatie van de context altijd noodzakelijk is, maar de Amerikaanse Brandenburg-logica die Cossaer aanhaalt, maakt die interpretatie wel veel gemakkelijker. Ook moet de wet volgens mij niet alle leed erkennen. Een uitspraak die wordt opgevat als een belediging veroorzaakt inderdaad leed, maar iemand beletten om vrank en vrij zijn mening te zeggen veroorzaakt ook leed. Ik zie liever dat men de zaak opvat als een kwestie van rechten, en dan lijkt er mij niet zoiets te bestaan als ‘het recht om niet beledigd te worden.’
      Wat de visie van de EU betreft, als dat waar is, spijt het mij te moeten toegeven dat J.D. Vance gelijk had en dat Amerika hier beter de liberale westerse traditie vertegenwoordigt dan de EU.


Sofie Royer (De Afspraak, 28/5)

     Professor Mensenrechten Sofie Royer (VUB/KUL) relativeert het argument van de internationaalrechtelijke verplichtingen. 

Er is inderdaad een internationale verplichting om aanzetten tot geweld strafbaar te stellen: in een liberale democratie is er geen ruimte voor geweld. Maar voor aanzetten tot haat laten de internationale verplichtingen eigenlijk een beetje meer ruimte voor de lidstaten. Je zou kunnen zeggen dat aanzetten tot haat alleen strafbaar is als het gepaard gaat met de bedreiging voor de openbare orde of een oproep tot geweld. Dus daar hebben lidstaten iets meer ruimte om te kiezen.

     Een juridische leek als ik moet in die discussie niet tussenkomen. Als er indertijd internationale afspraken gemaakt zijn die principieel en pragmatisch verkeerd waren, dan moeten die maar aangepast worden. Dat schijnt moeilijk te zijn, maar date m   Andere mensen dan ik zijn verkozen en worden betaald om die klus te klaren.  


Joren Vermeersch (DS 31/5).

       Joren Vermeersch reageert op het belang dat Koen Lemmens hecht aan de context van het haatmisdrijf. 

Er bestaat nooit één afgebakende context. Je hebt die van de persoon die de uitspraken deed, die van de mensen die daar aanstoot aan nemen, en diegene die de rechter meent te ontwaren. Context speelt altijd een rol in de strafrechtelijke beoordeling van een misdrijf. Uiteraard. Maar hier lijkt de context zelf te bepalen of een uitspraak überhaupt een misdrijf vormt of niet …Dat maakt het de rechtspraak nog onvoorspelbaarder. Als de strafbaarheid van woorden afhangt van een complexe postfactumbeoordeling door een rechter van de omstandigheden, de intentie, de maatschappelijke impact en de interpretatie daarvan door derden, eerder dan van de woorden zelf, dan kan de burger vooraf onmogelijk weten waar hij aan toe is.

     Die redenering was bij mij ook opgekomen: dat hier de context zelf het hele misdrijf bepaalt. Als ik, behoudens een situatie van zelfverdediging, mijn buurman het hoofd insla met een honkbalknuppel, dan weet ik niet of de rechter mij zal veroordelen voor doodslag of moord met voorbedachten rade. Dat zal afhangen van hoe de context wordt geïnterpreteerd. Maar ik weet tenminste dat ik mijn buurman niet met een honkbalknuppel op het hoofd mocht slaan. Als ik daarentegen schrijf  dat veel maatschappelijke problemen – van huisvesting, onderwijs, vandalisme, sociale zekerheid, maatschappelijk wantrouwen –voortkomen uit de  massamigratie vanuit Afrika en het Midden-Oosten, dan kan ik onmogelijk weten of ik daarvoor zal worden veroordeeld of niet.


David De Vaal (DS 29/5)

      David De Vaal van Unia pareert de kritiek dat het vonnis een chilling effect zou hebben op wie zich kritisch wil uitlaten over de islam, migratie, superdiversiteit en multiculturalisme.

Wat in dit debat vaak uit het oog verloren wordt, is het chilling effect op mensen die vanuit een minderheidspositie een mening verkondigen en daarop met haatspraak geconfronteerd worden”, zegt hij. Zonder veroordeling voor die haatspraak “zullen zij ook wel twee keer nadenken voor ze nog eens hun mond opendoen. Ja, vrije meningsuiting is cruciaal. Maar net om die voor iedereen te bewaken, moeten we aanzetten tot haat bestrijden.

       Hier wordt de retorische truc van de terugkaatsbal gebruikt. Indertijd voerden we op school met de personeelsraad verhitte discussie met leden van de directie, waarbij we al eens de bovenhand haalden. Op zeker dag stelden we vast dat elk van onze argumenten beantwoord werd met een terugkaatsbal. Mijn collega YR vermoedde toen dat de directie een bijscholing in argumentatiekunde gevolgd had.
      In dit geval kan De Vaal zijn terugkaatsbal lanceren door de niveaus de jure en de facto door elkaar te gooien. Je kunt iemand de mond snoeren met wettelijke dwang, en je kunt iemand in de praktijk de mond snoeren met woorden: scherpe argumenten, intimiderende retoriek, brutale beledigingen. Aangezien niet iedereen even sterk is in argumentatie, retoriek en brutaliteit ontstaat dan een feitelijke ‘ongelijkheid’. Illiberale progressieven zijn dan geneigd om juridische inbreuken op de vrijheid toe te staan in naam van een correctie op een feitelijke ongelijkheid. De vraag is trouwens of die feitelijke ongelijkheid zich hier ook écht voordoet. Is bijvoorbeeld het racisme vandaag luidruchtiger en intimiderender dan het antiracisme?


Jurgen Ceder (op mijn FB-pagina - overgenomen uit een vorig stukje)

    Als we de vrije meningsuiting niet als algemeen principe behandelen, maar in de context van de politieke actualiteit, dan is het grootste bezwaar tegen de racisme-wet dat men er het migratie-debat mee kan beperkten. Daarover kreeg ik een verhelderende reactie van Jurgen Ceder.

Hoe kun je met deze wet veilig kritiek uiten op immigratie en haar negatieve gevolgen, zoals bijvoorbeeld op gebied van criminaliteit? Zoiets zet zeker aan tot negatieve gevoelens over migratie en over het beleid dat daarrond wordt gevoerd, eventueel ook tegenover de verantwoordelijke beleidsmensen. Dat allemaal behoort tot echter tot de essentie van politiek. Hoe kan je echter systematisch kritiek uiten op migratie en het beleid daarrond, zonder dat een rechter zal oordelen dat dit ook aanzet tot haatgevoelens tegenover vreemdelingen?

     Men kan nog verder gaan. Men moet niet eens te keer gaan over de negatieve gevolgen van migratie en over criminaliteit. Alleen al de idee propageren of toepassen dat immigratie beperkt moet worden, kan haatgevoelens oproepen of versterken. Want als migranten ongewenst zijn, dan moet er met die mensen toch iets mis mee zijn, en waarom kunnen we ze dan niet in een moeite door gaan haten?
     Goed, laten we niet overdrijven. Er zal vandaag geen rechter te vinden zijn die verblind genoeg is om Anneleen Van Bossuyt op grond van die redenering te veroordelen, maar de formulering van de wet is eigenlijk rekbaar genoeg om zo’n veroordeling te rechtvaardigen. Van Bossuyt zou zich geloofwaardig kunnen verdedigen dat haat tegen migranten niet het doel van haar beleid en van haar communicatie is, maar ze zou moeten toegeven dat ze wéét dat dat een van de gevolgen kan zijn. Als je wéét dat een slag dodelijke gevolgen kan hebben, heb je dan ook niet de intentie om te doden?


Jihad Van Puymbroeck, e.a. (DS 29/5)
     Het opiniestuk van Jihad Van Puymbroeck en enkele min of meer professionele antiracisten bevat nogal wat stellige uitspraken. ‘Alle onderzoeken wijzen op een zorgwekkende stijging van racistische haat in het politieke debat.’ Alle onderzoeken? En bedoelt Jihad het politieke debat in het Parlement? Op de televisie? In de kranten? Of heeft ze het weer maar eens over de sociale media? Wellicht het laatste, want verder in de tekst gaat het over ‘stelselmatig online geweld dat in veel gevallen ook in het echte leven verwoestende gevolgen heeft.’ 
    Die uitbreiding van de term ‘geweld’  zie hierboven Reynebeau – is een gauchistisch trucje dat al enige tijd meegaat. Ik herinner mij een discussie tussen mijn conservatieve vader en en de progressieve vader van een vriend van mij. Het moet 55 jaar geleden zijn. Mijn vader zei iets over het geweld van de revolutionairen en de progressieve vader antwoordde iets over ‘structureel geweld’. 
     In het stuk van Van Puymbroeck wordt dat gedetailleerder uitgewerkt. Ze vindt dat men, in tegenstelling tot wat de critici van de racismewet hadden voorgesteld, geen al te scherpe grens moeten trekken tussen haat en geweld. En dan gaat ze verder:Bovendien wordt abstractie gemaakt van de impact die niet-fysieke vormen van geweld hebben op de gezondheid van mensen die racisme meemaken. De impact van racisme op de mentale gezondheid van de slachtoffers slaat diepe wonden … 
    Helemaal in het begin van het stuk schrijft Van Puymbroeck dat degenen die de racismewet bekritiseerden ‘zelf nooit racisme hebben meegemaakt.’. Maar de uitdrukking ‘racisme meemaken’ is nogal vaag. Maakt Van Puymbroeck racisme mee als ze in de krant leest dat Van Langenhove in een Leuvense aula denigrerende dingen gezegd heeft over Afrikanen? Had dat voor haar verwoestende gevolgen? Dan wil ik herhalen dat de wet niet met elke vorm van ‘leed’ rekening dient te houden.
     Van Puymbroeck heeft gelijk als ze het wetsontwerp-Quintin vermeldt als een bedreiging voor de vrije meningsuiting. Helaas is de logica van Cossaer haar vreemd en concludeert ze niet dat zowel het Quintin-vehikel als de racismewet op de schop moet. Ook zaait ze, net als David De Vaal, verwarring door het begrip vrije meningsuiting dubbelzinnig te gebruiken: 

De afgelopen jaren getuigden personen van kleur – vooral vrouwen – geregeld hoe racistische haatzaaiers georkestreerde campagnes opzetten om hun vrijheid van meningsuiting in de kiem te smoren. Ze kregen stelselmatig online geweld over zich heen.

     Dat lijkt mij toch iets anders. Als ik online schrijf: ‘Jihad, stop met zeuren!’ beperk ik dan haar vrije meningsuiting? Dan is dat toch op een heel andere manier dan die van een rechter die boetes en gevangenisstraffen kan opleggen.
     Het sterkste argument van Van Puymbroeck is dat over de discriminatie:        Die discriminatie wordt al jarenlang vastgesteld door onderzoekers, maar genegeerd door de beleidsmakers. Ook dat structurele onrecht wordt gevoed door haatzaaiers.
     De haatzaaiers zouden dus door het uiten van denigrerende opmerkingen over allochtonen bijdragen tot discriminatie. Dat is slechts correct als men die discriminatie uitbreidt tot gewone burgers, zoals een oude grootmoeder die haar appartementje niet wil verhuren aan een Marokkaan. Dat is erg, maar ’t is geen misdaad, en er wordt dus ook niet tot een misdaad aangezet. Wat daarentegen ingaat tegen de essentie van de liberale democratie is een staat die discriminatie toepast en haar burgers ongelijke rechten toekent. Maar dat is in ons land niet het geval, en ik zie dat niet meteen veranderen onder invloed van haatspraak.


Dre Driesen (reactie op mijn FB-pagina)

     Op mijn FB-pagina kreeg ik een uitgebreide reactie van Dre Driessen die de vraag naar de vrije meningsuiting inhoudelijk benadert. Hij vindt dat de liberale democratie geen gevaar meer moet vrezen van het communisme en het nazisme omdat die voldoende gediskrediteerd zijn. En ook het primaire racisme is op de terugweg. Voor dié intolerante ideeën is er geen beperking nodig op de vrije meningsuiting. Maar:

Wat we nog niet gehad hebben, en wat in principe even totalitair is als communisme en nazisme is het islamisme … Lang niet alle migranten zijn islamisten, integendeel … Tegelijk is het zo dat de meeste islamisten wel uit hun rangen voort komen en er vanuit hun gemeenschap maar heel weinig in de weg wordt gelegd … De grote vraag is: wat moeten wij daar nu mee aan? … Ik denk dat er daar uiteindelijk maar één oplossing voor zal zijn: vrije meningsuiting is heilig, maar we moeten intolerant zijn voor de intolerantie … We moeten de problemen zo duidelijk mogelijk omschrijven. Met het islamisme is dat gelukkig vrij eenvoudig, want het gaat over een set van zeer specifieke opvattingen.  … [Intolerantie] is een bot instrument dat gemakkelijk uitgebreid en misbruikt kan worden, en eenmaal de geest uit de fles is weet je nooit helemaal zeker wat er zal gebeuren. Anderzijds: zelfbescherming kan in extremis ook noodzakelijk zijn, en dan moet je het doen met de middelen die je hebt, ook als dat een botte bijl is.

     Die intolerantie voor intolerantie noemt men soms de intolerantie-paradox. De filosoof Karl Popper heeft erover geschreven. Het beste lijkt mij om de kwestie niet als een logisch raadsel noch als een principiële kwestie te benaderen, maar als een pragmatische afweging, waarbij men kiest voor het minste kwaad. In het geval van het islamisme moet je dan een reeks vragen beantwoorden:

  1. hoe imminent is het gevaar dat islamisten de liberale democratie omverwerpen?
  2. hoe groot is het gevaar dat islamistische propaganda leidt tot terrorisme?
  3. hoe moeilijk is het om in een wetgeving een correct onderscheid te maken tussen gevaarlijk islamisme, vroom geloof 
  4. hoe groot is de kans dat deze vrijheidsbeperking een opstapje vormt voor andere vrijheidsbeperkingen – voor moslims en voor anderen?
  5. hoe ga je om met taquiyya, het equivalent van cryptofascisme en cryptocommunisme?
  6. hoe groot is de kans dat een verbod op openlijk islamisme leidt tot het ontstaan van geheime cellen die gemakkelijk afglijden in het terrorisme?
  7. hoe sterk zijn de zelfregulerende mechanismen binnen de moslimgemeenschap die het islamisme onder controle kunnen houden zonder dat een beroep moet worden gedaan op wetten en rechtbanken?
  8. hoe effectief is een tolerante houding tegenover de islam om ook vanuit islamistische hoek meer tolerantie uit te lokken?
  9. hoeveel problemen kun je oplossen door de strikte neutraliteit van de staat te handhaven?

     Niet alle antwoorden wijzen in dezelfde richting, maar het lijkt mij duidelijk dat we nog ver verwijderd zijn vaan een extreme situatie waarin een ‘botte bijl’ moet worden bovengehaald.     Waar ik zeker mee akkoord ga is dat de intolerantie-paradox slechts ‘in extremis’ mag worden ingeroepen. Het is ook zo dat Popper die paradox opvatte. En Driessen zelf geeft in zijn reactie enkele redenen om te besluiten dat we nog niet in een extreme situatie zijn aanbeland. De islamisten vormen een kleine minderheid, de islam is verdeeld in verschillende strekkingen, en veel gelovigen zijn cultuurmoslims.
      Ik zou er nog aan toevoegen dat het westen er tijdens de Koude Oorlog in geslaagd is weerstand te bieden aan de communistische propaganda, niet altijd met de fraaiste middelen, maar toch zonder de botte bijl van een verbod te moeten hanteren. Bovendien lijkt juist bij het islamisme het gevaar groot dat een verbod op openlijke propaganda naar het onstaan van geheime cellen leidt die gemakkelijker afglijden in terrorisme.


Anoniem (reactie op mijn blog) 

Een reactie die typisch is voor de conservatieve denkstroming is deze:

Mij lijkt het grootste nadeel van zo’n knullige wetgeving dat ze het funcioneren van de sociale sanctionering uitschakelt. In een gezonde maatschappij worden fenomenen als racisme genoeg onder controle gehouden door sociale sanctionering en worden individuen die zich aan zo’n gedrag te buiten gaan sociaal geïsoleerd. Maar linkse betuttelaars geloven natuurlijk niet in capaciteit van de gewone mensen.

      Dat is een goed argument, maar het zal niemand overtuigen die niet zomaar gelooft in ‘de capaciteit van de gewone mensen’, zoals iemand anders niet zal geloven in Cossaers a priori aanname dat de vrijheid altijd sterk genoeg is om op zichzelf op eigen kracht tegen vijanden te verdedigen.


Luc Van Braekel (reactie op mijn FB-pagina)

     Luc Van Braekel benoemt nog een andere nadeel van de ‘sociale sanctionering’, of zoals Driesen het noemt, het ‘zelfregulerend mechanisme bij de bevolking.’ 

Een voorbeeld van een ‘zelfcorrigerend mechanisme’, gebruikt door links tegen rechts in de VS. Linkse militanten vinden dat rechtse talk radio hosts racistisch en reactionair zijn. Vermits er geen enkele manier is om die talk radio via juridische klachten aan banden te leggen, lanceren ze campagnes om alle adverteerders op die radiostations te boycotten zolang hun reclamespots daar te horen zijn. Eenzelfde soort boycot-campagne werd omstreeks 2020 tegen Facebook gevoerd louter omwille van het feit dat er volgens die linksen te weinig moderatie en censuur was op Facebook. In de andere richting werd Budweiser geboycot door rechts wegens een transgender promotie-campagne voor Bud Light. Bestrijd spraak die je niet aanstaat met tegenspraak, niet met ‘zelfcorrigerende mechanismen’ als boycots, wat neerkomt op cancel-cultuur.

    Het is maar wat je onder het begrip verstaat. Ook Driesen gaat ermee akkoord dat een ‘zelfregulerend mechanisme’ idealiter uit spraak-tegenspraak bestaat.

 

Dries van Langenhove (interview op Doorbraak 30/5)

     Van Langenhove verdedigt zijn recht op het vrije woord met de bekende (en correcte) argumenten. Bij een passage voel ik mij persoonlijk aangevallen:

Ik vind het laf dat centrumrechtse stemmen altijd moeten zeggen hoe oneens ze het wel niet zijn met wat ik denk en zeg. Rik Torfs, bijvoorbeeld. Ik antwoord altijd op zijn berichten als hij op X iets over mij schrijft. Mensen vragen mij dan waarom ik dat doe, want hij verdedigt uiteindelijk toch de vrije meningsuiting. Maar ik ben het beu dat die mensen het eigenlijk nóg moeilijker maken voor mij. Door wanneer ze de ‘vrije meningsuiting’ verdedigen telkens weer te zeggen of te impliceren wat voor een verschrikkelijke mens ik wel niet ben. Terwijl ze vervolgens nooit een concreet voorbeeld geven van wat ik nu exact zeg dat zó verschrikkelijk is. Nooit krijg ik daar een antwoord op. Nooit.

     Ik wil niet voor Rik Torfs spreken, maar wel voor mezelf. Ik zal inderdaad nooit het vrije woord van Van Langenhove verdedigen, zonder erbij te zeggen dat ik – in de woorden van De Ceulaer – zijn houding, zijn boodschap, zijn toon en zijn missie verwerp. Doe ik dat uit lafheid? Ben ik bang dat ik met hem zal worden geassocieerd? Vrees ik dat mijn lezers zullen afhaken? Misschien, maar ik doe dat ook omdat ik het nu eenmaal niet eens met die houding, boodschap, toon en missie. En concrete voorbeelden van wat Van Langenhove exact gezegd heeft? Hier bijvoorbeeld:

 Als ik stel dat een ‘Vlaamse leidcultuur’ noodzakelijk is, of dat de 200.000 illegalen in dit land uitgezet moeten worden. Dat waren twee voorbeelden die in een HLN-artikel werden aangehaald. Wel nu: welke N-VA’er betwist dat?

     Ik ben wel geen N-VA’er, maar toch een N-VA-kiezer, en zeker betwist ik dat er 200.000 illegalen – ik neem even aan dat dat cijfer juist is – het land moeten worden uitgezet. Ik sta achter het principe dat een land illegalen kan uitwijzen, bijvoorbeeld recent afgewezen asielzoekers en criminelen, maar dat is iets helemaal anders dan zo’n massale deportatie.
       Zo’n deportatie zou maar mogelijk zijn met een zodanig breed repressief wettelijk kader en politie-optreden, en zulke hevige polarisatie tussen voor- en tegenstanders, dat de rechten en vrijheden van alle burgers, autochtonen en allochtonen, in het gedang zouden komen. En onder ons, ik geloof nooit dat mensen als Van Langenhove zich zouden tevreden stellen met 200.000 vreemdelingen minder. De volgende stap zou zijn, vermoed ik, om de ‘niet-geïntegreerde’ vreemdelingen te deporteren, en dan krijgen we dezelfde subjectieve beoordelingen als nu in de haatspraak-wetgeving.
      De enige realistische oplossing waar op termijn centrumrechts en centrumlinks zich in zullen moeten vinden is een tussenweg tussen de massale deportatie en de massale regularisatie van het snel-belgwet type. Zo’n tussenweg wordt geschetst in het boekje van Ruud Koopmans: een geleidelijke en voorwaardelijke uitbreiding van de rechten tot aan het volwaardig burgerschap.

* Dat is de zogenaamde ‘positionaliteit’ van woke:  de slachtoffers zien een waarheid die anderen, zoals Eeckhout, De Ceulaer en Loobuyck niet zien. Die stelling wordt scherp bekritiseerd vanuit linkse hoek door Susan Neiman. Zie hier.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten