Cijnskiesrecht
Professor Alain Verbeke schreef in De Standaard (3/11) een eigenaardig stuk waarin hij het opnam voor het cijnskiesrecht: wie meer belastingen betaalt, kan bij verkiezingen meerdere stemmen uitbrengen. Dat zo’n systeem in het 19de-eeuwse liberale België heeft bestaan, weet de professor ook wel, maar hij vond het niet opportuun om het te vermelden.
Zijn collega Jan Dumolyn reageerde boos. Hij noemde Verbeke op zijn FB-pagina een ‘mafketel-economist’. Hij verweet de rechterzijde proactief dat ze zouden zeuren over Verbekes recht op vrije mening. (Zeker, dat doe ik.) En hij vergeleek de horror van het cijnskiesrecht met de Jacobijnse guillotine en de communistische terreur. Hij zag in zijn gedachten Verbeke al met een geweer uit een raam leunen om te schieten op toekomstige betogers in Leuven die het algemeen stemrecht wilden herstellen. Door precies Leuven te vernoemen verwees Dumolyn, geloof ik, subtiel naar de Bloednacht van 1902.
Op het eerste gezicht lijkt de boosheid van Dumolyn eigenaardig. Het ideetje van Verbeke maakt 0,000 procent kans om ooit te worden gerealiseerd. Waarom je er dan druk over maken? Toch begrijp ik Dumolyn. Het algemeen enkelvoudig stemrecht is een symbool, een dogma en een taboe. Je voelt weerzin om daar rationeel over te discussiëren. Je wilt mensen die zoiets voorstellen het liefst uitschelden of uitlachen. Ik heb dat ook met David Van Reybrouck als hij over zijn lotterijdemocratie begint. Ik weet dan niet waar ik met mijn tegenargumentatie moet beginnen.
Met Verbekes voorstel is dat anders. Hier kan ik een tegenargumentatie opbouwen omdat ik aanknopingspunten zie. Ik herken namelijk een zekere verdienste in de onderliggende redenering. De taak van regeringen bestaat hoe langer hoe meer in het uitgeven van geld – veel meer nog dan in de 19de eeuw. Is het dan niet logisch dat over die uitgaven beslist wordt door de mensen die het geld storten, via belastingen? Volgens dezelfde redenering zou je het stemrecht ook kunnen afnemen van degenen die alleen geld krijgen van de staat, zoals uitkeringsgerechtigden, ambtenaren, leraren enzovoort. Meer in het algemeen vormt algemeen stemrecht altijd een bedreiging voor het eigendomsrecht. Wie geen eigendom bezit of weinig verdient, kan altijd stemmen voor een partij die belooft het geld te halen waar het zit: bij degenen die wel eigendom bezitten of die wel veel verdienen.
Men begrijpt waarom Verbeke die redenering niet als vertrekpunt gebruikt. Logisch doorgetrokken zou ze leiden tot een volledige verwerping van de ‘herverdeling’ waar onze naoorlogse samenlevingen op gebouwd zijn. Ongeveer niemand – ook ik niet – wil deze consequentie aanvaarden. Het is alleen jammer dat het vertrekpunt dat Verbeke wél kiest niet veel om het lijf heeft. Hij vergelijkt de staat met een bedrijf op aandelen. Om goede beslissingen te kunnen nemen, moet het stemrecht van de aandeelhouders proportioneel zijn aan het aantal aandelen dat ze bezitten.
Als in een bedrijf elke aandeelhouder, of die nu één aandeel heeft of 30.000 aandelen, eenzelfde stem heeft, kan de algemene vergadering haar werk niet doen. Ze kan geen strategie of langetermijnbeleid bepalen.
Die 30.000 aandelen roepen meteen een vraag op. Wat wil Verbeke eigenlijk? Een regeling waarbij de een rijke 30.000 stemmen heeft, en de arme slecht één – of volgens de logica – géén? Dan kom je in een absurd verhaal terecht waarbij de rijke 30.000 bolletjes rood moet kleuren, en op straat komt protesteren om van die last bevrijd te worden. Tom Wouters zou er een verhaal over kunnen schrijven. Sterker nog, Tom Wouters hééft er een verhaal over geschreven. Maar zó ambitieus is het plan van Verbeke niet. Wat hij voorstelt is veel bescheidener.
Iedere burger heeft één stem. En iedere burger die bijdraagt en belastingen betaalt, heeft proportioneel wat meer stemmen.
Hoeveel is dat : ‘wat meer stemmen?’ Twee? Drie? Vijf? Dan blijft er van de vergelijking met een bedrijf niet veel over. Of wil Verbeke misschien een aandeelhouder die 30.000 aandelen bezit afschepen met twee of drie extra stemmen? Het voorstel van Verbeke gaat dus, ongelooflijk maar waar, niet ver genoeg, althans niet binnen de eigen logica.
Maar in andere opzichten gaat het véél te ver. Om te beginnen zou men in Verbekes systeem minstens met een tweekamersysteem moeten werken. Een kamer die met meervoudig stemrecht verkozen wordt en beslissingen neemt over inkomsten en uitgaven, en een kamer die met enkelvoudig stemrecht gekozen wordt en niet-financiële beslissingen neemt, zoals over abortus, euthanasie, migratie, taalwetgeving, strafrecht, ordehandhaving, veiligheid, buitenlands beleid, enzovoort. Er is geen reden waarom niet alle burgers als gelijken over die kwesties mee zouden beslissen.
Verbeke gaat nog even door met zijn vergelijking tussen de staat en een bedrijf.
Als er geen grote verschillen zijn in aandeelhouderschap, en iedereen min of meer gelijk is, zoals in beursgenoteerde bedrijven, is niet de algemene vergadering de baas, maar het management en de raad van bestuur die het management naar de mond praat … Precies zo is het in onze Belgische democratie … de macht ligt bij het management (de regering) met een raad van bestuur (het parlement) die het management naar de mond praat … Het gevolg is dat de burgers-aandeelhouders alle macht en controle kwijt zijn.
Deze vergelijking is niet helemaal uit de lucht gegrepen. In de tijd van het cijnskiesrecht waren er minder burgers die aan het beleid konden deelnemen, maar elke burger die kón deelnemen zette wel een duidelijker stempel op dat beleid. Het was de tijd dat het parlement nog écht iets te zeggen had. Ik geloof dat het Noorse parlement ooit speciaal samenkwam om te beslissen of een bepaalde subsidie aan de toneelschrijver Ibsen al dan niet moest worden toegekend. Vandaag worden beslissingen over cultuursubsidies op een andere manier genomen.
Ik ben op een sombere dag bereid om de verminderde rol van het parlement in een massa-democratie te betreuren. Maar moeten we daarom de relatie tussen regering en volk zien als een van meesters en slaven, waarbij de laatsten in een democratie alleen vrij zijn om af en toe van meester te veranderen? Zo’n schema blijft voor mij een woordspel zolang het niet concreet wordt ingevuld.
En wat is de concrete invulling die Verbeke eraan geeft? Politiek staat voor hem gelijk aan cliëntelisme. Tegenover het ‘onaantastbare management’ (de regering) staat de machteloze burger, hetzij als belastingbetaler, hetzij als uitkeringstrekker.
Wie niet werkt of bijdraagt en allerhande uitkeringen en subsidies geniet, is afhankelijk van het management. Dat regelt uitkeringen en belooft te vechten voor wie afhankelijk is, door onophoudelijk belastingen te heffen… Die politici zijn niet bezorgd om het welzijn van de burger, ze willen een systeem in stand houden waarbij zoveel mogelijk burgers afhankelijk zijn van een uitkering.
Dat is duidelijk een schromelijke overdrijving, want veel politici hengelen óók naar de stem van de belastingbetaler. Zeker, er zijn politieke partijen die lakse regelingen voorstaan rond werkloosheid, langdurige ziekte en lage pensioenleeftijden, maar zeggen dat de hele politieke klasse zoveel mogelijk burgers afhankelijk wil maken van een uitkering is een intentieproces, dat bovendien heel eenzijdig de werkelijkheid weerspiegelt. Cliëntelisme bestaat, maar het is slechts een deel van de politieke motivatie, zelfs bij de sociaal-democraten.
‘Geruisloos evolueren we naar een communistische dictatuur,’ schrijft Verbeke. Dat sluit aan bij wat ik hierboven al schreef: dat een democratie inherent een bedreiging vormt voor het eigendomsrecht. De armste helft plus 1 kan immers stemmen voor de onteigening van de rijkste helft min 1. Maar zelfs als dat gevaar reëel is, en er een logische evolutie in die richting is, bestaan er in een liberaal-democratisch kapitalisme verschillende tegenkrachten.
Er is vooreerst een uitgebreide middenklasse die eigendomsrecht en lage belastingen als principe apprecieert. De bezittende klasse heeft – tot spijt van links – een disproportionele invloed door haar mogelijkheid tot lobbywerk. En daarnaast wordt het beleid ook bijgestaan door technocraten en economen die aan politici kunnen uitleggen dat de belangen van hun electoraat op lange termijn beter gediend worden door economische groei dan door loutere en gemakzuchtige herverdeling. En dan spreek ik nog niet van rechtstatelijke en grondwettelijke grendels.
Nee, de kracht van het algemeen enkelvoudig stemrecht leidt niet op wetmatige wijze naar de installatie van het communisme, evenmin als de tegenkrachten op wetmatige manier een garantie bieden dat die niet gebeurt. Wie het kapitalisme aan banden wil leggen of het communisme wil tegenhouden, zal het zelf moeten doen.
‘Ons management kan geen begroting maken,’ schrijft Verbeke. Hij schijnt gelijk te krijgen. Met meervoudig stemrecht zou het inderdaad vlotter gaan. Conner Rousseau, die doet alsof hij ‘de mensen’ vertegenwoordigt, zou wat minder kunnen dwarsliggen: zijn electorale gewicht zou nog lager zijn dan het nu al is. De Wever zou het makkelijker hebben. Maar de gemakkelijke oplossingen zijn daarom niet de beste. Het is waar dat de regeringsbegroting vooral betaald wordt door de rijken en de middenklasse, maar de beslissingen erover moeten door iedereen gedragen worden, anders loopt het mis. Lange discussies in de regering of in het Parlement zijn vervelend, maar zij zijn nog altijd beter dan een opstand met doden in de straten van Leuven. Riot is an ugly thing, zegt Inspector Kemp in Young Frankenstein.
Trump en de onherstelbare schade
Een democratie moet niet perfect zijn om gezond te zijn. De basisvoorwaarde is de mogelijkheid tot aflossing van de wacht. Bij verkiezingen die een nipt verschil opleveren, kan het even spannend worden, zoals toen Biden het van Trump won met een klein verschil in relevante stemmen en Trump wild tekeer ging. Maar bij een duidelijk verschil zoals bij de midterms van gisteren, moet zelfs Trump zijn nederlaag toegeven. De VS zijn nooit in de buurt gekomen van een ‘fascistische dictatuur’.
Aan de andere kant kan een democratisch verkozen president wel schade toebrengen die langere tijd doorwerkt of zelfs onherstelbaar is. Blunders in het buitenlands beleid zijn daar een voorbeeld van: slecht geplande militaire avonturen zonder exitstrategie, verkeerde bondgenootschappen, handelsoorlogen die moeilijk terug te draaien zijn.
Als het echter op sociaal-economisch beleid aankomt, lijkt het mij moeilijker om een links beleid terug te draaien dan een rechts beleid. Als een systeem van sociale uitkeringen en garanties een keer is ingevoerd, is het heel moeilijk om dat weer in te perken. Voor wie denkt dat er nooit genoeg sociale uitkeringen en garanties zijn, is dat geen probleem. Maar degenen die geloven dat het systeem boven een bepaalde grens contraproductief wordt, zullen zien dat het een tanker is die heel moeilijk van koers kan veranderen.
Ik heb daarom een dubbel gevoel bij de Democratische overwinning in de VS. Het is mij zeker niet onwelgevallig dat de Grote Idioot is afgestraft. Ik hoop dat die afstraffing hem zal afremmen in zijn toeschietelijkheid tegenover Poetin. Maar ik vind het vervelend dat de half-socialistische strekking binnen de Democraten aan invloed wint. Gematigde Democraten hebben er na de laatste verkiezingsoverwinning van Trump voor gepleit dat de partij het centrum op zou zoeken. Dat zou volgens hen de beste strategie zijn om Trump te verslaan. Ik hoop nog altijd dat dat waar is, maar ’t is geen zekerheid. Trump heeft zijn verkiezingen gewonnen door te radicaliseren. Wat als de Democraten zijn voorbeeld volgen … en succesvol zijn?
Man van staal
Ik kwam gisteren toevallig op de necrologie terecht van Berten Hedebouw (1946-2024), de vader van PVDA-leider Raoul. De titel zal misschien een beetje raar klinken, vooral het eerste deel: ‘Een man van staal met een hart van goud.’ Die ‘man van staal’ verwees naar zijn wilskrachtig karakter, en ook naar het beroep van Berten, die zich na universitaire studies had omgeschoold tot staalarbeider. Verwees het ook naar de Russische revolutionair Jozef Vissarionovitsj Djoegasjvilli, die zich Stalin – man van staal – liet noemen, en die door de eerste generatie PVDA’ers bewonderd werd? Niet noodzakelijk. Ik zie veeleer een verwijzing naar de roman van de Russische schrijver Nikolaj Ostrovski: Hoe het staal gehard werd (1934). Wie lid was van de partij in de jaren 70, 80 en 90 werd verondersteld dat boek gelezen te hebben. Ik denk niet dat er leden waren die dat boek niet gelezen hadden. Toen een van de boegbeelden van de partij, Cockerill-arbeider Jan Saeys, in 1975 overleed, werd een strijdbare plechtigheid georganiseerd. Een dokwerkersvrouw las een stuk voor uit de roman van Ostrovski: over de begrafenis van Lenin.


Verhaeghe, Verbeke, Clerick, 3 keer in één week dezelfde teneur? Is er wat aan de hand? Geen werk, oud, ziek, dàn geen stem (wat met vrouwen die half-time hebben gewerkt laat die van ons vragen, of met vrouwen in het algemeen? ). Stemmen naar vermogen dus. Mijn dochter die voor een zwempartij met mijn kleinkinderen aangewezen is op de Nekker te Mechelen, één stem (zolang ze full time werkt uiteraard!), Bart Verhaeghe met zijn stulpje aan het Meer van Geneve 50 of 100 stemmen? Of 1000, vul maar in, tenslotte heeft hij dat ook verdiend (strictu én latu). Daens keert zich om in zijn graf.
BeantwoordenVerwijderenNatuurlijk heer Philip meent u dit niet, u maakte een grapje net als ik.
Over de Grote Plas, in 1776, was een van de ideologische drijfveren achter de revoltie 'no taxation without representation'. Er is iets te zeggen voor het omgekeerde wanneer je bedenkt dat bijna 70% van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen belastingen betalen. Zou het niet interessant zijn te weten waar Laouee zijn kiezers zitten en waarom hij pleit voor wat hij pleit? Of is dat voor iedereen wel duidelijk?
BeantwoordenVerwijderen