Mijn vader heeft een betekenisvol deel van zijn leven in de Verenigde Staten doorgebracht, de eerste keer in de jaren 20-30 en de tweede keer in de vroege jaren 50. Als kind ging hij naar school bij de zusters van Saint-Clare, en als jonge man, zong hij in het kerkkoor. Hij had ook de Amerikaanse opvatting over kerk en staat. De staat moest de godsdiensten niet subsidiëren zoals bij ons: de gelovigen moesten dat zelf maar doen. Iedereen gaf geld aan zijn eigen kerk: katholieken, methodisten, baptisten. Wel vond hij het vervelend dat zijn eigen kerk de bedragen publiceerde die de parochianen schonken, want zijn eigen bijdrage was eerder bescheiden.
De Nederlandse filosofe Stine Jensen betreurt dat de scheiding tussen kerk en staat, en tussen politiek en godsdienst in de VS aan het verdwijnen is. Ze maakt zich zorgen over het ‘christelijk nationalisme’ dat het ‘geloof probeert toe te eigenen voor één radicale politieke flank.’ Maar ze heeft het niet alleen over de politiek. In haar stuk (DS 26/9) brengt ze verschillende kwesties onder één noemer samen: trumpisme, maar ook moreel conservatisme, islamofobie, homofobie. Van dat moreel conservatisme – ultraconservatisme genoemd – haalt Jensen het voorbeeld aan van een populaire podcast Girls Gone Bible waarin twee jonge vrouwen kuisheid voor het huwelijk bepleiten. Ik kan er mij iets bij voorstellen: vlotte babbel, brede glimlach, naïef of pseudo-naïef enthousiasme. Iets als wat de linkse podcastmaker Hasan Piker brengt, maar dan voor een ander publiek*.
Over kuisheid voor of na het huwelijk heb ik geen uitgesproken mening, maar dat politiek misbruik van de godsdienst vind ik ook gevaarlijk. Toch wil ik proberen om de vrees van Jensen voor de Amerikaanse godsdienstigheid wat te temperen. Jensen begint haar stuk met een vaststelling. Van de 435 leden van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden is er maar één lid is dat openlijk toegeeft niet in God te geloven: Jared Huffman. Dat kunnen wij ons in Europa inderdaad niet voorstellen. Tocqueville had in zijn tijd al vastgesteld dat de godsdienst in de VS een veel grotere rol speelde in de levensopvatting dan in het oude Europa.
Bij de vaststelling van Jensen horen enkele nuances die ze niet vermeldt. Die Amerikaanse godsdienstigheid is traditioneel niet sectair, of althans niet onverdraagzaam tegen andere godsdienstige stromingen. Men heeft er de Europese godsdienstoorlogen niet gekend. De founding fathers waren geen religieuze dogmatici, veeleer een soort deïsten. Het donderde niet tot welke kerk je behoorde, maar het bestaan van een goedaardig opperwezen was een vanzelfsprekende aanname, die tegelijk – la providence arrange bien les choses – garant stond voor keurig gedrag van brave burgers. Je moest een onmens zijn om dat te ontkennen. Erkenden ook de plaatselijke stammen geen Grote Geest die de bron van alle leven was?
In die zin is de Amerikaanse religiositeit ook niet noodzakelijk christelijk. Elke godsdienst is goed, als het maar geen atheïsme is. Veel conservatieve christenen steunden indertijd de Afghaanse moslimstrijders tegen het goddeloze communisme. Die moslims waren tenminste geen ongelovige honden.
Omdat de Amerikaanse godsdienstigheid niet noodzakelijk aan één sekte, aan één kerk of aan één godsdienst gebonden is, kan ze ook niet zo gemakkelijk als instrument gebruikt worden door één politieke strekking. Er is bij wijze van spreken een dubbele concurrentie: tussen verschillende politieke partijen en tussen verschillende godsdiensten. Als J.D. Vance zich tot het katholicisme bekeert, moet hij oppassen dat hij geen Evangelicals tegen de borst stoot, en bovendien zal hij er niet gemakkelijk in slagen om paus en bisschoppen aan zijn kant te krijgen.
Dat godsdienstig pluralisme heeft echter wel een beperking, en Jensen legt in haar stuk de vingere op de wonde. De Amerikaanse politicus mag katholiek, protestants, joods of moslim zijn, maar atheïsme en zelfs openlijke religieuze onverschilligheid is off limits. Een politicus die niet in een God gelooft, moet doen alsof hij dat wel doet. Barack Obama kan stiekem een atheïst zijn – Jensen volgt de hypothese van Richard Dawkins – maar hij moet wel trouw ter kerke gaan.
Op dat vlak zijn de politieke mores in de VS achteruitgegaan. Er is een bekende anekdote over een woordentwist tussen Lincoln en de methodistisch predikant Cartwright. Lincoln voerde campagne om een parlementszetel te veroveren en werd door Cartwright verweten een ongelovige te zijn. De gelovigen zouden naar de hemel gaan, en de ongelovigen naar de hel, zei hij op een van zijn predicaties waar de politicus aanwezig was. ‘And may I inquire of you, Mr. Lincoln, where you are going?’ Lincoln stond recht en zei: ‘I am going to Congress.’ Zoiets kon je toen nog zeggen, en het tóch tot president brengen.
We hebben in dit leven allemaal zaken die we nogal naïef geloven. Antoine Furetière noemde het la foi du charbonnier en Rousseau la foi des simples. Zelf geloof ik in mijn simpelheid dat de openbaringsgodsdiensten vroeg of laat zullen verdwijnen en dat een technologische samenleving onherroepelijk tot secularisme leidt. Europa lijkt die veronderstelling te bevestigen, en de VS lijken die te weerleggen. Denemarken telt nog 2 % kerkgangers, tegenover 32 procent in de VS. Maar 32 procent is wel ver verwijderd van 100 procent.
En nog belangrijker is het om naar de evolutie te kijken. In 1972 gaf 4 procent van de Amerikanen tussen 30 en 49 jaar aan dat ze ‘geen godsdienst’ hadden. Tegen 2010 was dat 21 procent – helemaal niet weinig, en niet wat we vanuit ons Europees vooroordeel zouden verwachten. Met zulke cijfers vraag je je af waarom progressieve politici als Barack Obama, Hillary Clinton, Bernie Sanders en Zohran Mamdani hun eventuele atheïsme zouden moeten camoufleren met praatjes over hun spiritualiteit als bron van politiek engagement.
Er bestaat nog een tweede misverstand. In Europa denken we dat het christelijke fundamentalisme in de VS spectaculair aan het stijgen is. Je kunt dat fundamentalisme op verschillende manieren meten. Een van de eenvoudigste manieren is om te kijken naar de aanhang van de Evangelical Protestants. Hun percentage in de bevolking was 19 % in 1927, steeg naar 28 procent rond 1985, bleef stabiel tot 2010 is is ondertussen gedaald naar 21,5 % in 2024. (Zie hier)
Evolutie van aantal Evangelicals in de VS
Dat misverstand over het opkomende fundamentalisme ent zich op nog een ander misverstand: dat de godsdienst in de VS vooral een kwestie is van de lagere klassen terwijl de hogere klasse uit seculiere humanisten bestaat*. Maar de 21 procent dat volgens peilingen ‘geen godsdienst’ heeft is ondertussen mooi verdeeld onder de de hoogste en de laagste klassen van de bevolking. Natuurlijk bloeit het secularisme onder de economische en intellectuele elite – de 1 % – maar het is eveneens ruim verspreid bij de 30 procent blanken met de laagste inkomens. De meerderheid van hen gaat niet meer naar de kerk en is niet meer betrokken als vrijwilliger bij de kerkelijke activiteiten.
Het kerkelijk leven concentreert zich meer en meer bij de hogere middenklasse. Ook daar heeft een daling zich ingezet, maar minder dan bij de andere bevolkingsgroepen: tussen 1970 en 2010 ging het aantal regelmatige kerkgangers onder de hogere middenklasse van 65 % naar 55 % en het aantal vrijwillgers van 30 % naar 23 %***. Geen enkele progressieve, heimelijk atheïstische, Amerikaanse politicus kan het zich permitteren om die hogere middenklasse te schofferen.
* Zie mijn stukje over Hasan Piker hier
** De cijfers in de twee laatste alinea’s betreffen alleen de blanke bevolking. Ze zijn verzameld door Charles Murray in Coming Apart, een boek dat zich beperkt tot ‘White America’, en dat dateert 2012. De cijfers kunnen dus verouderd zijn. Met hogere middenklasse bedoelt Murray de 20 procent hoogste inkomens.
*** Dat vrijwilligerswerk wordt mooi geïllustreerd in de tv-serie Love & Death.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten