donderdag 15 september 2022

Schelden en discussiëren op Facebook


     Ik plaatste gisteren een stukje over de recente aanvallen in de pers op Mattias Desmet. Ik begon dat stukje met de naïeve en ook lichtjes hooghartige bekentenis dat ik het boek van Desmet niet gelezen had. Het leverde mij een aantal scheldwoorden op zoals ‘die Clerick’, ‘randdebiel’ en ‘lapzwans’. Het mooiste vond ik ‘feodaal’. Dat hoop ik zelf ooit nog eens te kunnen gebruiken. ‘Smerige feodaal!’ en dan het antwoord krijgen: ‘Je bent zelf een feodaal.’ Waarop ik weer: ‘Ach man, ga ergens anders feodalen!’
     Ik zal niet beweren dat zulke scheldwoorden mij niet raken. Het hangt vooral van het moment van de dag af. ’s Morgens en in de vroege namiddag, kan ik tegen een stootje; ’s avonds voel ik mij wat sneller in mijn ziel geraakt, vooral als blijkt dat de scheldwoorden komen van iemand die mijn stuk niet of maar half gelezen heeft. Hoezo niet gelezen of maar half gelezen? Zijn mijn stukjes dan niet goed, geestig, diepgravend en rechtvaardig genoeg om helemaal en grondig te worden gelezen? ’t Is de ultieme belediging voor wie schrijft. 
    Maar ach, ook dat mes snijdt niet erg diep. Mijn nachtrust wordt er niet door verstoord. Ik ga niet urenlang in bed met nijdige rukken nu eens op mijn ene en dan weer op mijn andere zij gaan liggen omdat iemand mij een ‘idioot’ of een ‘lafaard’ noemde, of, helaas, de moeite niet nam om een stukje van mij goed te lezen. Ik geef een zakelijk antwoord als het mogelijk is, en de ervaring leert mij dat zulke mensen hun woorden wel eens intrekken als ze de kwestie achteraf opnieuw bekijken. 
     Waar ik meer onder lijd zijn de hautaine replieken. Zo’n respons die begint met ‘komaan’ of ‘phulease’ of ‘écht?’. Dan voel ik mij weer even als een klein kind dat terecht gewezen wordt. De leraar die zegt: ‘Je kunt beter’ of ‘dit is onder jouw niveau.’* De loketbediende in het station die je met minachting aankijkt en sneert: ‘Hoezo een ticketje naar Kortrijk? Je bent in Kortrijk. Ook de slimste thuis zeker?’ Dan heb ik het even moeilijk. Ik neem mij dan voor om zelf nooit zulke replieken te plaatsen.



     In de loop der jaren heb ik mij een aantal regels opgelegd voor Facebook-gedrag. Ik denk twee keer na voor ik een kritische opmerking plaats op de pagina van iemand anders. Ik ontvriend niemand – behalve prostituées die per abuus in mijn vriendenbestand zijn terechtgekomen. Ik kom niet tussen in ruzies tussen derden op mijn eigen pagina. En ik probeer mijn eigen replieken zo zakelijk mogelijk te houden. Mijn blogstukjes wil ik wel larderen met af en toe een sneer, een plaagstoot, een denigrerend adjectief of desnoods een scheldwoord**, maar in een digitaal gesprek van mens tot mens begin ik daar niet aan. 
    Wel stel ik soms, aan iemand die op mijn pagina reageert, een vraag. Vaak is dat omdat ik iets niet begrepen heb of niet zeker weet of ik het wel goed begrepen heb. Soms krijg ik op zo’n vraag een boos antwoord. Dat komt, geloof ik, omdat mijn sparring partner mijn vraag ten onrechte als ‘retorisch’ interpreteert***, of als een strikvraag ziet, of geen antwoord klaar heeft, of misschien zijn hele wereldbeeld door die ene vraag bedreigd ziet. Die boosheid heb ik vroeger ook gehad, maar ze is mij ondertussen vreemd geworden. Er zijn veel dingen waar ik geen antwoord op heb en mijn wereldbeeld is soepel genoeg om een stootje op te vangen.
     Waarom ga ik überhaupt discussies aan op Facebook? Ik ben zelf neoliberaal, conservatief inzake onderwijs, anti-immigratie, pro-Westers, pro-Amerikaans en ecorealistisch. Op de as elitisme-populisme sta ik in het radicale centrum. Nu zijn er allerlei heel verstandige mensen die op al die terreinen een andere of tegenovergestelde mening hebben. Zowel hun als mijn wereldbeeld is gegrond op goede en minder goede argumenten. Ik vind het fijn om die minder goede argumenten van de andere kant onderuit te halen, of althans om dat te proberen, en te kijken hoe ver ik daar mee wegkom****.
     Dat klinkt allemaal heel verdraagzaam. Toch heb ik ook mijn onverdraagzaam kantje. Het gebeurt heel soms dat ik in een discussie verzeild raak waar ik naar mijn mening op één punt overduidelijk gelijk heb, en mijn opponent gebruikt smoesjes om dat niet toe te moeten geven. Dan discussieer ik even verder tot ik zeker weet dat er geen sprake is van een misverstand. Als dat niet het geval is, stop ik de discussie, zonder een sarcastisch ‘nog een fijne namiddag’, maar toch vrij radicaal: stop. Ik ga met die persoon nooit meer in discussie. Het is mij in mijn zeven jaar Facebook nog maar twee keer overkomen. Het ging twee keer om heel lieve mensen die ik nooit een scheldwoord heb weten gebruiken. 

    

 *Ik was diep geschokt toen onder een gedicht op FB van Koenraad Goudeseune de commentaar stond: Je kunt beter, Koenraad.’ Ondertekend: Piet Piryns. 

** Ik probeer mijn scheldwoorden dan zo te kiezen dat ik met het lijdend voorwerp ervan nog altijd een koffie zou kunnen drinken in het station van Gent.

*** De laatste tijd pas ik beter op met de vragende vorm. ‘Zou het niet kunnen dat …’ wordt dan tentatief bevestigend ‘Het zou geloof ik kunnen dat …’ Maar dan heb je weer mensen die mij toevoegen dat het hen niet interesseert wat ik ‘geloof’. Je kunt het nooit voor iedereen goed doen.

**** Ik probeer in die discussies zoveel mogelijk binnen de terminologie en het referentiekader van mijn opponent te blijven. Dat is niet alleen een kwestie van welwillendheid, maar ook een poging om niet in elke discussie het hele wereldbeeld erbij te betrekken.

woensdag 14 september 2022

Mattias Desmet onder vuur

 


   Ik heb dat boek van Mattias Desmet niet gelezen. Ik heb het al zo moeilijk gehad met dat boek van Bert de Munck, Leven en laten leven. Een kritische geschiedenis van de pandemie. Ik wil dat geen tweede keer meemaken. Zo’n boek waarbij je op de ene bladzijde instemmende streepjes zet in de marge, en op de andere bladzijde driftige vraagtekens, ’t is vermoeiend. En ik vrees dat Desmet zijn boek van hetzelfde laken een pak is. Ik ben zelf een man van enerzijds/anderzijds, maar die twee mogen niet te ver van elkaar liggen, anders krijg ik hoofdpijn. 
     Ik ben natuurlijk wel een beetje nieuwsgierig, en af en toe lees ik een samenvatting of bespreking van het boek. Daar is geen gebrek aan. Laatst verschenen zelfs drie kritische besprekingen kort na elkaar: Brecht Decoene en Ignaas Devisch schreven elk een stuk voor De Standaard, Maarten Boudry schreef een stuk voor De Morgen. Ik heb die stukken alle drie gelezen.
     Het stuk van Boudry is interessant omdat het gaat over de inhoud van het boek. Dat maakt meteen dat ik er niet veel over kan zeggen, omdat ik het boek dus niet gelezen heb. Maar één argumentatielijn lijkt mij toch een geval van de pot die de ketel zijn zwartzijn verwijt. Boudry verwijt Desmet dat die uit de medische literatuur systematisch de minimalistische cijfers puurde, terwijl ik gemerkt heb dat hijzelf nogal systematisch de maximalistische cijfers eruit haalt*. Het ene is niet veel beter of erger dan het andere. En Boudry is door zijn opleiding en specialisatie niet beter gewapend dan Desmet om de betrouwbaarheid van medische publicaties juist in te schatten.
      Aan het stuk van Decoene heb ik mij het meest geërgerd. Decoene zegt het niet letterlijk, maar hij schijnt aan te sturen op het ontslag van professor Desmet. ‘Geen academische vrijheid zonder wetenschappelijke integriteit,’ luidt de titel van het stuk. Nu ben ik zelf een koele minnaar van de academische vrijheid. Wie aan de universiteit heeft rondgehangen heeft minstens een paar professoren gehad die eigenlijk al lang ontslagen hadden moeten zijn gezien hun wetenschappelijke onbenulligheid. Dat was het nadeel van de vaste benoeming en de academische vrijheid. Daartegenover stond een voordeel dat Decoene zelf ook onderkent: de mogelijkheid ‘om gevoelige, tegendraadse, controversiële en onzinnig ogende onderzoekshypotheses te ontwikkelen.’  Dat is inderdaad een voordeel. Daarover zijn Decoene en ik het eens.
      Maar Decoene stelt aan die ‘tegendraadse’ lui een aantal inhoudelijke kwaliteitseisen die niet zo veel ruimte meer laten voor ‘controversiële en onzinnig ogende onderzoekshypotheses’. Hij wil namelijk ook dat hun informatie betrouwbaar en volledig is, geen data en studies foutief voorstelt, geen misleidende cijfers citeert, geen noodzakelijke nuances achterhoudt en de wetenschappelijke gemeenschap niet op een dwaalspoor zet. Dat is allemaal heel redelijk, maar het lijkt mij bij half-wetenschappelijke disciplines als psychologie en moraalfilosofie moeilijk om uit te maken welke informatie aan die voorwaarden voldoet. 
     Een wetenschapper mag geen ‘noodzakelijke nuances’ achterhouden. Natuurlijk niet. En welke instantie zal beslissen wanneer welke noodzakelijke nuance door wie werd achtergehouden? Zal SKEPP, waar Decoene bestuurslid van is, die beslissing nemen? Dan staan alle theologen, psycho-analytici en postmoderne filosofen en literatuurtheoretici morgen op straat. Dat zou misschien niet eens zo’n slecht idee zijn, maar ik zou de verantwoordelijkheid voor dat massa-ontslag niet op mij willen nemen, en ik wil ze ook niet uitbesteden aan SKEPP. Zelf meet ik als leek de betrouwbaarheid van informatie wel eens af aan wat Wikipedia over een onderwerp schrijft. Maar ’t is geen feilloos middel. Als ik de de bladzijde over Mattias Desmet opsla lijkt die wel door Decoene zelf te zijn geschreven – of is het omgekeerd, en is het Decoene die Wikipedia-bladzijde over Desmet heeft afgeschreven in De Standaard?
     Anders is het gesteld met formele kwaliteitseisen in academia. De strenge regels over plagiaat, en over het verzinnen van onderzoeksresultaten juich ik toe. Bedriegers moeten eruit!  Maar Decoene gaat veel verder. Een wetenschapper moet bescheiden zijn, zich laten corrigeren, geen boek publiceren voor hij eerst enkele peer reviewed artikels over het onderwerp gepubliceerd heeft, geen zaken postuleren, altijd in dialoog gaan met andere experten, geen mediakanalen opzoeken die hem naar de mond praten, en, ten slotte,  geen verklaringsmodel als leerstof presenteren als het niet jarenlang in al zijn elementen, en in zijn samenhang, uitgebreid is getest. 
     ’t Zijn allemaal wijze regels die naadloos aansluiten bij mijn eigen voorzichtige temperament. Maar zou je die wel aan álle wetenschappers opleggen? Dat zou niet goed zijn, geloof ik. Je hebt in de menswetenschappen nu eenmaal ook de caractériels die ongeduldig zijn, die het hoog in hun hoofd hebben, die zich niet om voetnoten bekommeren, die zich van hun collega’s weinig aantrekken, die niet zo geïnteresseerd zijn in de peer reviewed tijdschriften, die goed verkopende boeken schrijven, die hun hypotheses als postulaten verkopen, en die in de aula grandioze verklaringsmodellen verkondigen. Ik ben er vrij zeker van  dat die grandioze verklaringsmodellen uiterst, uiterst eenzijdig zijn. Maar dat betekent niet dat ze geen inzichten bevatten die andere, meer bezadigde wetenschappers – die zelf nooit op zo’n inzichten zouden zijn gekomen – tot nauwkeuriger onderzoek aanzetten. 
    Als Decoene zich in zijn stuk gedraagt als bad cop krijgen we met Ignaas Devisch een good cop aan het woord. Hij wil Desmet niet ‘ridiculiseren’, hij zoekt oplossingen. ‘Mijn dierbare Mattias,’ schrijft hij, ‘keer terug naar je stal, ga met open vizier het gesprek aan over je boek en wees bereid je positie bij te sturen.’ Dat is ongeveer hetzelfde als wat Decoene zegt, maar op een vriendelijker en menselijker toon. 
     In zekere zin is Devisch zelfs naïef als hij schrijft over het interview dat Desmet gegeven heeft in de extreem-rechtse Amerikaanse talkshow van Alex Jones. Desmet had niet gezien, denkt Devisch, dat hij in die talkschows geen eerlijk forum zou krijgen om zijn eigen maatschappijkritisch standpunt te verdedigen. Desmet had Alex Jones tijdens het inter­view kunnen confronteren met zijn nonsensicale gebazel*. ‘Dat zou een geniale zet zijn geweest.’ Die suggestie van Devisch is twee keer naïef. Ten eerste heeft Desmet niet aan die talkshow deelgenomen om ‘een eerlijk forum te krijgen’ maar om zijn boek te doen verkopen, en ten tweede maakt zo’n Alex Jones in dertig seconden gehakt van een onbekende zenuwachtige Vlaamse professor die het waagt in zijn show te komen tegenspreken. Mocht Devisch ooit in debat gaan met Alex Jones en dat debat wordt uitgezonden, dan zou ik daar uit schroom niet naar kijken, hoe nieuwsgierig ik ook ben. 
     Naïeve mensen als Devisch zijn op hun manier ook gevaarlijk. Waag het niet om op hun hart te trappen. Een humanist van het Thomas Morus-type is best bereid om ketters een tweede kans te bieden. Maar als dat geen succes wordt, moeten ze alsnog op de brandstapel. ‘De enige vraag die ertoe doet,’ redeneert Devisch, is de volgende: ‘Vervult iemand zijn job als wetenschapper op een wetenschappelijk integere manier? Op dat punt moeten we genadeloos streng zijn.’ Dat is dezelfde conclusie als die van Decoene: ‘wetenschappelijk integer’ en ‘genadeloos streng’. Maar ’t is voorzichtiger verwoord.
     ‘Academische vrijheid is een belangrijk uitgangspunt dat we alleen in uiterste nood kunnen beperken,’ schrijft Devisch.  Dat vind ik ook. Maar wat is ‘uiterste nood’ volgens Devisch? ‘Bijvoorbeeld, schrijft hij, wanneer een wetenschapper studenten probeert te manipuleren of schade aan derden toebrengt.’ Oei! ‘Studenten probeert te manipuleren?’ Heb ik dat zelf nooit gedaan in de klas***? En valt wat Decoene schrijft -  een eigen onvoldragen theorie doceren – onder manipulatie? En hoe komt Devisch bij die ‘schade aan derden’? Ik zou daar in een discussie over academische vrijheid nooit aan hebben gedacht. Denkt Devisch misschien aan het verwijt van Maarten Boudry dat ‘Desmet e tuti quanti’ door hun ‘desinformatie over Corona’ verantwoordelijk zijn voor ‘honderdduizenden die nodeloos stierven’? Ik hoop van niet. Anders komen we weer in de buurt van het Berufsverbot waar ik in mijn jeugd tegen protesteerde.

*. Boudry zegt dat het coronavirus  ‘in werkelijkheid minstens tien tot vijftien keer zo dodelijk is als seizoensgriep’. Dat ‘minstens’ vind ik aardig. Je vindt geloof ik gemakkelijker studies met formuleringen als cijfers ‘substantially higher (possibly 10 times or more) than that of most strains of the flu.’ Zie ook mijn stukje hier en hier.

** Ik verkondigde in de klas bijvoorbeeld de meerderwaardigheid van het ABN, daarbij de retoriek niet schuwend, terwijl dat in de handboeken van vandaag niet meer bon ton is. 

** Mattias Desmet, heb ik begrepen, is een tegenstander van complottheorieën, terwijl Alex Jones die juist met veel verve aan de man brengt. 

zondag 11 september 2022

Kortjes


 
Charles III en Salman Rushdie. Toen Ayatollah Khomeiny de wakkere moslims overal ter wereld opriep om Salman Rushdie te vermoorden, waren de reacties in het VK minder eenduidig dan in andere Westerse landen. De rechtse Margaret Thatcher was onvoorwaardelijk in haar steun voor de linkse auteur. Prins Charles zag het anders. Op een diner party verklaarde hij, volgens Martin Amis, dat hij nooit een auteur zou steunen die de diepste overtuigingen van de moslims gekwetst had. Hij was zich toen al aan het voorbereiden op zijn rol als ‘defender of faith’.

Manke vergelijking (1). Elke vergelijking loopt mank, maar de ene meer dan de andere. Lea Ypi maakt in haar boek Vrij de vergelijking tussen Albanië met Italië. Het ene land kon je als Albanees, onder het communisme, niet verlaten; het ander kon je als Albanees, na de val van het communisme, niet binnen, of toch niet zonder toestemming. Goed, dan maak ik meteen een tweede vergelijking. Ik zou het niet prettig vinden als ik mijn huis, op politiebevel, niet mag verlaten. Maar dat ik het huis van mijn buurman niet binnenmag zonder zijn toestemming, dat vind ik redelijk. Op een slechte dag is mijn linkerbeen ook mank.

Manke vergelijking (2). De Amerikaanse schrijfster Erica Jong (Het ritsloze nummer!) vergelijkt het lot van schrijvers in Iran en in het Westen. In Iran heb je de censuur van de ayatollahs, maar in het Westen heb je de censuur van de uitgevers met een boekhoudersmentaliteit, die alleen winstgevende boeken willen uitgeven. Ja, dát is ongeveer hetzelfde, hoor.

Simone de Beauvoir.  Laatst botste ik op een treffende uitspraak van de Franse filosofe Simone de Beauvoir. ‘De waarheid is één. De vergissing meervoudig. Het is geen toeval dat rechts het pluralisme belijdt.’ Simone, hoeft het gezegd, was zelf links. Maar wat een rare redenering. Ik geloof ook dat de waarheid één is, maar dat betekent niet dat we die ene waarheid gemakkelijk kunnen kennen. We gissen naar de waarheid. Daarom is pluralisme beter dan de pretentie dat je de ene waarheid gevonden hebt. Het doet denken aan dat mopje van de drie filosofen in de donkere kamer: een atheist, een agnost en een jezuïet. De atheist zegt: het is hier donker. De agnost zegt: maar het is mogelijk dat hier in het donker een zwarte kat ligt te slapen. De jezuïet zegt: vrienden, verheug u, ik heb de zwarte kat hier op mijn schoot. 

Smaken verschillen. Mijn vrouw en ik hebben een heel verschillende smaak als het over slechte films gaat. Zij kan lachen met A Million Ways to Die in the West en ik kan lachen met Austenland. Over goede films zijn we het meestal eens.

Complottheorieën. De beste complottheoriën beginnen met ‘ze’. Ze hebben Jaurès vermoord. Ze slaan de gasprijzen op. Ze zijn nooit op de maan geland. Onlangs las ik een fraai verwoord stukje op FB met als titel ‘Ze pakken ons alles af’. Vroeger was er stilte, zuiver putwater, groene natuur en gingen we niet dood aan kanker omdat er geen chemische vervuiling was. Maar ze hebben het ons afgepakt.

Poetinisten en zelenkisten. Bij de poetinisten in het Westen vind je de lafaards en de cynici; bij de zelenkisten vind je de heethoofden en de moralisten. Natuurlijk zeggen die omschrijvingen niet veel over hoe die mensen zich echt zouden gedragen bij een uit de hand gelopen caféruzie waar het mes wordt bovengehaald.

Poetins karakter. Over Poetins persoonlijkheid wordt veel gespeculeerd. Hoe verstandig is hij eigenlijk? Hoe rationeel is hij? Is hij voorzichtig of paranoïde? Soepel of koppig? Maar over twee eigenschappen zijn de meeste specialisten het eens: hij veracht zwakke tegenstanders en hij is heel gevoelig voor vernedering. De eerste eigenschap zou het Westen moeten aanzetten tot een ferme opstelling, de tweede tot een diplomatieke gedragslijn. Zo weten we het nog altijd niet.

woensdag 7 september 2022

Tom Naegels en Doorbraak


     Mijn vrouw had mij gewaarschuwd dat Tom Naegels een nogal fel stuk over Doorbraak had geschreven. Ik kreeg daar geen lichte hartverzakking van, maar besloot toch het lezen van het stuk enkele dagen uit te stellen. En nu heb ik het gelezen, en ook nog eens de commentaren erop die op de Facebookpagina van Naegels verschenen.
     Het is, zoals ik al verwacht had geen scheldtirade geworden. Die bestond al, en wie Tom Lanoyes opsomming van 'Apartheids-nostalgici, pseudo-dwarse excuustruzen, rijkeluiszoontjes en regelrechte schedelmeters’ wil overtreffen, moet vroeg opstaan. Tom beperkt zich tot ‘schreeuwlelijkerds, wappies, malloten en eindtijdprofeten’, woorden waarmee hij overigens maar een deel van de medewerkers mee beschrijft. Anderen noemt hij ‘beschaafde oude heren die genieten van goede wijn’. Dat is welwillend verwoord. Hij had evengoed ‘gepensioneerde en elders gesjeesde scribenten’ kunnen schrijven, maar hij heeft het niet gedaan. Toch krijgen ook de beschaafde oude heren een veeg uit de pan. Ze moeten zich immers, volgens Tom, ‘rekenschap geven van de griezelige onzin die verschijnt op een site waaraan zij geloofwaardigheid verlenen.’
     Ik publiceer zelf ook af en toe een stuk op Doorbraak en reken mij meteen tot de beschaafde oude heren – al drink ik geen wijn, bier of sterkedrank. Maar dan vraag ik mij af: treft ook mij het verwijt dat ik de wappies en malloten ‘legitimeer’? Ik denk het niet. Ik behoor immers niet tot wat Naegels de ‘grote namen’ noemt. Je kunt mij moeilijk verwijten dat ik als glijmiddel voor de rotzooi van anderen dienst doe. Het is niet zo dat ik duizenden lezers aantrek die dan naast mijn stuk ook iets van Sanctorum of Grootaers zien staan en bij zichzelf zeggen: Tiens, zou dat iets voor mij zijn? Ik hoop eigenlijk op het omgekeerde effect: dat die Grootaers-lezers, terwijl ze toch bezig zijn, ook een Clerick-stuk lezen.               
     Draag ik dan helemaal geen morele verantwoordelijkheid voor de andere stukken op de site? Tja, wie mij kent, weet dat morele rechtlijnigheid niet mijn sterkste kant is. Ik ben nogal van ‘leven en laten leven’. Maar laat mijn morele slapte geen excuus zijn. De kwestie die Tom opwerpt, wil ik niet van tafel vegen, noch onder de mat. Het huis moet een beetje netjes zijn vóór de poetsvrouw langskomt. Dus: hoe erg is het als je eigen stukken verschijnen naast ‘griezelige stukken’ van anderen? Dat is wat mij betreft, zoals zo vaak, een vraag naar de proporties. Hoe griezelig zijn de stukken en welk aandeel vormen zij in het geheel van het aanbod.
     Ik kijk even op de site van Doorbraak en doorloop de stukken van 5, 6 en 7 september*. Daar zit weinig bij dat ik griezelig vind. Veel informatieve artikels over cultuur, sport, binnenlandse en buitenlandse politiek, en economie. Ook de opiniestukken zijn niet van dien aard dat ik mij op een deftige bijeenkomst moet schamen als ik er mee geassocieerd word. Het stuk ‘Eigen wolk eerst’ is een polemiek tégen Wim en Sam van Rooy. Sanctorum schrijft in zijn gekende stijl dat volgens hem vrouwen wel aanleg hebben voor humor, maar niet voor satire. Men kan dat, als men wil, griezelig vinden. Ik zal op een deftige bijeenkomst dus zwijgen over Sanctorum, vrouwen en satire. Als iemand anders over Sanctorum begint, zal ik het andere stuk aanhalen waarin hij het opneemt vóór het gedicht van Ruth Lasters. Dát zal verwarring zaaien.
     Natuurlijk staan er veel stukken bij die mij niet aanstaan. Het devies van het blad is nog altijd ‘Meer dan een mening’ – wat ook gelezen moet worden als ‘Meer dan één mening’. Er staan twee opinie-artikels in tegen militaire steun aan Oekraïne, één van de linkse Erik De Bruyn en een van de rechtse Sid Lukassen. Dat is niet mijn mening. Het stuk van Marcel Bas over Tsjechië is heel informatief maar er schemert misschien, naar mijn smaak, te veel sympathie door voor die Tsjechen die Oekraïne niet meer willen steunen. 
     Het beeld dat ontstaat door de artikels van drie dagen samen te leggen, levert in elk geval niet het griezelige beeld op dat de linkerzijde heeft van de Doorbraak-site. Je hebt zoiets ook ter rechterzijde. De kritieken die je daar op De Standaard hoort en leest, geven soms de indruk dat elke bladzijde gevuld is met woke-pamfletten, aangevuld met enkele serieuze stukken die de andere legitimeren. Dat is een verkeerde indruk. Zo is ook Doorbraak geen verzameling van wappie-pamfletten met ter legimitatie daarnaast enkele stukken van beschaafde bejaarden.
     Naegels zou nu kunnen antwoorden: als het zo zit, gooi dan die paar wappie-columnisten eruit. Mja. Misschien kan Doorbraak een deal sluiten met Het Mediahuis. Bij ons gaat Alain Grootaers eruit als bij jullie Marc Reynebeau eruit gaat. Wij geven Sid Lukkassen de bons, als Het Nieuwsblad hetzelfde doet met Peter Mijlemans. Maar dat gaat niet. Veel lezers van Doorbraak lezen nu eenmaal graag Grootaers, zoals  veel lezers van De Standaard  nu eenmaal graag Reynebeau lezen en zoals veel lezers van Het Nieuwsblad nu eenmaal graag Peter Mijlemans …  nee, dat laatste geloof ik eigenlijk niet.
     Ook de griezelige voorbeelden die Naegels zelf geeft, overtuigen mij niet helemaal. Naegels hekelt een recente uitval van Grootaers tegen de ‘incompetentie, lafheid, ruggengraatloze valsheid, hypocrisie, narcisme, hebzucht, arrogantie en egoïsme van een generatie internationale en nationale politici en een globale elite van roversbaronnen en luxetechnocraten.’ Ik kan met de beste wil van de wereld niet zwaar tillen aan zo’n zin. Ik hou niet van overdrijvingen, ik hou niet van veralgemeningen en ik hou niet van opruiende taal. Maar ik begrijp dat hier een wereldvisie wordt samengevat, die de mijne niet is, en die ik af en toe ook wil bestrijden, maar die ik graag een plaats gun op een medium waar ik zelf ook op publiceer. Sid Lukkassen achtervolgt mij op De Dagelijkse Standaard met artikels als ‘Clerick strikes again’, maar hij vertegenwoordigt ondertussen een hedendaagse denkstroming, en niet alles wat die denkstroming inhoudt is onzin. Lukkassen verdient het gepubliceerd te worden, en waar mogelijk weerlegd.
    Naegels is ook erg verontwaardigd over een korte recensie die Doorbraak gewijd had aan ‘een boek dat beweert dat de klimaatverandering goed is voor de wereld­. Rond 1900 was het CO 2-gehalte in de atmosfeer immers gevaarlijk laag. Bossen groeien nu als nooit tevoren. Er zijn veel meer ijsberen. Het Great Bar­rier Reef doet het gewéldig. Naegels spot, terecht vind ik, met het belachelijke slotzinnetje van de recensie: ‘De werkelijkheid is ook hier precies omgekeerd van wat men ons probeert wijs te maken.’ Maar ik veronderstel dat zijn voornaamste bezwaar is dat de tekst foutieve informatie bevat. Opruiende opinies, tot daar, maar een hoofdredactie moet toch de feiten controleren! Ja maar, de feiten ... Ik ben zelf  redelijk overtuigd dat er dringend iets aan CO2 en klimaatopwarming moet worden gedaan. Maar dat de bossen groeien, dat de ijsberenpopulatie het naar omstandigheden goed stelt, en dat de Great Barrier Reef tekenen van herstel vertoont, is inderdaad iets wat je niet vaak op voorpagina’s leest, en toch juist schijnt te zijn.
     Wat hierboven staat over de bossen en ijsberen is interessant om twee redenen. Het gaat hier niet zozeer om enkelvoudige feiten, maar om veralgemeningen die voortbouwen op een selectie van metingen, tellingen en schattingen. Een mainstream hoofdredactie zal onvermijdelijk bepaalde selecties en bepaalde veralgemeningen dik in de verf zetten en andere als ongeloofwaardig in de prullenmand gooien. Dat hangt samen met wat ze zo een beetje gelooft en niet gelooft, en met de beschavingsopdracht die ze zichzelf geeft. Dan kan het eigenlijk geen kwaad dat er alternatieve media zijn die de weggegooide feiten uit de prullenmand halen en daarmee hun eigen veralgemeningen uittekenen. 
    In de coronajaren heb ik met enige aandacht de mainstream media gevolgd. Veel van wat daar verteld werd, was ongeveer juist, alhoewel alarmistisch gekleurd. Ik volgde ook af en toe de alternatieve media die de andere kant van de zaak belichten. En verhip, veel van wat ik daar las, bleek achteraf ook juist – helaas met de gebruikelijke overdrijvingen. Misschien hebben de alternatieve media op die manier wel een positieve rol gespeeld in de matiging van het beleid. Of een negatieve, doordat ze mensen tot onvoorzichtig gedrag aanzette, dat kan ook. Stof genoeg voor opinie-stukken, in mainstream media en alternatieve media.

 

* Dit zijn de stukken: Vrouwen en satire: een tegennatuurlijke combinatie (Johan Sanctorum) - Nucleaire onderhandelingen met Iran slepen aan (Lieven van Mele) - Eigen wolk eerst (Fons Mariën) - Geven PS en MR Vivaldi de doodsteek (Christophe Degreef) - Ventilus-project is grootste subsidie ooit voor windmolens (Lode Goukens) - Beleeft Filip De Pillecyn na Felix Timmermans ook een revival? (Frank Hellemans) - Is er een Praagse Herfst in aantocht (Marcel Bas) - Pleidooi voor een strategische terugtocht uit Oekraïne (Erik De Bruyn) - Stilte voor de storm. Wanneer wordt de regering wakker (Katrien Houtmeyers) - 7 september. Net binnen: Universiteit Leuven gesticht (Luc Pauwels) - Mondo Duplantis ongenaakbaar op plaats twee (Maarten Hertoghs) - Boekbespreking ‘Delirium’ (Paul Cliteur) - Brexit: het heden lag verscholen in het verleden (Boekenteam) - Debat Vlaamse partijvoorzitters legt vooral politieke onmacht bloot (Filip Michiels) - Zweden op campagne (Herman Matthijs) - Het democratiefestijn is afgelopen (Sid Lukassen) - Volatiele markten falen opnieuw (Paul Becue) - Valsisme (Siegfried Bracke) - Veel kandidaten maar geen Nieuwe Brit als premier (Frans Crols) - Foreign Affairs: From Washington with Love (Frans Crols) - 6 september. Net binnen: Nederlands eindelijk verplicht in Bedrijven (Luc Pauwels) - Wat mag het buitenland verwachgen van Liz Truss? (Harry De Paepe) - Een stadsdichter, wat is dat voor iets (Johan Sanctorum) - Biden bestempelt niet enkel Trump maar half de VS als gevaar (David Geens) - China wil met kernenergie de ruimte in, de Verenigde Staten vogen (Wannes Bok) - Voetbal: Nog slechts drie titelkandidaten. (François Colin) - Vergeten vragen van de voorbije week (Dominique Laridon) - De afrekening van Tom Naegels met de vrije pers (Julien Borremans) - Hete herfst is begonnen in Duitsland (Dirk Rochtus) - Beste Tom Naegels (Jurgen Pieters) 

dinsdag 6 september 2022

De stadsdichteres

 


   In de Antwerpse gedichtenrel gaat mijn sympathie uit naar de schepen van cultuur, Nabila Ait Daoud (N-VA), en mijn solidariteit naar de dichteres, Ruth Lasters. Natuurlijk is het hier misplaatst om het ‘hoge trotse woord van censuur te spreken’, maar bij kunst is het als met de staatsambtenaar aan het loket. Die moet niet alleen neutraal zijn, maar hij moet ook elke schijn wegnemen dat hij het misschien niet zou zijn. Zo moet ook een politieke gezagsdrager elke schijn wegnemen dat ergens in een donker hoekje van zijn ziel nog altijd een censuurwens zou sluimeren. ‘On n’arrête pas Voltaire,’ zei Charles de Gaulle. Maar de symboliek wil meer. Niet alleen mag je als politicus Voltaire niet arresteren, je moet hem ook lauweren, prijzen in officiële toespraken, en af en toe een kleine geldsom geven, zelfs als hij je in zijn geschriften voor het vuil van de straat zou uitmaken. Dat hoort bij het beschaafde respect voor kunst en artistieke vrijheid.
     De Antwerpse schepen van cultuur heeft dat niet goed begrepen. Ze dacht dat het een kwestie van goede afspraken was – over het bestellen, indienen en goedkeuren van de gedichten. Maar dat is niet de manier waarop artistieke geesten redeneren. Ook dacht de schepen dat stadsgedichten verbindend moesten zijn. Alweer fout. Gedichten moeten niets. Dichters laten zich niets voorschrijven, behalve misschien door de mode, maar zeker niet door politici. Als je aan één dichter raakt, voelen ze zich allemaal gekrenkt. De gilde van schrijfbroeders en schrijfzusters sluit de gelederen. Zelfs de extreemrechtse Dostojevski protesteerde indertijd toen de Tsaar censuur – echte weliswaar – uitoefende tegen linkse literatoren. Niemand nam het op voor de tsaar, zoals vandaag niemand het opneemt voor Nabila – ook ik niet.
     Tot zover de rel. Nog iets over het gedicht zelf misschien? 
     Vooruit. Dat gedicht is een werkstukje dat Lasters, die ook lesgeeft, gemaakt heeft met zes van haar leerlingen. Ze hekelt de regeling om 12-jarige leerlingen te labelen als ‘A-stroom’ en ‘B-stroom’ waarbij ‘B’ gelijkgesteld wordt aan ‘tweede keus’.  Verder legt ze met voorbeelden uit dat mensen die een praktisch beroep uitoefenen – loodgieters, bakkers, electriciens die stroomschema’s tekenen en uitvoeren – minstens even nuttig zijn voor de maatschappij als mensen die het meer van de theorie moeten hebben – notarissen en senatoren.  Ten slotte stelt ze voor om het woord ‘intelligent’ niet meer voor te behouden voor cognitieve aanleg en vaardigheden, maar voor elke aanleg en voor elke vaardigheid.
     Daar is allemaal weinig aanstootgevends aan. Het gedicht doet wat denigrerend over notarissen, senatoren en quizzers die deelnemen aan de Slimste Mens – tja, die moeten daar maar tegen kunnen. Dat men de praktische beroepen soms te weinig respecteert, is waar. Het wordt al aangeklaagd in het beroemde gedicht van Bertolt Brecht ‘Vragen van een lezende arbeider’. In de geschiedenisboeken, schrijft Brecht, gaat het altijd over Caesar die op zijn eentje Gallië veroverde. ‘Had hij niet minstens een kok bij zich?’ Een terechte vraag natuurlijk, alhoewel ikzelf liever een spannend boek lees over een geniale politicus en veldheer dan over een kok, een bouwvakker of een leraar.
     Vervelend is wel dat Lasters in haar kritiek twee labelsetjes door elkaar gooit. Er is het labelsetje A-stroom en B-stroom en er is het labelsetje aso-bso-tso. Je zou vanwege de beginletter kunnen denken ‘B’-stroom hetzelfde als als ‘b’so, maar dat is het helemaal niet. Het zit als volgt in elkaar. Het middelbaar bestaat uit drie grote onderwijsvormen die elk een belangrijk deel van de leerlingen aantrekken: aso (42 %), bso (25 %) en tso (31 %). Aso bereidt voor op verdere studies, bso bereidt voor op een bepaald beroep, en met tso kun je de twee richtingen uit, wat in de praktijk ook neerkomt op verdere studies.
     Dat heeft allemaal weinig te maken met de A- en B-stroom in het eerste jaar van het middelbaar. De A-stroom bestaat uit 90 % van de leerlingen en levert in de daaropvolgende jaren de meerderheid van zowel aso, bso als tso. De B-stroom daarentegen bestaat uit 10 % van de leerlingen – leerlingen die geen diploma behaalden in het lagere onderwijs. Het 1B-jaar biedt die leerlingen de kans om via een inhaaljaar naar de A-stroom over te stappen of zich voor te bereiden op sommige van de bso-richtingen. Om het eens anders te zeggen: in die B-stroom zijn weinig leerlingen die later, in de woorden van Lasters, ‘stroomschema’s zullen tekenen en uitvoeren’.
     Lasters heeft gelijk als ze beweert dat de ‘B’ van B-stroom een negatieve bijklank heeft. Van mij mag ze gerust de letters  omwisselen en voortaan de B-stroom de A-stroom noemen en omgekeerd. Ze mag die omwisseling voor mijn part ook van de Vlaamse regering eisen. Wel zou ik het jammer vinden als ze de huidige waan en waanzin van de ‘gemeenschappelijke eerste graad’ zo ver zou drijven om de B-stroom leerlingen in dezelfde klassen te willen onderbrengen als de andere. Zo lang ze daar niet aan gaat, is het voor mij allemaal goed.
     Er zit iets moois in het protest van Lasters. B-stromers en bso’ers voelen zich vaak niet erg op hun plaats op school. Ze voelen zich ‘dom’ en noemen zichzelf ook zo. Elke leraar die daar lesgeeft, probeert hen, vaak tevergeefs, dat idee uit het hoofd te praten. Het gezamenlijk schrijven van zo’n gedicht kan daar een middel toe zijn. Het leuke is in elk geval dat het minderwaardigheidsgevoel meestal niet blijvend is. Het gevoel van eigenwaarde bij die kinderen herstelt zich als ze later een nuttig beroep uitoefenen, een huis laten bouwen, in een auto rondrijden en op vakantie gaan naar Dubai. Wanneer volwassen mannen en vrouwen als buren over koetjes en kalfjes praten, is het verschil tussen gewezen aso-ers, bso-ers en tso-ers nauwelijks merkbaar. Het onderwijs benadrukt bepaalde verschillen, maar het mooie is: het duurt niet al te lang – en zeker niet voor de leerlingen in bso.
     Er zit ook iets minder moois in dat protest. Het is een soort protest waarbij je je toehoorders tot applaus dwingt. Je zegt iets waar iedereen het over eens is, en je doet alsof niet iedereen het erover eens is. Zelfs als je dan roept, overdrijft, onredelijk bent, en dingen door elkaar haalt, kun je nog altijd op bijval rekenen. ‘Er moet eindelijk iets gedaan worden aan de kinderarmoede,’ is zo’n uitspraak. Probeer dan maar eens om te zeggen dat er eigenlijk al een en ander gebeurt. ‘Vlaanderen moet eindelijk wat meer respect hebben voor bso-leerlingen.’ Nu moet je eens wat rondsnuisteren op het internet naar folders en brochures over bso of de b-stroom. Je vindt er niets dan meest respectvolle woorden. Mag je daarop wijzen? En mag je er ook op wijzen dat bso-leerlingen beter gesubsidieerd worden dan aso-leerlingen? Ik zou het niet durven. 
     Ik zag ooit een filmpje van een welbespraakte Hollandse dame die tekeer ging tegen de uitdrukking ‘lager geschoold’. ‘Als je dat woord nog één keer gebruikt, dan zoek ik je op en hak ik je kop d’raf,’ zei ze. Sindsdien denk ik tweemaal na voor ik iets zeg.

 

Ik druk hieronder het gedicht af. Dat derde woord ‘staat’ was beter vervangen geweest door ‘land’, vind ik. ‘Olie -, oliedom land dat leerlingen vanaf twaalf jaar’ enzovoort.

 

Olie-, oliedomme staat die leerlingen vanaf twaalf jaar
nog altijd letterlijk met ‘A’ labelt of ‘B’. Welkom in het middelbaar!

Aan Vlaanderen een vraag: wanneer ligt de maatschappij volledig plat?
Is dat wanneer de notarissen en de senators staken? Of als de loodgieters,
de bakkers en de havenarbeiders niet opdagen?

Ah, inderdaad! Het land ligt op zijn gat als de dakwerkers nakateren,
als alle winkeliers hun schup afkuisen, als de onthaalmoeders
de luiers zelf aandoen, als koks hun kat sturen naar Nam Fong,
Mister Spaghetti en naar alle internaten.

En wie is nu het slimst, iemand die weet waar de Aconcagua ligt
(vraag uit De slimste mens ter wereld) of wie het hele stroomschema kan tekenen
en uitvoeren voor een schoolkeuken, het Sportpaleis, Wetstraatvergaderzalen?
Iemand die weet hoeveel een flamingo weegt of iemand die een tillift kan bedienen
zonder dat de bomma valt op koude tegels voor het licht uitgaat?

Wij moesten maar eens over A- en B-ministers praten. Dan zouden ze
misschien verstaan hoe het aanvoelt. Alsof wij tweede keus zijn,
alsof een stiel leren slechts een plan B kan zijn
voor als de A-richting iemand niet ligt, niet gaat.

Straks vraagt gij, Vlaanderen, nog losgeld voor het woord ‘intelligent’
dat gij al eeuwenlang gegijzeld houdt, alleen voor quizzers reserveert,
voor dokters, architecten, wetenschappers, voor mevrouw Michiels en advocaten.

maandag 5 september 2022

Het communisme en de vergadercultuur


     Als ik niet oplet waaien mijn gedachten, zoals in mijn laatste blogstukjes, wel eens onwillekeurig over de rode utopie van mijn jeugd, meer bepaald over het tweede stadium ervan: het ideale communisme*. Wat hield dat ook weer in? Karel van het Reve heeft het indertijd samengevat in tien kenmerken, al formuleerde hij ze hier en daar wat fraaier. Onder het communisme

  1. is iedereen gelukkig, niemand is ‘vervreemd’
  2. zijn de bedrijven eigendom van de gemeenschap 
  3. wordt de economie centraal gepland 
  4. is er een heel hoog technisch peil bereikt, met een heel hoge productie
  5. is het platteland verstedelijkt
  6. wordt arbeidsspecialisatie vervangen door polyvalentie
  7. bestaan er geen maatschappelijke klassen meer
  8. zet iedereen zich vrijwillig in, zo goed als hij kan
  9. ontvangt iedereen alle producten en diensten die hij nodig heeft
  10. is iedereen vrij, verdwijnt repressie en sterft de staat af.
        Er is op die utopie veel en grondige kritiek gekomen van economen, sociologen en filosofen. Sommige punten van de utopie lijken onderling tegenstrijdig, zoals een heel hoog technisch peil en afwezigheid van arbeidsspecialisatie** ; andere zijn al grotendeels gerealiseerd zónder communisme, zoals de heel hoge productie en de verstedelijking van het platteland. Maar de ontwikkelde leek sleurt er graag – vooral bij de punten (1), (8), (9) en (10) – de ‘menselijke natuur’ bij, en meer bepaald het egoïsme dat er een onderdeel van zou zijn. Dàt, en het feit dat de pogingen om de utopie te verwezenlijken grotendeels het tegenovergestelde ervan hebben bereikt. Je zou kunnen zeggen dat negentig procent van de kritiek op het communistisch ideaal erop neerkwam dat het niet realiseerbaar was.
    Ik wil die kritiek inzake de realiseerbaarheid van de utopie even vergeten, en mij in plaats daarvan bezinnen over de wenselijkheid ervan. Ik geef hier een wat vrije vertaling van Lea Ypi’s versie van het komende communisme. ‘Individuele verschillen en onenigheden blijven bestaan, maar conflicten die eruit voortvloeien kunnen eindelijk een redelijke vorm aannnemen***. Mensen kunnen nog altijd gekwetst worden, zich beledigd voelen of boos worden door iets wat iemand anders doet. Maar de maatschappij vindt altijd wegen om die conflicten op te lossen door verdraagzaamheid, overleg en solidaire inspanning.’
     Die verdraagzaamheid vind ik prima, maar dat ‘overleg’ en die ‘solidaire inspanning’ maken mij achterdochtig. In Lea Ypi haar ideaal zijn wetten, straffen en politie verdwenen, alsook de vrije markt – zo interpreteer ik haar ‘profoundly modified property arrangements’ – en wat er in de plaats komt zijn, zoals ik het zie, overlegorganen, wijkcommissies, bedrijfsraden, vormingsorganisaties, vakgroepen, oudercomités en volksvergaderingen****, kortom alles wat niet erg verenigbaar is met mijn menselijke natuur. Ik begin al sneller te ademen als ik moet overleggen met mijn vrouw over de aanschaf van een nieuw nachtkastje, en dat gaat dan om iemand die ik graag zie en om een beslissing die ik onbelangrijk vind.
     Bij auteurs die het eerste stadium van de rode utopie hebben meegemaakt, zoals Pasternak, Kundera en Ypi zelf, vind je indringende beschrijvingen van hoe de vergadercultuur van volkscomités al bloeide vóór het communistische eindstation was bereikt. Een naar kenmerk dat in die beschrijvingen naar voren komt, zijn de geborneerde partijmensen en autoritaire bureaucraten die aan de volkscomités leiding geven. Maar wordt het veel beter als je die partijmensen en bureaucraten wegdenkt? Verloopt het overleg dan ipso facto in een gemoedelijke en verdraagzame sfeer? Behoren gemoedelijkheid en verdraagzaamheid wel tot de kernwaarden van de ‘nieuwe mens’? Als ik denk aan Marx en Lenin …
     Neem de recente corona-tramelant. Eén ding werd snel duidelijk, namelijk dat er inderdaad veel ‘individuele verschillen en onenigheden’ bestonden. Ik heb gemeenschappelijke Facebookvrienden elkaar te lijf weten gaan met een heftigheid die ik niet voor mogelijk had gehouden. Vanaf het begin was duidelijk dat er verschillende belangen waren. 
Niet iedereen liep evenveel gevaar op ernstige ziekte of overlijden. Jonge mensen moesten zich weinig zorgen maken*****. Verder was niet iedereen even goed geïnformeerd, en bij degenen die zich wel goed probeerden te informeren, had je grote verschillen in voorkennis en in het soort bronnen die ze raadpleegden. Ten slotte was er een groot verschil in de waarde die men hechtte aan gezondheidsrisico’s enerzijds en bewegingsvrijheid anderzijds. Dát verschil had weinig met belangen te maken want veel van mijn Facebookvrienden behoren tot dezelfde generatie, en dus vaak tot dezelfde risicogroep.
     Het uitwerken van een algemene gedragslijn werd, in het licht van al die verschillen, een hele klus. Ze kwam tot stand met vallen en opstaan, geholpen door politieke compromissen, rechterlijke uitspraken, raadpleging van specialisten, drammerige berichtgeving in de media en straatprotest. Er kwamen regels, en boetes voor wie die regels overtrad, te streng voor de enen, te slap voor de anderen. 

     ’t Was natuurlijk een systeem van dwang, en volgens Ypi is onder het communisme geen plaats voor dat soort dwang. Ofwel zou iedereen spontaan ‘het goede’ doen, ofwel zou men in overleg uitmaken wat ‘het goede’is. Maar wat ís hier ‘goed’? Gezondheidsrisico’s vermijden is goed, maar dat iedereen zich vrij kan bewegen is ook goed. Hoe moet ik mij dan een overleg à la Ypi voorstellen? Wordt dat geregeld op plaatselijk niveau, in een wijkcomité? Ik kan mij een beetje voorstellen wie daar het langst en het vaakst aan het woord zullen komen. En hoe worden de wijkbeslissingen dan nationaal en internationaal gecoördineerd? En vervolgens: hoe worden ze afgedwongen als er geen politie is? Wordt het dreigement van de boete dan vervangen door dat van sociale controle, roddel en uitsluiting? Of worden de collectief gemaakte afspraken onder het communisme vanzelf een onderdeel van het persoonlijk geweten?

    Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer het ideale communisme op mij overkomt als een maatschappij waar repressie is vervangen door sociale druk ván iedereen óp iedereen. Niet de politie controleert of je misschien geen verboden barbecue organiseert, maar de buurman kaart het aan op de eerstvolgende bijeenkomst van het wijkcomité. Dan heb ik de zaken nog liever zoals ze nu zijn, met een beetje dwang hier, een beetje gewetensvrijheid daar, een scheut burgerzin als het kan, een boete als het nodig is, flink wat door de traditie ingegeven gewoontes waar je niet bij moet nadenken, en liefst veel soevereine beslissingen waar ik geen verantwoording over moet afleggen, maar waar ikzelf de gevolgen van draag. Dat ik dan afhang van de soevereine beslissingen van anderen met wie ik vriendschappelijke, sociale, professionele of commerciële relaties aanga, dat vind ik niet zo erg. Als ik maar een beetje zelf kan kiezen met wie ik die relaties aanga.

     Karel van het Reve vertelt dat zijn leermeester Jacques Presser veel sympathie had voor de door het communisme geïnspireerde studentenopstand die ‘inspraakorganen’ eiste. Toen die inspraakorganen er kwamen, verklaarde hij zichzelf ‘permanent verhinderd’ om eraan deel te nemen. Ik volg Presser.

 

* Het eerste stadium van het communisme is, in de geest van Marx en Lea Ypi, de ‘dictatuur van het proletariaat’. Zie mijn stukjes hier en hier.

** Mises betoogde dat gemeenschappelijk bezit van bedrijven niet verenigbaar is met een heel hoge productie; Hayek liet zien dat centrale planning en vrijheid niet goed samengaan. Zelf zie ik een tegenstelling tussen geluk en opgelegde polyvalentie. Hoe meer ik mij kon specialiseren in mijn beroep (leraar) en vak (Nederlands), hoe gelukkiger ik was. Als ik daarnaast ook nog eens pijpleidingen had moeten lassen in de woestijn of onder water, zou mij dat zeker niet gelukkiger hebben gemaakt.

*** Lea Ypi veronderstelt dat de conflicten redelijker worden, omdat de conflicten niet meer voortkomen uit verschillende ‘belangen’. Maar verschillen in opvattingen en waarden leiden in mijn ervaring tot minstens even emotionele conflicten als die over ‘belangen’.
**** Onder het kapitalisme bestaat dat soort comités en vergaderingen ook. Het vreselijke aan het communisme lijkt mij dat ze ook echt iets te beslissen zouden hebben.

*****Er waren met betrekking tot corona ook grote verschillen in omstandigheden. Wie op een klein appartementje woonde, leed meer onder een quarantaine-regeling dan wie een landhuisje bewoonde aan de rand van een bos. Een bloeiende handelszaak zag haar inkomsten dalen, maar een noodlijdende zaak genereerde door subsidies een hoger inkomen. Die verschillen laat ik hier onbesproken omdat ze par hypothèse onder het communisme niet zouden bestaan. 

vrijdag 2 september 2022

De communistische heilstaat en de kneedbare mens


     Marxisten, en gewezen marxisten zoals ik, weten dat de dictatuur van het proletariaat, in zijn loodzware stalinistische vorm, of in de academische light versie van de ravissante, of in elk geval fotogenieke, Lea Ypi, slechts een tijdelijke toestand is*. Bij de Romeinen duurde een dictatuur gewoonlijk de vooraf afgesproken zes maanden, en werd daarna de oude republikeinse orde hersteld. De dictatuur van het proletariaat duurt langer, want die moet geen oude orde veilig stellen, maar een nieuwe scheppen, en ondertussen de nostalgici onder controle houden. Dat vraagt meer tijd. Hoeveel? Ypi spreekt, in navolging van Friedrich Engels, van de duur van een generatie, waarna een ‘generational change takes care of the epistemic effects of class conflict.’ 
     Maar een generatie van laat ons zeggen 25, 30 jaar is wat aan de magere kant. Een jonge telg uit een kapitalistisch geslacht kan zijn hele leven lang blijven dromen van de badkamer met gouden kranen van zijn jeugd. Je neemt dus best een periode van minstens 70 jaar zodat die telg zeker dood of seniel is op het ogenblik dat de dictatuur wordt beëindigd. 70 jaar om de kapitalistische mentaliteit er volledig uit te stampen, dat lijkt voldoende**. In Rusland heeft men bewezen dat het kan, met, zoals dat heet, alle gevolgen van dien: een fatsoenlijk kapitalisme komt er niet van de grond.  In Polen, Hongarij en Tsjechië werkt dat kapitalisme wel, wat bewijst dat 45 jaar oostblokregime onvoldoende is om de weg terug onmogelijk te maken.
     En wat komt er na de tijdelijke toestand van 70 jaar proletarische dictatuur?  Ook dat weet elke marxist, gewezen of niet – en eigenlijk ook iedereen die de coronatijd en de triomf van Frank Vandenbroucke heeft meegemaakt. Dan komt het Rijk der Vrijheid.  Ook de minuscule vormen van onderdrukking die burgerlijke nostalgici onder de light versie van de proletarische dictatuur ondervonden, verdwijnen. Mensen die terugverlangen naar het kapitalisme moeten zich niet meer onderdrukt voelen: ze bestaan niet meer. Je zou de nieuwe toestand een communistische heilstaat kunnen noemen, maar het is nog beter: de staat zelf bestaat niet meer, en zeker niet als repressief apparaat.  Politieke dissidenten zijn er niet meer en er is amper nog misdaad. Ypi haalt er de jonge Marx bij die in 1845 schreef dat in de echte menselijke maatschappij alles anders wordt. ‘De misdadiger ziet in zijn medemens slechts zijn natuurlijke bevrijder van de straf die hij zichzelf oplegt.’ Hier raak ik een beetje de draad kwijt, want mijn kennis van de dialectische methode is wat roestig.
    In de communistische maatschappij, schrijft Ypi, gedraagt iedereen zich netjes zonder daarbij gedreven te worden ‘door angst voor straffen of begeerte naar beloningen’; wetten zijn eigenlijk niet meer nodig; alle ‘structurele’ redenen tot conflicten zijn verdwenen, de mensen zijn voorgoed bevrijd van ‘materiële noden’ en van de ‘concurrentie voor macht en erkenning’. 
     Het klinkt allemaal utopisch en dat is begrijpelijk want het artikel is geschreven voor een conferentie over ‘utopie in de politiek’. Maar Ypi lijkt haar utopie toch als realiseerbaar en realistisch voor te stellen***. Ze vergelijkt haar ideale samenleving met de ‘well-ordered society’ van Rawls. De hare is ambitieuzer, en kan het, in tegenstelling tot die van Rawls, dus zonder repressie stellen. Rawls van zijn kant denkt dat het altijd nodig zal zijn om duidelijke wetten af te kondigen, en met straffen te zwaaien om mogelijke wetsovertreders af te schrikken en om brave burgers een veilig gevoel te geven. Rawls noemt dat ‘a permanent fact of life, or seems so.’
     Ypi vindt dat Rawls zich hier bezondigt aan de ‘reification of human nature’. Ze vindt het ‘pervers’ te geloven dat mensen zich in een volledig communistische maatschappij nog altijd zouden misdragen. Mocht dat toch nog gebeuren, dan zou het op een oneindig veel kleinere schaal zijn. ‘Een goed geordende maatschappij die voor echte vrijheid zorgt,’ schrijft Ypi, ‘ kan de houding van mensen, hun pyschologische aanleg, hun gevoelens van wederzijds vertrouwen en solidariteit sturen in een richting die wij nu niet kunnen anticiperen.’ Ondertussen heeft ze met haar woordkeuze aangegeven welke richting zij zélf anticipeert. 
    De brave, optimistische Rawls wordt  verweten een ravenzwart Hobbesiaans wereldbeeld aan te hangen, waarin elke mens oorlog voert tegen elke andere mens.  Maar dat klopt niet. Zoals de meeste liberalen vertrekt Rawls van een mensbeeld dat noch volledig goed, noch volledig slecht is. Veel van die liberalen geloven dat materiële en culturele vooruitgang kán leiden tot morele vooruitgang.**** Het is aan marxisten als Ypi gegeven om te geloven dat één generationele omslag voldoende is om een mens in het leven te roepen, die helemaal anders is dan degene die beschreven wordt in de wereldliteratuur, van het Gilgamesj-epos over de Goddelijke komedie van Dante en de Menselijke komedie van Balzac, tot, laat ons zeggen de laatst verschenen Houellebecq*****.
     Godwin voorspelt dat in elke politieke of morele discussie op het internet vroeg of laat de naam van Hitler opduikt. Mijn eigen ervaring is dat in elk beschaafd gesprek over het communisme, weze het op café, bij vriendenbezoek of op een familiefeestje, vrij snel het woord ‘menselijke natuur’ opduikt. Ik heb over die menselijke natuur mijn mening, maar ik probeer mij buiten de discussies te houden. Dat de menselijke natuur in enkele generaties grondig kan veranderen geloof ik niet, maar ik kan die mening niet bewijzen en ik zal er zeker niemand mee overtuigen die wel in een meer kneedbare mens gelooft. Dat anderzijds de menselijke natuur niet geschikt is voor het communisme geloof ik wél, maar ik zeg dat niet graag hardop. Dan zou het lijken alsof ik dat communisme een weliswaar onmogelijk maar toch hoogstaand ideaal is. En dat vind ik eigenlijk niet.

 

* Zie mijn stukjes hierhier en hier.

** De kapitalistische mentaliteit krijg je er op 70 jaar misschien uit de nieuwe mens. Maar als je er ook alle egoïsme uitkrijgt, is een andere vraag.

*** Als de communistische utopie niet realiseerbaar is, vervalt een belangrijke schakel in de redenering van Ypi. Dan is haar dictatuur immers niet meer tijdelijk.

**** Zie voor een zorgvuldige redenering in dat verband: Steven Pinker, The Better Angels of Our Nature.

***** In de Albanese versie van het communisme nam het  begrip ‘Nieuwe Mens’ een nogal centrale plaats in.

donderdag 1 september 2022

Moet er nog dictatuur van het proletariaat zijn?


      Naast charmante mémoires heeft Lea Ypi* ook taaiere publicaties op haar naam, die in geleerde filosofische tijdschriften verschijnen. Een ervan draagt als titel: ‘Democratic Dictatorship: Political Legitimacy in Marxist Perspective.’ Het is geen artikel dat een schokgolf zal veroorzaken in de wereld van de politieke filosofie. Daarvoor is het, geloof ik, niet origineel genoeg. Het meeste van wat erin staat, was mij als twintigjarige marxist-leninist al min of meer bekend. Ook past het niet in een van de huidige mode-stromingen. Het is al zeker niet ‘woke’. Op één plaats verdedigt Ypi het concept van de proletarische dictatuur door die in een gedachte-experiment te vergelijken met een ‘welwillend kolonialisme’. ’t Is moedig hoor, maar ook een beetje wereldvreemd; het zal haar niet veel credits opleveren, vrees ik.
     Vergeleken met de marxistische geschriften die ik vijf decennia geleden las, is Ypi’s essay een wonder van beschaving. Ze citeert afwijkende meningen zonder de vertolkers ervan uit te schelden. Ze citeert Marx zonder uit dat citaat een gezagsargument te puren. En ze probeert niet eindeloos zichzelf en anderen te herhalen. Verder schrijft ze zoals men nu eenmaal schrijft in een geleerd filosofisch tijdschrift. Ze bakent haar onderwerp af, analyseert begrippen, citeert en becommentarieert klassieke auteurs, toont zich min of meer op de hoogte van de recente vakliteratuur, en als het nodig is introduceert ze nuances die zo subtiel zijn dat ik ze onmiddellijk nadat ik ze gelezen heb weer vergeet.
     In haar inleiding schrijft Ypi: ‘Those who disagree with the core of Marx’s theory … or who maintain that there is in fact no superior (or more just) alternative to capitalist relations, will find very little of interest in the following pages.’ Die voorspelling gaat zeker op voor mijzelf. Ik vind kapitalistische relaties – ‘capitalist acts between consenting adults**’ –  inderdaad superieur en rechtvaardiger dan die van een staatseconomie. De vraag ‘how to conceptualise the transition’ van een beter naar en minder goed systeem, waar Ypi’s stuk over gaat, boeit mij op zich inderdaad niet zo erg. Liever discussieer ik over de redenen om het ene systeem beter te vinden dan het andere. Maar ’t is Ypi haar tekst, en ik gun haar de vrijheid om zelf haar onderwerp te kiezen.
     Ik schrijf dat laatste met enige ironie want precies over de vrijheid om te kiezen, of ten minste over het principe ervan, verschillen Ypi en ik erg van mening. Zij maakt ‘in de radicale traditie van Macchiavelli, Rousseau, Kant en Hegel’ een verschil tussen ‘ogenschijnlijke vrijheid’ en ‘authentieke vrijheid’. Ik ben dan altijd bang dat men in naam van de ‘authentieke vrijheid’ de ‘ogenschijnlijke vrijheid’ wil beperken of afschaffen. Vrijheid is volgens Ypi ‘ogenschijnlijk’ als ze zich beperkt tot vrijheid van keuze, terwijl ik die vrijheid van keuze al heel wat vind. Van ‘authentieke vrijheid’ is volgens Ypi alleen sprake als beslissingen worden genomen door mensen die ‘vrij zijn van vrees, behoefte, vooroordeel, partijdigheid en manipulatie.’ Op díe vrijheid zouden we wel eens lang kunnen wachten. Tenzij er natuurlijk een hogere instantie is die bepaalt wanneer men partijdig is en wanneer niet, waaraan men behoefte mag hebben en waaraan niet, waarvoor men vrees mag koesteren en waarvoor niet, welke meningen vooroordelen zijn en welke niet, welke praktijken manipulatie inhouden en welke niet. 
     In elk geval, wie op school of ergens anders enige leesvaardigheid heeft ontwikkeld, voelt al waar Ypi naar toe wil: de dictatuur van het proletariaat is een manier om de ‘authentieke vrijheid’ te verwezenlijken, misschien niet helemaal, maar toch in grote mate. ’t Is in elk geval een stap in de goede richting naar die vrijheid.
     Ypi’s betoog rust op twee grondgedachten: de dictatuur van het proletariaat is nodig, en de dictatuur van het proletariaat is niet zo erg als het woord laat vermoeden. Om dat ‘nodig’ te begrijpen moeten we ons eerst, zij het tijdelijk, laten doordringen van de gedachte dat een ondernemerseconomie berust op uitbuiting***. Dan krijg je in de maatschappij drie groepen die het klassieke marxisme de kapitalisten (de uitbuiters), het proletariaat (de uitgebuiten) en de kleinburgerij (noch uitbuiters, noch uitgebuiten) noemt. Ypi beseft de noodzaak om haar terminologie wat te moderniseren – zo wereldvreemd is ze nu ook weer niet – en ze spreekt van winners, losers en bystanders. Als nu haar wens uitkomt en het smerige laken van de uitbuitersmaatschappij komt in een revolutionaire wasmachine en komt er als stralend-wit weer uit (ossenbloedrood eigenlijk, maar je begrijpt wat ik bedoel) dan rest er op dat laken nog een vuile vlek van vroegere winners, lui die hun voordelen zijn kwijtgeraakt, die zich dus ‘onderdrukt’ voelen, en die het eigenlijk, vanuit hun standpunt, ook zijn. Díe onderdrukking, dat is ‘de dictatuur van het proletariaat’. 
    Is het maar dat, vraagt de lezer zich af, wat afgeschafte privileges? Nee, niet helemaal. De oude, onrechtvaardige maatschappij heeft ook een ‘epistemische onrechtvaardigheid’ veroorzaakt. Dat is een geleerd neologisme ter vervanging van oude boerse termen zoals ‘vals klassenbewustzijn’ enzovoort. Het komt hierop neer dat er naast de minuscule groep van ex-winners die écht iets verloren hebben in de nieuwe orde, nog andere mensen zijn die dénken dat ze iets verloren hebben. Dat moeten dan vooral bystanders zijn****. Ook zij willen de oude orde terug, maar dat gaat niet.  En ook die mensen voelen zich dus onderdrukt, zoals een klein kind dat zijn zin niet krijgt zich eveneens onderdrukt voelt. En wat moet er met die groep gebeuren? Dat is het mooie: niets eigenlijk.
     Hier begint de tweede grondgedachte van Ypi: de dictatuur van het proletariaat is zo erg niet als de term laat vermoeden. Die ‘dictatuur’ moet niet letterlijk worden opgevat. Ze kan immers verwezenlijkt worden met behoud van de oude democratische en politieke vrijheden. Ypi hoopt op een scenario waarin ‘the revolutionary political order … exercises that power without suppressing existing freedoms (e.g. the freedom to vote, to associate or to express one’s opinions) as Marx and Engels emphasized*****.’ Dat is mooi. Helaas werkt Ypi die gedachte niet uit. Ik doe het dan maar zelf.
     Als ik het goed begrepen heb, is er onder Ypi’s proletarische dictatuur volledige politieke vrijheid. De oude elite van winners mag zich dus met een groepje bystanders verenigen in een neoliberale partij en haar boodschap verkondigen. Daarmee brengt ze de nieuwe orde niet in gevaar. Ze zal immers geen aanhang vinden bij de ‘vast majority’ van vroegere losers die tijdens hun politieke strijd ‘epistemic insight’ hebben verworven – hier flirt het neologisme met de tautologie vrees ik, want hoe niet-epistemisch inzicht eruit ziet, weet ik niet. Verder is er geen beletsel om vrije verkiezingen te organiseren. Een neoliberale partij kan alleen stemmen halen bij mensen die ‘zelfzuchtig, onwetend of immoreel zijn, of een combinatie van die drie’, aldus Ypi. Mensen zoals ik dus, en die vormen, gelet op Ypi haar mensbeeld, alweer een kleine minderheid. Zo’n neoliberale partij is gedoemd tot een marginaal bestaan en het is niet eens de moeite om haar te ondrukken. 
       Heb ik Ypi goed begrepen? Zou een neoliberaal als ik – of zoals Ypis moeder – onder de proletarische dictatuur nog politieke vrijheid genieten, of is die voorbehouden voor partijen en strekkingen die de nieuwe orde gunstig gezind zijn? Zinsneden als ‘fundamental break with the previous constitutional order’ stellen mij niet gerust. En dan schrijft Ypi nog iets dat mij zenuwachtig maakt: ‘Bias and resentment risk undermining citizens’ capacity to endorse the new political authority.’ Dat suggereert de mogelijkheid van een grotere weerstand tegen de nieuwe orde dan die van een kleine groep geprivilegieerde winners en bystanders. Misschien heeft de ‘vast majority’ dan toch onvoldoende ‘epistemic insight’ verworven vooraleer ze aan de macht kwam. En als de weerstand tegen de nieuwe orde groter is dan ingeschat, dan wordt het argument voor een échte dicatoriale onderdrukking – in de gewone betekenis van het woord – ook sterker. 
     Het zou allemaal duidelijker zijn geweest als Ypi, naast commentaar bij een paar zinnetjes van Marx en Engels, ook wat had geschreven over de duizenden bladzijden die Lenin, Stalin, Mao Zedong en Enver Hoxha aan het begrip ‘dictatuur van het proletariaat’ hebben gewijd – om van de daarmee samenhangende praktijk maar te zwijgen******. Ze koos ervoor om het niet te doen. Het zij zo.  

 

* Zie mijn stukjes hier en hier.

** De geestige formulering is van Robert Nozick.

*** Er wordt uitdrukkelijk in het midden gelaten of die uitbuiting afhankelijk is van de controversiële marxistische meerwaardetheorie.

**** Ypi geeft als voorbeeld de oude ‘administrative, and political elites who are not directly oppressed and are therefore ideologically blind to the scale of injustice’. Hier zie je duidelijk de nadelen van haar nieuwe terminologie. Zulke ‘elites’ zouden in normaal taalgebruik echt wel bij de winners worden gerekend. Net zoals in een normaal taalgebruik en een normale analyse de losers geen vast majority vormen, maar eerder een, eventueel omvangrijke, minderheid. Terwijl het moderne begrip ‘middle classes’ juist wel een meerderheid in de samenleving beschrijft.

***** Niet alleen Marx en Engels wilden die politieke vrijheden behouden, ze stonden ook ingeschreven in de stalinistische grondwet van 1936, wat een pijnlijk contrast opleverde tussen theorie en praktijk.

****** Marxisten van de brave soort vinden dat in Rusland, China enzovoort men te snel heeft geprobeerd het socialisme in te voeren. De wrede dictaturen waren daar het gevolg van.