Het was een grappig toeval. Ik sla de krant open (DS 26/9) en ik lees een kop ‘De lessen van Max Weber.’ Op hetzelfde ogenblik valt het boekje Wetenschap als beroep. Politiek als beroep van Max Weber in mijn brievenbus. Of eigenlijk was het anders. Ik zie die kop in de krant, en denk eraan dat ik het boekje nog uit de brievenbus moet halen. Die essays van Weber heb ik enige tijd geleden al doorgenomen in het Engels, maar ik wou het boekje nu toch graag in mijn boekenkast.
Het stuk in de krant over ‘de lessen van Weber’ is geschreven door Jan Dumolyn en op de websiteversie luidt de kop enigszins anders: ‘De hetze tegen de UGent is een regelrechte bedreiging voor de autonomie van de universiteit en de academische vrijheid.’ Bij die ‘hetze’ denk ik in de eerste plaats aan het essay dat Maarten Boudry op zijn substack publiceerde onder de titel ‘How to Hijack a University.*’ Dumolyn vermeldt de naam van Boudry niet, maar ik vermoed dat hij wel aan hem heeft gedacht.
In zijn essay vertelt hoe Boudry waarom hij er na zijn humaniora voor koos om aan de UGent te studeren. Dat was een vrijzinnige universiteit. Later kwam hij als academicus terecht in de vakgroep filosofie. Hij sloot zich binnen die vakgroep aan bij enkele collega’s van de ‘naturalistische’ school. De naturalisten werden door de andere collega’s argwanend bekeken maar al bij al getolereerd. De eerste frustratie van Boudry was dat de naturalistische school stukje bij beetje aan aanhang verloor en op steeds meer vijandigheid botste. De tweede frustratie betrof de toenemende invloed, zichtbaarheid en onverdraagzaamheid van links aan de UGent. De linkse en woke dominantie aan de UGent is in de ogen van Boudry een levensgroot probleem geworden, groot genoeg om met zijn universiteit te breken.
1.-
De naturalistische school binnen de vakgroep filosofie werd gemarginaliseerd wegens ‘rechts biologisch determinisme’; cursussen over antropologie en biologie werden van het curriculum gehaald; naturalistische projecten van o.a. professor Braeckman werden niet meer goedgekeurd.
2.-
Filosofieprofessor Bouke De Vries werd op de vingers getikt omdat hij in de les een ‘rechts’ wetenschappelijk artikel over ‘demografie en liberalisme’ gebruikte.
3.-
Aan de faculteit verzette men zich – tevergeefs – tegen de tijdelijke benoeming van Boudry voor de Leerstoel Etienne Vermeersch.
4.-
De decaan van Wijsbegeerte en Letteren tekende in het kader van de Black Lives Matter-beweging, samen met andere professoren, een manifest dat opriep om de hele universiteit aan een dekolonialiseringstraject te onderwerpen
5.-
Sommige opleidingen aan de UGent zijn rechtstreeks door de woke-ideologie geïnspireerd zoals de Gender Studies; toen Boudry zich in het universiteitsmagazine kritisch uitliet over die opleiding, werd die kritiek geschrapt.
6.-
Bij de rectorverkiezingen werd de politiek geëngageerde groen-linkse Petra De Sutter verkozen boven de zittende rector Rik Van de Walle.
7.-
Na maanden van acties, bezettingen en petities van studenten en personeel ging de UGent over tot een boycot van Israëlische instituties en universiteiten; ze kende samen met de UA en de VUB een eredoctoraat toe aan Palestina-activiste Francesca Albanese; de rector vertelde in een interview dat het ontkennen van de genocide in Gaza niet onder de academische vrijheid viel.
8.-
UGent sanctioneerde onderzoeker Cofnas als gevolg van acties en petities van studenten en personeel, met onder andere het argument dat hij een bedreiging vormde voor het welzijn aan de universiteit; de decaan van Wijsbegeerte en Letteren verklaarde dat er aan de faculteit een ‘brede consensus’ bestond om Cofnas af te danken.
9.-
Als professor Mortier bij een proclamatietoespraak de zaak Cofnas in verband brengt met de kwestie van academische vrijheid, en met een strikte afbakening van het begrip ‘pseudowetenschap’, wordt hij door studenten en personeel uitgejouwd en wordt hem het woord afgenomen door de decaan.
Het lijstje is niet volledig en laat veel details weg die nochtans, zoals geweten, belangrijk zijn als we de duivel op heterdaad willen betrappen. Maar ook Boudry zal moeten toegeven dat het niet meteen om stalinisme gaat, of zelfs niet om McCarthy-praktijken: rivaliteiten in een vakgroep, een bekrompen reprimande, enig getouwtrek rond benoemingen, een gepolitiseerde rectorverkiezing, enkele woke-opleidingen, een rits academische handtekeningen onder linkse manifesten, en twee dossiers die wat zwaarder wegen: de anti-Israël hetze die verdergaat dan elders in het land, en de zaak-Cofnas.
Ik hou van beknopte lijstjes omdat hun overzichtelijkheid mijn gemoed kalmeert. Maar daar zit ook de valstrik. Ze kalmeren mij omdat ze de emotie uit een kwestie weghalen. En die emotie is belangrijk, maar moeilijk om te kwantificeren. Toen ik nog les gaf zat ik in een vakgroep waar een kloof gaapte tussen de conformistische onderwijsvernieuwers en de rebelse traditionalisten. Ik deed er alles aan om de vakgroep zo weinig mogelijk te laten samen te komen, maar zelfs als er slechts drie vergaderingen per jaar waren, wogen die momenten emotioneel een heel schooljaar door.
Welke emoties men in Boudry’s tekst ontwaart, zal ervan afhangen. Zijn vrienden zullen vooral verontwaardiging zien, zijn vijanden daartegen rancune en verbittering. De emotie die hijzelf aanhaalt is die van desillusie. De ondertitel van zijn essay geeft het aan: Confessions of a Disillusioned Academic. Zijn eerste desillusie is dat de universiteit hoe langer hoe minder aan zijn verwachtingen voldeed. Hij dacht dat de UGent door haar vrijzinnig pluralisme de beste garanties bood tegen dogmatiek. ‘Dogma is the ennemy of progress,’ moet hij gedacht hebben, zoals andere denkers en denkmachines voor hem*. Dat soort ontgoocheling herken ik niet meer. Mijn eigen ontgoocheling in het communisme ligt zover achter mij, dat ik ze niet meer kan navoelen.
Er is echter een andere desillusie die ik wel nog herken. Boudry beschrijft hoe hij reageerde toen in 2020 de decaan van Wijsbegeerte en Letteren opriep om de faculteit en de hele universiteit te dekoloniseren.
At the time ... I didn’t take the whole decolonization issue seriously. When the proposal was discussed during a department meeting, I was even inclined to lean back in mild amusement. As a naturalist, I’m primarily concerned with real-world problems of today, not with poring over the great works of Kant, Hegel, and Aristotle. But how, I thought, would my progressive colleagues square the circle of dedicating their lives to all those Dead White Males while still staying in the good graces of the activists? You can’t exactly rewrite the history of philosophy. It struck me as somebody else’s problem. (I was dead wrong.)
De illusie van Boudry was dat hij zich buiten de strijd kon houden. Ik had die illusie ook toen ik begon les te geven. In mijn school was al lang voor mijn komst gedonder aan de gang over de pedagogische aanpak. Sommige collega’s hielden vast aan ‘gewoon goed lesgeven’ terwijl de directie ‘het nieuwe leren’ met dwingende richtlijnen wou opleggen. Net als Boudry dacht ik met een glimlach achterover te kunnen leunen. Ik zou mijn gang gaan en mij verder van niets aantrekken. Dat was een dubbele illusie: ik had de impact van de richtlijnen op mijn eigen lespraktijk onderschat, en ik had mijn vermogen overschat om te blijven glimlachen over ideeën die ik grondig verkeerd vond.
***
Het antwoord van Jan Dumolyn op de ‘hetze tegen de UGent’ laat de meeste concrete aantijgingen onbesproken. Het bestaat eerst en vooral uit een historisch overzicht, zoals dat een historicus betaamt. Dumolyn geeft uitleg over de veranderende rol van de universiteit door de eeuwen heen. Ook vat hij de opvattingen van Max Weber, Antonio Gramsci en de soixante-huitards samen en maakt daarbij niet altijd duidelijk wat hij er zelf van vindt. Zo weet ik niet of hij de ideeën van Gramsci als een kritiek dan wel als een aanvulling op Weber ziet. Evident is echter dat hij één gedachte van Weber in elk geval wél overneemt: dat een universiteitsdocent ‘zijn positie niet [mag] gebruiken om studenten zijn politieke of morele overtuigingen als waarheid op te leggen.’
Door de in vele richtingen uitwaaierende geschiedenisles als aanloop, heeft Dumolyn slechts een halve krantenkolom overgehouden om op de ‘hetze’ zelf te antwoorden, met een apologie en een tegenaanval. Hij doet het summier en enigszins impliciet. Ook is het verband tussen het aanloopgedeelte en het polemisch gedeelte erg dunnetjes, op de Weber-verwijzing na.
Aangezien ik de kritiek van Boudry in een droog lijstje heb weergegeven, probeer ik dat hier ook met de argumenten van Dumolyn te doen. Ik kan mij echter niet inhouden om er telkens wat commentaar bij te geven.
1.- Bijna alle proffen en onderzoekers van de UGent staan ‘als lesgevers zo onpartijdig mogelijk voor de collegezaal en ‘bieden de studenten verschillende perspectieven aan.’
Ik geloof graag dat verreweg de meeste professoren in verreweg de meeste studierichtingen aan die voorwaarde voldoen, zelfs als ze buiten de aula politieke of ideologische posities innemen. Ik kom hier straks nog op terug. Maar bij een masteropleiding als Intersectionaliteits- en Diversiteitsstudies heb ik weinig vertrouwen in de onpartijdigheid. Alleen al de naam van de vakken - ‘Resistance, Power Relations en Social Conflict, bijvoorbeeld – wekt mijn achterdocht.
2.-
De meeste academici aan de UGent zijn ‘gewoon vakspecialisten’ en geen publieke intellectuelen
Het tegenovergestelde zou mij verwonderen. Maar dat zegt niet veel over de liberale gezondheid van de universiteit. Ook aan de communistische en nazistische universiteiten zullen veel vakspecialisten zich louter hebben beziggehouden met middeleeuwse manuscripten, klankverschuivingen en getallentheorie. Alleen het maoïsme heeft het zover gedreven van het vakspecialisme zelf te willen afschaffen. (De lezer zal begrijpen dat ik hier niet probeer de UGent te vergelijken met de communistische en nazistische universiteiten.)
3.-
De academici van de UGent hebben als burgers ‘meestal gematigde’ politieke opvattingen.
De meerderheid heeft gematigd linkse opvattingen, wat betekent dat ze bijna altijd tolerant zijn voor radicaallinksen (zoals Jan Dumolyn) maar vaak intolerant voor radicaalrechtsen, waarbij dat laatste begrip soms nogal breed wordt geïnterpreteerd. Ik herinner mij een commentaar van lang geleden waarin Dumolyn sprak over Maarten Boudry als ‘extreemrechts op economisch gebied.’
4.-
Het is een ‘dwaze karikatuur’ om de universiteiten (en de UGent) voor te stellen als ‘gedomineerd door links of door woke.’
Wat betekent ‘gedomineerd’? Het betekent in elk geval niet dat er een meerderheid van de universitaire gemeenschap links of woke is. Een luidruchtige minderheid volstaat, zolang de meerderheid onverschillig of minstens ‘silent’ blijft, zoals van een ‘majority’ wordt verwacht. Van luidruchtigheid gesproken, het incident rond Freddy Mortier is een illustratie van linkse dominantie binnen Wijsbegeerte en Letteren. Dat betekent niet dat die dominantie zich in die faculteit op elk moment laat voelen. Maar je voelt ze wel scherper als je zelf geen onderdeel bent van wat Dumolyn de ‘progressieve consensus’ noemt die de na 68 de universiteit is gaan beheersen.
5.-
Het is wel het geval ‘dat er bij sommige academici zekere vormen van ideologisch conformisme bestaan.’
Dit is een toegeving die Dumolyn doet aan de aanstokers van de hetze. Het politiek klimaat aan de UGent is niet ideaal. Je voelt ook zijn eigen ergernis. Als radicaallinkse verheugt Dumolyn zich over de ‘progressieve consensus’ maar hij vermoedt tegelijk dat die vaak niet meer is dan een gedachteloos volgen van de mode, ook wat betreft de identitaire excessen van woke waar hij een afkeer van heeft.
6.-
De richting van het onderzoek wordt niet bepaald door linkse of woke ideologie maar door ‘bureaucratische procedures en carrièrestructuren, rankings van tijdschriften, en de logica waarmee projectgelden worden toegekend.’
Alles wat ik weet over de interne keuken van universiteiten komt van films en van campus novels. Vanuit de logica zie ik echter geen tegenstelling tussen ideologische begrenzing enerzijds en bureaucratische procedures etc. anderzijds. Als jezelf enigszins binnen de ideologische consensus past, is de kans zelfs groot dat je die begrenzing niet ziet (Wallace’s ‘What is water?’) en alleen de variabelen binnen die begrenzing.
7.-
Er bestaat een ‘internationaal netwerk’ rond de ‘openlijk antidemocratische techmiljardair’ Peter Thiel en vicepresident JD Vance om de universiteiten te zuiveren en op die manier de academische vrijheid te begrenzen vanuit de politieke overheid.
De formulering in de onderkop van het artikel – waarvoor ik de eindredactie verantwoordelijk houd – is grotesk: ‘De polemiek aan de UGent wordt aangejaagd door figuren als techmiljardair Peter Thiel en vicepresident J.D. Vance.’ Maar laten we de kwestie genereus interpreteren. Als men de de UGent beschuldigt van woke onderzoek en van linkspolitiek activisme, dan kan dat leiden tot beleidsingrepen zoals we in de VS hebben gezien: de overheid die onderzoekssubsidies intrekt omdat er teveel ‘woke’ onderzoek gebeurt of omdat men politiek activisme tolereert dan wel stimuleert. Dat is inderdaad een vorm van ideologische staatsinmenging en ze wordt bij ons verdedigd door het Vlaams Belang. Ook Maarten Boudry spreekt over het gevaar van een ‘crackdown on universities’ zoals in de VS van Trump. Maar hij vreest dat het andere scenario waarschijnlijker is: een verdere toename van linkse intolerantie. Zelf heb ik mijn bezwaren tegen een Trumpiaanse crackdown uiteengezet in mijn stukje over ‘Een universitaire zuivering.’ Je kunt het ook zo zeggen: de academische vrijheid wordt op twee manieren bedreigd: van buitenuit en van binnenuit. In het ene geval schendt de politieke overheid de onafhankelijkheid van de universiteit; in het andere geval schendt de universitaire overheid, aangejaagd door activisten, de onafhankelijkheid van individuele docenten en onderzoekers.
8.-
Het ‘rassenrealisme’ als ‘pseudowetenschap’ - een verwijzing naar Cofnas – is al weerlegd door Henri Pirenne (1862-1935), W.E.B. Du Bois (1868-1963), en Franz Boas (1858-1942). (DS 2/5)
Dit argument ten gronde werd door Dumolyn ontwikkeld in een ander stuk van enkele maanden geleden (DS 2/5). Ook hier reageert hij als historicus: hij schetst het onstaan van het racisme in het koloniale tijdperk, brengt de rassenleer van de nazi’s ter sprake, en verwijst naar antiracistische denkers als Henri Pirenne (1862-1935), W.E.B. Du Bois (1868-1963), en Franz Boas (1858-1942). Die drie namen zijn mij niet helemaal onbekend. In sommige libertaire publicaties wordt wel eens bewezen naar de beperkte overheid in de middeleeuwen zoals die door Pirenne is beschreven. De fellow-traveller W.E.B. Du Bois is mij bekend vanuit mijn communistisch verleden. En met Franz Boas maakte ik kennis tijdens mijn opleiding in de taalkunde. Alle drie leggen ze uit dat verschillende persoonlijkheidskenmerken tussen ‘rassen’ verklaarbaar zijn uit sociaal-economische en culturele omstandigheden. Er bestaan modernere studies, zoals die van de libertarische conservatief Thomas Sowell, die diezelfde stelling verdedigen. Maar die stelling heeft slechts een beperkt belang voor de huidige discussie. Ongeveer niemand ontkent de invloed van omgevingsfactoren op het gemiddelde gedrag en de persoonlijkheidskenmerken van de verschillende ‘rassen’. Wat overblijft is de vraag of er naast die omgevingsfactoren ook genetische factoren een rol spelen. Als Dumolyn aan de universiteit die vraag wil verbieden – of op basis van geschiedkundig, sociologisch of antropologisch onderzoek van honderd jaar geleden, slechts één antwoord toelaatbaar acht – dan is hij het, en niet Peter Thiel of J.D. Vance die een stukje academische vrijheid bedreigt.
***
Hier stop ik mijn polemiek en keer ik terug naar Max Weber, naar de kwestie van de waardevrije wetenschap, en naar de moeilijkheden dat die in de praktijk kan opleveren. Dumolyn verzekert ons dat de Gentse academici ‘onpartijdig voor de collegezaal staan en verschillende perspectieven aanbieden.’ Dat zal zeker zo zijn in de colleges geneeskunde, natuurkunde, taalkunde, ingenieurswetenschappen, rechtsgeleerdheid en vele andere. Daar speelt de kwestie van partijdigheid niet eens mee, of slechts marginaal. Maar hoe zit dat met de colleges waar Weber aan dacht: die in de sociologie, economie, staatsleer, geschiedenis, en cultuurfilosofie? Wordt voor deze vakken de academische onpartijdigheid ondermijnd door de prevalentie van linkse ideologie? Boudry spreekt er niet over en zelf zal ik mij beperken tot enkele theoretische gevaren.
Nemen we eerst het vak van Weber waarop het prestige van Weber berust: de sociologie. Dit is een discipline waarin onder andere de gewenste en ongewenste gevolgen van het politiek beleid worden bestudeerd. De verleiding is dan groot dat sociologen gevraagd worden, of zichzelf voorstellen, als raadgevers voor de politiek. Maar Weber legt uit dat ze vanuit hun discipline geen richting kunnen aangeven, omdat die richting gebaseerd is op belangen, en op waarden, idealen en op de ‘uiteindelijke houding ten opzichte van het leven.’ Over die zaken heeft de wetenschap niets te zeggen. Die kan hoogstens aangeven of de gekozen beleidsmiddelen een of ander beoogd doel dichterbij brengen. Maar of dat doel bijvoorbeeld economische vooruitgang dan wel meer gelijkheid is, is geen vraag die de socioloog moet beslissen. Voor een overtuigde egalitair moet dat moeilijk zijn, zeker als zijn faculteit uit een gelijkgezinde club bestaat en als zijn methodologie bestaat uit rekbare enquêtes en statistiek.
Nemen we dan het andere vak van Weber: de economie. Net als de sociologie riskeert die wetenschap gebruikt te worden door politici – of door de wetenschappers zelf – om een beleid te verantwoorden. En het antwoord is hetzelfde: de wetenschap kan oordelen over de middelen, niet over het doel. Het voordeel hier is dat de logisch-wiskundige modellen van de micro-economie een rem vormen op haastig en direct engagement. Maar als de economen zich in navolging van de sociologen op cijfers en statistieken gooien, loert het gevaar van ideologische cherrypicking om de hoek. Daar komen nog twee andere gevaren bij. Een belangrijke discussie onder economen betreft de optimale graad van staatsinterventie in de economie. Economen die zichzelf als politieke raadgevers zien, zullen als vanzelf geneigd zijn om een grotere staatsinterventie gunstig te vinden. Dat is een links gevaar. Het rechtse gevaar is dat economen vanuit de logica van hun discipline geneigd zijn om economische groei als impliciet doel aan te nemen. Het zou mij verwonderen als degrowthers ooit het vak konden overnemen.
Bij de geschiedenis rijst een heel ander probleem. Slechts weinig politici halen rechtstreeks hun inspiratie uit de geschiedschrijving. Bart De Wever is misschien een uitzondering. Als de geschiedschrijving als vak een relatie heeft met de politiek is het indirect, via de ideologie. En dat gaat dan zowel om de ideologische overtuiging van de historicus als om de invloed die zijn geschriften hebben op de publieke opinie – en ook politici behoren tot de publieke opinie. Hayek benoemt in zijn essay ‘History and politics’ de twee kanten van de zaak**.
There is indeed no legitimate reason why, in answering questions of fact, historians of different political opinions should not be able to agree. But at the very beginning, in deciding which questions are worth asking, individual value judgments are bound to come in … The influence which writers of history thus exercise on public opinion is probably more immediate that that of the political theorists who launch new ideas.
En bij die geschiedschrijving moet je niet alleen historische monografieën tellen, maar ook historische films en romans. In hoeveel discussies over liberalisme en socialisme wordt niet verwezen naar de film Daens? De zeven delen van Gore Vidals Amerikaanse saga hebben waarschijnlijk evenveel bijgedragen tot mijn afscheid van het marxisme als een politiek tractaat als Poppers Open Society – tractaat dat dan zelf nog een historische insteek heeft. Overigens geloof ik dat historisch onderzoek en onderwijs in een academische context zo technisch geworden is, dat het gevaar voor ideologische manipulatie vandaag veeleer gering is.
Vervolgens de staatsleer. Ik veronderstel dat het gevaar van politieke bias hier zo evident is, dat politicologen zich juist zullen inspannen om een zekere onpartijdigheid te bewaren, zeker in zaken van partijpolitiek. Over het onderdeel politieke filosofie zou ik nog eens moeten nadenken.
Dan de cultuurfilosofie. Ik geloof dat Weber hier vooral de cultuurgeschiedenis bedoelt. In de moderne betekenis van het woord komen we op het terrein van de culture wars, waar ik in andere stukjes al te veel over geschreven heb.
Wat daarentegen de algemene filosofie betreft – ik geloof dat Weber dat vak niet bij de wetenschap rekent – zie ik weinig gevaar voor politieke partijdigheid. Je kunt L’Etre et le néant van Sartre gloedvol bespreken zonder links te zijn en en Philosophical Explanations van Nozick onderwijzen zonder rechts te zijn. Anderzijds zie ik niet goed hoe een gedreven professor in de filosofie zou kunnen voldoen aan de Weberiaanse eis om ‘alle perspectieven aan te bieden.’ Ik denk niet dat vandaag eenzelfde professor in staat is om bijvoorbeeld analytische, naturalistische, fenomenologische en postmodernistische filosofie te doceren. Je kunt immers alleen in een allereerste inleiding over de ‘inhoud’ van die filosofieën spreken. Daarna moet je die filosofische visies van binnenuit benaderen. De docent helpt de studenten om te filosoferen als analyticus, naturalist, fenomenoloog of postmodernist, maar niet als alle vier tegelijk. Je kunt van Boudry niet verwachten dat hij anders filosofeert dan als naturalist, zoals je van Dumolyn niet kunt verwachten dat hij anders geschiedenis beschrijft dan als marxist. Maar dat marxisme – als het niet al te dogmatisch is – van een historicus is minder dwingend – en in zekere zin minder intiem – dan het naturalisme of postmodernisme van een filosoof. Maar filosofische partijdigheid en politieke partijdigheid zijn heel andere dingen.
** Het essay van Hayek over geschiedschrijving en politiek staat hier.

Tja, lees de recente debuutroman 'Vaart voorbij' van Laurens De Vos die fictief als ie is toch wel een sleutelroman is over de letterenopleiding op de Gentse Blandijnberg in tempore non suspecto dan nog .... Waar is de tijd dat ik Leo Apostel interviewde voor Knack die toen vertelde over zijn strijd tegen het neopositivisme aan de U Gent en zijn pleidooi voor atheïsische religiositeit.
BeantwoordenVerwijderenDie terminologie aangaande Gent hoorde ik ook in de jaren 70: de 'neopositivisten' tegen de 'fenomenologen' en enkele individuele filosofen die niet zo makkelijk in een van de kampen konden worden ondergebracht.
Verwijderen"( De lezer zal begrijpen....), welja vrijwel al uw lezers zullen dat willen begrijpen.
BeantwoordenVerwijderenMisschien willen die lezers Cofnas wel méér begrijpen dan de steller hier zelf?
Enerzijds twijfels over eigen stellingen, anderzijds niet willen geïdentificeerd worden met meer dan twijfelachtige figuren? Het suggereren van nuance, bij de meeste van uw lezers lukt dat wellicht. U zal begrijpen dat één enkele er anders over denkt.
Ik onderwierp onlangs de volgende stelling aan AI: "Fenomenologie is bij uitstek wollig en navelstaarderig" . Ik kreeg het volgende antwoord: "Je kritiek is volkomen terecht als we kijken naar hoe fenomenologie soms beoefend wordt: een elitair clubje dat in ingewikkelde bewoordingen elkaars diepe innerlijke roerselen bewondert."
BeantwoordenVerwijderenNog een fenomenologische mop: Hoe vervangen driehonderd hippies een lamp? Eén draait een nieuwe lamp in en 299 doen vervolgens aan uitwisseling van de ervaring.
U *onderwierp*? Hoe doet men dat?
VerwijderenIk (lang geen aanhanger van fenomenologie) *vroeg* AI iets vergelijkbaars, maar wisselde uw "Fenomenologie" en uw "is" van plaats. Je gelooft nooit wat ik op mijn vraag kreeg als antwoord....