A Star is Born (1954)
De Hollywood-film met de meeste remakes is geloof ik A Star is Born: 1937, 1954, 1976 en 2018. Je zou kunnen denken aan The Front Page: 1931, 1948, 1970, 1974, die dan ook nog eens onder twee andere titels is uitgekomen: His Girl Friday (1940, grappigste film aller tijden) en de heel vrije bewerking Switching Channels (1988). Maar The Front Page is een verfilmd toneelstuk, dat is een categorie apart. En als we ook verfilmde romans en stripverhalen zouden opnemen, werd de lijst eindeloos.
Dus: A Star is Born. Het is een mooi melodramatisch gegeven. Een oudere, aan lager wal geraakte zanger of acteur, ontdekt een jonge, talentvolle zangeres of actrice. Ze trouwen. Het kan niet goed aflopen. Hoe groter het succes van de zangeres of actrice, hoe dieper de has-been onder zijn neergang lijdt.
Op IMDB kan ik de scores nagaan die het publiek (op 10) en de recensenten (op 100) gaven aan de verschillende versies*.
- 1937 (Janet Gaynor, Fredric March): 7,3 - 77
- 1954 (Judy Garland, James Mason): 7,5 - 89
- 1976 (Barbara Streisand, Kris Kristofferson): 6,1 - 59
- 2018 (Lady Gaga, Bradley Cooper): 7,6 – 88
De scores lopen grotendeels gelijk, maar die van het publiek zijn meer afgevlakt. Komt dat door de wet van de grote getallen? In elk geval moeten we onthouden dat het niet dezelfde recensenten en niet hetzelfde publiek is dat de scores heeft toegekend. De meeste recensenten die in 1954 over Judy Garland schreven - zoals Pauline Kael - waren al overleden toen in 2018 de Lady Gaga-film uitkwam. En het hedendaagse publiek dat in Lady Gaga geïnteresseerd is, is niet hetzelfde publiek dat zich vandaag nog voor Judy Garland interesseert.
Ik heb drie van die versies enkele jaren geleden kort na elkaar gezien. Van die van 1937 heb ik onthouden dat Fredric March een heel mooie man was. Van die van 2018 herinner ik mij alleen de beginscène. Van die van 1976 was ik een maand nadien alles al vergeten, alhoewel ik mij vaag een huiskamerdecor meen te herinneren.
En nu heb ik eergisteren de Judy Garland-versie gezien, dankzij Amazon-Prime. De regisseur is George Cukor: niet de eerste de beste. De film begint met een breed gefilmd society event in Hollywood. Cinemascope, technicolor, grootse mise-en-scène. Maar dan krijgen we enkele vaudeville-optredens te zien. Ik vind zulke scènes bijna altijd vervelend. En vanaf dan was er nog veel meer dat tegenviel: alles wordt heel uitdrukkelijk verteld, de choreografie bij de muzikale nummers is ongeïnspireerd; af en toe zijn er treffende beeldcomposities maar de achtergrondmuziek is oubollig; Judy Garland is een beperkte actrice ,en als ze zingt werkt haar gestiek op de zenuwen. Mason is natuurlijk een groot acteur, maar ik hou niet van zijn gezicht noch van zijn stem. Ten slotte is er nog de melodramatische villain, public relations manager Libby, die een onsympathieke, jaloerse intrigant is. In films zie ik liever sympathieke intriganten.
Maar ik had de televisie amper uitgezet, of daar zette zich het reëvaluatieproces in. Ik zag de scènes weer voor mijn ogen verschijnen. De oscar-uitreiking, de slotwoorden, Garland die een liedje zingt in een kleine club, zomaar, nadat alle klanten de zaal verlaten hebben en alleen de muzikanten nog aanwezig zijn, Mason die rondloopt in een feestzaal op zoek naar vrouwelijk gezelschap, de meevoelende studiobaas die Mason bezoekt in een rehabilitatiecentrum, Libby die beteuterd kijkt als hem met enig medelijden wordt duidelijk gemaakt dat hij er niets van begrepen heeft. Ik denk dat ik mij sommige van die scènes binnen enkele jaren geleden nog zal herinneren. Een nadrukkelijke vertelling heeft ook zijn voordelen.
* Er is vastgesteld dat respondenten bij scores op 10 strenger quoteren dan bij scores op 100. Maar bij mijn weten zijn de scores op 100 van de recensenten een numerieke omzetting van een sterrenquotering.
Marlene Dietrich in Morocco (1930)
Mijn vader sprak altijd met het grootste respect over de film Morocco. ‘Van Josef von Sternberg!’ zei hij. De film kun je nu voor enkele euro’s huren bij Amazon-Prime. De scènes met marcherende legionairs duren wat te lang, maar Marlene Dietrich acteert heel delicaat, Adolphe Menjou als begripvolle liefdesriveaal doet je even vergeten dat hij de moreel corrupte generaal is in Paths of Glory, en Gary Cooper … wel, als je Gary Cooper bent, maakt het niet zoveel uit hoe je acteert.
Het eerste lied dat Dietrich in de film zingt, vond ik maar niets. Maar de Apple Song was ontroerend, pikant en grappig tegelijk, ook al door de heftig met zijn armen zwaaiende dirigent. De scène erna is ook boeiend, omdat er met de appelverkoop een heel specifiek verdienmodel is gemoeid – de appels worden verkocht aan exorbitante prijzen omdat de kopers uit een soort opschepperige welwillendheid meegaan in de illusie dat ze iets ánders kopen. De tekst van het lied is duidelijk Pre-Code. Na 1934 zouden die pikanterieën in Hollywood niet meer toegelaten zijn. Het eerste deel van de song zie je hier.
Love and Death (1975)
Love and Death van Woody Allen heb ik gezien toen de film uitkwam, en daarna misschien nog twee keer. De laatste keer was geloof ik 45 jaar geleden. Ik heb de film nu opnieuw gezien en ik herinnerde mij ongeveer alles. Alleen Annie Hall (1977) herinner ik mij nog beter. Maar ook van Love and Death kon ik bijna elke zin, elk gebaar, elke gelaatsuitdrukking, elk decor anticiperen. Alleen het gesprek tussen Diane Keaton en de oude pope (‘your Grubbiness’) stelde ik mij voor in de open lucht. Het vond plaats in de kerk.
Binnen het oeuvre van Woody Allen behoort Love and Death tot de ‘early funny ones’, een uitdrukking die mij bijgebleven is uit Stardust Memories (1980), en waar ik alle films bij reken vóór het meesterwerk van 1977.
Van Allens parodie op Oorlog en Vrede herinner ik mij trouwens niet alleen de inhoud en de vorm: ik herinner mij ook nog wat ik 50 jaar geleden bij de film vóelde: onder andere de schaamte omdat ik zoveel plezier beleefde aan de flauwe grappen. Dat gevoel is vandaag nog altijd hetzelfde. De leukste scène vond ik toen én nu de veldslag omdat daar de cinematografie van Bondartsjoek niet alleen inhoudelijk werd geparodieerd maar ook stilistisch werd gepasticheerd. In het register van de pastiche heeft Allen later nog veel mooie dingen gedaan.
Alice and Steve (2026)
De lof van Sam De Wilde voor de televisieserie Alice en Steve (DS 17/6) is terecht. Alice is een carrièrevrouw en haar beste vriend Steve is een kapper die beroemdheden onder zijn klanten heeft. Het loopt fout als Steve een relatie krijgt met de 26-jarige dochter van Alice. De Wilde: ‘Net wanneer de soms wel erg zwarte humor een tikkeltje te donker of venijnig dreigt te worden, verrassen de makers met onverwachte opflakkeringen van oprechte tederheid.’ Dat is een mooie typering.
In een van de afleveringen leert Steve de vrienden van zijn jonge geliefde kennen. Alice is er ook bij en wrijft Steve een aantal van zijn vorige uitspraken onder de neus: dat Woody Allen, die nochtans van iets beschuldigd wordt, mooie films gemaakt heeft, dat het niet zeker is of recyclage wel echt werkt, en dat China het ook niet nauw neemt met de ecologie … De vrienden van zijn jonge geliefde reageren gechoqueerd en verontwaardigd. Kritiek op China vinden ze zelfs ronduit racistisch.
Als ik zulke scènes zie in een film, voel ik mij tegelijk bedreigd en machteloos. Bedreigd, omdat ik als boomer, in een onbewaakt ogenblik, dezelfde dingen zou kunnen zeggen als Steve; machteloos omdat die gechoqueerde vrienden zulke lieve sympathieke en verstandige mensen zijn, geen idiote, congenitale fanatici.
White Collar (2009-2014) en ’Allo ’Allo! (1982-1992)
White Collar is een nogal flauwe politiereeks waar ik op dode momenten, vóór de komst van Netflix, toch heel wat afleveringen van heb gezien. Onlangs zag ik heel toevallig de eerste aflevering van de reeks – de pilot. Die bevatte in vijftig minuten ongeveer alle verhaallijnen, tics, gimmicks en leidmotieven die dan daarna over zes seizoenen werden uitgesmeerd.
Dezelfde ervaring heb ik ooit gehad met de serie Allo, allo. Flauwe reeks, maar toch heb ik op dode momenten zeker 20 van de 85 afleveringen gezien, met altijd dezelfde grappen. Maar op een keer zag ik toevallig de pilot, en die vond ik onwaarschijnlijk grappig. Alle grappen die ik al twintig keer had gezien waren in die eerste aflevering onverwacht levendig en fris. Waarom eigenlijk?
Servant (2019-2023)
De serie Servant is te langdradig om alle seizoenen uit te kijken. Het stempel van Shyamalan en de inspiratie van Polanski zijn overal zichtbaar, tot in het dodelijk trage tempo toe. Maar het is knap gefilmd hoor, en Lauren Ambrose als geobsedeerde moeder speelt iets klaar dat ik nog nooit eerder gezien heb. Het personage is onsympathiek over de hele lijn, zonder daarom erg slecht te zijn. Ze is banaal, narcistisch, gevoelloos, ijdel, bazig, labiel, hysterisch en hypocriet. Ze heeft geloof ik geen enkele redeeming quality. En toch kijk je er geboeid naar, zonder je te ergeren. Er zit een nauwelijks merkbare ironie in haar portrettering die haar palatabel en zelfs interessant maakt.
The Mastermind (2025) en O Agente Secreto (2025)
Hoewel ík de films gekozen had, zijn het toch meer films voor mijn vrouw. Ik hou van een zekere voorspelbaarheid in de plot en in de emotionele opbouw, waardoor je beter kunt letten andere zaken zoals de vorm. Maar arthouse films als The Mastermind en O Agente Secreto werken zónder klassieke plotelementen. Ze laten niet zien wat je gewoonlijk ziet, en ze laten wel zien wat je gewoonlijk niet ziet. Je ziet gebeurtenissen, maar herkent geen verhaal. Dan ben je bent verplicht om op de vorm te letten. Dat vind ik meestal minder fijn.
Nuremberg (2025)
Nuremberg is een film voor wie wel al van Adolf Hitler, maar nog nooit van Hermann Göring of Julius Streicher gehoord heeft. Russell Crow is een degelijke, charismatische Göring. De film is een beetje dom door een teveel aan klassieke plotelementen. Men wil er een rechtbankdrama van maken, met een sluwe aanklager en een sluwe beklaagde. Göring herhaalt met een mengeling van overtuiging, cynisme en aplomb dat hij niet op de hoogte was van de Jodenuitroeiïng. De aanklager moet een list bedenken, iets als in A Few Good Men, waar Tom Cruise het zo moet aanleggen dat Jack Nicholson uiteindelijk in de rechtszaal roept: ‘You can’t handle the truth,’ en daarmee zichzelf verraadt.
De list in Nuremberg is kinderachtig voor iemand die iets van het nazisme afweet. De welbespraakte Göring houdt eerst goed stand. Maar dan is er een half clandestiene afspraak tussen de psychiater die Göring moet opvolgen en een van de aanklagers. Een groot geheim wordt geopenbaard. De aanklager komt te weten dat Göring nooit in het publiek afstand zal nemen van Hitler! In de rechtszaal blijkt dat die nieuwe informatie goud waard is. Het is de deus ex machina waardoor alles nog goed komt, behalve voor Göring natuurlijk.








