maandag 18 mei 2026

Van Goethem over het Gaza-activisme, e.a.

 


Van Goethem over het Gaza-activisme 
    De goede Herman Van Goethem, oud-rector van Gent, maakte in een opiniestuk in De Standaard enkele kritische bedenkingen bij het Gaza-activisme. Hij steunt veel aspecten van het activisme, keert zich tegen het ‘schandelijke’ beleid van Israël, en vindt dat de EU het associatieverdrag met Israël moet opschorten ‘tot wanneer het land een fundamentele koerswijziging laat zien.’ Hij is het dus eens met veel doelstellingen van het activisme, maar daarnaast zijn er enkele aspecten van de beweging die hem niet bevallen. Ik parafraseer:

  1. bezetting van universiteiten is een ongepast actiemiddel
  2. het boycotten van een Israëlisch dirigent is onverdraagzaam
  3. een deel van het Palestina-beweging heeft al te veel begrip voor Hamas en Hezbollah
  4. extreemlinkse partijen buiten de kwestie uit
  5. jonge ‘woelwaters’ verzinken door het gaza-activisme in onvruchtbaar extremisme
  6. de polarisatie wakkert het antisemitisme aan dat zich uit in agressie tegen chassidische joden*
  7. de Palestina-activisten staan niet open voor een rationele dialoog met de Israël-sympathisanten.

     Ik heb heel wat reacties gelezen op het stuk van Goethem, maar weinig daarvan gingen in op een van de zeven bedenkingen. Alleen ‘Brusselse theatermaker’ Peter Vandenbempt zei iets over het tweede punt, over het concert met een Israëlische dirigent: 

‘Heeft dat concert werkelijk zo’n maatschappelijke belang dat het belangrijker wordt geacht dan de dood van duizenden onschuldige burgers?’ ** 

     Als ik die redenering volg mag ik morgen uit protest Het meisje met de parel met een mes bewerken omdat het maatschappelijk belang van dat schilderij niet opweegt tegen de dood van duizenden onschuldige burgers. 
     Maar de meeste reageerders gooiden zich op de algemene uitspraken die Van Goethem deed over het activisme:

Activisme mag tot op zekere hoogte nodig zijn om moeilijke dossiers te agenderen en in de richting van een oplossing te stuwen, er zijn ook grenzen. En dan moet je ook tijdig op de rem staan … De vraag is wel: hoever anti-Israël activisme kan gaan? … Activisme staat voor extreem gedrag, voor een strategie met overdrijvingen en simplificaties, waarbij amper plaats is voor redelijkheid en nuance … Polarisering is een context van verblinding zonder luisterbereidheid … Zoiets staat haaks op de educatieve en maatschappelijke opdracht van universiteiten en hogescholen. In zulke polarisatie mogen we niet meestappen. Het effect van toegevingen is alleen van die aard om de polarisering verder aan te zwengelen, waarbij de instelling zelf in een extreme hoek belandt. Een instelling die zichzelf respecteert, laat ruimte voor een diversiteit aan opinies.

     Van Goethem spreekt de ene keer van ‘activisme’ en de andere keer van ‘extreem activisme’, maar het is duidelijk dat hij altijd die laatste kwalijke variant bedoelt. Het is het extremisme dat kiest voor harde actie, onverdraagzame eisen, simplificatie boven nuance, en slogans roepen boven redelijke discussie.
     Wat is er eigenlijk verkeerd aan wat Van Goethem schreef? Ik citeer uit een representatieve reactie op de FB-pagina van EV:

Een merkwaardige uitspraak voor een historicus. En historisch blind bovendien. Zonder activisme geen vrouwenrechten, geen burgerrechten, geen sociale rechten. Macht noemt verzet altijd ‘extreem’ zodra ze werkelijk wordt uitgedaagd. Onder het mom van “verbinden” wordt vervolgens gevraagd om stiller, braver en minder confronterend te zijn. Activisme moet blijkbaar vooral ongevaarlijk blijven voor bestaande machtsstructuren. Maar vooruitgang kwam nooit voort uit gehoorzaamheid of beleefd zwijgen. Ze kwam van mensen die durfden te storen, blokkeren en weigeren.Wat vandaag op universiteiten gebeurt, is geen irrationaliteit of “gevaarlijke polarisering”, maar morele verontwaardiging. Studenten en academici die protesteren tegen oorlogsmisdaden en schendingen van het internationaal recht worden verdacht gemaakt omdat ze weigeren weg te kijken. Des te vreemder klinkt dit uit de mond van de voorzitter van het Hannah Arendt Instituut. Hannah Arendt waarschuwde net voor gedachteloze gehoorzaamheid, conformisme en het normaliseren van onrecht. Activisme is niet het probleem. Het toont dat een samenleving nog een geweten heeft. En dat sommigen nog de hoop koesteren dat zaken kunnen veranderen. Activisme is niet het probleem. Onverschilligheid en passiviteit zijn dat wel. En uitspraken als deze [van Van Goethem] ook.

     Er valt op de argumentatie van Van Goethem wel wat aan te merken, maar bij die van E.V. is dat nog meer het geval. Haar impliciete definitie van activisme is iets als een ‘opstand tegen de bestaande machtstructuren vanuit een morele verontwaardiging.’Daarbij lijkt ze te vergeten dat er ook een extreemrechts activisme bestaat dat eveneens vanuit een morele verontwaardiging in opstand komt. Ze kan bijvoorbeeld denken aan de acties van Dries Van Langenhove aan de Ugent. En een historicus als Van Goethem kan misschien denken aan de studentenacties indertijd om Duitse universiteiten Judenfrei te maken.
      E.V. haalt de historische voorbeelden aan van ‘vrouwenrechten, burgerrechten en sociale rechten’. Dat zijn sprekende voorbeelden van wat Van Goethem noemt het ‘agenderen van moeilijke dossiers om ze in de richting van een oplossing te stuwen. Ik heb achteraf – want ik was er niet bij – veel sympathie voor de emancipatiebewegingen die E.V. aanhaalt, maar ik heb er mijn twijfels over hoe belangrijk die bewegingen geweest zijn bij de gunstige maatschappelijke ontwikkelingen*. Het activisme móet een rol gespeeld hebben, dat is evident, maar hoe gróót was die rol? Ik heb in mijn leven veel maatschappelijke ontwikkelingen gezien – democratisering van het onderwijs, vrijere seksualiteitsbeleving, minder autoritaire opvoeding – waarbij de rol van het activisme, en al zeker het activisme in de strikte zin, veeleer klein was.
     Activisme, vindt E.V., mag niet stil, braaf, gehoorzaam of beleefd zijn. Het is door de confrontatie op te zoeken dat ‘de macht echt wordt uitgedaagd.’ Zelf vond ik dat als jeugdige activist ook, en er zit ook een kruimel waarheid in. ‘Weet dan dat uw stem door niemand wordt gehoord / zolang gij staam’lend bidt en bedelt voor de poort,’ citeerde ik instemmend. Maar ondertussen ben ik daarin veranderd. Mocht ik nu verbonden zijn aan de UGent, dan zou ik ernstige meningsverschillen hebben met ‘de macht’ en ‘de machtstructuren’ aldaar. Ik zou het zeker niet eens zijn met de beslissing om elke samenwerking met Israëlische universiteiten stop te zetten. Maar ik zou mijn protest, misschien niet stil, maar dan toch zeker beleefd, formuleren. En ik zou zeker niet met geweld universiteitsgebouwen bezetten om mijn eisen af te dwingen.
     Mij persoonlijk zit die langdurige bezetting van universiteitsgebouwen als drukkingsmiddel mij nog het meeste dwars. Je kunt al eens de straat optrekken, een kruispunt blokkeren, of je ergens laten vastketenen aan de poort van een bedrijf dat handel drijft met Israël. Maar universiteiten vragen een andere aanpak. Die moeten, zoals Herman van Goethem schrijft, een ‘vrijhaven’ zijn, ‘met ruimte voor een diversiteit aan opinies.’ Het is een plaats om te discussiëren, niet om te roepen. Wie Palestina-sympathisant is, moet er de discussie opzoeken met een Israël-sympathisant. Het is een plaats waar je een tegensprekelijk debat moet kunnen organiseren tussen, zeg, Ilan Pappé en Georges Bensoussan.
      Met haar verwijzing naar Hannah Arendt aan het einde van haar reactie, gooit E.V. er nog een vals dilemma bovenop. Ze stelt het voor alsof er maar twee keuzes zijn: hard activisme enerzijds, en anderzijds: ‘gedachteloze gehoorzaamheid, conformisme en het normaliseren van onrecht.’ Dat is niet zo, en men moet de opinie van Van Goethem al heel kwaadwillig lezen om er een oproep tot ‘onverschilligheid en passiviteit’ in te zien. 

* Van Goethem spreekt van straatagressie tegen mensen met een keppeltje, en van het ‘problematiseren van een duizendjarige praktijk van besnijdenissen.’ Die laatste verwijzing is ongelukkig omdat het protest tegen onhygiënische besnijdenissen volgens mij niet veel te maken heeft met Gaza-activisme.

** Als voorbeeld van hoe hij zelf een steentje heeft bijgedragen tot de bevrijding van Palestina, vertelt Vandenbempt dat hij twintig jaar geleden een voorstel heeft afgeslagen om op te treden in Israël. 

*** Chronologisch ging het activisme vaak vooraf aan de maatschappelijke ontwikkeling, maar het vraagt subtieler onderzoek om uit te maken of er ook een causaal verband is. Het is de eeuwige vraag van ‘post hoc’ en ‘propter hoc.’



Slordig taalgebruik
     In zijn Amerika-boek weegt Tocqueville de voor- en nadelen af van democratische en aristrocratische naties. Een nadeel van de democratische landen is dat er slordig taalgebruik heerst. Er is geen elite die de ‘bon usage’ dicteert, iedereen doet maar wat, en de meerderheid, dan wel de luidruchtige minderheid, bepaalt welke woorden er gebruikt worden, en wat ze betekenen. Dat is democratie.
     En volgens Tocqueville leidt die democratie in de taal dan tot vaag, slordig, abstract, sensationeel en modieus taalgebruik. Hij geeft voorbeelden van zijn eigen taalgebruik dat eveneens onder democratische invloed abstract geworden is. Hij spreekt bijvoorbeeld vaak over ‘gelijkheid’ alsof dat een persoon was die bepaalde zaken verhindert of bevordert. In beter tijden sprak men alleen van gelijkheid tussen concrete mensen met betrekking tot concrete zaken. ‘Les hommes du siècle de Louis XIV,’ schrijft Tocqueville,  ‘n’eussent point parlé de cette sorte.’ Terloops zij opgemerkt dat zijn eeuwgenoot Flaubert dan weer geen ‘double génitif’ zou gebruikt hebben als ‘… du siècle de Louis …’. 
     Het ergste vindt Tocqueville dat woorden hun precieze betekenis verliezen.

Ik zou liever hebben dat men de taal liet overwoekeren met Chinese, Tartaarse of Huroonse woorden, dan dat men de betekenis van de Franse woorden onzeker zou maken. 

     Vandaag komt het gevaar van overwoekering niet van het Chinees, het Tartaars of het Huroons maar van het Engels. Op zijn FB-pagina plaatste Geraard Goossens onlangs een transcriptie die veel aandacht kreeg. Een Vlaamse popzanger had in een interview verteld over zijn muziek, en had daarbij een overvloed aan Engelse woorden gebruikt. Dat hij bij het zingen ‘een bepaalde energy channelt’, dat hij zijn ‘heroes close heeft in spirit’ en dat hij zijn ‘full body in de energy steekt om tot een build-up te komen die kind of screamt’. Zijn gedachten noemt hij zijn ‘mind’, intiem noemt hij ‘intimate’ en een reden noemt hij een ‘reason’.
      Nu moeten we hier verschillende zaken onderscheiden. Het is op zich al moeilijk om over kunst te praten. Je hebt schrijvers die prachtig schrijven maar wauwelen als ze over hun werk moeten praten. En dan zwijg ik nog over schilders. Ook hebben sommige mensen - uit alle klassen van de bevolking - nu eenmaal geen aanleg om goed te formuleren in gesproken taal. Koen Meulenaere maakte soms transcripties van wat Jean-Luc Dehaene op de televisie verteld had, en dat was ook wartaal. Maar JLD gebruikte tenminste niet te pas en te onpas Engelse woorden, en had niet de gewoonte om zoals onze Vlaamse popzanger de helft van zijn zinnen te eindigen met ‘of zo’.
     Als ik mag  kiezen, stoor ik mij meer aan dat stopwoord ‘of zo’ dan aan een woordeke Engels. Als hij iets bewondert, zegt de Vlaamse popzanger: ‘nice!’. Ik zou dat misschien ook zeggen, of misschien wel ‘génial’ zoals de Fransen, ‘muy bien’ zoals de Spanjaarden of ‘ganz toll’ zoals de Duiters, alhoewel die laatsten hoe langer hoe meer ook ‘nice’ zeggen.
     Dat overdadige Engels in de spreektaal is zowel een teken van taalarmoede, luiheid, snobisme en modegevoeligheid. Maar er is weinig boos opzet. Het gebeurt niet bewust. In gesproken taal valt daar niet veel tegen te beginnen. Alleen al het vermijden van stopwoorden vergt al een uiterste concentratie. En wat moet je doen als je in het vuur van je betoog de Nederlandse vertaling van ‘channeling energy’ niet vindt? Zwijgen? Een pauze inlassen?
     Dat ‘of zo’,daarentegen, daar kun je iets aan doen. Ik had leerlingen die er bij een eerste spreekbeurt ook veel of zo’s ertussen gooiden. Ik maakte daar snel een opmerking over vóór de medeleerlingen dat deden. Als die of zo-leerlingen dan hun best deden, was dat bij de volgende spreekbeurten al veel beter.



Antifa
     Woorden hebben in de dagelijkse toepassing soms een betekenis die afwijkt van de oorspronkelijke, etymologische betekenis. Als ik het woord antifa gebruik, pas ik dat begrip toe op de kleine groepjes relschoppers die zichzelf zo noemen. Maar op FB las ik een commentaar waarin de etymologische betekenis werd hersteld. Antifa betekende gewoon antifascisme, en dat betekende op zijn beurt niets anders dan dat je een tegenstander van het fascisme was. Wat was daar nu mis mee?
      Het deed mij denken aan de redenering van Karel van het Reve die zichzelf in de jaren 70 anticommunist noemde, toen dat woord vaak de toegepaste betekenis kreeg van ‘voorstander van extreemrechtse, autoritaire, nationalistische regimes’. Karel van het Reve was dat allemaal niet. Hij gebruikte gewoon de oorspronkelijke betekenis: ‘tegenstander van het communisme.’
      Toch is er een verschil tussen de dubbelzinnigheid van het begrip  ‘anticommunisme’ in de jaren 70 en van het begrip ‘antifascisme’ nu. In de jaren 70 bestond er in Europa een groot blok van landen en partijen die zichzelf communistisch noemden. Je kon voor of tegen dat blok zijn. Was je tegen dat blok, dan was je een anticommunist in de etymologische en in de de meest voor de hand liggende toegepaste betekenis.
      Je kunt dat verschil ook anders benaderen. Je had indertijd zelfverklaarde pro-communisten waar je dus tegen kon zijn.  Maar waar zijn vandaag de zelfverklaarde pro-fascisten? Waar is vandaag dat fascistisch blok van landen en partijen? Waar zijn vandaag de leiders die je ‘fascisten’ kunt noemen? Tom van Grieken? Bart De Wever? Georges-Louis Bouchez? Dat is niet ernstig. Tijdens het Europese interbellum en de Tweede Wereldoorlog, tóen had je fascisten en anti-fascisten. De etymologische en de toegepaste betekenis vielen samen.

zondag 17 mei 2026

De fabel van JMMD en van Engelaar


     Ter gelegenheid van 1 mei werden enkele oude fabels opgefrist. Jean-Marie De Decker schreef een stuk over de nijvere mieren en de potverterende krekels. De nijvere mieren waren, geloof ik, de ondernemers en de kleine zelfstandigen. JMDD haalde een reeks cijfers aan waaruit bleek hoeveel belastingen die mensen wel niet betaalden – ook op hun inkomsten uit kapitaal. Ik vrees dat die cijfers niemand zullen overtuigen die al niet overtuigd is. Ten eerste zal men vanuit linkse hoek terecht opmerken dat inkomsten uit kapitaal, hoe zwaar belast die ook zijn, nog altijd minder zwaar belast worden dan arbeid. En ten tweede zullen die belastingen in de ogen van linkse mensen nooit genoeg zijn. Zelfs al bedroegen ze 70 procent, dan kunnen ze nog altijd op 75 procent worden gebracht.

     Bert Engelaar van het ABVV recycleerde een andere fabel: die van de maatschappij als menselijk lichaam. We leerden die kennen in het tweede middelbaar, toen we De viris illustribus urbis Romae lazen. In het oude Rome gingen de plebejers in staking. Dat was de zogenaamde plebejische secessie. Menenius Agrippa ging naar hen toe en vertelde de fabel van de ledematen die een staking begonnen tegen de maag. Dat was dom van de ledematen, want ook de maag had een functie, al was die niet zo zichtbaar als die van de ledematen. Toen de plebejers dat hoorden gingen ze weer aan het werk.


    Engelaar vult de fabel anders in. Onze maatschappij wordt vergeleken met een zieke man die bij de dokter komt. De dokter – ik geloof dat hiermee de staat wordt bedoeld – heeft alleen oog voor het bovenste deel van het lichaam, tot aan de schouders. Dat deel geniet een régime de faveur. Wat eronder komt wordt verwaarloosd.  Met die verwaarloosde ledematen en organen verwijst Engelaar naar de werknemers die te weinig verdienen en te veel moeten betalen, naar mensen met een burnout, naar alleenstaande moeders met een uitkering, naar langdurig zieken die gecontroleerd worden, naar de poetshulp met versleten handen, naar de leerkracht met wallen onder de ogen. Die laatste intrigeerde mij, maar in plaats van uitleg kreeg ik een metafoor: ‘De spieren van het onderwijs verkrampen.’ Nochtans heb ik zojuist in Knack gelezen (zie hierboven) dat de collega’s van Demir jaloers zijn op haar omdat Onderwijs bij de besparingen ‘grotendeels wordt ontzien.’ 


     Ook deze fabel zal weinig mensen overtuigen om van mening te veranderen.

 

 

zaterdag 16 mei 2026

Albanië-reis 1975

 


Albanië-reis 1975
   In 1975 nam ik met een vijftigtal geloofsgenoten deel aan een communistische studiereis  naar Albanië. We reden met de bus, eerst door een reeks kapitalistische landen, dan door het slechts half socialistische Joegoslavië, om dan ten slotte in het enige échte socialistische land van Europa enkele weken rond te toeren. De rivaliteit tussen Joegoslavië en Albanië indertijd was goed zichtbaar aan de grens. De Joegoslaven hadden in hun gebergte met rotsblokken de slogan ‘Leve Tito’ aangebracht. Dat was om de Albanezen te jennen. Maar de Albanezen lieten niet op hun kop zitten. Ze hadden aan hun kant van het gebergte de slogan ‘Leve Enver’ aangebracht. Gelukkig was de grensstreek niet dichtbevolkt, zodat slechts weinig Joegoslaven en Albanezen dagelijks die verheerlijking van de vijandige leider moesten ondergaan.
     Het oversteken van de grens was een heel ritueel. Geïllustreerde tijdschriften werden in beslag genomen omdat ze decadente luxe aanprezen. Westerse literatuur was ook niet welkom. Een medereiziger had een boek bij van Thackeray. Dat moest hij afgeven, ondanks zijn uitleg dat Thackeray een groot realist was die het Engelse kapitalisme van de 19de eeuw had aangeklaagd. Ook brede broekspijpen en lang haar werden beschouwd als kapitalistisch. Je moest je haar laten bijknippen en een broek lenen van iemand anders die de richtlijnen op voorhand beter had ingestudeerd. Dat werd allemaal goed gemaakt door de rode vlaggen die buiten en binnen de fabrieken hingen; zo’n rode vlag was in een Belgische fabriek niet denkbaar, wat mooi het verschil tussen socialisme en kapitalisme illustreerde. Na de reis ben ik kleine zaaltjes diavoorstellingen gaan geven waar veel van die rode vlaggen in voorkwamen.
     Vandaag herinner ik mij van de reis niet zoveel meer. We hebben geloof ik veel fabrieken bezocht, en veel minuten stilgestaan voor standbeelden van gevallen helden. Er stond een atheïstisch museum op het programma. Ons hotel lag op een mooi zandstrand. Een cynicus in het gezelschap – er is er altijd één - maakte er zelfs een grapje over: ‘Zie je hoe wit en fijn het zand hier is? Dat is dankzij kameraad Enver. Vóór het communisme was het zand hier ruw en asgrauw.’
     Wat mij nog het meeste bijgebleven is zijn de revolutionaire liederen die we zongen toen we verbroederden met communistische groepen van andere landen. Iedereen kende Bella Ciao. Maar vooral zongen we op de bus. De partijleiding had een brochure gemaakt met revolutionaire liedjes. Dirigente Lieve Fransen – zo staat ze vermeld op latere Palestina-manifesten – zorgde ervoor dat we maat hielden. Wat we het vaakst zongen was het Lied van de Revolutionaire Jeugd.

     Hajde të punojmë, 

     djersën ta kullojmë, 

     se ndërtojmë 

     Shqipërinë e re.

 

     Laten we werken

     laten we zweten

     want we bouwen

     het nieuwe Albanië.

     Ik zing die Albanese versie nog wel eens als ik alleen thuis ben.


De vernielde woningen in Gaza
       In de Gaza-oorlog zijn ongeveer 70.000 Palestijnen omgekomen door Israëlische bommen en kogels. Door in de statistieken het aantal jonge mannen af te zetten tegen vrouwen, jonge kinderen en bejaarden, kan men gaan extrapoleren. Wellicht waren 1/3 van de slachtoffers militairen van Hamas en 2/3 burgerslachtoffers. Met andere woorden 2 procent van de burgerbevolking is omgekomen in een oorlog die bijna 2 jaar heeft geduurd.
    Eigenlijk heb ikzelf intuïtief een véél, véél groter aantal slachtoffers in mijn achterhoofd. Dat komt door de beelden van de vernietigde huizen die ik zo vaak op het Nieuws gezien heb. 65 procent van de woningen is totaal vernield. Mijn intuïtie past diezelfde verhouding haast automatisch toe op het aantal doden. Wie kan in godsnaam zo’n vernieling overleefd hebben?
     Maar dan lees ik in de dagelijkse FB-post van Paul Cordy over het bombardement van Rotterdam op 15 mei 1940: de binnenstad werd verwoest, er waren meer dan 700 doden en 80.000 mensen waren dakloos. Ik denk dan: máár 700 doden? 


Marx en Darwin (en Smith)
     In zijn grafrede voor Karl Marx (1818-1883) maakte Friedrich Engels een vergelijking tussen het historisch materialisme en de evolutieleer. 

 Zoals Darwin de wet van de ontwikkeling van de organische natuur heeft ontdekt, zo ontdekte Marx de ontwikkelingswet van de menselijke geschiedenis: het tot dusver onder ideologische woekerplanten verborgen feit dat de mensheid allereerst moet eten, drinken, wonen en zich kleden, voordat zij politiek, wetenschap, kunst, religie etc. kan beoefenen; dat dus de productie van de directe stoffelijke levensmiddelen, en daarmee de op verschillende tijdstippen bereikte trap van economische ontwikkeling van een volk of tijdperk, de basis vormt waaruit de staatsinstellingen, de rechtsopvattingen, de kunst en zelfs de godsdienstige voorstellingen zich hebben ontwikkeld en waaruit zij dus ook verklaard moeten worden — en niet omgekeerd, zoals tot nu toe gebeurde.

     De gelijkenissen tussen de twee theorieën kunnen niet worden ontkend. Het zijn allebei uiterst eenvoudige theorieën die verklaren waarom iets evolueert: het leven op aarde bij Darwin en de mensenmaatschappij bij Marx. Het zijn allebei onweerlegbare theorieën. Als je de theorie van Marx of Darwin één keer gehoord hebt, kun je er eigenlijk niet aan twijfelen dat ze waar moét zijn. Je kunt in de hele natuur geen dier vinden dat niet op enige manier ‘aangepast’ is aan zijn niche, want zon variant maakt geen kans om de struggle for life te overleven, en je kunt in de hele geschiedenis geen filosoof vinden die niet allereerst moest eten, drinken, wonen en zich kleden.
     Een andere gelijkenis is dat Marx en Darwin een revolutie in het denken betekenden. Vóór Darwin kon alleen een Goddelijk plan de verscheidenheid in de dierenwereld verklaren. Dat plan werd nu vervangen door willekeurige mutaties die achteraf door de omgeving zelf werden geselecteerd of weggeselecteerd. Vóór Marx kon je de evolutie in de ideeënwereld alleen verklaren door de willekeurige gedachten van grote denkers die hun ideeën rechtstreeks van God kregen of omdat er een appel op hun hoofd was gevallen. Die grote denkers werden nu vervangen door een materieel kader dat de ideeënwereld mogelijk maakte en begrensde.
     Maar die gelijkenis brengt ons ook bij twee verschillen. Darwin heeft het oude idee over de diersoorten vollédig verdrongen. Geen enkele bioloog werkt nog met het idee van een voorafgaand plan. Er is geen sprake van om het oude plan-idee te combineren met het nieuwe mutatie-idee. Maar bij Marx is het niet zo gegaan. Het historisch materialisme heeft het oude idee van individuele inspiratie niet vollédig kunnen verdringen, zelfs niet onder de eigen aanhangers. Ook de strengste marxist geeft toe dat er een wederzijdse beïnvloeding is tussen de materiële wereld en de ideeënwereld. Je vindt echter geen darwinist die ervan uitgaat dat er een wederzijdse beïnvloeding is tussen de willekeurige mutaties enerzijds en een of ander onderliggend plan anderzijds.
      Een tweede verschil betreft de rol van de ‘willekeur’ in de verklaringen. Hier zijn Marx en Darwin bijna elkaars tegengestelde. Darwin brengt willekeur binnen langs zijn idee van mutaties, Marx probeert willekeur uit te sluiten door individuele inspiratie een kleinere rol toe te bedelen. Hij is en blijft een leerling van Hegel die gelooft in een grandioos schema dat de wereldgeschiedenis regelt. Darwin van zijn kant is meer verwant aan Adam Smith. Nozick neemt Darwins evolutieleer op in zijn lijst van ‘invisible hand explanations.’ 

 

vrijdag 15 mei 2026

De kritiek op Zuhal Demir


     Hoewel Ben Weyts een N-VA’er is, kreeg hij als minister van Onderwijs niet al te veel kritiek in onze pers. Dat maakte mij ongerust. Vandaag, met Zuhal Demir, moet ik mij geen zorgen meer maken. De kritiek is niet mals, en zo weet ik zeker dat Demir  de zaken doet die ik wel en de journalisten niet fijn vinden. 

     Ik zie een kop van Knack in mijn mailbox verschijnen: ‘Niemand durft iets te zeggen’: zwijgen is goud in het Vlaamse onderwijs. Met daaronder een foto van een streng toekijkende Demir. In het weekoverzicht van Knack verschijnt hetzelfde stuk onder de kop De angst voor Zuhal Demir.

     In het stuk zelf gaat het over een klimaat van terreur die in de hogere onderwijsregionen zou heersen, maar een smoking gun tref je er niet aan. Er worden wel heel wat oude koeien uit de gracht gehaald. Ook komt uitspraak in de kop Niemand durft iets te zeggen van een vertegenwoordigster van VVS, de Vereniging van Vlaamse Studenten. In mijn tijd was dat een extreem-linkse organisatie en ik kan alleen hopen dat ze ondertussen geëvolueerd is naar gewoon-links.

     Eigenlijk erger ik mij zoals zo vaak meer aan aan de kop dan aan het artikel. Dat heeft ook met het digitale medium te maken waar ik die koppen zie verschijnen. Let wel, ik heb er alle begrip voor dat eindredacteurs de aandacht willen trekken met provocatieve uitspraken. Maar als je zo’n kop ziet in een gedrukte publicatie is dat niet erg. Je overloopt kort de inhoud en je trekt je conclusies. In digitale tijden is dat anders. Je wordt op je scherm voortdurend geconfronteerd met die tendentieuze koppen zonder context. Het is alsof je kijkt naar spandoeken in een linksliberale betoging.

  

Taalsociologen over thuistaal op school


     In De Standaard verscheen een opiniestuk van vier experts, waaronder Wouter Duyck en Dirk Van Damme, over de vraag of de thuistaal van migrantenkinderen moest worden ingezet in het onderwijs. De vier experts vonden dat géén goed idee. Andere experts, taalsociologen bijvoorbeeld, denken daar anders over. Ze halen studies aan die het succes van thuistaalonderwijs documenteren. Maar, schrijven Duyck en co,  die studies zijn niet toepasbaar op onze superdiverse klassen. Ze gaan bijvoorbeeld over Mexicaanse migrantenkinderen in de VS waar kinderen in het Engels en het Spaans onderwezen worden door perfect tweetalige leerkrachten. Conclusie: ‘Dat is in geen enkel geval bruikbaar in Vlaanderen, waar je van leraren niet kunt verwachten de vijftien thuistalen in de klas te beheersen, een voorwaarde voor dat succes.

     Zonder dat te weten van die Mexicaanse kinderen had ik de taalsociologische studies ook niet geloofd*. Sociologie is maar een halve wetenschap. Ze is in staat om de conclusies van ons gezond verstand te bevestigen of te nuanceren, maar niet om ze, zoals de fysica, tegen te spreken. Ik zal nooit veel geloof hechten aan een sociologische studie die huis-tuin-en-keuken logica tegenspreekt. Ik zal er mijn mening niet door omgooien, maar hoogstens, na zelfonderzoek, wat bijstellen. Of het zou moeten gaan om héél grootschalig onderzoek dat op héél transparante wijze tot héél dwingende conclusies leidt. 

     Bij de economische wetenschap is dat anders. Het gezond verstand vertelt ons dat een land rijk is als het veel goud in de schatkist heeft, of meer uitvoert dan het invoert. Adam Smith toonde aan dat dat niet zo was. Het gezond verstand vertelt ons dat een land niets moet invoeren wat het zelf beter kan produceren. Ricardo toonde aan dat dat niet altijd opgaat. Het gezond verstand vertelt ons dat een ordelijk geleide economie beter functioneert dan de chaos van de vrije markt. Mises toonde aan dat het omgekeerd was.

     Laatst vond ik in de mémoires die Gérard Roland op substack publiceert een treffende illustratie van dat verschil tussen economie en sociologie. Roland heeft intensief bestudeerd hoe de overgang van socialisme naar kapitalisme verliep in Oost-Europa en China. Het is op zich niet erg logisch dat de invoering van de vrije markt in het ene geval tot economische groei, en in het andere geval tot economische achteruitgang leidt. Als econoom slaagde Roland erin om verfijnde modellen uit te werken die dat verschil verklaren. Die modellen, daar zou ik nooit opgekomen zijn.

     Maar na 20 jaar modelbouw wilde Roland eens iets anders proberen. Hij wilde zijn geluk proberen met empirische studies die een meer sociologische methodiek vergen. Zo wou hij weten wat de voorwaarden waren voor het ontstaan van ondernemerschap. Welk soort mens werd een ondernemer? Welk soort mens werd een succesvol ondernemer? En wat bleek uit zijn uitgebreid onderzoek? Vooral kinderen van ondernemers werden ook ondernemer. En vooral slimme ondernemers waren succesvol. Beroepskeuze was gelinkt aan familie en succes was gelinkt aan intelligentie. Had Roland het tegenovergestelde ontdekt, dan had ik moeite gehad om hem te geloven.
     ‘We found no smoking gun,’ schrijft hij. Precies. Sociologische studies die wel een ‘smoking gun’ vinden zijn verdacht. Om nog te zwijgen van psychologische studies, waar ‘smoking guns’ schering en inslag waren tot de replicatiecrisis van 2015 iedereen weer met beide voetjes op de grond zette.

 

* Ik heb in het verleden al enkele stukjes gewijd aan de ‘thuistaal’-kwestie. Zie o.a. hier, hier, hier en hier.    

Verzamelde kortjes

 Koffiecapsules
     Vergeetachtigheid bij oude mensen zoals ik betreft vooral het geheugen op korte en op zeer korte termijn. ’s Morgens is mijn eerste werk het plaatsen van een capsule in de koffiecupmachine. Ik kan dat als de beste. Maar soms treedt er een complicatie op en is het waterreservoir leeg. Dan moet ik eerst nog het water bijvullen. Ook dat werkje is aan mij wel toevertrouwd. Maar nadat ik het water heb bijgevuld, weet ik niet meer zeker of ik wel een capsule in de machine heb geplaatst. Ik moet dan de machine openen, waardoor de capsule in het vergaarbakje valt, waar ik ze dan weer uit moet opvissen. 
    Vandaag wou ik het anders aanpakken. Het waterreservoir was weer leeg. Ik plaatste een capsule en pauzeerde enkele seconden. Ik liet de handeling goed tot mij doordringen. Als ik dan water had bijgevuld, zou ze mij nog altijd voor de geest staan. Zo gezegd, zo gedaan. Maar toen ik het water had bijgevuld wist ik weliswaar dat ik een capsule had geplaatst, maar ik wist niet meer zeker of het er een met koffie of met deca was. Mijn concentratie had niet geholpen. Es war alles umsonst gewesen.


’s Morgens en s avonds
     ’s Morgens en ’s avonds gebeurt iets raars met de tijd. De klok geeft aan dat een half uur verstreken is tussen het moment van opstaan en het moment dat ik, in mijn pyjama, aan mijn ontbijt en aan mijn krant kan beginnen. Het klaarmaken van het ontbijt, dat ik eerder al beschreven heb, vergt enige tijd, maar toch geen half uur, zou ik denken. Ik weet niet waar dat half uur naartoe gaat. ’s Avonds gebeurt hetzelfde, maar anders. Tussen het moment dat we de tv uitzetten en dat we in bed liggen, zit er een half uur, terwijl ik alleen mijn tanden moet poetsen en mijn pyjama aantrekken. Maar dit keer weet ik wel ongeveer waar de tijd naartoe gaat. We lopen een tiental keer van de living naar de slaapkamer en van de slaapkamer naar de badkamer en van de badkamer naar de keuken. Maar wat we daar doen, daar heb ik het raden naar.


 

Hail Mary Project

     Behalve de scenes met Sandra Hüller had de film Project Hail Mary weinig dat me kon bekoren. De humor was flauw, de spannende scènes waren niet spannend, en er scheelde iets aan de settings, maar ik weet niet goed wat. De alien van dienst, Rocky, had tegelijk iets van een knuffel, een aapje en R2D2. Hij drukte zich met behulp van een vertaalmachine uit in pidgin Engels. Ik ben zeer ontgoocheld dat onze vrienden van woke in het personage geen aanleiding zagen om kolonialistisch-paternalistische clichés over inheemse volkeren te bekritiseren.  

 

    Mary Beard

     Van Mary Beard las ik niet zo lang geleden het boek Keizer van Rome. Ik kon toen aan mezelf niet uitleggen waarom dat boek mij niet beviel. Vandaag zie ik op FB een citaat van Beard uit een ander boek voorbijkomen: ‘The history of Rome is not simply a story of great men and heroic deeds; it is also a story of conflict, debate and disagreement.’ Ook hier kan ik aan mezelf niet goed uitleggen wat mij in dat citaat niet bevalt. Is het omdat het een cliché is? Maar ik heb helemaal niets tegen clichés.

 


Chinese auto’s

     Zijn de lage prijzen van de Chinese auto’s in de eerste plaats het gevolg van staatssubidies? Gisteren schreef ik een stukje waarin ik die overal herhaalde mantra op face value aannam. Maar Stijn Decock geeft in De Standaard van vandaag (DS 6/5) een andere verklaring:

 

De toenemende concurrentie binnen China. BYD zit er in een hyperconcurrentiële markt met flinterdunnen marges waarin nieuwe modellen in een waanzinnig temp worden gelanceerd.

 

Robespierre als egalitair

     De denkwereld van Robespierre interesseert mij slechts matig. Ik kan mij niet voorstellen dat ik een van de mij resterende levensjaren zal besteden aan de studie van zijn Verzameld Werk . Maar in de FB-Dagklapper van Wildo Borel vond ik een merkwaardig citaat. Ik wist al dat l’incorruptible versterkte kastelen met de grond wou gelijk maken, omdat tegenstanders van de de revolutie zich daar konden verzamelen. Maar blijkbaar had hij het ook op kerktorens gemunt 

 

die door hun verhevenheid boven de andere gebouwen de beginselen van de gelijkheid lijken tegen te spreken.

 

     Het is alsof hier een karikaturale schurk uit een Ayn Rand-boek, Ellsworth Toohey bijvoorbeeld, aan het woord is.

 

AI didn’t do it 

      Een door mij gepubliceerd blogje vindt normaal in enkele dagen tijd tussen de 200 en de 500 lezers. Omdat ik vaak meer dan 30 blogjes per maand plaats en ook mijn oude blogjes nog worden opgepikt, kom ik maandelijks aan ongeveer 20.000 gelezen stukjes. Maar sinds drie maanden is dat aantal plots meer dan verdubbeld. Eerst vond ik dat fijn, maar daarna begon ik mij de vraag te stellen: had ik hier te maken met echte lezers, of met crawlers en AI-bots, die mijn teksten alleen lazen als trainingsmateriaal? Ik heb het aan AI zelf gevraagd, en die ontkent alles. Het kwam door een aanpassing in Google Search, door influencers die mijn blogjes verspreidden, en door honderd andere oorzaken. AI-bots hadden er misschien iets mee te maken, maar weinig, weinig. Ik moest aan de catch phrase van Bart Simpson denken: I didn’t do it.

 


Verbod op tabak, vapes en transvetten


     In Engeland wordt een generationeel rookverbod ingevoerd. Wie geboren is vóór 2008 mag blijven roken, wie geboren is na 2008 zal nooit, ook al wordt hij honderd jaar oud, legaal sigaretten kunnen kopen. Zo’n uitdoofbeleid* wordt ingegeven door overwegingen van menselijkheid en efficiëntie. Het zou wreed zijn om de huidige generatie van honderdjarige rokers hun sigaret te ontnemen – ze zouden toch niet gehoorzamen – maar de komende generaties van honderdjarigen, en die zullen door het rookverbod omvangrijker zijn, die zullen nooit weten wat ze missen of niet missen.

     Bij ons heeft het ministerie van Volksgezondheid het op de vapers gemunt. De vapes met een vieze tabakssmaak blijven toegelaten, maar die met de heerlijke smaak van kersen of appels komen in de illegaliteit terecht. Men beroept zich geloof ik op een variant van de stepping stone theorie, die 40 jaar geleden in progressieve publicaties achterhaald werd genoemd, maar nu zijn het die progressieve publicaties die achterhaald zijn. Men vreest dat een 18-jarige eerst verleid wordt door exotische vapes met kiwi-passievruchten-guava smaak om dan via een occasionele sigaar te eindigen bij de hard core Marlborough. Of erger.

     Mijn zoon heeft dat vapen natuurlijk al lang uitgeprobeerd, maar als arts is hij voorstander van een verbod. Je zou van dat vapen een of andere rare ziekte kunnen krijgen waar ik nog nooit van gehoord heb. Artsen zijn als het over gezondheid aankomt, geen aanhangers van het libertarisme. De mensen moeten beschermd worden tegen zichzelf. Als iets schadelijk is voor de gezondheid moet het verboden worden. Wat kan ik daar tegenin brengen? Dat de Amerikaanse drooglegging van honderd jaar geleden mislukt is? De mensen bleven alcohol drinken, desnoods industriële alcohol die opzettelijk door de staat werd vergiftigd. Dat er zulke mooie foto’s bestaan van schrijvers, artiesten, acteurs en actrices die elegant een sigaret roken? Geraard Goossens postte vroeger vaak dergelijke foto’s met als bijschrift: ‘Omdat het leven meer is dan afwassen en onverdraagzaamheid alleen.’

     Eigenlijk zou ik mijn zoon het liefst een kort verhaal in handen stoppen dat ik lang geleden – misschien 50 jaar geleden – gelezen heb in Humo of in een of andere sciencefiction omnibus. Het speelt zich af in een nabije dystopische toekomst in de buurt van New York. De overheid heeft alle ongezonde voedsel verboden. Er ontstaat een zwarte markt, en er wordt een voedselpolitie opgericht, met agenten in burger die zich voordoen als gretige klanten om dealers en verslaafden in de val te lokken. Het verhaal zoals ik het mij herinner gaat over een verslaafde die in de val wordt gelokt. Ik vroeg aan Grok welk verhaal dat was en de bot suggereerde ‘Lipidleggin’ van F. Paul Wilson, gepubliceerd in 1978. Dát verhaal gaat over boter en eieren, terwijl het in mijn herinnering over boerenbrood en biefstuk ging. Ook de plottwist is anders dan in mijn herinnering. 

     Maar het is een mooi verhaal. In een later geschreven inleiding verwijst de auteur naar de wetgeving in Californië waar het sinds 2010 verboden is om in restaurantkeukens transvetten te gebruiken. De auteur had niet verwacht dat zijn verhaal werkelijkheid zou worden. In ons land zijn we zo ver nog niet. Vorige week nog aten we friet in een restaurant dat op de kaart vermeldde: ‘Gebakken in ossenwit’. Het was een smaak van mijn jeugd.


* Zo’n uitdoofbeleid doet denken aan de manier waarop de slavernij in sommige Amerikaanse staten werd afgeschaft. Wie als slaaf geboren was - of voor wie dat liever hoort: wie als slaafgemaakte geboren was - bleef slaaf. Men vond het blijkbaar onmenselijk om slavenhouders in één klap te ontrieven. Maar de kinderen van de slaven waren vrij vanaf de geboorte. 


 

donderdag 14 mei 2026

De Standaard: Blijf vrij, e.a.


De Standaard:
 Blijf vrij
      Ik ben deze week twee keer naar de bioscoop geweest, en twee keer werd ik, voor de film begon, getrakteerd op een kort reclametekstje ingesproken door Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard. Het ging over de nieuwe baseline ‘Blijf vrij.’ In de krant (25/4) schreef Verhoeven een uitgebreidere uitleg over die keuzeHet is een soort manifest, zoals Charles Foster Kane er een schreef toen hij zijn krant ging leiden, maar Verhoeven gebruikt meer woorden dan de held uit de film.
     De strekking van het manifest is links-liberaal, wat betekent dat ik het er ten dele eens mee kan zijn. Neem het geopolitieke deel:

Vrijheid is de reden om te herbewapenen, te herindustrialiseren, open markten te beschermen met regelgeving of om meer energie-autonomie na te streven. 
 
      Misschien bedoelt Verhoeven met die ‘regelgeving’ en met ‘energie-autonomie’ iets anders dan ik, maar wat hij schrijft is een brede liberale redenering die ik kan volgen. Voor zijn anti-Amerikaanse accenten kan ik, gezien Trump, enig begrip opbrengen.
     De kern van Verhoevens betoog gaat echter over de rol van de pers. Hij ziet De Standaard als een David die het moet opnemen tegen de vrijheidsbedreigende Goliath van de sociale media.
 
Dat de sociale media en artificiële intelligentie in handen zijn van slechts enkele, aan Trump onderdanige hyperrijken en gigabedrijven, heeft gevolgen. Die technologie wordt wel degelijk gebruikt om politiek te bedrijven … Wij moeten de openheid van de publieke gespreksruimte garanderen, en zo de persoonlijke vrijheid versterken. Dat staat haaks op het libertaire ideaal van Sillicon Valley, dat vrijheid onbegrensd wil uitbreiden, enkel voor eigen lust en baten. 
 

     Hier worden de zaken verkeerd voorgesteld. De sociale media garanderen immers óók  de openheid van de publieke gespreksruimte. Het is waar dat een stuk in De Standaard zowel in de betrouwbaarheid van zijn informatie als in de redelijkheid van zijn opiniëring boven de gemiddelde commentaar op de sociale media uitsteekt. Maar de bandbreedte van de opiniëring en de selectie van de feiten wordt bij De Standaard beperkt door het ‘engagement’ van de krant. En helaas valt die bandbreedte en selectie ongeveer samen met die van de andere grote media in Vlaanderen.

     Vandaag kan ik de informatie van De Standaard aanvullen door bij de chatbots van AI een bredere context van feiten en cijfers op te vragen. Ik kan dankzij de sociale media kennis nemen van meningen die buiten de links-liberale consensus vallen. En vooral kom ik door dezelfde sociale media ándere journalistieke bronnen  vooral buitenlandse  op het spoor die een noodzakelijk supplement zijn op mijn Standaard-dieet. 

     Denk bijvoorbeeld alleen al aan de berichtgeving over Israël-Palestina. In een opiniestuk schreef Brigitte Herremans (DS 25/4) dat ‘het gebrek aan empathie met Israëls slachtoffers gevoed wordt door de dominantie van het Israëlische narratief.’ Van dié dominantie heb ik in De Standaard in elk geval niet veel gemerkt.

      Voor mij staat de publieke gespreksruimte van De Standaard dus niet ‘haaks’ op het libertaire ideaal van de sociale media. Ze vullen elkaar aan. De Standaard wordt aangedreven door engagement en deontologie. Prima. De sociale media worden aangedreven door de winstzucht van gigabedrijven. Ook prima. Omdat die bedrijven zoveel mogelijk winst willen maken, willen ze ook zoveel mogelijk stemmen aan bod laten om een zo groot mogelijk publiek te geven wat het zoekt. Dat heeft zijn nadelen, maar ook zijn voordelen. 




Kinderrijmpjes

     Wat ik in De Standaard der Letteren nooit oversla is de laatste bladzijde, waarin auteurs geïnterviewd worden over hun lievelingsboeken. Soms is daar een boektitel bij die ik herken en dan ben ik trots. In het interview met Sarah Hall (DSL 25/4) herkende ik iets anders. ‘Vaak hoor ik in mijn hoofd,’ zegt ze, ‘hoe mijn moeder rijmpjes zong: Oranges and lemons, say the bells of St Clements.’ Ik ken het rijmpje uit 1984 van Orwell. Er gaat geen maand voorbij zonder dat ik dat rijmpje stilletjes voor mij uit gepreveld heb, terwijl ik bijvoorbeeld aan het winkelen ben. En ook dat andere rijmpje: Apples and pears, say the bells of St Clares.




De centrum partijen

     Harold Polis bespreekt drie boeken die duiding geven bij crisis die de centrumpartijen overkomt (DSL 25/4). Ze zijn geschreven door  Pepijn Corduwener, door Catherine De Vries en door Adrian Wooldridge. Zouden die auteurs een oplossing hebben voor die crisis? Ik lees: meer verzorgingsstaat, meer aandacht voor het platteland, minder obsessieve efficiëntie, minder globalisme, de burgers beschermen tegen de markt, publieke voorzieningen herstellen, integratie afdwingen, de openbare orde heroveren, big tech temmen, minder fixatie op materiële welvaart. Ik noteer de namen van de auteurs, maar ik denk bij mijzelf: dat zullen weer van die knappe analyses zijn waarbij vooral het laatste hoofdstuk tegenvalt: daar waar de oplossingen worden voorgesteld.




Zwartkijken van Franquin

     Het prachtige album Zwartkijken (Les idées noires)  van Franquin is opnieuw uitgegeven, met een uitgebreide inleiding. In zijn recensie (DSL 25/4) geeft Simon Demeulemeester commentaar bij een grap over mitrailleurs, straaljagers en raketten die veranderen in stront waar de generaals in verdrinken. Ik schrijf wel generaals maar ik ben eigenlijk niet zeker van hun graad. Ik hoop in elk geval dat die onsmakelijke verdrinkingsdood zich slechts vanaf het niveau van generaal voordoet, en dat bijvoorbeeld de kolonels gespaard blijven.  Mijn vroegere buurman was kolonel.
     Maar daar gaat het niet om. Het gaat hierom. De recensent schrijft: ‘Oorlogshitsers in de stront laten zakken, is precies wat een heer van stand hoort te doen.’ Ik kan bij het lezen van die zin niet anders dan even aan Theo Francken denken die door ‘heren van stand’ vaak een oorlogshitser wordt genoemd. Als ik nu een heer van stand was, liet ik Theo dus door de stront zakken.
    En Poetin dan? Maar dát is geen oorlogshitser, dat is een oorlogsvoerder.



Stad en platteland in de VS

     Hoe komt het dat de stedelijke bevolking in de VS grotendeels stemt voor de Democraten en de plattelandsbevolking grotendeels voor de Republikeinen. Ester Meerman (DS 22/4) heeft een sociologische verklaring gevonden: 

  

Wie in de grote stad leeft, stemt overwegend Democratisch, want als je buren op je lip hebt zitten, kom je er niet mee weg alle dagen een arrogante hork te zijn. 

       Zou dat in de VS zo zijn, dat de mensen aardig zijn in de grote stad en arrogant op het platteland? Als ikzelf in een grote stad kom – Antwerpen, Brussel, Kortrijk – heb ik altijd de indruk dat iedereen op mij neerkijkt. Vooral het zelfvertrouwen van de tieners intimideert mij. Als mijn vrouw mee is ben ik van niemand bang, maar als ik alleen tussen die mensen loop, voel ik mij niet op mijn gemak. 


Reynebeau over klimaat en migratie

     In zijn wekelijkse column – kan De Standaard die niet op twééwekelijks brengen – pleit Reynebeau, volgens de titel en de inleiding, voor meer nuance in het debat over migratie en klimaat.


 Is klimaat rechts, en klimaat links? … Iedereen heeft er belang bij en spreekrecht in. Elke kant heeft baat bij nuance en de tegenspraak die de andere kant brengt.

        Ik heb het stuk snel gelezen en begrepen dat zowel rechts als links in eigen boezem moet kijken. Rechts moet in zijn standpunt over milieu meer nuance brengen en links moet in het debat over migratie voor meer tegenspraak zorgen. 


Lize Spit over plot in literatuur


     Mocht ik vandaag nog Nederlandse les geven in het vierde middelbaar, dan zou ik zeker het essay van Lize Spit over ‘plot in de literatuur’ gebruiken (DSL 2/5).  Spit begint met een mop (en een waarschuwing dat de lezer de mop niet grappig zal vinden): 


Een man graaft een gat in zijn tuin. Zijn buurvrouw vraagt : ‘Waarom graaft u een gat in uw tuin, buurman.’ De buurman antwoordt: ‘Om mijn vis in te begraven.’ ‘Uw vis? Waarom zo’n groot gat dan?’ Waarop de buurman zegt: ‘Mijn vis is opgegeten door uw kat.’

     Het leuke is nu dat Spit enkele alinea’s verder met dat verhaal precies hetzelfde doet als wat ik mijn leerlingen als oefening opgaf: ‘Vat het verhaal samen als story in plaats van als plot.’  Zo’n samenvatting moest dan ongeveer beginnen zoals Spit begint: ‘Een man graaft een gat in zijn tuin om de kat van de buurvrouw te begraven die zijn vis heeft opgegeten.’ De slotzin van Spit past volledig binnen de stilistiek die ik mijn leerlingen probeerde bij te brengen. ‘Waarop de buurman de waarheid zegt.’

     Het verhaal dat ik als eerste oefening gebruikte was iets langer, een bladzijde lang, en ging over een rechter die ontvoerd was door gangsters en over de politie die in verband daarmee een chantage-brief ontving. Het verhaal werd door de auteur natuurlijk in een andere volgorde verteld. De leerlingen moesten de feitelijke volgorde herstellen, de lacunes opvullen, de verbanden expliciet maken en de gebeurtenissen abstracter formuleren. Om ze op weg te helpen bij hun opdracht, dicteerde ik de eerste zin. ‘Een rechter wordt ontvoerd door gangsters.’ 



Kippenvelmoment

     Josse de Pauw besluit zijn stuk in DSL van 2 mei met een korte alinea: ‘Ik las over iemand die goed aliens kan nadoen en vraag me nu al de hele dag af: hoe doe je dat?’ Ik had dat ook gelezen, over die aliens, en me dezelfde vraag gesteld, maar niet de hele dag.

     Verder gaat het stuk alle richtingen uit. Het gaat over de opvoering van Sancta, over Melania Trump, over Anneleen Bossuyt, over het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, over onze kredietwaardigheid en over het woord ‘snoeshaan’. Maar ik word vooral getroffen door volgende alinea:

 

Bij het horen van het woord ‘kippenvelmoment’ word ik een beetje misselijk. Afhankelijk van hoe enthousiast het wordt uitgesproken, kan dat leiden tot braakneigingen, en wanneer de spreker dan ook nog zijn ontblote voorarmen gaat tonen als bewijs, komt het er, ondanks de moeite die ik doe, langs mijn neus uit. 


    Langs zijn neus dan nog! We weten allemaal dat dat erg pijnlijk is. De Pauw stoort er zich aan dat die mensen door naar dat kippenvel te verwijzen over zichzelf praten, over hun gevoeligheid, over hun ontroerbaarheid. Maar is dat nu zo erg? Praat De Pauw nooit over zichzelf? Ik herinner mij nog levendig dat een vriend ooit over een kippenvelmoment sprak en daarbij een voorarm ontblootte om te laten zien dat de haartjes alweer, toen hij er nog maar aan dacht, opnieuw rechtkwamen. Ik vond dat een naïef gebaar, maar toch ook ontroerend. Ik ben dan ook erg ontroerbaar. 




Maar één keer zien


     Naar aanleiding van de film Die My  Love, sprak recensente Fien Meynendonckx (DS 28/4) van ‘onvergetelijke films die je maar één keer wil zien.’ Dat is een treffende omschrijving van een niet onbelangrijke categorie van films. Mijn zoon noemt dat films waarvan hij blij is dat hij ze gezien heeft.’