Geweld op school
Als kind heb ik niet váák gevochten, maar het gebéurde wel. Heel soms kon ik mij in mijn eer gekrenkt voelen, en dan werd ik onredelijk boos. Het is mij de laatste keer overkomen toen ik een jaar of negentien was en in een textielfabriek werkte. De jongen die naast mij stond had mij een keer te vaak gepest, en we lagen rollend over de vloer. Vrijdagmiddag werden we allebei op het kantoor geroepen en werden we ontslagen voor ‘zwaarwichtige reden’. Ik stel mij voor dat vechtende arbeiders in de 19de eeuw minder streng werden aangepakt.
Maar als kind heb ik dus weinig gevochten. Ik heb één keer – ik was een jaar of twaalf – met een vijand afgesproken na school en kreeg toen een vuistslag in mijn gezicht waar ik erg van schrok. Eigenlijk hield ik niet van al dat vechten, en ik was blij dat er een einde aan kwam na het derde middelbaar. Dat was een hele opluchting. Daarvóór werden vechtpartijen min of meer getolereerd. Leerkrachten kwamen tussen, maar het was niet iets waarvoor je straf moest schrijven. Ook van de leerkrachten zelf werd toen iets meer getolereerd. De meesters in de basisschool gaven stoute kinderen wel eens een schop voor de kont en in de eerste jaren van het middelbaar had je leraren die met een bordenwisser of met een sleutelbos gooiden. Dat kon toen allemaal.
Er is echter veel veranderd met de vervrouwelijking van het onderwijs. Geweld werd een teken van toxische mannelijkheid. Het kwam in de sfeer terecht van wat politiek niet correct was*. Ouders spraken een kind dat gevochten had streng toe, in plaats van het enkele nuttige tips te geven waardoor het in een volgende vechtpartij als winnaar kon tevoorschijn komen. Daardoor werd nultolerantie voor geweld op school de regel. Maar die regel is volgens mij ook voor politiek correcten niet lang meer vol te houden. Boys will be boys, vooral, naar het schijnt, als het om allochtonen gaat.
We mogen ons, geloof ik, aan een heropleving van de tolerantiecultuur verwachten. De politiek correcten zullen zich moeten neerleggen bij redeneringen zoals Frank D’hanis die ontwikkelt. Hij heeft het in een recente FB-column over leerkrachten die gepest worden door leerlingen, en hij merkt om te beginnen op dat slechts 10 procent van hen minstens één keer per maand te maken krijgt met “fysiek geweld, bespuwen, imitatiegedrag en verbale agressie”. Een en ander moet dus ‘behoorlijk genuanceerd’ worden. En als marxist heeft hij daarnaast een klasse-analyse klaar:
We mogen nooit vergeten dat leerlingen geen volwassenen zijn, en dat ze niet altijd vanuit hun gezinssituaties meekrijgen hoe je best met conflict en frustratie kan omgaan. Dat geldt trouwens voor alle klassen en origines, al is er in elke groep wellicht een favoriete verschijningsvorm van agressie. Bij de kinderen met emotioneel geconstipeerde zogezegde hogere klasse ouders zie ik bijvoorbeeld veel passieve agressie en stiekem gedrag. Persoonlijk word ik liever in mijn gezicht ‘klootzak’ genoemd.
Dat laatste voel ik anders aan. Ik heb liever dat een leerling in de klas wat passief agressief gedrag vertoont dan dat hij zijn lerares hardop een ‘hoer’ noemt. Binnensmonds is beter. In ruzies ben ik zelf overigens ook wel eens passief agressief. Maar verder heb ik alle respect voor het begrip van D’hanis. Hij pleit voor idealisme, liefde en herstel. Hij vertelt van een lerares die door een trap van een leerling haar arm brak, maar daarna de relatie met de geweldenaar herstelde door samen met hem cupcakes te bakken. Dat is mooi. Maar had de geweldenaar de arm van een medeleerlinge gebroken, dan zou ik er als leraar toch op aangedrongen hebben om die jongen buiten te gooien. ‘Mercy to the guilty,’ zei Adam Smith, ‘is cruelty to the innocent.’
Is er een oplossing voor de onveiligheid en het geweld op school? D’hanis komt in elk geval snel uit bij zijn bekende recept: meer middelen, het mag iets kosten. Zuhal Demir moet zorgen voor kleinere klassen, meer personeel, meer OKAN-vervolgschoolcoaches en meer levensbeschouwelijke leerkrachten. Het leukste vond ik dat D’hanis in zijn inleiding zelf iets denigrerends gezegd had over een levensbeschouwelijke leerkracht die voor coach speelde. D’hanis was als 16-jarige leerling ooit fysiek bedreigd geweest, maar de directie had geweigerd de politie in te schakelen. Zijn vader had het moeten oplossen.
De school deed de hele tijd quasi niks. Ik geloof dat ze één keer een leerkracht godsdienst afgevaardigden om een gesprek te gaan voeren in de zesde kantoor, waar mijn bedreigers zaten. Die was van het ‘coole’ type leerkracht, met een gitaar en CD’s van Bryan Adams. Ik stel me voor dat hij omgekeerd op een stoel ging zitten en ze aansprak als “homies”. Zijn interventie bracht niks op, uiteraard.
Maar hoe kan D’hanis garanderen dat het extra personeel dat Demir in dienst moet nemen het veel beter zal aanpakken? Misschien gaan die herstelcoaches ook wel omgekeerd op hun stoel zitten en spreken ze kinderen die behept zijn met eigen ‘favoriete verschijningsvormen van agressie’ aan als ‘homies’. Dan is het allemaal een maat voor niets.
* Geweld als niet politiek correct: zie over die kwestie ook mijn stukje hier
Sociologische studies en de thuistaal
In De Standaard verscheen een opiniestuk van vier experts, waaronder Wouter Duyck en Dirk Van Damme, over de vraag of de thuistaal van migrantenkinderen moest worden ingezet in het onderwijs. De vier experts vonden dat géén goed idee. Andere experts, taalsociologen bijvoorbeeld, denken daar anders over. Ze halen studies aan die het succes van thuistaalonderwijs documenteren. Maar, schrijven Duyck en co, die studies zijn niet toepasbaar op onze superdiverse klassen. Ze gaan bijvoorbeeld over Mexicaanse migrantenkinderen in de VS waar kinderen in het Engels en het Spaans onderwezen worden door perfect tweetalige leerkrachten. Conclusie: ‘Dat is in geen enkel geval bruikbaar in Vlaanderen, waar je van leraren niet kunt verwachten de vijftien thuistalen in de klas te beheersen, een voorwaarde voor dat succes.’
Zonder dat te weten van die Mexicaanse kinderen had ik de taalsociologische studies ook niet geloofd*. Sociologie is maar een halve wetenschap. Ze is in staat om de conclusies van ons gezond verstand te bevestigen of te nuanceren, maar niet om ze, zoals de fysica, tegen te spreken. Ik zal nooit veel geloof hechten aan een sociologische studie die huis-tuin-en-keuken logica tegenspreekt. Ik zal er mijn mening niet door omgooien, maar hoogstens, na zelfonderzoek, wat bijstellen. Of het zou moeten gaan om héél grootschalig onderzoek dat op héél transparante wijze tot héél dwingende conclusies leidt.
Bij de economische wetenschap is dat anders. Het gezond verstand vertelt ons dat een land rijk is als het veel goud in de schatkist heeft, of meer uitvoert dan het invoert. Adam Smith toonde aan dat dat niet zo was. Het gezond verstand vertelt ons dat een land niets moet invoeren wat het zelf beter kan produceren. Ricardo toonde aan dat dat niet altijd opgaat. Het gezond verstand vertelt ons dat een ordelijk geleide economie beter functioneert dan de chaos van de vrije markt. Mises toonde aan dat het omgekeerd was.
Laatst vond ik in de mémoires die Gérard Roland op substack publiceert een treffende illustratie van dat verschil tussen economie en sociologie. Roland heeft intensief bestudeerd hoe de overgang van socialisme naar kapitalisme verliep in Oost-Europa en China. Het is op zich niet erg logisch dat de invoering van de vrije markt in het ene geval tot economische groei, en in het andere geval tot economische achteruitgang leidt. Als econoom slaagde Roland erin om verfijnde modellen uit te werken die dat verschil verklaren. Die modellen, daar zou ik nooit opgekomen zijn.
Maar na 20 jaar modelbouw wilde Roland eens iets anders proberen. Hij wilde zijn geluk proberen met empirische studies die een meer sociologische methodiek vergen. Zo wou hij weten wat de voorwaarden waren voor het ontstaan van ondernemerschap. Welk soort mens werd een ondernemer? Welk soort mens werd een succesvol ondernemer? En wat bleek uit zijn uitgebreid onderzoek? Vooral kinderen van ondernemers werden ook ondernemer. En vooral slimme ondernemers waren succesvol. Beroepskeuze was gelinkt aan familie en succes was gelinkt aan intelligentie. Had Roland het tegenovergestelde ontdekt, dan had ik moeite gehad om hem te geloven.
‘We found no smoking gun,’ schrijft hij. Precies. Sociologische studies die wel een ‘smoking gun’ vinden zijn verdacht. Om nog te zwijgen van psychologische studies, waar ‘smoking guns’ schering en inslag waren tot de replicatiecrisis van 2015 iedereen weer met beide voetjes op de grond zette.
* Ik heb in het verleden al enkele stukjes gewijd aan de ‘thuistaal’-kwestie. Zie o.a. hier, hier, hier en hier.





